Kleine modderkruiper Cobitis taenia



Vergelijkbare documenten
Kleine modderkruiper Cobitis taenia

Notitie resultaten Aanvullend onderzoek kleine modderkruiper Plangebied: Wetenschappersbuurt, Schiedam

Steenuil en ontheffingsaanvragen van de Flora- en faunawet. Martijn van Opijnen (Dienst Regelingen) Wouter van Heusden (Dienst Landelijk Gebied)

Bittervoorn Rhodeus amarus

Bittervoorn Rhodeus amarus

Soortenstandaarden Juridisch kader. Versie 1.0, oktober 2014

Poelkikker Rana lessonae

PROJECTPLAN ONTHEFFING AANSLUITING A9 - HEILOO Provincie Noord-Holland 16 DECEMBER 2016

Resultaten nader onderzoek vissen en ecologisch werkprotocol sloten Zuidplasweg te Zevenhuizen

Opdrachtgever: Gemeente Bodegraven projectnummer:

Ruimtelijke ontwikkelingen en de Flora- en faunawet

Grote modderkruiper Misgurnus fossilis

Grote Modderkruiper Misgurnus fossilis

Wegvangen van kleine modderkruipers i.v.m. het vergraven van watergangen in de Klapwijkse Pier

De Vuurvogel B.V. J. van Lamoen en T. Etaoil Coninckstraat WD AMERSFOORT

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Soortenstandaard. Buizerd Buteo buteo. Versie 2.0, december 2014

Bevoegdheid. Flora- en faunawet. Besluit. Dienst Regelingen Ministerie van Economische Zaken, landbouw en Innovatie

Ecologisch werkprotocol dempen watergangen Sport- en Werklandschap Meerpaal

Rugstreeppad Bufo calamita

Steenuil Athene Noctua

Arcus Zuid Projectontwikkeling B.V. B.J.M. Mertens Dorpstraat JX OIRSBEEK

Rotonde Oosthuizerweg te Edam Volendam

Levendbarende hagedis Zootoca vivipara

Grote Modderkruiper Misgurnus fossilis

Notitie flora en fauna

Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer H. van der Meer Postbus HB AMSTERDAM

Ecologisch werkprotocol

De Wet natuurbescherming

Bijlage 3: Notitie Aanvullend onderzoek vissen wijzigingsplannen N359, knooppunten Winsum, Húns-Leons en Hilaard

Werkprotocol visbemonsteringen FF-wet

Soortenstandaards handreiking voor te nemen maatregelen

Kamsalamander Triturus cristatus

Aanvullend onderzoek huismussen t Haantje Midden in Rijswijk. Notitie. Juni 2017 P17-087/W1321 Auteur: M.E.Dubbeldam

Eindrapport VISONDERZOEK TER PLAATSE VAN EN DIRECT ROND HET HATTEMS DEEL VAN BEDRIJVENTERREIN H2O

Staat van Instandhouding bepalen. & de rol van vrijwilligers

Dienst Regelingen Team Natuur. Conny Krutzen Martijn van Opijnen

(ON)MOGELIJKHEDEN JAARROND BAGGEREN

Quickscan natuur Besto terrein Zwartsluis

Rugstreeppad Bufo calamita Versie 1.0, juli 2017 bij12.nl

Vleermuisinventarisatie aan de Hofstraat te s- Heerenberg

Gemeente Heerhugowaard M. Hoosbeek Postbus AJ HEERHUGOWAARD. Datum 22 december 2014 Betreft Beslissing op uw aanvraag Ruimtelijke ingrepen

GEMEENTE M!D 7-EM-DELFLAND. 1 MGEKOVilN OP 2 2 NOV Zaaknum:\eí

Stichting Intermaris A. Slot Postbus AN HOORN NH. Datum 9 februari 2017 Betreft Beslissing op aanvraag. Geachte heer Slot,

Notitie quickscan flora en fauna Wilgenweg 10, Groot- Ammers

Visseninventarisatie terrein Simon Loos

Resultaten onderzoek steenuil en kerkuil Hoge Wei te Oosterhout. Kader

Lyaemer Wonen Y.A. Tiemensma Straatweg PZ LEMMER. Datum 7 augustus 2014 Betreft Toekenning ontheffing Ruimtelijke ingrepen

Heikikker Rana arvalis

Kamsalamander Triturus cristatus

Notitie. 1 Inleiding. Referentienummer Datum Kenmerk PN mei Betreft Roofvogel onderzoek (BMP-R methode)

Flora- en faunawet. Gedragscode Bestendig beheer groenvoorziening

Poelkikker Rana lessonae Versie 1.0, juli 2017 bij12.nl

Aanvullend natuuronderzoek locatie Nieuweweg / Parklaan te Hattem

Bijlage 3: Natuurtoets Westhavendijk (KuiperCompagnons)

: QuickScan Flora & Fauna Meijelseweg 60a te Beringe, gemeente Peel en Maas

Heikikker Rana arvalis

Notitie resultaten Aanvullend onderzoek huismus Plangebied: Maria van Bourgondiëlaan 2, 2a en 4, Eindhoven

Zandhagedis Lacerta agilis

Aanvullend natuuronderzoek voormalig Zoutdepot Breukelen

Stichting Amerpoort K. Denee Nieuwenoordlaan PA BAARN. Datum 16 augustus 2017 Betreft Beslissing op uw aanvraag. Geachte heer Denee,

memo mitigatieopgave vleermuizen Stationsweg te Wezep.

Ecologisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan voor een terrein ten zuiden van Harmelen

Talis Sietse Jager Postbus AP NIJMEGEN. Datum 9 mei 2017 Betreft Beslissing op aanvraag. Geachte heer Jager,

Huismus Passer domesticus

Notitie Flora- en faunaonderzoek Apeldoorn

Van der Valk Hotel, Akersloot M. Wulp Geesterweg 1A 1921 NV AKERSLOOT. Datum 28 november 2014 Betreft Toekenning ontheffing Ruimtelijke ingrepen

Ecologisch vervolgonderzoek Hoefslag te Bleiswijk. Van der Waal & Partners B.V. te Naaldwijk

Notitie verkennend Flora- en faunaonderzoek Lettele

Beverwijkerstraatweg 44 - Castricum

Bedrijventerrein MEOB Oegstgeest

Ecologisch werkprotocol werkzaamheden Harselaar west, Barneveld

INVENTARISATIE VLEERMUIZEN DE WEID WALSTRO 3 CASTRICUM

NWEA Winddagen Natuurwetgeving & Windenergie op land Aandachtspunten soortenbescherming

Vleermuisonderzoek locatie Merenhoef te Maarssen

Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus

Soortenonderzoek Julianahof Zeist

Bouwfonds Ontwikkeling B.V. W.P. de Boer Westerdorpsstraat AZ HOEVELAKEN

Stichting WonenCentraal R.D. Donninger Postbus CA ALPHEN AAN DEN RIJN. Datum 27 april 2017 Betreft Beslissing op aanvraag

Memo. Stefan Buskermolen Liandon B.V. Sander van Rijn 2 e lezer Ellen Bults. 13 juli 2012 RLO 476-SOM

Quickscan DWL-De esch

(Bouw)plannen en de Flora- en faunawet

ACTUALISEREND ONDERZOEK FLORA- EN FAUNAWET KREKENBUURT TE ELST

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard S. Retel Postbus AB ROTTERDAM

Aanvullend vleermuisonderzoek restaurant Castellum Novum in De Meern

Waterschap Vechtstromen Van Klompenburg Postbus GA ALMELO. Datum 27 januari 2016 Betreft Toekenning ontheffing Ruimtelijke ingrepen

Quickscan samenvatting natuurtoets Sint Nicolaasdijk 153, Kampen

Bijlage 1 Wettelijk kader

Noordse woelmuis Microtus oeconomus arenicola

Vleermuisonderzoek Vlietsingel, Medemblik

GarneenteT? Gereg.d^JJJlEUm. Reg.nr. Dienst Regelingen Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Natuurtoets. Fort Oranje 27. Woerden

Van Wijnen Projectontwikkeling Midden B.V. P. Koppejan Postbus AJ WEESP. Datum 6 maart 2017 Betreft Beslissing op uw aanvraag

Quickscan FF-wet voor ontwikkelingen aan Wedderstraat 18 te Vlagtwedde.

