STARTEN MET BESPIEGELING- KUNSTEN IN SAMENHANG Schooljaar 2016-2017
Starten met Bespiegeling- Kunsten in samenhang Deze informatie is bedoeld voor docenten die aankomend schooljaar gaan starten met de nieuwe editie Bespiegeling- Kunsten in samenhang. De Bespiegeling herzien De Bespiegeling is herzien. Natuurlijk is al het goede van deze methode behouden gebleven en herkenbaar in Bespiegeling- Kunsten in samenhang. Tegelijkertijd is deze waardige opvolger op een flink aantal punten aangepast. Een aantal daarvan ziet u hieronder terug. De voordelen van de nieuwe editie De nieuwe editie is 100% examen-proof. Er is één tekstboek havo/vwo en twee opdrachtenboeken: één voor havo en één voor vwo. Het tekstboek en het opdrachtenboek sluiten op elkaar aan; verdwalen is onmogelijk. Het tekstboek is een overzichtelijk en gedegen leerboek waarin de verbanden gelegd worden tussen de verschillende kunstdisciplines. De heldere en teksten in het tekstboek zijn leesbaar en leerbaar. De opdrachten hebben een vaste volgorde: van reproductie, via toepassing naar inzicht. Er is veel aandacht voor kunst na 2000. Daarmee is de nieuwe editie sterk geactualiseerd. In de digitale component zijn korte uitlegvideo s en drills beschikbaar waarin je vanuit de invalhoeken naar een examenonderwerpen leert kijken, de kunstanalyse-begrippen oefent en de verschillende stijlen en stromingen uitgelegd krijgt. Naast de examentraining in de methode, komen er proefwerken die aansluiten op de examenonderwerpen en RTTI-gecertificeerd zijn. Proefkaternen De inmiddels verschenen proefkaternen geven een goede indruk van de methode. Via de website van uitgeverij Staal & Roeland kunt u de katernen bestellen. U kunt zich daar ook gratis abonneren op de nieuwsbrief. Door uw lidmaatschap blijft u op de hoogte van al het nieuws rondom Kunst Algemeen en Bespiegeling-Kunsten in samenhang. Overstappen op de nieuwe editie Bent u van plan om aanstaand schooljaar met de nieuwe editie aan de slag te gaan? Dan zijn wij u zeer erkentelijk als u ons dat even laat weten, zodat we ons oplagebeleid kunnen verfijnen. 2
Kunst nieuwe stijl Kunst nieuwe stijl betekent doorgaans dat een leerling één kunstdiscipline heeft gekozen (bv dans, muziek, beeldend of drama) en daarbij een theoretisch deel (Kunst Algemeen) volgt. Studielasturen Sinds 2007 kent kunst een CE (= kunst algemeen) en een SE (= kunst beeldende vormgeving, muziek, drama of dans). De studielast op het vwo is 480 slu (200 voor kunst algemeen en 280 voor de kunstdiscipline). Op de havo is de studielast 360 (120 voor kunst algemeen en 240 voor de kunstdiscipline). Schoolexamen Het vakdiscipline-deel wordt afgesloten met een schoolexamen. Het schoolexamen bestaat uit een examendossier met de volgende onderdelen: a) toetsen met gesloten en/of open vragen; b) praktische opdrachten. De vorm kan zijn een werkstuk of een presentatie; een dossier met verslagen van bezochte concerten, beluisterde muziekwerken, bestudeerde literatuur, enzovoort. De beoordeling vindt plaats aan de hand van rubrics. Centraal examen Het theoretische deel wordt afgesloten met een centraal examen. Dit examen wordt digitaal afgenomen. De methode Bespiegeling- Kunsten in samenhang is een uitwerking van het theoretische deel en leidt op naar het centraal examen. Verschil havo en vwo Het belangrijkste verschil tussen vwo en havo zit in het aantal studielasturen, de hoeveelheid examenstof en het niveau van complexiteit en abstractie. Dit staat het best uitgelegd in eindterm 1 Kunst (algemeen) en eindterm 4 Kunst (beeldend). In eindterm 1 kan de kandidaat zowel op havo als vwo termen en begrippen hanteren, informatie herkennen, benoemen en toepassen en bij het reflecteren