Met tandwielen kun je beweging van het ene apparaat overbrengen op een ander. Er zijn veel verschillende soorten tandwielen en de meeste apparaten maken er gebruik van. Met het aantal tandwielen kun je de draairichting bepalen: als je aan je eerste tandwiel een tweede zet draait dat in de andere richting. Met de grootte van de tandwielen bepaal je draaisnelheid en kracht. ls je een tandwiel met twee keer zoveel tanden aan je eerste zet draait dat op halve snelheid. Je moet dan twee keer zoveel draaien, maar hoeft maar de helft aan kracht te gebruiken. Je fietsversnellingen werken zo. ½ Tandwielen 2 4 80 kg 40 kg Een katrol maakt het lichter om zware gewichten op te tillen met een touw. Op zeilschepen gebruikt men katrollen om de zeilen mee te heisen. Je ziet ook wel eens dat ze bij een verhuizing aan de voorkant van het huis met behulp van katrollen de grote, zware meubels (bijvoorbeeld een piano) tillen. Een katrol bestaat uit een aantal wielen. Hoe meer wielen, hoe lichter het wordt om te tillen. Katrollen Een lier wordt gebruikt om een touw, ketting of kabel op te rollen en zo iets op te tillen of te trekken. Het molentje op je hengel is een lier. Ze worden ook gebruikt in hijskranen. De lier heeft een beveiliging waardoor hij niet meer kan afrollen. Zo voorkom je dat het opgetakelde gewicht weer naar beneden valt als je de lier loslaat. pal Lier
Lift platform gaat omhoog Een lift gebruik je om iets omhoog of naar beneden te verplaatsen. Deze lift gebruikt een schroef. Door de schroef de ene kant op te draaien gaat de lift omhoog. draai je de andere kant op dan gaat hij naar beneden. Om de schroef te laten draaien moet de lift worden aangesloten op iets dat draait. Sommige kurkentrekker werken ook met zo n schroefmechanisme door de schroef eerst in de kurk te draaien en dan weer omhoog, gaat de kurk mee omhoog. middenas draait rond Lopende band tweede wiel draait mee band Lopende banden worden gebruikt om grote hoeveelheden voorwerpen te verplaatsen. Op een vliegveld kun je op een lopende band staan, en bij aankomst liggen je koffers op een lopende band. De roltrap is ook een lopende band en de stoeltjeslift op de skibaan werkt op dezelfde manier. De lopende band bestaat uit twee wieltjes waartussen een rubberen band is gespannen. Door een van de wieltjes aan te sluiten op iets dat draait (bijvoorbeeld een tandwiel) gaat de band draaien. aangedreven wiel draait Timer timer 0 stroom Met een timer kan je een elektrisch apparaat met een vertraging aanzetten. Veel mensen zetten een timer op een lamp in huis als ze op vakantie gaan, zodat de lamp op een bepaald tijdstip gaat branden. Een zelfontspanner op een camera en een tijdbom werken met een timer. De timer is een soort schakelaar. lleen werkt een schakelaar meteen, terwijl je bij de timer kan instellen na hoeveel tijd een apparaat gaat werken. De timer moet via elektrische draden aangesloten zijn op het apparaat en op iets dat elektriciteit levert (bijvoorbeeld een batterij).
Batterij In een batterij zit elektriciteit opgeslagen. Een elektrisch apparaat gaat werken als je er een batterij op aansluit. Er zijn twee soorten batterijen: oplaadbare en niet oplaadbare. De eerste kun je steeds opnieuw met elektriciteit opladen. Ze zitten bijvoorbeeld in je mobieltje en in de auto. Een auto-accu wordt opgeladen als de auto rijdt. Niet oplaadbare batterijen zitten bijvoorbeeld in een afstandsbediening. Ze zijn slecht voor het milieu, want je moet ze weggooien als ze leeg zijn. Je kunt beter oplaadbare batterijen gebruiken. Dynamo magneet spoel Een dynamo zet beweging (ronddraaien) om in elektriciteit. Hij wordt gebruikt in bijvoorbeeld een moderne windmolen, maar ook op je fiets. Op je fiets wordt het draaien van je wielen omgezet in elektriciteit en dat wordt meteen weer omgezet in licht, om je lamp te laten branden. ls je de dynamo met stroomdraden aansluit op een elektrisch apparaat kun je dat dus laten werken. Je kunt hem ook aansluiten op een oplaadbare batterij en zo de elektriciteit opslaan. Elektromagneet N Elektromagneten worden gebruikt om ijzeren voorwerpen op te tillen. Je vindt ze bijvoorbeeld op een sloperij, om autowrakken op te tillen. Een elektromagneet bestaat uit een stuk ijzer (zoals een spijker) en een spoel, dat is een metalen draad die er omheen is gewikkeld. ls er stroom door de spoel loopt wordt de spijker magnetisch. De ene kant van de magneet stoot af en de andere kant trekt aan. Z
