Tweede Kamer der Staten-Generaal



Vergelijkbare documenten
Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden. RMC-wet Jaargang 2001 Staatsblad

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs, enz. (invoering basisvorming in voortgez... De citeertitel is door de wetgever vastgesteld.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

L181) en van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Transcriptie:

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1976-1977 14 501 Wijziging van de Overgangswet WVO. (herziening regeling t.a.v. de bewijzen van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs) Nr. 1 KONINKLIJKE BOODSCHAP Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van Wet houdende wijziging van de Overgangswet W.V.O. (herziening regeling t.a.v. de bewijzen van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs). De toelichtende memorie (en bijlage), die het Wetsontwerp vergezelt, bevat de gronden waarop het rust. En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming. Soestdijk, 26 mei 1977 Juliana Nr. 2 ONTWERP VAN WET Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, Saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het gewenst is dat de regeling van de bewijzen van bekwaamheid krachtens de Overgangswet W.V.O. zodanig wordt herzien dat meer wordt aangesloten bij de in de Wet op het voortgezet onderwijs vastgelegde regeling en dat de mogelijkheden om tot leraar te worden benoemd voor bezitters van twee of meer bewijzen van bekwaamheid van verschillend niveau worden uitgebreid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I De Overgangswet W.V.O. (Stb. 1967, 386) wordt gewijzigd als volgt: A. De artikelen 108 tot en met 114 worden gelezen: Artikel 108. 1. Tot een door Ons te bepalen datum kan Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, getuigschriften aanwijzen als bewijs van bekwaam- S-O + W 5 vel Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14501, nrs. 1-4

heid van de eerste, de tweede of de derde graad tot het geven van voortgezet onderwijs. Deze bewijzen van bekwaamheid gelden naast de bewijzen van bekwaamheid, bedoeld in artikel 33, eerste lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij de aanwijzing wordt het vak of de vakken waarop de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid betrekking heeft, bepaald. Aan de aanwijzing kunnen voorwaarden worden verbonden. 2. Bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, tevens bepalen dat naast het als bewijs van bekwaamheid aangewezen getuigschrift het bezit is vereist van een bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding. Artikel 109. 1. Het bezit van een als bewijs van bekwaamheid van de eerste graad aangewezen getuigschrift alsmede van het bij dat getuigschrift behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding is, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, vereist om te kunnen worden benoemd tot leraar in het vak of de vakken waarop de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid betrekking heeft, voor het tweede en de volgende leerjaren van dagscholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, aan avond- en dag-avondscholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor de hoogste twee leerjaren van dagscholen en afdelingen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, aan avond- en dag-avondscholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, aan scholen voor hoger beroepsonderwijs, aan opleidingsscholen voor onderwijzers en aan die voor leraren met uitzondering van de lerarenopleidingen in door Onze minister aan te wijzen vakken. 2. Het bezit van een als bewijs van bekwaamheid van de tweede graad aangewezen getuigschrift alsmede van het bij dat getuigschrift behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding is, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, vereist om te kunnen worden benoemd tot leraar in het vak of de vakken waarop de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid betrekking heeft, voor het eerste leerjaar van dagscholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor de eerste drie leerjaren van dagscholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor de gemeenschappelijke leerjaren van een scholengemeenschap bestaande uit een dagschool voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en een dagschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, aan scholen voor middelbaar beroepsonderwijs en aan opleidingsscholen voor kleuterleidsters. 3. Het bezit van een als bewijs van bekwaamheid van de derde graad aangewezen getuigschrift alsmede van het bij dat getuigschrift behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding is, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, vereist om te kunnen worden benoemd tot leraar in het vak of de vakken waarop de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid betrekking heeft, aan scholen voor middelbaar en lager algemeen voortgezet onderwijs, aan scholen voor lager beroepsonderwijs en voor de gemeenschappelijke leerjaren van een scholengemeenschap bestaande uit een of meer der hiervoorgenoemde scholen alsmede een dagschool voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en/of een dagschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. 4. Onze minister kan, de Onderwijsraad gehoord, bij de aanwijzing, bedoeld in artikel 108, eerste lid, bepalen dat een als bewijs van bekwaamheid van de eerste, de tweede of de derde graad aangewezen getuigschrift voor het vak of de vakken waarop de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid betrekking heeft, bovendien geldt als bewijs van bekwaamheid voor andere scholen dan in de voorgaande leden is bepaald. 5. Een als bewijs van bekwaamheid van een hogere graad aangewezen getuigschrift geldt tevens als bewijs van bekwaamheid van een lagere graad voor het vak of de vakken waarop dat bewijs van bekwaamheid betrekking Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14501, nrs. 1-4 2

