Visiedocument Implantaatgedragen gebitsprothesen Versie 4.01 JWV_WPVDS_18-02-2015
INHOUDSOPGAVE Inleiding... 2 De Zorgverlener, hoofdverantwoordelijkheid in de zorgketen... 3 De Zorgverzekeraar... 5 Behandel traject: Implantaatgedragen Prothese... 6 1. Zorgvraag / Klachten-inventarisatie van de patiënt... 6 2. Diagnose en indicatiestelling... 7 2.2. Opstellen volledig Zorgplan... 7 2.3. Prognose behandelresultaat... 7 2.4. Informed Consent... 7 3. Chirurgie... 8 3.4. Leverancier implantaten & Biomaterialen... 8 4. Prothetiek... 9 4.5. Tandtechniek... 9 5. Afbehandeling... 11 6. Nazorg... 12 7. Klacht afhandeling... 12 8. Samenvatting en conclusies... 12 1
INLEIDING Het Zorginstituut Nederland (ZIN) heeft op verzoek van de minister en ter beperking van de kostenstijging c.q. bevordering van gepast gebruik van zorg rond de implantaatgedragen gebitsprothese, een aantal maatregelen voorgesteld waarvoor draagvlak is gevonden in een panel van door het ZIN geraadpleegde deskundigen. De voorgestelde maatregelen zijn weergegeven in het rapport "Implantaatgedragen gebitsprothesen" d.d. 30-6-2014 (hierna te noemen ZIN-rapport). Voor de implementatie, monitoring en evaluatie zijn meerdere partijen uitgenodigd. Partijen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de gemaakte afspraken. Om de uitvoering te bevorderen is een coördinatie groep vastgesteld: ANT, KNMT, NPCF, NVOI, NVMKA,ONT, ZN, CVZ en agendaleden NZa en VWS. Uit het ZIN-rapport komt naar voren dat afspraken gewenst zijn op het gebied van de aanspraak, de transparantie en kwaliteit van de gebruikte materialen, de deskundigheid van de zorgverleners en de verantwoordelijke (hoofd)zorgverlener binnen deze zorgketen. Op basis van maatregel 6.1.1 van het ZIN-rapport heeft de Nederlandse Vereniging voor Orale lmplantologie (NVOI) als wetenschappelijke vereniging primair de vraag gekregen om zorginhoudelijke richtlijnen en gedragsregels te ontwikkelen waarin de zorgketen met betrekking tot de behandeling van een patiënt met een indicatie voor een implantaatgedragen prothese worden omschreven. De NVOI ontwikkelt deze richtlijnen mede met de Nederlandse Vereniging voor Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie (NVMKA). Door zich te committeren aan de richtlijnen en de gedragsregels wordt de kwaliteit van de geleverde zorg bevorderd. Prof. dr. D. Wismeijer en prof. dr.g.j. Meijer is gevraagd te adviseren op het punt van het ontwikkelen van richtlijnen gedragsregels. Kern van hun advies is dat na het bereiken van consensus over het behandelplan, door behandelaars en patiënt een zorgplan dient te worden opgesteld. Dit zorgplan beschrijft stapsgewijs het behandelplan en benoemt de verantwoordelijkheden van de behandelaars. Hierin worden ook de plichten van de patiënt genoemd. Voorts wordt duidelijk vermeld wie van de behandelaars het aanspreekpunt is. Ten overvloede wordt gemeld dat deze concept gedragsregels aanvullend zijn aan de Gedragscode Tandarts, zoals deze is opgesteld door de KNMT. Tevens is de NVOI gevraagd op basis van maatregel 6.1.2. uit het ZIN-rapport een standpunt in te nemen ten aanzien van centralisering van diagnostiek, indicatiestelling en behandeling van implantaatgedragen prothesen in de bovenkaak. Elke indicatie voor een implantaatgedragen gebitsprothese wordt getoetst door een hiertoe geëquipeerde tandarts, niet zijnde de adviserend tandarts van de zorgverzekeraar. De Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT) heeft kennis genomen van de standpunten van de coördinatiegroep partijen. Over veel punten is er overeenstemming. Echter over enkele bestaat verschil van inzicht. Dit is aanleiding voor de ANT om haar verantwoordelijkheid te nemen en een document te produceren waarin de visie van de ANT uiteen wordt gezet. 2