Notitie Quickscan flora en fauna

Quickscan flora en fauna. Deltaweg te Helmond

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Soortenstandaard. Gierzwaluw Apus apus. Versie 2.0, december 2014

HABITATSCAN DIEPENBROCKLAAN. Broedvogels & vleermuizen

Cursus ontheffingverlening soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming - introductie

Boomcontrole vleermuizen boom 61145, Nieuwegracht te Utrecht

Woonstad Rotterdam Postbus CJ ROTTERDAM. Datum 23 augustus 2016 Betreft Toekenning ontheffing Ruimtelijke ingrepen. Geachte heer/mevrouw,

Transcriptie:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Soortenstandaard Kleine modderkruiper Cobitis taenia Versie 2.0, december 2014

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Inhoud Leeswijzer 3 Inleiding 4 1 De kleine modderkruiper 6 1.1 Soortkenmerken 6 1.2 Leefwijze 6 1.3 Voedsel 7 1.4 Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (funcionele) leefomgeving 7 1.5 Verspreiding en aantalontwikkeling 8 1.6 Populaties 9 2 Benodigd ecologisch onderzoek 10 2.1 Inleiding 10 2.2 Het aantonen van aanwezigheid of van afwezigheid 12 2.3 Het bepalen van de effecten van de activiteiten 18 2.4 Het bepalen van de waarborging van de staat van instandhouding 20 3 Mogelijke maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper 22 3.1 Werken buiten kwetsbare perioden 23 3.2 Faseren activiteiten in ruimte en tijd 24 3.3 Verbeteren van voortplantingshabitat in bestaand leefgebied 26 3.4 Verbeteren overwinteringhabitat in bestaand leefgebied 27 3.5 Aanpassen werkwijze of werkvolgorde 28 3.6 Aanpassen werkapparatuur 29 3.7 Aanpassen gemalen en dergelijke 31 3.8 Wegvangen en verplaatsen van kleine modderkruipers 32 3.9 Op de kant gebrachte kleine modderkruipers terugzetten 33 3.10 Realiseren nieuw leefgebied 34 3.11 Herstellen of behouden onderlinge verbondenheid van leefgebieden 35 3.12 Inschakelen kleine modderkruiperdeskundige 36 3.13 Opstellen ecologisch werkprotocol 37 4 Activiteiten: effecten en te nemen maatregelen 38 4.1 Effecten van verschillende typen activiteiten 38 4.2 In aanmerking komende maatregelen bij verschillende typen activiteiten 39 5 Bronnen en begrippen 42 Colofon 43 Pagina 2 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ Leeswijzer Dit document is opgebouwd uit een aantal hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar te lezen zijn. Het is niet noodzakelijk om dit document van voor tot achter door te lezen. Elk hoofdstuk heeft zijn eigen ingang. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vijf hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken. Hoofdstuk 1: ecologische informatie Wilt u meer weten over de kleine modderkruiper zelf dan kunt u inhoudelijke ecologische informatie over de kleine modderkruiper vinden in hoofdstuk 1. Hier vindt u bijvoorbeeld informatie over het type water waarin zich kleine modderkruipers kunnen bevinden en over waar de kleine modderkruiper zich voortplant of waar de kleine modderkruiper de winter doorbrengt. Hoofdstuk 2: ecologisch onderzoek Bent u vooral geïnteresseerd in welke gegevens u moet hebben en welk ecologische onderzoek u wanneer moet uitvoeren om soepel aan de vereisten vanuit de soortbescherming tegemoet te komen, dan start u met hoofdstuk 2. Hier staat bijvoorbeeld beschreven op welke wijzen u de aanof afwezigheid van kleine modderkruipers kunt aantonen en hoe u kunt aantonen dat de functionaliteit van een voortplantingsplaats of vaste rustof verblijfplaats van de kleine modderkruiper al dan niet behouden blijft. Hoofdstuk 3: maatregelen Hoofdstuk 3 geeft voorbeelden van maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper die u bij uw activiteiten kunt nemen. Het nemen van één of meer van deze maatregelen stelt u in staat om negatieve effecten van uw activiteiten op de kleine modderkruiper geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee kunt u mogelijk een overtreding voorkomen. In het geval dat een overtreding niet te voorkomen valt, kunnen dit maatregelen zijn die genomen moeten worden om in aanmerking te komen voor een ontheffing. Overigens zijn afwijkingen op deze maatregelen (maatwerk) altijd mogelijk. Hoofdstuk 4: activiteiten en maatregelen Hoofdstuk 4 heeft als ingang de verschillende type activiteiten met een negatief effect op de kleine modderkruiper. Daaraan is in de vorm van een matrix een aantal te nemen maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper gekoppeld. Niet alle activiteiten zullen effecten hebben op kleine modderkruipers. Voor de meest voorkomende activiteiten staat hier indicatief aangegeven welke maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper in aanmerking kunnen komen om de negatieve effecten te doen verminderen of op te heffen. In een afzonderlijk document staat het Juridische kader behorende bij deze soortenstandaard beschreven. Deze soortenstandaard moet dan ook altijd in samenhang met dat Juridisch kader worden beoordeeld. In dat document kunt u terecht als u vragen heeft over de interpretatie van de relevante verbodsartikelen van de vigerende natuurwetgeving. Het Juridisch kader Soortenstandaards is te vinden op de website van RVO.nl. Pagina 3 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Inleiding Waarom de soortenstandaard De kleine modderkruiper is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder d, van de Flora- en faunawet. Hij staat ook vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn en is benoemd in de Conventie van Bern. De kleine modderkruiper staat als kwetsbaar vermeld op de Rode lijst van Vissen (2004). De natuurwetgeving zorgt voor een wettelijke bescherming van bedreigde plant- en diersoorten. Zo is er een aantal verbodsbepalingen in de wet beschreven. Daarop kunnen uitzonderingen gemaakt worden. Met een verzoek om een ontheffing of het aanvragen van een omgevingsvergunning zijn die uitzonderingen mogelijk. Er wordt dan een ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voordat een project of activiteit kan aanvangen. De ontheffing of de verklaring van geen bedenkingen wordt veelal slechts onder voorwaarden verstrekt. Er is behoefte aan toegankelijke informatie of en onder welke voorwaarden die ontheffing of verklaring van geen bedenkingen wordt afgegeven. Immers als die voorwaarden bekend zijn, kan daar in een vroeg stadium rekening mee gehouden worden. Informatie over de maatregelen en de voorwaarden is te vinden in de soortenstandaards, die vanaf 2011 in opdracht van het ministerie van Economische Zaken zijn opgesteld voor de meest voorkomende soorten in eerder afgegeven ontheffingen. Wat staat erin? De soortenstandaard geeft voor een soort een overzicht van vaak in aanmerking komende maatregelen die genomen kunnen worden als deze beschermde soort aanwezig is in of nabij een gebied waar de ruimtelijke activiteiten plaats gaan vinden. Dergelijke maatregelen voorkomen of verminderen negatieve effecten op de soort als gevolg van die voorgenomen activiteiten. Verder beschrijft de soortenstandaard de kenmerkende ecologische aspecten en de wijze waarop de aanwezigheid (of de afwezigheid) van de soort kan worden aangetoond. Deze versie uit 2014 vervangt de eerdere versie uit 2011. In deze nieuwe versie zijn de resultaten van een gerichte evaluatie van de soortenstandaards, nieuw beschikbaar gekomen ecologische kennis en praktijkervaringen verwerkt. Er is gekozen voor een nieuwe opbouw van het document. De te nemen maatregelen hebben een centralere plaats gekregen, waardoor ook veel doublures uit de teksten gehaald konden worden. Het Juridisch kader is in een afzonderlijk document weergegeven, maar moet altijd in samenhang met de soortenstandaard worden gebruikt. De voorgaande versie vervalt hierbij. Pagina 4 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ Wat kunnen de twee hoofddoelgroepen ermee? Initiatiefnemers Een initiatiefnemer, of diens ecologisch adviseur, kan met deze informatie van maatregelen, maar niet uitsluitend met alleen deze informatie, invulling geven aan onder andere het zorgvuldig handelen, de zorgplicht en het behoud van de functionaliteit van voortplantingsplaatsen en andere vaste rust- of verblijfplaatsen. Op die manier kan hij bijdragen aan het behoud van een gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Bevoegde gezagen Het bevoegd gezag, dat moet oordelen over ontheffingsverzoeken of afgifte van een verklaring van geen bedenkingen of betrokken is bij handhaving, zal genoemde maatregelen gebruiken als vertrekpunt bij haar beoordeling. De informatie is generiek van aard en het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager hoe hij deze informatie gebruikt in een concreet geval. Vaak is immers meer informatie nodig over de betreffende activiteit en over de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied (werklocatie), om vast te kunnen stellen welke maatregelen in een concreet geval nodig zijn. Ook de aard van de activiteit, de duur van het effect en het schaalniveau waarop de activiteit wordt uitgevoerd, zijn van invloed op de omvang van de schadelijke effecten die de activiteit kan hebben op beschermde dieren en planten. Pas met informatie over deze factoren kan voldoende worden bepaald of de verbodsbepalingen van de natuurwetgeving worden overtreden. Afwijkingen van de in deze soortenstandaard genoemde maatregelen zijn dan ook mogelijk, mits die door een deskundige op het gebied van de soort worden onderbouwd. Samenhang met andere instrumenten De soortenstandaard