gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand;



Vergelijkbare documenten
Afstemmingsverordening WWB

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 november 2008, voorstelnummer 180;

vast te stellen: de volgende Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012-A gemeente Heerde.

MAATREGELENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2010

Verordening maatregelen Wet Werk en Bijstand 2005

Maatregelenverordening WWB Dantumadiel 2009 e.v (*)

MAATREGELENVERORDENING IOAW EN IOAZ 2010

Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2004

Maatregelenverordening Wet werk en bijstand.

RAADSBESLUIT. Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Asten februari

Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 maart 2013;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 oktober, nr. ;

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren

Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Gennep 2013

Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Renkum 2012

gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren;

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 augustus 2013;

Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deurne houdende regels omtrent afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Deurne 2018

Officiële uitgave van de gemeente Bergeijk Nummer 9 22 december 2014

besluit: vast te stellen de Maatregelenverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2015 gemeente Heerde.

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand;

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 10 april 2012;

Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Schouwen- Duiveland 2015

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

Verordening afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ BMWE 2016

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Nijkerk

Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004

DE RAAD DER GEMEENTE DEURNE BESLUIT

Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Aa en Hunze

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2014; HANDHAVINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ 2015

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1:Algemene bepalingen.

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 21 januari 2010, bijlagenr. 696; BESLUIT

131 Raadsvoorstel Reg. nr : Ag. nr : 14 Datum :

Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017 gemeente Oud-Beijerland. Artikel 2. Verplichtingen van de persoon uit de doelgroep

Handhavingsverordening WWB

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand;

Afstemmingverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 mei 2005;

DE RAAD VAN DE GEMEENTE GRAVE;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 26 augustus 2010;

gelet op de Wet werk en bijstand, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;

Afstemmingsverordening gemeente Arnhem 2015

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Maatregelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Doesburg 2015.

Registratienr.: 1804/620 Handhavingverordening WWB, IOAW/Z 2012

BBM gemeente Steenbergen

HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN OVER RE-INTEGRATIE

Gemeenteraad 29 mei 2012 Gemeenteblad

: Voorstel tot vaststelling van de Handhavingsverordening Participatiewet,

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017

REÏNTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND RIJSWIJK 2005

Reïntegratieverordening. werk en bijstand

Gemeenteblad Officiële uitgave van de gemeente Huizen Week: 51 Datum: nr. 31

vast te stellen: de Verordening handhaving Wet werk en bijstand. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente

Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Lemsterland. gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Handhavingsverordening Wwb en WIJ gemeente Borger-Odoorn. gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 december 2009

Scan nummer 1 van 1 - Scanpagina 1 van 2

Zaaknummer. Documentnummer

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand;

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Werk en Inkomen Nieuwegein 2018

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 december 2014, nr. 12A;

RE-INTEGRATIEVERORDENING WWB, IOAW EN IOAZ 2012

Maatregelenverordening WWB, Bbz, Ioaw, Ioaz 2013

Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ Het Hogeland 2019

Gemeente Nissewaard - Verordening handhaving, maatregelen en boeten Nissewaard 2016

MAATREGELENVERORDENING inkomensvoorzieningen Lelystad 2012

gezien het advies van het Platform Werk en Inkomen d.d. 14 november 2012;

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand;

RAADSBESLUIT. gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d ;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d ;

: Voorstel tot het vaststellen van de Handhavingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013

Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Nijkerk

Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2004 gemeente Tholen

Handhavingsverordening WerkSaam Westfriesland 2015

B&W 21 december 2010 Gemeenteblad GEWIJZIGDE INVULLING VAN RICHTLIJN NR B044 OVERZICHT HOOGTE VERLAGINGEN

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren d.d.

c. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Handhavingsverordening WWB

RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET 2015

Raad: 2 mei 2012 Agendapunt: II-6

: 23 augustus 2011 : 5 september : J.L.M. Vlaar : E.M. de Rijke

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg BESLUIT

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand;

AFSTEMMINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2012

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 22 november 2011,

Gezien het voorstel inzake Gewijzigde WWB-verordeningen na aanscherping WWB (Gem. blad Afd. A 2012, no. );

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders nr ;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 mei 2013;

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Handhavingsverordening Wet Werk en bijstand en Wet investeren in jongeren Handhavingsverordening WWB en WIJ

GEMEENTEBLAD 2010 nr.28

RAADSVOORSTEL. Onderwerp. : StadThuis

Transcriptie:

Nr: 06-63l De raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nr. 06-63; gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 8a van de Wet werk en bijstand; Overwegende dat de gemeenteraad bij verordening: a. op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel a en artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wet werk en bijstand verplicht is om regels te stellen voor de ondersteuning in de arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen daarvoor (reïntegratie); b. op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel b en artikel 18 van de Wet werk en bijstand verplicht is om regels te stellen voor de afstemming van de bijstand indien een bijstandsgerechtigde naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de Wet werk en bijstand en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen (afstemming); c. op grond van artikel 30, lid 1 van de Wet werk en bijstand dient vast te stellen voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald (toeslagen en verlagingen); d. op grond van het bepaalde in artikel 8a van de Wet werk en bijstand verplicht is om regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (handhaving). vast te stellen de volgende verordening: verordening Wet werk en bijstand: B E S L U I T : HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Deze verordening verstaat onder: a. wet: de Wet werk en bijstand; b. college: het college van burgemeester en wethouders van Barneveld; c. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; d. uitkeringsgerechtigde: degene die algemene bijstand ontvangt op grond van de wet; e. bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en/of bijzondere bijstand f. bijstandsuitkering: de norm als bedoeld in paragraaf 3.2 van de wet, verhoogd of verlaagd conform Hoofdstuk 4 Toeslagen en verlagingen. HOOFDSTUK 2 REÏNTEGRATIE PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN OVER REÏNTEGRATIE Artikel 2 Begripsomschrijvingen reïntegratie 1. Onder uitkeringsgerechtigde wordt in dit hoofdstuk mede verstaan degene die een uitkering ontvangt op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

2 arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) of het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004); 2. In dit hoofdstuk wordt verder verstaan onder: a. niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon bedoeld in artikel 6 onder a van de wet; b. algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van betaalde arbeid, niet zijnde werk in de WSW en werk dat gewetensbezwaren oproept dan wel in strijd met de zeden dan wel illegaal is; c. voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel; 7 eerste lid onder a van de wet; d. ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de wet; e. traject: een aaneenschakeling van reïntegratie-instrumenten; f. reïntegratieïnstrumenten: de instrumenten die het college ter beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de wet; g. arbeidsinschakeling: arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 6 onder b van de wet; Artikel 3 Opdracht aan het college en doelgroep 1. Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden, aan personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering, niet-uitkeringsgerechtigden alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. 2. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. 3. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. Artikel 4 Vorm van de ondersteuning 1. Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject, waarbij zonodig reïntegratieinstrumenten kunnen worden ingezet. 2. Bij de inzet van reïntegratie-instrumenten wordt gekozen voor dat instrument dat beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd wordt. 3. Reïntegratie-instrumenten die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Artikel 5 Verplichtingen van de belanghebbende 1. Een belanghebbende die door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. 2. De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 3. De belanghebbende uit de doelgroep is verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. De individuele omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende worden afgewogen bij deze verplichting alsmede de situatie van de lokale arbeidsmarkt. Artikel 6 Afstemming van de uitkering 1. Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in artikel 4, kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in hoofdstuk 3 van deze verordening of het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw of Ioaz. 2. Indien de belanghebbende, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in artikel 4, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