DE ZORGVERLENER, HOOFDVERANTWOORDELIJKHEID IN DE ZORGKETEN Behandeling van patiënten met een indicatie voor een prothetische voorziening op implantaten, kan uitsluitend worden uitgevoerd door daartoe bevoegde en bekwame zorgverleners, die het gehele traject kunnen overzien. De behandelend zorgverlener dient daarnaast op de hoogte te zijn van de meest recente stand der wetenschap en techniek, dit periodiek te updaten en daarnaar te handelen. Een tandarts, zonder de status NVOI-gecertificeerd, kan in principe met name in de onderkaak de behandeling ook uitvoeren. Om de deskundigheid te toetsen kan de zorgverzekeraar daarvoor criteria hanteren. Echter het is aan te bevelen aan de NVOI om voor deze tandartsen toetsingscriteria op te stellen. De tandarts in kwestie moet dan op basis van een portfolio, gevolgde nascholing en de verbondenheid met een mentor aantonen dat hij/zij bekwaam is. Hoe bepaald kan worden wanneer een tandheelkundig zorgverlener deskundig/bekwaam is op dit gebied, is niet eenvoudig objectiveerbaar. Wel kunnen een aantal in Nederland gangbaar zijnde accreditaties, registraties, specialisaties en differentiaties een hulpmiddel zijn in de bepaling van deskundigheid. Hierbij moet echter beseft worden dat deze enerzijds niet bepalend behoeven te zijn en anderzijds niet exclusief. De benodigde deskundigheid voor diagnostiek en indicatiestelling wordt onder andere in de volgende gevallen gewaarborgd: (her-)registratie-eisen voor tandarts/kaakchirurg NVOI-implantoloog (her-)registratie-eisen voor een door de NVOI erkende "Tandarts met Specifieke Vaardigheden op het gebied van de orale Implantologie met de aantekening prothetiek" (NVOI-TSVI-p) (her-)accreditatie-eisen van COBIJT voor een Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde (her-)registratie-eisen van de NVGPT voor een tandarts maxillofaciale prothetiek (tandarts-mfp) (her-)registratie-eisen van tandarts-prosthodontist (NVGPT/RCS) (her-)registratie-eisen van tandarts-prosthodontist (NVVRT/EPA) Hoofdverantwoordelijke zorgverleners kunnen uitsluitend tandartsen en MKA-chirurgen zijn, die voor het gehele behandeltraject (aantoonbaar) bekwaam zijn. Dat wil zeggen, de expertise bezitten voor zowel de prothetiek als de chirurgie. Er dient slechts één zorgverlener hoofdverantwoordelijk te zijn voor het gehele behandeltraject. Bij voorkeur is dit een zorgverlener uit de 1 e -lijns zorg. Hierin ondersteunt de ANT het standpunt van de zorgverzekeraars Nederland (ZN). Een huistandarts zonder bekwaamheid dient te verwijzen naar een 1 e -lijns zorgverlener met aantoonbare bekwaamheid. Een verwijzing naar een 2 e -lijnszorg, een MKA-chirurg kan alleen plaats vinden vanuit een 1 e -lijns zorgverlener die aantoonbaar bekwaam is. Komt het tot een verwijzing naar de 2 e -lijnszorg, een MKA-chirurg, dan moeten er waarborgen zijn over de bekwaamheid van de MKAchirurg om in aanmerking te komen als hoofdverantwoordelijke behandelaar. In een situatie waar de MKA-chirurg samenwerkt met een bekwame tandarts-prosthodontist kan de instelling of de tandarts-prosthodontist de hoofdverantwoordelijkheid op zich nemen. De situatie 3
waarin een tandprotheticus direct verwijst naar een 2 e -lijnszorg MKA-chirurg, wordt door de ANT afgewezen doordat niet wordt voldaan aan het criterium dat er een hoofdverantwoordelijke zorgverlener is die het gehele traject kan overzien. Het uitvoeren van gedeelten van de behandeling in het zorgtraject, door anderen dan de hoofdverantwoordelijke zorgverlener, kan uitsluitend worden uitgevoerd door daartoe bekwame en bevoegde zorgverleners op basis van taakdelegatie en taakherschikking. De eindverantwoordelijkheid blijft bij de hoofdverantwoordelijke zorgverlener. 4