werkt op deze wijze nader uit wat getoond wordt in de Maatregelenindicator Soorten (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelen. aspx?subj=soorten). Deze indicator is een internetapplicatie die snel een eerste inzicht verstrekt in mogelijke maatregelen. Vragen of reageren Bij het ontwikkelen en actueel houden van de soortenstandaards, gecoördineerd vanuit Dienst Landelijk Gebied, wordt gebruik gemaakt van de ecologische en juridische expertise van verschillende deskundigen. Bij het opstellen van de eerste versie hebben experts ten aanzien van de betrokken soort input geleverd (zie hoofdstuk 5). Ondanks de zorgvuldige wijze waarop de soortenstandaards zijn samengesteld, zullen zich in de praktijk toch nieuwe situaties zich voordoen en zullen andere ervaringen worden opgedaan of worden er andere oplossingen aangereikt. Deze informatie en de ervaringen met het gebruik van de soortenstandaards nemen we graag mee voor een volgende versie van deze soortenstandaard. Heeft u verbetersuggesties of aanvullende informatie? Stuur ons een e-mail. Hiervoor kunt u gebruik maken van het contactformulier van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.mijn.rvo.nl). Heeft u andere vragen? U kunt bellen met het klantcontactcentrum op telefoonnummer 088 042 42 42. Pagina 5 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 1 De kleine modderkruiper 1.1 Soortkenmerken De kleine modderkruiper (figuur 1) is een substraatbewonende tot 13 centimeter lange zoetwatervis. Hij heeft zes tastdraden aan zijn bek waarmee hij op de bodem naar voedsel zoekt. Figuur 1: kleine modderkruiper (bron: Jelger Herder, RAVON). 1.2 Leefwijze De kleine modderkruiper leeft solitair, maar kan wel in grote aantallen betrekkelijk dicht bij elkaar voorkomen. De kleine modderkruiper is vooral s nachts actief. Overdag is hij minder actief en dan verschuilt hij zich veelal op de waterbodem tussen de vegetatie of in de modder. Kleine modderkruipers zijn in staat om ook in zuurstofarme situaties te overleven. Bij gevaar vlucht de kleine modderkruiper vaak naar beneden de vegetatie of de modder in (vertikaal vluchtgedrag) en in mindere mate naar opzij. Bij opdrogen van een watergang trekt de kleine modderkruiper met het water mee naar de diepere delen van de watergang (horizontaal vluchtgedrag) waar nog wel water blijft staan. Als de watergang vervolgens nog verder indroogt, vertoont de soort ook vertikaal vluchtgedrag. Bij bevriezing van het water trekt de kleine modderkruiper ook eerst naar de diepere delen en naar die delen waar meer stroming staat, bijvoorbeeld bij duikers. De paaitijd loopt van maart tot en met begin augustus. Eitjes worden bij voorkeur afgezet op kale, zandige bodem maar ook op stenen, aan (wortels van) waterplanten of in de drijvende groene bedekking in een sloot (het flab ). De kleine modderkruiper is van november tot en met februari minder tot niet actief. Pagina 6 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ 1.3 Voedsel Het voedsel bestaat uit kleine diertjes (muggenlarven en andere bodemmacrofauna) en organische resten. Hij zeeft dit voedsel uit het bodemsubstraat dat hij ophapt; het is dan ook van belang dat het bodemsubstraat uit fijn materiaal bestaat. 1.4 Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (funcionele) leefomgeving Habitat De kleine modderkruiper komt voor in stilstaand en langzaam stromend water, (polder)sloten, greppels, beken, kanalen en oeverzones van meren en plassen. Ook wordt hij wel in geïsoleerde plassen waargenomen. De kleine modderkruiper is niet zo kieskeurig op het gebied van kwaliteit van het water. In brak- of zoutwater komt hij niet voor. Ook qua bodemsubstraat is de soort flexibel. Hoewel de soort een zanderige bodem prefereert, komen ze in Nederland ook veel voor in wateren met een dikke sliblaag of met een kleibodem. De kleine modderkruiper komt ook in wateren met weinig vegetatie voor. Watergangen die teveel dichtgegroeid of volledig verland zijn vormen geen geschikt habitat. Vooral jonge dieren hebben de voorkeur voor (smallere sloten met) ondiepe oeverzones. Die plekken warmen sneller op, bieden voldoende voedsel en er zijn daar minder vijanden (onder andere roofvissen). Verblijfplaatsen en functioneel leefgebied De functionele leefomgeving van een voortplantingsplaats en van een vaste rust- of verblijfplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om ze met succes als zodanig te laten functioneren. Onder een voortplantingsplaats vallen alle onderdelen van het leefgebied van een dier die nodig zijn in het gehele voortplantingsproces. Bij de kleine modderkruiper gaat het dan om: de plekken waar gebaltst of gepaard wordt de plekken waar eitjes afgezet worden en opgroeien de plekken die door de larven of jonge visjes worden gebruikt. Behalve de plek zelf is ook de omgeving hiervan van belang: enerzijds om de plek zelf van voldoende kwaliteit te houden, anderzijds om de eitjes te laten uitgroeien en om de jonge visjes voldoende voedsel en veilig gebied te waarborgen. Kleine modderkruipers overwinteren en overbruggen drogere perioden in de diepere delen van de watergang, onder bruggen, in buizen en ook wel onder kroos of blad en dergelijke. Ook zitten ze dan op plekken waar meer stroming, dus meer zuurstof aanwezig is, bijvoorbeeld voor duikers. Dit doen ze geclusterd met meerdere exemplaren, soms in grote aantallen. De overwinteringplekken bevinden zich veelal in dezelfde watergang waar ook de voortplanting plaatsvindt. Pagina 7 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Migratie Migratie is de seizoensgebonden beweging heen en terug tussen delen van het leefgebied. Er is vrijwel niets bekend over migratie van kleine modderkruipers. Aangenomen wordt dat de kleine modderkruiper in het algemeen binnen de watergang over kleine afstanden van en naar overwinteringwater en voortplantingsgebied migreert. Dispersie Dispersie is de ongerichte verspreiding of het uitzwerven van een individu dat op zoek is naar een vestigingsplaats. Vaak betreft het juvenielen of subadulten die als ze zelfstandig zijn geworden op zoek zijn naar een eigen leefgebied, maar dispersie kan ook optreden bij volwassen dieren. Bij de kleine modderkruiper vindt de dispersie meestal actief plaats, door te zwemmen naar een ander gebied. 1.5 Verspreiding en aantalontwikkeling De kleine modderkruiper komt in grote delen van Nederland voor (figuur 2). Op de hogere zandgronden, het heuvelland en de gebieden met brakwaterinvloed (grote delen van Zeeland, Groningen, Friesland, Waddeneilanden) komt hij minder of niet voor. In de poldersloten van laag Holland kan de kleine modderkruiper plaatselijk zeer algemeen zijn. In de ons omringende landen, met uitzondering van het noorden van Duitsland, is hij duidelijk minder algemeen voorkomend: Nederland vormt een belangrijk onderdeel in de Europese verspreiding. Figuur 2: verspreiding van de kleine modderkruiper in de periode 1985-2013 (bron: RAVON). Pagina 8 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ De kaart uit figuur 2 geeft een indicatie van de mogelijke aanwezigheid van kleine modderkruipers in een bepaald gebied. Het schaalniveau en de waarnemingsperiode waarop de kaart gebaseerd is, laten niet toe om op basis van deze kaart de aan- of afwezigheid van de kleine modderkruiper in een concreet gebied aan te tonen. Ook is de verspreiding van de kleine modderkruiper nog niet volledig in beeld gebracht. Er zijn geen aanwijzingen voor een achteruitgang van het verspreidingsgebied van de kleine modderkruiper. 1.6 Populaties Kleine modderkruipers leven in netwerken van meerdere (lokale) populaties. De benodigde oppervlakte om een populatie duurzaam in stand te houden is afhankelijk van op welke wijze het leefgebied zich in het landschap bevindt en van de kwaliteit van het leefgebied. Kleine modderkruipers kunnen al in heel kleine polders of polderpeilgebiedjes met een slootlengte van minder dan 500 meter een gezonde populatie opbouwen, mits deze een goede habitatkwaliteit herbergen. Maar vaker leven kleine modderkruipers in lokale netwerken (figuur 3). Figuur 3: geschikt gebied voor een populatie kleine modderkruipers. Donker blauw = diepere delen (overwintering) Licht blauw = overig habitat Pijlen = migratie Pagina 9 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 2 Benodigd ecologisch onderzoek 2.1 Inleiding Om te weten of er sprake is of kan zijn van een overtreding van één of meer van de verbodsbepalingen van de soortbescherming in de natuurwetgeving is het nodig om onderzoek te doen. Hoeveel en welk onderzoek nodig is, is afhankelijk van de uit te voeren activiteiten en de effecten die gaan optreden op beschermde natuurwaarden (zie ook schema op volgende pagina). Er moet een goede documentatie zijn van wanneer, hoe en door wie het onderzoek uitgevoerd is, en wat de resultaten ervan zijn. Deze documentatie is altijd van belang, ongeacht of er uiteindelijk wel of niet een aanvraag voor een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen wordt gedaan. In paragraaf 2.2 wordt beschreven op welke wijze de aan- of afwezigheid van kleine modderkruipers kan worden bepaald. Ook staat hier op welke wijze bepaald kan worden welke functies het gebied voor de kleine modderkruiper vervult en hoe bepaald kan worden hoe groot de populatie ter plekke is. In paragraaf 2.3 staat beschreven hoe de effecten op de kleine modderkruiper bepaald kunnen worden. Vervolgens staat in paragraaf 2.4 hoe bepaald kan worden