PREDATIEBEHEERPLAN SKRIEZEKRITE IDZEGEA Op zoek naar een verantwoorde regulatie van weidevogelpredatoren In opdracht van:
PREDATIEBEHEERPLAN SKRIEZEKRITE IDZEGEA Op zoek naar een verantwoorde regulatie van weidevogelpredatoren JPMA Rapportnummer: 20090501 Opdrachtgever: A.N.V. de Súdwesthoeke Auteur: Ing. Bob Jonge Poerink Foto s: auteur en Ruurd Jelle van der Leij (www.pbase.com/ruurdjellevanderleij) Zuurdijk, september 2009 Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Jonge Poerink Milieuadvies Disclaimer: de inhoud van dit document is met uiterste zorg samengesteld. Desondanks wordt de informatie in dit document echter aangeboden zonder enige garantie of waarborg ten aanzien van haar deugdelijkheid en geschiktheid voor een bepaald doel of anderszins. Jonge Poerink Milieuadvies sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of in enig opzicht verband houdt met het gebruik van dit document. JPMA - Hoofdweg 46-9966 VC Zuurdijk tel. 0595-571170 571170 www.jpma.nl - info@jpma.nl
Samenvatting De Skriezekrite Idzegea van Agrarische Natuur Vereniging (ANV) de Súdwesthoeke is een gruttokring in Zuidwest Friesland, waar circa 400 paar grutto s broeden. Ondanks de vele specifieke beheer- en inrichtingsmaatregelen die worden uitgevoerd, is het reproductiesucces van weidevogels alarmerend laag. Tijdens landelijk zenderonderzoek aan gruttokuikens was de gemiddelde kuikenoverleving slechts 7%. Predatie was de meest vastgestelde doodsoorzaak. Van alle omgekomen gruttokuikens was naar schatting 70-85% gepredeerd. Succesvol weidevogelbeheer begint uiteraard bij zaken als een optimaal waterbeheer, bodembeheer, maaibeheer en voldoende voedselaanbod. Gelet op de mate van predatie en de kwetsbaarheid en het belang van de resterende populatie grutto s, is predatie anderzijds geen factor om te negeren. Daarom kiest de Skriezekrite Idzegea voor predatiebeheer als onderdeel van het weidevogelbeheer. Het predatiebeheerplan voor de Skriezekrite Idzegea heeft als doel een efficiënte en verantwoorde strategie uit te werken voor de regulatie van predatoren van weidevogels in het broedseizoen. Daarnaast geeft het predatiebeheerplan antwoord op de volgende vragen: Wat is de ruimte binnen de huidige regelgeving Wat zijn de beschikbare methoden van predatorenregulatie Op welke predatoren moet het predatiebeheer zich richten Welke methoden zijn het meest geschikt voor de gekozen predatoren Hoe en wanneer kunnen deze methoden optimaal worden ingezet. Door de projectgroep van de Skriezekrite Idzegea zijn vooraf de volgende randvoorwaarden aan het predatiebeheerplan gesteld: Predatiebeheer expliciet alleen binnen de kaders van de huidige wet- en regelgeving Geen maatschappelijk onaanvaardbare aantasting dierenwelzijn Geen aantasting (karakteristieke en streekeigen) erfbeplanting. In hoofdlijnen komen de volgende punten uit het predatiebeheerplan naar voren: Tijdens het onderzoek naar predatie bij weidevogels, dat in de periode 2002 2005 door Sovon Vogelonderzoek Nederland en Alterra is uitgevoerd, zijn vooral Vos, Hermelijn, Buizerd, Blauwe reiger, en Zwarte Kraai als predator van legsels en kuikens geconstateerd. Van de geïdentificeerde predatiegevallen is circa 90 % aan de genoemde soorten toegeschreven. De gevonden aantalsverhoudingen van weidevogelpredatoren zijn mogelijk niet representatief, maar geven wel een beeld van de range en ordegrootte van het relatieve belang van de verschillende predatoren. Door jaarlijkse schommelingen van soorten en aantallen predatoren, door voedselspecialisatie van bepaalde individuele predatoren en door veranderingen in het voedselaanbod in een gebied, kunnen er jaarlijks grote verschillen in predatie en de rol van predatoren optreden. Binnen de Skriezekrite Idzegea komen Vos, Hermelijn, Buizerd, Blauwe reiger, en Zwarte Kraai regelmatig tot talrijk voor. Exacte gegevens over de rol van de verschillende predatoren binnen de Skriezekrite Idzegea zijn niet bekend. Het beeld van de nazorgers komt globaal overeen met de resultaten van het SOVON predatieonderzoek, met uitzondering van de Bruine Kiekendief, die door SOVON slechts incidenteel als predator werd vastgesteld. 1
Het is onuitvoerbaar en inefficiënt om het predatiebeheer te richten op alle in het gebied voorkomende soorten predatoren. Daarom is gekozen voor de selectie van een aantal doelpredatoren waarop het predatiebeheerplan zich specifiek zal richten, namelijk Vos, Hermelijn, Buizerd, Blauwe reiger, Zwarte Kraai en Bruine kiekendief. Op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens en het voorkomen binnen de Skriezekrite Idzegea is de kans om de predatiedruk te verlagen bij deze predatoren relatief hoog. De status ganzenfoerageergebied en Natura 2000-gebied van delen van de Skriezekrite Idzegea legt praktische beperkingen op aan het predatiebeheer. De ruimte voor schadebestrijding is binnen de huidige regelgeving beperkt. Vos en Zwarte kraai staan op de landelijke vrijstellingslijst. De vrijstelling geldt voor de artikelen 9 (verbod doden dieren), 10 (verbod opzettelijk verontrusten dieren), 11 (Verbod verstoren nesten en voortplantingsplaatsen) en 12 (verbod eieren te zoeken) uit de Flora- en Faunawet. Hermelijn, Blauwe reiger, Buizerd en Bruine kiekendief zijn door de Flora- en faunawet volledig beschermd, inclusief eieren, nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Voor deze soorten is zonder ontheffing dan ook geen schadebestrijding toegestaan. Preventieve methoden van predatiebeheer, die zich richten op ingrepen in de biotoop en het gedrag van predatoren, zonder dat de genoemde artikelen uit de Flora- en Faunawet worden overtreden zijn wel toegestaan. Als preventieve methoden kunnen worden toegepast: 1. Verwijderen potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) roofvogels en kraaien 2. Maaien rietzones en ruigtes 3. Opruimen takkenbossen en houtstapels 4. Alternatieve voedselbronnen aanleggen tijdens de broedtijd 5. Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd 6. Plaatsen predatorwerende (ultrasone) apparatuur; deze techniek vereist eerst nader onderzoek 7. Geen stokken plaatsen direct bij nesten 8. Eenmaal gevonden nesten in zeer beperkte mate opnieuw opzoeken en game finders inzetten 9. Verbeteren voedselaanbod kuikens 10. Verbeteren maaibeheer 11. Publiekscampagne honden en katten. Bij vossen kan schadebestrijding plaatsvinden door middel van het gebruik van kunstlicht, burchtjacht met een aardhond, de inzet van kunstbouwen, aanzitten en kleinschalige drukjacht. Het is verstandig om meerdere methoden te combineren, omdat de verschillende methoden elk een ander type vos opleveren. De volgende strategie wordt bij voorkeur gehanteerd: Gerichte bestrijding van vossen in de periode dat dit voor de weidevogels zinvol is, namelijk van medio januari tot juni; Schoontijd voor de Vos in de periode van 1 juli tot medio januari. De Vos is in deze periode niet schadelijk voor de weidevogels en kan wel een functie hebben als natuurlijke vijand van hermelijnen en andere kleine marterachtigen; Geen afschot van zogende moervossen om onnodig lijden van jonge vossen te voorkomen; Aanleg van een bufferzone van 1 kilometer rondom de Skriezekrite, waar ook schadebestrijding van vossen kan plaatsvinden. 2
Gelet op de omvang van het gebied en het aantal beschikbare wildbeheerders is bovenstaande strategie op dit moment niet goed uitvoerbaar. Er zal dan ook moeten worden afgeweken van de voorkeursstrategie, zodat er toch in de voorgestelde schoontijd moet worden bestreden. Bij zwarte kraaien kan schadebestrijding plaatsvinden door middel van afschot, kraaienvangkooien en het verwijderen van nesten. Voor het gebruik van de kraaienvangkooi is een ontheffing van de provincie nodig. Schadebestrijding van kraaien zal vooral moeten plaatsvinden in de periode 1 maart tot eind juni, waarbij dit in een relatief korte tijd, tussen 1 april en 15 april intensief zal moeten plaatsvinden. Om in zo n korte tijd effectief te kunnen werken is inventarisatie van territoria en nestbomen in deze periode, maar ook voorafgaand aan deze periode, van groot belang. Ook wat betreft de Zwarte kraai is een bufferzone van een kilometer rondom de broedgebieden van weidevogels voldoende. Een systematische monitoring van predatoren en predatie van weidevogels in het gebied is van belang om het predatiebeheer efficiënt en gericht te kunnen uitvoeren. Er zou een standaardmethode moeten worden uitgewerkt volgens welke de monitoring van predatoren zal gaan plaatsvinden. Het predatiebeheerplan kan alleen slagen bij een gecoördineerde aanpak, waarbij de Skriezekrite wordt ingedeeld in predatiebeheervelden. Voor ieder veld is een lokale jachtaktehouder verantwoordelijk voor de bestrijdingsonderdelen van het predatiebeheer. Een coördinator predatiebeheer is noodzakelijk, die zowel het monitoren van predatoren, de preventieve maatregelen en de schadebestrijding aanstuurt. Hierdoor ontstaat een evenwichtig predatiebeheer over het hele gebied. Bij de uitvoering van het predatiebeheerplan is naast de vogelwachten en WBE de Marren, de betrokkenheid van verschillende partijen gewenst, zoals agrariërs, LTO Noord, Staatsbosbeheer, It Fryske Gea, Domeinen, gemeente Wymbritseradiel, provincie Friesland, Wetterskip en Recreatieschap de Marrekrite. Een bijzonder aandachtspunt is de goede communicatie over het predatiebeheerplan naar het publiek toe. Het predatiebeheerplan kan mogelijk ook dienst doen als gedragscode. Er staat duidelijk in aangegeven waar de grenzen voor predatiebeheer liggen, zowel wettelijk als vanuit het beleid van de Skriezekrite Idzegea. Mogelijk dat dit plan in de toekomst als basis kan dienen voor een nog te ontwikkelen landelijke gedragscode voor weidevogelbeschermers. 3
Inhoudsopgave Samenvatting... 1 1. INLEIDING... 6 2. GEBIEDSBESCHRIJVING... 8 2.1 Algemeen... 8 2.2 Weidevogels... 10 3. PREDATIE VAN WEIDEVOGELS... 13 3.1 Algemeen... 13 3.2 Skriezekrite Idzegea... 19 3.2.1 Ontwikkelingen 1970 heden... 19 3.2.2 Predatoren... 20 3.2.3 Huidige predatie op weidevogels... 21 3.3 Selectie van doelpredatoren... 22 4. METHODEN VAN REGULATIE VAN PREDATOREN... 24 4.1 Randvoorwaarden... 24 4.2 Juridisch en beleidskader... 24 4.3 Preventieve methoden... 31 4.3.1 Verwijderen potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) roofvogels en kraaien... 31 4.3.2 Maaien rietzones en ruigtes... 33 4.3.3 Opruimen takkenbossen en houtstapels... 35 4.3.4 Alternatieve voedselbronnen tijdens de broedtijd... 36 4.3.5 Opruimen voedselbronnen buiten broedtijd... 37 4.3.6 Plaatsen predatorwerende (ultrasone) apparatuur als nestbescherming... 37 4.3.7 Geen stokken plaatsen direct bij nesten... 38 4.3.8 Nesten in beperkte mate opzoeken... 38 4.3.9 Verbeteren voedselaanbod kuikens... 39 4.3.10 Verbeteren maaibeheer... 40 4.4 Bestrijding... 40 5. MAATREGELEN PER DOELPREDATOR... 42 5.1 Vos... 42 5.1.1 Preventieve maatregelen... 42 5.1.2 Bestrijding... 42 5.3 Buizerd... 50 5.5 Zwarte kraai... 53 4
5.5.1 Preventieve maatregelen... 53 5.5.2 Bestrijding... 53 5.6 Bruine kiekendief... 56 5.7 Hond... 58 5.8 Kat... 58 6. GLOBAAL PLAN VAN AANPAK... 60 7. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN... 63 8. GERAADPLEEGDE BRONNEN... 67 8.1 Literatuur... 67 8.2 Wetgeving, Richtlijnen en Handreikingen... 70 5
1. INLEIDING Het project Skriezekrite Idzegea van Agrarische Natuur Vereniging (ANV) de Súdwesthoeke is in 2005 ontstaan vanuit de wens van een aantal betrokken weidevogelliefhebbers (boeren en weidevogelbeschermers) om de teruggang in aantallen broedparen van de verschillende weidevogelsoorten in het gebied te stoppen, met als speerpunt de Grutto. De Skriezekrite Idzegea wil in de komende jaren een maximale versterking van de gruttopopulatie in het gebied realiseren door specifieke beheer- en inrichtingsmaatregelen. Het streven is om tot 2010 het aantal van circa 400 broedparen grutto s te handhaven en daarna een stijgende lijn te realiseren met als streefgetal 500 broedparen in 2020. Landelijk is er sprake van een alarmerend laag reproductiesucces van grutto s. Vooral de kuikensterfte is hoog. Tijdens zenderonderzoek aan kuikens van grutto en kievit is, afhankelijk van het onderzochte gebied, tussen de 0-24% kuikenoverleving vastgesteld. De gemiddelde kuikenoverleving voor de Grutto was slechts 7%. Predatie was de meest vastgestelde doodsoorzaak. Naar schatting 70-85% van alle omgekomen kuikens waren door predatoren gepakt (Schekkerman, 2008). Ook binnen het werkgebied van de Skriezekrite Idzegea is er, mede als gevolg van predatie, sprake van een laag reproductieproces. In dit kader is vanuit de Skriezekrite Idzegea de wens naar voren gekomen om de regulatie van predatoren binnen het gebied te verbeteren. ANV de Súdwesthoeke heeft daarom Jonge Poerink Milieuadvies gevraagd om een predatiebeheerplan op te stellen. Het dient onderstreept te worden dat predatiebeheer het reproductiesucces wel kan verbeteren, maar dat de basis voor een succesvol weidevogelbeheer uiteraard ligt in zaken als een optimaal waterbeheer, bodembeheer, maaibeheer en voldoende voedselaanbod. Gelet op de kwetsbaarheid en het belang van de resterende populatie grutto s, is predatie anderzijds geen factor om te negeren. Daarom kiest de Skriezekrite Idzegea voor predatiebeheer als onderdeel van het weidevogelbeheer. Het predatiebeheerplan voor de Skriezekrite Idzegea heeft als doel een efficiënte en verantwoorde strategie uit te werken voor de regulatie van predatoren van weidevogels in het broedseizoen. Daarnaast moet het predatiebeheerplan antwoord geven op de volgende vragen: Wat is de ruimte binnen de huidige regelgeving Wat zijn de beschikbare methoden van predatorenregulatie Op welke predatoren moet het predatiebeheer zich richten Welke methoden zijn het meest geschikt voor de gekozen predatoren Hoe en wanneer kunnen deze methoden optimaal worden ingezet. Door de projectgroep van de Skriezekrite Idzegea zijn vooraf de volgende randvoorwaarden aan het predatiebeheerplan gesteld: Predatiebeheer alleen binnen de kaders van relevante wet- en regelgeving Uiteraard mag predatiebeheer alleen plaatsvinden binnen de wettelijke kaders. Toch is het goed om dit expliciet in de randvoorwaarden op te nemen. De Skriezekrite Idzegea staat uitsluitend achter predatieheer dat binnen de wettelijke kaders wordt uitgevoerd. 6
