UNIFORM EINDEXAMEN MULO 2012

Vergelijkbare documenten
UNIFORM HEREXAMEN MULO 2008

PULO / MULO staatsexamen lesmateriaal Vak: Geschiedenis Les 6

UNIFORM EINDEXAMEN MULO 2008

UNIFORM EINDEXAMEN MULO 2007

UNIFORM HEREXAMEN MULO 2007

VAK : GESCHIEDENIS DATUM : DINSDAG 14 JULI 2015 TIJD : UUR UUR. Tijdsbepaling 1

DEZE TAAK BESTAAT UIT 40 ITEMS.

DEZE TAAK BESTAAT UIT 40 ITEMS. HET DEKOLONISATIEPROCES. Nelson Mandela en Mahatma Gandhi rekenen we tot leiders van de

UNIFORM EINDEXAMEN MULO 2010

VAK : GESCHIEDENIS DATUM: DONDERDAG 20 JULI 2017 TIJD : UUR. Nieuwe Bestaansmiddelen. Tijdsbepaling

UNIFORM EINDEXAMEN MULO 2009

DEZE TAAK BESTAAT UIT 40 VRAGEN. SURINAME: DE POLITIEKE EN STAAT- KUNDIGE ONTWIKKELINGEN NA 1945

Het zeilschip, de Lala Rookh dat op 5 juni 1873 in ons land arriveerde, had... immigranten aan boord. A Chinese B Hindostaanse C Javaanse D Portugese

VAK : GESCHIEDENIS DATUM: DONDERDAG 17 JULI 2008 TIJD : UUR TIJDSBEPALING

SO 1. Tijdvak II AVONDMAVO Historisch Overzicht

Tijdsbepaling. Immigratie VAK : GESCHIEDENIS DATUM : DONDERDAG 19 JULI 2012 TIJD : UUR

Tijdsbepaling. Immigratie VAK : GESCHIEDENIS DATUM : DONDERDAG 17 JULI 2014 TIJD : UUR. Hier volgen twee beweringen:

S.O. 2 Tijdvak I AVONDMAVO

GESCHIEDENIS SO3 TV

CORRECTIEMODEL GESCHIEDENIS HEREXAMEN HAVO Suriname

Samenvatting Maatschappijleer Politiek - Democratie en rechtstaat

VAK : GESCHIEDENIS DATUM : DONDERDAG 18 JULI 2013 TIJD : UUR. Tijdsbepaling. Hier volgen twee beweringen over de proefimmigraties:

SO 2 Tijdvak I AVONDMAVO Staat en Natie. Dit SO bestaat uit 37 vragen. 29 openvragen en 8 meerkeuze vragen.

Tijdvak I. 31 oktober : 30-10:00.

(2) 1. Omschrijf het begrip imperialisme zoals het voorkwam vóór (2) 3. Wat hield het cultureel imperialisme volgens de Europeanen in?

ALTERNATIEVEN 4. OBSTAKELS OP WEG NAAR VREDE 5. HOUDING VAN VS EN EUROPA 6. CONCLUSIE

geschiedenis en staatsinrichting CSE KB

DE DEMOCRATIE-INDEX GROEP 1: Hebben alle partijen min of meer gelijke kansen in de campagneperiode?

Examen VMBO-GL en TL. geschiedenis en staatsinrichting CSE GL en TL. tijdvak 2 dinsdag 18 juni uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Eindexamen geschiedenis en staatsinrichting vmbo gl/tl I

GESCHIEDENIS EN STAATSINRICHTING CSE KB

geschiedenis en staatsinrichting CSE GL en TL

5,9. Samenvatting door een scholier 1292 woorden 15 februari keer beoordeeld. Maatschappijleer

KOUDE OORLOG. Opgavenblad


Koloniën worden onafhankelijk 10.2

Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen.

