Winst voor ons landschap Door de jaren heen is er veel ervaring opgedaan met het aanleggen en onderhouden van elzensingels. De onderstaande beschrijving is gebaseerd op praktijkervaring en levert over het algemeen goede resultaten op. Toch kunnen bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld in bodem of klimaat, ervoor zorgen dat het resultaat anders is dan verwacht. De natuur blijft onvoorspelbaar en het is aan de beheerder om hierop te anticiperen. Mocht u vragen hebben of advies willen, dan kunt u altijd contact opnemen met (tel. 0512-383800). Planten van elzen Het plantgoed Elzensingels bestaan voornamelijk uit elzen. Er zijn verschillende elzensoorten, maar op Terschelling gaat het om de zwarte els (wetenschappelijke naam Alnus glutinosa). In nieuwe elzensingels wordt met name deze zwarte els aangeplant, maar er wordt ook een aantal andere soorten bij geplant. Hierdoor wordt de elzensingel minder vatbaar voor ziektes en plagen. Daarnaast hebben gevarieerde singels een hogere natuurwaarde, er kunnen meer diersoorten in voorkomen. De stelregel is dat de elzensingel voor 85% uit zwarte els bestaat en 15% uit overige soorten. Op Terschelling zijn de volgende soorten gebruikelijk:
Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia Eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna Gewone vlier Sambucus nigra Europese vogelkers Prunus padus Hondsroos Rosa canina Figuur 1: Meidoorn Figuur 2: Lijsterbes Dit zijn soorten die van oorsprong in deze omgeving voorkomen. Hierdoor zijn ze, bijvoorbeeld geschikt als waardplanten (nodig voor de voorplanting) voor insecten, die op hun beurt weer het voedsel vormen voor vleermuizen en kleine zangvogels. In het najaar en de winter staan de vruchten (bessen) op het menu van diverse lijsterachtigen, die in de trektijd op Terschelling arriveren of er de winter doorbrengen. Bosplantsoen is de term voor het materiaal dat geplant wordt in landschappelijke elementen zoals elzensingels. De technische naam voor de maat van dit bosplantsoen is 1+1. Dit houdt in dat het plantgoed twee jaar oud is en dat het op eenjarige leeftijd één keer verplant is. Het verplanten verbetert de kwaliteit van de wortels. De hoogte van dit plantmateriaal ligt meestal tussen de 40 en 80 centimeter. Het is ook mogelijk om zaailingen van elzen op Terschelling te oogsten en zo streekeigen bosplantsoen te verkrijgen. De locatie Elzensingels komen van nature voor op natte plekken, zoals moerassen of slootkanten. Het zaad van elzen blijft op water drijven en zo kan de boom zich ook verspreiden. Bij de aanplant van een nieuwe singel worden verschillende keuzes gemaakt. De beste plek is langs een sloot. Op het land kan ook als de bodem vochtig genoeg is. Langs een sloot wordt het bosplantsoen in het talud geplant en niet bovenaan op de rand van het perceel. Hierdoor is de kans op uitdroging van de wortels kleiner en zullen de wortels in een later stadium het talud versterken. Door de schaduw van de elzensingels wordt de plantengroei in de sloot belemmerd. Dit is gunstig, want dan hoeft de sloot minder vaak geschoond te worden. Uiteraard hangt een en ander af van de gekozen locatie. Enkele of dubbele singel Als er voldoende ruimte is kan aan beide kanten van de sloot of greppel een singel geplant worden. Bij het onderhoud kunnen de singels in verschillende jaren afgezet worden zodat er altijd een singel staat. Het slootonderhoud wordt meegenomen als één van beide singels wordt afgezet.