DE ZORGVERZEKERAAR Een bijzondere rol is weggelegd voor de zorgverzekeraar. Voor de zorgverzekeraar gelden ook richtlijnen Een groot deel is nog in ontwikkeling.. Wanneer de hoofdverantwoordelijke zorgverlener gekomen is tot een diagnose, indicatiestelling en prognose behandelresultaat zal deze beoordeeld moeten worden door de zorgverzekeraar op rechtmatigheid, doelmatigheid en kosten. Voor beoordeling recht- & doelmatigheid moet de zorgverzekeraar gebruik maken van medewerkers die aantoonbaar bekwaam zijn om aanvragen voor een implantaatgedragen prothese te kunnen beoordelen. Aangezien de aanvraag gebaseerd is op medische gegevens van een patiënt moet de eindverantwoordelijke een (BIG-geregistreerde) tandarts zijn. Deze adviserend tandarts moet bij voorkeur vermeld worden in de correspondentie en/of machtigingsprocedure. Voor centrale toetsing van de implantaatgedragen gebitsprothese zouden verzekeraars bij voorkeur gebruik moeten maken van NVOI gecertificeerde tandarts-implantologen die door de verzekeraar zijn aangewezen. Deze tandartsen kunnen geen rol spelen in de behandeling van de getoetste patiënt of op een of andere wijze voordeel hebben of verkrijgen door samen te werken met de opsteller van het zorgplan. Bij onduidelijkheid over de aanvraag of een afwijzing moet de zorgverzekeraar primair pro-actief contact zoeken met de aanvrager om haar standpunt uit een te zetten. Het verdient de voorkeur dat de zorgverzekeraar daarvoor een portal inricht zodat snel en efficiënt gecommuniceerd kan worden. Gelet op de belangen van de cliënt/ verzekerde, zal de communicatie gebaseerd moeten zijn op actuele mogelijkheden van de digitale snelweg. Vermeden moet worden dat vertraging optreedt door problemen in de bereikbaarheid van de adviserend tandarts. Lopende dit proces zal de zorgverzekeraar zich onthouden van informatie verstrekking aan de patiënt, ter vermijding dat het beeld bij de patiënt kan ontstaan dat de tandarts mogelijk niet correct is geweest in de aanvraag. De zorgverzekeraar wordt geacht binnen 6 weken tot een beslissing te komen. Duurt de aanvraagprocedure langer dan 6 weken en de zorgverzekeraar heeft nog niet beslist, dan zal een verlenging van dezelfde termijn moeten worden gecommuniceerd anders wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd. De behandelaar kan zijn/haar behandeling starten. De totale beoordeling kan maximaal 3 maanden in beslag nemen. In geval de zorgverlener en zorgverzekeraar in discussie zijn over de aanvraag gaat de periode van 6 weken in, zoals hierboven beschreven, na het laatste contact met de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar kan met de zorgverlener een overeenkomst sluiten waarin de regels met betrekking tot een aanvraag en verstrekking machtiging worden vastgelegd. Tevens moet hier in vastgelegd worden welke behandelingen machtigingsvrij kunnen worden uitgevoerd. Hieronder zouden alle handelingen moeten vallen die bij het onderhoud en/of reparaties vallen, noodzakelijk om de levensduur en het functioneren van de implantaatgedragen prothese te kunnen handhaven. Dit zal zeker leiden tot een vermindering van de administratieve belasting. 5
