Handboek Keerklepcontrole Instructie & informatie m.b.t. keerklepcontrole 19-10-2010 Bureau de Wit BV Thijs Brekelmans
Inhoud 1. Inleiding...2 2. Terugstroombeveiligingen...3 2.1. Toestellen en terugstroombeveiligingen...3 2.2. Mogelijke contactsituaties...4 2.3. Codes beveiligingseenheden...5 2.4. Controleren van beveiligingen...5 2.5. Veel voorkomende terugstroombeveiligingen...6 3. Bediening testunit...11 3.1. Accu s...12 3.2. Ontluchten...12 3.3. Instelling pomp...12 3.4. Overdruk...13 3.5. Onderdruk...14 3.6. Onderhoud testunit...14 4. Controle methoden terugstroombeveiligingen met enkele scheiding...15 4.1. Methoden...16 4.2. Standaardmethode...16 4.3. Onderdrukmethode...18 4.4. Overdrukmethode...20 5. Controle inlaatcombinatie...23 5.1. Werking...23 5.2. Controle...23 6. Controle terugstroombeveiliging type CA...24 6.1. Werking...24 6.2. Controle...25 7. Controle terugstroombeveiliging type BA...26 7.1. Werking...26 7.2. Controleset terugstroombeveiliging type BA...28 Bijlage 1 Vloeistofklassen...32 Bijlage 2 Schema en validatie testunit Bureau de Wit...37 Bijlage 3 Uitrusting keerklepcontroleur Bureau de Wit...40 Bijlage 4 Bronnen...41 Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 1
1. Inleiding Conform NEN1006 en de waterwerkbladen 1.4G en 3.8 dienen de aansluitingen van toestellen in leidingwaterinstallatie te zijn voorzien van terugstroombeveiligingen. Terugstroombeveiligingen zorgen ervoor dat er geen verontreinigd water terug kan stromen in de leidingwaterinstallatie. Eigenaren van collectieve waterleidinginstallaties zijn verplicht jaarlijks de in de installatie aanwezige keerkleppen op juiste werking te laten controleren. In verscheidene installaties 1 worden beheerstaken, waaronder de uitvoer van keerklepcontrole, periodiek gecontroleerd door VROM of het waterleidingbedrijf. De meest voorkomende te controleren terugstroombeveiligingen zijn de types EA, CA en BA. Strikt genomen is er een verschil tussen de definities terugstroombeveiliging en keerklep. Een terugstroombeveiliging (terugstroombeveiligingseenheid) is een voorziening om het terugpersen en/of terughevelen van verontreinigingen van benedenstroom naar bovenstrooms tegen te gaan. Een beveiligingseenheid omvat naast het beveiligingstoestel ook de voor de goede werking en controle noodzakelijke randapparatuur, bijvoorbeeld een afsluiter, zeef, controlekraan. Een keerklep (mechanische, vaak veerbelaste klep die open en dicht kan staan) of een beluchter kan een onderdeel zijn van een terugstroombeveiliging. In dit handboek zullen beide termen echter door elkaar gebruikt worden. De controle van terugstroombeveiligingen kan op verschillende manieren uitgevoerd worden, afhankelijk van type terugstroombeveiliging, aangesloten toestel, de aanwezigheid van afsluiters en de bereikbaarheid van de keerklep. Dit handboek geeft een overzicht van de meest voorkomende soorten keerkleppen en behandelt de verschillende methoden en werkwijzen om deze keerkleppen te controleren op juiste werking. Daarnaast wordt de werking van de testunit van Bureau de Wit voor keerklepcontrole beschreven. 1 Installaties, ingedeeld in risicoklasse 4 of 5, met kans op wijzigingen aan de installatie en waarvan de watermeter een capaciteit heeft groter dan Q n 6 m 3 /h. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 2
2. Terugstroombeveiligingen 2.1. Toestellen en terugstroombeveiligingen Conform NEN1006 en de waterwerkbladen 1.4G en 3.8 dienen de aansluitingen van toestellen in leidingwaterinstallatie te zijn voorzien van terugstroombeveiligingen. Terugstroombeveiligingen zorgen ervoor dat geen verontreinigd water terug kan stromen in de leidingwaterinstallatie. De bedoelde verontreiniging kan bestaan uit verontreinigd water met chemische bestanddelen, zoals bijvoorbeeld water uit een vaatwasmachine. Ook verontreiniging van microbiologische aard kan hierbij een rol spelen, zoals Legionella bacteriën in een leiding naar een brandslanghaspel. Uiteraard zijn ook combinaties van beide typen verontreiniging mogelijk, denk aan de leiding naar een (nauwelijks gebruikt) tappunt t.b.v. het vullen van het CV systeem. Met betrekking tot in de aansluiting van (gevaarlijke) toestellen geplaatste beveiligingen tegen het binnendringen van vreemde stoffen in drinkwaterinstallaties en warmtapwaterinstallaties is in artikel 3.8 van NEN 1006 het volgende gesteld: De aansluiting van een gevaarlijk toestel moet zijn voorzien van een terugstroombeveiliging. De aard van terugstroombeveiliging moet zijn aangepast aan de mate van gevaar van het toestel en de daarin aanwezige stoffen. In de leidingwaterinstallatie geplaatste beveiligingstoestellen moeten zo zijn aangebracht dat zij gemakkelijk kunnen worden onderhouden en vervangen. De controleerbare beveiligingstoestellen moeten tevens zo zijn aangebracht dat deze gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd. Welk terugstroombeveiliging dient te worden geplaatst kan worden bepaald aan de hand van de zogenaamde vloeistofklassen, zie bijlage 1 en Water werkblad 3.8. Een snel hulpmiddel bij het bepalen van de juiste keerklep is te vinden op internet: De zelfscan voor bedrijven van waterleidingbedrijf Oasen: http://www.oasen.nl/klant/drinkwaterinstallatie/doedezelfscan Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 3
Toestel Vereiste beveiliging Huishoudelijke wasmachine EA of DA Koffie / soep / choco automaat EA Steamer EA Vaatwasmachine CA Suppletie zwembadwaterinstallatie AA Tappunt t.b.v. vullen CV (P < 45 kw) EA Tappunt t.b.v. vullen CV (P > 45 kw) CA Brandslanghaspel EA Ontharder CA / BA Omgekeerde osmose installatie BA Aansluiting t.b.v. bierkelder BA Tabel 1: Voorbeelden toestellen met bijbehorende beveiliging In bovenstaande tabel zijn voor veel voorkomende toestellen met bijbehorende terugstroombeveiligingen opgenomen. Indien in een gevaarlijk toestel de vereiste beveiligingseenheid op de juiste wijze waarneembaar is ingebouwd, behoeft vóór het toestel geen beveiligingseenheid te worden toegepast. Indien een (gevaarlijk) toestel wordt aangesloten met een koud- en een warmtapwaterleiding moeten beide aansluitleidingen worden voorzien van de vereiste beveiligingseenheid. 2.2. Mogelijke contactsituaties Vanuit toestellen kan op twee verschillende manieren (verontreinigd) water terugstromen naar het leidingnet: Zuigkruisverbindingen Een contactsituatie waarbij door terughevelen ongewenste stoffen in de drinkwaterinstallatie kunnen terugstromen. Een dergelijke situatie kan zich voordoen als de waterleidingdruk gedurende een bepaalde tijd (bijv. door grote waterafname elders) van overdruk in onderdruk verandert. Perskruisverbindingen Een contactsituatie waarbij door terugpersen ongewenste stoffen in de drinkwaterinstallatie kunnen stromen. Dit kan gebeuren als de druk in een toestel gedurende een bepaalde tijd groter is dan de druk in de drinkwaterinstallatie. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 4