bronnenmateriaal hanteren. De vwoleerling moet bovendien overeenkomsten en verschillen kunnen noemen en beargumenteren tussen de kunstdisciplines beeldend, dans, drama en muziek met betrekking tot het beschouwingapparaat. Domein B: Praktijk, eindterm 4: De havo-kandidaat kan gestructureerde probleemstellingen onderzoeken en de daaruit ontwikkelde ideeën in een beeldende verwerking uitvoeren. De vwokandidaat heeft te maken met meer open probleemstellingen. Dit verschil heeft betrekking op het abstractievermogen en niet op kwaliteiten van de uiteindelijke beeldende verwerking. 3
Schoolexamen - samenvatting* Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Beeldend Dans Drama Muziek A1: A1: Beeldend werk van Dans en A1: Drama en kunstenaars en maatschappij maatschappij vormgevers en weten A2: Beeldend werk van kunstenaars en vormgevers in relatie tot het eigen beeldend werk van de kandidaat A3: Eigen beeldend werk 4. De kandidaat kan probleemstellingen met betrekking tot zowel autonome als toegepaste beeldende kunst en vormgeving onderzoeken en de daaruit ontwikkelde ideeën in een beeldende verwerking uitvoeren, daarbij beeldende middelen aanwenden in een doelgericht werkproces en het werk zo presenteren dat de beschouwer inzicht krijgt in het werkproces. A2: Historische ontwikkeling A3: Analyseren B1: Dansen B2: Vormgeven B3: Presenteren A2: Geschiedenis A3: Betekenis A4: Beschouwen B1: Spelen B2: Vormgeven B3: Presenteren A1: Waarnemen A2: Analyseren en interpreteren A3: Muziek en cultuur B1: Zingen en spelen B2: Improviseren en componeren Domein C Oriëntatie op studie en beroep Andere vakonderdelen *Voor een verdere uitleg van deze onderdelen verwijzen wij u naar het examenprogramma en de handreiking Kunst van de SLO. We gaan verder niet in op Domein C Oriëntatie op studie en beroep en de Andere vakonderdelen. 4
Centraal examen- samenvatting Domein A Vaardigheid (receptie & reflectie) Kennis (begrip verbanden kunst & cultuur) Domein B Invalshoeken Domein C Tweejaarlijks wisselende onderwerpen Eindtermen en subdomeinen 1. De kandidaat kan: de belangrijkste termen en begrippen hanteren uit de kunstdisciplines beeldende vormgeving, dans, drama en muziek die voorwaardelijk zijn voor adequate receptie en reflectie, en noodzakelijk voor begrip van verbanden tussen kunst en cultuur; informatie over kunst en cultuur herkennen, benoemen en toepassen om verbanden aan te geven; bij het reflecteren bronnenmateriaal op een adequate wijze hanteren; overeenkomsten en verschillen noemen en beargumenteren met betrekking tot het beschouwingsapparaat bij de vier kunstdisciplines (alleen vwo). B1: Kunst en religie, levensbeschouwing 2. De kandidaat kan aangeven met welke visies, doelen, middelen en inhouden de kunsten religieuze en/of levensbeschouwelijke uitgangspunten vertolken. B2: Kunst en esthetica 3. De kandidaat kan aangeven welke ideeën over schoonheid in kunst en kunstwaardering een rol spelen. B3: Kunstenaar en opdrachtgever; politieke en economische macht 4. De kandidaat kan aangeven welke invloed opdrachtgevers en politieke ideeën hebben op de rol en de inhoud van kunst en op de positie van de kunstenaar. B4: Kunst en vermaak 5. De kandidaat kan aangeven hoe vorm en inhoud bepaald worden door de vermaaksfuncties van kunst in relatie tot het daarbij betrokken publiek. B5: Kunst, wetenschap en techniek 6. De kandidaat kan aangeven hoe kunst en wetenschap/techniek op elkaar inwerken. B6: Kunst intercultureel 7. De kandidaat kan aangeven hoe Westerse en niet-westerse kunst en cultuur elkaar wederzijds beïnvloeden. 8. De kandidaat kan de eindtermen van domein A en B toepassen op voorbeelden uit de volgende onderwerpen:* de cultuur van de kerk in de elfde tot en met veertiende eeuw; de hofcultuur in de zestiende en zeventiende eeuw; de burgerlijke cultuur van Nederland in de zeventiende eeuw; de cultuur van Romantiek en realisme in de negentiende eeuw; de cultuur van het moderne in de eerste helft van de twintigste eeuw; de massacultuur vanaf 1950. *De onderwerpen Cultuur van het moderne en Massacultuur zijn voor vwo en havo vaste CE onderwerpen. De overige onderwerpen wisselen tweejaarlijks. Voor vwo zijn het er elk jaar twee en voor havo één. 5
