STAD AALST RECHTSPOSITIEREGELING
2 RECHTSPOSITIEREGELING INHOUDSOPGAVE PAGINA RECHTSPOSITIEREGELING Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Titel I: Toepassingsgebied en algemene bepalingen 6 Hoofdstuk I: Toepassingsgebied 6 Hoofdstuk II: Algemene bepalingen 6 Titel II: De personeelsformatie 9 Titel III: De loopbaan 12 Hoofdstuk I: De procedures voor de vervulling van betrekkingen 12 Hoofdstuk II: De aanwerving 13 Hoofdstuk III: De proeftijd 26 Hoofdstuk V: Specifieke bepalingen voor de evaluatie van de stadssecretaris, de adjunctsecretaris en de financieel beheerder van de stad. 37 Hoofdstuk VI: Vorming, training en opleiding 39 Hoofdstuk VII: De administratieve anciënniteiten van het personeelslid 39 Hoofdstuk VIII: De functionele loopbaan 42 Hoofdstuk IX: De bevordering 45 Hoofdstuk X: De vervulling van een vacature door interne personeelsmobiliteit 50 Titel IV: Het opdrachthouderschap en de waarneming van een hogere functie en het mandaathouderschap 54 Hoofdstuk I: Het opdrachthouderschap 54 Hoofdstuk II: De waarneming van een hogere functie 54 Hoofdstuk III: Het mandaatstelsel 55 Titel V: De ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid 58 Hoofdstuk I: De ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid in een functie van dezelfde rang 58 Hoofdstuk II: De ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid in een functie van lagere rang 60 Titel VI: Het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging 62
3 Hoofdstuk I: Het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid 62 Hoofdstuk II: De definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid 63 Titel VII: Het Salaris 65 Titel VIII: De toelagen, vergoedingen en sociale voordelen 73 Hoofdstuk VII: De vergoeding van de conciërge 84 Titel IX: Verloven en afwezigheden 85 Hoofdstuk I: Algemene bepalingen 85 Hoofdstuk II: De jaarlijkse vakantie 86 Hoofdstuk III: De feestdagen 88 Hoofdstuk IV: Moederschapsverlof en opvangverlof 88 Hoofdstuk V: Het ziekteverlof 91 Hoofdstuk VI: De disponibiliteit 94 Hoofdstuk VII: Het verlof voor deeltijdse prestaties 96 Hoofdstuk VIII: Het verlof voor opdracht 98 Hoofdstuk VIIIbis. Terbeschikkingstelling 99 Hoofdstuk VIIIter. Het uitlenen van personeel aan een gebruiker 100 Hoofdstuk IX: Het omstandigheidsverlof 102 Hoofdstuk X: Het onbetaalde verlof 104 Hoofdstuk XI: Loopbaanonderbreking 106 Hoofdstuk XII: Politiek verlof 107 Hoofdstuk XIII: De dienstvrijstellingen 108 Hoofdstuk XIV: Verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties of gelijkgestelde diensten 111 Hoofdstuk XV: Profylaxeverlof 112 Hoofdstuk XVI: Herverdeling van de arbeid (vrijwillige vierdagenweek) 112 Hoofdstuk XVII: Verlof voor vorming 113 Titel X: Slotbepalingen 114 Hoofdstuk I: Overgangsbepalingen 114 Hoofdstuk II. Inwerkingtredingsbepalingen 117
4 Bijlage 1 1 SALARISSCHALEN EN ANDERE VOORDELEN/TOELAGEN 1 HOOFDSTUK 1: UITGEWERKTE SALARISSCHALEN 1 HOOFDSTUK 2: DE MAALTIJDCHEQUES 11 HOOFDSTUK 3: HOSPITALISATIEVERGOEDING 13 Bijlage 2 1 SELECTIEREGLEMENT 1 HOOFDSTUK I : DE SELECTIECOMMISSIE 1 HOOFDSTUK II : HET TOEZICHTHOUDEND PERSONEEL 2 HOOFDSTUK III : AFGEVAARDIGDEN VAN HET STADSBESTUUR. 2 HOOFDSTUK IV : DE AFGEVAARDIGDEN VAN DE VAKBONDEN. 3 HOOFDSTUK V : DE DEELNEMERS 5 HOOFDSTUK VI : DE SELECTIEZITTING 6 HOOFDSTUK VII : DE BEOORDELING VAN DE PROEVEN. 7 HOOFDSTUK VIII : HET PROCES-VERBAAL. 7 HOOFDSTUK IX : HET VERSLAG. 8 HOOFDSTUK X : SLOTBEPALINGEN. 8 Bijlage 3 1 VORMINGSREGLEMENT 1 Bijlage 4 1 EVALUATIECRITERIA 1 Bijlage 5 1 OVERZICHT VAN DE VERLOVEN EN AFWEZIGHEDEN, DE ADMINISTRATIEVE TOESTAND EN DE GELDELIJKE EN ADMINISTRATIEVE GEVOLGEN 1 Bijlage 6 1 OVERGANGSSTELSELS 1 TITEL I 1 Hoofdstuk I : Inschakelingsprincipes 1 Hoofdstuk 2 : Inschakelingstabel 3
5 HOOFDSTUK 3 : Pensioenen 7 ONDERAFDELING I: Toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk. 20 ONDERAFDELING II: Uitdovend kader 25
6 Titel I: Toepassingsgebied en algemene bepalingen Hoofdstuk I: Toepassingsgebied Artikel 1 1. Deze rechtspositieregeling is van toepassing op het stadspersoneel. Met stadspersoneel wordt bedoeld het personeel dat statutair aangesteld werd, evenals het personeel dat met een arbeidsovereenkomst aangeworven werd. 2. Deze rechtspositieregeling is echter niet van toepassing op: 1. het personeel van de brandweer, vermeld in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming 2. het personeel van de lokale politie, zone Aalst 3. het gemeentelijke onderwijzend personeel dat gesubsidieerd wordt. Hoofdstuk II: Algemene bepalingen Artikel 2 Voor de toepassing van deze Rechtspositieregeling (Rechtspositieregeling) wordt verstaan onder: 1. aanstellende overheid: voor de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris, de financieel beheerder en de andere leden van het managementteam: de gemeenteraad voor de overige personeelsleden: het college van burgemeester en schepenen 2. hoofd van het personeel: de stadssecretaris of bij diens afwezigheid de adjunct-stadssecretaris 3. het personeelslid: zowel het statutair als het contractueel personeelslid 4. het statutaire personeelslid: zowel het vast aangestelde statutaire personeelslid als het statutaire personeelslid op proef 5. het vast aangestelde statutaire personeelslid: elk personeelslid dat bij eenzijdige beslissing van de overheid vast is aangesteld in statutair dienstverband; ook genoemd in vast verband benoemd in afdeling 2 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot de uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders 6. het statutaire personeelslid op proef: elk personeelslid dat bij eenzijdige beslissing van de overheid toegelaten is tot de proeftijd met het oog op een vaste aanstelling in statutair dienstverband
7 7. het contractuele personeelslid: elk personeelslid dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst, conform de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten 8. het contractuele personeelslid op proef: het contractuele personeelslid in de proeftijd 9. graad: benaming voor een groep van gelijkwaardige functies of benaming voor een specifieke functie 10. functiebeschrijving: de weergave van de functie-inhoud en van het functieprofiel, waaronder de competenties 11.competenties: de kennis, vaardigheden, persoonlijkheidskenmerken en attitudes die nodig zijn voor de uitoefening van de functie 12.voltijdse en volledige prestaties: betrekking hebbend op een prestatie van 38 uur per week 13.toelage: een geldelijk voordeel dat het personeelslid ontvangt dat welbepaalde prestaties levert 14.vergoeding: een geldelijke tegemoetkoming ter compensatie van kosten die het personeelslid werkelijk maakt 15.sociale voordelen: alle voordelen in natura of in contanten die aan een personeelslid worden toegekend 16.gezondheidsindex: het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. De toelagen, vergoedingen en sociale voordelen tegen 100% worden gekoppeld aan de spilindex 138,01 17.overloon: toeslag boven het gewone loon 18.nachtprestaties: de prestaties geleverd tussen 22 en 6 uur 19.prestaties op zaterdagen en zondagen: de prestaties geleverd op zaterdagen en zondagen tussen 0 en 24 uur 20.prestaties op feestdagen: de prestaties geleverd op de reglementair vastgestelde feestdagen tussen 0 en 24 uur. 21.Besluit:
Het Besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn 8
9 Titel II: De personeelsformatie Artikel 3 De personeelsformatie vermeldt per graad het aantal betrekkingen. Dat aantal wordt uitgedrukt in voltijdse equivalenten. In de personeelsformatie worden geen betrekkingen opgenomen die in contractueel dienstverband ingesteld worden ter uitvoering van de werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheden (gesubsidieerde contractuelen, werkervaring, startbanen, sociale maribel, veiligheids- en preventiecontract, ). Evenmin worden de betrekkingen opgenomen die in contractueel dienstverband worden gecreëerd op basis van artikel 104 2, 1 van het Gemeentedecreet om te voldoen aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de stadssecretaris, de adjunctstadssecretaris en de financieel beheerder. Artikel 4 De personeelsformatie maakt een duidelijk onderscheid tussen het personeel dat in de gemeentelijke diensten tewerkgesteld is enerzijds en het kabinets- en fractiepersoneel, bedoeld in artikel 104, 3 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, anderzijds. Artikel 5 De personeelsformatie geeft het onderscheid weer tussen: 1. de statutaire betrekkingen 2. de contractuele betrekkingen ingesteld om aanvullende of specifieke opdrachten te vervullen of te voorzien in de personeelsbehoeften voor activiteiten die door een andere overheid gesubsidieerd worden of te voorzien in de personeelsbehoeften voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers of te voorzien in uitvoering van taken, die een bijzondere expertise vereisen 3. de bezette statutaire betrekkingen die overtallig zijn of die het voorwerp zijn van een andere rangindeling binnen de personeelsformatie.
10 Artikel 6 De graden worden ingedeeld in vijf niveaus. De niveaus stemmen, met uitzondering van de niveaus D en E, overeen met een diplomavereiste van een bepaald onderwijsniveau. De niveaus en de daarmee overeenstemmende diploma s of getuigschriften zijn: 1. niveau A: ofwel een masterdiploma, ofwel een diploma van het universitair onderwijs of een diploma van het hoger onderwijs van twee cycli dat gelijkgesteld werd met universitair onderwijs; 2. niveau B: ofwel een bachelordiploma, ofwel een diploma van het hoger onderwijs van één cyclus of daarmee gelijkgesteld onderwijs; 3. niveau C: een diploma van het secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld of daarmee gelijkgesteld 4. niveau D: geen diplomavereiste; 5. niveau E: geen diplomavereiste. Alleen de diploma s die per niveau vermeld worden in de bijlage 1 van het Besluit en de buitenlandse diploma s die daarmee gelijkgesteld werden, geven toegang tot de betrekkingen. Artikel 7 Per niveau worden de graden hiërarchisch gerangschikt in rangen. Elke rang wordt aangeduid met twee of drie letters. De hoofdletter geeft het niveau aan; de kleine letter situeert de rang in dat niveau. De rangen geven het relatieve gewicht van de betrekkingen binnen het niveau weer. Schematisch wordt dit abstracte kader, toegepast op het bestaande stelsel van niveaus, graden en salarisschalen, als volgt voorgesteld: Niveau E: graad rang schalen 1 basisgraad Ev E1-E2-E3 Niveau D: graad rang schalen 1 basisgraad Dv D1-D2-D3 1 technische hogere graad Dx D4-D5 Niveau C: graad rang Schalen 1 basisgraad Cv C1-C2-C3 Cv C1-C2 1 hogere graad Cx C4-C5 Niveau B: graad rang Schalen 1 basisgraad Bv B1-B2-B3 Bv BV1-BV2-BV3 1 hogere graad Bx B4-B5
11 Niveau A: graad rang Schalen 1 basisgraad Av A1a-A1b-A2a 1 specifieke basisgraad Avb A6a-A6b-A7a eerste hogere graad Ax A4a-A4b eerste specifieke hogere Axb A8a-A8b graad tweede hogere graad Ay A5a-A5b tweede specifieke hogere graad Ayb A9a-A9b Een betrekking wordt in een graad gesitueerd op basis van de functiebeschrijving. Aan elke graad wordt een rang gekoppeld, die wordt gebruikt als instrument voor de hiërarchische situering van de betrekking in de personeelsformatie. Met uitzondering van de functiebeschrijving voor de stadssecretaris, de adjunctstadssecretaris en de financieel beheerder, wordt de functiebeschrijving opgesteld onder de eindverantwoordelijkheid van de stadssecretaris. De functiebeschrijving voor de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder wordt opgesteld onder de eindverantwoordelijkheid van de gemeenteraad.
12 Titel III: De loopbaan Hoofdstuk I: De procedures voor de vervulling van betrekkingen Artikel 8 Met behoud van de toepassing van de specifieke regels per procedure, wordt een vacante betrekking, ongeacht haar rangindeling, vervuld op één van de volgende manieren: 1. door een aanwervingsprocedure 2. door een bevorderingsprocedure 3. door de procedure van interne personeelsmobiliteit 4. door de combinatie van een aanwervings- en een bevorderingsprocedure 5. door de combinatie van een aanwervingsprocedure en een procedure van interne personeelsmobiliteit 6. door de combinatie van een bevorderingsprocedure en een procedure van interne personeelsmobiliteit 7. door de combinatie van een aanwervingsprocedure, een bevorderingsprocedure en een procedure van interne personeelsmobiliteit. Bij een aanwervingsprocedure worden tegelijk personen extern aan het gemeentebestuur en personeelsleden van de stad uitgenodigd om zich kandidaat te stellen voor de betrekking. Bij een bevorderingsprocedure en bij de procedure van interne personeelsmobiliteit worden alleen personeelsleden van de stad uitgenodigd om zich voor de vacante betrekking kandidaat te stellen. Artikel 9 1. De aanstellende overheid verklaart de betrekking vacant. 2. De aanstellende overheid bepaalt bij de vacantverklaring van de betrekking volgens welke procedure of procedures ze vervuld wordt. 3. Alle betrekkingen van de functies van niveau A en de leidinggevende functies van niveau B worden vervuld door een gelijktijdige aanwervings- en bevorderingsprocedure.