Terugstroombeveiligingen met een enkele en met een dubbele scheiding: Enkele scheiding Bij een enkele scheiding is het drinkwater door één wand gescheiden van een andere vloeistof. De andere zijde is in contact met een andere vloeistof dan drinkwater. Een enkele scheiding beveiligt tegen zowel vloeistofklasse 1, 2 als 3. Een voorbeeld van een terugstroombeveiliging met een enkele scheiding is het type EA. Dubbele scheiding Bij een dubbele scheiding zijn het drinkwaterdeel en de andere vloeistof permanent gescheiden door een neutrale zone. De neutrale zone kan een vloeistof bevatten van klasse 1, 2 of 3, dan wel een gas of inert poreus materiaal. Een dubbele scheiding beveiligt zowel tegen vloeistofklasse 1, 2, 3, 4 als 5. Voorbeelden van terugstroombeveiligingen met een dubbele scheiding zijn types CA en BA. 2.3. Codes beveiligingseenheden Een beveiligingseenheid is een voorziening om het terugpersen en/of terughevelen van verontreinigingen van benedenstrooms van de keerklep naar bovenstrooms van de keerklep tegen te gaan. Een beveiligingseenheid omvat naast het beveiligingstoestel ook de voor de goede werking en controle noodzakelijke randapparatuur (bijv. afsluiter, zeef, controlekraan). Beveiligingseenheden worden aangeduid met een code. Deze code bestaat uit twee hoofdletters: De eerste hoofdletter geeft de familie aan waartoe de eenheid behoord. De tweede hoofdletter geeft het type van de beveiligingseenheid aan. Bijv.: Beveiliging DC behoort tot familie D (beluchters), type C staat voor de beluchter zonder beweegbare delen. 2.4. Controleren van beveiligingen Terugstroombeveiligingstoestellen, zoals keerkleppen EA/EC, beluchters DA/DB/DC, onderbrekers BA/CA/GA/GB, atmosferische onderbrekingen AA/AB/AC/AD/AF/AG, moeten jaarlijks op goede werking worden gecontroleerd. Ook moeten procesbeveiligingstoestellen, zoals bijvoorbeeld ontlastkleppen en inlaatcombinaties (inclusief de geïntegreerde controleerbare keerklep EA), jaarlijks op goede werking worden gecontroleerd. De volgende terugstroombeveiligingen zullen medewerkers van Bureau de Wit regelmatig controleren en deze worden daarom nader omschreven in dit handboek: Terugstroombeveiliging type EA Terugstroombeveiliging type CA Terugstroombeveiliging type BA Informatie m.b.t. de wijze van controleren is te vinden in dit handboek, de technische informatie van de leverancier en water werkblad 1.4G. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 5
Voor een overzicht van alle bestaande beveiligingstoestellen, zie water werkblad 3.8. De niet-controleerbare keerkleppen EB/ED die zijn geïntegreerd in tapkranen, thermostatische mengkranen en toestellen worden niet gecontroleerd. Deze keerkleppen moeten iedere tien jaar worden vervangen. 2.5. Veel voorkomende terugstroombeveiligingen Hieronder worden de meest voorkomende types keerkleppen nader beschreven. In de grafische weergave van de afzonderlijke beveiligingseenheden symbolen gebruikt. Deze symbolen zijn terug te vinden in onderstaande tabel. Tabel 2: Randapparatuur Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 6
Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 7
Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 8
Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 9
Atmosferische onderbrekingen, zoals AA, worden visueel geïnspecteerd en gecontroleerd op juiste werking. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 10
3. Bediening testunit De testunit is ontworpen en gebouwd om in uiteenlopende situaties keerkleppen te kunnen controleren. D.m.v. de verschillende aansluitstukken kan het apparaat op bijvoorbeeld een wasmachinekraan, buitenkraan of brandslanghaspel worden aangesloten. Ook een directe aansluiting op de testnippel van een keerklep of van een afsluiter is mogelijk. Figuur 1: Voorzijde testunit Figuur 2: Achterzijde testunit De testunit bestaat uit een natte pomp, leidingwerk, manometers en driewegafsluiters, waarmee op de aansluiting van het apparaat overdruk of onderdruk gegenereerd kan worden. Deze overdruk en onderdruk kunnen op de manometers worden afgelezen. Bij de toepassing van overdruk wordt demiwater uit het reservoir (rechts op figuur 2), door het leidingwerk van het apparaat, naar de aansluiting gepompt. Voor de hygiëne en ter voorkoming van besmetting van de leidingwaterinstallatie is het zeer belangrijk alleen demiwater te gebruiken! Bij toepassing van onderdruk wordt in de aansluiting een onderdruk t.o.v. de oorspronkelijk heersende druk gecreëerd. Eventueel aangezogen water wordt geloosd in het daarvoor bestemde reservoir (links op figuur 2). Het functioneel schema van de testunit is opgenomen in bijlage 2. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 11