3 Artikel 7 Beleidsplan 1. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vast, waarin wordt aangegeven: - een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen; - een omschrijving van het inkoopbeleid; - het beschikbare budget en een verdeling van de beschikbare middelen over de voorzieningen. 2. In het jaar volgend op de looptijd van het beleidsplan doet het college aan de raad verslag van de resultaten. 3. Het beleidsplan als bedoeld in het eerste lid, alsmede het verslag als bedoeld in het tweede lid, bevat het oordeel van de cliëntenraad. Artikel 8 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. In het beleidsplan als bedoeld in artikel 6 wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 3. Het college kan een voorziening beëindigen: a. indien de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9, 17, 55 van de wet niet nakomt; b. indien de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet; c. indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij niet volledig gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; d. indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling. 4. Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 17, met inachtneming van hetgeen daarover in het beleidsplan is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; b. de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen; c. de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of vaststelling; d. de aanvraag, van en de besluitvorming over subsidies en premies; e. de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; f. overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. Artikel 9 Zelfstandig ondernemerschap Indien de belanghebbende voornemens is een zelfstandig bedrijf te starten kan het college voorzieningen welke daarop gericht zijn verlenen, voor zover de plannen naar het oordeel van het college een redelijke kans van slagen hebben. PARAGRAAF 2 REÏNTEGRATIEVOORZIENINGEN Artikel 10 Reïntegratie niet-uitkeringsgerechtigden 1. Belanghebbenden als bedoeld in artikel 6 onder a van de wet kunnen gebruik maken van een reïntegratietraject wanneer zij zich minimaal 15 uur per week beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt. 2. Voor de noodzakelijke kosten van de reïntegratie wordt aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 6 onder a van de wet een renteloze lening verstrekt. 3. Bij uitvoeringsbesluit stelt het college nadere regels vast. Artikel 11 Sociale activering en arbeidsactivering 1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een reïntegratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering en arbeidsactivering.

4 2. Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van sociaal isolement. 3. Onder arbeidsactivering wordt verstaan een traject van in principe maximaal twee jaar met inzet van zo min mogelijk middelen gericht op een duurzame inzet op de reguliere arbeidsmarkt waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling op de reguliere arbeidsmarkt. Artikel 12 Werkstages 1. Het college kan aan belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid een werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2. Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Het college plaatst de belanghebbende alleen indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 13 Detacheringsbanen 1. Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een dienstverband voor in principe maximaal twee jaar aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. Dit dienstverband wordt alleen aangeboden indien het bijdraagt aan de toeleiding van de belanghebbende naar de reguliere arbeidsmarkt. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 4. De inleenvergoeding wordt afgestemd op de productiviteit/loonwaarde van de gedetacheerde. Artikel 14 Loonkostensubsidies gericht op reïntegratie 1. Het college kan tijdelijke en aflopende subsidies verstrekken aan werkgevers die met een belanghebbende als bedoeld in artikel 2 lid 1 een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling, waarbij de hoogte van de subsidie mede wordt bepaald op basis van de productiviteit/loonwaarde van de belanghebbende; 2. Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. 3. Minimaal eenmaal per jaar wordt in overleg met de werknemer en de werkgever bezien welke mogelijkheden er voor de werknemer zijn voor arbeidsinschakeling. 4. Gelet op de Europese vrijstellingsverordeningen; verordening werkgelegenheidssteun en de Verordening minimissteun wordt het verstrekken van loonkostensubsidies in deze verordening aangemerkt als steun die voldoet aan genoemde Europese verordeningen. Artikel 15 Scholing 1. Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling. 2. De in het eerste lid bedoelde scholing wordt aangeboden in de vorm van een subsidie. 3. Voor de scholing die wordt aangeboden gelden de navolgende voorwaarden: a. de scholing dient te zijn gericht op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt; b. andere scholing dient kortdurend te zijn en gericht op snelle arbeidsinschakeling; c. de meest doelmatige scholingsmogelijkheid dient te worden benut. Artikel 16 Inkomstenvrijlating In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van de wet, is sprake van een vrijlating die bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Artikel 17 Premies 1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een eenmalige activeringspremie toekennen.