13 Hoofdstuk II: De aanwerving Afdeling I: De algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden Artikel 10 Om toegang te hebben tot een functie bij het stadsbestuur, moeten de kandidaten: 1. een gedrag vertonen dat in overeenstemming is met de eisen van de functie waarvoor ze solliciteren. Het passend gedrag wordt getoetst aan de hand van een uittreksel uit het strafregister. Het uittreksel mag niet ouder zijn dan één maand. Als daarop een ongunstige vermelding voorkomt, mag de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen. 2. de burgerlijke en politieke rechten genieten; 3. a) voor een statutaire functie: Belg zijn als de uit te oefenen functie een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhoudt of werkzaamheden omvat die strekken tot de bescherming van de belangen van het bestuur, of, in de andere gevallen, Belg zijn of burger van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat b) voor een contractuele functie: Belg zijn als de uit te oefenen functie een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhoudt of werkzaamheden omvat die strekken tot de bescherming van de belangen van het bestuur 4. medisch geschikt zijn voor de uit te oefenen functie, in overeenstemming met de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De medische geschiktheid van de kandidaat moet vaststaan op het ogenblik dat bepaald is in de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers op het werk. 5. voldoen aan de nationale dienstplichtwetten. Artikel 11 1. Om in aanmerking te komen voor aanwerving moeten de kandidaten: 1. voldoen aan de vereiste over de talenkennis, opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 2. slagen voor de selectieprocedure. 2. Bovendien moeten de kandidaten: 1. voor de functie in de basisgraden van niveau A, B en C voldoen aan de diplomavereiste zoals bepaald in artikel 6 2. voor de functies in de hogere rangen van niveau A, B en C: a) voldoen aan de diplomavereiste, vermeld in punt 1 b) minimaal 3 jaren relevante beroepservaring hebben 3. voor de functie in de technische hogere rang van niveau D: minstens drie jaren relevante beroepservaring hebben 3. Om in aanmerking te komen voor de aanwerving van de graad van verpleegkundige ambulancedienst voor de stedelijke gemengde brandweerdienst moet de kandidaat: houder zijn van het diploma "gegradueerde verpleegkundige" of "bachelor in de verpleegkunde" en houder zijn van een bijzondere beroepstitel spoedgevallen en intensieve zorgen.
De gemeenteraad kan, indien nodig of gewenst, aanvullende aanwervingsvoorwaarden vaststellen. 14
15 Artikel 12 In afwijking van artikel 11 kan de aanstellende overheid in uitzonderlijke gevallen bij de vacantverklaring van een betrekking van niveau A, B, of C beslissen dat de diplomavereiste die als regel geldt voor dat niveau vervalt. Deze schrapping kan op voorwaarde dat: 1. de functie noch op basis van de functiebeschrijving, noch krachtens een reglementering van de hogere overheid een specifiek diploma vergt, en het algemene capaciteitsniveau en het potentieel van de kandidaten belangrijker zijn dan een diploma 2. het wegvallen van de diplomavereiste gecompenseerd wordt door een vereiste inzake relevante beroepservaring 3. de kandidaten slagen voor een specifieke selectieprocedure die naast één of meer functiegerichte competentietests ook een niveau- of capaciteitstest bevat. De beslissing om geen diplomavereiste op te leggen, moet steunen op volgende vastgestelde objectieve criteria: gegevens van schaarste op de regionale arbeidsmarkt om bepaalde betrekkingen in te vullen (knelpuntberoepen) cijfergegevens die de ondervertegenwoordiging van bepaalde, in de tewerkstellingsmaatregelen van de hogere overheden vermelde kansengroepen, in de plaatselijke tewerkstelling aantonen, in relatie tot de regionale indicatoren over de aanwezigheid van die kansengroepen in de werkloosheid bepaalde functiespecifieke criteria (bijvoorbeeld voor de aanwerving personen die kunnen tolken vanuit vreemde talen) Artikel 13 In afwijking van artikel 11, 1, 2. is een personeelslid dat tewerkgesteld is in een deeltijdse functie en dat al geslaagd is voor selectieproeven, vrijgesteld van nieuwe selectieproeven wanneer de wekelijkse prestaties binnen die functie uitgebreid worden of wanneer de functie voltijds wordt.
16 Afdeling II: De aanwervingsprocedure Artikel 14 1. Aan elke aanwerving gaat een externe en interne bekendmaking van de vacature met een oproep tot de kandidaten vooraf. De vacatures worden ten minste in drie verschillende bekendmakingskanalen bekendgemaakt, waaronder ten minste één persorgaan of tijdschrift en de gemeentelijke website en VDAB. Het vacaturebericht voor het persorgaan of het tijdschrift bevat ten minste: de naam van betrekking en het bruto-salaris de vermelding of de betrekking statutair dan wel contractueel wordt ingevuld de vermelding of de betrekking voltijds of deeltijds wordt toegekend een beknopte weergave van de functievereisten wijze en uiterste datum waarop de kandidaturen dienen te worden ingediend vermelding of een wervingsreserve wordt aangelegd en de duurtijd daarvan vermelding van een contactpunt voor meer informatie 2. De bepalingen van 1 zijn niet van toepassing als de aanstellende overheid beslist een beroep te doen op een bestaande wervingsreserve die geldig is voor de vacature. 3. De bepalingen van 1 en 2 zijn niet van toepassing als de wekelijkse prestaties van een deeltijdse betrekking in de personeelsformatie uitgebreid worden of als de betrekking omgezet wordt in een voltijdse betrekking. Als er meerdere personeelsleden deeltijds werken in een betrekking van dezelfde graad, richt de aanstellende overheid een oproep tot die personeelsleden voor de vervulling van de extra uren en maakt ze haar keuze op basis van een vergelijking van de kandidaturen. Artikel 15 De uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen volgt minimaal 14 kalenderdagen op de datum van bekendmaking van de vacature. De dag van de bekendmaking is niet in de termijn begrepen; de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen wel. De kandidaturen kunnen ingediend worden op de volgende manieren: door een aangetekende, per post verzonden sollicitatiebrief door een per fax bezorgde sollicitatiebrief door het invullen van een elektronisch sollicitatieformulier door een e-mail met ontvangstbevestiging tegen ontvangstbewijs De datum van de poststempel / van het faxbericht / van de inschrijving via een elektronisch formulier / van de ontvangstbevestiging van het mailbericht / van het ontvangstbewijs geldt als datum van inschrijving. Elke kandidaat krijgt een ontvangstmelding van zijn kandidatuur.
17 Artikel 16 Aan elke aanwerving gaat een selectieprocedure vooraf. Artikel 17 1. Enkel de kandidaat die aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de eventuele bijkomende specifieke voorwaarden voor de functie voldoet, wordt toegelaten tot de selectieprocedure. 2. De kandidaten leveren het bewijs dat ze voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de andere aanwervingsvoorwaarden, de selectie uitgezonderd. Aan de voorwaarden gesteld in artikel 10, 2 en 3 dient de kandidaat te voldoen ten laatste op de uiterste datum die geldt voor de inschrijvingen voor de selectieprocedure. Aan de voorwaarden gesteld in artikel 10, 1, 4 en 5 dient de kandidaat te voldoen op de datum van de aanstelling op proef. Met uitzondering van de laatstejaarsstudenten dient de kandidaat aan de diplomavoorwaarde gesteld in artikel 11, 2 1, te voldoen ten laatste op de uiterste datum die geldt voor de inschrijvingen voor de selectieprocedure. 3. Laatstejaarsstudenten dienen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de diplomavereisten op het ogenblik van de aanstelling op proef. Indien zij dan niet voldoen aan de diplomavereisten op die datum worden zij uit de wervingsreserve geschrapt. 4. De aanstellende overheid beoordeelt de geldigheid van de ingediende kandidaturen en van de voorgelegde bewijzen. In het geval dat de gemeenteraad de aanstellende overheid is, beoordeelt het college van burgemeester en schepenen de geldigheid ervan. Op basis van de beoordeling wordt beslist welke kandidaten definitief tot de selectieprocedure worden toegelaten. De kandidaten die geweigerd worden, worden daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht met vermelding van de reden voor de weigering. Voor de deelname aan de selectieprocedure volstaat een kopie of een gewoon afschrift van de bewijzen. Eensluidend verklaarde afschriften worden alleen gevraagd aan de kandidaten die geslaagd zijn voor de selectie. Als de kandidaat een attest, brevet of getuigschrift van een specifieke opleiding moet voorleggen of behalen tijdens de proeftijd, dan levert hij dat ten laatste bij de afloop van de proeftijd. De aanstellende overheid regelt hiervan de concrete toepassing.
18 Afdeling III: De selectieprocedure Artikel 18 1. Elke selectie wordt uitgevoerd op basis van selectiecriteria en met behulp van één of meer selectietechnieken. De selectiecriteria en de selectietechnieken zijn afgestemd op de functiebeschrijving. Voor functies van dezelfde graad zijn de selectietechnieken gelijkwaardig. 2. De selecties worden uitgevoerd door een selectiecommissie die uitsluitend uit deskundigen bestaat. Het minimum aantal leden en hun vereiste kwalificaties zijn bepaald in het selectiereglement. Tenminste 1/2 de van de leden zijn deskundigen die extern zijn aan het bestuur. Deze leden dienen wegens hun professionele activiteit en specialisatie geschikt te worden bevonden door het college van burgemeester en schepenen om zitting te nemen in de selectiecommissie. Voor de interne leden geldt dat zij minstens een graad van gelijke rang dienen te bekleden als die van de vacante functie. De selectie wordt uitgevoerd door deskundigen. Met deskundig wordt hier niet alleen verwezen naar deskundigheid in een inhoudelijke materie, maar vooral ook naar deskundigheid op het vlak van personeelsselectie. De leden van de selectiecommissie respecteren alle wettelijke en gedragsregels bij de uitvoering van selecties. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid, de beginselen van non-discriminatie, respect voor vertrouwelijkheid en voor de persoonlijke levenssfeer, de geheimhouding van de vragen en verbod op belangenvermenging. In afwijking van het bepaalde in 2, vierde lid kan de aanstellende overheid bepalen dat selecties geheel of gedeeltelijk uitbesteed worden aan een erkend, extern selectiebureau. Het selectiebureau voert in dit geval de selectie uit in overeenstemming met de rechtspositieregeling en met de specifieke opdracht van het bestuur. 3. De aanstellende overheid wijst nominatief de voorzitter, de secretaris en de leden van de selectiecommissies aan. Er nemen minimum drie leden en maximum zes leden zitting in de selectiecommissie. De leden van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen kunnen geen lid zijn van een selectiecommissie in een selectieprocedure voor het eigen bestuur. 4. De selectiecommissie maakt voor elke selectietechniek een verslag op waarin per kandidaat het resultaat wordt vermeld. Op het einde wordt een eindverslag opgesteld met het vermelden van de deelresultaten en het eindresultaat van elke kandidaat
19 5. Indien er in de selectie psychotechnische proeven, assessments en persoonlijkheidsvragenlijsten worden afgenomen, worden die afgenomen door een selectiebureau of door een persoon die daartoe bevoegd is en erkend is in overeenstemming met het decreet van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsmarktbemiddeling in het Vlaamse Gewest en het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2000 ter uitvoering van dat decreet. 6. De selectieprocedures zijn getrapt vergelijkend. De geslaagde kandidaten gerangschikt in drie groepen, te weten de groep A die met bijzonder geschikte kandidaten, de groep B met zeer geschikte kandidaten en de groep C met geschikte kandidaten In geval van aanstelling, dient de aanstellende overheid een kandidaat te kiezen die gerangschikt is in groep A. Enkel bij ontstentenis van kandidaten behorende tot de groep A, kan de aanstellende overheid een kandidaat aanstellen uit groep B. Enkel bij ontstentenis van kandidaten behorende tot groep A en B, kan de aanstellende overheid een kandidaat aanstellen uit groep C. 7. Elke selectie bevat tenminste een mondeling gedeelte. Voor functies van niveau A, B en C wordt dit mondeling gedeelte voorafgegaan door een schriftelijk gedeelte. De aanstellende overheid kan beslissen, naargelang van de eigenheid van de functie en binnen de grenzen van hetgeen is bepaald in het selectiereglement, om het mondeling onderdeel van de proef inhoudelijk te doen aansluiten bij het schriftelijk gedeelte. Voor lijnfuncties van niveau A en B bevat de selectie bovendien altijd een assessment in verband met de managements- en leiderschapscapaciteiten op het niveau van de functie. Deze proef is eliminerend en gaat altijd vooraf aan het mondeling onderdeel van de selectieprocedure. De aanstellende overheid kan van deze volgorde hierboven vermeld afwijken in een gemotiveerd besluit. Voor functies van niveau D en E wordt het mondeling gedeelte ofwel voorafgegaan door een praktisch gedeelte ofwel door een schriftelijk gedeelte. 8. Indien een selectieprocedure uit meerdere onderdelen bestaat, dient de kandidaat eerst te slagen in het eerste selectiegedeelte vooraleer hij toegelaten kan worden tot het tweede selectiegedeelte. De kandidaat wordt hiervan op de hoogte gesteld. Artikel 19 De raad legt de toepasselijke regels voor de selectie vast in het selectiereglement dat als bijlage bij deze Rechtspositieregeling wordt gevoegd. Deze bijlage wordt geacht integraal deel uit te maken van de in dit besluit vervatte Rechtspositieregeling.