Geen maatschappelijk onaanvaardbare aantasting dierenwelzijn Het predatiebeheer mag geen maatschappelijk onaanvaardbare aantasting van het dierenwelzijn opleveren. Zo staat de wet afschot van zogende moervossen toe, waardoor jonge vossen in de burcht kunnen verhongeren. De Skriezekrite Idzegea staat niet achter een dergelijke schadebestrijding. Geen aantasting (karakteristieke en streekeigen) erfbeplanting Karakteristiek voor het gebied van de Skriezekrite Idzegea zijn de erven met hoogopgaande beplanting in de vorm van bijvoorbeeld wilgen, populieren en essen. Ondanks dat in deze bomen kraaien en roofvogels broeden heeft de projectgroep Skriezekrite Idzegea besloten deze beplanting niet aan te willen tasten in verband met het streekeigen en landschapsbepalend karakter. Om tot een gedegen predatiebeheerplan te komen zijn onder andere de volgende werkzaamheden verricht: Analyse beschikbare onderzoeksgegevens met betrekking tot predatie van weidevogels, zowel in binnen- als buitenland Verzamelen gebiedsspecifieke informatie met betrekking tot predatoren (beschikbare inventarisatiegegevens, gesprekken en enquête met/onder lokale velddeskundigen) Inventarisatie van landschapselementen die aantrekkelijk zijn voor predatoren (nestbomen, rietstroken, locaties voor vossenburchten, houtstapels etc.) Technisch vooronderzoek naar mogelijke methoden van predatorregulatie Juridisch vooronderzoek naar randvoorwaarden wetgeving en beleid. Op basis van de informatie die uit deze werkzaamheden naar voren is gekomen, is de invulling van de strategie van het predatiebeheerplan, in overleg met de projectgroep van de Skriezekrite Idzegea, verder uitgewerkt. Leeswijzer In Hoofdstuk 2 van dit rapport is een korte beschrijving van het gebied en de daarin voorkomende weidevogels gegeven. Vervolgens is in hoofdstuk 3 de huidige kennis op het gebied van predatie van weidevogels, zowel landelijk als gebiedsspecifiek besproken. Op basis van deze informatie is in hoofdstuk 3 een keuze gemaakt van predatoren waarop het predatiebeheerplan zich richt, de zogenaamde doelpredatoren. Een overzicht van beschikbare methoden van regulatie is in hoofdstuk 4 gegeven, evenals een samenvatting van relevante wetgeving en beleid. In hoofdstuk 5 is de aanpak per doelpredator verder uitgewerkt. Een globaal plan van aanpak is beschreven in hoofdstuk 6. Tenslotte zijn in hoofdstuk 7 de conclusies en aanbevelingen opgenomen. 7
Predatiebeheerplan Skriezekrite Idzegea 2. GEBIEDSBESCHRIJVING 2.1 Algemeen JPMA Rapportnummer 20090501 Het gebied van de Skriezekrite Idzegea ligt in het zuidwesten van de provincie Fryslân, binnen de grenzen van de gemeente Wymbritseradiel. De ligging is weergegeven in figuur 2.1 en figuur 2.2. Figuur 2.1 Luchtfoto Skriezekrite Idzegea De Skriezekrite Idzegea ligt in een gebied dat bestaat uit een aantal grote meren en plassen en omringende oeverlanden en polders. Het gebied ligt in It Lege Midden, een laaggelegen veen en klei-op-veengebied. Het is van oorsprong een veengebied wat door overstromingen bedekt is met een circa 30-40 cm dikke kleilaag. Gebiedskenmerken zijn de openheid, weidsheid en de vele meren en poelen omzoomd door rietkragen. Het totale werkgebied van de Skriezekrite Idzegea beslaat circa 1675 ha. In het noorden vormt de spoorlijn Sneek-Stavoren de begrenzing. Verder wordt de begrenzing in grote mate gevormd door de vele meren en poelen in het gebied. Door deze meren, poelen en tussenliggende verbindingsvaarten wordt het gebied verdeeld in circa 10 deelgebieden variërend in grootte van circa 50-300 ha. Er zijn ongeveer 44 boeren actief in het werkgebied van Skriezekrite Idzegea. De bedrijfsgrootte varieert van 5 tot 100 hectare. Op bijna alle bedrijven is melkveehouderij het belangrijkste bestaansmiddel, de grond is dan ook voornamelijk in gebruik als grasland met hier en daar een maïsperceel. Verder liggen er in Skriezekrite Idzegea twee reservaatgebieden, de Pine en Langehoek, die beiden worden beheerd door Staatsbosbeheer. 8
FIGUUR 2.2 LIGGING EN BEGRENZING SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Grens werkgebied Skriezekriete Idzegea Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-01 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
De Skriezekrite ligt in het Nationaal Landschap Zuidwest Fryslân, waar dit jaar een Landschapsvisie voor is opgesteld. Een groot deel van het gebied is aangewezen als ganzenfoerageergebied. Direct aangrenzende meren zijn aangewezen als Natura 2000 gebied, de Aldegeasterbrekken. De status ganzenfoerageergebied en Natura 2000 gebied leveren een aantal praktische beperkingen op voor het beheer van predatoren (zie paragraaf 4.2). 2.2 Weidevogels De Skriezekrite Idzegea is een rijk weidevogelgebied. In tabel 2.1 is een overzicht gegeven van het aantal broedparen dat in 2008 in het gebied is geteld (BoerenNatuur, 2008). In totaal werden zo n 1150 broedparen geteld, waarbij de Grutto met circa 400 broedparen in relatief groot aantal vertegenwoordigd is. Figuur 2.3 De Grutto is met circa 400 broedparen vertegenwoordigd binnen de Skriezekrite Idzegea. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij 10
Tabel 2.1 Getelde broedparen van weidevogels (BMP) Vogelsoort Getelde broedparen 2008 Grutto 419 Kievit 219 Tureluur 120 Scholekster 99 Watersnip 2 Gele kwikstaart 5 Graspieper 110 Veldleeuwerik 85 Witte kwikstaart 11 Bergeend 13 Krakeend 24 Kuifeend 19 Slobeend 13 Tafeleend 6 Zomertaling 5 Om een indruk te krijgen van de ruimtelijke verspreiding van de verschillende weidevogelterritoria is op de volgende pagina een stippenkaart opgenomen met daarop de verspreiding van broedparen van Grutto, Kievit, Tureluur, Scholekster en Watersnip in 2008. Figuur 2.4 De Graspieper: in 2008 110 broedparen in de Skriezekrite Idzegea. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij 11
3. PREDATIE VAN WEIDEVOGELS 3.1 Algemeen In de periode 2002 2005 is door SOVON een onderzoek naar predatoren van weidevogels uitgevoerd in 17 weidevogelgebieden in Nederland. Hierbij werd predatie van legsels onderzocht door middel van temperatuurloggers en videocamera s. Predatie van kuikens werd door middel van het volgen van gezenderde kuikens onderzocht (Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). Uit dit landelijk predatieonderzoek komt een heel scala aan vogels en zoogdieren als predatoren van weidevogels naar voren. Ook uit het onderzoek dat werd uitgevoerd in de Stollhammmer Wisch, een weidevogelgebied in Noord-Duitsland, komt dit beeld naar voren (Hoppstädter, Ramme Düttmann & Ehrnsberger, 2007). Figuur 3.1 Gruttonest. Legselpredatie werd door SOVON onderzocht met temperatuurloggers en videocamera s; alleen de opnames met de videocamera waren geschikt om op soortniveau predatoren te identificeren. 13
In tabel 3.1 is een overzicht gegeven van de soorten predatoren die in principe als predator van weidevogels in Nederland een rol kunnen spelen. Indien tijdens het landelijk predatieonderzoek en/of bij het onderzoek in de Stollhammer Wisch predatie door een bepaald soort predator is geconstateerd, dan is dit in tabel 3.1 aangegeven. Tabel 3.1 Overzicht van mogelijke predatoren van legsels, kuikens of adulten van weidevogels ( - predatie onwaarschijnlijk / + predatie mogelijk / ++ predatie bevestigd tijdens landelijk predatieonderzoek en/of predatieonderzoek in de Stollhammer Wisch (D)) Soort predator Legsel Kuiken Adult Blauwe reiger - ++ - Bruine kiekendief ++ ++ - Bruine rat + ++ - Buizerd - ++ - Bunzing ++ ++ + Egel ++ - - Ekster + ++ - Grote zilverreiger - + - Havik - ++ ++ Hermelijn ++ ++ + Hond + + - Kat - ++ + Kauw + ++ - Kerkuil - ++ - Kleine mantelmeeuw + ++ - Kokmeeuw + + - Wasbeerhond + + + Ooievaar - ++ - Roek + + - Slechtvalk - ++ + Sperwer - ++ - Steenmarter ++ ++ + Stormmeeuw + ++ - Torenvalk - ++ - Vlaamse gaai + + - Vos ++ ++ ++ Wezel + ++ - Zilvermeeuw + ++ - Zwarte kraai ++ ++ - 14
In figuur 3.2 is, van de tijdens het landelijk predatieonderzoek geïdentificeerde predatiegevallen, het aantal vastgestelde legselpredaties per predator aangegeven (samengesteld met gegevens uit Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). Aantal vastgestelde legselpredaties Figuur 3.2. Aantal gepredeerde legsels van kievit en grutto per geïdentificeerde predator. Door SOVON vastgesteld met nestcamera s in 6 weidevogelgebieden in Nederland (2004-2005). De gevonden aantalsverhoudingen kunnen niet als representatief voor Nederland worden beschouwd, maar ze geven wel een beeld van de range aan betrokken soorten en de ordegrootte van hun relatieve belang. (Grafiek samengesteld aan de hand van gegevens in Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). In totaal kon tijdens het SOVON predatieonderzoek bij 117 gevallen van legselpredatie, door middel van een videocamera, de predator worden geïdentificeerd. Uit figuur 3.2 blijkt dat vooral Vos en Hermelijn als legselpredator zijn geconstateerd. Zwarte kraai werd in veel mindere mate (slechts 3% van de geïdentificeerde predatiegevallen) als legselpredator geconstateerd dan op voorhand werd verwacht. Bij onderzoek in het Verenigd Koninkrijk werd een groter aantal predatiegevallen door Zwarte kraai met nestcamera s vastgelegd (15 % van de geïdentificeerde predatiegevallen; Macdonald & Bolton, 2008). Steenmarter, Egel, Bruine kiekendief en Bunzing werden bij het SOVON onderzoek slechts incidenteel als legselpredator geïdentificeerd. 15
In figuur 3.3 is, van de tijdens het landelijk predatieonderzoek geïdentificeerde predatiegevallen, het aantal vastgestelde kuikenpredaties per predator aangegeven (samengesteld met gegevens uit Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). Aantal kuikenpredaties Figuur 3.3. Aantal gepredeerde kuikens van kievit en grutto per geïdentificeerde predator. Door SOVON vastgesteld aan de hand van gezenderde kuikens (periode 2003-2005). De gevonden aantalsverhoudingen kunnen niet als representatief voor Nederland worden beschouwd, maar ze geven wel een beeld van de range aan betrokken soorten en de ordegrootte van hun relatieve belang. (Grafiek samengesteld aan de hand van gegevens in Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). *Zender vermist is in de grafiek opgenomen omdat uit Brits onderzoek aan kieviten (Mark Bolton) blijkt dat de gebruikte zenders niet bestand zijn tegen het spijsverteringsstelsel van grotere zoogdieren, zoals vossen en katten. Mogelijk dat een deel van deze vermiste kuikens met zender door vossen en/of katten zijn gepredeerd, waardoor de rol van de vos en kat bij kuikenpredatie tijdens het predatieonderzoek van SOVON is onderschat. ** Hermelijn: betreft voornamelijk hermelijn, maar ook andere kleine marterachtigen zoals bunzing en wezel Tijdens het zenderonderzoek werd zowel bij Grutto als bij Kievit een geringe overleving van kuikens vastgesteld. Tussen de onderzochte gebieden varieerde deze van 0-24%. De gemiddelde kuikenoverleving voor de Grutto was 7 %. Predatie was de meest vastgestelde doodsoorzaak: naar schatting 70-85% van alle omgekomen kuikens waren door predatoren gepakt, 5-10% kwamen om door maaiactiviteiten en 10-20% door andere oorzaken, waaronder verdrinking in sloten, vastraken in greppels en uitputting of ziekte (Schekkerman, 2008). Op grond van deze cijfers lijkt predatie een veel grotere tol te heffen onder kuikens dan de intensieve landbouwpraktijk. Het aandeel maaislachtoffers kan tijdens het SOVON zenderonderzoek echter zijn onderschat, onder meer doordat diverse soorten predatoren dode kuikens kunnen hebben opgepikt uit het pas gemaaide 16
gras. De geringe toename van predatie in perioden van maaien suggereert slechts een geringe mate van onderschatting (Teunissen et al, 2008). In totaal kon tijdens het landelijk predatieonderzoek bij 136 kuikenpredaties de predator worden geïdentificeerd. Uit figuur 3.3 blijkt dat vooral Hermelijn (mogelijk deels Bunzing en Wezel), Buizerd, Blauwe reiger, en Zwarte Kraai als kuikenpredator zijn geconstateerd. De Vos werd in veel mindere mate als kuikenpredator geconstateerd dan op voorhand werd verwacht. Mogelijk is de rol van de Vos als kuikenpredator tijdens het predatieonderzoek van SOVON onderschat. Zender vermist is in de grafieken 3.3 (en 3.4) opgenomen omdat uit Brits onderzoek met gezenderde kievitkuikens blijkt dat de gebruikte zenders niet bestand zijn tegen het spijsverteringsstelsel van grotere zoogdieren, zoals vossen en katten (mededeling Mark Bolton). Mogelijk dat een deel van deze vermiste kuikens met zender door vossen en/of katten zijn gepredeerd. Anderzijds zal de rol van aasetende soorten, zoals de Buizerd, mogelijk zijn overschat. Tijdens maaiwerkzaamheden gesneuvelde kuikens, die door aasetende soorten kunnen worden meegenomen, zijn tijdens het SOVON onderzoek niet onderscheiden van daadwerkelijk gepredeerde kuikens. Zoals eerder opgemerkt komt uit de vergelijking van de predatie in perioden van maaien en perioden van niet-maaien slechts een lichte toename van predatie na maaien naar voren. Dit suggereert een geringe mate van overschatting van de rol van aasetende soorten (Teunissen et al, 2008). In figuur 3.4 is van alle tijdens het SOVON predatieonderzoek geïdentificeerde predatiegevallen, het totale aantal vastgestelde legsel- en kuikenpredaties per predator aangegeven (samengesteld met gegevens uit Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). 17
Aantal legsel en kuikenpredaties Figuur 3.4. Aantal gepredeerde legsels en kuikens van kievit en grutto per geïdentificeerde predator. Door SOVON vastgesteld aan de hand van nestcamera s en gezenderde kuikens (periode 2003-2005). De gevonden aantalsverhoudingen kunnen niet als representatief voor Nederland worden beschouwd, maar ze geven wel een beeld van de range aan betrokken soorten en de ordegrootte van hun relatieve belang. (Grafiek samengesteld aan de hand van gegevens in Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). *Zender vermist is in de grafiek opgenomen omdat uit Brits onderzoek aan kieviten (Marc Bolton) blijkt dat de gebruikte zenders niet bestand zijn tegen het spijsverteringsstelsel van grotere zoogdieren, zoals vossen en katten. Mogelijk dat een deel van deze vermiste kuikens met zender door vossen en/of katten zijn gepredeerd, waardoor de rol van de vos en kat bij kuikenpredatie tijdens het predatieonderzoek van SOVON is onderschat. ** Hermelijn: betreft voornamelijk hermelijn, maar ook andere kleine marterachtigen zoals bunzing en wezel In totaal kon tijdens het SOVON predatieonderzoek bij 253 gevallen van legsel- en kuikenpredatie de predator worden geïdentificeerd. Uit figuur 3.4 blijkt dat vooral Vos, Hermelijn (mogelijk deels Bunzing en Wezel), Buizerd, Blauwe reiger, en Zwarte Kraai als predator van legsels en kuikens zijn geconstateerd. Van de geïdentificeerde predatiegevallen is circa 90 % aan de genoemde soorten toegeschreven. De tijdens het SOVON predatieonderzoek gevonden aantalsverhoudingen van weidevogelpredatoren zijn mogelijk niet representatief, maar geven wel een beeld van de range en ordegrootte het relatieve belang van de verschillende predatoren. Daarnaast dienen de volgende punten expliciet te worden vermeld: Predatie van adulten is tijdens het SOVON onderzoek niet specifiek onderzocht. Hierbij gaat het waarschijnlijk vooral om soorten als de Havik en de Vos. 18
