In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: C divisie CCV Categoriecode: Toetsvorm: Totaal aantal vragen: VN2 Dekkingsgraad toetstermen: 94% Digitaal 50 meerkeuzevragen Cesuur: 72% (36 van de 50 vragen goed). Dit percentage zal geleidelijk worden verhoogd naar 80%. Geldigheid examenresultaat: ijzonderheden: 2 jaar Geen Nr Eindtermen 1. heeft kennis van en inzicht in de reisvoorbereiding. 2. heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop een hydrografische kaart gelezen 3. heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop een koers uitgezet en herleid 4. heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop peilingen gedaan en een plaats bepaald 5. heeft kennis van en inzicht in hoe getijdenbewegingen toegepast moeten 6. heeft kennis van en inzicht in de beginselen van de meteorologie. Vastgesteld door: College van Deskundigen innenvaart 13 augustus 2013 eoordeeld door: Logistiek, Transport en Personenvervoer raad; kamer 2: over het water 27 augustus 2013 Goedgekeurd door: Divisiemanager CCV 27 augustus 2013 Ingangsdatum: 1 maart 2014 C Pagina 1 van 5
Toelichting Eindtermen: Dit zijn de hoofdonderwerpen die in het examen voorkomen. Hierin staat 'ruim' omschreven wat er in het examen terug kan komen. Toetstermen: Dit zijn onderdelen van een eindterm. Hierin staat meer uitgebreid omschreven wat er in het examen terug kan komen. : Dit zijn onderdelen van een toetsterm. Hier staat over welke onderwerpen vragen gesteld mogen worden in het examen. Als er geen afbakening is opgenomen, mag over die toetsterm in principe alles gevraagd : Dit is de taxonomiecode van omiszowski. Deze code geeft aan op welk niveau de vragen over een toetsterm gesteld F = Feitelijke kennis. kan feiten reproduceren (herkennen of herinneren). = egripsmatige kennis. kan begrippen of principes omschrijven. = eproductieve vaardigheden. kan acties uitvoeren die volgens een vastgelegde procedure verlopen. P = Productieve vaardigheden. kan acties uitvoeren waarbij hij zijn eigen creativiteit en inzicht nodig heeft. C 1. heeft kennis van en inzicht in de reisvoorbereiding. 1.1 Kan een vaarplan maken. Past in de juiste volgorde de juiste stappen toe: - oute bepalen - Zeeklaar maken - Moment van vertrek bepalen - Plaats bepalen - Koers uitzetten 1.2 Kan, gegeven een situatie, een route bepalen. outebepaling rekening houdend met getij, windrichting en windkracht en soort schip. 1.3 Kan de handelingen voor het zeeklaar maken Aandacht voor ankergerij, dekmateriaal, woninginboedel, waterinslag, machinekamer en reddingsmaterialen. F van het schip beschrijven. 2. heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop een hydrografische kaart gelezen 2.1 Kan de gegevens op een hydrografische kaart interpreteren. 2.2 Kan uitleggen wat onder de mercatorprojectie verstaan wordt. 2.3 Kan de functie en inhoud van erichten aan Zeevarenden uitleggen. Nummer, titel, getij gegevens, waarschuwingen, symbolen, jaar van uitgifte. Meest voorkomende tekens uit de legenda. Wassende kaart, afstanden zijn uitsluitend vanaf de staande rand over te nemen. Wijzigingen op de 1800-kaarten. Wijzigingen van vaardieptes en bebakening. Pagina 2 van 5