20 Artikel 20 1. De aanstellende overheid stelt de concrete selectieprocedure vast voor de aanvang ervan en zorgt voor de organisatie van de selecties. Binnen de grenzen vervat in artikel 18 en het selectiereglement bepaalt de aanstellende overheid: de selectiecriteria de keuze van de selectietechnieken het verloop van de selectie, met inbegrip van de timing het minimale resultaat om als geslaagd te worden bij de afsluiting van de selectieprocedure en, in voorkomend geval, het minimale resultaat om toegelaten te worden tot de volgende stap in de selectieprocedure. 2. Als de aanstellende overheid kiest voor een combinatie van de aanwervings- en de bevorderingsprocedure en voor de gelijktijdige toepassing daarvan, worden de externe en de interne kandidaten onderworpen aan dezelfde selectieproeven. Eventuele schriftelijke kennisproeven met dezelfde inhoud worden op hetzelfde tijdstip afgenomen. Voor de toepassing van artikel 12 behelst de selectieprocedure, naast één of meer functiegerichte competentietests, ook een niveau- of capaciteitstest, die onderzoekt of de kandidaten in staat zijn te functioneren op het niveau waarin de functie is gesitueerd. De kandidaten moeten zowel voor de niveau- of capaciteitstest als voor de functiegerichte competentietest(s) slagen. Voor de niveau- of capaciteitstest, vermeld in artikel 12 is de uitvoering van de selectie door een erkend extern selectiebureau verplicht. Artikel 21 De kandidaten worden schriftelijk op de hoogte gebracht van het resultaat van de selectie.
21 Afdeling IV: Wervingsreserves Artikel 22 Er kunnen na een selectieprocedure wervingsreserves worden aangelegd. De geldigheidsduur van een wervingsreserve is twee jaar. Deze geldigheidsduur kan één maal met twee jaar worden verlengd. Alle geslaagde kandidaten worden in de wervingsreserve opgenomen volgens de bepalingen van het selectiereglement. De aanstellende overheid beslist bij de vacantverklaring van een of meer betrekkingen of voor de bezetting van toekomstige vacatures of er een wervingsreserve wordt aangelegd. De geldigheidsduur van de reserve vangt aan de eerste dag volgend op de datum waarop de aanstellende overheid kennis heeft genomen van het proces-verbaal van het laatste examengedeelte. Artikel 23 Kandidaten opgenomen in een wervingsreserve, die voor de tweede maal aan een benoeming verzaken, verliezen hun aanspraken en worden uit de reserve geschrapt. Hetzelfde geldt voor de kandidaten die hun kandidatuur voor een tweede maal niet bevestigen wanneer zij daartoe door het bestuur, naar aanleiding van een vacature, per aangetekend schrijven of schriftelijk tegen ontvangstbewijs worden uitgenodigd.
22 Afdeling V: Specifieke bepalingen voor de aanwerving van de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder Artikel 24 De gemeenteraad stelt de functiebeschrijving vast voor de functie van stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder. Artikel 25 1. Als de functie van stadssecretaris, adjunct-stadssecretaris en financieel beheerder door aanwerving vervuld wordt, moeten de kandidaten houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A. 2. De gemeenteraad stelt een selectieprocedure vast overeenkomstig de bepalingen die zijn opgenomen in Titel III, hoofdstuk II, afdeling III. Ook de bepalingen van Titel III, hoofdstuk II, afdeling IV met betrekking tot de wervingsreserves dienen te worden toegepast. 3. Onverminderd hetgeen is voorgeschreven in Titel III, hoofdstuk II van deze Rechtspositieregeling, bevatten de selectieproeven voor de selectie van een stadssecretaris of een adjunct-stadssecretaris tenminste een test die de managementen leiderscapaciteiten van de kandidaten toetst. De test wordt afgenomen door een extern erkend selectiebureau. De selectieproeven bevatten voor de selectie van een financieel beheerder tenminste een test die het financieel-economisch inzicht van de kandidaten toetst.
23 Afdeling VI: Specifieke bepalingen voor de aanwerving in de betrekkingen die ingesteld werden ter uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheid en in sommige tijdelijke betrekkingen Artikel 26 Voor de aanwerving in contractuele betrekkingen die ingesteld werden ter uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheid, waarvan de tewerkstellingsduur onbepaald is, geldt het volgende: de kandidaten moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de algemene en aanvullende aanwervingsvoorwaarden de aanstellende overheid is niet verplicht om een openbare oproep tot kandidaten te lanceren de selectie toetst de bekwaamheid van de kandidaten voor de functie de selectie wordt uitgevoerd door een selectiecommissie bestaande uit interne deskundigen. Ze kan uitzonderlijk aangevuld worden met externe deskundigen. de selectieprocedure bestaat uit een sollicitatiegesprek dat, indien nodig, kan aangevuld worden met een andere selectietechniek de selectiecommissie maakt een verslag op met betrekking tot de geschiktheid of ongeschiktheid voor de functie. Ze groepeert de geslaagden in drie groepen: zeer goed, goed en voldoende. De rangschikking is bindend voor de aanstellende overheid. Artikel 27 Voor de tijdelijke vervanging van afwezige personeelsleden door contractuele personeelsleden geldt het volgende: de kandidaten moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de algemene en aanvullende aanwervingsvoorwaarden de aanstellende overheid is niet verplicht om een openbare oproep tot kandidaten te lanceren de selectie toetst de bekwaamheid van de kandidaten voor de functie om een snel inspringen mogelijk te maken, kan afgeweken worden van de bepalingen met betrekking tot de selectie. Het hoofd van het personeel oordeelt hierover de selectie wordt uitgevoerd door een selectiecommissie bestaande uit interne deskundigen. Ze kan uitzonderlijk aangevuld worden met externe deskundigen. In geval van hoogdringendheid (te bepalen door het hoofd van het personeel) kan de selectiecommissie bestaan uit één enkel persoon, zijnde een leidinggevende ten aanzien van de functie die tijdelijk te begeven is de selectieprocedure bestaat uit een sollicitatiegesprek dat, indien nodig, kan aangevuld worden met een andere selectietechniek de selectiecommissie maakt een verslag op met betrekking tot de geschiktheid of ongeschiktheid voor de functie. Ze groepeert de geslaagden in drie groepen: zeer goed, goed en voldoende. De rangschikking is bindend voor de aanstellende overheid. Bij het opnieuw contractueel aanstellen van een in dienst zijnd contractueel personeelslid voor de tijdelijke vervanging van een afwezig personeelslid, geldt dat betrokkene in het bezit moet zijn van een gunstig evaluatieverslag. Dit verslag mag niet meer dan 6 maanden vóór de indiensttredingsdatum opgemaakt zijn.
24 Artikel 28 Voor de aanwerving in contractuele betrekkingen, al dan niet in een tewerkstellingsmaatregel van de hogere overheid, waarvan de tewerkstellingsduur tot maximaal één of twee jaar beperkt is, geldt het volgende: de kandidaten moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de algemene en aanvullende aanwervingsvoorwaarden de aanstellende overheid is niet verplicht om een openbare oproep tot kandidaten te lanceren de selectie toetst de bekwaamheid van de kandidaten voor de functie de selectie wordt uitgevoerd door een selectiecommissie bestaande uit interne deskundigen. Ze kan uitzonderlijk aangevuld worden met externe deskundigen. de selectieprocedure bestaat uit een sollicitatiegesprek dat, indien nodig, kan aangevuld worden met een andere selectietechniek de selectiecommissie maakt een verslag op met betrekking tot de geschiktheid of ongeschiktheid voor de functie. Ze groepeert de geslaagden in drie groepen: zeer goed, goed en voldoende. De rangschikking is bindend voor de aanstellende overheid. Voor de vervulling van de betrekkingen in een tewerkstellingsmaatregel van de hogere overheid met een rechtstreekse voordracht door de VDAB of door organisaties waarmee de VDAB of de regionale tewerkstellingsdiensten een samenwerkingsovereenkomst hebben afgesloten, wordt de selectie (= sollicitatiegesprek) specifiek afgestemd op de kansengroepen in het tewerkstellingsbeleid. Afdeling VII: Specifieke bepalingen voor de aanwerving van personen met een arbeidshandicap Artikel 29 Ten minste 2% van de betrekkingen binnen het bestuur worden vervuld door personen met een arbeidshandicap die aan één van de volgende voorwaarden voldoen: 1. ze zijn ingeschreven bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, voorheen het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap; 2. ze zijn erkend door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding als personen met een handicap; 3. ze komen in aanmerking voor een inkomensvervangende tegemoetkoming of voor een integratietegemoetkoming, die verstrekt wordt aan personen met een handicap op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap; 4. ze zijn in het bezit zijn van een attest dat uitgereikt is door de algemene directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen; 5. ze zijn slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte en kunnen een bewijs voorleggen van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %, uitgereikt door het Fonds voor Arbeidsongevallen, door het Fonds voor Beroepsziekten of door of zijn rechtsopvolger de Administratieve Gezondheidsdienst in het kader van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; 6. ze hebben hun hoogste getuigschrift of diploma behaald in het buitengewoon secundair onderwijs.
25 Artikel 30 De kandidaten moeten zowel voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de bepalingen van Titel III, Hoofdstuk II, Afdeling I evenals aan de eventuele aanvullende voorwaarden. Bij de selectieproeven worden de hinderpalen die verbonden zijn met de handicap zo veel als mogelijk verholpen door aangepaste faciliteiten. Afdeling VIII: De indiensttreding Artikel 31 De aanstellende overheid bepaalt de datum of de termijn van indiensttreding van het geselecteerde personeelslid. Het personeelslid dat niet in dienst treedt op de datum in het aanstellingsbesluit bepaald wordt geacht aan zijn aanstelling definitief te verzaken. Een nieuwe indiensttredingsdatum kan bij gemotiveerd besluit van de aanstellende overheid worden bepaald wanneer de betrokkene een gegronde reden inroept die hem belet op de gestelde datum of binnen de gestelde termijn zijn ambt op te nemen. Artikel 32 *Het personeelslid legt bij de indiensttreding de volgende eed af in handen van de burgemeester, Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. 1 1 * Dit artikel treedt in voege vanaf de datum van de inwerkingtreding zoals bepaald door de Vlaamse Regering
26 Hoofdstuk III: De proeftijd Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 33 De proeftijd beoogt de integratie van het op proef aangestelde personeelslid in het bestuur en de inwerking in zijn functie en stelt de aanstellende overheid in staat de geschiktheid van het personeelslid voor de functie te verifiëren. Tijdens zijn proeftijd staat het personeelslid onder leiding van de leidinggevende. Met het personeelslid worden de nodige afspraken gemaakt voor de integratie in het bestuur en de inwerking in zijn functie. Het statutaire personeelslid op proef krijgt tijdens de proefperiode feedback over de manier van functioneren zoals bepaald in het vormingsreglement. Afdeling II: De proeftijd van het contractueel personeelslid Artikel 34 Onverminderd de bepalingen zoals voorzien in de regelgeving met betrekking tot de arbeidsovereenkomsten, wordt in elke arbeidsovereenkomst een beding van proeftijd opgenomen. De duur van de proeftijd voor het betrokken contractuele personeelslid bedraagt In geval het een arbeidsovereenkomst voor werklieden betreft: 14 kalenderdagen In geval het een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde duur betreft: 6 maanden In geval het een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor een bepaald werk of van bepaalde duur van minimum zes maanden betreft: 3 maanden In geval het een arbeidsovereenkomst voor bedienden van bepaalde duur van minder dan 6 maanden betreft: 1 maand Artikel 35 Het contractuele personeelslid wordt vóór het einde van de in de arbeidsovereenkomst bepaalde proeftijd door één beoordelaar geëvalueerd. Het resultaat van de evaluatie is alleen gunstig of ongunstig. Tegen de ongunstige evaluatie is geen beroep mogelijk. De ongunstige evaluatie heeft het ontslag tot gevolg conform de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet of, in voorkomend geval, andere specifieke wettelijke (of reglementaire) voorschriften voor het ontslag
27 Afdeling III: De proeftijd met het oog op de vaste aanstelling in statutair verband. Artikel 36 De duur van de proeftijd bedraagt zes maanden voor alle functies. Voor de decretale graden bedraagt de proeftijd 12 maanden. De diensten die een kandidaat ononderbroken tot de datum van de statutaire aanstelling op proef in contractueel verband bij het bestuur heeft vervuld in dezelfde functie als de functie waarin het aangesteld wordt, worden in aanmerking genomen voor de proeftijd op voorwaarde dat het personeelslid daarvoor een gunstig evaluatieresultaat kreeg. Op voorstel van de beoordelaar kan de aanstellende overheid de proeftijd met ten hoogste dezelfde duur verlengen als uit de eindevaluatie blijkt dat de duur van de proeftijd niet volstaat om tot een gefundeerd evaluatieresultaat te komen. Deze verlenging kan slechts één maal toegepast worden. Artikel 37 De proeftijd wordt verlengd door iedere afwezigheid, al dan niet onderbroken, van meer dan vijftien werkdagen. Voor de decretale graden bedraagt dit 30 werkdagen. Het jaarlijks vakantieverlof en de deelname aan vormingsactiviteiten worden niet beschouwd als afwezigheden in de zin van het eerste lid van dit artikel. Artikel 38 Voor het einde van de proeftijd wordt het statutaire personeelslid op proef door één beoordelaar geëvalueerd. Het resultaat van de evaluatie is alleen gunstig of ongunstig. Tegen de ongunstige evaluatie is geen beroep mogelijk. Het statutaire personeelslid op proef dat na het verstrijken van de proeftijd op grond van het ongunstige resultaat van de eindevaluatie niet in aanmerking komt voor de vaste aanstelling in statutair verband, wordt ontslagen. Het ontslag wordt gegeven in overeenstemming met de bepalingen in artikel 122. Artikel 39 Na afloop van de proeftijd behoudt het statutaire personeelslid op proef de hoedanigheid van op proef aangesteld personeelslid tot de aanstellende overheid beslist over de vaste aanstelling of het ontslag. De aanstellende overheid neemt haar beslissing zonder uitstel.
28 Afdeling IV: De vaste aanstelling in statutair verband Artikel 40 Het statutaire personeelslid op proef wordt vast aangesteld in statutair verband op voorwaarde dat het: 1. voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden, aan de algemene en aanvullende aanwervingsvoorwaarden die op de betrekking van toepassing zijn; 2. met goed gevolg de proeftijd heeft volbracht, behalve wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 36, 3 de lid Het personeelslid wordt vast aangesteld in statutair verband in de functie waarin het op proef werd aangesteld.