of de staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Pagina 10 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ Pagina 11 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 2.2 Het aantonen van aanwezigheid of van afwezigheid Allereerst zal onderzocht moeten worden of in of nabij het gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden kleine modderkruipers aanwezig zijn. Een ontheffing kan alleen worden afgegeven als het zeer aannemelijk is dat de soort daadwerkelijk aanwezig is op of nabij de locatie waar de activiteiten plaats gaan vinden. Ook moet er sprake zijn van een voortplantingsplaats of van een vaste rust- of verblijfplaats met inbegrip van essentiële migratieroutes en foerageergebieden. Het inventarisatieonderzoek kan niet in alle maanden van het jaar even effectief plaatsvinden. Ook moet er rekening gehouden worden met de doorlooptijd van een aanvraag tot ontheffing en met de tijd die nodig is voor het vooraf uitvoeren van maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper. Het onderzoek moet daarom vaak tijdig voor de aanvang van de activiteiten gestart worden. Het onderzoek moet worden uitgevoerd door een deskundige met aantoonbare ervaring in het inventariseren van kleine modderkruipers. De kleine modderkruiper wordt gezien als een soort waarvan de aanwezigheid gemakkelijk is aan te tonen. Pagina 12 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ 2.2.1 Het gebruik van bestaande gegevens en uitvoeren Quick-scan (verkennende inventarisatie) Er kan gebruik gemaakt worden van al beschikbare verspreidingsgegevens van kleine modderkruipers, zoals beschikbare inventarisaties, gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en provinciale verspreidingsatlassen. De bestaande gegevens moeten van voldoende kwaliteit zijn om ze te kunnen gebruiken om de aanwezigheid of afwezigheid van exemplaren of van voortplantingsplaatsen en vaste rust- of verblijfplaatsen van de kleine modderkruiper aan te tonen. Met de beschikbare gegevens moet het ook mogelijk zijn om een indicatie van de omvang van de aanwezige populatie van de kleine modderkruiper te krijgen. Met het raadplegen van alleen de NDFF en Waarneming.nl kan geen afwezigheid van de kleine modderkruiper worden vastgesteld. De gegevens moeten het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de relevante omgeving, dekken. De inventarisaties moeten op een goede manier zijn uitgevoerd in de juiste periode van het jaar. Bestaande onderzoeksgegevens mogen maximaal 5 jaar oud zijn als het gaat om een gebied waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen vijf jaar. Bij gebieden waar dit niet het geval is, moeten de gegevens recenter zijn. Bestaande gegevens zijn in de praktijk meestal alleen te gebruiken als basis voor het formuleren en uitvoeren van verdiepend onderzoek. Een quick-scan (verkennende inventarisatie) kan in beeld brengen of er in of nabij het gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden kleine modderkruipers aanwezig of mogelijk aanwezig zijn. Voor een quick-scan is het veelal genoeg om gebruik te maken van bestaande gegevens in combinatie met een eerste veldbezoek waar gelet wordt op potentieel aanwezige habitat voor de kleine modderkruiper. Er moet onderbouwd worden dat: de watergang de geschikte combinaties van habitat bevat voor de kleine modderkruiper én de aanwezigheid van kleine modderkruiper in de afgelopen vijf jaar is aangetoond binnen een straal van drie kilometer in hetzelfde watersysteem van het plangebied én het plangebied voor de kleine modderkruiper zonder barrières bereikbaar is vanuit die directe omgeving. Aan de hand van dit vooronderzoek (met een checklijst) kan de potentiële aanwezigheid van de kleine modderkruiper en functies van het plangebied worden ingeschat. Met dit vooronderzoek kan de onderzoeksopzet worden bepaald. Als de quick-scan tot uitkomst heeft dat er kleine modderkruipers aanwezig zijn of mogelijk aanwezig zijn, moet verdiepend onderzoek aangeven waar en voor welke functies (bijvoorbeeld voortplanting, overwintering) de kleine modderkruiper het gebied gebruikt. Ook zal er verdiepend onderzoek plaats moeten vinden als de quick-scan tot uitkomst heeft dat afwezigheid van de kleine modderkruiper niet met voldoende zekerheid aangetoond kan worden. Pagina 13 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 2.2.2 Methodes en perioden van inventarisatie van kleine modderkruipers Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van de kleine modderkruiper bevinden. De benodigde inspanning voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van de kleine modderkruiper is sterk afhankelijk van het type water, de onderhoudstoestand, de ervaring van de waarnemer, de gebruikte methodiek en het moment in het jaar dat de inventarisatie plaatsvindt. Een steekproefsgewijze bemonstering, waarbij minimaal één uur geïnventariseerd wordt op de in het plangebied aanwezige locaties met geschikt habitat in de optimale periode, is voldoende om de aanwezigheid van kleine modderkruiper aan te tonen. In het algemeen is in de optimale periode één veldbezoek aan een watergang voldoende om afwezigheid met voldoende zekerheid in beeld te brengen. De optimale periode van inventariseren is van april tot en met oktober, de periode juli tot en met oktober is minder optimaal bij het inventariseren met een schepnet vanwege de dan volop aanwezige vegetatie in de watergang. Buiten de optimale periode zal het meestal noodzakelijk zijn om een grotere onderzoeksinspanning te leveren, bijvoorbeeld door gedurende twee uur te bemonsteren of door meer dan één veldbezoek te doen. Het aantonen van overwinteringplaatsen kan het beste in de overwinteringperiode van november tot en met maart plaatsvinden. Bij het inventariseren wordt op de habitatkenmerken gelet waarvan de kleine modderkruiper afhankelijk is. Dit is nodig om zo de meest kansrijke plekken voor aantreffen te bepalen. Voor de kleine modderkruiper zijn dat vooral stilstaande wateren, zoals sloten, poelen en plassen en daarnaast ook stromingsluwe delen van stromende wateren, zoals weteringen en beken. Afhankelijk van de situatie moet worden bekeken welke methode het meest effectief is. De inventarisatievoorschriften zoals die gehanteerd worden bij het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) zijn niet zonder meer bruikbaar, omdat ze voor andere doeleinden zijn opgesteld. Bij het inventariseren kunnen veel kleine modderkruipers worden gemist, omdat ze in de vegetatie of naar de bodem wegvluchten. De inventarisatie kan sterk bemoeilijkt worden door de sterke plantengroei die zich gedurende het seizoen ontwikkelt in de voor kleine modderkruiper geschikt leefgebied. Het inventariseren van kleine modderkruipers kan met behulp van een schepnet (steeknet) of door middel van elektrovisserij. Beide methoden zijn geschikt. Afhankelijk van de situatie (gebied, aard van de activiteiten) moet worden bekeken welke methode het meest effectief is. - Inventarisatie met schepnet (steeknet) Het inventariseren kan het beste plaatsvinden met een groot schepnet, bijvoorbeeld het standaardmodel van RAVON, met een gestrekte maaswijdte van 3 millimeter en een netgrootte van 70x40 centimeter. Schepnetten zijn goed bruikbaar in kleine waterlichamen en in ondiepe delen van grotere wateren. Grote stenen, gesloten rietkragen en dichte vegetatie bemoeilijken echter het vangen met behulp van een schepnet of het waarnemen. Het schepnet kan zowel vanaf de oever als wadend door het water gebruikt worden. Pagina 14 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ - Inventarisatie door middel van een elektroapparaat Het inventariseren door middel van elektrovisserij kan door middel van apparaten waarbij continue gelijkstroom gebruikt wordt (aggregaat of draagbaar gelijkstroom apparaat) of door de nu veel gebruikte draagbare apparaten met gepulseerde gelijkstroom (onder andere Deka): met gepulseerde gelijkstroom Er wordt gevist met het apparaat op een lage stroomsterkte (2-3 Ampère). Kijk goed uit naar bewegende kleine modderkruipers. Met een polariserende bril kan vaak beter worden waargenomen. In dichtbegroeide wateren moet vooral ook op open plaatsen worden gevist. Met gelijkstroom Er wordt gevist met het apparaat op een lage stroomsterkte (afhankelijk van het type apparaat). Kijk goed uit naar bewegende kleine modderkruipers. Met een polariserende bril kan vaak beter worden waargenomen. Vis in dichtbegroeide wateren vooral ook op open plaatsen. Het gebruik van apparaten met continue gelijkstroom bij inventarisaties naar kleine modderkruiper is relatief nieuw. De resultaten van het gebruik van deze apparatuur ten opzichte van pulserende gelijkstroom zijn nog niet onderzocht. Op basis van veldervaring wordt verwacht dat apparaten met gelijkstroom effectiever zijn voor inventarisatie van de kleine modderkruiper dan apparaten met gepulseerde gelijkstroom. Bij het vangen met een draagbaar elektrisch visapparaat met gepulseerde wisselstroom raken de vissen al in hun schuilplaats in de vegetatie verdoofd: uit het zicht van de waarnemer. - Inventarisatie door middel van e-dna onderzoek Recent zijn ervaringen opgedaan met het aantonen van de aanwezigheid van soorten door middel van e-dna-onderzoek. Er is nog te weinig ervaring met het aantonen van aanwezige kleine modderkruipers met behulp van deze techniek. Er kan met e-dna onderzoek geen indicatie worden verkregen van hoeveel exemplaren aanwezig zijn. Voor het