Veel van bovenbeschreven richtlijnen zijn echter nog niet gerealiseerd. Het is de verantwoordelijkheid van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) om tot uniformiteit te komen van deze richtlijnen die dan moeten gelden, en geïmplementeerd worden door alle zorgverzekeraars in Nederland BEHANDEL TRAJECT: IMPLANTAATGEDRAGEN PROTHESE Op basis van Behandel traject: Implantaatgedragen Prothese wordt aangegeven welke zorgverleners naast de hoofdverantwoordelijke zorgverlener en de zorgverzekeraar nog meer betrokken kunnen zijn bij (gedelegeerde) onderdelen: 1. Implantaatleverancier 2. Tandprothetist 3. Klinisch Prothese Technicus (KPT) 4. Tandtechniek 5. Mondhygiënist(e) 6. Preventie-assistente 7. Huistandarts/verwijzer Het behandeltraject bestrijkt het geheel van onderzoek, diagnostiek, indicatiestelling, therapie van zowel het plaatsten van de implantaten als ook het vervaardigen van de prothetische voorziening (meso- en/of suprastructuur) en 24 maanden van nazorg. De patiënt behandeling kan globaal opgesplitst worden: 1. ZORGVRAAG / KLACHTEN-INVENTARISATIE VAN DE PATIËNT 1.1. Klachten-inventarisatie 1.2. Medische Anamnese 1.3. Tandheelkundige Anamnese 1.4. Anamnese (psycho-)sociaal 1.5. Intra- en extra-orale kenmerken 1.6. Röntgendiagnostiek 6
2. DIAGNOSE EN INDICATIESTELLING 2.1. Opsomming objectiveerbare bevindingen en oorzaken die, samen met een voorgestelde behandeling, de patiënt een verbetering van de kwaliteit van zijn of haar leven kan geven. 2.2. OPSTELLEN VOLLEDIG ZORGPLAN 2.2.1. Het zorgplan wordt opgesteld, gedragen en verdedigd door de zorgverlener, die hoofdverantwoordelijk is voor het gehele behandeltraject. 2.2.2. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener komt in een behandelovereenkomst met de overige zorgverleners overeen wie welk deel van de behandeling uitvoert. Zo wordt vooraf vastgesteld wie waarvoor verantwoordelijk is. Dit laat onverlet dat deze delegatie van taken de hoofdverantwoordelijke zorgverlener niet ontslaat van zijn hoofdverantwoordelijkheid. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener is uiteindelijk degene die er voor dient te zorgen dat in een voorkomend geval elk teamlid zijn verantwoordelijkheid erkent en op zich neemt. 2.2.3. Het behandelplan voorziet in het totale behandeltraject tot en met de uiteindelijk te plaatsen prothetische voorziening. Hierbij behoort ook de noodzaak tot eventuele chirurgische voorbehandeling tot het behandelplan. 2.2.4. Het financiële aspect dient met de patiënt te worden besproken (zoals eigen bijdrage en eigen risico), zo nodig aangevuld met een begroting. 2.2.5. In het zorgplan worden ook de plichten van de patiënt genoemd. 2.3. PROGNOSE BEHANDELRESULTAAT 2.3.1. In het licht van de zorgvraag moet aan de hand van de diagnostiek/indicatie en het voorgestelde behandelplan een prognose gegeven kunnen worden voor wat de patiënt kan en mag verwachten van het uiteindelijke resultaat. 2.3.2. De fysieke belasting van de behandeling behoort ook aan de orde te komen, evenals de duur van de behandeling. 2.3.3. Een goed behandelresultaat kan alleen van lange duur zijn indien mondhygiëne, nazorg en regelmatige controles adequaat worden uitgevoerd. De patiënt dient hiervan op de hoogte te worden gesteld. 2.4. INFORMED CONSENT 2.4.1. Voordat met de behandeling gestart kan worden, zal de patiënt een informed consent krijgen, die vervolgens in het dossier wordt vastgelegd. 2.4.2. Hierin zijn ook de plichten van de patiënt opgenomen. 2.4.3. De patiënt dient minimaal één keer per jaar bij één van de behandelaars voor controle van de implantaten, suprastructuur en/of prothetische voorziening te verschijnen om recht te houden op een eventuele herbehandeling. Bij klachten meldt de patiënt zich bij het in het zorgplan genoemde aanspreekpunt. 7