Eindcijfer Het eindcijfer bestaan uit een aantal cijfers voor het vakspecifieke deel (zowel Praktijk als Theorie) en het theoretische deel. Deze cijfers komen samen in een cijfer voor het schoolexamen. Daarbij doen leerlingen centraal examen in Kunst Algemeen, het theoretische deel. Beide cijfers vormen voor 50% het eindcijfer voor Kunst algemeen op het diploma. Praktijk en theorie Het vakspecifieke deel (beeldend, dans, drama of muziek) bestaat voor een groot deel uit praktijklessen en een klein deel verdiepende theorie. Leerlingen zijn veelal gemotiveerd voor de praktijk van de door hen gekozen discipline. Het theoretische deel krijgen ze erbij cadeau. Er is daarom iets voor te zeggen om in het pta en de weging van het SE-cijfer meer nadruk te leggen op de Praktijk. Immers, naast de vakspecifieke theorie is er ook nog het theoretische deel in het CE. Een andere kwestie die hieruit voortvloeit, is de vraag wanneer te starten met het theoretische centraal examen deel? Veel scholen kiezen ervoor om in havo-4 en vwo-4 te starten met enkel Praktijk, inclusief de kunstanalyse begrippen. En op moment dat scholen starten met het theoretische deel, kiezen ze er veelal voor te starten met Massacultuur, omdat dit onderwerp de motivatie van leerlingen positiever prikkelt dan bijvoorbeeld het onderwerp de cultuur van de kerk. Lucht in het curriculum Het programma wordt als erg vol ervaren. Het is veel(zijdig) en complexe leerstof die in korte tijd behandeld dient te worden. Voor docenten die starten met Kunst algemeen nieuwe stijl is het in het begin puzzelen op een passend pta. Enige lucht kan verkregen worden door als collega s samenwerking te zoeken en de theorie in het vakspecifieke deel af te stemmen op het theoretische centraal examen deel. Vergeet niet om elkaar expertise optimaal te benutten en zoek daarom naar overlap en ontwikkel een efficiënte stofverdeling. Durf keuzes te maken! Uitgangspunten voor een pta 1. Hoeveel uren heeft u per jaar tot uw beschikking? 2. Welke nadruk wilt u leggen op theorie en praktijk? Hoe gaat u die vertalen in de weging van toetsen en praktijkonderdelen? 3. Wanneer wilt u met welk onderdeel (Praktijk & Theorie) beginnen? 4. Wat is uw visie op didactiek en kunst? Wilt u chronologisch werken, dus de leerstof van vroeger naar nu uitleggen? Of wilt u bij het onderwerp massacultuur beginnen? 5. Kunt u voor een efficiënte verdeling van de leerstof gebruik maken van de expertise van collega s? En op welke manier denkt u lucht te kunnen inbouwen door overlap te zoeken in het vakspecifieke theoretische deel en het theoretische algemene deel? 6. Hoeveel tijd wilt u uittrekken voor herhaling van leerstof aan het eind van havo 5 en vwo 6? Antwoorden op bovenstaande vragen zijn wezenlijk om een pta te ontwikkelen waar u tevreden over zult zijn. U kunt ook inspiratie opdoen door te kijken naar onze voorbeeldpta s. Meer weten? Kom ook naar onze docentendag in het najaar van 2016. U bent dan gestart met de methode en dat is een goed moment om onderling ervaringen uit te wisselen. Via de website kunt u zich abonneren op de nieuwsbrief, zodat u goed op de hoogte blijft van de laatste ontwikkelingen. Veel succes! 6