29 Hoofdstuk IV: De evaluatie tijdens de loopbaan Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 41 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de evaluatie van de stadssecretaris, de adjunctstadssecretaris en de financieel beheerder. Artikel 42 Alle personeelsleden zijn tijdens hun loopbaan onderworpen aan de periodieke evaluatie. Artikel 43 De evaluatie is de beoordeling van het functioneren van het personeelslid in de huidige functie. De evaluatie gaat na in welke mate het personeelslid beantwoordt aan de vooraf bepaalde evaluatiecriteria. Artikel 44 De personeelsleden worden geëvalueerd op ambtelijk niveau, op basis van het toewijzen van de bevoegdheid door de het hoofd van het personeel met betrekking tot de evaluatie. Artikel 45 Het hoofd van het personeel organiseert de evaluatie tijdens de loopbaan en is verantwoordelijk voor de passende maatregelen met het oog op de verbetering van de wijze waarop een personeelslid functioneert. Het evaluatiesysteem kadert in het globale personeels- en organisatiebeleid en beantwoordt aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Artikel 46 De beoordelaar is een door het hoofd van het personeel aangeduid personeelslid die de manier van functioneren van een ondergeschikt personeelslid toetst op basis van vooraf gekende evaluatiecriteria en daarover een oordeel formuleert. De beoordelaar legt de evaluatie vast in een kwalitatief beschrijvend evaluatieverslag dat het evaluatieresultaat op afdoende wijze onderbouwt. Artikel 47 De personeelsleden worden geïnformeerd over alle aspecten van het evaluatiestelsel en over de evaluatiecriteria die op hen van toepassing zijn, inclusief wie de beoordelaar is. Artikel 48 Het personeelslid krijgt tussentijds feedback over zijn manier van functioneren in een functioneringsgesprek. Het functioneringsgesprek is een persoonlijk en vertrouwelijk gesprek tussen de beoordelaar en het personeelslid, met actieve inbreng van het personeelslid, bedoeld om het functioneren te verbeteren en de verdere ontwikkeling te bespreken.
30 Indien het personeelslid dit wenst, kan de verantwoordelijke van het desbetreffende departement of de vormings- en evaluatieverantwoordelijke dit gesprek bijwonen. Hij/zij fungeert dan als moderator en verslaggever. Het personeelslid richt zijn vraag aan de rechtstreekse leidinggevende of aan de vormings- en evaluatieverantwoordelijke. Van personeelsleden die door een externe instantie begeleid worden, kan de begeleider het gesprek bijwonen. Binnen de evaluatieperiode vindt minstens 1 functioneringsgesprek plaats. Een bijkomend functioneringsgesprek is verplicht: wanneer het personeelslid een nieuwe of gedeeltelijk nieuwe functie krijgt; wanneer het personeelslid bij de laatste evaluatie duidelijk een aantal te verbeteren punten heeft meegekregen; wanneer in de loop van de evaluatieperiode duidelijk wordt dat het personeelslid kans loopt op een ongunstige evaluatie; na het krijgen van een ongunstige evaluatie; wanneer de beoordelaar wijzigt; wanneer het personeelslid hierom vraagt. Op het einde van elk functioneringsgesprek is een beperkte verslaggeving voorzien. Dit geeft een overzicht van de besproken agendapunten en van de gemaakte afspraken. Het verslag van het functioneringsgesprek wordt opgenomen in het evaluatiedossier. Beide partijen dateren en ondertekenen dit verslag. Afdeling II: De duur van de evaluatieperiode en de evaluatiecriteria Artikel 49 Het personeelslid wordt tweejaarlijks geëvalueerd. De evaluatieperiode loopt van 1 maart jaar x tot eind februari jaar x + 2. Het personeelslid wordt na afloop van de evaluatieperiode geëvalueerd als het tijdens die evaluatieperiode ten minste 6 maanden prestaties geleverd heeft. De evaluatie van het personeelslid dat binnen die evaluatieperiode de minimale duur van de prestaties niet heeft bereikt, wordt uitgesteld. Het personeelslid wordt pas geëvalueerd na de diensthervatting op het ogenblik dat de minimale prestatietermijn werd bereikt. Het personeelslid behoudt tot dan het resultaat van de vorige evaluatieperiode. Artikel 50 De evaluatie heeft betrekking op de periode die volgt op de vorige evaluatieperiode.
31 Artikel 51 De evaluatie wordt uitgevoerd op basis van vooraf vastgelegde evaluatiecriteria. De competenties die als evaluatiecriteria worden gebruikt, worden vooraf door de gemeenteraad vastgelegd in een bijlage aan deze Rechtspositieregeling. De evaluatiecriteria zijn ingedeeld in volgende groepen van competenties: persoonlijke vaardigheden beheer van kennis en kunde klantgerichte vaardigheden interpersoonlijke vaardigheden leidinggeven Elke competentie is gedefinieerd. Als leidraad is er eveneens een beschrijving van mogelijke gedragsindicatoren per competentie. Het evaluatieformulier wordt door het hoofd van het personeel vastgelegd. Afdeling III: De duurtijd van het evaluatieproces Artikel 52 Bij voorkeur binnen 2 maanden gerekend vanaf het evaluatiegesprek moet het evaluatieproces, met uitzondering van de beslissing over het gevolg van de evaluatie, en met uitzondering van de beroepsprocedure, afgerond zijn. Het evaluatieproces wordt als afgerond beschouwd op de dag waarop de beoordelaar met toepassing van artikel 46 van deze Rechtspositieregeling een kopie van het definitief evaluatieverslag naar het personeelslid en het hoofd van het personeel stuurt. Afdeling IV: De beoordelaars Artikel 53 Een personeelslid kan slechts als beoordelaar optreden als het voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. het personeelslid is leidinggevende 2. het personeelslid heeft de opleiding tot beoordelaar gevolgd. Het hoofd van het personeel wijst de beoordelaars aan voor de verschillende diensten binnen Stad Aalst en zorgt voor de interne organisatie van het evaluatieproces binnen de in deze Rechtspositieregeling vastgestelde termijnen. Als een beoordelaar zelf negatief geëvalueerd wordt, zal het hoofd van het personeel, een andere beoordelaar aanwijzen als dat op basis van de inhoud van de evaluatie aangewezen blijkt. Het personeelslid wordt geëvalueerd door een leidinggevende die bij voorkeur de rechtstreeks leidinggevende is.
32 Het kabinetspersoneel wordt geëvalueerd door een lid van het managementteam op basis van een verslag van het betrokken lid van het college van burgemeester en schepenen, conform hetgeen is bepaald in artikel 12 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2007 tot vaststelling van de regels inzake de aanwerving en terbeschikkingstelling van het kabinets- en fractiepersoneel in de gemeenten en provincies. Afdeling V: Het verloop van de evaluatiecyclus Onderafdeling 1 : De planningsfase Artikel 54 De evaluatiecyclus start met het planningsgesprek tussen de beoordelaar en het personeelslid. Tijdens dit gesprek worden de verwachtingen van de beoordelaar met het personeelslid besproken. Het planningsgesprek is gebaseerd op de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de evaluatiecriteria. Tijdens dit gesprek evalueren de beoordelaar en het personeelslid de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de evaluatiecriteria en rapporteren dit aan het hoofd van het personeel. Om het planningsgesprek voor te bereiden, kan men zich baseren op: de bestaande functiebeschrijvingen en evaluatiecriteria, de evaluatie van de vorige evaluatieperiode, de opdracht van de stad, het departement, de dienst en de daarbij horende taken de competenties van het personeelslid, de interesses en ambities van het personeelslid. Het planningsgesprek kan gedeeltelijk in groep, gedeeltelijk individueel gebeuren. Tijdens een groepsbijeenkomst kunnen enkel die zaken besproken worden die gelden voor het geheel van de groep. De uitkomst van het planningsgesprek resulteert in een schriftelijk vastgelegde afsprakennota (= planningsformulier). Onderafdeling 2 : De begeleidingsfase Artikel 55 Tussen het planningsgesprek en de evaluatie is er een tijdspanne van in principe 24 maanden. In deze fase wordt van de leidinggevende verwacht dat hij tussentijds feedback geeft aan het personeelslid tijdens een functioneringsgesprek, zoals bepaald in artikel 48. Onderafdeling 3 : De evaluatiefase Artikel 56 Na de evaluatieperiode vindt de evaluatie plaats. De evaluatie gaat gepaard met een evaluatiegesprek. Het evaluatiegesprek is het gesprek tussen de beoordelaar en het personeelslid waarbij de evaluatie wordt toegelicht. Indien het personeelslid dit wenst, kan de verantwoordelijke van het desbetreffende departement of de vormings- en evaluatieverantwoordelijke dit gesprek bijwonen. Hij/zij fungeert dan als moderator, hij/zij heeft geen eigen beoordelingsmacht. Het personeelslid richt zijn vraag aan de rechtstreekse leidinggevende of aan de vormings- en evaluatieverantwoordelijke. Van personeelsleden die door een externe instantie begeleid worden, kan de begeleider het gesprek bijwonen.
33 Artikel 57 Het personeelslid ontvangt het evaluatieverslag. Het personeelslid kan bij het evaluatieverslag opmerkingen formuleren. Het personeelslid bezorgt het voor kennisname ondertekende evaluatieverslag terug aan zijn beoordelaar binnen 8 kalenderdagen na ontvangst van het evaluatieverslag. De beoordelaar ondertekent het evaluatieverslag en, in voorkomend geval, de opmerkingen van het personeelslid voor kennisneming. Het personeelslid ontvangt een kopie van het definitief evaluatieverslag en tekent voor ontvangst. Artikel 58 Van elk personeelslid wordt een individueel evaluatiedossier aangelegd. Dit dossier omvat minstens: de afsprakennota s het verslag van het functioneringsgesprek de eventuele persoonlijke nota s de evaluaties en het evaluatieresultaat ev. beroepschriften tegen de evaluatie desgevallend de resultaten van het beroep De persoonlijke nota s kunnen enkel in het dossier opgenomen worden indien deze gedateerd zijn en door het personeelslid voor kennisname werden ondertekend, met dien verstande dat ook de niet door het personeelslid ondertekende nota s wel kunnen opgenomen worden wanneer het personeelslid weigerde te ondertekenen. Elk personeelslid kan op elk ogenblik kennis nemen van zijn/haar evaluatiedossier en er een afschrift van bekomen. Afdeling VI: De evaluatieresultaten en de gevolgen van de evaluatie Artikel 59 Het evaluatieresultaat is gunstig of ongunstig. Een ongunstig evaluatieresultaat kan alleen na minimaal 1 functioneringsgesprek waarin het personeelslid gewezen wordt op zijn tekortkomingen en/of meerdere persoonlijke nota s. Artikel 60 De beoordelaar formuleert op basis van het door het personeelslid ondertekende evaluatieverslag een voorstel tot evaluatiegevolg aan het hoofd van het personeel. Artikel 61 Het personeelslid met een gunstig evaluatieresultaat wordt toegelaten tot de volgende salarisschaal van de functionele loopbaan. Het personeelslid met een ongunstig evaluatieresultaat wordt niet toegelaten tot de volgende salarisschaal van de functionele loopbaan, ook al heeft het de vereiste schaalanciënniteit. Het personeelslid krijgt die salarisschaal pas als het een volgende evaluatieperiode afsluit met een gunstig evaluatieresultaat.
34 Het hoofd van het personeel kan nog volgend gevolg of positieve gevolgen koppelen aan een gunstig evaluatieresultaat: 1. extra vorming, training of opleiding die de sterke punten van het personeelslid nog verder aanscherpt of de minder sterke punten van het personeelslid zo goed mogelijk remedieert; 2. coaching; 3. intervisie; 4. extra verantwoordelijkheden; 5. uitdrukkelijke erkenning of waardering, bijzondere vermelding of felicitaties. Het hoofd van het personeel kan nog volgend gevolg of volgende gevolgen koppelen aan een ongunstig evaluatieresultaat: 1. extra vorming, training of opleiding die de zwakke punten van het personeelslid zo goed mogelijk remedieert; 2. coaching; 3. intervisie; 4. passende maatregelen voor de verbetering van de wijze van functioneren; 5. extra controle of begeleiding; 6. herplaatsing in een andere, gelijkwaardige functie waar de competenties van het personeelslid beter tot zijn recht komen, met zijn toestemming en, desgevallend, in overeenstemming met de Arbeidsovereenkomstenwet; 7. herplaatsing in een functie van een lagere graad als het personeelslid daar om functionele of persoonlijke reden zelf om verzoekt. Coaching is een individueel begeleidingstraject met als doel het ontwikkelen/bevorderen van welbepaalde competenties. Intervisie is een specifieke overlegvorm tussen gelijkwaardige partners (collega s) met als doel het zoeken naar oplossingen voor concrete werkproblemen. Het is een leren van elkaar. In afwijking van artikel 61, 2 de lid, krijgt het personeelslid de volgende salarisschaal van de functionele loopbaan als het een gunstig evaluatieresultaat behaalt voor een tussentijdse evaluatie die uitgevoerd wordt van zodra de volgende evaluatieperiode minimaal voor de helft is verstreken. Het personeelslid met twee opeenvolgende ongunstige evaluatieresultaten wordt ontslagen. Dit ontslag wegens beroepsongeschiktheid is slechts mogelijk als na de passende maatregelen, zoals hierboven beschreven, voor de verbetering van de wijze van functioneren, uit een tussentijdse evaluatie manifest blijkt dat het personeelslid nog steeds niet voldoet. De tussentijdse evaluatie wordt uitgevoerd na een termijn van ten minste een jaar die volgt op de kennisgeving aan het personeelslid van het eerste ongunstige evaluatieresultaat. Ze verloopt volgens dezelfde procedure als de periodieke evaluatie.