3. CHIRURGIE 3.1. Wanneer de chirurgische fase wordt uitgevoerd door een andere zorgverlener dan de hoofdverantwoordelijke zorgverlener, zal voorafgaand aan de chirurgie correspondentie plaatsvinden tussen beide zorgverleners met betrekking tot het behandelplan. Hierbij zullen de te gebruiken implantaten en/of noodzakelijke botherstel procedures,, locatie van de implantaten en de te vervaardigen meso- en suprastructuur worden besproken. Ook deze(overleg)fase wordt in het zorgplan gedocumenteerd en vastgelegd. 3.2. Een eventuele noodzakelijke pre-implantologische kaakreconstructie, uitgevoerd door een behandelaar die niet de implantaten plaatst, behoort niet tot de verantwoordelijkheid van de eerder bedoelde, voor het gehele behandeltraject verantwoordelijke, zorgverlener. Laatstgenoemde is wel verantwoordelijk voor de coördinatie (verwijzing, registratie van de rapportage etc.). 3.3. Primair ligt de verantwoordelijkheid voor bovengenoemde keuze bij de hoofdverantwoordelijk zorgverlener. 3.4. LEVERANCIER IMPLANTATEN & BIOMATERIALEN Implantaten ten behoeve van een bot verankerde tandheelkundige voorziening bestaan uit 2 componenten: 1. het enossale deel van het implantaat, ge-osseointegreerd in het bot en 2. het transmucosale deel De supraconstructie wordt bevestigd op het transmucosale deel. Bij 1-fase implantaten maken beide componenten onderdeel uit van het implantaat. Bij 2-fase implantaten zijn beide componenten van elkaar gescheiden. Het transmucosale deel ( abutment ) wordt in 2 e instantie, direct na plaatsen enossale deel (implantaat) of na enige tijd. aangebracht op het implantaat. Deze verbinding staat bekend als abutment-connectie. 3.4.1. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener is tevens verantwoordelijk voor de keuze van het implantaatsysteem. 3.4.2. De zorgverlener gebruikt de implantaatmaterialen zoals de implantaatleverancier heeft voorgeschreven conform de gebruiksaanwijzing en de geldende richtlijnen 3.4.3. Uitsluitend implantaten, (bio)materialen en technieken die op wetenschappelijk niveau zijn beoordeeld en goed bevonden, mogen worden aangewend of verwerkt. Dit kunnen ook generieke producten zijn die gelijk zijn aan reeds succesvol gebleken materialen of technieken. 3.4.4. Er dienen waarborgen te zijn ten aanzien van de continuïteit van de levering van onderdelen behorend bij het implantaatsysteem. 3.4.5. De implantaatleverancier moet deze continuïteit kunnen garanderen. Er is sprake van een duidelijk garantiepakket. 3.4.6. Met in achtneming van bovengenoemde criteria is er geen ruimte om voor een implantaatsysteem te kiezen dat nieuw is in de markt. Bij voorkeur moet het implantaatsysteem meer dan 5 jaar in de markt zijn. 3.4.7. De overdracht tussen zorgverleners en tandtechnische laboratoria kan vergemakkelijkt worden als het aantal ondersteunde prothetische verbindingen wordt vastgelegd en beperkt wordt tot enkele tientallen 8
3.4.8. De Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) bevat positieve punten. De gedragsregel lijkt geschreven te zijn met het ziekenhuis en de specialist in het achterhoofd. De ANT heeft enkele vragen gesteld die specifiek betrekking hebben op de mondzorg voordat de gehele gedragscode door onze organisatie onderschreven kan worden. 3.4.9. Indien de zorgverlener kiest voor een individueel vervaardigd abutment (CAD-CAM), niet zijnde een origineel abutment behorend bij het implantaatsysteem, dan wel mesostructuur (CAD-CAM) direct aangebracht op het enossale deel (bonelevel) van het implantaat, niet zijnde een 1-fase implantaat, dan wordt dit sterk afgeraden. 4. PROTHETIEK 4.1. De suprastructuur kan vervaardigd worden door: 4.1.1. Hoofdverantwoordelijke zorgverlener. 4.1.2. In geval van een 2 e -lijns verwijzing de Tandarts-prosthodontist, deel uit makend van het team van de MKA-Chirurg. 