Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 19 637 Vluchtelingenbeleid Nr. 569 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 27 maart 2001 In tweede termijn heb ik tijdens het Algemeen Overleg met de Commissie voor Justitie naar aanleiding van de Rapportage Asielketen over de maanden september tot en met december 2000 en de Vluchtelingenrapportage over het jaar 2000, welk overleg plaats vond op 21 maart 2001, toegezegd een aantal vragen alsnog schriftelijk te beantwoorden. Met deze brief doe ik die toezegging gaarne gestand. Intrekking voorwaardelijke vergunningen tot verblijf Mevrouw Albayrak vroeg naar de intrekking van 9 000 voorwaardelijke vergunningen tot verblijf. In aansluiting op wat ik ter vergadering gezegd heb over terugkeermogelijkheden naar Noord-Irak kan ik u het volgende meedelen. Het aantal ex-vvtv-houders van wie op dit moment nog (bezwaar- of beroeps-) procedures openstaan tegen de intrekking of nietverlenging van hun vvtv bedraagt ruim 6 600. Het gaat hierbij in de eerste plaats om Iraakse ex-vvtv-houders (ca. 4 800), maar ook om kleinere groepen zoals (Kosovo-) Joegoslavische (ca. 600), Somalische (ca. 500) en Sudanese (ca. 400) ex-vvtv-houders. Wanneer er bij de gemeenten zorgen zouden bestaan over de gevolgen van de beëindiging van voorzieningen, kunnen deze aan de orde komen in het bestuurlijk overleg tussen het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het eerstvolgende bestuurlijk overleg staat gepland op 5 april 2001. Generaal pardon voor asielzoekers die al lang in de procedure zijn Mevrouw Halsema heeft gevraagd naar een generaal pardon voor asielzoekers die al lang in de procedure zijn. Ik ben van oordeel dat voor een dergelijke maatregel geen reden bestaat. Het uitgangspunt van het asielbeleid is en blijft, dat alleen diegenen voor verblijf in Nederland in aanmerking komen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben. Van de 53 000 asielaanvragen waarop, na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, in bezwaar nog moet worden beslist, is in eerste aanleg al geoordeeld dat er geen sprake is van vluchtelingschap of verlening van KST52298 ISSN 0921-7371 Sdu Uitgevers s-gravenhage 2001 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 19 637, nr. 569 1
een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen. Het enkele feit dat in een aantal zaken de wettelijk toegestane beslistermijn wordt overschreden acht ik, hoe betreurenswaardig ook, niet voldoende reden om over te gaan tot verblijfsaanvaarding. Dit is alleen anders indien een asielzoeker, met aftrek van de periodes die in het kader van het driejarenbeleid niet meetellen als relevant tijdsverloop, drie jaar op een onherroepelijke beslissing wacht. In dat geval zal hij of zij, behoudens contra-indicaties, uit het oogpunt van rechtszekerheid in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. De uitvoeringsorganisaties in de keten doen er gezamenlijk alles aan om de genoemde voorraden na 1 april 2001 zo snel mogelijk te verwerken. Zo zal de achterstand bezwaar door de IND projectmatig worden behandeld en draagt de uitbreiding van de behandelcapaciteit van de Vreemdelingenkamer eveneens bij tot een versnelling van dat deel van de procedure. Ik ben dus van mening dat er geen aanleiding is om over te gaan tot een zo ingrijpende maatregel als een generaal pardon. Democratische Republiek Congo Mevrouw Halsema heeft gevraagd naar het beleid ten aanzien van de Democratische Republiek Congo. Voor asielzoekers uit Congo geldt een gedeeltelijk vvtv-beleid. Asielzoekers afkomstig uit Congo die behoren tot de Tutsi-bevolkingsgroep en asielzoekers afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid-Kivu komen in aanmerking voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. De ontwikkelingen in de Democratische Republiek Congo in de eerste maanden van dit jaar zijn niet van dien aard, dat ik vanaf 1 april 2001 tot een vertrekmoratorium zou willen overgaan. De omstandigheid, dat enkele Duitse deelstaten en het Verenigd Koninkrijk de verwijderingen naar Congo in december 2000 enige tijd hebben opgeschort, heeft te maken met de machtswisseling in Congo die toen plaatsvond. Mijn besluit, om in voorkomende gevallen tot verwijdering over te gaan, verandert daardoor dan ook niet. Scheiding bij uitzetting in het kader van Dublin Mevrouw Halsema heeft gevraagd naar scheiding bij uitzetting in het kader van de Overeenkomst van Dublin. Aansluitend op mijn beantwoording van de vragen van de leden Halsema en Hoekema (brief nr. 5 083 121/01/DVB van 23 maart 2001) kan ik u meedelen dat het besluit 1/2000 van het Uitvoerend Dublincomité slechts een belangrijke eerste stap in EU-verband is om gescheiden uitzetting te voorkomen. Hierin zijn aandachtspunten opgenomen, die scheiding zouden moeten