Scheidsrechter 2 waterpolo
Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 waterpolo Inleiding 5 Spelregels minipolo 8 Het spel minipolo: 9 Het speelveld: 10 De spelleiding: 12 Belangrijke spelregels: 12 Gewone fouten: 16 Gewone fouten zijn: 17 Uitstuur fouten zijn: 17 De communicatie 20 BIJLAGE A: 4 Opstaptoetsen 22 TOETS 1 26 TOETS 2 27 TOETS 3 28 KNZB Versie november 2009 3
Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 waterpolo KNZB Versie november 2009 4
Inleiding Vanuit het masterplan arbitrage waterpolo komen veel initiatieven. Eén daarvan is de opleiding van de waterpolo scheidsrechter. Het is de bedoeling dat de waterpoloër tijdens zijn opleiding als speler ook te maken krijgt met de arbitrage. Kennis wordt ontwikkeld vanuit de spelregelkennislijn welke de basis vormt om als scheidsrechter (1) in trainingsverband actief te zijn. Middels een verkorte opleiding zouden de spelers ook opgeleid kunnen worden tot scheidsrechter 2, waarmee ook de competitiewedstrijden van de F-E en D jeugd mag worden geleid. Jij, gaat met dit materiaal aan de slag en ik hoop dat je spoedig zult ontdekken, dat het leiden van wedstrijden geen kleinigheid is, maar ook van grote waarde. Het is namelijk erg leuk de kinderen te helpen beter te leren spelen en jezelf te ontwikkelen, ook als scheidsrechter. "De scheidsrechter 1 en 2: een duizendpoot" KNZB November 2009 5
Een wedstrijd fluiten is geen gemakkelijke klus. Je hebt te maken met enthousiaste kinderen die willen winnen, met coaches en ouders langs de kant en iedereen heeft een mening. Soms moet je daar slim mee omgaan, met humor bijvoorbeeld, maar in ieder geval moet je duidelijk overkomen. Je moet je kunnen presenteren, maar ook durven presenteren. Het leuke van scheidsrechter 1 en/of 2 te zijn is dat deze scheidsrechter werkt met de jeugd. Bij het leiden van wedstrijden in competitie of trainingsverband ben je ook een spelleider. Je mag uitleggen waarom je fluit en zeker bij de jongste jeugd, mag je hen ook helpen het spel te begrijpen. In discussie gaan is niet verstandig. Er zijn veel mensen in het bad en ieder heeft een visie. Toch is het belangrijk niet alleen goed te kijken, maar ook goed te luisteren. Erg belangrijk voor de beginnende scheidsrechter is het opstellen de presentatie en signalisatie. Zorg dat dat duidelijk is, want dan verloopt het spel sneller en leuker. Scheidsrechters moeten eerlijk zijn, goed kunnen communiceren, kwetsbaar zijn, maar ook een rechte rug hebben. Snel kunnen reageren en handelend durven optreden. Een echte duizendpoot dus! "De scheidsrechter: zo doen we het niet meer" KNZB November 2009 6
"De scheidsrechter 1 en 2 is dichtbij de kinderen" KNZB November 2009 7
Spelregels minipolo Pupillen I Minipolo is een spelvorm van waterpolo, waarin het enorm belangrijk is dat plezier van de kinderen centraal staat. De spelregels voor minipolo dienen daarom vooral om het spel zo plezierig en sportief mogelijk te laten verlopen. Deze spelregels geven misschien niet in alle gevallen, die in een minipolo wedstrijd kunnen voorkomen, een duidelijke oplossing. Daarom moet er steeds van worden uitgegaan, dat de gewone waterpolospelregels van de KNZB eigenlijk ook voor minipolo gelden, met uitzondering van een aantal gevallen die in deze minipolo spelregels uitdrukkelijk beschreven staan. De F jeugd bestaat uit kinderen van 9 jaar en jonger. De E-jeugd is 11 jaar en jonger en onder de 14 jaar spreken we van de D-jeugd. De teams bij minipolo: Minipolo wordt gespeeld door twee teams, die bestaan uit vier veldspelers en één keeper. Er liggen bij elkaar dus tien kinderen (twee teams van vijf) in het water. Ieder