3.1. Accu s Bij het apparaat horen twee accu s. De accu bevindt zich aan de achterzijde van de testunit en is aangesloten m.b.v. van een kabel met stekker. De reserve-accu s kunnen worden bewaard en opgeladen in de daarvoor bestemde koffer. In deze koffer kunnen de accu s worden aangesloten m.b.v. kabels en stekkers. De oplader in de koffer geeft d.m.v. controlelampjes aan wanneer de accu s worden opgeladen en wanneer de accu s helemaal zijn opgeladen. De accu gaat meerdere werkdagen mee. Het is belangrijk altijd een reserve-accu in de auto te hebben, voor het geval de in gebruik zijnde accu uitgeput raakt. Zorg ervoor dat de accu in de testunit regelmatig wordt verwisseld. Het is niet bevorderlijk voor de levensduur van de accu als deze helemaal uitgeput raakt. Ook is het niet aan te raden volle accu s lange tijd niet te gebruiken. 3.2. Ontluchten Draag zorg dat voor gebruik de pomp, het leidingwerk van het apparaat en de kunststof slang naar de snelkoppeling vrij zijn van luchtbellen. Indien luchtbellen zichtbaar zijn in de leidingen, dient het systeem ontlucht te worden: De afsluiters op druktest zetten en demiwater via de slang naar buiten pompen, totdat er geen luchtinsluitingen meer te zien zijn. Ook de pomp dient periodiek, en in ieder geval iedere keer na een onderdruk test, ontlucht te worden. Het wieltje op de pomp open draaien en de pomp in werking stellen, totdat er geen lucht, maar alleen nog maar water uit de pomp komt. 3.3. Instelling pomp Op de pomp kunnen twee parameters ingesteld worden, te weten slagkracht en slaglengte. De slaglengte is de kracht van 1 pompslag. Deze kan bij langere leidingen en/of bij leidingen met een grotere diameter (bijvoorbeeld bij brandslanghaspels) hoger ingesteld te worden. De slagfrequentie is het aantal pompslagen per minuut. Deze dient zodanig ingesteld te worden, dat het aantal slagen goed beheerst kan worden tijdens de bediening van de testunit. Figuur 3: De pomp in de testunit Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 12
3.4. Overdruk Om overdruk te genereren dienen de volgende stappen te worden genomen: Ontlucht het systeem op bovenstaande wijze, indien nodig. Ontlucht de keerklep, achterliggende leiding en het tappunt d.m.v. het spoelen van het tappunt. Sluit het apparaat aan op een tappunt / aansluiting / keerklep (afsluiter of kraan voor dit punt dichtzetten). Zet de twee afsluiters op druktest (zie figuur 4). Let op: Nooit de afsluiters verplaatsen als er (over- of onder) druk op het systeem staat! Open de afsluiter / kraan van de installatie. Lees de druk af op de manometer (druk). Genereer 0,5 bar overdruk door de pomp aan te zetten. Het aantal pompslagen benodigd voor 0,5 bar Figuur 4: Stand driewegafsluiters overdruk is afhankelijk van de leidingdiameter en leidinglengte. Controleer of de afgelezen druk constant blijft voor een duur van tenminste 30 seconden. Koppel de testunit af en breng alle afsluiters en kranen terug in de situatie zoals je die aantrof. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 13
3.5. Onderdruk Om onderdruk te genereren dienen de volgende stappen te worden genomen: Ontlucht het systeem op bovenstaande wijze, indien nodig. Sluit het apparaat aan op het tappunt (voor het testen van een beluchter) of op een aansluiting stroomopwaarts van de keerklep (afsluiter of kraan voor dit punt dichtzetten). Zet de twee afsluiters op vacuümtest. Let op: Nooit de afsluiters verplaatsen als er (over- of onder) druk op het systeem staat! Genereer 0,5 bar onderdruk door de pomp aan te zetten. Het aantal pompslagen benodigd voor 0,5 bar onderdruk is afhankelijk van de leidingdiameter en leidinglengte. Let op: De schaalverdeling van de vacuümmanometer is anders dan die van de drukmanometer. Controleer of de afgelezen onderdruk constant blijft voor een duur van tenminste 30 seconden. Koppel de testunit af en breng alle afsluiters en kranen terug in de situatie zoals je die aantrof. 3.6. Onderhoud testunit Tijdens het gebruik van de testunit mag alleen demiwater gebruikt te worden. Op deze manier blijft de vervuiling van de pomp en van de leidingen tot een minimum beperkt. Daarnaast is het van belang de testunit, alle bijbehorende appendages en het gereedschap aan het einde van elke werkdag goed schoon en droog te maken met een schone doek. Verdere wenken voor goed gebruik en onderhoud: De testunit af en toe met een vochtige doek reinigen, zodat deze netjes en representatief blijft. Nooit reinigingsmiddelen zoals chloor of andere RVS aantastende producten gebruiken voor reiniging van de testunit. Dit kan de (RVS)leidingen en de pomp aantasten. Leeg en reinig maandelijks de voorraadpot voor demiwater en de opvangpot voor testwater. De potten kunnen worden gereinigd met een chlooroplossing. Goed naspoelen met demiwater, zodat geen chloorresten in de RVS leidingen terechtkomen. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 14
4. Controle methoden terugstroombeveiligingen met enkele scheiding In dit hoofdstuk worden 3 methoden beschreven om keerkleppen te controleren. De te kiezen controlemethode is afhankelijk van het type keerklep en de wijze waarop deze in een installatie, met of zonder randapparatuur (afsluiters, aansluitingen), is geïnstalleerd. Er moet rekening mee gehouden worden dat de controle op het functioneren op locatie niet kan worden gezien als een volledige en 100 % betrouwbare beproeving van het gehele functioneren van de keerklep. Voor een juiste uitvoering van de toe te passen methode en interpretatie van de waarnemingen, moet de controle worden uitgevoerd door een bekwaam persoon. Gedurende de interne opleiding binnen Bureau de Wit dient aan de juiste uitvoering van de controle en aan interpretatie van het resultaat voldoende aandacht te worden besteed. De volgende typen keerkleppen zijn te onderscheiden: a) Terugstroombeveiliging met randapparatuur (afsluiter en testaansluiting). Het huis van de keerklep is voorzien van een testaansluiting en bovenstrooms hiervan is in het huis van de keerklep of vrijwel hier direct voor, een stopkraan aanwezig. Dit type is onafhankelijk van de installatiewijze te controleren. b) Terugstroombeveiliging met geïntegreerde testaansluiting. Het huis van de keerklep is voorzien van een testaansluiting. c) Terugstroombeveiliging EB (geen randapparatuur aanwezig). Het huis van de keerklep is niet voorzien van een testaansluiting. Opmerkingen m.b.t. niet controleerbare keerkleppen EB: Alhoewel sommige van de beschreven methoden ook kunnen worden toegepast voor het controleren van een keerklep EB (zie c), moet worden opgemerkt dat bij wijzigingen en uitbreiding van de installatie, of bij een bij controle defect gebleken keerklep EB, deze keerkleppen moeten worden vervangen door een beveiligingseenheid EA. Keerkleppen EB, zoals die bijvoorbeeld worden toegepast in thermostatische mengkranen, vallen buiten het bereik van deze controle methoden. Deze geïntegreerde keerkleppen moeten iedere 10 jaar worden vervangen. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 15