as magneet Met een elektromotor kun je iets in beweging zetten. Hij heeft elektriciteit nodig om te draaien. Door er bijvoorbeeld een tandwiel op aan te sluiten kun je een ander apparaat ook laten draaien. Veel apparaten hebben een elektromotor. In een stofzuiger, bijvoorbeeld, gaat een ventilator draaien waardoor het stof wordt opgezogen. Ook een elektrische tandenborstel en de trilfunctie van je mobieltje werken door een elektromotor. Je hebt ook hele grote elektromotoren, bijvoorbeeld om de trein te laten rijden. rotor Elektromotor batterij gloeilamp Een zaklamp zet elektriciteit om in licht. Meestal werkt hij op batterijen, maar je hebt ook zaklampen waarin je hard moet knijpen of die je moet opdraaien. Tegenwoordig worden vaak led-lampjes in de zaklamp gebruikt in plaats van de ouderwetse gloeilamp. Led-lampjes zijn veel energiezuiniger zodat de batterij veel langer meegaat (of je minder vaak hoeft te knijpen). Zaklamp gloeidraadje zon Een zonnecel zet licht om in elektriciteit. Er moet wel voldoende licht op schijnen. Een zonnecel sluit je aan op een elektrisch apparaat om het van elektriciteit te voorzien. Of je kunt de elektriciteit opslaan in een batterij. Zonnecellen worden gebruikt op huizen en bij satellieten, en ook vaak bij rekenmachines. Er zijn zelfs al experimentele auto s die op zonnecellen werken. Het voordeel van zonlicht is dat het er altijd is en niet op kan raken. Zonnecel
Schakelaar Een schakelaar gebruik je om een elektrisch apparaat aan te zetten. Bijna elk apparaat heeft er een. Elektriciteit moet altijd in een kring lopen: van de pluspool van een batterij door het elektrisch apparaat naar de minpool van de batterij. Met een schakelaar kun je de kring onderbreken, waardoor het apparaat geen elektriciteit krijgt. ls je met de schakelaar de twee stukken van de onderbroken kring weer verbindt, gaat de elektriciteit lopen en kan het apparaat werken. De schakelaar in het voorbeeld heeft meerdere standen, waarmee je steeds andere apparaten aan kunt zetten. Waterklep Een waterklep is een soort deur voor water. Hij is aangesloten op buizen waar water doorheen gaat. Met de hendel aan de buitenkant kun je de klep in verschillende standen zetten. ls je de ene buis open zet, zet je automatisch de andere buis dicht. Daarmee bepaal je welke kant het water opgaat. Let wel: het water gaat niet uit zichzelf stromen als je de waterklep opent. Daarvoor is een waterpomp nodig. Waterpomp Schroef Een waterpomp wordt gebruikt om water te verplaatsen. De propellor in de waterpomp draait rond waardoor het water gaat stromen. Er zit bijvoorbeeld een pomp in de cv-installatie die het water rondpompt van de cv-ketel naar de radiatoren. Waterpompen worden ook gebruikt in een gemaal om de polders droog te houden, of in een brandweerwagen om water uit de brandslang te kunnen spuiten. De pomp moet aangesloten zijn op waterleidingen en er moet water in de leidingen staan. ls er achter de pomp een kraan zit die dicht is zal de pomp het niet doen.
CV-installatie cv-ketel radiator thermo t a a st pomp De cv-installatie wordt gebruikt om het huis te verwarmen. Je stelt eerst met de thermostaat in hoe warm je het wilt hebben. De thermostaat zet dan de cv-installatie aan als het te koud wordt en weer uit als het te warm wordt. In de cv-ketel wordt water verwarmd. Daarna stroomt het door leidingen naar een radiator. De radiator verwarmt de kamer waarin hij hangt. Het afgekoelde water stroomt terug naar de cv-ketel waar het weer verwarmd wordt. Je hebt een waterpomp nodig om het water te laten stromen. Radiator hete lucht stijgt op water groot oppervlak Een radiator is onderdeel van de cv-installatie en wordt gebruikt om een kamer te verwarmen. Bijna elk klaslokaal heeft wel één of meerdere radiatoren. Een radiator wordt warm doordat er warm water doorheen stroomt. Hij verwarmt dan de lucht om hem heen. De warme lucht stijgt op. an de onderkant van de radiator komt er koude lucht bij. Zo wordt uiteindelijk alle lucht in een kamer verwarmd.