35 Artikel 62 Met uitzondering van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid beslist het hoofd van het personeel over de positieve of negatieve gevolgen van de evaluatie, zoals vastgelegd in artikel 61 van deze Rechtspositieregeling. Het hoofd van het personeel baseert zijn beslissing op het voorstel van de beoordelaar. Het hoofd van het personeel formuleert zelf het gewenste gevolg voor de personeelsleden van wie hijzelf de beoordelaar is, en baseert zijn beslissing daarop. Het personeelslid en zijn beoordelaar worden van die beslissing op de hoogte gebracht uiterlijk binnen een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de afronding van het evaluatieproces bedoeld in artikel 52 van deze Rechtspositieregeling. Artikel 63 Het hoofd van het personeel formuleert het gemotiveerd voorstel tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid op basis van het evaluatieverslag van de tussentijdse evaluatie vermeld in artikel 61, 6 de lid, van deze Rechtspositieregeling. Het personeelslid en zijn beoordelaar worden daarvan op de hoogte gebracht uiterlijk binnen een termijn van 15 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het evaluatieverslag van de tussentijdse evaluatie aan het personeelslid. Het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad voor de leden van het managementteam, hoort het personeelslid binnen een redelijke termijn en beslist over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid binnen een termijn van 35 kalenderdagen volgend op de kennisgeving aan het personeelslid van het voorstel tot ontslag. Het ontslag van het vast aangesteld statutair personeelslid verloopt volgens de regels in artikel 123 van deze Rechtspositieregeling. Afdeling VII: Het beroep tegen de ongunstige evaluatie Artikel 64 Het personeelslid kan beroep aantekenen tegen de ongunstige evaluatie bij de beroepsinstantie. Het beroep schorst de uitwerking van de evaluatie. Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep schriftelijk ingediend worden bij de beroepsinstantie binnen 15 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kopie van het definitieve evaluatieverslag. Het beroep kan op volgende manieren ingediend worden: een ter post aangetekende brief bij de voorzitter van de beroepsinstantie, afgifte tegen ontvangstbewijs van de brief bij de voorzitter van de beroepsinstantie, via e-mail tegen ontvangstmelding naar de voorzitter van de beroepsinstantie. Deze beroepsinstantie is samengesteld uit de verantwoordelijken van de departementen, de financieel beheerder, het hoofd van de dienst Personeel, de vormings- en evaluatieverantwoordelijke. Deze laatste fungeert als voorzitter van de beroepsinstantie. De (adjunct-)secretaris en de leden van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen evenals de beoordelaar van het personeelslid dat beroep indient tegen het ongunstige evaluatieresultaat, kunnen geen deel uitmaken van de beroepsinstantie.
36 Alle leden van de beroepsinstantie zijn stemgerechtigd. Zij mogen geen aan- of bloedverwant zijn tot in de 2 de graad van het personeelslid dat beroep heeft aangetekend, noch van de beoordelaar van het personeelslid. Aan de beroepsinstantie wordt als secretaris een personeelslid van de dienst Vorming & Evaluatie toegevoegd die niet stemgerechtigd is. Voor elke behandeling van een beroep moet de beroepscommissie voltallig zijn. Artikel 65 De beroepsinstantie beraadslaagt over haar bevindingen en formuleert eenparig haar gemotiveerd advies aan het hoofd van het personeel tot bevestiging of aanpassing van de evaluatie en het evaluatieresultaat binnen 15 kalenderdagen nadat het personeelslid en de beoordelaar gehoord werden. Het personeelslid en de beoordelaar worden gelijktijdig gehoord in een tegensprekelijke zitting onder leiding van de voorzitter van de beroepsinstantie. Het personeelslid kan zich laten bijstaan als het dat wenst. Van de hoorzitting wordt ter zitting een verslag gemaakt. Het verslag geeft de standpunten weer van de beoordelaar en het personeelslid. Dit verslag maakt deel uit van het beroepsdossier. Artikel 66 Het hoofd van het personeel beslist op basis van het gemotiveerd advies om de evaluatie en het evaluatieresultaat te bevestigen of aan te passen binnen 30 kalenderdagen nadat het gemotiveerd advies, zoals bedoeld in artikel 65 van deze Rechtspositieregeling, werd gegeven. Dit gemotiveerd advies is niet bindend. Als de beroepsinstantie geen advies formuleert, dan krijgt het personeelslid een gunstig evaluatieresultaat en past het hoofd van het personeel de evaluatie en het evaluatieresultaat in die zin aan. Binnen 8 kalenderdagen na zijn beslissing brengt het hoofd van het personeel het personeelslid, de beoordelaar en de beroepsinstantie hiervan schriftelijk, aangetekend of tegen ontvangstbewijs, op de hoogte. Als in een dergelijk beroep het hoofd van het personeel geen beslissing neemt over de bevestiging of aanpassing van de evaluatie en van het evaluatieresultaat binnen de door de raad bepaalde termijn, dan zijn de evaluatie en het evaluatieresultaat gunstig. Het hoofd van het personeel kan geen beslissing nemen over de toekenning van een negatief gevolg van de evaluatie, vermeld in artikel 61, 4 de lid van deze Rechtspositieregeling, noch een voorstel formuleren over het ontslag, vermeld in artikel 61, 6 de lid van deze Rechtspositieregeling, voor het beroep tegen een ongunstige evaluatie is afgehandeld en hij beslist heeft om de evaluatie al dan niet aan te passen.
37 Hoofdstuk V: Specifieke bepalingen voor de evaluatie van de stadssecretaris, de adjunct-secretaris en de financieel beheerder van de stad. Artikel 67 Artikel 38 van deze Rechtspositieregeling is van toepassing op de evaluatie tijdens de proeftijd van de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder. In artikel 38 van deze Rechtspositieregeling moet onder beoordelaar de bijzondere gemeenteraadscommissie worden verstaan, samengesteld overeenkomstig artikel 39, 3 van het Gemeentedecreet. Artikel 68 De duur van de evaluatieperiode wordt bepaald in artikel 49 van deze Rechtspositieregeling. Artikel 69 De evaluatiecriteria zijn door de gemeenteraad vastgelegd in een bijlage aan deze Rechtspositieregeling op voorstel van de bijzondere gemeenteraadscommissie. Deze bijlage wordt geacht integraal deel uit te maken van deze Rechtspositieregeling. Artikel 70 Het evaluatieresultaat is gunstig of ongunstig. Artikel 71 De gemeenteraad kan volgend gevolg of volgende gevolgen koppelen aan een gunstig evaluatieresultaat: 1. extra vorming, training of opleiding die de sterke punten van het personeelslid nog verder aanscherpt of de minder sterke punten van het personeelslid zo goed mogelijk remedieert; 2. coaching; 3. itervisie; 4. extra verantwoordelijkheden; 5. uitdrukkelijke erkenning of waardering, bijzondere vermelding of felicitaties. De gemeenteraad kan volgend gevolg of volgende gevolgen koppelen aan een ongunstig evaluatieresultaat: 1. extra vorming, training of opleiding die de zwakke punten van het personeelslid zo goed mogelijk remedieert; 2. coaching; 3. intervisie; 4. passende maatregelen voor de verbetering van de wijze van functioneren; 5. extra controle of begeleiding; 6. herplaatsing in een passende, vacante functie van een lagere graad als het personeelslid daar om functionele of persoonlijke reden zelf om verzoekt; 7. een gemotiveerd voorstel tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid; 8. begeleiding naar een nieuwe baan of outplacement. Coaching is een individueel begeleidingstraject met als doel het ontwikkelen/bevorderen van welbepaalde competenties.
38 Intervisie is een specifieke overlegvorm tussen gelijkwaardige partners (collega s) met als doel het zoeken naar oplossingen voor concrete werkproblemen. Het is een leren van elkaar. Het ontslag wegens beroepsongeschiktheid is alleen mogelijk als uit een tussentijdse evaluatie na een periode van ten minste een jaar die volgt op de kennisgeving van het ongunstige evaluatieresultaat aan de functiehouder, manifest blijkt dat hij nog steeds niet voldoet. De aanstellende overheid beslist over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid. Het ontslag van het vast aangestelde statutaire personeelslid verloopt volgens de regels, vermeld in artikel 123 van deze Rechtspositieregeling. Artikel 72 De gemeenteraad legt de evaluatieprocedure van de in deze afdeling bedoelde personeelsleden vast in bijlage aan dit besluit, op voorstel van de bijzondere gemeenteraadscommissie. Deze bijlage wordt geacht integraal deel uit te maken van deze Rechtspositieregeling. De evaluatieprocedure bevat de wijze waarop de externe deskundigen in het personeelsbeleid betrokken worden bij de vaststelling van de evaluatiecriteria zoals bedoeld in artikel 69 van deze Rechtspositieregeling en de wijze waarop zij de noodzakelijke informatie vergaren voor de opmaak van een voorbereidend rapport. De evaluatieprocedure bevat de tussentijdse feedback over de wijze van functioneren van de in deze afdeling bedoelde personeelsleden.
39 Hoofdstuk VI: Vorming, training en opleiding Artikel 73 De vormingsverantwoordelijke zorgt in samenwerking met het hoofd van het personeel voor de concrete invulling van het vormingsrecht en de vormingsplicht op basis van de vastgestelde vormingsbehoeften. Het vormingsbeleid kadert in het globale personeels- en organisatiebeleid. Artikel 74 De raad legt het vormingsbeleid vast in het vormingsreglement dat als bijlage bij deze Rechtspositieregeling wordt gevoegd. Deze bijlage wordt geacht integraal deel uit te maken van deze Rechtspositieregeling. Hoofdstuk VII: De administratieve anciënniteiten van het personeelslid Artikel 75 1.Met administratieve anciënniteiten worden de anciënniteiten bedoeld die gebruikt worden voor het verloop van de loopbaan. De volgende administratieve anciënniteiten zijn van toepassing op het personeelslid: 1. graadanciënniteit; 2. niveauanciënniteit; 3. dienstanciënniteit; 4. schaalanciënniteit. De graad-, niveau-, en dienstanciënniteit bestaan uit de werkelijke diensten die bij een overheid werden gepresteerd. 2.Onder werkelijke diensten worden alle diensten verstaan die recht geven op salaris of die, wat het statutaire personeelslid betreft, bij ontstentenis van een salaris gelijkgesteld worden met dienstactiviteit. De periodes van verlof of afwezigheid die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit worden weergegeven in de tabel als bijlage 5. Artikel 76 De administratieve anciënniteiten worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Ze nemen een aanvang op de eerste dag van een maand. Als de diensten geen aanvang hebben genomen op de eerste dag van een maand of geen einde hebben genomen op de laatste dag van een maand, worden de gedeelten van maanden weggelaten.
40 Artikel 77 De graadanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten bij een overheid sinds de datum van de aanstelling op proef in een bepaalde graad of een daarmee vergelijkbare graad. De niveauanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten bij een overheid sinds de datum van de aanstelling op proef in een of meer graden van een bepaald niveau of van een daarmee vergelijkbaar niveau. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die gepresteerd zijn bij een overheid. Artikel 78 De schaalanciënniteit is de anciënniteit verworven bij de stad in een bepaalde salarisschaal van de functionele loopbaan van een bepaalde graad. Ze neemt een aanvang op de datum van de aanstelling op proef in die graad, tenzij anders bepaald. De diensten die overeenkomstig de rechtspositieregeling recht geven op een salaris geven recht op de toekenning van schaalanciënniteit. De volgende periodes van voltijds onbezoldigde afwezigheid komen in aanmerking voor de toekenning van schaalanciënniteit: disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit; disponibiliteit wegens ambtsopheffing; verlof voor opdracht; onbetaald verlof; voltijdse loopbaanonderbreking; vrijwillige vierdagenweek; voltijds politiek verlof. De schaalanciënniteit die voor die periodes van onbezoldigde afwezigheid wordt toegekend, mag in het totaal niet meer belopen dan één jaar. Artikel 79 1. Onder overheid in artikel 75 en 77 wordt verstaan: 1. de provincies, de gemeenten en de OCMW s van België, en de instellingen die eronder ressorteren; 2. de diensten en instellingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en van de gewesten; 3. de diensten en instellingen van de Europese Unie; 4. de diensten en instellingen van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte; 5. de lokale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte. 2. De diensten die gepresteerd werden bij een andere overheid dan de gemeente, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de administratieve anciënniteiten, met uitzondering van de schaalanciënniteit. Die administratieve anciënniteiten worden in aanmerking genomen op basis van een vergelijking van die diensten met de algemene en de specifieke voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt.
41 Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die bij een andere overheid gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard: 1. attesten van de vroegere werkgever die bevestigen dat een werknemer een bepaalde functie heeft uitgeoefend en hoelang, en die weergeven wat die functie concreet inhield; 2. de functiebeschrijving van de vroeger uitgeoefende functie; 3. evaluaties over de uitoefening van de vroegere functie; 4. zo nodig, attesten of getuigschriften van aanvullende vorming voor de functie. Artikel 80 Aan het personeelslid met beroepservaring in de privésector of als zelfstandige wordt graadanciënniteit, niveauanciënniteit en dienstanciënniteit toegekend als die beroepservaring relevant is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangesteld. De beoordeling van de relevantie van deze beroepservaring gebeurt onder de eindverantwoordelijkheid van het hoofd van het personeel. Die administratieve anciënniteiten worden toegekend op basis van een vergelijking van die diensten met de voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt. Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die in de privésector of als zelfstandige gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard: 1. attesten van de vroegere werkgever die bevestigen dat een werknemer een bepaalde functie heeft uitgeoefend en hoelang, en die weergeven wat die functie concreet inhield; 2. de functiebeschrijving van de vroeger uitgeoefende functie; 3. evaluaties over de uitoefening van de vroegere functie; 4. zo nodig, attesten of getuigschriften van aanvullende vorming voor de functie. Artikel 81 In afwijking van artikel 78, eerste lid, en artikel 79, 2, eerste lid wordt aan het personeelslid met beroepservaring bij een andere overheid of eigen overheid, in de privésector of als zelfstandige ook schaalanciënniteit toegekend als die beroepservaring relevant is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangesteld. De beoordeling van de relevantie van deze beroepservaring gebeurt onder de eindverantwoordelijkheid van het hoofd van het personeel. Die schaalanciënniteit wordt toegekend op basis van een vergelijking van die diensten met de voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt. Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die bij een andere overheid, de privésector of als zelfstandige gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard: 1. attesten van de vroegere werkgever die bevestigen dat en hoelang een werknemer een bepaalde functie heeft uitgeoefend en die weergeven wat dat inhield; 2. de functiebeschrijving van de vroeger uitgeoefende functie; 3. evaluaties over de uitoefening van de vroegere functie; 4. zo nodig, attesten of getuigschriften van aanvullende vorming.