4.1. Methoden Voor het controleren van keerkleppen kan een van de volgende 3 methoden worden gekozen: Standaardmethode Onderdrukmethode Overdrukmethode Het principe van elke methode is erop gericht vast te stellen of bij een over de keerklep aangelegd drukverschil van minimaal 0,5 bar, de druk gedurende 30 seconden constant blijft. Is dit het geval, dan is de keerklep lekdicht. In dit niet het geval, dan lekt de keerklep. 4.2. Standaardmethode Toepassingsgebied en randvoorwaarden De standaardmethode is toepasbaar daar waar de keerklep goed bereikbaar is en er met de aanwezige waterdruk een drukverschil over de keerklep kan worden bewerkstelligd van tenminste 0,5 bar. De standaardmethode kan worden toegepast wanneer bovenstrooms van de keerklep een afsluiter aanwezig is en benedenstrooms van de keerklep (op het keerklephuis zelf of verder benedenstrooms op bijvoorbeeld een afsluiter) een aansluitmogelijkheid voor de manometer (figuur 6) aanwezig is. Het voordeel van de standaardmethode is het feit dat er geen stoffen worden toegevoegd aan de installatie. Figuur 5 geeft een voorbeeld van een geschikte opstelling voor toepassing van de standaardmethode. Figuur 5: Manometer voor de standaardmethode Figuur 6: Afsluiter en keerklep EA Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 16
Figuur 7: Schema standaardmethode Werkwijze 1. Sluit afsluiter 1 2. Open de aftapaansluiting van de keerklep (stroomafwaarts van de keerklep) 3. Monteer de manometer op de aftapaansluiting 4. Open afsluiter 1 en ontlucht de installatie (doorspoelen) 5. Sluit afsluiter 1 zodra de manometer een stabiele druk aangeeft 6. Open de testaansluiting (stroomopwaarts van de keerklep) 7. Controleer of de aangegeven druk gedurende minimaal 30 s constant blijft (lekdicht) of afneemt (lek) 8. Sluit de testaansluiting, verwijder de manometer en sluit de aftapaansluiting 9. Open afsluiter 1 Visuele standaard controle Er zullen zich in installaties gevallen voordoen dat er benedenstrooms van de keerklep geen aansluitmogelijkheid voor de manometer aanwezig is. Indien er gegarandeerd kan worden dat de druk benedenstrooms van de keerklep minimaal 0,5 bar hoger is en blijft, kan het functioneren van de keerklep (met bovenstrooms een afsluiter), zonder mogelijkheid tot het aansluiten van de manometer, toch worden gecontroleerd. Deze visuele standaard controle kan worden toegepast bij keerkleppen of inlaatcombinaties bij aanvoerleidingen en retourleidingen naar een boiler of ander warmtapwaterbereidingssysteem. Afsluiter 1 moet dan worden gesloten en de testpoort geopend. Afhankelijk van de montage van de keerklep in een horizontale of verticale leiding, zal er veel of weinig water uit het leidingdeel tussen afsluiter 1 en de keerklep stromen. Indien de keerklep goed afsluit, zal hierna het uitstromen geheel stoppen. De uitvoering en betrouwbaarheid van deze methode is in sterke mate afhankelijk van het inzicht in de uitgestroomde hoeveelheid water, (de loop van) het leidingwerk zowel beneden- als bovenstrooms van de keerklep en de druk in het leidingwerk. Ook moet er rekening worden gehouden met het ontstaan van onderdruk (beluchten). Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 17
4.3. Onderdrukmethode Toepassingsgebied en randvoorwaarden De onderdrukmethode kan worden toegepast als er geen direct zicht is op de situatie benedenstrooms van de keerklep. Het is hierbij van belang dat alle aansluitingen luchtdicht zijn. De methode kan worden toegepast als bovenstrooms van de keerklep een afsluiter en, tussen afsluiter en keerklep, een aansluitmogelijkheid voor de testunit aanwezig is. Figuur 8: Afsluiter en keerklep EA, geen zicht op benedenstroomde situatie Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 18
Figuur 9: Schema Onderdrukmethode Werkwijze 1. Sluit afsluiter 1 2. Open de testaansluiting (stroomopwaarts van de keerklep) en sluit de testunit aan 3. Belast de keerklep met een onderdruk van 0,5 bar, gebruik makend van de onderdruk werkwijze, zie hoofdstuk 3.5 onderdruk 4. Controleer of de aangegeven onderdruk gedurende minimaal 30 s constant blijft (lekdicht) of terugloopt (lek) 5. Ontkoppel de testunit en sluit de testaansluiting 6. Open afsluiter 1 Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 19
4.4. Overdrukmethode Toepassingsgebied en randvoorwaarden De overdrukmethode dient te worden toegepast als stroomopwaarts van de keerklep geen afsluiter aanwezig is. Ook kan deze methode worden ingezet om een niet controleerbare keerklep EB te controleren, als deze op een plek gemonteerd is waar wettelijk gezien een keerklep type EA voorgeschreven wordt. Bij toepassing van de overdrukmethode moet, benedenstrooms van de keerklep, een afsluiter en aansluitmogelijkheid aanwezig zijn. Figuur 110: Muurkeerklep Figuur 10: Keerklep in de aanvoerleiding naar een brandslanghaspel Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 20
Figuur 12: Schema overdrukmethode Werkwijze 1. Open stopkraan 1 en 2 en ontlucht de installatie (doorspoelen) 2 2. Sluit afsluiter 2 3. Sluit de testunit aan 4. Open afsluiter 2 en lees de druk af op de manometer 5. Verhoog met de drukverhogingunit de druk met 0,5 bar, gebruik makend van de overdruk werkwijze, zie hoofdstuk 3.4 overdruk. Indien de druk na geruime tijd niet stabiel wordt, is de keerklep lek 6. Indien de druk wel stabiel wordt, controleer of de aangegeven druk gedurende minimaal 30 s constant blijft (lekdicht) of afneemt (lek) 7. Sluit afsluiter 2 8. Ontkoppel de testunit en ontlast het leidingwaterdeel tussen de keerklep en stopkraan 2 door het overtollige water weg te laten lopen 9. Open stopkraan 1 en 2 en spoel het leidingdeel even door 10. Zet alle afsluiters terug in de oorspronkelijke stand 2 Bij het testen van de keerklep in de leiding naar een brandslanghaspel niet alleen ontluchten, maar minimaal 10 s doorspoelen. Het doel hiervan is het oude water direct na de keerklep te verversen, zodat, bij een eventuele defecte keerklep, geen oud water wordt teruggeperst in de hoofdleiding. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 21