Het planten Het planten van een elzensingel is niet moeilijk. Als de onderstaande uitgangspunten gevolgd worden, is de kans op succes groot: Plantgaten met een spade graven (ca. 20-30 cm doorsnede), van dusdanig formaat dat de wortels er in uitgespreid (en niet geknikt) in passen. Wiggen een plantgat maken door de spade een aantal keer heen en weer te bewegen, nadat deze in de grond gestoken Figuur 3: Voorbeeld van een elzensingel in een slootkant is maakt een te klein plantgat en zorgt ervoor dat de wanden van het plantgat verdicht worden. De wortels kunnen zich hierdoor niet goed ontwikkelen wat de kans op uitval groot maakt. Als er bij het graven van het plantgat een graszode vrijkomt, maak deze zode dan fijn. Plant twee stuks bosplantsoen per strekkende meter (om de 50 centimeter). Zorg dat het plantgoed recht staat. Snoeien van bosplantsoen (ook de ondergrondse delen) is niet nodig. Stel het planten uit als er een droge periode voorspeld wordt. Plant dus niet met heel droog en/of schraal weer of als het vriest. Op hele droge plekken kan het nodig zijn om wat natte turf bij het plantgat te stoppen en/of om na het planten water te geven. Het bosplantsoen wordt bij opslag, vervoer en tijdens het plantwerk beschermd tegen uitdroging met behulp van grond, jute of een dekzijl.bij opslag voor langere tijd wordt het bosplantsoen ingekuild. Hierbij wordt een ondiepe sleuf gegraven waar het bosplantsoen schuin in wordt gelegd, waarna de wortels afgedekt worden met de grond die uit de sleuf gekomen is. 3: Het wiggen (links op de afbeelding) is niet geschikt voor het planten van elzen. In het rechter plantgat kunnen de wortels van de els zich beter ontwikkelen
Onderhoud Ondergroei van een elzensingel maaien In veel elzensingels groeien van nature braam en andere planten zoals grassen en kruiden. Braamstruiken vormen een natuurlijke veekering en ze bieden een geschikte broedplaats voor allerlei kleine zangvogels. Daarnaast bieden braamstruiken in het najaar veel vruchten, die geoogst kunnen worden om er bijvoorbeeld jam van te maken. In geval van overmatige braam- en/of plantengroei kan het noodzakelijk zijn om deze te maaien. Het maaien van de bramen en ondergroei gebeurt meestal met een bosmaaier. Het is sterk aan te raden om het vrijgekomen maaisel uit de singel te verwijderen om verrijking van de bodem te voorkomen. Als de bodem verrijkt neemt de kans op verruiging met kruiden als distels en ridderzuring toe. Als er geen andere werkzaamheden aan de beplanting in de singel gedaan worden (bijvoorbeeld het afzetten van bomen en struiken), is het voldoende om alleen de plantengroei aan de buitenzijde te maaien. De bramen en andere planten in de singel kunnen prima blijven staan en dienst blijven doen als leefgebied voor insecten en vogels. Daarbij komt ook nog dat een braam harder groeit als hij vlak boven de wortel wordt gesnoeid. De plant gaat het verlies als het ware compenseren en komt sneller terug. Snoeien van overhangende takken Figuur 5: Het vewijderen van het draad maakt het werken met de bosmaaier eenvoudiger. Soms kan het nodig zijn om elzensingels te snoeien. Hiermee wordt bedoeld dat de breedte van de beplanting wordt teruggebracht. Dit kan het geval zijn bij elzensingels langs wegen en paden, of als er te veel takken en staken over het aangrenzende perceel (bijvoorbeeld agrarisch grasland) hangen. Na het snoeien moet het (landbouw)verkeer probleemloos dicht langs een elzensingel kunnen rijden. Afhankelijk van de hoeveelheid en wijze waarop de beplanting Figuur 6: De overhangende takken in deze elzensingel zijn rijp om gesnoeid te worden.
overhangt kunnen (de buitenste) staken afgezet worden (zie verder bij afzetten van elzensingels ), of kunnen takken van de staken worden gesnoeid (staken zijn de uitlopers, hier kunnen weer takken aan groeien). In veel gevallen zal het bij deze ingreep gaan om een combinatie van het afzetten van staken en snoeien van takken. Let op dat er alleen gesnoeid wordt om de breedte van de singel te beperken. Uitdunnen van de stobben is niet nodig en is zelf nadelig voor de structuur van de singel. Staken of takken die niet over een pad of raster hangen kunnen dus gewoon blijven staan. Afzetten van elzensingels Een belangrijke maatregel bij het beheer van elzensingels is het afzetten van de bomen en struiken, met als doel het verjongen van de beplanting. De stobben die na het zagen van de stammen achterblijven, lopen spontaan weer uit, waarna er (weer) een aaneengesloten beplanting in de singel ontstaat. We spreken bij deze maatregel vaak van een eindkap, waarbij over het algemeen vrij rigoureus te werk wordt gegaan althans zo lijkt het! Bij de eindkap wordt namelijk het grootste deel van alle aanwezige houtige begroeiing afgezet. Op Terschelling vindt deze eindkap afhankelijke van de standplaats, functie en behoefte in hout om de tien tot vijftien jaar plaats. Verspreid in de singel wordt een aantal mooi gevormde bomen en/of struiken gespaard: overstaanders. De rest wordt afgezet, om zo een geschikte uitgangssituatie te krijgen voor de zich verjongende elzensingel. Op de stammen van loofbomen en struiken bevinden zich zgn. slapende ogen. Deze zullen na de eindkap uitgroeien, in het begin met een snelheid van wel een meter per jaar. Direct na de eindkap is de singel dus even helemaal kaal, maar na een paar jaar is er alweer een paar meter hoge, gesloten beplanting aanwezig! Zowel de elzen als de bijgemengde soorten zullen weer uitlopen. Belangrijk bij het afzetten van bomen en struiken is de hoogte waarop de stammen worden gezaagd, omdat er voldoende slapende ogen moeten achterblijven. Over het algemeen wordt een hoogte aangehouden van tien tof vijftien centimeter boven het maaiveld of boven de stobbe die inmiddels gevormd is door eerder uitgevoerd hakhoutbeheer. Bij oudere bomen is het aan te bevelen om op wat grotere hoogte te zagen, want op de stammen van deze bomen bevinden zich minder slapende ogen. De stelregel is: de diameter van de boom op borsthoogte is gelijk aan de hoogte van het zaagvlak. Bestrijden van ongewenste soorten 4: Deze foto laat de situatie zien één jaar na het snoeien van een elzensingel. Omdat de singel niet gedund is, blijft deze goed dicht. Tijdens de eindkap, of op een ander moment in de hakhoutcyclus, kan het nodig zijn om ongewenste soorten in de singel te bestrijden. Denk hierbij aan de gewone esdoorn (i.v.m. de inktmerkziekte die schadelijk kan zijn voor paarden), ratelpopulier, abeel en Amerikaanse vogelkers. Vooral het bestrijden van deze laatste soort, ook wel prunus of bospest genoemd, is van belang in de elzensingels op Terschelling. Deze soort vermeerdert zich explosief en kan gemakkelijk andere soorten verdrukken, wat nadelige gevolgen heeft voor het uiterlijk en de natuurwaarde van de singel.
Bestrijding van ongewenste soorten vindt plaats door het behandelen van de stobben na het afzetten. Op de stobben wordt een lichte oplossing (5%) van glyfosaat in water aangebracht, direct na het afzetten. Indien er veel en/of kleine stammetjes aanwezig zijn, is het advies om een kleurstof in de oplossing aan te brengen, om te voorkomen dat er stammen onbehandeld achterblijven en het resultaat teniet doen. Want juist na het afzetten zullen de achterblijvende stobben net als de gewenste soorten weer uitlopen! In sommige gevallen is nazorg nodig, vooral in geval van Amerikaanse vogelkers. De zaden die reeds in de bodem aanwezig zijn, ontkiemen gemakkelijk wanneer er na de eindkap veel licht op de bodem valt. Zaailingen zijn echter gemakkelijke (handmatig) uit de bodem te trekken. Gebruik van glyfosaat is dan niet meer nodig! Overige maatregelen Naast snoeiwerk en het afzetten van de beplanting, uitgevoerd in een bepaalde cyclus, kan er nog een aantal andere werkzaamheden nodig zijn voor het beheer van elzensingels. Zo is het aanbrengen en onderhouden van veekerende rasters van groot belang, om te voorkomen dat vee op het aangrenzende perceel de bomen en struiken kan beschadigen. Pas het type raster aan op de dieren die er grazen. Omdat elzensingels meestal langs sloten en greppels liggen, kan ook het werk aan deze watergangen een onderdeel zijn van het beheer van de singels. Afhankelijk van de mate van groei van planten in en langs sloten, kan het nodig zijn om de sloten te schonen. Bij dubbele elzensingels dus aan weerszijden van de sloot een singel kan de sloot (machinaal) geschoond worden direct na de eindkap. In dergelijke gevallen is vaker schonen ook niet nodig, omdat er weinig plantengroei is in de beschaduwde sloot!