42 Hoofdstuk VIII: De functionele loopbaan Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 82 De functionele loopbaan bestaat uit de toekenning van opeenvolgende salarisschalen die met een en dezelfde graad verbonden zijn. Bij elke aanstelling in een graad krijgt het personeelslid de eerste salarisschaal van de functionele loopbaan van die graad, tenzij anders bepaald. Afdeling II: De functionele loopbaan per niveau Artikel 83 NIVEAU A: De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn: 1. voor de basisgraden van rang Av: A1a-A1b-A2a: 1) van A1a naar A1b na 4 jaar schaalanciënniteit in A1a en een gunstig evaluatieresultaat; 2) van A1b naar A2a na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A1a en A1b en een gunstig evaluatieresultaat; 2. voor de specifieke basisgraden van rang Avb: A6a-A6b-A7a: 1) van A6a naar A6b na 4 jaar schaalanciënniteit in A6a en een gunstig evaluatieresultaat; 2) van A6b naar A7a na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A6a en A6b en een gunstig evaluatieresultaat; 3. voor de eerste hogere graden van rang Ax: A4a-A4b: van A4a naar A4b na 9 jaar schaalanciënniteit in A4a en een gunstig evaluatieresultaat; 4. voor de eerste specifieke hogere graad van rang Axb: A8a-A8b: van A8a naar A8b na 9 jaar schaalanciënniteit in A8a en een gunstig evaluatieresultaat; 5. voor de tweede hogere graad van rang Ay: A5a-A5b: van A5a naar A5b na 9 jaar schaalanciënniteit in A5a en een gunstig evaluatieresultaat;
43 Artikel 84 NIVEAU B: De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn: 1. voor de basisgraden van rang Bv: B1-B2-B3: a) van B1 naar B2 na 4 jaar schaalanciënniteit in B1 en een gunstig evaluatieresultaat; b) van B2 naar B3 na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in B1 en B2 en een gunstig evaluatieresultaat; 2. voor de verpleegkundigen - basisgraden van rang Bv: BV1-BV2-BV3 a) van BV1 naar BV2 na tenminste 4 jaar schaalanciënniteit in BV1 en een gunstig evaluatieresultaat; b) van BV2 naar BV3 na tenminste 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in BV1 en BV2 en een gunstig evaluatieresultaat; 3. voor de hogere graden van rang Bx: B4-B5: van B4 naar B5 na 9 jaar schaalanciënniteit in B4 en een gunstig evaluatieresultaat. Artikel 85 NIVEAU C: De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn: 1. voor de basisgraden van rang Cv: a) C1-C2-C3: 1) van C1 naar C2 na 4 jaar schaalanciënniteit in C1 en een gunstig evaluatieresultaat; 2) van C2 naar C3 na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in C1 en C2 en een gunstig evaluatieresultaat; b) voor de begeleiders (secundair onderwijs): C1-C2: van C1 naar C2 na 9 jaar schaalanciënniteit in C1 en een gunstig evaluatieresultaat; 2. voor de hogere graad van rang Cx: C4-C5: van C4 naar C5 na 9 jaar schaalanciënniteit in C4 en een gunstig evaluatieresultaat. Artikel 86 NIVEAU D: De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn: 1. voor de basisgraden van rang Dv: D1-D2-D3: 1) van D1 naar D2 na 4 jaar schaalanciënniteit in D1 en een gunstig evaluatieresultaat; 2) van D2 naar D3 na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in D1 en D2 en een gunstig evaluatieresultaat. 3. voor de hogere rang Dx
In geval de functiebeschrijving in hoofdzaak de leiding over een ploeg medewerkers inhoudt en op voorwaarde dat de functiehouder die leidinggevende functie effectief vervult. D4-D5 van D4 naar D5 na 9 jaar schaalanciënniteit in D4 en een gunstig evaluatieresultaat, 44
45 Artikel 87 NIVEAU E De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn: 1. voor de basisgraden van rang Ev: E1-E2-E3: 1) van E1 naar E2 na 4 jaar schaalanciënniteit in E1, en een gunstig evaluatieresultaat; 2) van E2 naar E3 na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in E1 en E2, en een gunstig evaluatieresultaat. Hoofdstuk IX: De bevordering Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 88 De bevordering is de aanstelling van een personeelslid in een functie van een graad van een hogere rang in overeenstemming met de indeling en rangschikking van de graden in de personeelsformatie. Artikel 89 1. Een bevordering is alleen mogelijk in een vacante betrekking van de personeelsformatie. 2. Voor de deelname aan een bevorderingsprocedure komen de volgende personeelsleden in aanmerking: 1. de vast aangestelde statutaire personeelsleden die aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen, ongeacht hun administratieve toestand; 2. de contractuele personeelsleden die aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen, als ze aan een van de volgende criteria beantwoorden: ze zijn na 1 januari 2008 aangesteld na een aanwervings- en selectieprocedure als vermeld in hoofdstuk II, afdeling II en III, en ze hebben de proeftijd beëindigd; ze zijn vóór 1 januari 2008 aangesteld na een externe bekendmaking van de vacature en een gelijkwaardige selectieprocedure als van toepassing op vacatures in statutaire betrekkingen. 3. De aanstellende overheid brengt de personeelsleden via e-mail en intranet van de interne vacature op de hoogte en doet een oproep tot kandidaatstelling.
46 Personeelsleden die door hun werkomstandigheden geen toegang hebben tot mail of intranet of er slechts onregelmatig toegang toe hebben en personeelsleden die vanwege hun afwezigheid geen kennis kunnen nemen van de vacature binnen de termijn nodig voor de indiening van de kandidaturen, worden per post op de hoogte gebracht van de vacature. Het vacaturebericht vermeldt: 1. de functiebenaming en de beknopte functiebeschrijving; 2. de salarisschaal; 3. de bevorderingsvoorwaarden; 4. de selectieproeven; 5. de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend; en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen; 6. het interne contactpunt waar de volledige functiebeschrijving voor de vacante betrekking verkrijgbaar is evenals informatie over de arbeidsvoorwaarden; Tussen de bekendmaking van de vacature en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen, verlopen minstens 14 kalenderdagen. Het hoofd van het personeel bepaalt de termijn voor de indiening van de kandidaturen rekening houdend met die algemeen geldende minimale termijn. Als met toepassing van het tweede lid de bekendmaking per post gebeurt, dan geldt de datum van de verzending per post voor alle kandidaten als datum van bekendmaking van de vacature. De kandidaturen kunnen ingediend worden op de volgende manieren: door een aangetekende per post verzonden sollicitatiebrief door een per fax bezorgde sollicitatiebrief door het invullen van een elektronisch sollicitatieformulier door een e-mail met ontvangstbevestiging tegen ontvangstbewijs De datum van de poststempel / van het faxbericht / van de inschrijving via een elektronisch formulier / van de ontvangstbevestiging van het mailbericht / van het ontvangstbewijs geldt als datum van inschrijving Het personeelslid krijgt in elk geval een ontvangstbewijs van zijn kandidatuur. Artikel 90 Het college van burgemeester en schepenen beoordeelt de geldigheid van de ingediende kandidaturen, Alleen kandidaten die voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden, worden toegelaten tot de selectieprocedure. Voor de aanvang van de selectieprocedure worden de kandidaten die niet tot de selectieprocedure worden toegelaten er schriftelijk van op de hoogte gebracht dat ze geweigerd zijn, met vermelding van de reden daarvoor.
47 Afdeling II: De bevorderingsvoorwaarden en de selectie Artikel 91 Om voor bevordering in aanmerking te komen moeten de kandidaten: 1. een minimale anciënniteit hebben; 2. een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie, vermeld in artikel 49; 3. als de functie een beschermde titel behelst of een gespecialiseerde functie is, het diploma of een van de diploma s hebben die gelden bij aanwerving; 4. slagen voor een selectieprocedure. Onder minimale anciënniteit, vermeld in 1. dient te worden begrepen ofwel dienstanciënniteit, ofwel niveauanciënniteit, ofwel graadanciënniteit, ofwel een combinatie van de anciënniteiten. Artikel 92 De algemene bepalingen vastgesteld in hoofdstuk II, afdeling III over de selectieprocedure bij aanwerving, zijn van overeenkomstige toepassing op de selecties in het kader van een bevorderingsprocedure, met uitzondering van artikel 20, 2, tweede en derde lid. Artikel 93 Er wordt geen bevorderingsreserve aangelegd. De geslaagde kandidaten behouden onbeperkt het voordeel van hun selectieresultaat. Op basis daarvan blijven ze in aanmerking komen voor een bevordering in een functie van de graad waarvoor ze geslaagd zijn. De geslaagden voor een bevorderingsexamen worden overeenkomstig het selectiereglement gerangschikt in een van de 3 groepen A, B of C. Ieder personeelslid heeft steeds het recht om opnieuw aan het volledig desbetreffende bevorderingsexamen deel te nemen waarvoor het, in voorkomend geval, reeds vroeger geslaagd was. Indien de behaalde uitslag een rangschikking in een hogere groep voor gevolg zou hebben wordt het betrokken personeelslid gerangschikt in die hogere groep. Zo de behaalde uitslag een rangschikking in een lagere groep voor gevolg zou hebben, behoudt het personeelslid zijn rangschikking in zijn oorspronkelijke groep. Het personeelslid dat niet opnieuw deelneemt aan het desbetreffend bevorderingsexamen waarvoor het vroeger reeds geslaagd was, is verplicht te slagen voor een bijkomende mondelinge aktualiseringsproef afgestemd op de dienst waartoe de te begeven graad behoort om de actuele beroepskennis te bewijzen. Het niet deelnemen of niet slagen voor de bijkomende mondelinge aktualiseringsproef heeft voor gevolg dat het personeelslid niet wordt opgenomen in de rangschikking in een van de 3 groepen A, B of C zoals bepaald in artikel 51 van de bijlage 2. De uitslag van deze bijkomende mondelinge aktualiseringsproef heeft echter geen invloed op de reeds ingenomen rangschikking. Van voormelde bijkomende mondelinge aktualiseringsproef worden echter vrijgesteld de kandidaten die reeds vroeger geslaagd waren voor het examen of aktualiseringsproef voor zover de periode begrepen tussen de datum van het procesverbaal van voormeld examen of aktualiseringsproef en de datum van de beslissing van de vacantverklaring van de betrokken graad minder dan 5 jaar bedraagt.
48 In de gevallen waarbij het examenprogramma een mondelinge proef omvat die afgestemd is op de dienst waar de graad te begeven is maakt deze mondelinge proef de aktualiseringsproef overbodig. De geldigheidsduur van deze mondelinge proef die afgestemd is op de dienst van de begeven graad is evenwel beperkt tot 5 jaar ingaande op de datum van het procesverbaal en mag niet verstreken zijn op de datum van de vacantverklaring van de betrokken graad. Afdeling III: De algemene bevorderingsvoorwaarden Artikel 94 De algemene bevorderingsvoorwaarden worden vastgesteld als volgt: NIVEAU A: 1 voor een graad van rang Ay, schalen A5a-A5b: titularis zijn van een graad van rang Ax, schalen A4a-A4b of Av, schalen A1a-A2a; ten minste vier jaar niveauanciënniteit hebben in niveau A; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure. 2 voor een graad van rang Ax, schalen A4a-A4b: titularis zijn van rang Av, schalen A1a-A2a ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben in een graad van rang Av ; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie slagen voor de selectieprocedure. 3 voor een graad van rang Av, schalen A1a-A2a: titularis zijn van een graad van niveau B, schalen B1-B3 of B4-B5 of niveau C, C1-C3 of C4-C5; ten minste vier jaar niveauanciënniteit hebben in niveau B of ten minste vier jaar niveauanciënniteit hebben in niveau C of in beide niveaus samen; voldoen aan de diplomavereiste die geldt bij aanwerving voor de functie OF in het bezit zijn van het einddiploma van de bestuurswetenschappen; als de functie een beschermde titel behelst of een specialisatie die een diploma vereist, voldoen aan de diplomavereisten die geldt bij aanwerving voor de functie een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evalutie; slagen voor de selectieprocedure. 4 voor een graad van rang Axb, schalen A8a-A8b: ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben in een graad met rang Avb, schalen A6a-A7a; voldoen aan de specifieke diplomavereiste voor de functie; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure.
49 NIVEAU B: 1 voor een graad van rang Bx, schalen B4-B5: ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben in een graad van rang Bv, schalen B1- B3 of ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben in een graad van rang Cx, schalen C4-C5; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie slagen voor de selectieprocedure. 2 voor een graad van rang Bv, schalen B1-B3: ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben in een graad van rang Cv, schalen C1- C3 of in een graad van ten minste rang Dv, schalen D1-D3 of D4-D5 voldoen aan de diplomavereiste die geldt bij aanwerving voor de vacante functie in het bezit zijn van het einddiploma van de bestuurswetenschappen; als de functie een beschermde titel behelst of een specialisatie die een diploma vereist, voldoen aan de diplomavereisten die geldt bij aanwerving voor de functie een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure. NIVEAU C : 1 voor een graad van rang Cx, schalen C4-C5 ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben in een graad van rang Cv, schalen C1- C3; 100 uren vorming in het functierelevante werkveld of diploma van hoger onderwijs van één cyclus of bestuurswetenschappen een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure. 2 voor een graad van rang Cv, schalen C1-C3 : ten minste drie jaar niveau-anciënniteit hebben in niveau D, schalen D1-D3 of D4-D5; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure. NIVEAU D: 1 voor een graad van rang Dx, schaal D4/D5 (technische hogere rang): ten minste 4 jaar graadanciënniteit hebben in een graad van rang Dv, schalen D1-D3 en Ev, schalen E1-E3; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure. 2 voor een graad van rang Dv, schalen D1-D3: ten minste 3 jaar niveau-anciënniteit hebben in een graad van rang Ev, schalen E1- E3; een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste periodieke evaluatie; slagen voor de selectieprocedure.