5 2. Deze premie wordt verstrekt in de volgende gevallen: a. het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, niet zijnde gesubsidieerde arbeid, leidend tot duurzame beëindiging van de uitkering; b. het aanvaarden van gesubsidieerde arbeid, als bedoeld in artikel 11, leidend tot duurzame beëindiging van de uitkering; c. het deelnemen aan sociale en arbeidsactivering als bedoeld in artikel 9; d. het met goed gevolg afronden van scholing, als bedoeld in artikel 13 of onderdelen van het reïntegratietraject; 3. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de doelgroepen en de hoogte van de premies en de verdere voorwaarden. Artikel 18 Overige vergoedingen Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Het gaat hierbij onder andere om: a. noodzakelijke werkkleding; b. reiskosten; c. kosten voor kinderopvang; d. studiekosten. Artikel 19 Voorzieningen gericht op nazorg Het college kan aan een belanghebbende die algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, voorzieningen bieden gericht op nazorg. HOOFDSTUK 3 AFSTEMMING PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN OVER AFSTEMMING Artikel 20 Begripsomschrijvingen afstemming In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. afstemming: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; b. wet SUWI: Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; c. CWI: Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen; Artikel 21 Het verlagen van de bijstandsuitkering 1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet SUWI voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt de bijstandsuitkering overeenkomstig verlaagd. 2. De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 22 Berekeningsgrondslag 1. De verlaging wordt toegepast op de bijstandsuitkering. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet of, b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. 3. Burgemeester en wethouders stellen de duur en het percentage waarmee de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag wordt verlaagd vast.

6 Artikel 23 Het besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering In het besluit tot verlagen van de bijstandsuitkering worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstandsuitkering wordt verlaagd en - indien van toepassing de reden om af te wijken van een standaardverlaging als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel 24 Afzien van verlaging van de bijstandsuitkering 1. Het college ziet af van verlaging van de bijstandsuitkering indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Verlaging van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht vindt niet plaats na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan van verlaging van de bijstandsuitkering afzien indien zij daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Indien het college afziet van verlaging van de bijstandsuitkering op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. 4. Van verlaging van de bijstandsuitkering kan het college afzien en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien de gedraging niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Artikel 25 Ingangsdatum en tijdvak 1. De verlaging wordt toegepast met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm ten tijde van de gedraging. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald, dan wel indien artikel 31 tweede lid van toepassing is. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm ten tijde van de gedraging. 3. Een verlaging wordt voor bepaalde tijd toegepast. Een verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd door het college heroverwogen. Artikel 26 Samenloop van gedragingen 1. Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 21, eerste lid inhouden, verlaagt het college de bijstand: a. met het hoogste percentage dat bij de afzonderlijke gedraging hoort, indien er een rechtstreeks verband tussen de gedragingen is; b. met het percentage dat de som is van de percentages behorend bij de verschillende gedragingen, indien de gedragingen los staan van elkaar. 2. De bijstand kan niet met meer dan 100 procent per maand worden verlaagd. Indien de som van de percentages van de verlaging meer dan 100 procent bedraagt, wordt de bijstandsuitkering van de volgende maand verlaagd met het restant van het percentage van de verlaging. Artikel 27 Recidive Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt de duur van de verlaging verdubbeld. Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 24, tweede lid of het geven van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 24 vierde lid.