Ook het effect van gebiedsmijding door weidevogels in verband met de aanwezigheid van predatoren als Vos en Havik is tijdens het SOVON onderzoek niet onderzocht. Honden komen uit de predatieonderzoeken in het geheel niet naar voren, terwijl loslopende honden lokaal een grote verstorende rol kunnen spelen. Uit het SOVON onderzoek komt duidelijk naar voren dat er grote verschillen zijn per gebied. Enerzijds door de specifieke soorten en aantallen predatoren binnen een gebied, maar anderzijds ook door voedselspecialisatie van bepaalde individuele predatoren in een gebied. Ook van jaar tot jaar kunnen er binnen een gebied grote verschillen optreden. Dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door jaarlijkse schommelingen in de aantallen predatoren, de aan/afwezigheid van individuele predatoren (met voedselspecialisatie) en sterke schommelingen in aantallen muizen. 3.2 Skriezekrite Idzegea Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, is predatie in ieder weidevogelgebied en in ieder jaar weer verschillend. Voor de Skriezekrite Idzegea ligt dit niet anders. In deze paragraaf wordt, voor zover bekend, de specifieke situatie binnen de Skriezekrite Idzegea nader toegelicht. 3.2.1 Ontwikkelingen 1970 heden In de afgelopen decennia zijn er grote veranderingen opgetreden in het voorkomen van een aantal belangrijke weidevogelpredatoren binnen de Skriezekrite Idzegea. Daarnaast zijn kleine marterachtigen, zoals de Hermelijn, inmiddels wettelijk beschermd. Deze veranderingen zijn in tabel 3.2 samengevat. Tabel 3.2 Veranderingen binnen de Skriezekrite Idzegea met betrekking tot een aantal weidevogelpredatoren Predator Situatie jaren 70 Situatie heden Blauwe reiger 1 kolonie op foerageerafstand 4 kolonies op foerageerafstand Bruine kiekendief < 5 broedparen* Circa 15 broedparen Buizerd Afwezig als broedvogel* Circa 5 10 broedparen Havik Afwezig als broedvogel* Aanwezig als broedvogel Hermelijn en bunzing Aantal onbekend Soorten bejaagbaar Aantal onbekend Soorten beschermd Vos Afwezig** Structureel aanwezig Zwarte kraai Circa 7 8 paar/1000ha* Circa 15 paar/1000ha (Landelijke toename 100-200%) * bron: Ploeg et al., 1976 ** bron: Broekhuizen, 1992 Uit tabel 3.2 kan worden afgeleid dat er in de afgelopen decennia een duidelijke toename van soorten en aantallen predatoren binnen het gebied is geweest. De toename van een aantal predatoren heeft, in combinatie met de sterk gedaalde aantallen weidevogels, geleid tot een substantiële toename van de predatiedruk op de resterende weidevogels binnen de Skriezekrite Idzegea. Volgens Schekkerman (2008) ligt het voor de hand dat de kolonisatie van open graslandgebieden door soorten zoals Buizerd en Vos tot een toename van de predatiedruk op weidevogels zou hebben geleid, en is het mogelijk dat predatie een bijdrage levert aan de versnelling in de afname van weidevogelaantallen die sinds de eeuwwisseling lijkt te zijn opgetreden. 19
3.2.2 Predatoren Door vrijwilligers is in 2006 en 2007 een inventarisatie naar het voorkomen van verschillende predatoren binnen de Skriezekrite Idzegea uitgevoerd. Op basis van deze inventarisatie zijn stippenkaarten samengesteld. Er zijn behalve deze stippenkaarten geen detailgegevens (tijdstip, aantallen, gehanteerde territoriumindicaties etc.) bekend, waardoor de bruikbaarheid van deze stippenkaarten beperkt is. In 2008 is de inventarisatie van predatoren niet gebiedsdekkend uitgevoerd. Om toch een beeld te geven van de aanwezigheid van predatoren in en rond het gebied zijn in bijlage 2 de inventarisatiegegevens van 2006 en 2007 op kaart weergegeven. Daarnaast is in tabel 3.3 een globale indicatie gegeven van het voorkomen tijdens de broedtijd van predatoren van weidevogels binnen de Skriezekrite Idzegea. Tabel 3.3 Indicatie van het voorkomen van predatoren binnen de Skriezekrite Idzegea tijdens de broedtijd Soort predator Voorkomen binnen de Skriezekrite Idzegea tijdens de broedtijd Blauwe reiger Geen broedvogel. Vier kolonies op foerageerafstand. Bruine kiekendief Broedvogel circa 15 paar Bruine rat Aanwezig, algemeen Buizerd Broedvogel, aantal circa 5-10 paar Bunzing Aanwezig, aantal onbekend Egel Aanwezig, aantal onbekend Ekster Broedvogel, algemeen Grote zilverreiger Geen broedvogel, foerageert in de broedtijd niet tot nauwelijks in het gebied Havik Broedvogel in klein aantal net buiten het gebied, foerageert wel binnen het gebied Hermelijn Aanwezig, aantal onbekend Hond Algemeen huisdier Kat Algemeen huisdier, ook verwilderd Kauw Broedvogel, zeer algemeen Kl. mantelmeeuw Geen broedvogel, foerageert wel binnen het gebied Kokmeeuw Geen broedvogel, foerageert wel binnen het gebied Marterhond Niet geconstateerd binnen het gebied, wel sporadisch in Friesland Ooievaar Geen broedvogel Roek Geen broedvogel, meerdere kolonies op foerageerafstand Slechtvalk Geen broedvogel Sperwer Broedvogel in klein aantal net buiten het gebied, foerageert wel binnen het gebied Steenmarter Mogelijk aanwezig, maar dan wel in klein aantal Stormmeeuw Geen broedvogel, foerageert wel binnen het gebied Torenvalk Broedvogel in klein aantal Vlaamse gaai Mogelijk broedvogel in zeer klein aantal Vos Structureel aanwezig in het gebied; relatief klein aantal Wezel Aanwezig, aantal onbekend Zilvermeeuw Geen broedvogel, foerageert wel binnen het gebied Zwarte kraai Broedvogel, algemeen In 2009 en 2010 zal opnieuw onderzoek naar predatie en predatoren door de Skriezekrite Idzegea worden opgestart, waarbij extra aandacht zal worden besteed aan een systematische en uniforme aanpak. 20
3.2.3 Huidige predatie op weidevogels De door nazorgers geregistreerde nestpredatie is binnen de Skriezekrite Idzegea als volgt: Grutto 15% Kievit 14% Tureluur 8% Scholekster 36%. Als de nesten met onbekende of niet meer te achterhalen verliesoorzaak ook onder predatie worden geschaard, wat deels het geval zal zijn, dan wordt uitgekomen op respectievelijk 20%, 19%, 14% en 41%. In tabel 3.4 is voor de Grutto het broedresultaat per deelgebied weergegeven (BoerenNatuur, 2008). Het Bruto Territoriaal Succes (BTS) van de Grutto was in 2008 24% ten opzichte van het totaal aantal broedparen. Er bestaat bij de nazorgers de indruk dat, naast legselpredatie, vooral kuikenpredatie hierbij een belangrijke rol speelt. Kuikenpredatie is echter veel moeilijker te monitoren dan legselpredatie. Tabel 3.4 Broedresultaten van de Grutto in de Skriezekrite Idzegea (2008), inclusief alarmtellingen, nestverliezen en verliesoorzaken(gegevens uit: BoerenNatuur, 2008) Oppervlak (ha) 1558 (werkgebied 1675) Broedparen Grutto 419 Broedparen Grutto per 100 ha 27 Gevonden nesten 317 Uitgekomen nesten 234 Nesten verloren gegaan 83 Predatie 49 Agrarische 2 werkzaamheden Verlaten 15 Onbekende oorzaak 17 Alarmtelling week 19 104 (25%) Alarmtelling week 21 147 (35%) Alarmtelling week 23 53 (13%) BTS* jaar 2008 24% BTS: Bruto Territoriaal Succes t.ov. totaal broedparen Grutto 21
Figuur 3.5 Bij Scholekster werd in 2008 een nestpredatie van 36% geconstateerd 3.3 Selectie van doelpredatoren Aangezien het beheer van predatoren veel tijd kost en het aantal beschikbare manuren beperkt is, is het van groot belang om dit efficiënt en gericht uit te voeren. Het is onmogelijk en inefficiënt om maatregelen te richten op alle in het gebied voorkomende soorten predatoren. Daarom is gekozen voor de selectie van een aantal doelpredatoren waarop het predatiebeheerplan zich specifiek zal richten. Uiteindelijk gaat het om het verlagen van de kans op predatie (predatiedruk) en niet om het terugdringen van alle predatoren. Bij gebrek aan exacte onderzoeksgegevens met betrekking tot de rol van predatoren binnen de Skriezekrite Idzegea, is gekozen voor een selectie van doelpredatoren op basis van de gegevens van het SOVON predatieonderzoek, in combinatie met gegevens over het voorkomen van predatoren en het beeld dat er bij de nazorgers in het gebied bestaat. Uit het SOVON predatieonderzoek (Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005) komt naar voren dat circa 90 % van de predatiegevallen met geïdentificeerde predatoren behoort tot de soorten Vos, Hermelijn, Blauwe reiger, Buizerd en Zwarte kraai. Zoals blijkt uit een onder een tiental nazorgers en andere lokale veldkenners gehouden enquête komt het beeld van de nazorgers in de Skriezekrite Idzegea in hoofdlijnen overeen met het beeld van het landelijk predatieonderzoek. Daarnaast wordt de Bruine kiekendief voor de Skriezekrite Idzegea relatief vaak genoemd als kuikenpredator. Dit is in tegenstelling met het SOVON predatieonderzoek, waarbij de Bruine kiekendief slechts incidenteel als kuikenpredator werd vastgesteld. Aangezien het aantal broedparen van de Bruine Kiekendief met circa 15 paar in vergelijking met de onderzoeksgebieden van het SOVON predatieonderzoek relatief hoog is, is een grotere rol als (kuiken)predator voor de Bruine kiekendief aannemelijk. 22
Op basis van het voorgaande zijn de volgende predatoren als doelpredator geselecteerd: Vos Hermelijn Buizerd Blauwe reiger Zwarte kraai Bruine kiekendief Voor bovengenoemde predatoren zal in de volgende hoofdstukken worden uitgewerkt op welke wijze de predatiedruk van deze soorten op weidevogels kan worden verlaagd. Figuur 3.6. Kievit Foto: Ruurd-Jelle van der Leij 23
4. METHODEN VAN REGULATIE VAN PREDATOREN In dit hoofdstuk worden relevante methoden van regulatie van predatoren besproken. Vooraf worden de randvoorwaarden en het juridisch en beleidskader voor het predatiebeheerplan nader toegelicht. Er is bij de methoden onderscheid gemaakt tussen preventieve methoden en bestrijdingsmethoden. Bij bestrijding kunnen predatoren worden gedood, verjaagd, opzettelijk verontrust of nesten worden verstoord. Bij preventieve methoden is dit niet het geval; deze methoden richten zich op ingrepen in de biotoop en het gedrag van predatoren. 4.1 Randvoorwaarden Door de projectgroep van de Skriezekrite Idzegea zijn vooraf de volgende randvoorwaarden aan het predatiebeheerplan gesteld: Predatiebeheer alleen binnen de kaders van relevante wetgeving Geen maatschappelijk onaanvaardbare aantasting dierenwelzijn Geen aantasting (karakteristieke en streekeigen) erfbeplanting Predatiebeheer alleen binnen de kaders van relevante wetgeving Uiteraard mag predatiebeheer alleen plaatsvinden binnen de wettelijke kaders. Toch is het goed om dit expliciet in de randvoorwaarden op te nemen. De Skriezekrite Idzegea staat uitsluitend achter predatieheer dat binnen de wettelijke kaders wordt uitgevoerd. Geen maatschappelijk onaanvaardbare aantasting dierenwelzijn Het predatiebeheer mag geen maatschappelijk onaanvaardbare aantasting van het dierenwelzijn opleveren. Zo staat de wet afschot van zogende moervossen toe, waardoor jonge vossen in de burcht kunnen verhongeren. De Skriezekrite Idzegea staat niet achter een dergelijke bestrijding. Geen aantasting (karakteristieke en streekeigen) erfbeplanting Karakteristiek voor het gebied van de Skriezekrite Idzegea zijn de erven met hoogopgaande beplanting in de vorm van bijvoorbeeld wilgen, populieren en essen. Ondanks dat in deze bomen kraaien en roofvogels broeden heeft de projectgroep Skriezekrite Idzegea besloten deze beplanting niet aan te tasten in verband met het streekeigen en landschapsbepalend karakter. 4.2 Juridisch en beleidskader De mogelijkheden voor het predatiebeheer worden in sterke mate bepaald door het juridisch kader. In deze paragraaf wordt de meest relevante wetgeving en beleid kort toegelicht. Flora- en Faunawet De Flora- en faunawet is op 1 april 2002 in werking getreden. Deze wet regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet regelt onder meer beheer, schadebestrijding, jacht, handel, bezit en andere menselijke activiteiten die een schadelijk effect kunnen hebben op beschermde soorten. De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen om ervoor te zorgen dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. 24
Onder de Flora- en faunawet zijn onder andere als beschermde soorten aangewezen: alle van nature in Nederland voorkomende zoogdierensoorten (behalve de Zwarte rat, de Bruine rat en de Huismuis); alle van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomende vogelsoorten; een aantal uitheemse dier- en plantensoorten. De volgende artikelen in de Flora- en Faunawet zijn in het kader van predatiebeheer van direct belang: Artikel 9 Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Artikel 10 Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten. Artikel 11 Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Artikel 12 Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen De binnen het predatiebeheerplan geselecteerde doelpredatoren Hermelijn, Blauwe reiger, Buizerd en Bruine kiekendief zijn volledig beschermd, inclusief eieren, nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Voor deze soorten is zonder ontheffing geen schadebestrijding mogelijk. Een aantal preventieve maatregelen zijn echter wel toegestaan. Vos en Zwarte kraai staan sinds 2006 op de landelijke vrijstellingslijst. De vrijstelling geldt voor de bovengenoemde artikelen uit de Flora- en Faunawet en bestrijding is jaarrond mogelijk. Er bestaat binnen de Flora- en Faunawet de mogelijkheid om via een vrijstelling, aanwijzing of ontheffing predatoren te kunnen bestrijden: Vrijstelling (Artikel 65 Ffwet) Artikel 65 kent twee soorten vrijstellingen, de landelijke en de provinciale. De vrijstelling is een algemene regeling die het doden van dieren toestaat ter voorkoming van landbouwschade. Op de landelijke vrijstellingslijst staan bijvoorbeeld de Houtduif, het Konijn, de Vos, de Zwarte kraai en de Kauw. Dit betekent dat deze soorten vanwege de schade die ze kunnen aanrichten ook buiten het jachtseizoen mogen worden gedood. De provinciale vrijstellingslijst verschilt per provincie. De vrijstelling geldt meestal voor bepaalde landbouwgewassen en een bepaalde periode, die per provincie verschillend kan zijn. 25
Aanwijzing (Artikel 67 Ffwet) De provincie kan groepen van personen aanwijzen die bepaalde soorten dieren mogen doden. Ook dit is een algemene regeling, die het doden van dieren toestaat bijvoorbeeld ter voorkoming van schade aan de fauna of schade aan landbouwgewassen of in verband met verkeersveiligheid. De aanwijzing kan per provincie verschillen. Individuele ontheffing door GS (Artikel 68 Ffwet) Gedeputeerde Staten kunnen een individuele ontheffing verlenen om beschermde diersoorten te verjagen, vangen of doden als dat niet mogelijk is op grond van artikel 65 of een aanwijzing op grond van artikel 67. Provinciale ontheffingen worden in principe aangevraagd door en verstrekt aan faunabeheereenheden (FBE s). Zo worden bijvoorbeeld ontheffingen verstrekt voor afschot van knobbelzwanen, reeën en ganzen. Voor de jacht op de vos met behulp van een lichtbak moet bij de provincie ook een ontheffing worden aangevraagd. In tegenstelling tot de vrijstelling en aanwijzing is een ontheffing een specifiek document dat de jager bij zich moet dragen tijdens de uitvoering daarvan. Artikel 68 kan voor elke soort worden aangevraagd. Het verlenen van een dergelijke ontheffing is in geval van schade aan flora en fauna verbonden aan de volgende voorwaarden: de ontheffing is ter voorkoming van schade aan flora en fauna; er bestaat geen alternatieve oplossing; de gunstige staat van instandhouding van de beschermde diersoort komt niet in gevaar; er mag geen onnodig lijden voor de dieren worden veroorzaakt. Individuele ontheffing door ministerie LNV(artikel 75 Ffwet) Naast de ontheffing door Gedeputeerde Staten kan bij het ministerie van LNV een individuele ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet worden aangevraagd. Er moet dan door de aanvrager expliciet worden aangegeven van welke verboden van de Flora- en faunawet ontheffing wordt aangevraagd. Onder de Flora- en faunawet zijn bij schadebestrijding de AMVB Besluit beheer en schadebestrijding dieren en de ministeriele regeling Regeling beheer en schadebestrijding dieren van kracht. De eerste geeft onder andere uitsluitsel over welke middelen bij bestrijding zijn toegestaan. Ganzenfoerageergebieden Omdat Nederland een belangrijke verantwoordelijkheid heeft voor het beschermen van overwinterende ganzen, mogen ganzen niet overal in Nederland verjaagd of gedood worden om schade te voorkomen. Het Beleidskader Faunabeheer bepaalt dat 80.000 hectare ganzenfoerageergebied aangewezen moet worden. Een groot deel van de Skriezekrite Idzegea is aangewezen als ganzenfoerageergebied. In dergelijke gebieden zijn ter bescherming van ganzen en smienten maatregelen van kracht die beperkingen opleggen aan onder andere het beheer van predatoren van weidevogels. In figuur 4.1 Is de ligging van ganzenfoerageergebieden in ZW Friesland aangegeven. 26