team mag ook nog eens vijf wisselspelers hebben; een team bestaat dus uit niet meer dan tien spelers of speelsters. De twee teams zijn van elkaar te onderscheiden door de caps: het éne team speelt met witte caps (de keeper heeft een rode), het andere team heeft caps van een afwijkende kleur (meestal donkerblauw of zwart, maar het mag ook een andere kleur zijn). Het is natuurlijk mogelijk dat jongens en meisjes samen in één team uitkomen, maar de KNZB is er voorstander van, dat voor jongens en meisjes eigen teams voor de competitie worden opgegeven. "Een mini-polo-team" KNZB November 2009 8
Het spel minipolo: Het is de bedoeling dat de teams al samenspelend proberen doelpunten te maken in het doel van de tegenstander. Aan het begin van de wedstrijd werpt de scheidsrechter (een soort scheidsrechter) de bal op de middenlijn vlak uit de kant in het water; de teams proberen dan vanaf hun eigen doellijn zo snel mogelijk bij de bal te zijn om die in bezit te krijgen. Is een doelpunt gescoord, dan moeten alle spelers terug naar hun eigen helft (aan de kant van hun eigen keeper) en mag de partij die een tegendoelpunt heeft gehad de bal midden uit nemen. De bal wordt daarbij achteruit naar een speler op de eigen helft gegooid en het spel gaat weer beginnen. De ploeg die in een wedstrijd de meeste doelpunten maakt is natuurlijk de winnaar van de wedstrijd. Zo n wedstrijd duurt voor de F en E jeugd vier perioden van 3 minuten netto. Dat betekent dat alleen de tijd wordt meegeteld dat er ook echt gespeeld wordt, en niet de tijd dat de bal bijvoorbeeld buiten het speelveld is geraakt. "Als de bal uit het speelveld is" KNZB November 2009 9
Het speelveld: Het speelveld bij de F jeugd is 20 meter lang en minstens 10 meter breed. Breder mag ook, maar weer niet breder dan 15 meter. Het speelveld moet uitgelegd zijn in het ondiepe gedeelte van het zwembad, zodat de spelers kunnen staan of afzetten van de bodem. Het kan zijn dat de buitenkant van het speelveld wordt begrensd door de wand van het bad, maar het kan ook zijn dat die wordt aangegeven door lijnen. De achterkant van het speelveld (achter de doelen) wordt aangegeven door de doellijnen, de zijkant door de zijlijnen. Tegenover de kant waar de scheidsrechter loopt is op de doellijn de terugkomplaats (zie de tekening van het speelveld). Vanaf deze plaats moet een speler worden gewisseld, met uitzondering van een wissel na een doelpunt of tussen twee perioden van een wedstrijd. De bal waarmee wordt gespeeld is de miniwaterpolobal. KNZB November 2009 10
Het speelveld: Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 pupillen waterpolo rood tussen de doelpalen 2 m speelveldbegrenzing doellijn (wit) 2 meterlijn (rood) 4 meterlijn (geel) breedte 10 15 meter lengte 20 meter middellijn (wit) 4 meterlijn (geel) 2 meterlijn (rood) terugkomvak (rood) doellijn (wit) speelveldbegrenzing KNZB November 2009 11
De spelleiding: Het spel wordt geleid door een scheidsrechter; dat is iemand die de regels van minipolo goed kent, maar bovendien wel eens een aanwijzing kan geven aan de spelers of aan de coach als dat nodig is. Als een spelregel door een speler niet goed wordt begrepen, kan de scheidsrechter uitleg geven. Dat doet hij alleen, als de spelsituatie daar de mogelijkheid toe biedt. De scheidsrechter moet ervoor zorgen, dat een wedstrijd goed en ook eerlijk verloopt. De scheidsrechter maakt zijn beslissingen kenbaar door een fluitsignaal en armgebaren. Bij een vrije worp wijst de scheidsrechter in de richting van de aanval van de ploeg, die de vrije worp krijgt. Bij een doelpunt wijst de scheidsrechter naar het midden van het speelveld. Bij een hoekworp wijst de scheidsrechter als bij een vrije worp met één arm, en naar de plaats waar de hoekworp moet worden genomen met de andere arm, om aan te geven dat het een twee meter worp is. Als er een speler uit het speelveld wordt gestuurd stuurt de scheidsrechter deze met een armgebaar naar de terugkomplaats. Belangrijke spelregels: "Wisselen" KNZB November 2009 12