GESCHIEDENIS EN STAATSINRICHTING CSE KB

Statistiek internationale kinderontvoering 2008

Statistiek internationale kinderontvoering 2008

Grondwet van de Tweede Republiek der Nederlanden Neerlandiæ

Schoolonderzoek II Geschiedenis Staat en Natie Tijdvak I

Tijdvak II. november : 30-10:00.

geschiedenis en staatsinrichting CSE KB

Bijlage. 3 - meename door moeder meename door beiden meename door derde(n)

Bijlage

Eindexamen geschiedenis en staatsinrichting vmbo gl/tl I

GROTE-LIJN-OVERZICHT VAN TIJDVAKKEN BEHANDELD IN LEERJAAR 1

Examen VMBO-GL en TL 2005

Koloniën worden onafhankelijk

Examen VMBO-GL en TL 2006

Eindexamen geschiedenis en staatsinrichting vmbo gl/tl II

: de verbroederingspolitiek

TRANSATLANTIC TRENDS 2004 NETHERLANDS

Tijdsbepaling. Immigratie VAK : GESCHIEDENIS DATUM: DINSDAG 20 JULI 2010 TIJD : UUR

Binnenlandse, Europese en globale mobiliteit van artsen en de beperkingen van een Vlaams of Belgisch beleid op dit vlak. Werkgroep: Walter Michielsen

Eindexamen maatschappijleer 2 vmbo gl/tl II

Samenvatting Maatschappijleer Maatschappijleer voor jou Hoofdstuk 3 Politiek

NEDERLAND IN DE 16e EEUW

Samenvatting Geschiedenis geschiedenis samenvatting H4

Geschiedenis Staatsinrichting van Aruba

5.9. Boekverslag door E woorden 23 oktober keer beoordeeld. Maatschappijleer Thema's maatschappijleer

HERKOMST EN BESTEMMING GOEDEREN VIA ROTTERDAM

Datum onderteken ing

Welke wapens worden voor het eerst gebruikt in de Eerste Wereldoorlog? 1. Geweren en gifgas. 2. Machinegeweren en gifgas. 3. Gifgas en pistolen.

Samenvatting Geschiedenis Module 5

Samenvatting Maatschappijleer Politiek

geschiedenis en staatsinrichting CSE GL en TL

TRANSATLANTIC TRENDS - NETHERLANDS

Op de vlucht. 1) Waarom vlucht men eigenlijk? Er zijn vele redenen; politieke vervolging, marteling, oorlog of burgeroorlog zijn enkele voorbeelden!

NIEUWE BESTAANSMIDDELEN IMMIGRATIE

De Iraanse revolutie (1979) en zijn gevolgen

Samenvatting geschiedenistoets hoofdstuk 6: Een tijd van revoluties

Samenvatting Geschiedenis Samenvatting Staatsinrichting hoofdstuk 1 VMBO

Verenigde Staten Ontwikkeling van de burgerrechten

Eindexamen geschiedenis en staatsinrichting vmbo gl/tl I

Handels- en investeringscijfers China-Nederland 1

Gemeenschappelijk schoolonderzoek Tijdvak I 27 oktober

Handels- en investeringscijfers Turkije-Nederland 1

Toetsvragen Geschiedenis toelating Pabo. Tijdvak 7 Toetsvragen

geschiedenis en staatsinrichting CSE KB

Indonesian Times blz. 4 toch niet vrij? en spotprent

ADOPTIE Trends en analyse Statistisch overzicht interlandelijke adoptie over de jaren 2009 tot en met 2013

geschiedenis en staatsinrichting CSE KB

Handels- en investeringscijfers Zweden-Nederland 1

Handels- en investeringscijfers Luxemburg-Nederland 1

Transcriptie:

MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING EXAMENBUREAU VAK : GESCHIEDENIS DATUM : WOENSDAG 11 JULI 2012 TIJD : 07.45 09.00 UUR DEZE TAAK BESTAAT UIT 40 ITEMS. UNIFORM EINDEXAMEN MULO 2012 Suriname: De Politieke en Staatkundige Ontwikkeling na 1945 1 Regering, Uitvoerende macht President Vicepresident R.v. Ministers Voorzitter, President (geen stemrecht) Vakbeweging Bedrijfsleven Staatsraad (14 leden) Politieke partijen 2 Een belangrijk staatsorgaan dat tijdens de periode 1982 1985 niet functioneerde was A de president. B de ministerraad. C de rechterlijke macht. D het parlement van Suriname. De Nationale Assemblee is het hoogste staatsorgaan, omdat A de President aan haar verantwoording verschuldigd is. B de leden gekozen worden middels Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen. C ze is samengesteld na een referendum. D ze uit een coalitie en een oppositie bestaat. 3 4 Bekijk het bovenstaande schema nauwkeurig. Welke conclusie kun je niet uit dit schema trekken? A De politieke partijen die zetels hebben behaald, hebben zitting in de Staatsraad. B De Raad van Ministers is verantwoording schuldig aan de President. C De regering wordt gevormd door de President, de Vicepresident en de Raad van Ministers. D De Staatsraad adviseert, controleert en begeleidt de regering. Welke vergelijking tussen de bestuursvorm bij de marronsamenleving en die van de nationale overheid is niet juist? A Bij de marronsamenleving gelden benoemingen voor een bepaalde tijd, terwijl bij de nationale overheid benoemingen voor het leven gelden. B Bij de marronsamenleving worden bestuursfuncties geërfd, terwijl bij de nationale overheid een ieder een bepaalde functie mag bekleden. C De Granman is het hoofd van zijn stamgebied, terwijl de President staatshoofd is van het nationaal grondgebied. D In de Gran Krutu heeft de granman het vetorecht, terwijl de President dit recht in De Nationale Assemblee mist.

Een geestelijk grondrecht is onder andere 5 A het recht op eigendom. B het recht op medische zorg. C het recht op staken. D het recht op vrije meningsuiting. 6 In 1987 werd in ons land een referendum gehouden, omdat A de oude politieke partijen de macht hadden overgenomen. B de regering bang was voor buitenlandse interventie. C het volk werd geraadpleegd omtrent het afzetten van het militair regiem. D het volk werd geraadpleegd omtrent onze concept grondwet. 7 In 2011 is een straat vernoemd naar een grote voorvechter van de onafhankelijkheid van Suriname. Naar wie is deze straat vernoemd? A Henk Arron B Eduard Bruma C Frederik Derby D Jaggernath Lachmon 8 De verkiezing van de President van de republiek Suriname kan plaatsvinden in De Nationale Assemblee of in de Verenigde Volksvergadering. Welke uitspraak is juist? De President kan gekozen worden met A B C D DNA een meerderheid van tenminste 26 leden of een meerderheid van tenminste 26 leden of tenminste 2/3 meerderheid of tenminste 2/3 meerderheid of VVV een 2/3 meerderheid van de leden. een gewone meerderheid. een 2/3 meerderheid. een gewone meerderheid. 9 Onze volksvertegenwoordiging wordt verdeeld in de coalitie en oppositie. Tot de coalitie behoren de politieke partijen die samen A zitting hebben in de Staatsraad. B tenminste 26 zetels hebben. C quorum moeten verlenen bij de aanvang van DNA-vergaderingen. D de President mogen kiezen. 10 Onderstaande tijdbalk heeft betrekking op ons land. I II III IV 48 75 80 87 2000 Welke van de volgende reeks begrippen past bij periode IV? A Algemeen kiesrecht, Gouverneur, DNA B Algemeen kiesrecht, President, Parlement van de republiek Suriname C DNA, het Statuut, Vicepresident D President, DNA, grondwet 11 Bekijk de volgende groepen van werknemers. I. Leerkrachten bij het Onderwijs. II. Arbeiders werkzaam bij Suralco. III. Kleinschalige goudzoekers. IV. Artsen werkzaam bij de R.G.D. Welke groep is werkzaam in de quartiaire sector? A I. B II. C III. D IV. 12 Welke van de onderstaande vakcentrales is de oudste? A A.V.V.S. de Moederbond B C.L.O. C C. 47 D P.W.O.