tegengaan. Het besluit bevat echter geen duidelijke criteria, in welke gevallen welk land de verantwoordelijkheid voor de overige gezinsleden overneemt. Besluit 1/2000 moet derhalve in alle aangesloten landen worden omgezet in nationaal beleid. Nederland heeft dat al gedaan en is bereid in meer gevallen dan voorheen de verantwoordelijkheid over te nemen. De tweede stap moet worden gezet in de herziening van de Overeenkomst van Dublin, waarin dan duidelijke criteria moeten worden opgenomen. De 28-dagen termijn voor vertrek Mevrouw Halsema vroeg naar de 28-dagen termijn voor vertrek en de gang naar de autoriteiten van het land van herkomst na een negatieve beslissing door de rechter. Zoals ik reeds eerder heb gesteld ben ik van mening dat niet van een asielzoeker die nog niet is uitgeprocedeerd mag worden verwacht dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst. Dit laat echter onverlet dat de vreemdeling na de eerste negatieve beschikking wel een aanvang dient te maken met het verzamelen Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 19 637, nr. 569 2
van documenten die zijn identiteit en nationaliteit kunnen staven. Hij kan dit bijvoorbeeld doen door te trachten via familieleden in het land van herkomst documenten te verkrijgen. Voorzien van dergelijke documenten zal het verkrijgen van een laissez-passer na de negatieve beslissing door de rechter in zijn algemeenheid vlot kunnen geschieden. Het is expliciet niet de bedoeling dat de vreemdeling met dit proces pas start na de negatieve beslissing door de rechter. De suggestie dat de vreemdeling slechts 28 dagen heeft om zijn terugkeer te realiseren is onjuist. De vreemdeling heeft hiervoor de gehele periode vanaf de eerste afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag. Macedonië De heer Hoekema vroeg, evenals diverse andere leden, op welke wijze geanticipeerd wordt op de gebeurtenissen in Macedonië, zowel nationaal als in EU-verband. Daarnaast vroeg hij naar de rol van UNHCR in Macedonië. In EU-verband vinden momenteel onderhandelingen plaats over een Europese richtlijn inzake tijdelijke bescherming. Hierover spreken wij geregeld tijdens het overleg met uw Kamer in verband met bijeenkomsten van de JBZ-Raad. Deze richtlijn ziet op gevallen waarin wij worden geconfronteerd met een plotselinge massale instroom als gevolg van calamiteiten in een bepaald land. Voorbeelden hiervan waren de situatie in Bosnië-Herzegovina en Kosovo. Tijdens de Kosovo-crisis is eens te meer gebleken dat in dergelijke omstandigheden een Europese aanpak dringend noodzakelijk is. De onderhandelingen zijn in een gevorderd stadium. De Nederlandse inzet is gericht op een zo spoedig mogelijke besluitvorming hierover, juist ook om een Europees aanpak te hebben in dreigende situaties, zoals momenteel het geval is in Macedonië. Voor het geval de situatie in Macedonië onverhoopt verder escaleert, word op nationaal niveau de beschikbare opvangcapaciteit in kaart gebracht. Voor het geval van een massale instroom. Over de rol van UNHCR in Macedonië en de actuele activiteiten naar aanleiding van de huidige situatie kan ik u het volgende mededelen. UNHCR heeft een zogenaamde «emergency contingency planning» opgesteld, die geactiveerd kan worden op het moment waarop de situatie aldaar escaleert. Daarnaast wordt de situatie in Macedonië nauwlettend gemonitord en vindt regelmatig overleg plaats tussen UNHCR en andere hulporganisaties zoals het International Committee of the Red Cross voor afstemming. Deze laatste organisatie heeft met name de taak ontheemden in Macedonië te registreren. De Koninklijke Marechaussee op Schiphol en het uitzetten van vreemdelingen De heer Hoekema heeft gevraagd naar het handelen van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol bij het uitzetten van vreemdelingen. Vorig jaar heeft zich een aantal incidenten voorgedaan bij het uitzetten van vreemdelingen door de Kmar op Schiphol. Naar aanleiding van deze incidenten heeft het lid Hoekema, maar ook andere leden van uw Kamer, mij diverse malen vragen gesteld. Door middel van de beantwoording van deze vragen heb ik uw Kamer inzicht gegeven in de toedracht van deze incidenten. Op dit moment wordt de toedracht rond een drietal uitzettingen, alsmede het handelen van de Kmar in dat kader, nog door de rijksrecherche onderzocht. Twee van deze onderzoeken werden ingesteld naar Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 19 637, nr. 569 3