heeft, alsmede voor andere door Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, aan te wijzen vakken. 6. Waar in de voorgaande leden sprake is van het bezit van het bij een als bewijs van bekwaamheid aangewezen getuigschrift behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding, is het bezit daarvan alleen vereist, indien dat krachtens artikel 108, tweede lid, bij de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid is bepaald. Artikel 110. 1. Hij, die in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid van de eerste graad en van een bewijs van bekwaamheid van de tweede graad alsmede van de bij die bewijzen behorende bewijzen van pedagogische en didactische voorbereiding, is voor het vak of de vakken waarop het in zijn bezit zijnde bewijs van bekwaamheid van de tweede graad betrekking heeft, tevens benoembaar tot leraar aan de in artikel 109, eerste lid, genoemde scholen. 2. Hij, die in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid van de eerste graad en van een bewijs van bekwaamheid van de derde graad alsmede van de bij die bewijzen behorende bewijzen van pedagogische en didactische voorbereiding, is voor het vak of de vakken waarop het in zijn bezit zijnde bewijs van bekwaamheid van de derde graad betrekking heeft, tevens benoembaar tot leraar aan de in artikel 109, tweede lid, genoemde scholen, met inachtneming van de in dat artikellid genoemde beperkingen ten aanzien van de leerjaren. 3. Hij, die in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid van de tweede graad en van een bewijs van bekwaamheid van de derde graad alsmede van de bij die bewijzen behorende bewijzen van pedagogische en didactische voorbereiding, is voor het vak of de vakken waarop het in zijn bezit zijnde bewijs van bekwaamheid van de derde graad betrekking heeft, tevens benoembaartot leraar aan de in artikel 109, tweede lid, genoemde scholen, met inachtneming van de in dat artikellid genoemde beperkingen ten aanzien van de leerjaren. 4. Bij de aanwijzing, bedoeld in artikel 108, eerste lid, kan Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, bepalen dat de voorgaande leden niet van toepassing zijn op het als bewijs van bekwaamheid aangewezen getuigschrift dan wel op een of meer van de vakken waarop de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid betrekking heeft. 5. Waar in de voorgaande leden sprake is van het bezit van het bij een bewijs van bekwaamheid behorende bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding, is het bezit daarvan alleen vereist, indien dat krachtens artikel 108, tweede lid, bij de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid is bepaald. Artikel 111. Onze minister kan, de Onderwijsraad gehoord, beperkingen aanbrengen in de aan een als bewijs van bekwaamheid aangewezen getuigschrift verbonden mogelijkheden om tot leraar aan een school voor voortgezet onderwijs te worden benoemd dan wel de aanwijzing als bewijs van bekwaamheid intrekken. Zodanige beperkingen of intrekking treden niet eerder in werking dan na verloop van een termijn van twee jaren na de bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant. De beperking onderscheidenlijk de intrekking geldt niet voor de bezitter van dat als bewijs van bekwaamheid aangewezen getuigschrift die in de zeven jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop het ministerieel besluit in werking treedt, met inachtneming van artikel 33, eerste lid onder b en c, van de Wet op het voortgezet onderwijs als rector, directeur of leraar verbonden is geweest aan een school voor voortgezet onderwijs. Onze minister kan bepalen dat de beperking onderscheidenlijk de intrekking eveneens niet geldt voor hem, die in de vorige volzin genoemde periode werkzaamheden heeft verricht, die naar zijn oordeel gelijk te stellen zijn met de in de vorige volzin genoemde werkzaamheden. Artikel 112. Tot een door Ons te bepalen datum kan Onze minister verklaren dat de bezitter van een in het buitenland behaald getuigschrift dat niet Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14501, nrs. 1-4 3

