7 71 Vlambewaker LAE LFE Vlambewaker voor intermitterend bedrijf LAE wordt gebruikt voor de bewaking en de weergave van olievlammen LFE wordt gebruikt voor de bewaking en de weergave van olievlammen en gasvlammen Aanvullende apparatenbladen voor vlamopnemer, zie N7712 en N7713 Stuurautomaat LEC1 voor continu bedrijf, zie apparatenblad N7761 De LAE/LFE en dit apparatenblad zijn bestemd voor fabrikanten (OEM), die de LAE/LFE in of aan hun producten inzetten! Toepassing Vlambewaker voor oliebranders en olieapparaten met of zonder ventilator conform DIN EN 60730-2-5:2005 en DIN EN 230:2005 Vlambewaker voor gasbranders en gasapparaten met of zonder ventilator conform DIN EN 60730-2-5:2005 en DIN EN 2:2004 Aanwijzing! Niet gebruiken voor nieuwe constructies. LAE LFE Voor de bewaking van olievlammen Vlambewaking met siliciumfotocelopnemer RAR Voor de bewaking van gas- alsook lichtgevende of blauwbrandende olievlammen Vlambewaking met vlamopnemer QRA of ionisatie-elektrode
Toepassing (vervolg) Algemeen Beide vlambewakers worden overwegend in combinatie met de stuurautomaat LEC1 gebruikt en wel als volgt: Dubbele bewaking van branders / bewaking van de hoofdvlam of van de ontstekings- en hoofdvlam door 2 dezelfde of verschillende opnemers. Bewaking van olie-ventilatorbranders / gas-ventilatorbranders / bewaking van de vlam met verschillende opnemers, naargelang van het bedrijf. Meervlambewaking / in installaties met meerdere branders waarvan de vlammen afzonderlijk moeten worden gecontroleerd door één of meerdere opnemers, en waarbij de inbedrijfstelling en bewaking echter centraal en gelijktijdig door slechts één branderautomaat moet plaatsvinden. Het gebruik van de vlambewaker in combinatie met andere branderautomaten is eveneens mogelijk, voor zover deze combinatie en het gekozen aansluitschema de veiligheidstechnische taak van de branderautomaat niet in het gedrang brengen. De vlambewakers worden voorts gebruikt als apparaat voor vlamweergave in branderinrichtingen waarvan de inbedrijfstelling handmatig gebeurt. Waarschuwingen Het naleven van de volgende waarschuwingen helpt bij het voorkomen van lichamelijk letsel, materiële schade en schade aan het milieu! Niet toegelaten zijn: het openen of aanpassen van het apparaat, of het aanbrengen van veranderingen! Alle werkzaamheden (montage, installatie en service, enz.) moeten door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd. Het niet naleven hiervan beïnvloedt de veiligheidsfuncties en verhoogt het risico op een elektrische schok. Om veiligheidstechnische redenen, zelftest van het vlambewakingscircuit enz., dient er minstens één regeluitschakeling per 24 uur ingesteld te zijn. Het niet naleven hiervan beïnvloedt de veiligheidsfuncties. Alvorens enige wijziging in het aansluitgebied uit te voeren, schakelt u de netvoeding van de installatie volledig uit (onderbreking van alle polen). Beveilig deze tegen onopzettelijk opnieuw inschakelen en controleer of er geen stroom op de installatie staat. Als de installatie niet is uitgeschakeld, bestaat er gevaar op een elektrische schok. Voorkom d.m.v. geschikte maatregelen contact met de elektrische aansluitingen. Het niet naleven hiervan verhoogt het risico op een elektrische schok. Controleer na alle werkzaamheden (montage, installatie, service enz.) of de bedrading zich in de voorgeschreven toestand bevindt. Het niet naleven hiervan beïnvloedt de veiligheidsfuncties en verhoogt het risico op een elektrische schok. Na vallen of stoten mogen deze apparaten niet meer in gebruik worden