Overdrukmethode bij brandslanghaspel Bij de controle van de keerklep in de aanvoerleiding naar een brandslanghaspel zal in veel gevallen de overdrukmethode de snelst en meest gemakkelijk uit te voeren methode zijn. De testunit wordt dan op de spuitmond van de brandslanghaspel aangesloten, zie figuur 10. Om de testunit op de spuitmond aan te sluiten heeft de Bureau de Wit keerklepcontroleur de Ajax adapter ter beschikking, zie figuur 13. De controleur kan de spuitmond lekdicht in de adapter draaien, waarna de overdruk via de haspel aangebracht wordt. Indien een speciaal soort spuitmond van de firma Saval (figuur 14) op de haspel gemonteerd is, dient de Saval tussenadapter gebruikt te worden. Deze ring dient tussen de spuitmond en de adapter te worden geperst. Figuur 13: "Ajax" adapter voor aansluiting testunit op spuitmond Figuur 14: "Saval" spuitmond Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 22
5. Controle inlaatcombinatie 5.1. Werking Een inlaatcombinatie is een combinatie van een controleerbare keerklep en een overdrukventiel, zie figuur 15. De inlaatcombinatie (IC) wordt geplaatst in de koud wateraanvoerleiding naar een boiler, warmtewisselaar of combiketel. Figuur 15: Inlaatcombinatie De controle van een inlaatcombinatie is een vorm van een visuele standaard controle. Om zeker te zijn dat tijdens de controle het drukverschil over de keerklep groter of gelijk is aan 0,5 bar, mag er op dat moment geen warm water worden getapt. 5.2. Controle Denk bij het controleren van keerkleppen en inlaatcombinaties in warmwaterleidingen altijd aan beschermende maatregelen, zoals het dragen van handschoenen en veiligheidsbril. 1. Schakel het warmwatertoestel uit. 2. Controleer of de afvoer van water uit de inlaatcombinatie veilig kan plaatsvinden. 3. Draai aan de knop voor het van de zitting lichten van de ontlastklep (4). 4. Laat de ontlastklep 10 seconden spuien, zodat er geen vuil op de zitting achterblijft. 5. Draai de knop weer dicht en verifieer dat de ontlastklep niet lekt. 6. Sluit de afsluiter van de inlaatcombinatie (1). 7. Draai langzaam en voorzichtig de stop van de testpoort / testschroef (2) open. Vaak is dit een inbusbout. De testschroef hoeft er niet helemaal uit gedraaid te worden. 8. Afgezien van enkele druppels mag er geen water uit de testpoort komen. 9. Indien water uit de testpoort stroomt of spuit, is de keerklep en/of de afsluiter defect en dient de inlaatcombinatie vervangen te worden. 10. Draai de testschroef weer vast, open de afsluiter en zet het warmwatertoestel weer aan. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 23
6. Controle terugstroombeveiliging type CA 6.1. Werking Een terugstroombeveiliging type CA bestaat uit twee keerkleppen en een tussenkamer (verschildrukzone). Door de bovenstroomse waterdruk op de eerste keerklep wordt de verschildrukzone afgesloten van de atmosfeer waardoor het water door het beveiligingstoestel kan gaan stromen. Indien de bovenstroomse waterdruk wegvalt, wordt de verschildrukzone weer met de atmosfeer verbonden en een scheiding bewerkstelligt tussen bovenstrooms en benedenstrooms. Figuur 16: Werking terugstroombeveiliging type CA Voor de controle van een terugstroombeveiliging type CA is het noodzakelijk dat deze tussen twee afsluiters met aftapmogelijkheid gemonteerd is. Voor een juiste controle dienen 2 testen uitgevoerd te worden. Figuur 17: Montagevoorbeeld terugstroombeveiliging type CA Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 24
6.2. Controle Test 1 Doel Controle op het goed leeglopen van de tussenkamer. Wanneer de waterleidingdruk wegvalt, sluiten beide keerkleppen en dient de tussenkamer via de afvoeropening in verbinding met de atmosfeer te komen. Uitvoering Sluit de afsluiters 1 en 2 (zie figuur 17). Open de aftap van afsluiter 1. Controleer of wat water uit de tussenkamer wordt afgevoerd. Zo ja, dan duidt dit er op dat het membraan, waarin de eerste keerklep gemonteerd is, van zijn zitting is los gekomen en een atmosferische "verbreking" tussen het waterleidingnet en het water benedenstrooms heeft doen ontstaan. Als dit het geval is, functioneert het leeglopen van de tussenkamer goed. Test 2 Doel Controle op lekdichtheid van de tweede keerklep. Deze klep moet onder alle tegendrukken dicht zijn. Uitvoering Open afsluiter 1 en 2 en ontlucht de installatie (doorspoelen). Sluit afsluiter 1. Monteer de losse manometer op de aftap van afsluiter 2. Open de aftap van afsluiter 1. Het water uit de tussenkamer wordt afgevoerd, terwijl de druk op de manometer constant blijft (lekdicht). Blijft er continu water uit de tussenkamer druppelen en/of valt de druk op de manometer weg, dan duidt dit op een lekkage of verontreiniging van de tweede keerklep. Indien stroomafwaarts van de terugstroombeveiliging geen afsluiter met aftapmogelijkheid is geïnstalleerd, kan test 2 ook met behulp van de overdrukmethode uitgevoerd worden. Indien ook geen afsluiter voor de terugstroombeveiliging is geplaatst, dient enkel de tweede keerklep gecontroleerd te worden met behulp van de overdrukmethode. In dit geval dient bij opmerkingen in het rapport een aanbeveling gedaan te worden: Terugstroombeveiliging niet geheel gecontroleerd. Plaats voor en na de terugstroombeveiliging een afsluiter met aftapmogelijkheid. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 25