bepalen van de omvang van de populatie is de methode niet geschikt. In veel gevallen zullen het inventariseren met een schepnet of met elektrovisserij voldoende zijn om de soort met relatief weinig inspanning aan te treffen of uit te sluiten en zal e-dna onderzoek bij de kleine modderkruiper niet vaak in aanmerking komen. Als de kleine modderkruiper is aangetroffen in een watergang mag er vanuit gegaan worden dat in de betreffende watergang op alle plekken die daarvoor geschikt zijn, ook voortplantingsplaatsen en vaste rust- of verblijfplaatsen van de kleine modderkruiper aanwezig zijn, evenals de essentiële omgeving die nodig is om deze plekken als zodanig te laten functioneren. Pagina 15 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Figuur 4: Op hoofdlijnen weergegeven de geschiktheid van perioden van inventariseren voor verschillende wijzen van inventariseren. Inventariseren met schepnet jan febr mrt apr mei juni juli aug sept okt nov dec Inventariseren met elektrovisserij Inventariseren met schepnet of elektrovisserij op plekken waar winterrust plaatsvindt Optimale periode. Geschikte periode, indien water- en luchttemperatuur niet te laag is; bemonstering in de diepere delen van de watergang (>10 centimeter diepte). In overige periode kunnen deze diepe plekken ook in kaart gebracht worden maar kan nog niet bepaald worden of ze gebruikt worden als overwinteringplek. Geschikte periode, indien niet te veel vegetatie in de watergang. Geen geschikte periode. Periode van inventariseren In figuur 4 wordt de geschiktheid van perioden voor inventariseren voor de verschillende inventarisatiewijzen aangegeven. Ook buiten deze perioden kan worden geïnventariseerd, maar dan zal meer onderzoeksinspanning verricht moeten worden, zoals een grotere tijdsinspanning, meerdere veldbezoeken aan eenzelfde watergang of meer lengte aan watergangen inventariseren in een gebied. Het vooraf vastleggen van waar zich de diepere delen van een watergang bevinden, kan in de uitvoering van activiteiten voordeel opleveren. Als bekend is op welke locaties zich de diepere plekken in de watergang bevinden, dan kunnen bepaalde werkzaamheden in de ondiepere delen mogelijk toch in de winterperiode worden uitgevoerd. Voor de kleine modderkruiper geldt dat alleen de zeer ondiepe delen (<10 centimeter water) dan vrij van kleine modderkruipers kunnen zijn. 2.2.3 Bepaal de omvang van de populatie Als een ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen nodig is voor het uitvoeren van de activiteiten, is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in het effect van de activiteiten op de gunstige staat van instandhouding van de populatie van de kleine modderkruiper. Er moet in beeld gebracht worden hoe groot de populatie van kleine modderkruiper ter plekke is, hoe deze zich ontwikkelt en op hoeveel exemplaren van de kleine modderkruiper de activiteit effect zal hebben en daarmee welk effect op de populatie optreedt. Pagina 16 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ Er zijn meerdere mogelijkheden om de populatie van de kleine modderkruiper in beeld te brengen. Per project is dit maatwerk, dat door een kleine modderkruiperdeskundige uitgevoerd moet worden. Vaak zal het nodig zijn om ook in de directe omgeving van het eigenlijke plangebied het voorkomen van de kleine modderkruiper in beeld te brengen. De omvang van die omgeving is per project maatwerk. De verspreiding, de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van de kleine modderkruiper kan in beeld gebracht worden. Dit kan het beste gebeuren op het niveau van de lokale populatie door aan te geven welke watergangen in het watersysteem (bijvoorbeeld een polder) in welke mate in potentie geschikt zijn voor de kleine modderkruiper. Daarbij moet ook het aantal aangetroffen exemplaren meegenomen worden. In de winter zijn de aantallen kleine modderkruipers in een gebied mogelijk eenvoudiger in beeld te brengen dan in andere perioden van het jaar. In de winterperiode clusteren ze namelijk bij elkaar in de iets diepere delen van watergangen, in de buurt van duikers en dergelijke, terwijl ze in andere perioden meer verspreid in de watergangen aanwezig zijn. Ook kan er uitgebreid populatieonderzoek plaatsvinden door de verspreiding van en het aantal kleine modderkruipers in de diverse leeftijdsklassen (lengteklassen) in het betreffende watersysteem in beeld te brengen. De verdeling van de lengteklassen geeft een indicatie hoe het met de populatie gesteld is en of er regelmatig voortplantingssucces aanwezig is. Voor alle beschikbare onderzoeksmethoden geldt dat het bepalen van een exacte populatieomvang niet mogelijk is, zelfs niet met een grote en herhaalde inspanning van bijvoorbeeld 5 bezoeken. Om later het effect van de uit te voeren activiteit op de gunstige staat van instandhouding van de kleine modderkruiper aan te geven moet in beeld gebracht worden hoeveel optimaal en overig geschikt leefgebied er aanwezig is en hoe dat ten opzichte van elkaar gelegen is. Daarbij moet de mate van algemeenheid (in klassen zeldzaam, algemeen, zeer algemeen) van de soort binnen dit beoordeelde gebied worden aangegeven. Met behulp van de inventarisatiegegevens moet ook in beeld gebracht worden hoe de populatie het gebied gebruikt: betreft het plangebied een onderdeel van een netwerkpopulatie, is het gebied een belangrijke schakel in dat netwerk, zijn er barrières, et cetera. In grote lijnen kunnen drie situaties gelden (figuur 5): 1. er is sprake van een gebied van dusdanige omvang en kwaliteit dat er zich op langere termijn een duurzaam levensvatbare populatie kan bevinden 2. er is sprake van een gebied waar zich een levensvatbare populatie bevindt, de duurzaamheid op langere termijn hiervan is alleen mogelijk als dit gebied in verbinding is met andere gebieden/populaties 3. er is sprake van een gebied waar zich geen duurzame populatie kan bevinden, maar het gebied maakt wel deel uit van een netwerk aan gebieden, die gezamenlijk wel een op langere termijn duurzame populatie mogelijk maken. Pagina 17 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Meer inzicht in de populatieontwikkeling ter plekke kan mogelijk worden verkregen door tevens gebruik te maken van tot 10 à 15 jaar oude ecologische relevante verspreidingsgegevens uit bijvoorbeeld de NDFF of inventarisatierapporten. Figuur 5: de effecten op de staat van instandhouding van de kleine modderkruiper in een gebied is mede afhankelijk van de ligging van het gebied binnen de populatie van de kleine modderkruiper. Toelichting in tekst. 1 2 3 2.3 Het bepalen van de effecten van de activiteiten Het bepalen of de voorgenomen activiteiten tot een overtreding leiden is per project maatwerk en moet gebeuren door een deskundige die hiermee aantoonbaar ervaring heeft. Om de effecten van de voorgenomen activiteiten te bepalen, is het noodzakelijk om eerst goed te beschrijven wat deze activiteiten gaan inhouden. Er zal ondermeer, bij voorkeur ook op kaart, in beeld gebracht moeten worden op welke locaties in het gebied de activiteiten plaats gaan vinden. Daarnaast zal het nodig zijn om aan te geven wanneer in het jaar, wanneer op de dag en gedurende welke periode ze uitgevoerd gaan worden. Ook kan het relevant zijn om in beeld te brengen welke machines of welke materialen gebruikt gaan worden. Ook moet er in beeld gebracht worden waar en wanneer bepaalde maatregelen worden genomen ten gunste van de kleine modderkruiper. 2.3.1 Het bepalen van de vernietiging of verstoring van voortplantingsplaatsen of van vaste rust- of verblijfplaatsen Het onderzoek moet onderbouwd aangeven of de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen en vaste rust- of verblijfplaatsen tijdens en na uitvoer van de activiteiten gegarandeerd kan worden. Hiervoor is het nodig om de volgende zaken in beeld te brengen: de locaties van de voortplantingsplaatsen en van de vaste rust- of verblijfplaatsen en de bijbehorende (essentiële) functionele leefomgeving. Bij de kleine modderkruiper betreft dit de locaties van de geschikte habitat in de watergang waarin de kleine modderkruiper is aangetroffen, Pagina 18 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ welke activiteiten plaats gaan vinden, op welke plekken, op welk moment, de wijze van uitvoering, en dergelijke, waar en wanneer welke maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper worden genomen. Met behulp van deze gegevens kan een kleine modderkruiperdeskundige aangeven in welke mate er door de activiteiten een achteruitgang in de ecologische functionaliteit, op welk moment en al dan niet tijdelijk, van de aanwezige voortplantingsplaatsen en / of de vaste rust- of verblijfplaatsen gaat optreden. Het bepalen of de functionaliteit in het geding komt is per project maatwerk. Aantasting van de functionaliteit is aan de orde als de geschikte habitat waar de kleine modderkruiper in voorkomt in kwantiteit of kwaliteit voor de kleine modderkruiper afneemt, waardoor dit niet meer de functie van voortplantingsplaats of vaste rust- of verblijfplaats kan vervullen. Er is sprake van verstoring van een voortplantingsplaats of van een vaste rust- of verblijfplaats als deze plaatsen fysiek, al dan niet voorlopig, wel in stand blijven, maar de activiteiten wel tot gevolg hebben dat de betreffende functie niet of minder goed vervuld kan worden. Dit kan ondermeer gebeuren door aanwezigheid van mensen, gebruik van materieel of wellicht door effecten van geluid of licht. Of er een negatief effect optreedt is afhankelijk van de intensiteit, duur en frequentie van de herhaling van de verstoring en van het moment waarop de verstoring plaatsvindt. Van belang is om in het onderzoek navolgbaar te onderbouwen welk effect de activiteiten hebben en of het om een tijdelijk of permanent effect gaat. Een hulpmiddel of er effecten optreden is de effectindicator (zie http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoorten.aspx? subj=soorten). De effectindicator geeft niet aan in welke mate er effect optreedt. Het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantingsplaatsen of vaste rust- of verblijfplaatsen kan op verschillende manieren mogelijk voorkomen worden. Bijvoorbeeld door het op een andere wijze of plek uitvoeren van de activiteiten, door het toepassen van zorgplichtmaatregelen of door het nemen van maatregelen gericht op de kleine modderkruiper (zie hoofdstuk 3 voor voorbeelden). Ook door het afzien van het uitvoeren van de activiteiten op de betreffende plek kan dit voorkomen worden. 2.3.2 Het bepalen van of er kleine modderkruipers worden gedood Het bepalen of er door de activiteiten kleine modderkruipers zullen worden gedood of verwond is in alle gevallen maatwerk waarvoor een kleine modderkruiperdeskundige moet worden ingeschakeld. Men moet zich altijd aan de zorgplicht houden, waarmee ondermeer wordt bedoeld dat doden en verwonden zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Pagina 19 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Het doden of verwonden van kleine modderkruipers kan aan de orde zijn bij bijvoorbeeld machines waar water mee opgezogen wordt, zoals bij machines die bij baggeren worden gebruikt. Ook kan dit aan de orde zijn bij bouwwerken zoals gemalen, waar water doorheen geleidt wordt. Hierbij kunnen meer of minder kleine modderkruipers mee gezogen worden en daarbij gewond of gedood worden. Meer indirect kunnen kleine modderkruipers worden gedood als een watergang gedempt wordt of tijdelijk droog gaat vallen. Hetzelfde geldt als de kwaliteit van het water te slecht wordt, bijvoorbeeld doordat het door de activiteiten zuurstofloos of te zout wordt of als er giftige stoffen worden geloosd. Het doden of verwonden van kleine modderkruipers is mogelijk te voorkomen door het niet uitvoeren of door het op een andere wijze of plek uitvoeren van de activiteiten, door het toepassen van zorgplichtmaatregelen en door het nemen van maatregelen gericht op de kleine modderkruiper (zie hoofdstuk 3 voor voorbeelden). 2.3.3 Het bepalen van of er eitjes van kleine modderkruipers beschadigd of vernield worden Als activiteiten leiden tot aantasting of vernietiging van functioneel leefgebied kan worden aangenomen dat er ook eitjes van de kleine modderkruiper beschadigd of vernield worden. Dit geldt alleen als deze activiteiten plaatsvinden in de periode dat er eitjes aanwezig kunnen zijn. Het beschadigen en vernielen van eitjes is mogelijk te voorkomen door het niet uitvoeren of door het op een andere wijze of plek uitvoeren van de activiteiten, door het toepassen van zorgplichtmaatregelen en door het nemen van maatregelen gericht op de kleine modderkruiper (zie hoofdstuk 3 voor voorbeelden). 2.4 Het bepalen van de waarborging van de staat van instandhouding Bij de kleine modderkruiper wordt de ontheffingsaanvraag beoordeeld op het effect van de activiteit op de landelijke gunstige staat van instandhouding. Er zal daarom inzicht moeten worden gegeven in de gevolgen voor de staat van instandhouding van de landelijke populatie van de kleine modderkruiper. Dit is per project maatwerk. Een kleine modderkruiperdeskundige moet bepalen of de staat van instandhouding gewaarborgd zal blijven. De landelijke staat van instandhouding wordt in 2013 beoordeeld als gunstig, maar lokaal kan dit anders liggen. Pagina 20 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ De wet beoogt geen statische populatiegrootte in stand te houden maar de populatie duurzaam in stand te houden. Dit betekent dat er tijdens en na de activiteiten voldoende voortplantende dieren in samenhang met voor elk type voldoende, geschikte en onderling bereikbare verblijfplaatsen moeten blijven voortbestaan. Ook moeten er voldoende uitwisselingsmogelijkheden tussen deelpopulaties mogelijk blijven. Niet elke, al dan niet tijdelijke, afname in één van bovenstaande aspecten hoeft te betekenen dat de staat van instandhouding niet meer gewaarborgd kan worden. Voor het bepalen van het effect op de staat van instandhouding moeten de effecten op de afzonderlijke aspecten in onderlinge samenhang in beeld worden gebracht. Het beste kan in beeld gebracht worden of en waar de kwantiteit of kwaliteit van de habitat verandert en wat het effect is op de mate van algemeenheid in de nieuwe situatie en op de populatiestructuur. Bij het bepalen van het effect van de activiteiten op de gunstige staat van instandhouding moet ook rekening gehouden worden met mogelijke andere activiteiten in of nabij het plangebied die recent werden of tegelijkertijd worden uitgevoerd en mogelijk ook negatief effect hebben op de kleine modderkruiper (cumulatieve effecten). Activiteiten die als gevolg hebben dat op enig moment niet meer voldaan kan worden aan het minimaal vereiste voor een levensvatbare populatie, zullen tot gevolg hebben dat de staat van instandhouding niet gewaarborgd kan worden Speciale aandacht vereisen: barrières. Als door de activiteiten geschikt habitat te ver uiteen komt te liggen is er een kans dat er een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding gaat optreden. gelijktijdige activiteiten in een groter gebied. Bij het over een grote oppervlakte tegelijkertijd uitvoeren van werkzaamheden wordt het gebied voor lange tijd ongeschikt voor veel individuen. Het effect op de staat van instandhouding van de lokale populatie zal ook dan groot zijn. gebieden waar de populatie al onder druk staat of gebieden met een lage dichtheid aan kleine modderkruipers. Een geringe extra sterfte of een beperkt kwaliteitsverlies kan in deze gebieden al tot gevolg hebben dat de staat van instandhouding niet meer gewaarborgd kan worden. delen van het gebied met veel exemplaren. Zelfs ingrepen met een ruimtebeslag van minder dan 20 m 2 kunnen een groot aantal exemplaren treffen, bijvoorbeeld als een plek waar in de winter veel kleine modderkruipers bij elkaar clusteren vernietigd wordt. Hetzelfde kan gelden voor kleine ondiepe sloten of greppels waar voortplanting plaatsvindt die uitmonden op diepere sloten. Pagina 21 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 3 Mogelijke maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper In dit hoofdstuk staat een aantal maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper genoemd die in aanmerking kunnen komen als bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een overtreding van een verbodsbepaling gaat optreden. Door het nemen van één of meer van die maatregelen is het mogelijk om negatieve effecten van de activiteiten te verkleinen. Als de negatieve effecten geheel te niet gedaan worden, kan zelfs een overtreding voorkomen worden. Naast de genoemde maatregelen geldt in alle gevallen dat er ook oplossingen liggen in andere niet nader omschreven alternatieven voor de uit te voeren activiteiten. Zo kan het beschermen van een oever wellicht ook op een andere wijze dan met een harde beschoeiing. Ook het niet uitvoeren van de activiteiten behoort tot de mogelijkheden om negatieve effecten op de kleine modderkruiper te voorkomen. Hetzelfde geldt voor het verplaatsen van de activiteiten naar een gebied waar geen effecten op de kleine modderkruiper zullen optreden. In alle gevallen is maatwerk mogelijk. In samenspraak met een kleine modderkruiperdeskundige moet worden bepaald waar, welke en hoeveel maatregelen in het specifieke project getroffen moeten worden. Mogelijk komen er ook maatregelen in aanmerking die hier niet genoemd worden, maar die door de kleine modderkruiperdeskundige wel als effectief worden gezien. Het toepassen van die maatregelen is mogelijk. In alle gevallen moet een goede onderbouwing worden gegeven waarom de te nemen maatregelen in het specifieke geval effectief zijn. De te nemen maatregelen kunnen meer algemeen van aard zijn, ze kunnen gericht zijn op het zorgvuldig handelen maar het kunnen ook mitigerende of compenserende maatregelen zijn. Het verwachte succes van de maatregel moet zeker of met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vooraf vaststaan. Als de staat van instandhouding in het geding komt door de activiteiten, moet een maatregel die gericht is op het handhaven van een gunstige staat van instandhouding al aanwezig zijn én functioneren voordat de activiteiten met het negatieve effect plaats gaan vinden. De te nemen maatregelen moeten in verhouding staan tot het effect van de ingreep. Veelal zal een kleine ingreep slechts een gering aantal exemplaren treffen en is er veel vergelijkbare habitat in de directe omgeving aanwezig. In dat geval behoeft een relatief beperkt aantal aanvullende maatregelen te worden uitgevoerd. Een kleine ingreep kan echter ook een groot aantal exemplaren treffen. Bijvoorbeeld als een groot deel van de populatie vernietigd wordt. In dat geval zal meer gedaan moeten worden. De in dit hoofdstuk beschreven maatregelen is het minimum pakket aan maatregelen dat genomen moet worden. Extra maatregelen ten gunste van de kleine modderkruiper zijn altijd mogelijk. Pagina 22 van 43