genomen, aangezien de veiligheidsfuncties, ook zonder uiterlijk zichtbare beschadigingen, beschadigd kunnen zijn. De ionisatie-elektrode is niet aanrakingsveilig. De door het net gevoede ionisatieelektrode moet tegen aanraking worden beveiligd. Het niet naleven hiervan verhoogt het risico op een elektrische schok. Een aangestoken UV-lamp is ook een UV-straler! Indien de vlambewaking via vlamopnemers gebeurt, moeten beide opnemers steeds zo geplaatst worden, dat ze niet tegenover elkaar staan. Het niet naleven hiervan beïnvloedt de veiligheidsfuncties. Planningsinstructies Let erop dat de afvalvertraging van het externe relais d niet groter dan 50 ms is, zie aansluitvoorbeeld 771a02. 2/15
Montage-instructies Houd rekening met de geldende nationale veiligheidsvoorschriften. De vlambewakers kunnen in een willekeurige positie op de brander, in de schakelkast of op schakelpanelen gemonteerd worden. Voor de montage zijn 2 aansluitvoeten beschikbaar, ontworpen voor kabelinvoer langs de voor-, zij- of onderkant. 2 aardingsklemmen maken het samenlussen van aardgeleiders van apparaten van de branderirichting, zoals ontstekingstransformator e.d. mogelijk (de vlambewakers zelf zijn geïsoleerd). Aanwijzingen voor de installatie Leg de hoogspanning-ontstekingskabel altijd apart van de basisunit en houd een zo groot mogelijke afstand tussen de andere kabels aan. Fasedraden en nuldraden resp. nulleiders mogen bij het aansluiten niet verwisseld worden. Elektrische aansluiting van de opnemers Het is belangrijk om een zo storingsvrij en verliesvrij mogelijke signaaloverdracht tot stand te brengen: Leg de opnemerleiding niet samen met andere leidingen leidingcapaciteiten verminderen de grootte van het vlamsignaal gebruik een aparte kabel Ionisatie-elektrode is niet aanrakingsveilig. Plaats de ontstekings- en ionisatie-elektrode zo dat de ontstekingsvonk niet kan overslaan op de ionisatie-elektrode; risico op elektrische overbelasting. Let op de toegelaten lengte en afscherming van de opnemerleidingen, zie Technische gegevens. Monteer en plaats de opnemer zo dat enkel de te bewaken vlam wordt gedetecteerd! Bescherm de UV-cel voldoende tegen de volgende UV-bronnen: halogeenlampen, lasapparaten, speciale lampen, ontstekingsvonken, alsook tegen hoge röntgen- en gammastraling. 3/15
Normen en certificaten Alleen in combinatie met de vlamopnemer Toegepaste richtlijnen Laagspanningsrichtlijn 2006/5/EG Gastoestelrichtlijn (alleen LFE) 200/142/EG Richtlijn voor drukinrichtingen 7/23/EG Elektromagnetische compatibiliteit EMC (storingsgevoeligheid) *) 2004//EG *) Nadat de vlambewaker in de installatie werd ingebouwd, dient er een EMC-controle plaats te vinden De overeenstemming met de voorschriften van de toegepaste richtlijnen wordt gewaarborgd door de naleving van de volgende normen/voorschriften: Branderautomaten voor oliebranders DIN EN 230:2005 Alleen LFE: DIN EN 2:2004 Branderautomaten voor met gas gestookte atmosferische branders en ventilatorbranders Automatische elektrische regelaars voor huishoudelijk en soortgelijk gebruik Deel 2-5: Speciale eisen voor controle systemen voor automatisch elektrische branders DIN EN 60730-2-5:2005 De geldige uitgave van de normen vindt men telkens op de conformiteitsverklaring! EAC-conformiteit (Euraziatische conformiteit) ISO 001:200 ISO 14001:2004 OHSAS 01:2007 China RoHS Tabel Gevaarlijke Stoffen: http://www.siemens.com/download?a6v3536 met LEC1 LAE --- --- LFE --- Levensduur De vlambewaker heeft een ontworpen levensduur* van 250.000 branderstartcycli, wat bij normaal