7. Controle terugstroombeveiliging type BA Een terugstroombeveiliging type BA bestaat uit 2 keerkleppen, een ontlastklep en een gereduceerde drukzone. De werking van de terugstroombeveiliging type BA berust op het handhaven van een drukniveau in de middelste kamer (gereduceerde drukzone), dat lager is dan de druk aan de instroomzijde van het toestel. 7.1. Werking Zie figuur 19 Statische toestand, geen afname (3a) De eerste en tweede keerklep zijn gesloten. De druk in de middelste kamer blijft 50 kpa (0,5 bar) lager dan de inlaatdruk, waardoor de ontlastklep gesloten blijft. Doorstroming, druk (3b) De eerste en tweede keerklep zijn geopend. De waterdruk stroomopwaarts van de ontlastklep houdt deze gesloten. De druk in de middelste kamer is minimaal 50 kpa lager dan de inlaatdruk. Figuur 18: Doorsnede terugstroombeveiliging type BA Terugheveling, afvoer van water uit de middelste kamer (3c) Wanneer de (stroomopwaartse) waterleidingdruk wegvalt sluiten de beide keerkleppen. De ontlastklep wordt geopend en het water uit de middelste kamer wordt afgevoerd via de wateruitlaat. Hierdoor ontstaat een atmosferische onderbreking tussen het waterleidingnet en het verontreinigde water aan de uitstroomzijde van het toestel. Terugpersing (3d) Tweede keerklep is lekdicht: geen afvoer van water. Tweede keerklep vervuild: de ontlastklep opent zich en voert een hoeveelheid water af, zodat de druk in de middelste kamer lager blijft dan de (stroomafwaartse) waterleidingdruk. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 26
Figuur 19: Werking terugstroombeveiliging type BA Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 27
7.2. Controleset terugstroombeveiliging type BA Bureau de Wit gebruikt voor het controleren van de terugstroombeveiliging BA de controleset TK 9A van Watts Industries. Deze controleset bestaat uit een verschildruk-manometer met aangepaste aansluitslangen en -nippels. Een snelbinder voor het ophangen van de set is ook aanwezig. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe je de controleset moet aansluiten, hoe je de verschillende tests kunt uitvoeren en hoe je daarna de set kunt demonteren. Beschrijving van de controleset A, B, C - afsluiters 1, 2, 3 - controlekranen 4, 5 - afsluiters Bij de instructies in deze handleiding wordt de terugstroombeveiliging BA Watts 009 voor afmetingen DN 20 t/m DN 50 getoond. De controleset kan ook voor andere terugstroombeveiligingen gebruikt worden. De positie van de controlekranen wijkt in dat geval af (zie figuur 21). Figuur 20: Aansluiting controleset op BA 909 DN 20 t/m DN 50 Controleset aansluiten 1. Sluit de afsluiters A, B en C van de controleset. 2. Sluit de hogedrukslang (geel) aan op controlekraan 1. 3. Sluit de lagedrukslang (rood) aan op controlekraan 2. 4. Sluit afsluiter 5 (deze moet absoluut dicht zijn). 5. Open de controlekranen 1 en 2 en afsluiter 4. 6. Open afsluiter C. 7. Open afsluiter A om te ontluchten en sluit deze daarna. 8. Open afsluiter B om te ontluchten en sluit deze daarna. 9. Sluit afsluiter C. 10. Sluit de blauwe slang aan op controlekraan 3 11. Open controlekraan 3. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 28
Figuur 21: Positie van de controlekranen op andere types BA Test nr. 1 Controle van 2 e keerklep Doel: Controle op dichtheid van de 2 e keerklep (aan de uitstroomzijde). Deze keerklep moet onder alle drukverschillen volledig afsluiten. 1. Sluit de controleset aan (zie controleset aansluiten op de bladzijde 28) 2. Controleer of: afsluiters A, B en C gesloten zijn controlekranen 1, 2 en 3 geopend zijn afsluiter 4 open is afsluiter 5 gesloten is 3. Open de afsluiters A en C Het gemeten drukverschil zal kleiner worden. Als het drukverschil blijft teruglopen totdat de ontlastklep opent, duidt dit op een lekkage/verontreiniging van de 2 e keerklep. Noteer in dat geval op het rapport: 2 e keerklep NOK. Vervang of repareer de 2 e keerklep. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 29
Test nr. 2 Controle van afsluiter 5 Doel: Controle op dichtheid van afsluiter 5. Afsluiter 5 moet volledig afsluiten om de tests nr. 1, 3 en 4 nauwkeurig te kunnen uitvoeren. 1. Sluit de controleset aan (zie controleset aansluiten op de bladzijde 28) 2. Controleer of: afsluiters A, B en C gesloten zijn controlekranen 1, 2 en 3 geopend zijn afsluiter 4 open is afsluiter 5 gesloten is 3. Sluit controlekraan 1 4. Open de afsluiters A en C Wanneer het gemeten drukverschil constant blijft, sluit afsluiter 5 goed af. Als het drukverschil terugloopt duidt dit op een lekkage/verontreiniging van afsluiter 5. Noteer in dat geval op het rapport: Afsluiter na beveiliging NOK. Vervang de afsluiter na de beveiliging. Test nr. 3 Controle van 1 e keerklep Doel: Controle op dichtheid van de 1 e keerklep (aan de instroomzijde). Deze klep moet onder alle drukverschillen dicht zijn. 1. Sluit de controleset aan (zie controleset aansluiten op de bladzijde 28) 2. Controleer of: afsluiters A, B en C gesloten zijn controlekranen 1, 2 en 3 geopend zijn afsluiter 4 open is afsluiter 5 gesloten is 3. Sluit controlekraan 3 Als het gemeten drukverschil terugloopt, duidt dit op een lekkage/verontreiniging van de 1 e keerklep. Noteer in dat geval op het rapport: 1 e keerklep NOK. Vervang of repareer de 1 e keerklep. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 30
Test nr. 4 Controle van de ontlastklep Doel: Controle van de ontlastklep in de drukgereduceerde zone. Deze ontlastklep moet openen wanneer de druk in de tussenkamer (tussen de eerste en tweede keerklep) nog ten minste 14 kpa lager is dan de druk aan de instroomzijde. 1. Sluit de controleset aan (zie controleset aansluiten op de bladzijde 28) 2. Controleer of: a. afsluiters A, B en C gesloten zijn b. controlekranen 1, 2 en 3 geopend zijn c. afsluiter 4 open is d. afsluiter 5 gesloten is 3. Sluit controlekraan 3 4. Open afsluiter A 5. Open zeer langzaam afsluiter B, totdat het gemeten drukverschil begint terug te lopen. N.B. Het is belangrijk dat de waarde op de verschildruk-manometer langzaam terugloopt. 6. Laat afsluiter B in deze stand en lees de waarde op de verschildruk-manometer af op het moment dat er water uit de afvoeropening begin te druppelen. De op dat moment afgelezen waarde is de openingsverschildruk van de ontlastklep. De ontlastklep moet vervangen of gerepareerd worden als de afgelezen waarde minder dan 14 kpa is. Noteer in dat geval op het rapport: Ontlastklep NOK. Vervang of repareer de ontlastklep. Noteer altijd de gemeten openingsverschildruk. Controleset demonteren 1. Sluit de controlekranen 1, 2 en 3 2. Ontkoppel de 3 slangen (geel, rood en blauw) 3. Open afsluiter 5 Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 31