50 Afdeling IV: De aanvullende bevorderingsvoorwaarden Artikel 95 De gemeenteraad kan, indien nodig of gewenst, aanvullende bevorderingsvoorwaarden vaststellen Hoofdstuk X: De vervulling van een vacature door interne personeelsmobiliteit Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 96 1. Onder interne personeelsmobiliteit voor de vervulling van een vacature wordt verstaan: de heraanstelling van een personeelslid in een vacante betrekking van de personeelsformatie die in dezelfde graad of in een andere graad van dezelfde rang is ingedeeld. 2. Voor de deelname aan een procedure van interne personeelsmobiliteit komen de volgende personeelsleden in aanmerking: 1. de vast aangestelde statutaire personeelsleden die aan de voorwaarden voldoen, ongeacht hun administratieve toestand; 2. de contractuele personeelsleden die aan de voorwaarden voldoen, als ze aan een van de volgende criteria beantwoorden: a. ze zijn na 1 januari 2008 aangesteld na een aanwervings- en selectieprocedure als vermeld in hoofdstuk II, afdeling II en III, en ze hebben de proeftijd beëindigd; b. ze zijn voor 1 januari 2008 aangesteld na een externe bekendmaking van de vacature en een gelijkwaardige selectieprocedure als van toepassing op vacatures in statutaire betrekkingen. De procedure van interne personeelsmobiliteit is niet van toepassing op de functies van stadssecretaris, adjunct-stadssecretaris en financieel beheerder. 3. Het college van burgemeester en schepenen beoordeelt de geldigheid van de ingediende kandidaturen. Alleen kandidaten die voldoen aan de voorwaarden, worden toegelaten tot de selectieprocedure. Voor de aanvang van de selectieprocedure worden de kandidaten die niet tot de selectieprocedure worden toegelaten er schriftelijk van op de hoogte gebracht dat ze geweigerd zijn, met vermelding van de reden daarvoor. Artikel 97 De aanstellende overheid doet een oproep tot kandidaten. Ze beslist over de heraanstelling. De heraanstelling is niet tijdelijk, maar definitief. De bepalingen over de proeftijd zijn niet van toepassing na een procedure van interne personeelsmobiliteit.
51 Afdeling II: De voorwaarden en de procedures voor de interne personeelsmobiliteit Artikel 98 De kandidaten moeten ten minste: 1. een minimale graadanciënniteit van vier jaar hebben; 2. een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste evaluatie; 3. voldoen aan de competentievereisten die vastgesteld zijn in de functiebeschrijving; 4. zo nodig, voldoen aan de diplomavereiste voor de functie. De aanstellende overheid brengt de personeelsleden via e-mail en intranet van de interne vacature op de hoogte en doet een oproep tot kandidaatstelling. Personeelsleden die door hun werkomstandigheden geen toegang hebben tot mail of intranet of er slechts onregelmatig toegang toe hebben en personeelsleden die vanwege hun afwezigheid geen kennis kunnen nemen van de vacature binnen de termijn nodig voor de indiening van de kandidaturen, worden per post op de hoogte gebracht van de vacature. Het vacaturebericht vermeldt: 1. de functiebenaming en de beknopte functiebeschrijving; 2. de salarisschaal; 3. de voorwaarden; 4. de selectieproeven; 5. de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend; en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen; 6. het interne contactpunt waar de volledige functiebeschrijving voor de vacante betrekking verkrijgbaar is evenals informatie over de arbeidsvoorwaarden; Tussen de bekendmaking van de vacature en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen, verlopen minstens 14 kalenderdagen. Het hoofd van het personeel bepaalt de termijn voor de indiening van de kandidaturen rekening houdend met die algemeen geldende minimale termijn. Als met toepassing van het tweede lid de bekendmaking per post gebeurt, dan geldt de datum van de verzending per post voor alle kandidaten als datum van bekendmaking van de vacature. De kandidaturen kunnen ingediend worden op de volgende manieren: door een aangetekende per post verzonden sollicitatiebrief door een per fax bezorgde sollicitatiebrief door het invullen van een elektronisch sollicitatieformulier door een e-mail met ontvangstbevestiging tegen ontvangstbewijs. De datum van de poststempel / van het faxbericht / van de inschrijving via een elektronisch formulier / van de ontvangstbevestiging van het mailbericht / van het ontvangstbewijs geldt als datum van inschrijving. Het personeelslid krijgt in elk geval een ontvangstbewijs van zijn kandidatuur.
52 Artikel 99 De vacature kan vervuld worden door functiewijziging of door graadverandering. Bij functiewijziging komen de kandidaten in aanmerking die in dezelfde graad zijn aangesteld als de graad van de vacante functie. Bij graadverandering komen de kandidaten in aanmerking die een andere graad bekleden van dezelfde rang, waaraan dezelfde salarisschalen en dezelfde functionele loopbaan verbonden zijn. Artikel 100 1. Als de functie vervuld wordt door functiewijziging, dan worden de kandidaten onderworpen aan een gestructureerd interview door een selectiecommissie die nagaat of de kandidaat voldoet aan de competentievereisten voor de vacante functie. De selectiecommissie wordt samengesteld volgens de regels vastgesteld in artikel 18 2, 1 ste tot en met 3 de lid, en functioneert in overeenstemming met de bepalingen van artikel 18 2, 5 de lid en 18 3. Het interview is ondermeer gebaseerd op: 1. de selectiecriteria, afgeleid van de functiebeschrijving voor de vacante functie; 2. een vooraf door de kandidaten ingevuld CV-formulier; 3. de laatste evaluatie van de kandidaat. De selectiecommissie formuleert op basis van het interview een conclusie over de geschiktheid of de ongeschiktheid van de kandidaten en deelt de geschikt bevonden kandidaten in in drie pools: een pool A met bijzonder geschikte kandidaten, een pool B met zeer geschikte kandidaten en een pool C met geschikte kandidaten. 2. Als de functie vervuld wordt door graadverandering, dan worden de kandidaten onderworpen aan een selectieprocedure die bestaat uit: 1 een gestructureerd interview, gebaseerd op: de selectiecriteria, afgeleid van de functiebeschrijving voor de vacante functie; een vooraf door de kandidaten ingevuld CV-formulier; de laatste evaluatie van de kandidaat. 2 naargelang van de aard van de functie, ofwel: een psychotechnische proef; een of meer specifieke vaardigheidstests, al dan niet met behulp van een assessment; een praktische proef; een schriftelijke proef, afgestemd op de functie. De aanstellende overheid bepaalt de keuze uit de mogelijkheden in punt 2. De selectiecommissie wordt samengesteld volgens de regels vastgesteld in artikel 18 2, 1 ste tot en met 4 de lid, en functioneert in overeenstemming met de bepalingen van artikel 18 2, 5 de lid en 18 3. De selectiecommissie formuleert op basis van de selectieprocedure een conclusie over de geschiktheid of de ongeschiktheid van de kandidaten en deelt de geschikt bevonden kandidaten in in drie pools: een pool A met bijzonder geschikte kandidaten, een pool B met zeer geschikte kandidaten en een pool C met geschikte kandidaten.
53 3. Als de vacante functie zowel door functiewijziging als door graadverandering toegankelijk is, dan is 2 van toepassing voor de wijze waarop nagegaan wordt of de kandidaten voldoen aan de competentievereisten voor de functie. Artikel 101 Het personeelslid behoudt na de heraanstelling in een andere functie, ongeacht of die tot dezelfde of tot een andere graad behoort, de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het verworven had in de functionele loopbaan van zijn vorige functie. De graadanciënniteit wordt na een graadverandering vastgesteld op basis van een vergelijking van de diensten in de vorige graad met de voorwaarden en met het functieprofiel van de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt op een wijze als bepaald in artikel 80. De diensten die gepresteerd werden bij een andere overheid, zoals omschreven in artikel 79, 2 worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de graadanciënniteit bij de heraanstelling in een functie van een andere graad.
54 Titel IV: Het opdrachthouderschap en de waarneming van een hogere functie en het mandaathouderschap Hoofdstuk I: Het opdrachthouderschap Artikel 102 Onder opdrachthouderschap wordt verstaan: de belasting van een personeelslid in dienst met een in de tijd beperkte opdracht die zijn functie, naar taakinhoud, verantwoordelijkheden en functievereisten aanzienlijk verzwaart. Het opdrachthouderschap kan alleen toegepast worden op functies in graden van niveau A, B en C en op personeelsleden die de proeftijd beëindigd hebben. Artikel 103 De hoofd van het personeel brengt de personeelsleden die daarvoor wegens de aard van hun functie in aanmerking komen, op de hoogte van de opdracht met het oog op de kandidatuurstelling. De mededeling bevat een inhoudelijke omschrijving van de opdracht en van de gevraagde competenties en vermeldt de uiterste termijn voor de indiening van de kandidaturen voor de opdracht. Het hoofd van het personeel toetst de ingediende kandidaturen aan de opdracht en aan de daarvoor geldende competentievereisten en beslist op basis van een vergelijking van de kandidaten over de toewijzing van de opdracht. Onder personeelsleden die daartoe wegens de aard van hun functie in aanmerking komen, worden verstaan personeelsleden die nuttige terreinkennis hebben voor de opdracht of personeelsleden die ervaring hebben met projectmatig werken en die daartoe de nodige competenties hebben ontwikkeld. Artikel 104 De opdrachthouder krijgt voor de duur van de opdracht een toelage als vastgesteld in artikel 175. Hoofdstuk II: De waarneming van een hogere functie Artikel 105 Dit hoofdstuk is met uitzondering van artikel 106 3 over de waarnemingstoelage niet van toepassing op de waarneming in de functies van stadssecretaris, adjunct-stadssecretaris en financieel beheerder.
55 Artikel 106 1. Een vast aangesteld statutair personeelslid van een lagere graad wordt als waarnemend functiehouder aangesteld in een functie van een hogere graad, als de functiehouder van die functie tijdelijk afwezig is of als die functie definitief vacant is. Onder lagere graad wordt elke graad verstaan die door bevordering rechtstreeks toegang geeft tot de waar te nemen functie. De aanstellende overheid beslist op voorstel van het hoofd van het personeel wie de hogere functie waarneemt. 2. De waarneming van een hogere functie in een betrekking die definitief vacant is, mag ten hoogste zes maanden duren. Die termijn mag, als dat noodzakelijk is voor de goede werking van de dienst, verlengd worden op voorwaarde dat de procedure om de betrekking definitief te vervullen op het ogenblik van de verlenging ingezet is. 3. De waarnemer van de hogere functie beschikt over alle prerogatieven die verbonden zijn met die functie. Artikel 107 De waarnemer van een hogere functie krijgt de toelage, vermeld in artikel 167. Artikel 108 Een contractueel personeelslid in dienst dat niet meer in de proeftijd is en dat met de waarneming instemt, komt voor de waarneming van een hogere functie in aanmerking onder dezelfde voorwaarden als het vast aangestelde statutaire personeelslid, met dien verstande dat: 1. de waarneming in een betrekking die niet definitief vacant is, nooit langer dan twee jaar mag duren; 2. aan de waarnemer voor de duur van de waarneming een salaris toegekend wordt in de salarisschaal die verbonden is met de hogere functie. Hoofdstuk III: Het mandaatstelsel Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 108 bis Het mandaatstelsel houdt in dat een personeelslid voor een vooraf bepaalde periode belast wordt met de uitoefening van een bepaalde functie. Alleen een vacante functie kan bij mandaat vervuld worden. De volgende functies worden bij mandaat vervuld: - stadssecretaris - adjunct-stadssecretaris - financieel beheerder. De functie van departementshoofd kan bij mandaat worden vervuld. Artikel 108 ter De mandaatperiode bedraagt 10 jaar. Het mandaat is twee maal verlengbaar met dezelfde duur als de oorspronkelijke mandaatperiode.