FIGUUR 4.1 GANZENFOERAGEER- GEBIEDEN SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Ganzenfoerageergebied Voor de exacte en actuele begrenzing: www.fryslan.nl Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-02 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
Binnen de ganzenfoerageergebieden mogen geen handelingen uit worden gevoerd die ganzen en smienten verontrusten. Zowel jacht als beheer en schadebestrijding mag binnen foerageergebieden uitsluitend plaatsvinden onder de volgende voorwaarden: Van zonsondergang tot 12.00 uur s middags zijn jacht, beheer en schadebestrijding in foerageergebieden niet toegestaan om de ganzen in de gelegenheid te stellen om vanuit de slaapplaatsen zonder verstoring te zoeken naar plaatsen om te foerageren. Van 12.00 uur s middags tot zonsondergang zijn jacht, beheer en schadebestrijding toegestaan zolang een afstand van tenminste 500 meter tot foeragerende ganzen en smienten in acht wordt genomen. Hiermee wordt verstoring voorkomen. Daarnaast is het van 15 oktober tot 1 januari toegestaan om van tevoren gepland eenmalig één dag per jachtveld te jagen, van een half uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang. Dit is onder de voorwaarde dat deze activiteit binnen het kader van de wildbeheereenheid wordt afgestemd tussen betrokkenen, zodat ook rekening wordt gehouden met de grootte van de gebieden en er niet overal tegelijkertijd gejaagd wordt en afdoende rekening wordt gehouden met de foerageerfunctie. Volgens het Beleidskader Faunabeheer geldt ongeacht de grootte van het jachtveld altijd één jachtdag per jachtveld. Figuur 4.2 Verstoring Van ganzen en smienten is in ganzenfoerageergebieden niet toegestaan. Dit legt beperkingen op aan schadebestrijding ten behoeve van weidevogels binnen de Skriezekrite Idzegea In de ontheffingen die door de provincie Fryslân worden afgegeven voor schadebestrijding worden deze voorwaarden al opgenomen. Ganzen en smienten mogen uiteraard in foerageergebied niet worden verjaagd of geschoten. Natura 2000-gebied De meren en oevers die grenzen aan de westelijke helft van de Skriezekrite Idzegea zijn aangewezen als Natura 2000 gebied. Het betreft de Oudegaasterbrekken, Vlakke Brekken, Ringwiel, Zandmeer en Groote Gaastmeer. In figuur 4.2 is de ligging van het Natura 2000-gebied aangegeven. 28
In verband met de status Natura 2000-gebied moet rekening worden gehouden met beperkingen voor het beheer van predatoren van weidevogels. Eventuele maatregelen in het kader van het predatiebeheer van weidevogels zullen niet ten koste mogen gaan van de habitattypen en soorten waarvoor dit Natura 2000-gebied is aangewezen. Het gebied is aangewezen voor de habitattypen Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition en Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland. Daarnaast is het gebied als speciale beschermingszone aangewezen voor de Meervleermuis, de Noordse Woelmuis en de Bittervoorn (Ontwerpbesluit Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving). De Noordse Woelmuis is aangewezen als prioritaire soort. Voor de Natura 2000-gebieden zal vooraf een gedegen afstemming met de Provincie Friesland moeten plaatsvinden over maatregelen zoals het vellen van bomen langs de oevers en de intensiteit van het maaien van rietstroken en oeverlanden. Overigens wordt In de KIWA Knelpunten en kansenanalyse voor het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken voorgesteld om ruigten 1x per 3 jaar te maaien voor de instandhouding van een goede kwaliteit van het habitattype zoomvormende ruigten (KIWA, 2007). 29
FIGUUR 4.3 NATURA 2000 - GEBIEDEN SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Natura 2000 - gebied Voor de exacte begrenzing dient altijd het aanwijzingsbesluit in combinatie met de bijbehorende kaart te worden geraadpleegd Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-03 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
4.3 Preventieve methoden Preventieve methoden richten zich op ingrepen in de biotoop en het gedrag van predatoren, zonder dat de artikelen 9 (verbod doden dieren), 10 (verbod opzettelijk verontrusten dieren), 11 (Verbod verstoren nesten en voortplantingsplaatsen) en 12 (verbod eieren te zoeken) uit de Flora- en Faunawet worden overtreden. In deze paragraaf worden de volgende preventieve maatregelen nader toegelicht: 1. Verwijderen potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) roofvogels en kraaien 2. Maaien rietzones en ruigtes 3. Opruimen takkenbossen en houtstapels 4. Alternatieve voedselbronnen aanleggen tijdens de broedtijd 5. Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd 6. Plaatsen predatorwerende (ultrasone) apparatuur 7. Geen stokken plaatsen direct bij nesten 8. Eenmaal gevonden nesten in zeer beperkte mate opnieuw opzoeken 9. Verbeteren voedselaanbod kuikens 10. Verbeteren maaibeheer 4.3.1 Verwijderen potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) roofvogels en kraaien Potentiële nestbomen en uitzichtpunten van roofvogels en kraaien kunnen preventief worden verwijderd. Dit voorkomt enerzijds nieuwe vestiging van nesten, terwijl anderzijds bij het ontbreken van uitzichtpunten het zoeken naar prooi lastiger kan worden. Het dient te worden benadrukt dat bij het verwijderen van bomen, vooraf altijd uiterst zorgvuldig moet worden afgewogen of landschap en natuur niet onaanvaardbaar worden aangetast. Alhoewel het gebied van de Skriezekrite Idzegea een open indruk maakt, blijkt uit de inventarisatie van potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) voor roofvogels en kraaien dat er toch sprake is van de nodige houtopstand. Figuur 4.4 geeft een overzicht van de locaties met houtopstand. Erfbeplanting is in figuur 4.4 niet aangegeven. Om te voorkomen dat buizerds zich gaan vestigen kunnen nestbomen en bosjes waar potentieel vestiging van de buizerd zou kunnen plaatsvinden worden verwijderd. Het vellen van bomen is alleen toegestaan buiten het broedseizoen. Het vellen van een door de Buizerd of Havik bewoonde nestboom is ook buiten het broedseizoen niet toegestaan. Bij het vellen van bomen is het vooral zinvol om de hoogopgaande boomsoorten, zoals Schietwilg aan te pakken. Grauwe wilg ( bolvormig en laagblijvend) is als broedplaats voor roofvogels minder van belang, maar juist wel belangrijk voor zangvogels. Daarom kan deze wilgensoort her en der blijven staan. Een bijkomend voordeel van het verwijderen van bomen is het herstel van de voor het gebied zo karakteristieke openheid en weidsheid van het landschap. Deze weidsheid wordt ook benadrukt in de Landschapsvisie Nationaal Landschap ZW Friesland. Vanuit deze visie is in de toekomst mogelijk ook geld beschikbaar voor maatregelen om de openheid van het landschap te herstellen. Speciale aandacht is vereist voor de bomen die staan in Natura 2000-gebied (zie figuur 4.2). Hier zal vooraf een gedegen afstemming met de Provincie Friesland moeten plaatsvinden over maatregelen zoals het vellen van bomen langs de oevers. De erven met hoogopgaande beplanting in de vorm van bijvoorbeeld wilgen, populieren en essen zijn karakteristiek voor het gebied en zullen daarom niet worden geveld ter voorkoming van vestiging van roofvogels en kraaien. 31
FIGUUR 4.4 LOCATIES MET HOUTOPSTAND SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Locatie met houtopstand (exclusief erfbeplanting) Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-04 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
Figuur 4.5 Op diverse plaatsen in het gebied van de Skriezekrite Idzegea is in de oeverzones opslag van wilgen ontstaan. De hoogopgaande Schietwilgen vormen een broedplaats voor kraaien en roofvogels 4.3.2 Maaien rietzones en ruigtes Het gebied van de Skriezekrite Idzegea is rijk aan rietvelden, rietstroken en ruige oeverzones. Figuur 4.7 geeft een overzicht van de belangrijkste rietvelden, rietstroken en ruige oeverzones. De Bruine kiekendief broedt in overjarige rietvelden en rietstroken. Ook vossen en kleine marterachtigen houden zich graag in deze oeverzones op. Door het maaien van overjarig riet is het mogelijk om lokaal vestiging van bruine kiekendieven en vossen te kunnen beperken. Als strategie zou daarbij kunnen worden gehanteerd dat juist rietzones nabij percelen waar veel weidevogels met hun kuikens foerageren te maaien. Op deze wijze zou de kans op predatie van weidevogelkuikens door bruine kiekendieven en vossen verlaagd kunnen worden, zij het in beperkte mate. Figuur 4.6 De oeverzones van de meren rond de Skriezekrite Idzegea vormen kilometers lange zones van riet en ruigte 33
FIGUUR 4.7 VOORNAAMSTE RIETZONES EN RUIGTES SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Rietzones en ruigtes Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-10 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
Rigoureus maaien van rietvelden is om verschillende redenen niet wenselijk: Ook andere rietvogels zoals Rietzanger, Baardman, Rietgors en Roerdomp hebben overjarig riet nodig om tot broeden te kunnen komen; Rietzones vormen dekking en een bron van alternatief voedsel (eenden, ganzen, meerkoeten en hun nesten) voor predatoren, zoals vossen. Valt deze voedselbron weg dan zou er een extra predatiedruk op de weidevogels kunnen ontstaan. Figuur 4.8 Nest van Waterhoen. Nesten van watervogels in de rietzones zijn een alternatieve voedselbron voor predatoren van weidevogels Het maaien van riet zou zich daarom moeten beperken tot rietzones nabij percelen waar veel weidevogelkuikens foerageren, met een maximum van hooguit 50-75% van het totale areaal riet. Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met beperkingen die er zijn voor de zones die onder het Natura 2000-gebied vallen. Een toekomstig aandachtsgebied is de ecologische verbindingszone die nieuw is aangelegd tussen Hegemer Mar en Idzegeaster Poel. In deze verbindingszone, die in beheer is bij Staatsbosbeheer, zal riet en verruiging moeten worden voorkomen. 4.3.3 Opruimen takkenbossen en houtstapels Vossen en kleine marterachtigen houden zich graag schuil onder takkenbossen en houtstapels. Dergelijke houtstapels zouden daarom binnen de Skriezekrite Idzegea systematisch moeten worden opgeruimd. Vooral nabij de kerngebieden voor weidevogels is dit extra van belang. Ook bij eventueel landschapsonderhoud of kapwerkzaamheden is het noodzakelijk om vrijkomend hout en takken binnen korte tijd af te voeren. Een ander aandachtspunt zijn hierbij hout- en steenstapels op boerenerven in het gebied. Ook hier kunnen vossen en kleine marterachtigen zich vestigen. Figuur 4.9 Daar waar bomen worden gekapt is het noodzakelijk de takkenbossen op te ruimen. 35
4.3.4 Alternatieve voedselbronnen tijdens de broedtijd Uit onderzoek in Duitsland is gebleken dat vossen in de jongenperiode hun prooi zo dicht mogelijk bij de burcht trachten te vinden (Labhardt,1990). Bij voldoende alternatief voedselaanbod in een gebied, bijvoorbeeld in de vorm van muizen, is de predatiedruk op weidevogels lager. Om extra muizen in een gebied te krijgen kunnen zogenaamde muizenhaarden worden aangelegd. Muizenhaarden bestaan uit extensief beheerde stroken en overhoekjes. Net buiten het kerngebied voor de weidevogels in de Skriezekrite Idzegea zouden muizenhaarden kunnen worden aangelegd. Vossenburchten komen vooral ten Noorden en ten Westen van de Skriezekrite Idzegea voor. Vanuit dit gegeven is het voor de hand liggend om de muizenhaarden vooral aan deze kant van het gebied aan te leggen. Vossen die op weg zijn naar de kerngebieden voor weidevogels in de Skriezekrite Idzegea kunnen op deze wijze mogelijk worden gestimuleerd hun prooi niet in het weidevogelgebied te zoeken. Ook voor marterachtigen, Buizerd, Bruine kiekendief en Blauwe reiger is het aanbieden van alternatieve voedselbronnen, zoals muizenhaarden, een mogelijkheid om de predatiedruk op weidevogels te verminderen. Ideale muizenhaarden voldoen aan de volgende eisen (Fopma, 2000): er is een goede vegetatiestructuur tengevolge van een hoge diversiteit van de vegetatie; de vegetatie is relatief dicht en hoog; er is gedurende de winter een afgestorven plantenlaag aanwezig; geen begrazing (ook extensieve begrazing is bij randenbeheer nadelig voor muizen); in het najaar wordt niet gemaaid; een extensieve rand moet een breedte van minimaal circa 3 6 meter hebben; een vaste afrastering leidt vaak tot het beste resultaat. De muizenhaarden zouden kunnen bestaan uit een combinatie van extensief beheerde stroken en nog extensiever beheerde overhoekjes. De overhoekjes en extensief beheerde stroken moeten niet te ver van elkaar liggen. De ligging van een overhoekje is optimaal bij een ligging in een straal van 100 meter van de beheersstrook. Bij grotere afstand is kolonisatie van de stroken vanuit de overhoekjes moeilijker. De overhoekjes moeten enkele jaren onaangeroerd blijven. Pas als er sprake is van struikvorming of boomopslag is ingrijpen in de vorm van maaien noodzakelijk. De minimale afmeting van een overhoekje moet 100m² zijn. De ligging van de aan te leggen stroken en overhoekjes moet in nauw overleg met de betrokken agrariërs. Veel agrariërs staan afwijzend tegenover de aanleg van muizenhaarden in verband met de mogelijke schade die muizen kunnen veroorzaken. Naast muizenhaarden vormen nesten van watervogels die in de rietzones broeden een alternatieve voedselbron, exact in de periode dat de weidevogels broeden. Ook hazen en mollen vormen voor een aantal predatoren een geschikte prooi. Het is van belang dat de hazenstand op een zo hoog mogelijk peil wordt gehouden en er geen sprake is van overbejaging. Blauwe reigers zijn als predator moeilijk te beïnvloeden. Als kunstgreep zou kunnen worden overwogen om blauwe reigers in de kuikenperiode van de weidevogels kortstondig te voeren met bijvoorbeeld eendagskuikens. Dat zou dan in ieder geval buiten het weidevogelgebied moeten plaatsvinden, omdat anders reigers juist naar het weidevogelgebied worden gelokt. Een nadeel van deze methoden is dat het niet duidelijk is wat het effect op lange termijn zal zijn. Er bestaat namelijk de kans dat predatoren door de muizenhaarden en het bijvoeren in aantal toenemen. Vervolgens kunnen deze predatoren in een slecht muizenjaar juist een extra predatiedruk op weidevogels veroorzaken. 36
