Informatie Breas-403 Inleiding De Breas-403 wordt door het CTB gebruikt als een drukgestuurd beademingsapparaat. De Breas-403 heeft de mogelijkheid om ingesteld te worden als volumegestuurd beademingsapparaat. Een drukgestuurd beademingsapparaat wil zeggen dat het apparaat een luchtstroom inblaast totdat een vooraf ingestelde druk bereikt is. Dit in tegenstelling tot een volumegestuurd beademingsapparaat waarbij een vooraf ingesteld volume ingeblazen wordt. Naast een druk wordt ook een frequentie ingesteld. Het apparaat kent vier beademingsvormen: PCV = pressure control ventilation (druk gecontroleerde beademing) Dit is een instelling waarmee de patiënt gecontroleerd beademd kan worden. Daarnaast kan de eigen ademhaling van de patiënt het apparaat binnen een aantal vooraf ingestelde voorwaarden aansturen. PSV = pressure support ventilation (druk ondersteunde beademing) Ook dit is een instelling waarbij de eigen ademhaling van de patiënt het apparaat binnen een aantal vooraf ingestelde voorwaarden kan aansturen. Het verschil tussen beide beademingsvormen is dat de patiënt bij deze vorm meer invloed kan uitoefenen op de uitademing. VCV = volume control ventilation (volume gestuurde beademing) Met deze instelling wordt een vooraf ingesteld volume op een ingestelde frequentie ingeblazen. SIMV = synchronized intermittent mandatory ventilation Deze vorm van beademen wordt nagenoeg alleen nog op Intensive Care afdelingen toegepast en wordt hier verder niet besproken.
Beschrijving in detail 1. Het display 9 geeft de beademingsdruk verlicht weer, Bij de inademing loopt de druk op, aan het eind van de uitademing is de druk weer nul. 2. Op display 8 is de instelling af te lezen. Het licht op als toets 4 ingedrukt wordt. 3. Het lampje bij A licht op tijdens de inademing, daarnaast ziet men de ingestelde beademingsdruk. 4. Bij B staat de frequentie van beademing ingesteld. Tijdens gebruik kan het getal een hogere waarde aangeven doordat iemand sneller of extra ademt dan het apparaat in basis staat ingesteld. 5. De inademingstijd C kan ingesteld worden als het apparaat in de PCV (5) mode staat. Het apparaat kan snel of langzaam druk opbouwen al naar gelang de hier gekozen instelling. 6. Insp. Trigger D. Triggeren wil zeggen dat een apparaat de mogelijkheid heeft om de eigen ademhaling van de patiënt te voelen. Triggeren maakt het mogelijk dat de patiënt met zijn/haar eigen ademhalingsfrequentie het apparaat stuurt. Het lampje licht op als de patiënt zelf inademt en het apparaat deze inademing volgt. De gevoeligheid van het apparaat voor deze mogelijkheid is elektronisch in te stellen 7. Het plateau E geeft de opbouw van de druk weer. Dit is in te stellen en wordt gesymboliseerd door de getallen 1 t/m 9. Getal 1: de druk wordt geleidelijk opgebouwd en afgebroken. Getal 9: de druk wordt snel opgebouwd, even vastgehouden en weer afgebroken. 8. Exp. Trigger F. Instelling uitademingsgevoeligheid. Hoe lager het percentage hoe sneller het apparaat in uitademingsstand gaat. Deze instelling werkt alleen in de PSV (5) mode. 9. Gesch. Vol G. Geeft een redelijk nauwkeurige schatting van het volume aan dat de patiënt van het apparaat heeft gekregen. 10. Netvoeding H. Hier is te zien welke stroombron het beademingsapparaat op dat moment gebruikt: netstroom (M), externe accu (E) of interne accu (l). 11. +3 en -2 knoppen. Worden gebruikt om de waarde van de geselecteerde functie te verhogen of verlagen. 12. Soort alarm 6. Via deze knop wordt de alarmering ingesteld. De knop dient minstens één seconde te worden ingedrukt. Op het display zijn dan de instellingen zichtbaar. Met toets 4 en de toetsen 2 en 3 is de alarmering in te stellen. De