verwarmingsbedrijf een gebruiksduur van ca. jaar inhoudt (vanaf de op het typeplaatje gespecificeerde productiedatum). De basis hiervoor zijn de in de norm EN 230/EN 2 vastgelegde duurzaamheidstests. Het Europese verbond van regelapparatuurfabrikanten (Afecor) heeft een overzicht van de voorwaarden gepubliceerd (www.afecor.org). De ontworpen levensduur geldt bij gebruik van de vlambewaker volgens de gegevens in het apparatenblad. Bij overschrijding van de ontworpen levensduur wat betreft het aantal brandercycli of overschrijding van de gebruiksduur moet de vlambewaker door gekwalificeerd personeel worden vervangen. * De ontworpen duur is niet de garantietijd die in de leveringsvoorwaarden beschreven is. 4/15
Aanwijzingen voor afvoer De vlambewaker bevat elektrische en elektronische componenten en mag niet als huishoudelijk afval worden afgevoerd. De plaatselijke en actueel geldende wetgeving moet steeds in acht worden genomen. Uitvoering De vlambewakers zijn als steekbare apparaten uitgevoerd en bestaan uit een netdeel, de vlamsignaalversterker, het vlamrelais, een hulprelais voor de sturing van de vlamopnemer resp. de vlamsimulatietest, alsook een vlamsignaallamp die onder een kijkvenster in het deksel geplaatst is. De schakeling is zelfbewakend en wordt in combinatie met de stuurautomaat LEC1 bij elke branderstart op een correcte werking getest. De aansluitvoeten bestaan - net als de behuizin - uit slagvaste en warmtebestendige kunststof. Voor afbeeldingen van de aansluitvoeten en andere aanwijzingen, zie Maatschetsen. Bijzondere kenmerken LAE Bijzondere kenmerken LFE Automatische vreemdlichttest door een hogere aanspreekgevoeligheid van de versterker tijdens bedrijfspauzes en de ventilatietijd van de stuurautomaat LEC1. Automatische test van de vlamopnemer door een hogere bedrijfsspanning voor de UVlampen tijdens bedrijfspauzes en de ventilatietijd van de stuurautomaat LEC1. Vlambewaking Vlamopnemer QRA2, QRA QRA4 RAR Apparatenblad N7712 N7711 N7713 Ionisatie-elektrode De vlambewaking door benutting van het elektrische geleidingsvermogen van de vlam in combinatie met een gelijkrichteffect is enkel mogelijk bij gas- en blauwevlambranders. Aangezien de vlamsignaalversterker uitsluitend reageert op de gelijkstroomcomponenten van het vlamsignaal (ionisatiestroom), kan een kortsluiting tussen de vlamopnemer en de functionele aarding geen vlamsignaal uitlokken. Typeoverzicht Geef bij uw bestelling de juiste typeaanduiding op. Vlambewaker wordt zonder aansluitvoet geleverd; bestel deze afzonderlijk (zie Toebehoren). Vlambewaker Voor de bewaking van olievlammen met siliciumfotocelopnemer RAR Artikelnr. Type AC 220 240 V BPZ:LAE LAE AC 1 V BPZ:LAE-1V LAE-1V Voor de bewaking van gasvlammen / olievlammen met vlamopnemer QRA of ionisatie-elektrode Artikelnr. Type AC 220 240 V BPZ:LFE LAE AC 1 V BPZ:LFE-1V LAE-1V 5/15
Toebehoren (moet afzonderlijk besteld worden) Vlamopnemer Siliciumfotocelopnemer RAR Zie apparatenblad N7713 UV-vlamopnemer QRA2 Zie apparatenblad N7712 UV-vlamopnemer QRA Zie apparatenblad N7712 UV-vlamopnemer QRA4 Zie apparatenblad N7711 Ionisatie-elektrode Door installateur aan te kopen Aansluitvoet Lage aansluitvoet (zie Maatschetsen) AGK4413450 Artikelnr.: BPZ:AGK4413450 -polige schroefklem 5 openingen om kabels door te steken Hoge aansluitvoet (zie Maatschetsen) AGK440250 Artikelnr.: BPZ:AGK440250 -polige schroefklem Met uitneembare voorkant 6 openingen om kabels door te steken, waarvan 4 met Pg11-draad 6/15
Technische gegevens Algemene apparaatgegevens Netspanning AC 220 V -15%...AC 240 V +% AC 0 V -15%...AC 1 V +% Netwerkfrequentie 50...60 Hz ±6% Voorzekering, extern Max. A, traag Opgenomen vermogen 4,5 VA Toegelaten contactbelasting Max. 2 A Beschermingstype IP40, met overeenkomstige kabeltoevoer Montagestand willekeurig Aansluitbare kabeldoorsnede aan AGK4 Klem 1... Min. 0,75 mm² Max. 1,5 mm² Draad of lus met draadeindhuls Steunpuntklemmen N, PE, 11 en 12 Min. 0,75 mm² Max. 1,5 mm² Draad of lus met draadeindhuls (bij 2 draden o lussen per klem mag per klem enkel dezelfde doorsnede gebruikt worden) Gewicht LAE LFE Zonder aansluitvoet Ca. 305 g Ca. 35 g Met normale aansluitvoet Ca. 30 g Ca. 470 g Met hoge aansluitvoet Ca. 415 g Ca. 505 g LAE LFE Vlambewaking met......rar...ionisatie-elektrode...qra Vereiste opnemerstroom - bij AC 0 V / AC 220 V Min. µa Min. µa Min. 150 µa - bij AC 1 V / AC 240 V Min. µa Min. µa Min. 200 µa Mogelijke opnemerstroom - bij AC 0...1 V / AC 220...240 V Max. 3 µa Max. 0 µa Max. 650 µa Toegelaten lengte van de aansluitkabel 20 m ²) 20 m ¹) 20 m ¹) ¹) Bij grotere afstanden capaciteitsarme kabels gebruiken, totaal max. 2 nf. Voorbeeld: eenaderige kabels, type RG62. ²) Opnemerkabels afzonderlijk op minstens 5 cm van andere kabels leggen. 7/15
Technische gegevens (vervolg) Milieuvoorwaarden Opslag DIN EN 60721-3-1 Klimatologische voorwaarden Klasse 1K3 Mechanische voorwaarden Klasse 1M2 Temperatuurbereik -20...+60 C Vochtigheid <5 % r.v. Transport DIN EN 60721-3-2 Klimatologische voorwaarden Klasse 2K2 Mechanische voorwaarden Klasse 2M2 Temperatuurbereik -20...+60 C Vochtigheid <5 % r.v. Werking DIN EN 60721-3-3 Klimatologische voorwaarden Klasse 3K5 Mechanische voorwaarden Klasse 3M2 Temperatuurbereik -20...+60 C Vochtigheid <5 % r.v. Opstellingshoogte Max. 2000 m boven normaal nulpunt Opgelet! Condensatie, ijsvorming en waterinwerking zijn niet toegelaten! Het niet naleven hiervan beïnvloedt de veiligheidsfuncties en verhoogt het risico op een elektrische schok. Meetschakeling Ionisatie-elektrode QRA RAR ION M - + LFE A - QRA... + M - LFE A + + C - + LAE M - + 771a07/00 Legenda A C ION M QRA Lichtinval van de vlam Elektrolytcondensator 0 µf, DC V Ionisatie-elektrode Microampèremeter Vlamopnemer Opgelet! De ontsteking kan de ionisatiestroom beïnvloeden. Mogelijke oplossing: de primaire aansluitingen van de ontstekingstransformator verwisselen. /15
Functie Principiële werking van de vlambewaker in combinatie met de stuurautomaat LEC1: Bij deze toepassing wordt het vlamsignaal door de vlambewaker in principe op dezelfde manier aan het stuurprogramma van de branderautomaat doorgegeven als wanneer de vlambewaker onderdeel van de automaat zelf zou zijn, zoals bij een branderautomaat op olie of gas. Het niet ontsteken of uitgaan van de vlam tijdens bedrijf en een foutief vlamsignaal tijdens de bedrijfspauzes of de ventilatietijd veroorzaakt daarom altijd een storingsuitschakeling met vergrendeling van de branderautomaat tot gevolg. De schakelfuncties, die nodig zijn voor de invoer van het vlamsignaal in de stuurschakeling van de automaat, gebeuren in de vlambewaker door het vlamrelais (), in de stuurautomaat LEC1 door 2 hulprelais (HR1/HR2). De stuurautomaat LEC1 neemt voorts de procesbesturing van de vlamsimulatietest over, in combinatie met de vlambewaker LAE en van de vlamopnemertest bij de LFE. De sturing van de test gebeurt via de verbindingskabel tussen klem 15 van de branderautomaat en klem 6 van de betreffende vlambewaker. Beide tests beginnen ca. 7 seconden na een regeluitschakeling, gaan voort tijdens de bedrijfspauze, worden tijdens de daaropvolgende voorspoeltijd voortgezet, eindigen 3 seconden voor het begin van de veiligheidstijd. De volgende vlamsignalen tijdens deze testtijd veroorzaken een storingsuitschakeling met vergrendeling van de stuurautomaat LEC1 tot gevolg: vreemdlicht, slijtage van de vlamopnemer, andere defecten in de vlambewakingsinrichting. In de vlambewaker worden de voor de test vereiste schakelmaatregelen door het hulprelais (HR3) geactiveerd. Aangezien bij de vlambewaking met de ionisatie-elektrode geen test nodig is, is in dat geval geen verbindingskabel vereist tussen klem 15 van de automaat en klem 6 van de vlambewaker. Informatie! Verbind in plaats daarvan klem 6 op de fase. Voorbeeld: door verbinding met klem 1, 5 of 7. Elk vlamsignaal normaal, tijdens bedrijf of foutief wordt door het signaallampje in de behuizing van de vlambewaker weergegeven. /15
Werking van de vlambewaker bij de dubbele bewaking (gedetailleerd schema, bv. voor oliebrander) 1 2 6 5 7 LEC1 13 14 3 4 7 5 15 1 6 RAR... + 2 LAE Bij dit soort bewaking wordt één vlam door 2 onafhankelijk van elkaar werkende vlambewakers bewaakt. Hierdoor wordt een vlamuitval tijdens bedrijf bij het gelijktijdig uitvallen van beide vlambewakers erg onwaarschijnlijk. Bij de dubbele bewaking zijn de stuurcontacten van het vlamrelais van beide vlambewakers in serie geschakeld zodat het uitvallen van het vlamsignaal van één van beide vlambewakers volstaat om een storingsuitschakeling van de brander uit te lokken. Ook tijdens de bedrijfspauzes of de ventilatietijd leidt een foutief vlamsignaal van slechts één van beide vlambewakers tot een storingsuitschakeling. Z OV1 OV2 3 4 7 5 1 6 2 LAE RAR... + P(R) N(Mp) 771a01/00 /15
Werking van de vlambewakers bij de bewaking van twee handmatig gestuurde branders 0 6 L2 5 7 4 6 3 d 5 7 4 3 1 2 1 2 771a02nl/0316 Brander A Ook bij deze toepassing kan de brander enkel worden gestart bij een positieve test van de vlamopnemer resp. de vlamsimulatie, d.w.z. dat geen van beide vlambewakers tijdens de bedrijfspauzes een vlamsignaal mag registreren. Bij de start wordt de opnemertest automatisch onderbroken. Door een druk op de knop (I) wordt het relais (d) via het nog gesloten stroomcircuit 4-5 van het vlamrelais aangestuurd, waardoor bij beide branders de ontsteking wordt ingeschakeld. Tegelijkertijd wordt de brandstof vrijgegeven. De duur van het contact met de knop (I) moet als ware het een veiligheidstijd door een tijdrelais worden beperkt. Als bij beide branders een vlam tot stand komt weergegeven door de signaallampjes in de behuizing van de vlambewakers wordt het relais (d) via het stroomcircuit 3-7 van beide vlamrelais geschakeld. Bij het loslaten van de knop (I) wordt de ontsteking uitgeschakeld en zo de inbedrijfstelling afgesloten. Bij vlamuitval op één brander valt het desbetreffende vlamrelais uit en wordt bijgevolg de houdschakeling voor het relais (d) opgeheven. Hierdoor worden de brandstofventielen van beide branders onmiddellijk gesloten. De uitschakeling van de brander gebeurt handmatig door een druk op de knop (0) of automatisch door de temperatuurregelaar of drukregelaar/drukbewaker in de toevoerende fase. Bij vlambewaking met ionisatie-elektrode moet klem 6 van de vlambewaker direct op de fase worden geplaatst omdat een opnemertest hier niet vereist is. Voobeeld: door verbinding met klem 1! Aanwijzing! Let erop dat de afvalvertraging van het externe relais d niet groter dan 50 ms is, zie aansluitvoorbeeld 771a02. Opgelet! Een aangestoken UV-lamp is ook een UV-straler! Indien de vlambewaking via vlamopnemers gebeurt, moeten beide opnemers steeds zo geplaatst worden, dat ze niet tegenover elkaar staan. Het niet naleven hiervan beïnvloedt de veiligheidsfuncties. 11/15