4.1.3. De eigen (verwijzend tandarts). 4.1.4. Tandprotheticus, Klinisch Tand Protheticus (KPT), middels taakherschikking en delegatie. 4.2. Wanneer de eigen tandarts de suprastructuur vervaardigt, is in de behandelplanfase goed overleg noodzakelijk met de implanterend tandarts of het team MKA-chirurg/Tandartsprosthodontist, zodat elke zorgverlener betrokken bij de behandeling zijn onderdeel conform behandelplan en afspraak uit kan voeren. 4.3. Ook deze (overleg)fase wordt in het behandelplan gedocumenteerd en vastgelegd. 4.4. Tandprotheticus of Klinisch Prothese Technicus ( KPT): 4.4.1. Tandprotheticus: De prothetische voorziening (de suprastructuur) kan op verwijzing van de hoofdverantwoordelijke zorgverlener op basis van taakherschikking zelfstandig vervaardigd worden door een tandprotheticus. 4.4.2. KPT: Indien gekozen wordt voor taakdelegatie van een belangrijk onderdeel van het behandeltraject, dan zal de hoofdverantwoordelijke zorgverlener in de instelling aanwezig moeten zijn indien submucosaal wordt gewerkt. Daarnaast zal de samenwerking en de dossiervorming nauwkeurig moeten worden vastgelegd en door de hoofdverantwoordelijke zorgverlener zal de uiteindelijke prothetische voorziening moeten worden gecontroleerd en daaraan nazorg worden verleend. 4.5. TANDTECHNIEK De hoofdverantwoordelijke zorgverlener is verantwoordelijk voor de levering van kwalitatief hoogstaand techniekwerk. 4.5.1. De zorgverlener ziet er op toe dat originele onderdelen, behorend bij het implantaatsysteem worden gebruikt. 4.5.2. Indien de zorgverlener kiest voor een individueel vervaardigd abutment (CAD-CAM), niet zijnde een origineel abutment behorend bij het implantaatsysteem, dan wel mesostructuur (CAD-CAM) direct aangebracht op het enossale deel van het implantaat, 9
niet zijnde een 1-fase implantaat, ligt de eindverantwoordelijkheid bij de hoofdverantwoordelijke zorgverlener 4.5.3. Indien een implantaatleverancier samenwerkt met een producent van gefreesde CAD- CAM meso-/suprastructuren, moeten deze 2 partijen garant staan voor de geleverde kwaliteit. Echter de eindverantwoordelijkheid ligt bij de hoofdverantwoordelijke zorgverlener 4.5.4. De garantiebepaling in bovengenoemde situaties moeten gedocumenteerd zijn en ingebracht in het patiënten dossier en de implantaatpas, welke aan de patient wordt meegegeven. 10
5. AFBEHANDELING 5.1. Vastlegging behandelresultaat in patiëntendossier. 5.1.1. Komt eindresultaat overeen met Zorgplan en Prognose? 5.1.2. Alle relevante informatie is vastgelegd in een adequaat dossier 5.1.2.1. Verbruikte implantaatmaterialen met Lot-nummers 5.1.2.2. Verbruikte tandtechniekmaterialen met Lot-nummers 5.1.3. Implantaatpas voor patiënt, 5.1.3.1. Uitgereikt aan patiënt 5.1.3.2. Digitaal, waarvan kopie in patiëntendossier 5.1.3.3. Optie: digitale kopie verstrekken aan zorgverzekeraar 5.2. Patiënt tevredenheidsmeting 5.2.1. NB ten tijde van het opstellen van dit visiedocument loopt er sinds 2014 een Miletusproject om te komen tot een tevredenheidsonderzoek bij afbehandelde patiënten met een implantaatgedragen prothese. Dit gebeurt op basis van een PROM ( Patient Related Outcome Measurement). Het strekt tot aanbeveling dit te implementeren zodra het project is afgerond. 5.3. Hierna dienen zowel patiënt als hoofdverantwoordelijke zorgverlener te bevestigen of het beoogde resultaat behaald is. Het is van belang dat dit schriftelijk wordt vastgelegd 11