aanleiding van klachten van betrokkenen en één op verzoek van het ministerie van Defensie zelf. De heer Hoekema ging tijdens het Algemeen Overleg van 21 maart jl. in het bijzonder in op het door de Kmar terugzenden van een 15 jarig meisje uit Congo. Het betrof hier een meisje dat bij aankomst op Schiphol een vervalst paspoort met daarin een Schengenvisum, waarvan de geldigheidsduur inmiddels was verlopen, aanbood. De Kmar weigerde haar hierop de toegang en heeft haar, met toestemming van de IND, teruggezonden naar het land van vertrek. Zij stelde op doorreis te zijn naar Frankrijk. Naderhand werd gesteld dat zij zich had willen verenigen met haar legaal in Frankrijk verblijvende ouders, hetgeen zij nimmer had aangegeven. Overigens twijfelden de medewerkers van de Kmar die deze zaak behandelden aan de door het meisje gestelde minderjarigheid. Gelet op haar gestalte, gedrag en uiterlijk werd zij geacht meerderjarig te zijn. In de namens haar aangespannen voorlopige voorziening heeft haar advocaat de rechtmatigheid van het handelen van de Kmar verder niet aan de orde gesteld. Ik blijf dan ook bij mijn oordeel dat het handelen van de Kmar rechtmatig is geweest. De rol van UNHCR in Pakistan De heer Hoekema vroeg naar de rol van UNHCR in Pakistan. Het totale aantal Afghanen dat in Pakistan verblijft bedraagt vermoedelijk ruim twee miljoen personen. Als gevolg van een beleidswijziging sinds maart 2000, op basis waarvan Afghanen door UNHCR niet meer prima facie als vluchteling worden erkend, is UNHCR-Pakistan met de Pakistaanse autoriteiten overeengekomen dat zij Afghaanse asielzoekers die onlangs zijn aangekomen gaat screenen om na te gaan of zij al dan niet vluchteling zijn. Daarnaast komen Afghanen van wie de veiligheid niet door de Pakistaanse autoriteiten gewaarborgd kan worden in aanmerking voor het hervestigingsprogramma dat door UNHCR is opgezet. Dit programma voorziet na een screening in hervestiging binnen Pakistan (relocation) of hervestiging in een derde land (resettlement). Daarnaast voert UNHCR een vrijwillig terugkeerprogramma uit voor Afghanen in Pakistan. Het betreft voornamelijk rurale Pashtuns die hiervan gebruik maken. Positieve beslissingen in aanmeldcentra De heer Hoekema vroeg naar een uitspraak van de hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in De Volkskrant van 2 maart 2001, die hij opvatte als een pleidooi voor het nemen van positieve beslissingen in de 48-uursprocedure in de aanmeldcentra. Het nemen van een positieve beslissing in een aanmeldcentrum zou alleen mogelijk zijn als in 48 uur, naast de vaststelling van identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker, niet alleen een uitgebreid nader gehoor zou kunnen worden afgenomen, maar ook de daarin aangedragen gegevens zonder tijdrovend onderzoek zouden kunnen worden geverifieerd. Dit zal in de praktijk slechts in enkele gevallen mogelijk zijn en strookt, zoals ook de heer Schoof in het interview heeft aangegeven, niet met de oorspronkelijke doelstelling van de aanmeldcentra. Tijdelijke opvang voor vertrek met IOM De heer Van der Staaij vroeg naar tijdelijke opvang voor vertrek met de IOM. Het kan in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat er een hiaat ligt tussen het verlopen van de 28-dagen termijn en het daadwerkelijke en feitelijke vertrek van de vreemdeling als gevolg van het feit dat het betreffende vliegtuig niet op de betreffende dag vertrekt. Dit hiaat zal niet langer dan zeven dagen kunnen beslaan gezien de vigerende vluchtschema s van Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 19 637, nr. 569 4
luchtvaartmaatschappijen. Ik bezie op dit moment, in samenwerking met de IOM, of het mogelijk is de periode tussen de afloop van de 28-dagen termijn en het daadwerkelijke vertrek van de vreemdeling te overbruggen. Een dergelijke regeling zal aan stringente voorwaarden moeten voldoen en zal niets afdoen aan de beëindiging van de voorzieningen van Rijkswege na ommekomst van de finale vertrektermijn. De betreffende vreemdeling zal in ieder geval over geldige reis- en identiteitsdocumenten en zo nodig over geldige doorreisvisa moeten beschikken. Daarnaast zal het vertrek op zeer korte termijn, doch in ieder geval binnen zeven dagen, realiseerbaar moeten zijn. Knelpunten bij de inzet van tolken De heer Wijn heeft gevraagd naar knelpunten die bij de inzet van tolken kunnen ontstaan. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer al eerder geïnformeerd over een kwaliteitsverbeteringsproject dat voor de inzet van tolken in de vreemdelingenketen in gang is gezet. Op dit moment wordt hard aan dat project gewerkt. Daarnaast worden er inspanningen verricht om te komen tot een meer gecentraliseerde, effectieve en efficiënte inzet van tolken in de vreemdelingenketen. In dat licht moet ook het besluit tot tarievenharmonisatie worden gezien. Hoewel het uiteraard mogelijk is dat het inzetten van tolken voor bepaalde talen in bepaalde korte periodes organisatorisch moeilijk is, hecht ik er aan op te merken dat er geen structureel tekort aan tolken bestaat. De Staatssecretaris van Justitie, N. A. Kalsbeek Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 19 637, nr. 569 5