Sexualiteit en de Bijbel
Ma#eüs 1:25 En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus.
1 KorinCërs 7:12-13 12 Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here: heei een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten. 13 En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heei, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten.
1 Timoteüs 3:2 Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn en hij moet sober, bezonnen, gemacgd, gastvrij en een goede leraar zijn.
Ma#eüs 22:24-30 24 en zij zeiden: Meester, Mozes heei gezegd, indien iemand steri zonder kinderen, zal zijn broeder diens vrouw trouwen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken. 25 Nu waren er bij ons zeven broeders. En de eerste huwde en scerf daarop, en daar hij geen nakomelingschap had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broeder. 26 Eveneens de tweede en de derde tot de zevende toe. 27 Het laatst van allen scerf de vrouw.
28 Van wie van de zeven zal zij dan in de opstanding de vrouw zijn? Want allen hebben haar tot vrouw gehad. 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, want gij kent de SchriIen niet noch de kracht Gods. 30 Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel.
Spreuken 5:14-20 14 Bijna was ik in alle kwaad geraakt te midden van de gemeente en de vergadering. 15 Drink water uit uw eigen regenbak en welwater uit uw eigen bornput. 16 Moeten uw bronnen op straat overstromen,(uw)waterbeken op de pleinen? 17 Zij moeten voor u alleen zijn, niet voor vreemden nevens u. 18 Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd: 19 een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u te allen Cjde vreugdedronken maken,wees bestendig verrukt over haar lieaozingen.20 Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen
Spreuken 2:15-20 15 wier paden krom zijn en die op hun dwaalwegen gaan; 16 om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende die gladde woorden spreekt, 17 die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het verbond van haar God vergeet; 18 want haar huis zinkt weg naar de dood, haar paden voeren naar de schimmen; 19 niet één van allen die tot haar gaan, keert weder,en zij bereiken de paden des levens niet; 20 opdat gij de weg der goeden bewandelt en de paden der rechtvaardigen bewaart.
Hooglied 2:7 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, bij de gazellen of bij de hinden des velds: wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet, vóórdat het haar behaagt.
Handelingen 15:20 Maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het versckte en van bloed.
1 KorinCërs 5:1 Inderdaad men spreekt van hoererij onder u, en zulk een hoererij, als zelfs onder de heidenen niet (voorkomt), dat iemand leei met de vrouw van zijn vader.
1 KorinCërs 6:12-20 12 Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nudg. Alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten knechten. 13 Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de hoererij, doch voor de Here, en de Here voor het lichaam. 14 God heei niet alleen de Here opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht. 15 Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden ener hoer van te maken? Volstrekt niet!
16 Of weet gij niet, dat wie zich aan een hoer hecht, één lichaam (met haar) is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot één vlees zijn. 17 Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem). 18 Vliedt de hoererij. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door hoererij bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam. 19 Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? 20 Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam.
1 KorinCërs 7:2-9 2 maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. 3 De man kome jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichcngen na en evenzo de vrouw jegens haar man. 4 De vrouw heei niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heei de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw. 5 Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde Cjd, om u te wijden aan het gebed, maar om daarna weder samen te komen, opdat niet de satan u verzoeke wegens [uw] gemis aan zeljeheersing.
6 Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen. 7 Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf. Doch iedereen heei van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die. 8 Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik. 9 Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.
1 Tessalonicenzen 4:3-6 3 Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de hoererij, 4 dat ieder uwer in heiliging en eerbaarheid zijn vat wete te verwerven, 5 niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten, 6 en dat men zijn broeder niet slecht behandele of bedriege in deze zaak, want de Here is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en nadrukkelijk betuigd hebben.
Hebreeën 13:4 Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.
1 KorinCërs 6:12 Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nudg. Alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten knechten.
Genesis 38:8-10 8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga tot uws broeders vrouw, sluit met haar het zwagerhuwelijk en verwek voor uw broeder nakroost. 9 Maar Onan wist, dat het nakroost hem niet zou toebehoren, daarom, zo vaak hij tot de vrouw van zijn broeder kwam, verspilde hij het zaad op de grond, om aan zijn broeder geen nakroost te geven. 10 En hetgeen hij gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN, en Hij doodde ook hem.
Romeinen 14:13-14 13 Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven. 14 Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein.
Romeinen 14:22-23 22 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. 23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.