Deze publicatie is in opdracht van het ministerie van EZ 3.1 Werken buiten kwetsbare perioden maatregel Het uitvoeren van de activiteiten buiten de kwetsbare perioden van de kleine modderkruiper. uitleg Een deskundige op het gebied van kleine modderkruipers moet aangeven of de activiteiten plaats kunnen vinden. De kwetsbare perioden van de kleine modderkruiper zijn de voortplantingsperiode en de winterrustperiode (figuur 6). Ook perioden waarin watergangen door droogte zonder water komen te staan kunnen tot de kwetsbare periode van de kleine modderkruiper worden gerekend. De kwetsbare periode van de voortplanting loopt van april tot en met augustus. De kwetsbare periode van de winterrust loopt van november tot en met maart. Vooral kritisch zijn de momenten dat de luchttemperatuur onder het vriespunt ligt of als er ijs aanwezig is in de watergang. In de zomerperiode zijn de perioden dat de watertemperatuur boven de 25 graden Celsius komen kritisch. De genoemde perioden kunnen eerder of later beginnen of eindigen, afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden en afhankelijk van de meteorologische omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden. Figuur 6: Op hoofdlijnen weergegeven de kwetsbare perioden van de kleine modderkruiper. voortplanting winterrust jan febr mrt apr mei juni juli aug sept okt nov dec Kwetsbare periode Activiteiten kunnen buiten de kwetsbare perioden worden uitgevoerd. De periode dat activiteiten uitgevoerd kunnen worden is afhankelijk van het type activiteit (figuur 7). De meest gunstige periode voor de uitvoering van activiteiten die invloed hebben op de gehele watergang zijn de maanden september en oktober, mits de luchttemperatuur tussen de nul en de 25 graden ligt. In deze periode vindt er geen ei-afzetting plaats, de jonge kleine modderkruipers zijn opgegroeid en de volwassen exemplaren zijn nog actief. Vooral in de winterperiode zijn mogelijk de delen van een watergang met minder dan 10 centimeter water kleine modderkruiper vrij. Het uitvoeren van activiteiten, zoals baggeren, is in de periode dat de watertemperatuur erg laag, maar boven nul is, mogelijk als vooraf goed in beeld gebracht is waar de kleine modderkruipers zich op dat moment in groepen bijeen bevinden. Bij de activiteiten moeten deze plekken worden ontzien. Pagina 23 van 43