6. NAZORG 6.1. Na plaatsing van de suprastructuur met de daar bijbehorende schriftelijke instructie, volgt de fase van nazorg. 6.2. Implantaten, supra/meso-structuur en/of prothetische voorziening dienen minimaal één keer per jaar door één van de behandelaars te worden gecontroleerd. 6.3. De nazorg moet gedurende tenminste 24 maanden geborgd te zijn. 6.4. Ten aanzien van de te voeren nazorg dient duidelijk te zijn onder welk lid van het behandelteam de verantwoordelijkheid hiervoor valt. 6.4.1. Mondhygiëniste en/of gedelegeerd aan preventie-assistente praktijk hoofdverantwoordelijke zorgverlener 6.4.2. Huistandarts, veelal de verwijzer 6.4.3. Mondhygiëniste en/of gedelegeerd aan preventie-assistente praktijk hoofdverantwoordelijke zorgverlener 6.5. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener is uiteindelijk degene die er voor dient te zorgen dat in een voorkomend geval elk teamlid zijn verantwoordelijkheid erkent en op zich neemt. 7. KLACHT AFHANDELING 7.1. Patiënten, die zich melden met een klacht met betrekking tot een recent uitgevoerde behandeling door een andere zorgverlener, zullen in eerste instantie terugverwezen moeten worden naar deze zorgverlener om de klacht te verhelpen. 7.2. In geval in bovengeschetste situatie er geen overeenstemming wordt bereikt en het probleem blijft bestaan moet de patiënt in overleg met de zorgverzekeraar verwezen worden naar een andere 1e-lijns zorgverlener met aantoonbare kwaliteit. 7.3. De kosten voor diagnostiek en beoordeling klacht komen voor rekening van de zorgverzekeraar. 8. SAMENVATTING EN CONCLUSIES Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijke conclusies van het ANT visie document De zorgverlener, hoofdverantwoordelijkheid in de zorgketen Hoofdverantwoordelijke zorgverleners kunnen uitsluitend tandartsen en MKAchirurgen zijn, die voor het gehele behandeltraject aantoonbaar bekwaam zijn. Expertise is daarbij noodzakelijk voor zowel de prothetiek als de chirurgie. Bij voorkeur is dit een zorgverlener uit de 1 e -lijnszorg De behandelend zorgverlener dient op de hoogte te zijn van de meest recente stand der wetenschap en techniek, dit periodiek te updaten en daarnaar te handelen. Een tandarts, zonder de status NVOI-gecertificeerd, kan in de onderkaak de behandeling ook uitvoeren na aantonen en borgen van voldoende expertise aan de zorgverzekeraar. Een huistandarts zonder bekwaamheid dient te verwijzen naar een 1 e -lijns zorgverlener met aantoonbare bekwaamheid. 12
Een verwijzing naar een 2 e -lijnszorg, een MKA-chirurg kan alleen plaats vinden vanuit een 1 e -lijns zorgverlener die aantoonbaar bekwaam is. Komt het tot een verwijzing naar de 2 e -lijnszorg, een MKA-chirurg, dan moeten er waarborgen zijn over de bekwaamheid van de MKA-chirurg om in aanmerking te komen als hoofdverantwoordelijke behandelaar. In de situatie waar de MKA-chirurg samenwerkt met een bekwame tandartsprosthodontist kan de instelling of de tandarts-prosthodontist de hoofdverantwoordelijkheid op zich nemen De situatie waarin een tandprotheticus direct verwijst naar een 2 e -lijnszorg MKAchirurg, wordt door de ANT afgewezen doordat niet wordt voldaan aan het criterium dat er een hoofdverantwoordelijke zorgverlener is die het gehele traject kan overzien. Het uitvoeren van gedeelten van de behandeling in het zorgtraject, door anderen dan de hoofdverantwoordelijke zorgverlener, kan uitsluitend worden uitgevoerd door daartoe bekwame en bevoegde zorgverleners op basis van taakdelegatie en taakherschikking. De eindverantwoordelijkheid blijft bij de hoofdverantwoordelijke zorgverlener. Zorgverzekeraar Wanneer de hoofdverantwoordelijke zorgverlener gekomen is tot een diagnose, indicatiestelling en prognose behandelresultaat zal deze beoordeeld moeten worden door de zorgverzekeraar op rechtmatigheid, doelmatigheid en kosten. Voor beoordeling recht- & doelmatigheid moet de zorgverzekeraar gebruik