krachtens artikel 108, eerste lid, is aangewezen als bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, benoenv baar is tot leraar in de vakken en aan de scholen, door hem aangegeven. Naast deze verklaring kan Onze minister het bezit van een bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding eisen. Artikel 113. 1. De bezitter vaneen getuigschrift dat niet krachtens artikel 108, eerste lid, is aangewezen als bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs doch dat wel ingevolge de op 31 juli 1968 geidende voorschriften was aangewezen als bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs, blijft, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, aan de Wet op het voortgezet onderwijs, benoembaar tot leraar aan de soort van scholen, waartoe de in die voorschriften genoemde scholen ingevolge titel IV zijn gaan behoren, indien hij tussen 31 augustus 1963 en 1 augustus 1968 op grond van dat getuigschrift onderwijs heeft gegeven. 2. Een ontheffing, als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Nijverheidsonderwijswet, wordt met ingang van 1 augustus 1968 geacht te zijn gegeven op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor de soort van scholen, waartoe de in de beschikking genoemde scholen ingevolge titel IV van deze wet zijn gaan behoren. 3. Hij die ingevolge artikel 11, derde lid, of artikel 54, eerste en tweede lid, van de Kweekschoolwet in het schooljaar 1976-1968 aan een kweekschool onderwijs heeft gegeven in een vak waarvoor hij niet het ingevolge artikelen 109 en 110, vereiste bewijs van bekwaamheid bezit, blijft, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, benoembaar tot leraar aan een opleidingsschool voor onderwijzers voor het geven van onderwijs in dat vak. 4. Hij, die in het schooljaar 1967-1968 onderwijs heeft gegeven in een vak, waarvoor geen getuigschrift als bewijs van bekwaamheid is aangewezen, blijft, onverminderd het bepaalde in artikel 33, eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, benoembaar tot leraar in dat vak, indien hij ingevolge de op 31 juli 1968 geldende voorschriften als benoembaar was aangemerkt. Deze benoembaarheid geldt voor de soort van scholen, waartoe de school, waaraan hij in dat schooljaar was verbonden, ingevolge titel IV is gaan behoren. Artikel 114. Tot een door Ons te bepalen datum kan Onze minister met betrekking tot vakken, waarvoor geen getuigschrift als bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs aan de betreffende school of afdeling van de school is aangewezen, verklaren, dat een leraar wordt geacht in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs in de vakken en aan de scholen of afdelingen van scholen, door hem aangewezen. Naast deze verklaring kan Onze minister het bezit van een bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding eisen. B. De bijlage, bedoeld in hoofdstuk 1 van titel VI, vervalt. ARTIKEL II Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst. Zij werkt terug tot 1 augustus 1976. ARTIKEL III Overgangsbepaling 1. Indien Onze minister bij de uitvoeringsmaatregelen krachtens de artikelen 108 en 109 van de Overgangswet W.V.O. die tegelijkertijd met deze wet Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14501, nrs. 1-4 4

in werking treden, in de aan een getuigschrift verbonden mogelijkheden om tot leraar aan een school voor voorgezet onderwijs te worden benoemd, beperkingen aanbrengt ten opzichte van de mogelijkheden die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet aan dat getuigschrift waren verbonden, gelden deze beperkingen niet voor de bezitter van dat getuigschrift die in de zeven jaren voorafgaande aan de dag waarop deze wet twee jaren in werking zal zijn met inachtneming van artikel 33, eerste lid onder b en c, van de Wet op het voortgezet onderwijs als rector, directeur of leraar verbonden is geweest aan een school voor voortgezet onderwijs. 2. Indien Onze minister bij de uitvoeringsmaatregel krachtens artikel 108 van de Overgangswet W.V.O. die tegelijkertijd met deze wet inwerking treedt, een getuigschrift dat krachtens de artikelen 108, eerste lid, of 110, eerste lid, van de Overgangswet W.V.O., zoals deze luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet, gold als bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs, niet meer aanwijst als bewijs van bekwaamheid, blijft de bezitter van dat getuigschrift die in de zeven jaren voorafgaande aan de dag waarop deze wet twee jaren in werking zal zijn, met inachtneming van artikel 33, eerste lid onder b en c, van de Wet op het voortgezet onderwijs als rector, directeur of leraar verbonden is geweest aan een school voor voortgezet onderwijs, benoembaar tot leraar in dezelfde vakken en aan dezelfde scholen als hij tevoren benoembaar was. 3. Onze minister kan bepalen, dat de bezitter van een getuigschrift als bedoeld in de voorgaande leden, die in de zeven jaren voorafgaande aan de dag waarop deze wet twee jaren inwerking zal zijn, werkzaamheden heeft verricht die naar zijn oordeel gelijk te stellen zijn met de in de voorgaande leden genoemde werkzaamheden, benoembaar blijft tot leraar in dezelfde vakken en aan dezelfde scholen als hij op de dag vóór de inwerkingtreding van de wet benoembaar was. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven De minister van onderwijs en wetenschappen, De minister van landbouw en visserij, Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14501, nrs. 1-4 5

6