4.3.5 Opruimen voedselbronnen buiten broedtijd Niet afgedekte maiskuilen lokken vooral kraaiachtigen. Gedurende de wintermaanden en het vroege voorjaar kunnen kraaien zich vestigen in de nabijheid van deze maiskuilen. Daarnaast kan ook zwerfafval kraaiachtigen lokken. Een groter aantal kraaien zal de winter doorkomen door dit voedselaanbod. Verder wordt de vestiging van broedparen en de aanwezigheid van groepen solitaire kraaien in de omringende weidevogelgebieden gestimuleerd. De predatiedruk op weidevogels kan hierdoor verhoogd worden. Een eenvoudige aanpassing van de bedrijfsvoering, namelijk het tussentijds afdekken van de maiskuil, kan dus een gunstig effect op weidevogels hebben. Een bijkomend voordeel van deze methode is dat de kans op het overbrengen van besmettelijke ziekten (bijvoorbeeld MKZ) via kraaiachtigen wordt beperkt. Boeren zouden moeten worden voorgelicht over het nadelig effect van het open laten van maiskuilen. 4.3.6 Plaatsen predatorwerende (ultrasone) apparatuur als nestbescherming Ter voorkoming en verjaging van steenmarters in woningen, en katten in tuinen, is er apparatuur ontwikkeld die een bewegingsmelder met een ultrasoon luidsprekertje combineert. Een voorbeeld van een dergelijk apparaat is de Weitech WK0051. Het apparaat is vrij in de handel verkrijgbaar. Figuur 4.10 De Weitech WK0051, produceert ultrasone geluiden De methode met ultrasone geluiden zou ook bij weidevogelnesten kunnen werken om te voorkomen dat legsels van weidevogels worden gepredeerd. Zodra een predator zich in de buurt van een nest bevindt gaat het apparaatje in werking en produceert een ultrasoon geluid dat voor zoogdieren (Vos, Hermelijn, Bunzing, Steenmarter, Kat, Hond en Wasbeerhond) onaangenaam is. Ook andere zoogdieren, zoals hazen en reeën kunnen, op het moment dat zij binnen de werkingszone van het apparaat komen, hierop reageren. Voor mensen en vogels is het ultrasone geluid niet waarneembaar. Vogels kunnen geluiden van circa 1-10 khz waarnemen. Het apparaat produceert ultrasoon geluid van meer dan 18 khz. De methode is veelbelovend, maar zal eerst nader moeten worden onderzocht alvorens deze in het veld kan worden toegepast. Bij gebleken geschiktheid, zou een bijkomend voordeel kunnen zijn dat de bestrijding van de Vos minder intensief hoeft plaats te vinden. Aangezien het apparaat niet soortspecifiek is zullen ook beschermde zoogdiersoorten (in beperkte mate!) kunnen worden verontrust. De Flora- en Faunawet staat het bewust verontrusten van 37
beschermde diersoorten niet toe. Alleen in het kader van schadebestrijding zou bij de Provincie een ontheffing kunnen worden aangevraagd. Voor het specifiek verjagen van de Vos, bijvoorbeeld bij de burcht, is het apparaat wel toegestaan, omdat de Vos op de landelijke vrijstellingslijst is geplaatst. 4.3.7 Geen stokken plaatsen direct bij nesten De weidevogelbeschermers markeren weidevogelnesten met stokken. Deze stokken hebben voor sommige predatoren een signaalfunctie. Zo zijn kraaien bijvoorbeeld in staat om de link te leggen tussen deze stokken en de aanwezigheid van voedsel in de vorm van weidevogeleieren. Op deze wijze is het mogelijk dat individuele kraaien systematisch alle stokken langs gaan en de betreffende nesten prederen. Er zijn alternatieven beschikbaar om dit nadelig effect te voorkomen: Door de stok op ruime afstand (5-10m) van het nest te plaatsen wordt de kans kleiner dat een kraai een gemarkeerd nest ontdekt Door een golfbal met daarin een chip met een RFID signaal te plaatsen. In figuur 4.11 is een voorbeeld van een dergelijke golfbal weergegeven. De golfbal steekt niet opvallend boven het gras uit, zoals bij de stokken. De agrariër kan vervolgens tijdens het maaien een ontvanger op de trekker plaatsen. Bij nadering van de golfbal geeft de ontvanger een geluidssignaal af zodat de agrariër wordt gewaarschuwd dat hij tijdens het maaien een nest nadert. Bij een kleinschalig onderzoek in Drenthe zijn positieve ervaringen met dit systeem opgedaan (Bulder, 2008). Nadeel van deze methode dat het een relatief dure en omslachtige methode is. Figuur 4.11 Golfbal met RFID chip, onzichtbaar voor kraaien te plaatsen bij weidevogelnesten. Bij nadering van de golfbal geeft de ontvanger op de trekker een geluidssignaal af zodat de agrariër wordt gewaarschuwd dat hij tijdens het maaien een nest nadert. 4.3.8 Nesten in beperkte mate opzoeken Vooral kleine marterachtigen en vossen kunnen de loopsporen van weidevogelbeschermers volgen richting het nest. Of hier sprake is van het volgen van de geur of de looppaden door het hoge gras is niet duidelijk, maar de indruk bestaat dat weidevogelnesten via deze sporen een verhoogde kans op predatie hebben. Uit een door SOVON uitgevoerde analyse blijkt dat ieder nestbezoek de kans op uitkomstsucces met circa 10% verlaagt, o.a. door een hogere kans op predatie (Teunissen, Schekkerman & Willems, 2005). Daarom moet het zoeken naar weidevogelnesten zo veel mogelijk worden beperkt. De nazorger bezoekt het nest hoogstens 1 maal per week om het broedverloop te controleren. Het is van belang om daarbij niet hetzelfde spoor als de voorgaande keer te volgen, zodat er minder snel paden door het hoge gras ontstaan waarlangs kleine marterachtigen en vossen het nest kunnen lokaliseren. 38
Met behulp van een infrarood Game Finder kunnen weidevogelnesten mogelijk makkelijker en gerichter worden teruggevonden, waardoor loopsporen in het gras worden beperkt. Dergelijke Game Finders worden bijvoorbeeld in Duitsland, voorafgaand aan maaiwerkzaamheden, gebruikt voor het opsporen van reekalfjes. Naar verwachting zal deze methode ook bij nesten en kuikens van weidevogels kunnen werken. Voor zover bekend is er met weidevogels nauwelijks ervaring met deze techniek opgedaan. Ook vanuit de efficiëntie van de nazorg gezien is deze techniek interessant. Nu wordt voorafgaand aan het maaien langdurig gezocht naar moeilijk te traceren nesten, van bijvoorbeeld tureluur. Figuur 4.12 Game finder 4.3.9 Verbeteren voedselaanbod kuikens Verzwakte kuikens vormen een makkelijke prooi voor predatoren (Schekkerman, 2008). Kuikens die een voldoende voedselaanbod in de vorm van vliegjes en andere insecten ter beschikking hebben, zullen een betere conditie hebben, waardoor de kans dat ze gepredeerd worden kleiner zal worden. Juist het voedselaanbod voor kuikens is een onderdeel van het weidevogelbeheer waar nog verbeteringen mogelijk zijn. Hierbij valt onder andere te denken aan: - Voldoende lang en kruidenrijk gras in de kuikenperiode. Door uitgesteld maaien en voldoende vluchtstroken neemt het insectenaanbod voor kuikens toe (Verhulst et al., 2008). - Aanleg van kruidenrijke randen en slootkanten. Kruidenrijke graslanden vormen het meest geschikte foerageerhabitat voor gruttokuikens (Kleijn et al., 2007). Aan slootkanten zijn veel insecten waarvan de larve in het water leeft te verwachten. Het voedselaanbod kan daardoor in dergelijke randen relatief hoog zijn. Daarnaast bieden deze randen in ongemaaide toestand een goede dekking in reeds gemaaide percelen. - Stimulering van het bodemleven, bijvoorbeeld door het gebruik van ruige stalmest. Veel larven van insecten die als prooi dienen voor weidevogelkuikens leven in de bodem. Door deze bodemorganismen te stimuleren zal het voedselaanbod voor kuikens in de vorm van de imagines (volwassen insecten)ook groter kunnen worden. - Koeienvlaaien en vee lokken de nodige insecten, zoals strontvliegen en huisvliegen. Scatophagidae (strontvliegen) en Muscidae (huisvliegen en verwanten) vormen belangrijke prooidieren voor kuikens (Beintema et al., 1991). Hoewel intensieve begrazing juist nadelig is voor het aanbod van insecten omdat daardoor het gras te kort wordt, zou extensieve begrazing (bijvoorbeeld met jongvee) juist voordelig kunnen zijn, in verband met de aantrekking van insecten door koeienvlaaien en vee. Het vee zou dan niet moeten worden behandeld met ontwormingsmiddelen, aangezien dit nadelig kan zijn voor de ontwikkeling van larven. Overigens mijden grutto s met jongen percelen waar op dat moment beweid wordt. 39
Figuur 4.13 Gruttokuiken. De kans op predatie is kleiner voor kuikens in goede conditie Foto: Ruurd-Jelle van der Leij 4.3.10 Verbeteren maaibeheer Het gevoerde maaibeheer heeft invloed op de predatie in een gebied (Schekkerman 2008). Hoe ruimer om nesten van weidevogels heen wordt gemaaid, hoe kleiner de kans op predatie van een legsel is. Daarnaast moet er in de kuikenperiode voldoende dekking in het gebied aanwezig zijn, in de vorm van ongemaaid grasland. Binnen de Skriezekrite Idzegea wordt al op grote schaal aan mozaïekbeheer met speciaal kuikenland gedaan, waarbij het maaien wordt uitgesteld en er met vluchtheuvels en maaitrappen wordt gewerkt. Een dergelijk beheer verkleint de kans op predatie, omdat de kuikens voldoende dekking hebben. De vluchtstroken moeten niet te smal zijn anders vinden kuikens onvoldoende dekking voor predatoren. Toch is het aanbod van kuikenland binnen de Skriezekrite Idzegea nog niet optimaal. In 2008 had slechts 29 procent van de gruttoterritoria gedurende het hele seizoen voldoende kuikenland ter beschikking (Boerennatuur, 2008). Hier is dus nog veel verbetering noodzakelijk, niet alleen voor het voedselaanbod van kuikens, maar ook ter voorkoming van predatie. 4.4 Bestrijding Vos en Zwarte kraai staan sinds 2006 op de landelijke vrijstellingslijst (art. 65 Ffwet). De vrijstelling geldt voor de artikelen 9 (verbod doden dieren), 10 (verbod opzettelijk verontrusten dieren), 11 (Verbod verstoren nesten en voortplantingsplaatsen) en 12 (verbod eieren te zoeken) uit de Flora- en Faunawet. De bestrijding is jaarrond mogelijk. Van belang is daarbij dat de schadebestrijding alleen 40
mag plaatsvinden door, of met goedkeuring van, de grondeigenaar/gebruiker. Daarnaast mag schadebestrijding alleen plaatsvinden met de in de Flora- en faunawet vermelde middelen. Aangezien de methoden van schadebestrijding voor Vos en Zwarte kraai volledig soortspecifiek zijn worden deze in hoofdstuk 5 voor Vos en Zwarte kraai afzonderlijk in detail besproken. Figuur 4.14 Tureluur Foto: Ruurd-Jelle van der Leij 41
5. MAATREGELEN PER DOELPREDATOR In dit hoofdstuk worden de maatregelen per doelpredator nader toegelicht. 5.1 Vos 5.1.1 Preventieve maatregelen Preventief kunnen de volgende methoden tegen predatie van weidevogels door vossen worden ingezet: Maaien rietzones en ruigtes (zie 4.3.2) Opruimen takkenbossen en houtstapels (zie 4.3.3) Alternatieve voedselbronnen aanleggen tijdens de broedtijd (zie 4.3.4) Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd (zie 4.3.5) Plaatsen predatorwerende (ultrasone) apparatuur (zie 4.3.6) 5.1.2 Bestrijding De Vos is beschermd op grond van artikel 4 van de Flora- en faunawet, maar staat sinds 2006 op de landelijke vrijstellingslijst. Daarom kan de Vos jaarrond worden bestreden. Strategie vossenbestrijding Bij de vossenbestrijding wordt bij voorkeur de volgende strategie gehanteerd: Bestrijding van vossen niet jaarrond, maar gericht in de perioden dat dit voor de weidevogels zinvol is, namelijk van medio januari tot juni; Schoontijd voor de Vos in de periode van 1 juli tot medio januari. De Vos is in deze periode niet schadelijk voor de weidevogels en kan wel een functie hebben als natuurlijke vijand van hermelijnen en andere kleine marterachtigen; Geen afschot van zogende moervossen om onnodig lijden van jonge vossen te voorkomen; Aanleg van een bufferzone rondom de Skriezekrite, waar vossen ook worden bestreden. Bovenstaande strategie is, met betrekking tot de schoontijd voor vossen, alleen uitvoerbaar als er voldoende menskracht beschikbaar is. Gelet op de omvang van het gebied en het aantal beschikbare wildbeheerders is dit op dit moment helaas niet het geval. Er zal dan ook moeten worden afgeweken van de voorkeursstrategie, waardoor er toch in de voorgestelde schoontijd moet worden bestreden. Periode van bestrijding Vanuit de ecologie van de Vos bezien is het weinig zinvol om gedurende de nazomer, herfst en vroege winter te bejagen. Dit houdt verband met het sociale systeem van vossen, waarbij vooral volwassen dieren in territoria leven en jonge dieren in de marges van deze territoria rondzwerven en trachten opengevallen plekken in te nemen. In de genoemde perioden zijn wel veel dieren te bemachtigen, echter merendeels de onervaren, jonge dieren. Deze zullen grotendeels ook op natuurlijke wijze verdwijnen door sterfte en dispersie. Het doden van volwassen dieren in deze perioden heeft niet veel zin, omdat open plekken door het surplus aan zwervende, jonge dieren zeer snel weer ingenomen worden. Bejaging in deze perioden is dus weinig effectief (Mulder, 2007). Het territoriale systeem is het meest stabiel is de nawinter en het voorjaar. Rond eind januari liggen de grenzen van de territoria grotendeels vast, zijn de meeste zwervers verdwenen en vertonen de overgebleven niet-territoriale dieren een sterk verminderd zwerfgedrag. Opengevallen territoria worden dan veel minder snel ingenomen door deze dieren en ook minder snel toegevoegd aan buurterritoria. De bestrijding moet dan wel intensief worden uitgevoerd, zodat in relatief korte tijd zoveel mogelijk dieren worden verwijderd, voordat er jongen worden geboren. 42
Het resultaat van de bestrijding, een verlaagd aantal vossen in het gebied, zal tijdelijk zijn en in de loop van het jaar weer wegebben door immigratie van (jonge) vossen van elders (Mulder, 2007). Dit proces is natuurlijk wel sterk afhankelijk van de mate van bestrijding buiten het gebied. Op dit moment wordt de vos ook buiten de Skriezekrite Idzegea intensief bestreden, zodat de immigratie van vossen van elders relatief beperkt zal zijn. De mogelijk geringe publieke acceptatie voor het doden van jonge vossen maakt het naar voren schuiven van de bestrijdingsintensiteit (medio januari begin april) des te belangrijker: er hoeven dan veel minder jonge vosjes geschoten te worden, omdat ze er minder zullen zijn. In figuur 5.2 zijn de gebieden aangegeven waar vossen zich bij voorkeur zullen vestigen. Naast deze aandachtsgebieden zijn ook erven van boerderijen, silo s en dammetjes van belang om te monitoren op vossen. Omdat de optimale periode van vossenbestrijding relatief beperkt is, is het noodzakelijk om in de periode oktober- medio januari al systematisch vossen(sporen) te inventariseren, zodat gerichte en intensieve bestrijding vanaf medio januari mogelijk is. Figuur 5.1 Vossenkeutel. Door de beperkte periode van optimale vossenbestrijding moet vooraf systematisch onderzoek naar sporen van vossen plaatsvinden. Bufferzone In het onderzoek van Jaap Mulder in Limburg bleek een bufferzone van ca. 1 km rondom de hamsterreservaten voldoende te zijn. In de periode februari t/m mei was de actieradius van vossen beperkt (max. 1 kilometer, territoria circa 65 ha). Ondanks een hoog afschot in het reservaatgebied, waren er geen bewegingen richting het reservaatgebied (Mulder, 2007). Voor de Skriezekrite Idzegea zou een dergelijke bufferzone ook moeten worden aangehouden. Aangezien de Skriezekrite voor een groot deel is omgeven door meren en brede watergangen is aan deze zijden geen bufferzone nodig. Deze wateren vormen een hindernis voor foeragerende vossen. Vooral aan de noord en oostzijde is een dergelijke bufferzone wel noodzakelijk. Daar bevinden zich de potentiële routes waarlangs foeragerende vossen in de broedtijd het gebied in kunnen trekken (zie figuur 5.3). In Figuur 5.4 is de begrenzing van de bufferzone voor vossenbestrijding aangegeven. Aandachtsgebieden zijn daarbij het Notarisbosje bij het Piekemeer, Syp Set en Abbegeaster Puollen (zie figuur 5.2). 43
FIGUUR 5.2 AANDACHTSGEBIEDEN VOSSENMONITORING SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Aandachtsgebied vossenmonitoring Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-08 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
FIGUUR 5.3 POTENTIËLE ROUTES FOERAGERENDE VOSSEN Mogelijke route foeragerende vossen afkomstig van buiten de Skriezekrite Idzegea in het broedseizoen Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-06 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
FIGUUR 5.4 BUFFERZONE VOSSENBESTRIJDING SKRIEZEKRITE IDZEGEA LEGENDA Grens werkgebied Skriezekriete Idzegea Grens bufferzone vossenbestrijding Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-07 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
Methoden van vossenbestrijding Bij alle vormen van vossenbestrijding zal in de ganzenfoerageergebieden rekening moeten worden gehouden met de beperkingen binnen deze gebieden. Het is verstandig om meerdere methoden van vossenbestrijding te combineren omdat de verschillende methoden van bestrijding elk een ander 'type' Vos opleveren (Mulder, 2007). Burchtbejaging met aardhond Bij burchtbejaging staan enkele jagers opgesteld rond een vossenburcht, en wordt een klein hondje ('aardhond', vaak een teckel of terriër) losgelaten in de burcht. De bedoeling is dat de vos de burcht verlaat en dan geschoten wordt. Dit is een zeer effectieve methode, maar er zijn wel een aantal nadelen: vooralsnog alleen in de periode van medio januari tot 1 maart te gebruiken, omdat de wet het gebruik van aardhonden van 1 maart tot 1 september niet toestaat. Getracht kan worden om een ontheffing te krijgen voor het gebruik van aardhonden tot 1 april. goede aardhonden zijn schaars en mensen met aardhonden zijn niet altijd op afroep beschikbaar. Er zouden binnen WBE de Marren aardhonden speciaal kunnen worden aangeschaft. het is relatief tijdrovend (alle bekende bouwen moeten met minimaal twee personen regelmatig bezocht worden) aardhonden moeten soms uitgegraven worden. In Duitsland wordt bij de burchtjacht met aardhond gebruik gemaakt van grofmazige vangnetten, waarmee de overige pijpen worden afgedekt. Hiermee wordt de kans op het werkelijk bemachtigen van aanwezige vossen verhoogd en het aantal benodigde mensen verkleind (ten Den, 2008). Figuur 5.5 Mobyjagd betonnen kunstbouw voor vossen Kunstbouwen Vossen accepteren vrij gemakkelijk kunstbouwen als alternatief voor een zelfgemaakte burcht. Dergelijke kunstbouwen bestaan meestal uit betonelementen of kunststofpijpen die relatief eenvoudig uit elkaar kunnen worden genomen. In dergelijke kunstbouwen kunnen vossen makkelijk worden gecontroleerd en bestreden. Binnen de Skriezekrite Idzegea zijn inmiddels meerdere van dergelijke kunstbouwen geplaatst, maar op een aantal strategische punten zouden nog extra 47
kunstbouwen kunnen worden aangelegd. Overigens verdient het aanbeveling om de ligging van de bestaande kunstbouwen nog eens kritisch tegen het licht te houden. Kunstbouwen worden vooral geaccepteerd als ze op of nabij bestaande vossenwissels zijn gesitueerd. Dit is nu niet bij alle beschikbare kunstbouwen het geval. In de periode half januari - medio maart moeten de kunstbouwen met rust worden gelaten en is het noodzakelijk om juist buiten de kunstbouwen vossen intensief te bestrijden. De kans op vestiging in de kunstbouw wordt daarmee verhoogd, waardoor vossen efficiënt en eenvoudig, precies op het juiste moment, in de kunstbouw kunnen worden bestreden. Aangezien door de Skriezekrite is gekozen om onnodig lijden van jonge vossen te voorkomen zullen na medio maart geen (zogende) moervossen meer worden afgeschoten buiten de burcht. Wanneer er binnen de Skriezekrite na medio maart toch een zogende moervos in een natuurlijke burcht haar jongen heeft geworpen dan kan de moervos worden aangezet tot vestiging in een nabijgelegen kunstbouw. Dit zou kunnen plaatsvinden door de inzet van ultrasone apparatuur. Deze apparatuur is voor het gebruik bij vossen toegestaan. Een interessante ontwikkeling, waardoor de controle van kunstbouwen tot een minimum kan worden beperkt is de inzet van een GSM melder in kunstbouw. De jager krijgt een melding via de GSM als een dier de kunstbouw gebruikt. Gebruik van kunstlicht (lichtbak) Het gebruik van de lichtbak (kunstlicht) is voor de vossenbestrijding een zeer efficiënte methode. Bij deze methode rijden twee tot vier jagers in een auto langzaam over de wegen, of waar mogelijk door het land, waarbij één jager het terrein afzoekt met een sterke schijnwerper. Als er een vos in de lichtbundel komt, wordt door de andere jager geprobeerd de vos te schieten met een kogelgeweer. Deze methode is in de Skriezekrite Idzegea binnen de periode 1 oktober 1 april helaas niet goed mogelijk door de beperkingen in verband met de status ganzenfoerageergebied. Ganzen verblijven s nachts vooral op het naburige open water, maar smienten kunnen ook s nachts in het gebied aanwezig zijn. Daar waar er geen sprake is van ganzenfoerageergebied zou deze methode wel kunnen worden toegepast. Voor het gebruik van de lichtbak is een ontheffing van de provincie noodzakelijk. Aanzitten Bij deze methode zit de jager min of meer verdekt opgesteld te wachten tot een vos binnen schootsafstand langskomt. Hierbij wordt geen lichtbak gebruikt. Het soort plekken waar wordt aangezeten kan sterk uiteenlopen, bijvoorbeeld in de nabijheid van een vossenburcht, een boerenerf of een gemaaide rietstrook. Om de effectiviteit van het aanzitten te vergroten, kan worden overwogen om (mobiele) aanzitladders in gemaaide rietstroken te plaatsen. Kleinschalige drukjacht Vooral in februari, maar ook in maart liggen relatief veel vossen bovengronds. Juist voor deze periode, waarin de bestrijdingsintensiteit het hoogst dient te zijn en andere middelen nu nog niet optimaal ingezet kunnen worden, is deze methode van belang. Extra aandacht zou dan moeten worden besteed aan de rietstroken en ruigtes waar vossen in dekking kunnen liggen. Het zou dan tegelijkertijd met de controle van de burchten kunnen worden uitgevoerd. Na 1 april, in het broedseizoen, is deze vorm van vossenjacht niet geschikt in verband met de storende werking. 48
5.2 Hermelijn De Hermelijn valt binnen de Flora- en faunawet onder de beschermde diersoorten. Enige vorm van bestrijding is dan ook niet toegestaan. Preventieve maatregelen zijn over het algemeen wel toegestaan. Hermelijnen en andere kleine marterachtigen houden zich graag schuil onder takkenbossen en houtstapels. Dergelijke houtstapels zouden binnen de Skriezekrite Idzegea systematisch moeten worden opgeruimd, zodat er minder dekking voor kleine marterachtigen ontstaat. Vooral nabij de kerngebieden voor weidevogels is dit extra van belang. Ook bij eventueel landschapsonderhoud of kapwerkzaamheden is het noodzakelijk om vrijkomend hout en takken binnen korte tijd af te voeren. Vossen zijn natuurlijke vijanden van hermelijnen. Door Mulder (1990) werd de teruggang van hermelijnen in de duinen in verband gebracht met de komst van de vos in deze gebieden. Aangezien vossen natuurlijke vijanden van hermelijnen zijn, zou de vossenbestrijding moeten stoppen direct na het broedseizoen van weidevogels. De vos kan daarmee een kans krijgen als natuurlijke bestrijder van hermelijnen. Juist in de periode na het weidevogelbroedseizoen zijn er veel jonge en onervaren hermelijnen, die een relatief makkelijker prooi voor vossen kunnen vormen. Dit komt ook overeen met het gerichte vossenbeheer zoals dit in paragraaf 5.1 is beschreven. De schoontijd voor vossen zou moeten lopen van begin juli tot medio januari. Overigens is het geen optie om de vos niet meer te bestrijden ten behoeve van het terugdringen van de hermelijnenstand. De rol van de Vos als weidevogelpredator is doorgaans duidelijk groter dan die van hermelijnen. Daarnaast is het de vraag hoe efficiënt de hermelijnenstand door vossen zal kunnen worden teruggebracht. Figuur 5.6 Hermelijn. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij In principe zou ultrasone apparatuur kunnen worden ingezet om hermelijnen te weren bij weidevogelnesten. Het bewust verontrusten van beschermde diersoorten, zoals de Hermelijn is volgens de Flora- en faunawet echter niet toegestaan. In het kader van schadebestrijding is het mogelijk om een ontheffing bij de Provincie aan te vragen. 49
5.3 Buizerd De Buizerd is beschermd op grond van artikel 4 van de Flora- en faunawet. Preventieve maatregelen waarbij geen dieren worden gedood, opzettelijk worden verontrust of nesten worden verstoord zijn echter wel toegestaan. Figuur 5.7 Buizerd. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij Buizerdnesten Het verwijderen van buizerdnesten is, ook buiten broedseizoen, niet toegestaan. Buizerds kunnen namelijk van jaar op jaar hetzelfde nest gebruiken. Daarnaast kan een Buizerd het nest na het broedseizoen gebruiken om te slapen. Volgens artikel 11 van de Flora- en faunawet zijn vaste verblijfvoortplantingsplaatsen beschermd. Of oude nesten, die gedurende een broedseizoen al niet meer in gebruik zijn geweest en ook niet worden gebruikt als slaapplaats, mogen worden verwijderd is niet duidelijk. Hierover geeft de Flora- en Faunawet geen uitsluitsel. Uit navraag bij het Ministerie van LNV blijkt dat Dienst Regelingen van geval tot geval bepaalt of dit kan worden toegestaan. Verwijderen kraaiennesten Nesten van zwarte kraaien kunnen verwijderd worden om te voorkomen dat buizerds in een volgend broedseizoen het oude kraaiennest als ondergrond voor een nieuw nest gaat gebruiken. Bij het verwijderen van kraaiennesten moet wel absolute zekerheid bestaan dat het nest niet door een andere beschermde vogelsoort in gebruik is. Verwijderen potentiële nestbomen en bosjes voor buizerds Om te voorkomen dat buizerds zich gaan vestigen kunnen nestbomen en bosjes waar potentieel vestiging van de Buizerd zou kunnen plaatsvinden worden verwijderd. Het vellen van bomen is alleen toegestaan buiten het broedseizoen. Voor alle duidelijkheid: het vellen van een door de Buizerd bewoonde nestboom is ook buiten het broedseizoen niet toegestaan. 50
5.4 Blauwe reiger De Blauwe reiger is beschermd op grond van artikel 4 van de Flora- en faunawet. Preventieve maatregelen waarbij geen dieren worden gedood, opzettelijk worden verontrust of nesten worden verstoord zijn echter wel toegestaan. Figuur 5.9 De Blauwe reiger is een moeilijk te beïnvloeden predator. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij Direct ten zuiden van de Skriezekrite Idzegea broeden circa 30 paar in de reigerkolonie bij It Heidenskip. Daarnaast zijn er kolonies op foerageerafstand bij Workum (circa 40 broedparen), Dedgum (circa 15 broedparen) en Ysbrechtum (circa 120 broedparen). De ligging van de kolonies is in figuur 5.8 weergegeven. De Blauwe reiger is een moeilijk te beïnvloeden soort predator. Als kunstmatige noodgreep zou kunnen worden overwogen om blauwe reigers in de kuikenperiode van de weidevogels kortstondig alternatieve voedselbronnen aan te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van eendagskuikens. Dat zou dan in ieder geval buiten het weidevogelgebied moeten plaatsvinden, omdat anders reigers juist naar het weidevogelgebied worden gelokt. Een locatie nabij de kolonie, tussen de kolonie en de Skriezekrite, zou dan het meest geschikt zijn. Ook muizenhaarden zouden een alternatieve voedselbron voor blauwe reigers kunnen zijn. Een nadeel van deze methode is dat het niet duidelijk is wat het effect op lange termijn zal zijn. Voor zover bekend is hier nog nooit mee geëxperimenteerd. In theorie bestaat er namelijk de kans dat de reigers door het bijvoeren in aantal zullen toenemen. Vervolgens kan het grotere aantal reigers in een volgend jaar een extra predatiedruk voor de weidevogels veroorzaken. 51
FIGUUR 5.8 LIGGING REIGERKOLONIES OMGEVING SKRIEZEKRITE IDZEGEA Opdrachtgever: ANV de Súdwesthoeke Rapportnummer: 2009-05-01 Kaartnummer: 2009-05-01-09 Getekend door: BJP Datum: 28/04/2009 Hoofdweg 46 9966 VC Zuurdijk 0595-571170 info@jpma.nl www.jpma.nl
5.5 Zwarte kraai 5.5.1 Preventieve maatregelen Preventief kunnen de volgende methoden tegen zwarte kraaien worden ingezet: Verwijderen potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) roofvogels en kraaien (zie 4.3.1) Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd (zie 4.3.4) Geen stokken plaatsen direct bij nesten (zie 4.3.6) 5.5.2 Bestrijding De Zwarte kraai is beschermd op grond van artikel 4 van de Flora- en faunawet, maar staat sinds 2006 op de landelijke vrijstellingslijst. Daarom kan de Zwarte kraai jaarrond worden bestreden. Strategie Ook bij de Zwarte kraai is sprake van een territoriaal systeem waarbij territoriale dieren de nietterritoriale kraaien, die vaak in groepen opereren en in grote gebieden rondzwerven, trachten te verjagen uit hun gebied. Als er ergens veel voedsel is, zullen de zwerversgroepen groot zijn en zullen ze zich minder aantrekken van de territoriale dieren, omdat ze numeriek in het voordeel zijn. Het is dan niet verstandig om de territoriale dieren te bestrijden, omdat daarmee een aanzuigende werking voor zwerversgroepen zou kunnen ontstaan en de zwervers de opengevallen territoria na enige tijd toch weer zullen opvullen. In feite moeten de territoriale dieren zo laat mogelijk worden bestreden (ten Den, 2008). Kraaien prederen uitsluitend op legsels en jonge kuikens. Weidevogels beginnen ongeveer vanaf medio maart tot begin april met het leggen van eieren. Rekening houdende met de leeftijd waarop de meeste kuikens vliegvlug zijn (circa eind juni) wordt de effectieve bestrijdingsperiode voor zwarte kraaien daarmee: begin maart tot eind juni. In deze periode zullen vooral volwassen kraaien en nesten moeten worden bestreden. Voordeel van bestrijding in april is dat de bomen nog niet in blad zijn en dat de nesten daarmee goed zichtbaar zijn. Bestrijding van kraaien zal dus uitsluitend moeten plaatsvinden in de periode 1 maart tot eind juni, waarbij in een relatief korte tijd, tussen 1 april en 15 april de bestrijding zeer intensief zal moeten plaatsvinden. Om in zo n korte tijd effectief te kunnen bestrijden is inventarisatie van territoria en nestbomen in deze periode, maar ook voorafgaand aan deze periode, van groot belang. Vanaf de nawinter zijn territoriale dieren goed waar te nemen, maar omdat de roepactiviteit van kraaien in april en mei het hoogst is en ook dan beter een indruk kan worden verkregen van eventuele nestbomen, zal 1 april de inventarisatie-intensiteit moeten worden opgevoerd. Het traceren van nestbomen is vaak lastig en wordt nog moeilijker als de bomen in blad komen. April is dus een belangrijke maand voor inventarisatie en bestrijding van de zwarte kraai. Ook wat betreft de Zwarte kraai is een bufferzone van een kilometer rondom de broedgebieden van weidevogels ruim voldoende (ten Den, 2008). 53
Figuur 5.10 Ook bij de Zwarte kraai is het van belang om de bestrijding in de juiste periode, net voor en tijdens de broedperiode van weidevogels, efficiënt uit te voeren. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij Methoden voor de bestrijding van zwarte kraaien Voor zwarte kraaien zijn de volgende bestrijdingsmethoden toegestaan: afschieten van volwassen dieren en/of uitgevlogen jongen, nesten verwijderen kraaienvangkooien met voer of een lokkraai Schieten Het is van groot belang dat er bij het afschieten van zwarte kraaien geen andere vogelsoorten per ongeluk worden geschoten. Het moet dan ook voor 100% zeker zijn dat een kraaiennest wordt gebruikt door zwarte kraaien en niet door andere dieren zoals de Boomvalk of de Ransuil, voordat het bestreden mag worden. De volgende strategie kan daarbij worden gehanteerd: Inventariseer vooraf of een kraaiennest inderdaad wordt gebruikt door zwarte kraaien (vaak is de staart en/of kop van het broedende vrouwtje zichtbaar; is dit niet het geval of is het onzeker, dan moet worden gewacht tot het mannetje het broedende vrouwtje komt voeren) Voor alle zekerheid moet de broedende vogel eerst van het nest worden gejaagd in plaats van door het nest te schieten. Het is dan wel nodig om met 2-3 man te werken (mondelinge mededeling Bendiks Okma, WBE de Marren). Nesten verwijderen Nesten van zwarte kraaien kunnen verwijderd worden. Niet alleen ter bestrijding van de zwarte kraai, maar ook om te voorkomen dat Buizerd of Havik in een volgend broedseizoen het oude kraaiennest als ondergrond voor een nieuw nest gaan gebruiken. Ook hierbij geldt dat er absolute zekerheid moet bestaan dat het nest niet door een andere beschermde vogelsoort in gebruik is. 54
Vangkooien Kraaienvangkooien zijn uitstekend geschikt voor de bestrijding van Zwarte kraaien. Ook Kauwen kunnen ermee bestreden worden, hoewel Kauwen een ondergeschikte rol al weidevogelpredator hebben. Juist binnen de Skriezekrite Idzegea is het van belang om kraaienvangkooien in te zetten, omdat er beperkingen zijn voor de jacht in het ganzenfoerageergebied. In vergelijking met schieten heeft de kraaienvangkooi een veel minder verstorende werking dan afschieten. Een veel gebruikte kraaienvangkooi is de trechterkooi. Het is een gazen vangkooi van circa 2,5 x 2,5 x 2,5 meter, waarbij de hoge zijkanten naar het midden toe schuin naar beneden lopen tot een hoogte van circa 2 meter. In het midden van de kooi bevindt zich over de gehele lengte van de kooi een opening, de zogenaamde invalladder. Kraaien, gelokt door voer of een lokkraai, kunnen gemakkelijk via deze invallader in de kooi komen, maar kunnen er vervolgens niet meer uit. Figuur 5.11 Kraaienvangkooi, trechtermodel Vangkooien met levende lokkraaien werken het best. Het is echter vrij moeilijk om aan geringde (wettelijke eis) lokkraaien te komen. Op de wekelijkse veemarkt in Barneveld zijn dergelijke lokkraaien aien te koop (mondelinge mededeling Bendiks Okma, WBE de Marren). Als alternatief kan gewerkt worden met een opgezette kraai of een kunstkraai. Aan het gebruik van kraaienvangkooien zijn wettelijke eisen gesteld: Er moet vers water, voldoende voedsel en een schaduwhoekje aanwezig zijn Andere gevangen vogels moeten dagelijks worden vrijgelaten Het gebruik van vlees of slachtafval als lokmiddel is verboden Er mag geen lichamelijk contact mogelijk zijn tussen lokvogel en de te vangen vogels De lokvogels moeten gefokte exemplaren met gesloten pootring zijn en er moet een dagelijkse controle plaatsvinden Onnodig lijden van dieren moet worden voorkomen. Het is van groot belang dat de vangkooi minimaal dagelijks wordt gecontroleerd. Ook beschermde vogels kunnen in de vangkooi terecht komen en moeten tijdig worden vrijgelaten. 55
Een vangkooi om kraaien te vangen hoeft niet op het perceel van de grondgebruiker die schade lijdt te staan, maar mag overal binnen het gebied van de WBE staan. Zo lang er maar ergens binnen de WBE schade dreigt (art. 65 lid 3 Ffwet). Al met al vereist ook de bestrijding van de Zwarte kraai een gedegen inventarisatie en afstemming tussen nazorgers, WBE en agrariërs. Direct overleg tussen nazorgers en WBE is gewenst als individuele kraaien zich op weidevogelpredatie richten, zodat de bestrijding snel kan worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2008 is een verbod op niet-selectieve vangmiddelen van kracht geworden. De vangkooi voor zwarte kraaien valt hier ook onder. Tegelijkertijd hebben de Gedeputeerde Staten van de Provincies de bevoegdheid gekregen om ontheffing te verlenen van dit verbod. Er geldt een uitgebreide motiveringseis voor het besluit tot verlenen van een ontheffing. 5.6 Bruine kiekendief De Bruine kiekendief is beschermd op grond van artikel 4 van de Flora- en faunawet. Preventieve maatregelen waarbij geen dieren worden gedood, opzettelijk worden verontrust of nesten worden verstoord zijn echter wel toegestaan. Figuur 5.12 Grutto valt Bruine kiekendief aan. Foto: Ruurd-Jelle van der Leij De Bruine kiekendief is een vrij zeldzame vogel, waarvan in Nederland circa 1500 paar broeden. Het gebied van de Skriezekrite Idzegea is een karakteristiek gebied voor bruine kiekendieven en met 15 paar van belang voor deze soort. Eventuele maatregelen moeten dan ook gericht zijn op het verminderen van de predatiedruk van bruine kiekendieven specifiek op weidevogelkuikens binnen het gebied en niet op het terugdringen van het aantal bruine kiekendieven. Het verwijderen van oude nesten van bruine kiekendieven is toegestaan, maar is niet zinvol omdat ieder jaar een nieuw nest wordt gemaakt (Harrison & Castell, 2004). 56
De Bruine kiekendief broedt in overjarige rietvelden en rietstroken. Door het maaien van overjarig riet is het mogelijk om lokaal het broeden van bruine kiekendieven te voorkomen. Als strategie zou daarbij kunnen worden gehanteerd dat juist rietzones nabij percelen waar veel weidevogels met hun kuikens foerageren te maaien. Op deze wijze zou de kans op predatie van weidevogelkuikens door bruine kiekendieven in beperkte mate verlaagd kunnen worden. Bruine kiekendieven kunnen kolonieachtig broeden (Bijlsma, 1998). Er is slechts in geringe mate sprake van territoriaal gedrag. Plaatselijk kan daardoor een dichtheid van 1,5 paar/hectare optreden (Mebs & Schmidt, 2005). Daarnaast is er in de Skriezekrite Idzegea een ruim aanbod van geschikt broedbiotoop voor bruine kiekendieven. Hierdoor zal binnen de Skriezekrite Idzegea het oppervlak van geschikte nestlocaties minder bepalend zijn voor de vestiging van bruine kiekendieven. Verder kunnen bruine kiekendieven op grote afstand (circa 5-8 km) van de nestlocatie foerageren (Mebs & Schmidt, 2005). Alleen zeer rigoureus maaien zou mogelijk lokaal vestiging van bruine kiekendieven kunnen voorkomen, maar dan nog zullen bruine kiekendieven vanuit nabijgelegen broedplaatsen in het gebied komen foerageren. Rigoureus maaien van rietvelden is om verschillende redenen niet wenselijk: Ook andere rietvogels zoals Rietzanger, Baardman, Rietgors en Roerdomp hebben overjarig riet nodig om tot broeden te kunnen komen; Rietzones vormen dekking en een bron van alternatief voedsel (eenden, ganzen, meerkoeten en hun nesten) voor predatoren als vossen. Valt deze voedselbron weg dan zou er een extra predatiedruk op de weidevogels kunnen ontstaan. Aangezien de Bruine kiekendief ook graag boven rietzones foerageert, kan dit ook voor de Bruine kiekendief op gaan. Figuur 5.13 De Rietzanger en andere moerasvogels hebben overjarig riet nodig in hun broedbiotoop Het maaien van riet zou zich daarom moeten beperken tot rietzones nabij percelen waar veel weidevogelkuikens foerageren met een maximum van hooguit 50-75% van het totale areaal riet. Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met beperkingen die er zijn voor de zones die onder het Natura 2000-gebied vallen. 57
Het maaien van rietzones is arbeidintensief, kostbaar en soms moeilijk uitvoerbaar. Verder blijft het de vraag in hoeverre hiermee een substantiële vermindering van de predatiedruk door bruine kiekendieven kan worden gerealiseerd. Bruine kiekendieven prederen ook zoogdieren, zoals muizen en jonge hazen. De aanleg van muizenhaarden nabij broedplaatsen van bruine kiekendieven zou kunnen zorgen voor een vermindering van de predatiedruk op weidevogels. Ook is het van belang dat de hazenstand op een zo hoog mogelijk peil wordt gehouden en er geen sprake is van overbejaging. 5.7 Hond Hoewel predatie niet vaak zal voorkomen, kunnen loslopende honden lokaal voor veel verstoring bij weidevogels zorgen. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan loslopende boerderijhonden, maar ook aan honden die door de lokale bevolking of door recreanten worden uitgelaten zonder te zijn aangelijnd. Honden dienen daarom altijd, en zeker in de broedtijd, te worden aangelijnd. Er zou een publiekscampagne moeten worden gestart waarbij zowel bewoners als recreanten (campings en complexen van recreatiewoningen) worden gewezen op de aanlijnplicht en de gevolgen van loslopende honden voor weidevogels en andere dieren. 5.8 Kat Tijdens de periode april, mei, juni is weidevogelpredatie door katten te verwachten. Uit onderzoeken in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten blijkt dat katten een grote rol spelen bij vogelpredatie (Fiore & Brown Sullivan 2000). Specifiek voor weidevogels is dit wetenschappelijk niet aangetoond. Desondanks bestaat bij diverse veldmedewerkers de indruk dat huiskatten een duidelijke rol spelen bij weidevogelpredatie. Nader onderzoek naar de rol van katten bij weidevogelpredatie is gewenst. De verwilderde kat mag in Friesland worden bestreden (Aanwijzing Artikel 67 Ffwet). Publiekscampagne Door het opzetten van een publiekscampagne, waarbij katteneigenaren worden opgeroepen om hun huiskat tijdens deze periode zo veel mogelijk in huis te houden, kan weidevogelpredatie door huiskatten worden beperkt. Ook zouden katteneigenaren kunnen worden gemotiveerd om hun kat een vogelbel om te hangen. Figuur 4.14 Katten kunnen een grote rol spelen bij vogelpredatie 58
Steriliseren van katten Het aantal (verwilderde) katten zou op den duur kunnen worden teruggedrongen door zo veel mogelijk katten in het gebied van de Skriezekrite Idzegea te laten steriliseren. Chippen van katten Katten die in de polder rondzwerven, kunnen huiskatten of verwilderde katten zijn. Indien katten zouden worden gevangen in de weidevogelgebieden dan is het niet goed mogelijk om een onderscheid te maken tussen beide groepen. Om dit onderscheid mogelijk te maken zouden huiskatten kunnen worden gemerkt met een chip. Gevangen huiskatten zouden naar het asiel moeten worden gebracht, waar de eigenaren hun kat dan kunnen ophalen. Een dergelijke werkwijze is vrij kostbaar en zal duidelijk met het publiek moeten worden gecommuniceerd. Figuur 5.15 Grutto Foto: Ruurd-Jelle van der Leij 59
6. GLOBAAL PLAN VAN AANPAK Uitvoering van een predatiebeheerplan betekent een grote inspanning. Van de vele methoden die beschikbaar zijn zal op basis van het te verwachten effect van de betreffende methode, het beschikbaar budget, de beschikbare mankracht en het animo van betrokken partijen een selectie moeten worden gemaakt. De volgende partijen zouden bij de uitvoering van het predatiebeheerplan betrokken kunnen worden: Weidevogelbeschermers/vogelwachten (Fûgelwacht Heech, Aldegea en de Gaastmar) WBE de Marren Agrariërs/LTO Noord Staatsbosbeheer/It Fryske Gea/Domeinen Gemeente Wymbritseradiel Provinsje Fryslân Wetterskip Recreatieschap De Marrekrite Om de verschillende partijen bij het plan te betrekken zal het plan onder de genoemde partijen bekendheid moeten krijgen. In de loop van 2009 zal daarom het concept predatiebeheerplan onder de te betrekken partijen moeten worden verspreid en voorlichting over het plan moeten worden gegeven. De exacte invulling van het te voeren predatiebeheer kan vervolgens in overleg met deze partijen gestalte krijgen. In tabel 6.1 is een overzicht gegeven van de verschillende activiteiten en de partijen die daarbij mogelijk een rol zouden kunnen spelen. 60
Tabel 6.1 Overzicht van activiteiten en de mogelijk daarbij betrokken partijen Activiteit Vogewachten WBE de Marren Agrariërs/LTO Noord SBB/IFG/ Domeinen Gemeente Wymbritseradiel Provinsje Fryslân Wetterskip Recreatieschap de Marrekrite Verwijderen potentiële nestbomen x x x x x Maaien rietzones en ruigtes x x x Opruimen takkenbossen en houtstapels x x x x x Alternatieve voedselbronnen aanleggen x x x x Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd x x Proef opzetten met predatorwerende apparatuur x x Predatorwerende (ultrasone) apparatuur inzetten Geen stokken plaatsen direct bij nesten Nesten beperkt opzoeken x x x IR Game finder ontwikkelen en inzetten bij zoeken nesten x x Verbeteren voedselaanbod kuikens x x Verbeteren maaibeheer x x x Bestrijding vos en zwarte kraai, vangen verwilderde kat x Publiekscampagne aanlijnen honden x x x Publiekscampagne Katten binnen houden x x Monitoren predatoren x x x x 61
Bestrijding Een goede planning van de bestrijding is een belangrijk aspect van het predatiebeheer. In tabel 6.2 is een jaarplanning gegeven met daarin welke activiteiten, wanneer plaats zouden moeten vinden in het kader van de vossenbestrijding. In tabel 6.3 is een jaarplanning gegeven voor de bestrijding van de zwarte kraai. Tabel 6.2 Jaarplanning activiteiten vossenbestrijding Activiteit Jan Feb Maart April Mei Juni Juli Aug Sep Okt Nov Dec Monitoren vossen *** *** *** *** *** * * * * * ** *** Burchtbejaging met aardhond *** *** (***) Jacht op kunstbouw *** *** *** ** Gebruik lichtbak (buiten ganzenfoerageergebied) Gebruik lichtbak (in ganzenfoerageergebied) (***) (***) (***) (***) (***) (***) (***) Aanzitten ** ** ** ** ** ** Kleinschalige drukjacht ** ** ** Tabel 6.3 Jaarplanning activiteiten bestrijding zwarte kraai Activiteit Inventarisatie territoria en nesten zwarte kraaien Jan Feb Maart April Mei Juni Juli Aug Sep Okt Nov Dec ** *** ** Bestrijding door afschot ** *** ** * Bestrijding met kraaienvangkooi (***) (***) Verwijderen nesten *** *** *** * activiteit van minder belang ** activiteit van belang *** activiteit van groot belang (***) activiteit van groot belang; niet toegestaan zonder ontheffing De bestrijding zal moeten plaatsvinden door jachtaktehouders van WBE de Marren. De WBE zal bij het monitoren van vossen en kraaien moeten worden ondersteund door vrijwilligers uit de vogelwachten. 62
7. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit het predatiebeheerplan voor de Skriezekrite Idzegea kan het volgende worden geconcludeerd: Tijdens het onderzoek naar predatie bij weidevogels, dat in de periode 2002 2005 door Sovon Vogelonderzoek Nederland en Alterra is uitgevoerd, zijn vooral Vos, Hermelijn, Buizerd, Blauwe reiger, en Zwarte Kraai als predator van legsels en kuikens geconstateerd. De gevonden aantalsverhoudingen van weidevogelpredatoren zijn mogelijk niet representatief, maar geven wel een beeld van de range en ordegrootte van het relatieve belang van de verschillende predatoren. Door jaarlijkse schommelingen van soorten en aantallen predatoren, door voedselspecialisatie van bepaalde individuele predatoren en door veranderingen in het voedselaanbod in een gebied, kunnen er jaarlijks grote verschillen in predatie en de rol van predatoren optreden. Binnen de Skriezekrite Idzegea komen Vos, Hermelijn, Buizerd, Blauwe reiger, en Zwarte Kraai regelmatig tot talrijk voor. Exacte gegevens over de rol van de verschillende predatoren binnen de Skriezekrite Idzegea zijn niet bekend. Het beeld van de nazorgers komt globaal overeen met de resultaten van het SOVON predatieonderzoek, met uitzondering van de Bruine Kiekendief, die door SOVON slechts incidenteel als predator werd vastgesteld. Het is onmogelijk en inefficiënt om het predatiebeheer te richten op alle in het gebied voorkomende soorten predatoren. Daarom is gekozen voor de selectie van een aantal doelpredatoren waarop het predatiebeheerplan zich specifiek zal richten. Uiteindelijk gaat het om het verlagen van de kans op predatie (predatiedruk) en niet om het terugdringen van alle predatoren. Op basis van de resultaten van het SOVON predatieonderzoek en het voorkomen van predatoren in het gebied van de Skriezekrite Idzegea zijn Vos, Hermelijn, Buizerd, Blauwe reiger, Zwarte Kraai en Bruine kiekendief als doelpredator geselecteerd. De status ganzenfoerageergebied en Natura 2000-gebied van delen van de Skriezekrite Idzegea legt beperkingen op aan het predatiebeheer. Als preventieve methoden kunnen worden toegepast: Verwijderen potentiële nestbomen (en uitzichtpunten) roofvogels en kraaien Maaien rietzones en ruigtes Opruimen takkenbossen en houtstapels Alternatieve voedselbronnen aanleggen tijdens de broedtijd Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd Plaatsen predatorwerende (ultrasone) apparatuur Geen stokken plaatsen direct bij nesten Eenmaal gevonden nesten in zeer beperkte mate opnieuw opzoeken en game finders inzetten Verbeteren voedselaanbod kuikens Verbeteren maaibeheer Publiekscampagne honden en katten. In de hoofdtekst van het predatiebeheerplan is beschreven welke preventieve methoden voor welke doelpredator zouden kunnen worden ingezet. In de volgende tabel is dit per predator samengevat. 63
Predator Activiteit Blauwe reiger Bruine kiekendief Buizerd Hermelijn Hond Kat Vos Zwarte kraai Verwijderen potentiële nestbomen x x Maaien rietzones en ruigtes x x x Opruimen takkenbossen en houtstapels x x x Alternatieve voedselbronnen aanleggen x x x x x x x Opruimen voedselbronnen buiten de broedtijd x Predatorwerende (ultrasone) apparatuur inzetten x x x x Geen stokken plaatsen direct bij nesten x Nesten beperkt opzoeken x x IR Game finder inzetten bij zoeken nesten x x Verbeteren voedselaanbod kuikens x x x x x x x x Verbeteren maaibeheer x x x x x x x x Publiekscampagne aanlijnen honden x Publiekscampagne Katten binnen houden x De ruimte voor schadebestrijding is binnen de huidige regelgeving beperkt. Vos en Zwarte kraai staan op de landelijke vrijstellingslijst. De vrijstelling geldt voor de artikelen 9 (verbod doden dieren), 10 (verbod opzettelijk verontrusten dieren), 11 (Verbod verstoren nesten en voortplantingsplaatsen) en 12 (verbod eieren te zoeken) uit de Flora- en Faunawet. 64
Hermelijn, Blauwe reiger, Buizerd en Bruine kiekendief zijn door de Flora- en faunawet volledig beschermd, inclusief eieren, nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Voor deze soorten is zonder ontheffing geen schadebestrijding toegestaan. Preventieve methoden van predatiebeheer, die zich richten op ingrepen in de biotoop en het gedrag van predatoren, zonder dat de genoemde artikelen uit de Flora- en Faunawet worden overtreden zijn wel toegestaan. Door de ruimte die er binnen de huidige regelgeving bestaat optimaal te benutten, kan de predatiedruk op weidevogels binnen de Skriezekrite Idzegea waarschijnlijk substantieel worden teruggedrongen. Bij vossen kan schadebestrijding plaatsvinden door middel van het gebruik van kunstlicht, burchtjacht met een aardhond, de inzet van kunstbouwen, aanzitten en kleinschalige drukjacht. Het is verstandig om meerdere methoden te combineren, omdat de verschillende methoden elk een ander type vos opleveren. De volgende strategie wordt bij voorkeur gehanteerd: Gerichte bestrijding van vossen in de periode dat dit voor de weidevogels zinvol is, namelijk van medio januari tot juni; Schoontijd voor de Vos in de periode van 1 juli tot medio januari. De Vos is in deze periode niet schadelijk voor de weidevogels en kan wel een functie hebben als natuurlijke vijand van hermelijnen en andere kleine marterachtigen; Geen afschot van zogende moervossen om onnodig lijden van jonge vossen te voorkomen; Aanleg van een bufferzone van 1 kilometer rondom de Skriezekrite, waar ook schadebestrijding van vossen kan plaatsvinden. Gelet op de omvang van het gebied en het aantal beschikbare wildbeheerders is bovenstaande strategie op dit moment niet goed uitvoerbaar. Er zal dan ook moeten worden afgeweken van de voorkeursstrategie, zodat er toch in de voorgestelde schoontijd moet worden bestreden. Bij zwarte kraaien kan schadebestrijding plaatsvinden door middel van afschot, kraaienvangkooien en het verwijderen van nesten. Voor het gebruik van de kraaienvangkooi is een ontheffing van de provincie nodig. Schadebestrijding van kraaien zal vooral moeten plaatsvinden in de periode 1 maart tot eind juni, waarbij dit in een relatief korte tijd, tussen 1 april en 15 april intensief zal moeten plaatsvinden. Om in zo n korte tijd effectief te kunnen werken is inventarisatie van territoria en nestbomen in deze periode, maar ook voorafgaand aan deze periode, van groot belang. Ook wat betreft de Zwarte kraai is een bufferzone van een kilometer rondom de broedgebieden van weidevogels voldoende. Aanbevelingen Het predatiebeheerplan kan alleen slagen bij een gecoördineerde aanpak, waarbij de Skriezekrite wordt ingedeeld in predatiebeheervelden. Voor ieder veld is een lokale jachtaktehouder verantwoordelijk voor de bestrijdingsonderdelen van het predatiebeheer. 65
Een systematische monitoring van predatoren en predatie van weidevogels in het gebied is van belang om het predatiebeheer efficiënt en gericht te kunnen uitvoeren. Er zou een standaardmethode moeten worden uitgewerkt volgens welke de monitoring van predatoren zal gaan plaatsvinden. Personen die de monitoring van predatoren gaan uitvoeren zouden een cursus moeten volgen waarin wordt ingegaan op de herkenning en ecologie van de verschillende predatoren, de herkenning van sporen van predatoren, herkenning van predatieresten en de methoden van monitoring. Een coördinator predatiebeheer is noodzakelijk, die zowel het monitoren van predatoren, de preventieve maatregelen en de schadebestrijding aanstuurt. Hierdoor ontstaat een evenwichtig predatiebeheer over het hele gebied. Een bijzonder aandachtspunt is de goede communicatie over het predatiebeheerplan naar het publiek toe. Er zou een Game finder moeten worden ontwikkeld en uitgetest die specifiek dienst kan doen voor het opsporen van weidevogelnesten en kuikens. Een dergelijke Game finder zou het zoeken naar nesten en daarmee de kans op predatie kunnen beperken. Het gebruik van ultrasone apparatuur is een interessante en veelbelovende techniek om predatie van legsels door zoogdieren te voorkomen. Alhoewel de effecten op beschermde dieren naar verwachting zeer beperkt en lokaal zullen zijn, staat de Flora en faunawet een dergelijk gebruik van ultrasone apparatuur niet toe. Er zou, met ontheffing, een proef kunnen worden opgezet, waarbij enerzijds de mate van bescherming van legsels wordt onderzocht en anderzijds eventuele negatieve effecten op beschermde dieren in kaart worden gebracht. Het predatiebeheerplan kan mogelijk ook dienst doen als gedragscode. Er staat duidelijk in aangegeven waar de grenzen voor predatiebeheer liggen, zowel wettelijk als vanuit het beleid van de Skriezekrite Idzegea. Mogelijk dat dit plan in de toekomst als basis kan dienen voor een nog te ontwikkelen landelijke gedragscode voor weidevogelbeschermers. Een dergelijke gedragscode is bijvoorbeeld voor kap- en snoeiwerkzaamheden door het ministerie van LNV erkend. 66
8. GERAADPLEEGDE BRONNEN 8.1 Literatuur Baker, P.J. 2005. Het bestrijden van de vos, helpt dat eigenlijk wel? In: J.L.Mulder, R.C. van Apeldoorn & C. Klok (eds). Naar een effectief en breed geaccepteerd vossenbeheer, pp. 50-57. Uitgave Faunafonds, Dordrecht. Baker, P.J. & S. Harris 2006. Does culling reduce fox (Vulpes vulpes) density in commercial forests in Wales, UK? European Journal Wildlife Research 52:99-108. Beintema, A.J., J.B. Thissen, D. Tensen en G.H. Visser 1991. Feeding ecology of charadriiform chicks in Agricultural grassland. Ardea, 79, 31-44. Beintema, A.J., O. Moedt & D. Ellinger 1995. Ecologische atlas van de Nederlandse weidevogels. Schuyt & Co, Haarlem. Bijlsma, R.G., A. Blomert, W. Mane, M. Quist 1993. Ecologische atlas van de Nederlandse roofvogels. Schuyt &Co, Haarlem. Bijlsma, R.G. 1998. Handleiding veldonderzoek roofvogels, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Bijlsma, R.G., F. Hustlings & C.J. Camphuysen 2001. Algemene en schaarse broedvogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. BoerenNatuur 2008. Nederland Weidevogelrijk Rapportage Skriezekrite Idzegea. Drachten. Bolton, M., G. Tyler, K. Smith & R. Bamford 2007. The impact of predator control on lapwing Vanellus vanellus breeding success on wet grassland nature reserves. Journal of Applied Ecology 44, p. 534-544. Brandsma, O.H. 2002. Invloed van de vos op de weidevogelstand in het reservaatsgebied Giethoorn Wanneperveen. De Levende Natuur vol., p.126 131. Brandsma, O.H. 2008. Onderzoek weidevogelbeheer in het reservaatsgebied Giethoorn- Wanneperveen. In opdracht van de Vereniging Natuurmonumenten, Wanneperveen. Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk, J.B.M. Thissen 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV, Utrecht. Bulder, H. 2008 Innovatie bij de bescherming van weidevogels. Stichting Weidevogelbescherming De Monden. Day, M.G. 1968. Food habits of British stoats (Mustela erminea) and weasels (Mustela nivalis). Journal of zoology, Nr. 155, 485-497. Den,P.G.A. ten 2008. Predatiebestrijding in het Nationaal Park De Sallandse Heuvelrug, ten Den Flora & Fauna. 67
Diepenbeek van, A. van 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Utrecht. Dijk, A.J. van 2004. Handleiding Broedvogel Monitoring Project. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Eglington, S.M., J.A. Gill, M.A. Smart, W.J. Sutherland, A.R. Watkinson and M. Bolton, 2009. Habitat Management and patterns of predation of Northeren Lapwings on wet grasslands: The influence of linear habitat structures at different spatial scales. Biological Conservation 142, p. 314-324. Fiore, C.A. & K. Brown Sullivan 2000. The effects of urban domestic cat predation on birds, Michigan. Fopma, A 2000, Evaluatie soortbeschermingsplan Kerkuil 1994-1999. Vogelbescherming Nederland, Zeist. Götmark, F 1992. The effects of investigator disturbance on nesting birds. Curr. Ornithol. 9: 63-104. Harrison, C. & P. Castell 2004. Field Guide Bird Nests, Eggs and Nestlings of Britain and Europe. HarperCollins, Londen. Hettema, H. 2004. Grondrecht voor de grutto. It Fryske Gea. Hewson, R. 1986. Distribution and density of fox breeding dens and the effects of management. Journal of Applied Ecology 23: 531-538. Hoppstädter S., S. Ramme, H. Düttmann & R. Ehrnsberger 2007. Telemetrie an Kiebitz- und Uferschnepfenkueken in der Stollhammer Wisch. Universitaet Osnabrueck. Hustings, M.F.H, R.G.M. Kwak, P.F.M. Opdam & M.J.S.M. Reijnen 1989. Vogelinventarisatie, achtergronden, richtlijnen en verslaglegging. Natuurbeheer in Nederland-deel 3, Pudoc, Wageningen. Jonge Poerink, B. 2005. Biologisch Faunabeheersplan Grootegastermolenpolder. Een experiment voor regulatie van de predatiedruk op weidevogels in het Groninger Westerkwartier, Van Hall Instituut Rapportnummer 514303, Leeuwarden. Junker et al 2003. Telemetrie an Kiebitz und Uferschnepfenkuken in der Stollhammer Wisch. Naturwissenschaflicher Verein Osnabruck. KIWA 2007. Knelpunten en kansenanalyse voor het Natura 2000-gebied Oudegaastermeer en Fluessen e.o. Kleijn, D., W. Dimmers, R. van Kats, D. Melman & H. Schekkerman 2007. De voedselsituatie voor gruttokuikens bij agrarisch mozaïekbeheer. Alterra, Wageningen. Labhardt F. 1990, Der Rotfuchs. Uitgeverij Paul Parey, Hamburg. Lange R., P. Twisk, A. Winde, A. Diepenbeek 2003. Zoogdieren van West-Europa. Stichting uitgeverij van de koninklijke Nederlandse natuurhistorische vereniging, Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, Utrecht. Macdonald, M.A. & M. Bolton 2008. Predation on wader nests in Europe. Ibis, 150 p.54-73. 68
Mebs, T. en D. Schmidt 2006. Roofvogels van Europa, Noord-Afrika en Voor-Azië. Tirion, Baarn. Mulder, J.L. 1990. The stoat Mustela erminea in the dutch dune region, its local extinction, and a possible cause: the arrival of the fox Vulpes vulpes. Lutra 33: 1-21. Mulder, J.L. 2005. Vossenonderzoek in de duinstreek van 1979 tot 2000. VZZ rapport 2005.72. Zoogdiervereniging VZZ en de drie duinwaterbedrijven. Mulder, J.L., H.A.H. Jansman & J.W.B. van der Giessen 2004. Ecologisch onderzoek aan geschoten vossen in Zuid-Limburg, 2002-2003 (met aanbevelingen voor het beheer van de vossen-populatie in relatie tot hamsterpredatie). Rapport Bureau Mulder-natuurlijk & Alterra. Mulder, J.L., R.C. van Apeldoorn & C. Klok 2004. Naar een effectief en breed geaccepteerd vossenbeheer. Verslag van het vossensymposium op 12 mei 2004 te Utrecht. Faunafonds, Bureau Mulder-natuurlijk, Alterra. Mulder, J.L. 2007. Vossenbeheer voor hamsters, (hoe) heeft het gewerkt?, Bureau Mulder Natuurlijk. Peters, H. en K. Wheeler 2008. Vogels en de Wet.nl. Vereniging Politie Dieren- en Milieubescherming. Ploeg, D.T.E. van der, W. de Jong & J. Boersma 1976. Vogels in Friesland. De Tille, Leeuwarden. Schekkerman H. 2008. Precocial problems, shorebird chick performance in relation to weather, farming and predation. Proefschrift RUG, Groningen. Seymour A., S. Harris, C. Ralston & P.C.L. White 2003. Factors influencing the nesting success of lapwings Vanellus vanellus and behaviour of red fox Vulpes vulpes in lapwing nesting sites. Bird study 50: 39-46. Sovon Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna deel 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Teunissen W.A., Schekkerman H. & Willems F. 2005. Predatie bij weidevogels. Sovononderzoeksrapport 2005/11. SOVON vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Teunissen W.A., Schekkerman H., Willems F en F. Majoor. 2008 Identifying predators of eggs and chicks of Lapwing Vanellus vanellus and Black-tailed Godwit Limosa limosa in the Netherlands and the importance of predation on wader reproductive output. Ibis 150, p. 74-85. Verhulst, J., T.C.P. Melman en G.R. de Snoo 2008. Voedselaanbod voor gruttokuikens in de Hollandse veenweidegebieden. Alterra, Wageningen. Vreugdenhil, D. & D. Witlox 2006. De invloed van Duftzaun op het primair reproductiesucces van weidevogels. Hogeschool Van Hall Larenstein, Leeuwarden. Wal, R. van der & S.C.F. Palmer 2008. Is breeding of farmland wading birds depressed by a combination of predator abundance and grazing. Biology Letters 4, p.256-258. 69
8.2 Wetgeving, Richtlijnen en Handreikingen Gebiedsplan Foerageergebieden overwinterende ganzen en smienten Fryslân, Provincie Friesland 2006 Gedeputeerde Staten van Friesland 2002. Provinciale Beleidsregels ter uitvoering van de Flora- en Faunawet en voor het Provinciaal Soortenbeleid.Provincie Friesland, Leeuwarden Landschapsvisie Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân, 2009 Ontwerpbesluit Natura 2000 Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving Wet van 7 april 2006 tot wijziging van de Flora- en Faunawet in verband met de verruiming van de mogelijkheden tot beheer en schadebestrijding van beschermde inheemse diersoorten. Staatsblad 2006/236 Teksten Flora- en Faunawet, Editie 2006. Koninlijke Vermande, Den Haag Wetteksten Natuurbeschermingsrecht, 19 maart 2009. Berghauser Pont Publishing, Amsterdam 70
Jonge Poerink - bureau voor natuur en milieu projecten Hoofdweg 46-9966 VC Zuurdijk Tel. 0595571170 www.jpma.nl - info@jpma.nl