2.4 Kan uitleggen wat geografische coördinaten zijn en hoe deze gebruikt moeten 2.5 Kan uitleggen wat de schaal op een kaart betekent en hoe een kaart is ingedeeld. 2.6 Kan uitleggen welke markeringssystemen en markeringsvoorwerpen voorkomen. 2.7 Kan de betekenis van markeringsvoorwerpen op het water interpreteren. 3. heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop een koers uitgezet en herleid 3.1 Kan uitleggen hoe bij koersen een kompas gebruikt 3.2 Kan uitleggen hoe de invloed van aard- en scheepsmagnetisme bij het berekenen van koersen bepaald 3.3 Kan uitleggen hoe hulpmiddelen bij het navigeren gebruikt moeten 3.4 Kan uitleggen hoe een koers herleid moet 3.5 Kan uitleggen wat de invloed van wind op de koers kan zijn. reedte- en lengtegraden. Geografische positie. De zeemijl. Omrekening naar werkelijke afstand. Liggende en staande rand. SIGNI en IALA. Laterale en cardinale markering. akens en betonning. Geleidelichten. Markering van obstakels. Vaarbewegingen in relatie tot de plaats van markeringsvoorwerpen. Gebruik van een kompas. Variatie en deviatie en stuurtafel. Passer, parallelliniaal en plotter. Variatie, deviatie, kompaskoers, ware koers. Schaal van eaufort, eigen waarneming. C Pagina 3 van 5
3.6 Kan uitleggen wat de invloed van de stroom op de koers kan zijn. 4. heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop peilingen gedaan en een plaats bepaald 4.1 Kan uitleggen wat GPS is en wat met behulp van GPS berekend kan 4.2 Kan uitleggen hoe een positie met behulp van GPS bepaald kan 4.3 Kan uitleggen hoe way-points ingevoerd moeten 4.4 Kan uitleggen hoe GPS in combinatie met een elektronische kaart en radar gebruikt moet 4.5 Kan uitleggen hoe GPS-informatie naar de kaart overgezet 4.6 Kan uitleggen hoe een radarpeiling uitgevoerd 4.7 Kan uitleggen hoe een zichtpeiling uitgevoerd Drift, stroom. Gebruik stroomtabel, stroomatlas en getijtafel. Kentering. Getijden. Stroom tegen wind in relatie tot golfslag. Signalen. Soorten informatie. etrouwbaarheid, nauwkeurigheid. COG, SOG, trip, bearing to waypoint, DST, waypoints in een volgorde, afstand en peiling naar man-overboord (mob). Startpositie, tijdsaanduiding, snelheidseenheden, afstandseenheden, hoogte-eenheden, noord referentie, chartdatum, antennehoogte. Positiebepaling. De kaart datum oftewel het geodetisch model waar de kaart naar ontworpen is (WGS 84 etc.). Coördinaten in de kaart zetten. Afstand plus richting. ichting plus hoek. C Pagina 4 van 5
5. heeft kennis van en inzicht in hoe getijdenbewegingen toegepast moeten 5.1 Kan uitleggen wat een getij is en hoe dit tot stand komt. 5.2 Kan uitleggen hoe een vaardiepte berekend 5.3 Kan, gegeven een situatie, de waterdiepte berekenen. 5.4 Kan de gevolgen van stroom en wind op de koers corrigeren. Eb en vloed. Invloed van zon en maan. Springtij en doodtij. eductievlak, kaartdiepte, waterdiepte, LAT, NAP. ijzing, verval. erekening met behulp van getijtafels en met HP33. Geladen of leeg schip. 5.5 Kan uitleggen waar de stroomatlas voor dient. Ter ondersteuning van de juiste vertrektijd. 6. heeft kennis van en inzicht in de beginselen van de meteorologie. 6.1 Kan de betekenis van een aantal meteorologische begrippen uitleggen. 6.2 Kan de relatie tussen luchtdruk en weersverwachting uitleggen. 6.3 Kan de informatiebronnen over het weer noemen. 6.4 Kan uitleggen hoe een weersverandering geconstateerd kan Luchtdruk, isobaren, wind, windrichting, ruimende wind en krimpende wind, windkracht. Millibar (mb), hectopascal (hpa). Veranderingen van hpa vertalen in kans op een bepaalde windkracht. Per telefoon Per marifoon: verkeersposten Teletekst Internet Combinatie van barometerstand, wind en wolkendek. F C Pagina 5 van 5