Bijlage 1 Vloeistofklassen De classificatie van vloeistof die in contact staat of kan komen te staan met drinkwater speelt een belangrijke rol bij de bepaling van het verontreinigingrisico. Het gaat hierbij om de aard van de verontreiniging. Zie ook tabel 4. De volgende 5 klassen worden hierbij onderscheiden: Klasse 1 Water bedoeld voor menselijke consumptie, afkomstig van een drinkwater distributiesysteem. Klasse 2 Vloeibare stof, welke geen schade voor de menselijke gezondheid oplevert. Vloeibare stof waarvan is vastgesteld dat ze geschikt is voor menselijke consumptie, inclusief water, verkregen uit een drinkwater distributiesysteem, en wat een verandering mag hebben ondergaan voor wat betreft smaak, geur, kleur of temperatuur (verwarming of koeling). Klasse 3 Vloeibare stof die in enige mate de menselijke gezondheid kan schaden ten gevolge van de aanwezigheid van één of meerdere toxische of zeer toxische substanties met een LD 50 > 200 mg/kg. In dit geval wordt met LD50 bedoeld: Lethale Dosis 50%. Het betreft hier de oraal toegediende dosis van de gevaarlijke stof die nodig is om 50% van de doelgroep (ratten of konijnen) te doden, binnen een bepaalde tijd. Voor de bepaling van de toxiciteit worden bij deze methode tegenwoordig slechts bij hoge uitzondering daadwerkelijk proefdieren gebruikt. Hiervoor in de plaats hanteert men een berekeningsmethodiek die de effecten van de oorspronkelijke proefnemingen kan simuleren. De LD50- methode staat overigens ter discussie omdat de onderverdeling tussen schadelijk en gevaarlijk niet volledig door deskundigen wordt onderschreven. De methode biedt op dit moment als enige echter wel het gewenste praktische hulpmiddel om met name oplossingen en mengsels snel en eenduidig te kunnen classificeren en is als zodanig ook beschreven in: Community document 93/21/EEC van 27 april 1993. Klasse 4 Vloeibare stof die gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid ten gevolge van de aanwezigheid van een of meerdere toxische of zeer toxische substantie met een LD 50 200 mg/kg, of ten gevolge van radioactieve, mutagenen of carcinogenen bestanddelen. Voorbeeld: LD50 < 200 = Klasse 4. Een gevaarlijke stof wordt in een hoeveelheid van 200 mg per kg lichaamsgewicht van een proefdier oraal aan het proefdier toegediend. Indien de stof, toegediend aan bijvoorbeeld 100 proefdieren, resulteert in de dood van tenminste 50 van deze proefdieren binnen 2 weken na toediening, wordt de stof in Klasse 4 ingedeeld. Deze stof is voor de proefdieren dus al dodelijk bij minder dan 200 mg per kg lichaamsgewicht. Het zal duidelijk zijn, dat ingeval er van een stof meer dan 200 mg per kg lichaamsgewicht kan worden toegediend, zonder dat het de dodelijk is Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 32
voor 50 % of meer van de populatie proefdieren, deze stof minder gevaar oplevert. Deze stof wordt daarom in Klasse 3 ingedeeld. Klasse 5 Vloeibare stof die gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid ten gevolge van de aanwezigheid van pathogene bacteriën of virussen. Analyse methode De analyse methode bestaat uit 2 onderdelen. Onderdeel 1 richt zich op het analyseren van het verontreinigingrisico binnen het toestel, apparaat of installatie. Het verontreinigingrisico wordt als volgt bepaald: Maak een inventarisatie van de apparatuur die terugstroming kan veroorzaken. Bepaal waar de beveiligingseenheid moet worden geplaatst indien er nog geen is geplaatst. Bepaal de aard van de mogelijke verontreiniging (vloeistofklassen 1 t/m 5, zie boven). Bepaal de wijze waarop een verontreiniging vanuit het toestel in de drinkwaterinstallatie kan geraken als men de eventueel ingebouwde beveiligingen buiten beschouwing laat (terughevelen (p=atm) en/of via terugpersen (p>atm)). Plaats de van toepassing zijnde parameters in een installatiematrix overeenkomstig tabel 3. Tabel 3: Installatiematrix Opmerking: Stel vast of het toestel eventueel is voorzien van een enkele of dubbele scheidingswand Verifieer of de afvoer met een zichtbare vrije uitloop is uitgevoerd Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 33
Tabel 4: Indeling vloeistoffen Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 34
Onderdeel 2 richt zich op het bepalen van de minimaal noodzakelijke aansluitbeveiliging waarbij het risico, verkregen uit de installatiematrix, wordt afgedekt. Het risicoafdekkend vermogen per beveiligingseenheid wordt in tabel 5 aangegeven door middel van: een zwarte stip ( ) geeft aan dat de betreffende beveiligingseenheid een bepaald risico afdekt onder zowel p=atm en p>atm; een open stip ( ) geeft aan dat het betreffende beveiligingseenheid een bepaald risico afdekt bij alleen p=atm; een horizontaal streepje (-) geeft aan dat de betreffende beveiliging een bepaald risico niet afdekt; een sterretje (*) geeft aan dat de betreffende beveiliging niet van toepassing is. Tabel 5 Men komt tot de juiste keuze van een beveiligingseenheid door uit tabel 5 de beveiliging te selecteren die het risico afdekt volgens tabel 3. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 35
Kiwa Verklaring Waterleidingtechnische Veiligheid Indien voor (gevaarlijke) toestellen een Verklaring Waterleidingtechnische Veiligheid (WTV) van Kiwa is afgegeven, kunnen deze toestellen zonder aanvullende beveiliging overeenkomstig de bijbehorende installatievoorschriften op de drink- en warmtapwaterinstallatie worden aangesloten. De toestellen geleverd onder de Verklaring Waterleidingtechnische Veiligheid moeten zijn voorzien van het Kiwa Waterleidingtechnisch Veiligheidsmerk. Figuur 22: Opschrift KIWA Waterleidingtechnische veilig Als het waterleidingtechnische deel van een (gevaarlijk) toestel afwijkend is van de soortgroep en/of als er uitzonderlijke omgevingsomstandigheden aanwezig zijn, kan het waterleidingbedrijf aanvullende eisen stellen met betrekking tot de toe te passen beveiligingseenheid. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 36
Bijlage 2 Schema en validatie testunit Bureau de Wit Onderstaand schema betreft het ontwerp van de Bureau de Wit testunit voor keerklepcontrole. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 37