Spelers mogen voortdurend tijdens de wedstrijd worden gewisseld: als de speler die moet worden gewisseld bij de terugkomplaats aangekomen is, mag de andere speler het veld in. Daarbij mag door geen van beiden de doellijn worden opgetild. Bovendien mogen de spelers worden gewisseld na een doelpunt en tussen twee perioden. Dan hoeft dat niet via de terugkomplaats; ze mogen gewoon bij de coach of waar ze dat willen in het veld springen, voordat de scheidsrechter heeft gefloten voor het herbegin van de wedstrijd. De keepers mogen niet over de middenlijn, ze kunnen wel een doelpunt maken door vanaf eigen helft te schieten. "De keeper mag niet over de middenlijn" Bij het begin van een wedstrijd en van een periode liggen de spelers achter de doellijn. Op het signaal van de scheidsrechter mogen de spelers het speelveld in zwemmen. "Klaarliggen achter de doellijn" KNZB November 2009 13
Een doelpunt zit als de bal tussen palen en onder de lat de doellijn helemaal is gepasseerd. De bal moet na het uitzwemmen door twee spelers zijn gespeeld voordat er gescoord kan worden. Je kunt met elk lichaamsdeel scoren. "Zo maak je een doelpunt" KNZB November 2009 14
Na een doelpunt wordt de bal midden uit genomen. Dit betekent dat alle spelers op hun eigen helft (aan de kant van hun eigen keeper) moeten liggen en dat de bal vanaf de middenlijn achteruit wordt gespeeld, nadat de scheidsrechter hiervoor door een fluitsignaal toestemming heeft gegeven. Als een bal de doellijn passeert buiten het doel, geeft de scheidsrechter een doelworp of een hoekworp. Een hoekworp wordt gegeven als de bal het laatst is geraakt door de doelverdediger van de verdedigende partij o wanneer een verdediger de bal expres over de achterlijn gooit. In alle andere gevallen is het een doelworp. Een hoekworp moet worden genomen vanaf de twee meterlijn aan de zijkant van het speelveld waar de bal over de doellijn is gegaan. Soms geeft de scheidsrechter een neutrale inworp; dat geeft hij aan door met gebalde vuisten twee duimen op te steken. De neutrale inworp wordt gegeven als eigenlijk allebei de ploegen evenveel recht hebben op de bal. Daarom werpt de scheidsrechter de bal onpartijdig in het water en mogen twee aangewezen spelers proberen de bal te pakken te krijgen. De neutrale inworp wordt bijvoorbeeld gegeven als twee spelers van beide partijen gelijktijdig een overtreding maken, of als de bal het plafond van het zwembad of een duikplank raakt. "Scheidsrechtersbal" KNZB November 2009 15
Een vrije worp wordt door de scheidsrechter gegeven nadat een gewone overtreding is gemaakt. Een gewone overtreding is anders dan een zware overtreding. Een vrije worp mag door iedere speler worden genomen op de plek waar de overtreding is gemaakt, of een plaats dichter bij de eigen keeper. Uit een vrije worp kan bij minipolo nooit rechtstreeks worden gescoord. Daarvoor moet de bal eerst naar minstens één andere speler worden overgespeeld. Een vrije worp die in de aanval binnen de twee meter lijn wordt verdiend, moet op de twee meter lijn worden genomen. Een vrije worp moet door de ploeg die de worp heeft gekregen zo snel mogelijk worden genomen. Als onnodig wordt getreuzeld, kan de scheidsrechter de vrije worp aan de andere ploeg geven. Dat betekent ook dat de speler die het dichtst bij de bal is de vrije worp meestal het beste kan nemen. Een speler mag een vrije worp ook nemen door de bal voor zichzelf op het water of op de hand te gooien. Maar zoals gezegd kan hij dan niet scoren voordat naar een ander is overgespeeld. De tegenstanders mogen het nemen van een vrije worp niet opzettelijk hinderen. Als ze dat toch doen is dat een zware fout. Gewone fouten: Een gewone fout is een overtreding van de spelregels die wordt bestraft met een vrije worp. "Dit is een vrije worp" KNZB November 2009 16
Gewone fouten zijn: Het onder water houden van de bal als een tegenstander deze zou kunnen afpakken. Het stompen van de bal met gebalde vuist (dit is gevaarlijk voor de andere spelers). Dit geld weer niet voor de keeper binnen z n eigen vier meter gebied. Het met twee handen spelen van de bal. Ook hier geldt: de keeper mag dit wel binnen z n eigen vier meter gebied. Het hinderen van een tegenstander om vrij te bewegen door bijvoorbeeld op de benen te zwemmen of op de schouder te leunen, als de tegenstander de bal niet vast heeft. Het hinderen is wel toegestaan als de tegenstander de bal wel vast heeft, maar moet dan heel duidelijk de bedoeling hebben om de bal te veroveren. Elke vorm van hinderen die niet duidelijk de bedoeling heeft om de bal te veroveren is dus een fout. Afduwen of afzetten van een tegenstander. Het liggen of zwemmen in het twee meter gebied van de tegenstander, als de bal nog achter de speler is. Dit is dus een soort buitenspel regel. Te veel treuzelen bij het nemen van een vrije worp. Het aanraken van de bal door de keeper op de helft van de tegenstander, of het komen op de helft van de tegenstander door de keeper. Zware fouten: Uitsluitingsfouten: Een uitsluitingsfout is een overtreding van de spelregels die wordt bestraft met het wegsturen van de speler die de overtreding beging. Deze speler moet worden gewisseld met een speler op de terugkomplaats. De De partij waarvan een speler moet wisselen speelt eventjes met een speler minder, omdat het even duurt voordat de nieuwe speler in het speelveld kan (de uitgestuurde speler moet eerst op de terugkomplaats zijn). De speler die de uitsluitingsfout heeft gemaakt mag later weer teruggewisseld worden en kan dus weer aan het spel meedoen. Bij een uitsluitingsfout krijgt de partij waar de overtreding tegen is gemaakt een vrije worp. Noot: als de ploeg die de uitsluitingsfout krijgt bestaat uit slechts vijf spelers, mag de uitgestuurde speler weer deelnemen na 10 seconden op de terugkomplaats verbleven te hebben (omdat geen vervangende speler beschikbaar is). Uitsluitingsfouten zijn: Het opzettelijk hinderen van een vrije worp; doelworp; hoekworp of strafworp. Het wegwerpen van de bal om het nemen van een vrije worp; doelworp; hoekworp of strafworp te hinderen. Opzettelijk water spatten naar een tegenstander. Vasthouden en terugtrekken van een tegenstander die de bal niet vast heeft. Weigeren de scheidsrechter te gehoorzamen. Het maken van een gewone fout in dood spel (dus op het moment dat het spel stil ligt omdat b.v. een vrije worp nog moet worden genomen). KNZB November 2009 17
Zware fouten: Uitsluitfout: Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 pupillen waterpolo "Uitsluitfout" Een uitsluitfout is een overtreding, waarbij de deelnemer uit het speelveld wordt gestuurd en niet meer mag deelnemen gedurende de rest van de wedstrijd. De deelnemer mag wel worden vervangen door een andere deelnemer. Noot: Als de ploeg van de uitgestuurde speler bestaat uit slechts vijf spelers, zal de wedstrijd moeten worden vervolgd met vier spelers. Opzettelijk trappen of slaan van een tegenstander, of op een andere wijze proberen een tegenstander lichamelijk letsel toe te brengen. Zware fouten: Strafworpfouten: Dit zijn fouten die worden bestraft met een strafworp. Een strafworp is een worp die vanaf de vier meter lijn rechtstreeks en in één doorgaande beweging op doel moet worden geschoten (je mag dus niet dreigen of een schijnbeweging maken). Bij de uitvoering van een strafworp moet de keeper op de doellijn liggen; de spelers die de bal niet nemen moeten buiten de vier meter lijn liggen op minstens twee meter afstand van de nemer van de strafworp. Strafworpfouten zijn: Het maken van een fout door een verdedigende speler binnen het vier meter gebied waardoor een doelpunt wordt voorkomen (bijvoorbeeld het met twee handen vangen van de bal op de doellijn door een gewone speler). Hierbij hoort ook het onder water duwen van de bal door de verdedigende speler die wordt aangevallen. Een andere veel gemaakte strafworpfout is het terughalen of vastpakken van een doorgebroken speler binnen de 4 meter; de zgn. 1-0 situatie. Het bewust deelnemen aan het spel door een speler die door de scheidsrechter uit het veld is gestuurd (het gaat hier dus om het opzettelijk blijven doorspelen). Het naar beneden trekken of opzij duwen van het doel om een doelpunt te voorkomen. KNZB November 2009 18
Indien een speler een zware fout maakt, wordt dat opgeschreven op het wedstrijdformulier waarop bijvoorbeeld ook de stand wordt bijgehouden. Bij een derde zware fout moet de speler worden gewisseld door een ander en mag hij niet meer aan het spel deelnemen. Belangrijke afwijkingen van de minipolo spelregels t.o.v. de KNZB waterpolo spelregels: Behalve de afmetingen van bal; speelveld en het aantal spelers zijn er enkele belangrijke verschillen tussen minipolo en gewoon waterpolo: Bij het mini polo kan uit een vrije worp nooit direct gescoord worden. Bij het hinderen van de tegenstander (als deze de bal vast heeft) moet altijd duidelijk zijn dat het de bedoeling is om de bal te veroveren. Als een speler uit het veld wordt gestuurd, mag deze vanaf de terugkomplaats onmiddellijk worden gewisseld; er is dus geen straftijd. Na een doelpunt wordt echt vanaf de middenlijn de midden-uit genomen. Bij minipolo is er nooit spraken van een uitsluiting zonder vervanging (een zgn. UZV); in het geval van een zware fout wordt er hoogstens een uitsluitfout (uitsturen met vervanging) of een strafworpfout gegeven. KNZB November 2009 19
De communicatie Het secretariaat; Met het secretariaat dient voor de wedstrijd afgesproken worden welke signalen hoe gebruikt worden. Tijdens de wedstrijd geeft men aan het secretariaat door: 1: een doelpunt 2: een persoonlijke fout of strafworp 3: het capnummer van de maker van de persoonlijk fout of het doelpunt Dit kan gebeuren middels handgebaren en/ of verbaal Coaches; Tijdens de rust en na de wedstrijd kan er overleg plaatsvinden met de coaches omtrent het verloop van de wedstrijd en eventuele aanwijzingen voor de spelers. Spelers; De communicatie met de spelers vindt plaats doormiddel van fluitsignalen, gebaren en eventueel verbale ondersteuning. Bij het fluitsignaal let men erop het praten met de fluit te allen tijde te voorkomen. Let op: Men heeft met kinderen te doen; maak voor hen zo veel mogelijk duidelijk!! De gebaren zijn zeer eenvoudig; men geeft, na het fluitsignaal, met gestrekte arm en open hand de richting aan waarheen de vrije worp genomen moet worden. Tevens wijst men met de andere arm met de wijsvinger de plaats aan waar de vrije worp veroorzaakt is. Vervolgens kan men nog een gebaar geven waarom de vrije worp gegeven wordt, bijvoorbeeld: hand op en neer: > bal onder water twee vingers omhoog: > binnen de twee meter liggen twee handen bij elkaar brengen: > de bal met twee handen spelen duwbeweging met de hand: > duwen/ afzetten van de tegenstander KNZB November 2009 20