maken van medewerkers die aantoonbaar bekwaam zijn om aanvragen voor een implantaatgedragen prothese te kunnen beoordelen Voor centrale toetsing van de implantaatgedragen gebitsprothese zouden verzekeraars bij voorkeur gebruik moeten maken van NVOI gecertificeerde tandartsimplantologen die door de verzekeraar zijn aangewezen. Deze tandartsen kunnen geen rol spelen in de behandeling van de getoetste patiënt of op een of andere wijze voordeel hebben of verkrijgen door samen te werken met de opsteller van het zorgplan. De zorgverzekeraar wordt geacht binnen 6 tot maximaal 12 weken tot een beslissing te komen. Diagnose, indicatiestelling en zorgplan Het behandeltraject bestrijkt het geheel van onderzoek, diagnostiek, indicatiestelling, therapie van zowel het plaatsten van de implantaten als ook het vervaardigen van de prothetische voorziening (meso- en/of suprastructuur) en 24 maanden van nazorg. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener komt in een behandelovereenkomst met de overige zorgverleners overeen wie welk deel van de behandeling uitvoert. Zo wordt vooraf vastgesteld wie waarvoor verantwoordelijk is. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener blijft verantwoordelijk voor de gedelegeerde taken. Bij klachten is er voor de patiënt één aanspreekpunt dat wordt vermeld in het zorgplan. Gebruikte materialen De hoofdverantwoordelijke zorgverlener is verantwoordelijk voor de keuze van het implantaatsysteem. 13
Er dienen waarborgen te zijn ten aanzien van de continuïteit van de levering van onderdelen behorend bij het implantaatsysteem. De hoofdverantwoordelijke zorgverlener ziet er op toe dat originele onderdelen, behorend bij het implantaatsysteem worden gebruikt. Individueel vervaardigd abutments (niet origineel) dan wel mesostructuren rechtstreeks aangebracht op het enossale deel (bonelevel) van het implantaat, worden sterk afgeraden. In het geval van 1-fase (tissuelevel) implantaten is dit mogelijk indien originele schroeven worden gebruikt. Prothetiek De prothetische voorziening (de suprastructuur) kan op verwijzing van de hoofdverantwoordelijke zorgverlener op basis van taakherschikking zelfstandig vervaardigd worden door een tandprotheticus. Indien gekozen wordt voor taakdelegatie van een belangrijk onderdeel van het behandeltraject, dan zal de hoofdverantwoordelijke zorgverlener in de instelling aanwezig moeten zijn indien door de KPT er submucosaal wordt gewerkt. Daarnaast zal de samenwerking en de dossiervorming nauwkeurig moeten worden vastgelegd en door de hoofdverantwoordelijke zorgverlener zal de uiteindelijke prothetische voorziening moeten worden gecontroleerd en daaraan ook de nazorg worden verleend. Afbehandeling Bij afbehandeling wordt alle relevante informatie vastgelegd in een adequaat dossier en gecontroleerd of het eindresultaat overeenkomst met het zorgplan en de prognose. Het is aan te bevelen om Patient Related Outcome Measurement (PROM) te implementeren. Nazorg Implantaten, supra/meso-structuur en/of prothetische voorziening dienen minimaal één keer per jaar door één van de behandelaars te worden gecontroleerd. De nazorg moet gedurende tenminste 24 maanden geborgd te zijn. De patiënt dient minimaal één keer per jaar bij één van de behandelaars voor controle van de implantaten, suprastructuur en/of prothetische voorziening te verschijnen om recht te houden op een eventuele herbehandeling. Klachtafhandeling Patiënten, die zich melden met een klacht met betrekking tot een recent uitgevoerde behandeling door een andere zorgverlener, zullen in eerste instantie terugverwezen moeten worden naar deze zorgverlener om de klacht te verhelpen. 14