13 15 Onze industrialisatie kwam na de Tweede Wereldoorlog nauwelijks tot ontwikkeling, omdat A de binnenlandse markt overspoeld werd met buitenlandse producten. B de kleinlandbouw centraal stond in het overheidsbeleid. C de ontwikkelingshulp vooral aan sociaaleducatieve projecten werd besteed. D de werkloosheid vanwege de urbanisatie toenam. 16 De vakbeweging heeft zich na de Tweede Wereldoorlog snel ontwikkeld, omdat A de arbeiders hun leefomstandigheden wilden verbeteren. B de arbeiders medezeggenschap kregen in de bedrijven. C in die tijd politieke partijen werden opgericht. D ons land autonomie zou krijgen. Welke conclusie kan je niet aflezen uit bovenstaande grafiek? A In de jaren 57 87 was bauxiet ons belangrijkste exportproduct. B In de jaren 72 87 namen de investeringen in de agrarische sector toe. C Vanaf de jaren 80 nam de garnalenexport toe. D Vanaf 1982 is een neergang in de bosbouwsector. 14 Twee beweringen over cultuur in ons land zijn: I II In ons land hebben bevolkingsgroepen veel van hun eigen cultuur behouden. In ons land hebben bevolkingsgroepen verschillende gerechten van elkaar overgenomen. Welke van deze beweringen is juist in het streven naar natievorming? A I is juist. B II is juist. C I en II zijn juist. D I en II zijn onjuist. 17 De tertiaire sector houdt zich bezig met A de productie van halffabricaten naar eindproducten. B de verwerking van lokale producten. C de verwerking van natuurlijke hulpbronnen. D het verlenen van diensten binnen het bankwezen. 18 In 2011 is de overheid gestart met een grootscheepse woningbouwproject. Het doel van dit project was A het huisvestingsprobleem te helpen oplossen. B het verbeteren van de financiële positie van de staat. C de introductie van nieuwe bouwtechnieken. D de werklozen aan een woning te helpen. 19 Er is sprake van welvaart in Suriname wanneer A de overheid een nieuwe R.G.D. kliniek bouwt. B de overheid gratis voedselpakketten verstrekt. C het nationaal inkomen stijgt. D het S.Z.F. haar diensten verbetert.

20 Het doel van de Chinese Caraïbische Top die in september 2011 op Trinidad is gehouden was A de Chinese taal opnemen in het curriculum van de scholen in het Caraïbisch Gebied. B de exportvolume naar China te vergroten. C de handelsrelaties tussen China en het Caraïbisch Gebied te versterken en te verbeteren. D om meer Chinese arbeiders te krijgen in het Caraïbisch Gebied. Dekolonisatie 21 Lees de volgende gebeurtenissen I De traditionele leiders wilden herstel van de oude tradities. II De koloniale elite was tevreden met kleine hervormingen in het bestuur. III De nationalisten streefden naar volledige onafhankelijkheid. In welke volgorde komt de volledige dekolonisatie steeds meer naar voren? A I, II, III B I, III, II C III, I, II D III, II, I 22 In de jaren 50 van de vorige eeuw zijn in sommige kolonies bevrijdingsbewegingen ontstaan, omdat A de beweging van Niet-Gebonden landen de bevrijdingsstrijd voorstond. B de metropolen niet vrijwillig hun winstgevende kolonies wilden opgeven. C de nationalistische leiders samenwerkten met de kolonisator. D het dekolonisatieproces alleen door gewelddadige acties kon worden voltooid. 23 Na de Tweede Wereldoorlog kwam het dekolonisatieproces in Afrika goed opgang. In welke rij staan Engelse koloniën die toen onafhankelijk werden? A Burundi - Somalië - Ghana B Egypte - Ghana - Zuid-Afrika C Rwanda - Nigeria - Kameroen D Senegal - Mauritanië - Kameroen 24 De halsstarrige houding van de koloniale mogendheden bracht vele nationalistische leiders ertoe bevrijdingsbewegingen op te richten om met geweld de onafhankelijkheid af te dwingen. De bovenstaande bewering heeft geen betrekking gehad op A India. B Indonesië. C Angola. D Suriname. 25 Verschillende problemen waarmee de Derde Wereldlanden na hun dekolonisatie kampen zijn o.a.: I II III IV monetaire tekorten grote analfabetisme en onwetendheid het bestaan van monocultuur eeuwenoude tradities Welke combinatie van problemen stagneert de economische groei van deze landen? A I en II B I en III C II en III D III en IV 26 Het dekolonisatieproces in Suriname werd tijdens de Tweede Wereldoorlog onder andere bevorderd door A de aanwezigheid van Amerikaanse militairen in Paramaribo. B de internering van de vakbondsleider Wim Bos Verschuur. C de vlucht van koningin Wilhelmina naar Engeland. D het ontslag van gouverneur Kielstra in 1944.