KNZB November 2009 21
BIJLAGE A: 4 Opstaptoetsen Opstaptoets 1 1) Uit hoeveel spelers bestaan een pupillenteam? a) 4 b) 5 c) 6 2) Een doelpunt zit a) wanneer de bal de doellijn raakt b) wanneer de bal voor meer dan de helft over de doellijn is c) wanneer de bal de doellijn volledig gepasseerd is 3) Spelers mogen wisselen a) gedurende de hele wedstrijd b) alleen na een doelpunt c) als de eigen ploeg in de aanval is 4) Caps hebben oordoppen, omdat: a) de spelers het fluitsignaal beter kunnen horen b) de cap beter op zijn plaats blijft zitten c) om de trommelvliezen te beschermen 5) Een pupillenwedstrijd duurt a) 4 x 3 minuten netto speeltijd b) 4 x 3 minuten bruto speeltijd c) 4 x 2,5 minuten netto speeltijd 6) De scheidsrechter geeft een vrije worp aan a) door een fluitsignaal b) door een fluitsignaal en richtinggebaar c) door een fluitsignaal, richtinggebaar en fluitsignaal wanneer de bal weer genomen kan worden 7) De scheidsrechter fluit niet a) bij het aangeven van een vrije worp b) bij het nemen van een hoekworp c) bij het nemen van een strafworp 8) Pupillenpolo in deze vorm is door de KNZB geïntroduceerd, om: a) het waterpolo laagdrempelig en aantrekkelijker te maken voor deze leeftijdsgroep b) dat er onvoldoende scheidsrechters waren c) het beschikbare badwater beter te benutten 9) De scheidsrechter a) mag een speler nooit het water uitsturen b) overlegt elke zware fout met de coach van de betreffende ploeg c) kan een speler voor de rest van de wedstrijd eruit sturen KNZB November 2009 22
Opstaptoets 2: Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 pupillen waterpolo 1) De leeftijdklasse voor de f-jeugd is: a) 7-8 jaar b) 9-10 jaar c) 11-12 jaar 2) De verdediger tikt de bal bewust over zijn achterlijn. Dit is a) een doelworp b) een hoekworp c) een strafworp 3) De aanvaller schiet de bal over het doel van de tegenstander. Dit is a) een doelworp b) een hoekworp c) een strafworp 4) Een speler krijgt een vrije worp en schiet direct op het doel van de tegenstander en de bal gaat in het doel. Dit is a) een doelworp b) een doelpunt c) een strafworp 5) Een speler ligt klaar om een hoekworp te nemen; een medespeler ligt binnen de 2-meter. a) dit mag b) dit mag niet c) dit mag niet, maar je hoeft er niet voor te fluiten 6) Een tegenstander aan de arm trekken wanneer die de bal nog niet heeft maar hij wil de bal in het doel tikken. Dit is a) een gewone fout b) een zware fout c) een strafworpfout 7) De tijd wordt gestart aan begin van elke speelperiode a) bij het fluitsignaal van de scheidsrechter b) wanneer de scheidsrechter de bal in het water werpt c) wanneer een speler de bal aanraakt 8) De tijd wordt stilgezet a) bij elk fluitsignaal van de scheidsrechter b) bij elke doelpoging c) bij elke zware fout geconstateerd door de jury 9) Een strafworp wordt genomen a) ergens op de 4-meter b) op de plaats van de overtreding binnen de 4-meter c) op de 2-meter 10) Pupillenteams bestaan uit 5 spelers, omdat: a) de KNZB dat leuk vindt en voorschrijft b) de kinderen meer in het spel betrokken worden en daardoor meer plezier aan het spel beleven. c.) verenigingen met te weinig kinderen dan toch een team op kunnen stellen KNZB November 2009 23
Opstaptoets 3: Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 pupillen waterpolo 1) De pupillenwedstrijd duurt (netto tijd per partje): a) 3 minuten b) 4 minuten c) 5 minuten 2) Bij een gewone fout a) fluit de scheidsrechter niet b) fluit de scheidsrechter wel en noteert de jury de fout op het wedstrijdformulier c) fluit de scheidsrechter en zet de jury de tijd stil 3) Bij een gewone fout a) loopt de tijd door b) wordt de tijd stilgezet c) wordt de tijd stilgezet en als de bal weer genomen is gaat de tijd weer lopen 4) Bij een doelpunt a) fluit de scheidsrechter niet b) fluit de scheidsrechter wel c) fluit de scheidsrechter en geeft het capnummer van degene die het doelpunt gemaakt heeft door 5) Belangrijk punt bij het spel leiden is: a) dat er na de wedstrijd een winnaar is b) dat pupillen en ouders plezier in het spel hebben en krijgen c) dat de scheidsrechter lekker veel gefloten heeft 6) Spelers mogen gewisseld worden a) gedurende de hele wedstrijd b) alleen na een doelpunt c) alleen bij een nieuwe speelperiode 7) Spelers mogen wisselen a) alleen via het terugkomvak b) overal na een doelpunt c) alleen via de middellijn 8) Een doelpunt geldt a) wanneer minimaal twee spelers de bal aangeraakt hebben b) wanneer er direct vanuit een vrije worp gescoord wordt c) wanneer de bal voor meer dan de helft de doellijn gepasseerd is 9) Wanneer een speler de bal vast heeft a) mag hij niet aangevallen worden b) mag hij niet verder zwemmen c) mag de bal afgepakt worden 10) De scheidsrechter fluit voor een overtreding a) wanneer een speler die de bal vast heeft, zich afzet van de tegenstander b) wanneer een speler die de bal vast heeft, de bal loslaat en verder zwemt c) wanneer een speler die de bal vast heeft en op het doel schiet KNZB November 2009 24
Opstaptoets 4 Cursistenwerkboek scheidsrechter 2 pupillen waterpolo 1) De kleuren van de cap van de veldspelers moeten zijn: a) uitsluitend zwart en wit b) elke kleur is toegestaan, mits de kleuren duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. c) uitsluiten blauw en wit 2) Waar moet de bal na een doelpunt genomen worden? a) vanaf de doellijn b) vanaf de 2-meterlijn c) vanaf de middenlijn 3) Een doelpunt zit niet wanneer I) De bal helemaal over de doellijn is. II) Een doelpunt zit wanneer de bal direct uit een vrije worp op het doel geschoten wordt. III) Een doelpunt zit wanneer een speler van de witte partij en de blauwe partij de bal hebben aangeraakt IV) Een doelpunt zit wanneer twee spelers van de blauwe partij de bal hebben aangeraakt V) Een doelpunt zit wanneer twee spelers van de witte partij de bal hebben aangeraakt 4) Een doelpunt is WEL geldig wanneer voldaan is aan a) II, III, IV, V b) III, IV, V c) I, IV of V 5) De keeper mag de bal a) alleen met een hand vangen en uitgooien b) met twee handen vangen en met een hand uitgooien c) zowel met een als met twee handen vangen en uitgooien 6) De scheidsrechter a) controleert de legitimatiekaarten en het wedstrijdformulier b) vult de namen van de spelers op het wedstrijdformulier in c) stuurt het wedstrijdformulier na de wedstrijd op naar het wedstrijdsecretariaat 7) Als de wedstrijd begint a) liggen er 3 spelers en een keeper in het water achter hun eigen doellijn b) liggen er 4 spelers en een keeper in het water ergens op de eigen helft c) liggen er 4 spelers en een keeper in het water achter hun eigen doellijn 8) De medische kosten voor blessures zijn a) niet gedekt b) uitsluitend gedekt bij het ziekenfonds c) zijn gedekt op een ziektekostenverzekering, bij het ziekenfonds en zonodig ook op een ongevallen verzekering van de KNZB 9) Het pupillenpolo van 5 tegen 5 wordt gespeeld: a) in heel Nederland b) alleen in uw Kring c) bij ongeveer de helft van alle Kringen in Nederland 10) Voor scheidsrechter moet je: a) minstens 16 jaar zijn b) ooit scheidsrechter geweest zijn c) waterpolo kunnen spelen KNZB November 2009 25