Kleine modderkruiper Cobitis taenia Soortenstandaard Versie 2.0 December 2014 Kader maatregel: Zorgplicht/zorgvuldig handelen, behoud functionaliteit Figuur 7: Op hoofdlijnen weergegeven de perioden waarin activiteiten uitgevoerd kunnen worden. Activiteiten die gehele watergang beïnvloeden Activiteiten die alleen de waterstand verhogen jan febr mrt apr mei juni juli aug sept okt nov dec Activiteiten kunnen niet uitgevoerd worden Als bekend is waar de dieren zich bevinden (veelal de diepere plekken in de watergang) kunnen activiteiten in overleg met een kleine modderkruiperdeskundige worden uitgevoerd op de overige plekken (ondiepe delen met minder dan 10 centimeter water) als de temperatuur boven nul is en geen ijs op de watergang aanwezig is. In andere gevallen kunnen de activiteiten niet worden uitgevoerd. Activiteiten kunnen uitgevoerd worden 3.2 Faseren activiteiten in ruimte en tijd maatregel De activiteiten worden gefaseerd in de ruimte en tijd uitgevoerd zodat er op elk moment voldoende geschikte habitat aanwezig is waar voortplanting en overwintering plaats kan vinden. uitleg Het in de tijd en de ruimte gefaseerd uitvoeren van de activiteiten, zoals bij (achterstallig) schonen en baggeren, is van groot belang. Vanuit de delen die gehandhaafd blijven heeft de populatie de mogelijkheid te herstellen na een tijdelijke achteruitgang veroorzaakt door de activiteiten. Er moet op elk moment op minimaal 25 % van de oppervlakte van watergangen voldoende geschikt habitat in de watergang voor de kleine modderkruiper aanwezig zijn. Per project is maatwerk mogelijk, bijvoorbeeld door: binnen een watergang van minder dan 4 meter breed de activiteiten aan de ene kant van de watergang wel (figuur 8 en 9) en aan de andere kant minstens één jaar later uit te voeren binnen een watergang van meer dan 4 meter breed de activiteiten alleen in het middendeel van de watergang uit te voeren en daarbij de beide oeverkanten te ontzien door minimaal 1 meter uit de beide oevers te blijven binnen de watergang de activiteiten over een lengte van 200 meter wel en minstens één jaar later over de volgende 200 meter de activiteiten uit te voeren Pagina 24 van 43