7 PARAGRAAF 2 GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID Artikel 28 Indeling in categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. Eerste categorie: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van het ondertekende trajectplan; c. het niet of te laat inleveren van het Rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROFje). 2. Tweede categorie: a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 3. Derde categorie a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren; b. het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering; c. het niet of in onvoldoende mate voldoen aan een individueel opgelegde verplichting, die gericht is op arbeidsinschakeling. 4. Vierde categorie: a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; c. het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen in het kader van reïntegratievoorzieningen. Artikel 29 De hoogte en duur van de verlaging Onverminderd artikel 21, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op: a. vijf procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. tien procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. twintig procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; d. honderd procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. PARAGRAAF 3 NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT Artikel 30 Niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen 1. Indien een belanghebbende de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de wet, 28, tweede lid, Wet SUWI of 29, eerste lid, Wet SUWI niet, niet tijdig of niet behoorlijk is nagekomen, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet de bijstandsuitkering verlaagd met 50 procent gedurende een maand, onverminderd artikel 21, tweede lid. 2. Het gestelde in lid 1 geldt eveneens indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht pas na beëindiging van de uitkering wordt geconstateerd, tenzij het volledige uitkeringsbedrag ten onrechte is betaald en er sprake is van financiële benadeling. PARAGRAAF 4 OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING Artikel 31 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet,

8 wordt een verlaging toegepast van 100 procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand. Artikel 32 Zeer ernstige misdragingen 1. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 21, tweede lid, de bijstanduitkering verlaagd met 100 procent gedurende een maand. 2. Er is sprake van een zeer ernstige misdraging indien belanghebbende de toegang tot het stadhuis is ontzegd, dan wel aangifte wordt gedaan bij de politie, dan wel geleden schade veroorzaakt door belanghebbende wordt verhaald. HOOFDSTUK 4 TOESLAGEN EN VERLAGINGEN PARAGRAAF 1 INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 33 begripsomschrijvingen toeslagen en verlagingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. norm: het bedrag als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel c, alsmede artikel 21 van de wet; b. woonkosten: 1. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag (wet van 24 april 1997, Stb. 1997, 197) 2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde nettohypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten (het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de erfpachtcanon) en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag aan onderhoud; c. medebewoning: de situatie waarin naast belanghebbende(n) één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of gehuwden; d. beroepsmatige verzorging: verzorging of verpleging in een inrichting als bedoeld in de wet. e. gehuwdennorm: de bijstandsnorm voor gehuwden zoals bedoeld in artikel 21 onder c van de wet; f. schoolverlater: de persoon die bijstand aanvraagt, indien hij in de zes maanden voorafgaand aan de toekenning van de algemene bijstand recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Het aanmerken als schoolverlater eindigt zes maanden na het beëindigen van voornoemd onderwijs of beroepsopleiding. Artikel 34 Categorieën 1. Voor de belanghebbende aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. 2. De categorieën worden aangeduid als: a. alleenstaande; b. alleenstaande ouder; en c. Gehuwden 3. De bepalingen in dit hoofdstuk hebben uitsluitend betrekking op belanghebbenden van 21 tot 65 jaar.

9 PARAGRAAF 2 CRITERIA VOOR ALLEENSTAANDEN EN ALLEENSTAANDE OUDERS Artikel 35 Toeslagen 1. De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm indien in dezelfde woning geen anderen hun hoofdverblijf hebben. 2. De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt eveneens verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm indien: a. Als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege blijft; b. Uitsluitend één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning; en / of c. Uitsluitend één of meer kinderen van 21 jaar of ouder hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, die onderwijs of een beroepsopleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. 3. De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm indien er sprake is van medebewoning, anders dan genoemd in het tweede lid. 4. De norm wordt niet verhoogd met een toeslag, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder is aan te merken als een schoolverlater. Artikel 36 Ontbreken woonkosten De norm wordt niet verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of alleenstaande ouder geen woonkosten heeft. PARAGRAAF 3 CRITERIA VOOR GEHUWDEN Artikel 37 Verlagingen 1. De norm voor gehuwden wordt indien sprake is van medebewoning verlaagd met 10% van de gehuwdennorm, tenzij: a. Als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege blijft; b. Uitsluitend één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning; en / of c. Uitsluitend één of meer kinderen van 21 jaar of ouder hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, die onderwijs of een beroepsopleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. 2. De norm voor gehuwden wordt verlaagd met 10% van de gehuwdennorm indien één van de gehuwden als schoolverlater is aan te merken 3. De norm voor gehuwden wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien beide gehuwden als schoolverlaters zijn aan te merken Artikel 38 Ontbreken woonkosten De norm wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien de gehuwden geen woonkosten hebben. Artikel 39 Cumulatie Na toepassing van de artikelen 37 en38 van deze verordening bedraagt de uitkering voor gehuwden minimaal 80% van de gehuwdennorm, tenzij er sprake is van een verlaging van de uitkering op grond van hoofdstuk 2 van deze verordening.