alarmering is op 3 niveaus in te schakelen: frequentiebewaking, drukbewaking en volumebewaking. 13. Stand 5. Met deze toets wordt de beademingsvorm gekozen: PCV, PSV, VCV (& SIMV). 14. De lampjes l die oplichten als door middel van toets 4 een instelling gekozen of gewijzigd wordt. 15. De centrale functietoets 4 om keuzes te kunnen maken. Tevens zal het display 8 oplichten als deze toets ingedrukt wordt. 16. Lock functie 10. Indien dit lampje brandt is de instelling vergrendeld. Activeren of deactiveren van deze functie gebeurt door tegelijkertijd knoppen 2 en 3 gedurende 5 seconden ingedrukt te houden. Het is aan te bevelen deze altijd gelockt te houden zodat het niet mogelijk is per ongeluk de instelling te wijzigen. 17. Alarm. Als er een alarm optreedt zal één van de vier lampjes 7 gaan branden en klinkt er een hoorbaar signaal. 18. Alarmlampje (rood): stroomstoring. Bij 7. 19. Alarmlampje (rood): ingestelde beademingsdruk wordt niet bereikt. Bij 7, 20. Alarmlampje (rood): er wordt onvoldoende volume gemeten. Bij 7. 21. Aan/uit toets 1. Deze toets dient 2 seconden ingedrukt te worden om het apparaat in te schakelen. Uitzetten: 2 seconden indrukken, loslaten en meteen weer kort indrukken. Beschrijving van het achterpaneel 1. Aansluiting voor het elektriciteitssnoer. 2. Klem voor bevestiging elektriciteitssnoer. 3. Zoemer voor het alarm. 4. Geluidsniveau regelaar alarm. 5. Aansluiting externe accu. 6. Aansluiting voor analoge/digitale communicatie. 7. Filterlade.
Stroomvoorziening De Breas-403 dient op het lichtnet aangesloten te worden via de aansluiting bij 1. Aansluiting 5 dient aangesloten te worden op de accu. De Breas-403 zal automatisch op de accu gaan draaien als de stroom via het lichtnet uitvalt. Indien de Breas op de accu draait en niet op het lichtnet is aangesloten zal een opgeladen accu circa 6 uur stroom geven. Om de accu op te laden en opgeladen te houden wordt de acculader aangesloten op het lichtnet via het bijgeleverde snoer van de oplader. De accu kan continu op het lichtnet aangesloten blijven. Tijdens het opladen zal een lampje op de oplader branden.
Protocol gebruik/onderhoud Breas 403 Inleiding De Breas-403 wordt tijdens uw opname ingesteld. De instelling van het apparaat staat opgeschreven in uw informatieklapper Centrum voor Thuisbeademing. De instelling wordt alleen gewijzigd DOOR OF NA OVERLEG MET HET CTB! Als de instelling niet overeenkomt met de standen zoals die in de informatieklapper opgeschreven zijn dan dient dat gecorrigeerd te worden! Aanzetten en controle 1. De instelling waarmee het apparaat is uitgezet zal bij het aanzetten weer hetzelfde zijn. 2. Het apparaat wordt middels tiptoets 1 aangezet. De toets dient 2 seconden ingedrukt te worden en daarna te worden losgelaten. U ziet alle rode lampjes in het vak alarm oplichten. 3. Na het aanzetten volgt een zelftest. Na circa 15 seconden hoort u het apparaat blazen en hoort u een kort piepsignaal ten teken dat het apparaat bedrijfsklaar is. Het lampje bij 1 brandt continu als het apparaat op het lichtnet is aangesloten. Mocht het apparaat stroom van een van de accu s ontvangen dan zal dit lampje knipperen. 4. Nu kan de instelling van het apparaat gecontroleerd worden op display 8. 5. Op display 8 is de instelling nu af te lezen. 6. Bij 5 geeft een lampje aan in welke modus het apparaat is ingesteld: PSV, PCV of VCV (de PCV modus wordt bij thuisbeademing bijna altijd gebruikt). 7. Indien bij 10 het lampje brandt is de instelling vergrendeld en kan de instelling niet gewijzigd worden. 8. Na circa 30 seconden zal een alarm klinken en een lampje bij 7 oplichten. Dit is de controle op de alarminstelling: er is (nog) geen aansluiting met de patiënt gemaakt: een alarm dient af te gaan! DEZE PROCEDURE DIENT ALTIJD DOORLOPEN TE WORDEN ALVORENS DE PATIËNT AANGESLOTEN WORDT AAN HET APPARAAT
Het aansluiten Het beademingssysteem (de slangen) is middels een verstelbaar armatuur te positioneren alvorens de patiënt aangesloten wordt. Verstel de arm door gebruik te maken van de scharnieren in plaats van te trekken aan de stangen van de arm, dit komt de duurzaamheid van de arm sterk ten goede. De aansluiting wordt gemaakt op een tracheacanule of op een neusmasker. De slangen zijn (semi) disposable en zijn er met of zonder opvangpotje voor water. De lengte van de slang kan variëren in maat: 60 cm (rolstoel) of 120 cm vanaf het apparaat tot aan de expiratieklep. Sluit het beademingssysteem aan op een manier dat er geen spanning staat op de slang die met de tracheacanule c.q. het neusmasker verbonden is. Zo nodig kan in overleg met het CTB de aansluiting verlengd of aangepast worden. Het uitzetten Met tiptoets 1 wordt het apparaat ook weer uitgezet. Attentie: toets 2 seconden indrukken totdat er een piepsignaal klinkt, toets loslaten en direct weer kort indrukken. EERST DE PATIËNT ONTKOPPELEN VAN HET APPARAAT DAARNA HET APPARAAT UITZETTEN De alarmering De alarmering wordt tijdens de opname ingesteld. De Breas-403 heeft 4 alarmeringsmogelijkheden. 1. Frequentie-alarm Dit alarm klinkt als de patiënt sneller ademt dan een ingestelde waarde. Voorbeeld: het apparaat staat ingesteld op een frequentie van 20. Mocht het apparaat bemerken dat de patiënt bijvoorbeeld 25 keer per minuut ademhaalt dan klinkt een alarm. Bij 7 licht een rood lampje op naast frequentie en verschijnt er een pijltje op display 8 bij frequentie. 2. Druk-alarm Dit alarm klink als een ingestelde drukwaarde niet bereikt wordt. Voorbeeld: de druk staat ingesteld op 18 cm H2O. Het alarm is afgesteld op 13 cm H2O. Mocht deze 13 niet bereikt worden dan klinkt een alarm. Bij 7 licht een rood lampje op naast druk en verschijnt er een pijltje op display 8 bij druk.
3. Volume-alarm Dit alarm klinkt als een ingesteld volume niet bereikt wordt. Voorbeeld: een patiënt gebruikt per keer dat het apparaat inblaast 600 ml lucht. Het alarm staat afgesteld op 350 ml. Mocht deze 350 ml niet gehaald worden dan klinkt een alarm. Bij 7 licht een rood lampje op naast volume en verschijnt er een pijltje op display 8 bij volume. 4. Netvoeding-alarm Dit alarm klinkt als de spanning uitvalt terwijl het apparaat in bedrijf is. Bij 7 licht een rood lampje op naast netspanning. P.S. Indien de Breas-403 op een externe accu is aangesloten zal het apparaat bij stroomuitval van het lichtnet zijn stroom betrekken van deze accu. Mocht de externe accu uitgeput raken dan neemt de interne accu de stroomvoorziening over.
Onderhoud Breas-403 Wekelijks dient het beademingsapparaat onderhouden te worden. Een medewerker van het CTB zal U demonstreren hoe een en ander dient te geschieden. Het apparaat zelf wordt met een licht vochtige doek afgenomen. Er mag geen vocht in het apparaat komen! Disposable beademingsslangen met disposable uitademingsklep voor de Breas Foto 1. Breas met actieve bevochtiging en accu Dit beademingssysteem (foto 2) bestaat uit de volgende onderdelen: Een beademingsslang met blauwe aanzetstukken Geïntrigeerde uitademingsklep met kogel Kleplijn voor uitademingsklep (blauw uiteinde) Een druklijn (met groen uiteinde) en een vochtfilter Uitademingsklep Blauw aanzetstuk Kleplijn Druklijn met filter Vochtopvangpotje Foto 2. Beademingssysteem Breas
De slangen zijn (semi) disposable en zijn er met of zonder opvangpotje voor water. De lengte van de slang kan variëren in maat: 40 of 60 cm (rolstoel) of 150 cm vanaf het apparaat tot aan de expiratieklep. Het aansluiten U sluit de beademingsslang aan op de grote opening aan de voorzijde van de Breas (foto 3). De transparante drukslang met filter sluit u aan op de onderste nippel. De transparante lijn naar de expiratieklep sluit u aan op de bovenste nippel (zie foto 4). Foto 3. Voorzijde van de Breas Beademingsslang Kleplijn Druklijn Foto 4. Aansluiting op de Breas
Uitademingssklep Kleplijn Druklijn Foto 5. Uitademingssklep met kogel en druklijn en kleplijn met filter Op de uitademingsklep sluit u de verbindingsslang naar het masker of de verbindingsslang met swivle naar de tracheacanule. Voor de aansluiting op de tracheacanule gebruikt u de verbindingsslang met swivle (foto 6) of de verbindingsslang met 22F-15F aansluiting met een losse swivle (foto 7 en 8). Foto 6. Verbindingsslang met swivle Foto 7 en 8. Verbindingsslang 22F-15F en losse swivle Voor de aansluiting op een masker gebruikt u de verbindingsslang met een 22M-22F aansluiting (foto 9). Foto 9. Verbindingsslang 22M-22F voor masker
Het beademingssysteem (de slang kan met behulp van een verstelbare arm worden opgehangen. Verstel de arm door gebruik te maken van de scharnieren in plaats van te trekken aan de stangen van de arm, dit komt de duurzaamheid van de arm sterk ten goede. Sluit het beademingssysteem zó aan dat er geen spanning staat op de slang die met de tracheacanule c.q. het neusmasker is verbonden. Onderhoud 1. Dagelijks de dikke beademingsslangen los uithangen en, bij gebruik van een bevochtiger, de vochtopvangpot leegmaken en drogen. 2. Wekelijks de onderdelen na de beademingsklep (tussenstukjes, harmonicaslang tot en met masker of tot canule) reinigen in een huishoudelijk sopje (afwasmiddel), naspoelen en goed drogen. De nieuwe beademingsklep heeft verder geen onderhoud nodig. 3. Zo nodig de beademingsslangen bij zichtbare verontreiniging omwisselen voor een schoon systeem. Het verontreinigde systeem wordt huishoudelijk schoongemaakt. 4. Per kwartaal de gehele beademingsslang met klep vervangen behalve de drukconnector met drukslang. 5. Per jaar de drukconnector vervangen. Na ziekenhuisopname Bij thuiskomst na een ziekenhuis opname begint u altijd met een geheel nieuw slangensysteem. Filters Het grijze filter wekelijks controleren op zichtbaar stof, zo nodig filter uitkloppen. Eventueel kan dit filter gewassen worden in lauw water met een beetje afwasmiddel. Daarna goed uitspoelen en laten drogen alvorens het terug te plaatsen. Ook dit wordt door een medewerker van het CTB gedemonstreerd. Het witte filter wordt 2x per jaar tijdens de onderhoudsbeurt vervangen.
Stroomvoorziening De Breas-403 dient op het lichtnet aangesloten te worden via de aansluiting bij 1. Aansluiting 5 dient aangesloten te worden op de accu. De Breas-403 zal automatisch op de accu gaan draaien als de stroom via het lichtnet uitvalt. Indien de Breas op de accu draait en niet op het lichtnet is aangesloten zal een opgeladen accu circa 6 uur stroom leveren. Om de accu op te laden en opgeladen te houden wordt de acculader aangesloten op het lichtnet via het bijgeleverde snoer van de oplader. De accu kan continu op het lichtnet aangesloten blijven. Tijdens het opladen zal een lampje op de oplader branden.
Informatie bevochtiging Inleiding Bij patiënten met een tracheostoma iis de normale ademhalingsweg via neus en mond gepasseerd door het tracheostoma. Normaal wordt de ingeademde lucht door het slijmvlies van neus, mond en keel bevochtigd en wat verwarmd. Indien de in het tracheostoma geplaatste tracheacanule geopend is, is dit niet het geval. Dat wil zeggen dat de natuurlijke functie van mond-neus- en keelholte, bij geopende tracheacanule, niet gebruikt wordt. De ademhaling zal (bij geopende tracheacanule) tijdens spontane ademhaling rechtstreeks via de tracheacanule verlopen. Ook tijdens beademing zal lucht via de tracheacanule ingeblazen worden. Dit betekent dat deze lucht van buitenaf bevochtigd moet worden. Bij patiënten die via een neusmasker beademd worden is extra bevochtiging lang niet altijd nodig. De neus zelf bevochtigt de ingeblazen lucht. Soms schiet dat echter te kort waardoor het neusslijmvlies en de keel droog aanvoelt. Bij neusmasker-beademing biedt een kunstneus dan uitkomst. In geval van Bi-level ademhalingsondersteuning wordt de ingeblazen lucht via een elektrische bevochtiger bevochtigd. Bij patiënten met een tracheostoma en een tracheacanule die afgesloten is tijdens spontane ademhaling is bevochtiging in principe niet nodig. De mogelijkheden tot bevochtiging zijn: 1. Kunstneus 2. Elektrische bevochtiging 3. Druppelen of sprayen met fysiologisch zout. De kunstneus Een kunstneus wordt tijdens beademing in het beademingssysteem geplaatst. Een kunstneus bestaat uit een plastic omhulsel met daarin een opgerolde lange papieren strook. Dit papier heeft de eigenschap vocht vast te houden. De kunstneus maakt gebruik van uitgeademde lucht. In uitgeademde lucht zit waterstof. Deze waterstof wordt door de kunstneus vastgehouden en weer afgestaan als er ingeademd wordt of ingeblazen wordt tijdens beademing. Een kunstneus kan, bij spontane ademhaling via een geopende tracheacanule, ook op de tracheacanule geplaatst worden om hetzelfde effect te bewerkstelligen.