TOETS 1 1) Uit hoeveel spelers bestaan een pupillenteam? 2) Wanneer zit een doelpunt: als de bal voor meer dan de helft, of als de bal in zijn geheel over de doellijn is? 3) Wanneer mogen de spelers wisselen? 4) Wat is de reden dat waterpolocaps oordoppen hebben? 5) Hoe lang duurt een pupillenwedstrijd? 6) Hoe geeft de scheidsrechter een vrije worp aan? 7) Welke worp mag slechts genomen worden op een fluitsignaal van de scheidsrechter? 8) Wat is de belangrijkste reden van de KNZB om pupillenpolo in deze vorm te introduceren? 9) Kan de scheidsrechter een speler er voor de duur van de wedstrijd uitsturen? 10) Voor welke leeftijdsgroep is pupillen I bedoeld? 11) Als de verdediger de bal over zijn achterlijn tikt, welke beslissing neemt de scheidsrechter? 12) De aanvaller schiet de bal over het doel van de tegenstander. Wat beslist de scheidsrechter? 13) Een speler krijgt een vrije worp en schiet direct op het doel van de tegenstander en de bal gaat in het doel. Is dit een doelpunt, wat beslist de scheidsrechter? 14) Een speler ligt klaar om een hoekworp te nemen; een medespeler ligt binnen de 2-meter, is dit toegestaan? KNZB November 2009 26
TOETS 2 1) Als een tegenstander aan de arm wordt getrokken wanneer hij de bal nog niet heeft en hij op het punt staat deze in het doel te tikken; wat beslist de scheidsrechter dan? 2) Op welk moment wordt de tijd gestart aan begin van elke speelperiode? 3) Wanneer wordt de tijd stilgezet? 4) Op welke plaats wordt een strafworp genomen? 5) Noem een van de belangrijkste redenen waarom gekozen is voor pupillenteams van 5 spelers. 6) Wat is de netto tijd per partje bij een pupillen I wedstrijd? 7) Welke handelingen verrichten de scheidsrechter en het wedstrijdsecretariaat bij een gewone fout? 8) Welke handelingen verrichten de scheidsrechter en het wedstrijdsecretariaat bij een zware fout? 9) Welke handelingen verricht de scheidsrechter bij een doelpunt? 10) Noem een belangrijk motiverend aspect bij het spelleiden m.b.t. pupillen en ouders. 11) Wanneer mogen spelers gewisseld worden? 12) Mogen spelers tijdens het spel op elke plek van het speelveld wisselen? 13) Door hoeveel spelers moet de bal gespeeld zijn voordat er gescoord kan worden? 14) Mag een speler de bal onder water duwen? 15) Mag een speler met of zonder bal zich afzetten van zijn tegenstander? KNZB November 2009 27
TOETS 3 1) Welke kleuren mogen de waterpolocaps van de veldspelers hebben? 2) Waar moet de bal na een doelpunt genomen worden? 3) Het is een doelpunt wanneer de bal direct uit een vrije worp op het doel geschoten wordt, is dat juist? 4) Aan welke voorwaarden moet een geldig doelpunt voldoen? 5) Mag de keeper de bal met een of met twee handen vangen en uitgooien, of alleen met twee handen vangen en met een hand uitgooien? 6) Welke papieren en wanneer moet de scheidsrechter controleren? 7) Hoeveel spelers liggen er in het water en waar als de wedstrijd begint? 8) Waar zijn de medische kosten voor blessures gedekt? 9) Wordt het pupillenpolo van 5 tegen 5 gespeeld in heel Nederland of in enkele kringen? 10) Welke leeftijd moet je voor scheidsrechter hebben en moet je kunnen waterpolo spelen? 11) Mogen kinderen van 8 en 9 jaar meedoen met F-jeugd wedstrijd? 12) Wie fluit voor het einde van de wedstrijd, het wedstrijdsecretariaat of de scheidsrechter? 13) Wat doen we als de bal een obstakel of het plafond boven het waterpoloveld raakt? 14) Wat doen we als de bal, door een speler, tegen de zijkant van het bad, tevens rand van het speelveld, wordt gegooid? 15) Mag de keeper, bij wijze van spreken, gedurende een heel partje stilliggend de bal in zijn handen houden? KNZB November 2009 28