27 Wie behoort niet tot één van de oprichters van de Beweging van Niet Gebonden landen (NAM)? A Gamal Nasser van Egypte B Josip Tito van Joegoslavië C Mahatma Gandhi van India D N krumah van Ghana Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied 28 Een gemeenschappelijk kenmerk dat de Caraïbische landen op cultureel gebied bezitten, is A dat de welvaart ongelijk verdeeld is. B dat ze een creolentaal hebben. C de aanwezigheid van het grootgrondbezit. D de afhankelijkheid van één of twee exportproducten. 29 31 Bij welke leiders is het land verkeerd geplaatst? Leider Land A Christina Fernandes Argentinië B Evo Morales Equador C Hugo Chavez Venezuela D Raoul Castro Cuba 32 Een gevolg van de plantage-economie voor het Caraïbisch Gebied was, dat A de bevolkingsaanwas afnam. B er een goed ontwikkelde klein industrie ontstond. C het analfabetisme werd opgeheven. D het afhankelijk werd van buitenlands kapitaal. Het Arabisch-Israëlisch conflict 33 Een oorzaak van de Palestijnse kwestie is onder andere Deze spotprent heeft betrekking op A the Alliance for progress. B the Big Stick policy. C the Caribbean Basin Initiative. D the Good-neighbour policy. 30 Vrede is ons ideaal. Niet zomaar vrede. Geen leugenachtige vrede. Deze uitspraak is van een Latijns-Amerikaanse geestelijke die openlijk de zijde van de armen verkoos. De uitspraak is van A de aanval van Engeland, Frankrijk en Israël in 1956 op Egypte. B de massale immigratie van Joden naar Palestina. C het bezetten van Arabisch gebied door Israël in 1967. D het verzet van de Arabische staten tegen de verdeling van Palestina. 34 Een gevolg van de olieboycot van 1973 voor de meeste Derde Wereldlanden was dat A de prijzen van grondstoffen stabiel bleven met die van de industrieproducten. B er een eind kwam aan hun monocultuur. C hun export sterk vergroot werd. D hun export vanwege verhoogde aardolieprijzen sterk afnam. A Don Helder Camara. B José San Martin. C Simon Bolivar. D Touisaint L ouverture.

35 Egypte en Israël waren bereid in 1979 een vredesverdrag te sluiten omdat 39 Bekijk de kaart nauwkeurig. A de oorlogstoestand beide landen veel geld kostte. B de relatie tussen Egypte en de VSA verslechterde. C de Sinaï weer onder het beheer van Egypte was gekomen. D Egypte werd verstoten uit de Arabische Liga. 2 1 3 36 4 Op de conferentie van Washington in 1992 over het Midden-Oosten probeerde men A de eenheid onder de Palestijnen te herstellen. B de militaire kracht van de Arabische staten te beperken. C een eind te maken aan de oorlog tussen de VSA en Irak. D een oplossing te zoeken voor het Arabisch- Israëlisch conflict. 37 De P.L.O. accepteerde het Camp David akkoord niet, omdat A door dit verdrag de betrekkingen tussen de VSA en Egypte verbeterden. B Egypte Israël erkende als staat. C Israël het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen erkende. D Israël zich binnen drie jaren tijd moest terugtrekken uit de Sinaï. Fundamentalisten zijn 38 A voorstaanders van de Intifada. B mensen die volgens de regels van hun religie leven. C tegenstanders van gewelddadige politiek. D tegenstanders van Israël. Welk gebied kreeg Egypte door het Camp David Akkoord terug? A gebied I B gebied II C gebied III D gebied IV 40 Tot de Arabische wereld rekenen we o.a. landen met de volgende kenmerken: I ze hebben het Arabisch als voertaal. II de mensen voelen zich verbonden met de Arabische cultuur. III ze hebben de islam als godsdienst. Welk land maakt geen deel uit van de Arabische Wereld? A Egypte B Marokko C Soedan D Turkije