Elektrische bevochtiging Een elektrische bevochtiger wordt in het beademingssysteem geplaatst als een kunstneus niet toereikend is om de door het apparaat ingeblazen lucht voldoende te bevochtigen. Bij een elektrische bevochtiger wordt de ingeblazen lucht over water heen geleid. Dit water kan verwarmd worden. Hoe warmer de temperatuur van het water is des te hoger de vochtigheidsgraad van de ingeblazen lucht. Fysiologisch zout Door fysiologisch zout in de tracheacanule te druppelen wordt ook een (aanvullende) effectieve bevochtiging verkregen. Door op gezette tijden via de tracheacanule 1-2 ml. fysiologisch zout in te druppelen verkrijgt men een goede bevochtiging. De methode is eenvoudig en betrekkelijk goedkoop. Het nadeel van deze vorm van bevochtiging is de arbeidsintensiviteit. Bij aanwezigheid van taai slijm is het effectief om alvorens te gaan uitzuigen eerst te druppelen met fysiologisch zout. Het slijm wordt dan wat verdund en is makkelijker weg te zuigen of op te hoesten. In geval van een droge neus kan men een spray met fysiologisch zout gebruiken.
Protocol gebruik/onderhoud elektrische bevochtiger Inleiding Een elektrische bevochtiger wordt in het beademingssysteem geplaatst als een kunstneus niet toereikend is om de door het apparaat ingeblazen lucht voldoende te bevochtigen. Bij een elektrische bevochtiger wordt de ingeblazen lucht over water heen geleid. Dit water kan verwarmd worden. Hoe warmer de temperatuur van het water is des te hoger wordt de vochtigheidsgraad van de ingeblazen lucht. Op de bevochtiger zit dan ook een draaiknop waarmee de temperatuur geregeld wordt. Dit is een strikt individuele instelling. De schaalmeter van de draaiknop loop van 0 tot 9. Te hoog: teveel vocht in het slangsysteem. Attentie: kinderen kunnen hiermee zelfs opgewarmd worden. Te laag: geen aanwezigheid van vocht in het slangsysteem. Wenselijk is een zekere mate van condens in de korte harmonicaslang. Bokaal De bokaal (6) wordt pas dan vervangen als deze tekenen van slijtage vertoont. Gebruik De elektrische bevochtiger wordt tussen het beademingsslangensysteem geplaats. De korte slang (ca.60 cm) wordt aan de ene kant op het beademingsapparaat aangesloten en aan de andere kant op aansluitpunt (3).
De lange slang (ca. 120 cm) wordt enerzijds op het middelste aansluitpunt (4) en anderzijds op de expiratieklep bij de beademingsapparaten PLV-100 en Breas-403. Bij de PB-335 (bilevel beademingsapparaat)) wordt de slang aangesloten op het masker. De bokaal (6) wordt gevuld met of aqua dest of met water dat minimaal 2 minuten heeft doorgekookt en daarna is afgekoeld tot kamertemperatuur of met niet koolzuurhoudend bronwater. De bevochtiger wordt door middel van schakelaar (1) aan- en uitgezet. Twee controlelampjes (A en B) tonen of de bevochtiger aanstaat (A) en lampje (B) licht op als de bevochtiger verwarmd. Met draaiknop (2) wordt de temperatuur geregeld. Het lampje (B) gaat uit als de thermostaat de gewenste temperatuur bereikt heeft. Dagelijks onderhoud De bokaal (6) omspoelen met heet water. Hiertoe drukt men de vergrendeling (5) naar beneden en schuift men de bokaal naar voren. De bodemplaat van de bokaal (7) kan van de bokaal afgetrokken worden. Na het omspoelen met heet water bokaal drogen en wederom vullen tot maximaal streepje (8) op de bokaal. Een medewerker van het CTB heeft U laten zien hoe de bokaal, ter reiniging, uit het systeem te verwijderen is. Wekelijks onderhoud De bokaal (6) in een huishoudelijk sop reinigen. Ter voorkoming en/of ter verwijdering van kalkaanslag kan de bokaal gereinigd worden met huishoudazijn. In beide gevallen: goed naspoelen met heet water.