Werking van de vlambewaker bij meervlambewaking (gedetailleerd schema, bv. voor oliebrander) 1 2 6 5 P(R) N(Mp) 7 0 I BS 0 I QRA... Z BS 7 5 2 LFE GV1 GV2 0 I Z BS Z GV1 GV2 GV1 GV2 771a03/003 LEC1 13 14 3 4 7 5 3 4 3 4 7 5 1 6 1 6 1 6 2 LFE 2 LFE + QRA... + + QRA... 15 ION ION ION Net als bij de dubbele bewaking moeten ook bij de meervlambewaking de stuurcontacten van het vlamrelais van alle vlambewakers in serie worden geschakeld. Een brander activeert bij alle branders een storingsuitschakeling: door het uitblijven van de vlam tijdens de veiligheidstijd of door het uitvallen van de vlam tijdens bedrijf. Na de ontgrendeling van de automaat kan de correct werkende brander pas weer in gebruik worden genomen wanneer de defecte brander werd uitgeschakeld. Daarbij moet de bedrijfsschakelaar niet alleen de stuurcontacten van de desbetreffende vlambewaker overbruggen en zo de regelkring weer sluiten, maar bovendien de toevoerende fase naar de ontstekingstransformator en de brandstofventielen onderbreken. Na het verhelpen van de storing kan de brander daardoor enkel weer worden gestart samen met de overige branders, d.w.z. nadat eerst alle branders werden uitgeschakeld. Opgelet! Ook bij gebruik van de vlamopnemer QRA moet klem worden geaard! Legenda BS ION GV1 / GV2 QRA Z Bedrijfsschakelaar UIT / AAN per brander Ionisatie-elektrode van de ionisatiebewaking Vlamrelais Gasventielen voor eerste en tweede niveau Ingebouwde signaallamp vlamweergave Vlamopnemer Ontstekingstransformator 12/15
Principeschema LFE met vlamopnemer QRA P(R) H 15 LEC1 7 5 1 6 HR3 hr3 QRA... + 3 4 13 14 LEC1 2 N(Mp) 771a05/01 Opgelet! Klem moet geaard worden! LFE met ionisatiebewaking P(R) H 7 5 1 6 HR3 hr3 ION 3 13 4 14 LEC1 2 N(Mp) 771a06/003 LAE met siliciumfotocelopnemer RAR P(R) Legenda 7 hr3 5 H 1 15 LEC1 6 HR3 RAR... + H HR3 ION Vlamrelais Hoofdschakelaar Hulprelais voor de UVopnemersimulatietest resp. de vlamsimulatietest Ionisatie-elektrode van de ionisatiebewaking Ingebouwde signaallamp Vlamweergave 3 13 4 14 LEC1 2 N(Mp) 771a04/00 QRA RAR Vlamopnemer Siliciumfotocelopnemer 13/15
Maatschetsen Afmetingen in mm Soorten aansluitvoeten Lage aansluitvoet, AGK 4 4 1345 0 Uitvoering: -polig (schroefklemmen), met extra aardingsklemmen, kabelinvoer ofwel langs de onderkant van de aansluitvoet (2 uitbreekopeningen), langs de voor-, de rechter- of de linkerkant (in totaal 5 openingen voor kabelinvoer). 13 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 4 4,6 31 31 13 16 0 4 22 25 30 22 25 30 16,2 771m02/11 42,5 42,5 14/15
Maatschetsen (vervolg) Afmetingen in mm Soorten aansluitvoeten Hoge aansluitvoet, AGK 4 4 025 0 Uitvoering: met uitneembare voorkant (in de maatschets gearceerd weergegeven). -polig (schroefklemmen), met extra: 2 steunpuntklemmen met de klemaanduidingen 11 en 12 2 nulleiderklemmen die verbonden zijn met klem 2, de nulleideringang 2 aardingsklemmen, uitlopend in een lus met oog om de brander te aarden Voor de kabelinvoer zijn beschikbaar: 2 kabelopeningen in de onderkant van de aansluitvoet 4 uitbreekopeningen met draad voor kabelwartel Pg11, één aan de rechter-, één aan de linker- en twee in de uitneembare voorkant 13 1 2 3 4 5 6 7 N 11 12 4,5 4 13 16 23,5 34 31,5 16,5 22 22 25 25 30 30 45 45 4,5 771m01/11 1 4 2016 Siemens AG, Berliner Ring 23, D-76437 Rastatt Wijzigingen onder voorbehoud! 15/15