10 HOOFDSTUK 5 HANDHAVING PARAGRAAF 1 Artikel 40 Begripsomschrijving fraude In dit hoofdstuk wordt verstaan onder fraude: het verstrekken van onjuiste en onvolledige gegevens dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van voor de bepaling van het recht op uitkering relevante gegevens met als gevolg dat er uitkering geheel of gedeeltelijk ten onrechte is of wordt verstrekt. PARAGRAAF 2 FRAUDEPREVENTIE- EN REPRESSIE Artikel 41 Beleidsplan hoogwaardige handhaving 1. Het college stelt een beleidsplan Hoogwaardige Handhaving vast. Daarin wordt vastgelegd welke preventieve en repressieve maatregelen worden genomen respectievelijk gericht op het voorkomen of het bestrijden van fraude; 2. De preventieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig informeren van (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de dienstverlening; 3. De repressieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig constateren en afhandelen van fraude en geconstateerde fraude daadwerkelijk sanctioneren. Artikel 42 Validering van gegevens 1. Het college onderzoekt de bij de aanvraag en heronderzoeken overgelegde gegevens aan de hand van de verificatienota; 2. Het college voert bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kunnen bijstandsuitkeringen na verificatie aan veranderde omstandigheden worden aangepast. PARAGRAAF 3 GEVOLGEN VAN FRAUDE Artikel 43 Afstemming Indien belanghebbende gevraagd dan wel ongevraagd onjuiste, onvolledige, niet tijdig of in het geheel geen inlichtingen verstrekt, die van belang zijn of kunnen zijn voor de hoogte, de duur of de voortzetting van de bijstand, verlaagt het college de bijstand, in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze verordening, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de eventueel ten onrechte ontvangen bijstand. Artikel 44 Terugvordering 1. Bijstand die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht zoals omschreven in artikel 17 van de Wet werk en bijstand wordt teruggevorderd overeenkomstig de beleidsregels Terugvordering en Verhaal; 2. De wijze van terug- en invordering en het geheel of gedeeltelijk afzien daarvan worden vastgelegd in de beleidsregels Terugvordering en Verhaal. Artikel 45 Aangifte bij het Openbaar Ministerie Als het fraudebedrag de aangiftegrens sociale zekerheidsfraude overschrijdt wordt door of namens het college proces -verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand. PARAGRAAF 4 CONTROLE Artikel 46 Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen

11 termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. Artikel 47 Controlemiddelen 1. In het beleidsplan Hoogwaardige Handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven, de handelwijze bij inconsistenties evenals het gebruik van risicoprofielen bij de beoordeling van inlichtingen die door belanghebbende zijn verstrekt; 2. Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen; 3. Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand. HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN Artikel 48 Onvoorziene omstandigheden In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 49 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 50 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2006. 2. Op die datum worden de volgende verordeningen ingetrokken: a. Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand Barneveld, vastgesteld op 20 april 2004 en gewijzigd op 20 september 2005; b. Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Barneveld, vastgesteld op 20 september 2005; c. Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Barneveld, vastgesteld op 20 april 2004 en gewijzigd op 20 september 2005; d. Handhavingsverordening Wet werk en bijstand Barneveld, vastgesteld op 20 april 2004. Artikel 51 Citeertitel 1. Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening werk en bijstand. Vastgesteld in de openbare vergadering van 27 juni 2006 De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter,