AANVULLENDE INFORMATIE Meterkasten zijn een lang vergeten detail in de woning geweest, veelal tot ongenoegen van de energiebedrijven. Deze situatie heeft geleid tot ontelbare plaatselijke voorschriften. Tengevolge van al deze varianten werden architecten en aannemers gedwongen zich in alle mogelijk bochten te wringen om toch tot een passende oplossing te komen. Een verre van ideale en tevens kostbare situatie. In januari 1991 kwam hier verandering in, toen NEN normblad 2768 van kracht werd. De richtlijnen omschrijven de eisen die gesteld worden aan gecombineerde meterkasten met mantelbuizen ten behoeve van de nutsbedrijven in eengezinswoningen. Het standaard leveringsprogramma van Jonka voldoet op alle punten aan de gestelde eisen. Onderstaande pagina s geven u aanvullende informatie over de normering van de maatvoering. De gehele NEN Norm 2768 is verkrijgbaar via het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft en te bestellen via www.nen.nl. Jonka b.v. Postbus 5 2860 AA BERGAMBACHT t. 0182-382485 f. 0182-387858 info@jonka.nl www.jonka.nl
4.6 Achterwand en zijwanden 4.6.1 Functionele eisen De wanden van de meterruimte moeten vlak zijn en zo sterk en stijf zijn uitgevoerd dat de voorzieningen en (meet)apparatuur hieraan kunnen worden bevestigd. 4.6.2 Materiaalspecificaties De achterwand en de zijwanden, waartegen de nutsvoorzieningen worden bevestigd, moeten bestaan uit of zijn bekleed met materiaal dat voldoet aan de materiaalspecificaties als gesteld in tabel 1. Tabel 1 Materiaalspecificaties Materiaaleigenschap Waarde Beproevingsmethode spaanplaat en vezelplaat diktezwelling 11 % NEN-EN 317 treksterkte loodrecht op plaatvlak 0,40 N/mm 2 NEN-EN 319 schroefvastheid in het midden 45 N/mm 2 NEN-EN 320 aan de rand 35 N/mm 2 NEN-EN 320 OPMERKING 1 Aan het bepaalde wordt geacht te zijn voldaan indien als materiaal spaanplaat of vezelplaat wordt toegepast met een dikte van minimaal 18 mm. De voor deze materialen geldende beproevingsmethoden zijn als referentie in tabel 1 opgenomen. OPMERKING 2 Voor andere plaatmaterialen geldt dat zij ten minste eigenschappen moeten hebben als de in tabel 1 genoemde eigenschappen voor spaanplaat en vezelplaat. De bepaling van de desbetreffende eigenschappen moet volgens de in tabel 1 genoemde beproevingsnormen plaatsvinden. 4.7 Ruimte voor installatiebeschrijvingen en documentatie De meterruimte moet zijn voorzien van een mogelijkheid voor het aanbrengen van mededelingen van de netbeheerder(s) of andere relevante informatie zoals groepenkaart, gebruiksaanwijzingen, technische beschrijvingen, documentatie van installaties, enz. OPMERKING 1 Het wordt aanbevolen hiervoor ruimte te reserveren op de achterzijde van de deur. Hiertoe kan de oppervlakte van de deur in drie gelijke vlakken worden verdeeld. Voor het aanbrengen van informatie vanuit de netbeheerder(s) en/of het waterleidingbedrijf wordt het middelste vlak aangewezen. Voor informatie over woninginstallaties wordt het bovenste vlak aangewezen. OPMERKING 2 Voor het bundelen van informatie over woninginstallaties wordt geadviseerd om een documentatiehouder van A4-formaat op de deur te bevestigen. 10
5 Specifieke eisen voor meterruimten in laagbouw 5.1 Inwendige afmetingen 5.1.1 Gasdistributie De inwendige afmetingen van een meterruimte voor gasdistributie moeten op de omvang van de te plaatsen nutsvoorzieningen en installaties zijn afgestemd, en mogen niet kleiner zijn dan de volgende afmetingen: een inwendige hoogte van 2400 mm; een inwendige breedte van 750 mm; een inwendige diepte van 310 mm. OPMERKING 1 Het deurkozijn van de meterruimte vormt geen onderdeel van deze afmetingen. OPMERKING 2 De gegeven maten in deze paragraaf en in de figuren 2 t.m. 7 voor de binnenafmetingen van de meterruimte zijn minimale maten. 5.1.2 Warmtedistributie Voor warmtedistributie gelden voor de inwendige hoogte en breedte de gegeven minimale maten volgens 5.1.1. De inwendige diepte mag echter niet kleiner zijn dan 350 mm. 5.1.3 Meterruimte met grotere afmetingen Heeft de meterruimte een grotere hoogte, breedte of diepte dan volgens 5.1.1 of 5.1.2, dan mag voor de doorvoer van elk van de individuele leidingen geen ruimte worden gereserveerd die kleiner is dan vereist in 5.2. De hoogte-indeling voor de ruimte voor waterdistributieapparatuur (Wm), gas- of warmteapparatuur (Gm) en elektriciteitsdistributieapparatuur (Em) zoals aangegeven in de figuren 4 en 6 is in alle gevallen normatief. De installatieleidingen moeten bij voorkeur langs één en dezelfde kant lopen. OPMERKING Het verdient aanbeveling bij een grotere meterruimte overleg te voeren met de netbeheerder(s) op basis van een tekening waarop duidelijk de ruimtereserveringen voor de diverse voorzieningen worden aangegeven. 5.2 Indeling van de meterruimte 5.2.1 Ruimte voor leidingen Langs de beide zijwanden moet over de volledige hoogte en diepte van de meterruimte een ruimte voor leidingen aanwezig zijn. De indeling van de ruimte voor gas- of warmtedistributie moet worden uitgevoerd met hieronder genoemde afmetingen. De vloersparingen die aansluiting moeten bieden op deze ruimte zijn tevens aangegeven. OPMERKING Ook indien er is gekozen voor een grotere meterruimte gelden de hieronder gegeven afmetingen. De overgebleven ruimte is vrij invulbaar voor voorzieningen en installaties (en bijbehorende apparatuur). 11
5.2.1.1 Gasdistributie Voor gasdistributie moeten de volgende afmetingen worden aangehouden. zone C, afmetingen 50 mm 100 mm, voor voorzieningen voor kabeltelevisienetwerk; zone E, afmetingen 50 mm 550 mm, voor elektriciteitsleidingen en voor de ophangbeugels voor gas- en waterdistributieapparatuur; zone G, afmetingen 130 mm 100 mm, voor leidingen voor gas; zone S, afmetingen 130 mm 100 mm, voor voorzieningen en/of installatieleidingen; zone T, afmetingen 70 mm 100 mm, voor voorzieningen voor telecommunicatienetwerk; zone W, afmetingen 60 mm 200 mm, voor leidingen voor water. In figuur 2 is deze indeling in een tekening weergegeven. Alle gegeven maten zijn in mm. Tot de hoogte van de waterdistributieapparatuur mag zone E ten behoeve van de stijgende elektriciteitsleidingen worden verdiept tot 65 mm. Figuur 2 Doorvoer van leidingen bij laagbouw in geval van gasdistributie OPMERKING In bijlage A zijn de afmetingen en de indeling van de meterruimte driedimensionaal weergegeven. Voor eisen aan de afmetingen voor meterruimten in hoogbouw wordt verwezen naar 6.2.2.1 en 6.3.2.1. 5.2.1.2 Warmtedistributie Voor warmtedistributie moeten de volgende afmetingen worden aangehouden: zone C, afmetingen 70 mm 62 mm, voor voorzieningen voor kabeltelevisienetwerk; zone E, afmetingen 50 mm 626 mm, voor elektriciteitsleidingen en voor de ophangbeugels van warmteen waterdistributieapparatuur; zone SV, afmetingen 150 mm 626 mm, voor warmtedistributieleidingen; zone S, afmetingen 130 mm 62 mm, voor voorzieningen en/of installatieleidingen (niet zijnde waterleidingen); zone T, afmetingen 90 mm 100 mm, voor voorzieningen voor telecommunicatienetwerk; 12
zone W, afmetingen 60 mm 200 mm, voor leidingen voor water. In figuur 3 is deze indeling in een tekening weergegeven. Alle gegeven maten zijn in mm. Tot de hoogte van de waterdistributieapparatuur mag zone E ten behoeve van de stijgende elektriciteitsleidingen worden verdiept tot 65 mm. Figuur 3 Doorvoer van leidingen bij laagbouw in geval van warmtedistributie OPMERKING In bijlage B zijn de afmetingen en de indeling van de meterruimte driedimensionaal weergegeven. Voor eisen aan de afmetingen voor meterruimten in hoogbouw wordt verwezen naar 6.2.2.2 en 6.3.2.2 5.2.2 Ruimte voor apparatuur De inwendige ruimte van de meterruimte, met uitzondering van de ruimten voor leidingen zoals bedoeld in 5.2.1, moet beschikbaar zijn voor de volgende apparatuur of leidingen. Im is de ruimte voor installaties en installatieleidingen; Em is de ruimte voor elektriciteitsdistributieapparatuur; Gm is de ruimte voor gas- of warmtedistributieapparatuur; Wm is de ruimte voor de waterdistributieapparatuur; Sr is de ruimte voor stijgende aansluitleidingen. De afmetingen en indeling van deze ruimten moeten worden uitgevoerd volgens figuur 4. Alle gegeven maten zijn in mm. OPMERKING Wanneer de hierboven genoemde apparatuur is geplaatst zal er in de regel nog voldoende ruimte beschikbaar zijn om apparatuur voor voorzieningen voor elektronische-communicatienetwerken te plaatsen. Toekomstige modificaties en/of uitbreidingen van de installatie(s) kunnen op termijn mogelijk een groter ruimtebeslag eisen, waardoor het wenselijk kan zijn nu reeds een grotere meterruimte of een alternatieve (technische) ruimte elders binnen de woonfunctie te definiëren. 13
Legenda Im Em Gm Wm Sr ruimte voor installaties en installatieleidingen ruimte voor elektriciteitsdistributieapparatuur ruimte voor gas- of warmtedistributieapparatuur ruimte voor waterdistributieapparatuur ruimte voor stijgende aansluitleidingen Figuur 4 Minimale afmetingen en indeling van een meterruimte in laagbouw 14
Legenda C E T G S W zone voor voorzieningen voor kabeltelevisienetwerk zone voor elektriciteitsleidingen en ophangbeugels zone voor voorzieningen voor telecommunicatienetwerk zone voor leidingen voor gasdistributie zone voor voorzieningen en/of installatieleidingen zone voor leidingen voor water Figuur 5 Doorvoer van leidingen door de verdiepingsvloer bij meterruimten in lijn boven elkaar in geval van gasditributie 6.2.2.2 Warmtedistributie Voor meterruimten in lijn boven elkaar moet worden gekozen uit twee varianten, namelijk een stijgruimte aan de zijkant van de meterruimte of een stijgruimte aan de achterzijde van de meterruimte. Voor beide varianten geldt dat een koude meterruimte met stijgruimte en een warme meterruimte met stijgruimte aanwezig moeten zijn. Een fysieke scheiding moet zijn aangebracht tussen de koude en de warme meterruimte, zodat verhoging van de temperatuur van de koude leidingen tot boven de grenswaarde volgens 2.1.2 van NEN 1006 niet plaatsvindt. De fysieke scheiding van de meterruimten moeten vlak zijn en zo sterk en stijf zijn uitgevoerd dat de nutsvoorzieningen en (meet)apparatuur hieraan kunnen worden bevestigd. De achterwand en de zijwanden, waartegen de nutsvoorzieningen worden bevestigd, moeten bestaan uit of zijn bekleed met materiaal dat voldoet aan de materiaalspecificaties als gesteld in 4.6.2. De meterruimten hoeven niet tegen elkaar te zijn aangebouwd. OPMERKING Een koude en warme meterruimte is bedoeld als één meterruimte, bestaande uit twee delen. Voor de helderheid worden deze delen, al dan niet tegen elkaar aan gebouwd, koude en warme meterruimte genoemd. a) Stijgruimte aan de zijkant van de meterruimte De minimale afmetingen en indeling zoals weergeven in figuur 6 moeten worden aangehouden. Alle gegeven maten zijn in mm. 17
Legenda Im ruimte voor installaties en installatieleidingen C zone voor voorzieningen voor kabeltelevisienetwerk Em ruimte voor elektriciteitsdistributieapparatuur E zone voor elektriciteitsleidingen en ophangbeugels Gm ruimte voor warmtedistributieapparatuur T zone voor voorzieningen voor telecommunicatienetwerk Wm ruimte voor waterdistributieapparatuur SV zone voor leidingen voor warmtedistributie Sr ruimte voor stijgende aansluitleidingen W zone voor leidingen voor water Figuur 6 Afmetingen en indeling meterruimten in lijn boven elkaar voor warmtedistributie met een stijgruimte aan de zijkant van de meterruimte 18