Ontwerp Met controleren van een keerklep wordt bedoelt de betreffende keerklep aftesten op werking d.m.v. een overdruk of een onderdruk. Het systeem bestaat uit een doseerpomp 12-24vdc, diverse appendages en koppelingen van RVS / messing en kunststof. Het geheel is samengebouwd op een draagbaar kunststof paneel met geïntegreerde lekbak. Het systeem wordt compleet geleverd met een voorraadtankje (1,5 liter) voor demiwater en een opvangtankje (1,5 liter) voor het testwater. Op het paneel wordt ruimte vrijgehouden voor een accu. Tevens zal voorzien zijn in een aansluitkastje met een startknop. De gestelde eisen aan de accu zijn een compacte samenstelling en een redelijke gebruiksduur, wellicht toe te passen in combinatie met uitwisselbare accu s en 1-uurs snellader. De set wordt compleet geleverd met een teflon 6mm testslang met snelkoppeling en dubbele terugslagklep. Het uiteinde van de slang voorzien van in een ½ RVS kogelafsluiter. De benodigde aansluitnippels voor de diverse kranen kunnen we leveren na een inventarisatie door Bureau de Wit. De testunit is voorzien van twee analoge manometers, één voor overdruk en één voor onderdruk. Doseerpomp Medium : Demiwater Merk : Prominent Type : BT4A1005PPE200M000000 Aantal : 1 Opbrengst : max 4,4 l/hr Max druk : 10 Bar Voeding : 12-24 vdc Stroomverbruik : 17 watt Gemiddelde amperage : 3,1-1,4A Piekverbruik : 10,2-4.3A Voetklep : 1 Stuurkabel : 1 Paneel Afmetingen BxHxD : ongeveer 500x400x250mm Materiaal : Polypropeyleen Kleur : Wit Manometers analoog 63mm met schaalverdeling Vacuum : 0-1 bar Druk : 1-10 bar Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 38
Appendages We maken hierin gebruik van 2 stuks Hylok RVS 3-weg kranen 6mm 1 stuks 6mm afsluiter en een extra terugslagklep, perslang RVS leidingwerk. Let op! Bij een eventueel gebruik van chemicaliën in het testwater geen RVS of messing aantastende chemie gebruiken. Hiermee vervalt de garantie op het leidingwerk! Validatie Op 23-12-2009 zijn op locatie Campanile Hotel Den Bosch de aanwezige keerkleppen gecontroleerd. Hierbij zijn alle keerkleppen gecontroleerd met behulp van alle beschikbare methoden die voor de betreffende specifieke situatie beschikbaar waren. Voorbeeld: In de leiding naar een brandslanghaspel is achtereenvolgens een afsluiter en een terugstroombeveiliging EA geplaatst. Deze keerklep is eerst m.b.v. de standaardmethode gecontroleerd en vervolgens ook met de overdruk- en onderdrukmethode. Dit ter verificatie van de resultaten van de controles met de testunit. Dit is vervolgens ook gebeurd met de overige keerkleppen, waar mogelijk. Een vervolgonderzoek heeft op 13-01-2010 plaatsgevonden op Philadelphia locatie Jeanne d Arcdreef in Utrecht. Hierbij is dezelfde onderzoeksmethode toegepast. In eerste instantie werd de druk in de leidingwaterinstallatie, na het aansluiten van de testunit, niet goed weergegeven op de manometer. De aangegeven druk op de manometer liep niet of maar langzaam op na het opendraaien van de afsluiter in de leiding. De oorzaak hiervan was een demper in de testunit. Nadat deze uit de testunit verwijderd was, was het probleem verholpen. De resultaten van beide validatie onderzoeken waren zeer positief. De resultaten van de vergelijkende controles bij dezelfde keerklep waren consistent. De betreffende keerklepcontrole rapporten zijn op te vragen bij Bureau de Wit. Elk jaar zullen één of meerdere onderzoeken ter verificatie van de testunit uitgevoerd worden. Ook zullen de manometers gecontroleerd en indien nodig vervangen worden. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 39
Bijlage 3 Uitrusting keerklepcontroleur Bureau de Wit De volgende zaken behoren tot de standaarduitrusting van een keerklepcontroleur van Bureau de Wit. De keerklepcontroleur maakt periodiek (maandelijks) een inventarisatie van zijn gereedschap en hulpmiddelen en vult deze zo nodig aan. Benodigdheden keerklep controle Testunit en toebehoren: o Testunit o Reserve accu o Losse manometer voor de standaardcontrole o Verloopstukken, aansluitnippels en kranen o Ajax adapter o Saval tussenadapter o Extra teflonslang t.b.v. ontlasten brandslanghaspel na controle o (Steek)wagen o Watts Industries controleset TK 9A Gereedschap: o Koffer of tas o Waterpomptang groot o Waterpomptang klein o Bacosleutel groot o Bacosleutel klein o Steek/ringsleutels 10 t/m 19 o Schroevendraaier o Imbus sleutelset o Zijsnijtang klein o Buitenkraan sleuteltje o Zaklantaarn o Emmer o Opvangbakje/maatbeker o Handdoeken Werkkleding en veiligheid: o Werkbroek o Werkschoenen (veiligheidsschoenen) o Bureau de Wit trui of polo o Kunststof handschoenen i.v.m. werken met heet water o Veiligheidsbril i.v.m. werken met heet water Voorraad: o Pakkingen voor nippels keerklep o Pakkingen voor snelkoppeling o Afdichttape o Brandslanghaspel verzegelingen o Demiwater Denk bij het controleren van keerkleppen en inlaatcombinaties in warmwaterleidingen altijd aan beschermende maatregelen, zoals het dragen van handschoenen en veiligheidsbril. Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 40
Bijlage 4 Bronnen De volgende bronnen zijn in dit handboek geraadpleegd en geciteerd: Waterleidingbesluit NEN 1006 Water Werkblad 1.4 G Water Werkblad 3.8 Watts Industries Publicatie Drinkwaterbeveiliging moderne en veilige oplossingen voor ons drinkwater Watts Industries Publicatie Montage- en onderhoudsinstructies Watts 909 terugstroombeveiliging Watts Industries Publicatie Terugstroombeveiligingstoestellen BA BM Watts Industries Publicatie Technical manual Backflow preventer BA BS Watts Industries Publicatie Montage- en onderhoudsinstructies terugstroombeveiliging CA 9C Watts Industries Publicatie Montage- en onderhoudsinstructies Watts 9D terugstroombeveiliging Watts Industries Publicatie Technical Manual Backflow preventer CAb Watts Industries Publicatie Handleiding controleset TK 9A Duco Appendages Publicatie Boilerinlaatcombinatie DN 20 Safety Group DN 20 Pentec Publicatie Boilerinlaatcombinatie www.prominent.nl www.daalderop.nl www.installtv.nl Bureau de Wit Handboek Keerklepcontrole 41