56 Artikel 14 1 en artikel 15 zijn van overeenkomstige toepassing als het mandaat opengesteld wordt voor personen die extern zijn aan het bestuur. Artikel 89 3 is van overeenkomstige toepassing als de mandaatfunctie vervuld wordt bij bevordering. Afdeling II: De toegang tot de mandaatfuncties en de selectie Artikel 108 quater 1. Om toegang te hebben tot een vacante mandaatfunctie, moet de kandidaat: 1. voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 10 van de rechtspositieregeling. 2. slagen voor de selectieproeven, ongeacht de wijze waarop de vacature vervuld wordt. De kandidaten voor de mandaten dienen te voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 11 1, 1 en 2 van de rec htspositieregeling als de vacature vervuld wordt bij aanwerving dan wel aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 89 2 van de rechtspositieregeling en aan de door de gemeenteraad vast te stellen bevorderingsvoorwaarden als de vacature vervuld wordt bij bevordering, dan wel aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 96 2 en 98 als de vacature vervuld wordt bij interne personeelsmobiliteit. 2. Artikel 24 en 25 van de rechtspositieregeling zijn van overeenkomstige toepassing als een mandaatfunctie zoals vermeld in artikel 108 bis, 3 de lid opengesteld wordt voor personen die extern zijn aan het bestuur. De gemeenteraad stelt de functiebeschrijving vast voor de functie van stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder. Als de functie van stadssecretaris, adjunct-stadssecretaris en financieel beheerder door aanwerving vervuld wordt, moeten de kandidaten houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A. De gemeenteraad stelt de selectieprocedure vast overeenkomstig de bepalingen die opgenomen zijn in Titel III, hoofdstuk II, afdeling III, met uitzondering van artikel 20 2, 2 de en 3 de lid. Ook de bepalingen van Titel III, hoofdstuk II, afdeling IV met betrekking tot de wervingsreserves dienen te worden toegepast Onverminderd hetgeen is voorgeschreven in Titel III, hoofdstuk II van deze Rechtspositieregeling, bevatten de selectieproeven voor de selectie van een stadssecretaris of een adjunct-stadssecretaris tenminste een test die de managementen leiderscapaciteiten van de kandidaten toetst. De test wordt afgenomen door een extern erkend selectiebureau. De selectieproeven bevatten voor de selectie van een financieel beheerder tenminste een test die het financieel-economisch inzicht van de kandidaten toetst. 3. De artikelen 92 en 93 zijn van overeenkomstige toepassing als het mandaat vervuld wordt bij bevordering. De artikelen 99 en 100 zijn van overeenkomstige toepassing als het mandaat vervult wordt bij interne personeelsmobiliteit. Afdeling III: Dienstverband, proeftijd, beloning en functionele loopbaan van de mandaathouder Artikel 108 quinquies
57 De geselecteerde kandidaat wordt in statutair dienstverband aangesteld in de mandaatfunctie als hij een vast aangesteld statutair personeelslid van het bestuur is. De geselecteerde kandidaat wordt in contractueel dienstverband aangesteld in de mandaatfunctie als hij een contractueel personeelslid van het bestuur is of als hij extern is aan het bestuur. De proeftijd voor mandaatfuncties is: 1. voor de mandaathouders die in statutair dienstverband aangesteld worden in een mandaatfunctie: 12 maanden 2. voor de mandaathouder die in contractueel dienstverband aangesteld is: 12 maanden voor zover dat verenigbaar is met de wet op de arbeidsovereenkomsten. Voor de evaluatie tijdens de proeftijd gelden de bepalingen: 1. voor een mandaat in een decretale graad gelden de bepalingen voor de evaluatie van de stadssecretaris, de adjunct stadssecretaris en de financieel beheerder zoals vervat in Titel III, Hoofdstuk V, met uitzondering van de mogelijkheid van de verlenging van de proeftijd. 2. voor een mandaat in een niet-decretale graad gelden de bepalingen voor de evaluatie voor het gewone personeel met uitzondering van de mogelijkheid van verlenging van de proeftijd. De mandaathouder die ongunstig geëvalueerd wordt bij de eindevaluatie van de proeftijd wordt van zijn mandaat ontheven. De mandaathouder in de functie van stadssecretaris, adjunct-stadssecretaris en financieel beheerder krijgt de salarisschaal die overeenstemt met die functie. De mandaathouder in een andere functie dan die van stadssecretaris, adjunctstadssecretaris en financieel beheerder krijgt de eerste salarisschaal van de functionele loopbaan die overeenstemt met de functie die hij bij mandaat uitoefent, tenzij hij met toepassing van artikel 81 schaalanciënniteit krijgt. In dat geval wordt hij ingeschaald in de salarisschaal van de functionele loopbaan die overeenstemt met de toegekende schaalanciënniteit. Hij heeft recht op de functionele loopbaan onder dezelfde voorwaarden als de personeelsleden die niet in een mandaatfunctie zijn aangesteld. De mandaathouder krijgt tijdens de uitoefening van het mandaat de mandaattoelage, vermeld in artikel 176 bis. Afdeling IV: De evaluatie, de verlenging en de beëindiging van het mandaat Artikel 108 sexies Voor de evaluatie gelden de bepalingen voor de evaluatie van de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder, zoals vervat in Titel III, Hoofdstuk V, met uitzondering van de evaluatie tijdens de proefperiode. De bepalingen inzake de evaluatie voor het gewone personeel zijn, met uitzondering van het ontslag, van overeenkomstige toepassing op de evaluatie van een mandaathouder in een niet-decretale graad. Drie maanden voor de afloop van de mandaatperiode, krijgt de mandaathouder zijn eindevaluatie waarbij rekening wordt gehouden met de evaluaties tijdens het mandaat. De bepalingen inzake de evaluatie zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het ontslag.
58 De mandaathouder die een positief evaluatieresultaat bekomt, wordt in zijn mandaat verlengd. Bij verlenging zijn de procedures voor de bekendmaking en selectie niet van toepassing. De mandaathouder die een negatief evaluatieresultaat bekomt bij een periodieke evaluatie of eindevaluatie van de mandaatperiode, wordt ontheven uit zijn mandaat. Indien de betrokken mandaathouder voorheen als statutair personeelslid was aangesteld bij het stadsbestuur, wordt hij opnieuw aangesteld in zijn vorige graad en indien mogelijk in zijn vorige functie. In dat geval draagt de voormalige mandaathouder de verworven schaalanciënniteit in de opeenvolgende salarisschalen van de functionele loopbaan over naar de opeenvolgende salarisschalen van de functionele loopbaan die het betrokken personeelslid had voor de aanvang van zijn mandaat. Tevens behoudt het personeelslid de evaluatie die hij kreeg voor de aanvang van zijn mandaat. De mandaathouder die contractueel is aangeworven en die van het mandaat wordt ontheven of waarvan de mandaatperiode is afgelopen, wordt uit het mandaat ontslagen met inachtneming van de toepasselijke arbeidsrechtelijke bepalingen. Met behoud van de ontheffing van het mandaat na een ongunstige evaluatie, wordt een mandaathouder in statutair verband in de volgende gevallen van het mandaat ontheven voor de afloop van de mandaatperiode: 1. op eigen verzoek; 2. wegens pensionering; 3. voor een mandaathouder in de niet-decretale graden wegens een aanstelling in een andere functie binnen het bestuur na een aanwervings- of een bevorderingsprocedure of een procedure van interne personeelsmobiliteit; 4. wegens herplaatsing. Voor de toepassing van de herplaatsing in punt 4. gelden dezelfde regels als vastgesteld voor de niet-mandaathouders. Titel V: De ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid Hoofdstuk I: De ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid in een functie van dezelfde rang Artikel 109 1. De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang gebeurt op initiatief van het bestuur. Ze houdt in dat het vast aangestelde statutaire personeelslid herplaatst wordt in een andere, passende functie van dezelfde graad of in een passende functie van een andere graad van dezelfde rang. 2. De aanstellende overheid beslist over de ambtshalve herplaatsing. Ze voert hierover vooraf een gesprek met het vast aangestelde statutaire personeelslid. De herplaatsing is niet tijdelijk, maar definitief. Het personeelslid wordt ten minste tien kalenderdagen vooraf schriftelijk uitgenodigd voor het gesprek, vermeld in het eerste lid, en geïnformeerd over de passende functie of functies die voorgesteld worden.
59 Het personeelslid dat met toepassing van 2 door de gemeenteraad moet gehoord worden, mag, als het daarom verzoekt, in de plaats van te verschijnen voor de raad, zijn persoonlijk standpunt naar aanleiding van de voorgestelde functie of functies schriftelijk meedelen aan de gemeenteraad. De gemeenteraad neemt daarvan kennis en neemt een gemotiveerde beslissing in verband met de herplaatsing. Artikel 110 De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang wordt toegepast als de betrekking van een vast aangesteld statutair personeelslid afgeschaft wordt en het personeelslid zijn betrekking niet in overgangsregeling behoudt en als de gemeenteraad geen stelsel van disponibiliteit wegens ambtsopheffing heeft vastgesteld. Artikel 111 De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang kan ook toegepast worden: 1. als een vast aangesteld statutair personeelslid door de bevoegde gezondheidsdienst ongeschikt verklaard werd om zijn functie nog langer uit te oefenen, maar wel geschikt geacht wordt om een andere functie uit te oefenen die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand; 2. als een vast aangesteld statutair personeelslid een ongunstige evaluatie heeft gekregen;
60 Het alternatief van de herplaatsing na ongunstige evaluatie kan slechts toegepast worden als er een passende functie vacant is en als blijkt dat de evaluatie aantoont dat het personeelslid beschikt over competenties die in de andere functie beter tot hun recht kunnen komen. Artikel 112 1. De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang wegens afschaffing van de betrekking of na een ongunstige evaluatie is alleen mogelijk in een vacante functie. De ambtshalve herplaatsing wegens afschaffing van de betrekking heeft voorrang op de vervulling van de vacature door een procedure van aanwerving, bevordering of interne personeelsmobiliteit. Als er meerdere overtallige personeelsleden in aanmerking komen voor ambtshalve herplaatsing in een vacature gelden in volgorde de volgende criteria om de voorrang van de personeelsleden te bepalen: 1. de mate waarin voldaan wordt aan de competentievereisten voor de vacante functie bepaald op basis van een gesprek; 2. de hoogste dienstanciënniteit; 3. de hoogste leeftijd; 4. eventuele sociale omstandigheden. 2. Het personeelslid behoudt na de ambtshalve herplaatsing de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het verworven had in zijn vorige functie. Als het personeelslid herplaatst wordt in een functie van een andere graad, wordt graadanciënniteit toegekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 79 2. Hoofdstuk II: De ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid in een functie van lagere rang Artikel 113 1. Het vast aangestelde statutaire personeelslid kan op initiatief van het bestuur en mits schriftelijk akkoord van betrokkene herplaatst worden in een functie van een lagere graad wanneer de bevoegde gezondheidsdienst het personeelslid niet langer geschikt acht om zijn functie of een functie van dezelfde graad uit te oefenen, maar wel geschikt acht voor de uitoefening van een passende functie van een lagere graad. 2. Een vast aangesteld statutair personeelslid dat om functionele of persoonlijke redenen zelf verzoekt om herplaatsing in een functie van een lagere graad, kan worden aangesteld in een vacante passende functie van een lagere graad. Die vorm van herplaatsing kan slechts eenmaal tijdens de loopbaan toegekend worden. 3. De aanstellende overheid beslist over de ambtshalve herplaatsing, vermeld in 1, en 2. Ze voert hierover vooraf een gesprek met het personeelslid. De herplaatsing is niet tijdelijk, maar definitief. Het betrokken personeelslid wordt ten minste tien kalenderdagen vooraf schriftelijk uitgenodigd voor het gesprek, vermeld in het eerste lid, en geïnformeerd over de passende functie of functies die voorgesteld worden. Is de aanstellende overheid de gemeenteraad dan kan het betrokken personeelslid dat met toepassing van het eerste lid door de gemeenteraad gehoord wordt, zijn
61 persoonlijk standpunt naar aanleiding van de voorgestelde functie of functies schriftelijk meedelen aan de raad. Artikel 114 1. Bij de herplaatsing om gezondheidsredenen vermeld in vorig artikel, wordt voor de vaststelling van het salaris, de salarisschaal en de schaalanciënniteit rekening gehouden met het salaris, de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het personeelslid verworven had in zijn vorige graad en met de lagere salarisschaal waarvan het maximum bedrag het kleinste verschil vertoont met het maximum bedrag van zijn vorig salarisschaal. 2. Een vast aangesteld statutair personeelslid dat op zijn verzoek herplaatst wordt in een functie van een lagere graad met toepassing van 2 van het vorig artikel krijgt binnen de functionele loopbaan die verbonden is met zijn nieuwe graad, de lagere salarisschaal waarvan het maximumbedrag het kleinste verschil vertoont met het maximumbedrag van zijn vorige salarisschaal. Als aan de vorige graad een functionele loopbaan verbonden was, wordt de schaalanciënniteit die het betrokken personeelslid had opgebouwd in zijn salarisschaal overgedragen op de nieuwe salarisschaal.
62 Titel VI: Het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging Hoofdstuk I: Het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid Artikel 115 Met behoud van de toepassing van andere wettelijke en decretale bepalingen kan niemand zijn hoedanigheid van statutair personeelslid verliezen, behalve in de gevallen die zijn bepaald door het Besluit. Artikel 116 Het statutaire personeelslid kan zijn hoedanigheid van statutair personeelslid verliezen naar aanleiding van: 1. een tuchtstraf, met name het ontslag van ambtswege en de afzetting, 2. de vervroegde pensionering om medische redenen of wegens invaliditeit;. Artikel 117 Ambtshalve wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van statutair personeelslid als: 1. de statutaire aanwerving onregelmatig werd bevonden binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure; 2. het statutaire personeelslid niet meer voldoet aan de voor zijn functie geldende nationaliteitsvereiste, of de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, of zijn medische ongeschiktheid voor de functie behoorlijk werd vastgesteld; 3. het statutaire personeelslid zonder geldige reden de werkpost verlaat of na een toegelaten afwezigheid zonder geldige reden het werk niet hervat na meer dan tien dagen; 4. het statutaire personeelslid zich in een toestand bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft. 5. het statutaire personeelslid dat om tuchtredenen wordt ontslagen of afgezet De termijn, vermeld in punt 1., geldt niet in het geval van arglist of bedrog vanwege het statutaire personeelslid. Artikel 118 1. In de gevallen vermeld in het voorgaande artikel wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van statutair personeelslid zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het personeelslid van wie de aanstelling onregelmatig werd bevonden als vermeld in voorgaande artikel, punt 1., na arglist of bedrog, wordt ambtshalve en op staande voet ontslagen, ongeacht het tijdstip waarop die onregelmatigheid werd vastgesteld. In afwijking van het eerste lid, krijgt het statutaire personeelslid van wie de onregelmatige aanstelling, vermeld in het voorgaande artikel, niet te wijten is aan arglist of bedrog van zijn kant, een verbrekingsvergoeding. Het bedrag van de verbrekingsvergoeding is gelijk aan het loon van drie maanden, als het statutaire personeelslid op de datum dat het ontslag ingaat in het totaal geen vijf jaar dienstanciënniteit bij een overheid heeft. Voor elke periode van vijf jaar
63 dienstanciënniteit bij een overheid wordt het bedrag verhoogd met het loon van drie maanden. 2. De aanstellende overheid stelt het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid vast en beslist tot ontslag van het betrokken personeelslid. Het personeelslid wordt vooraf gehoord. Het ontslag wordt met een aangetekende brief betekend. De brief deelt de beslissing en de redenen ervoor mee en vermeldt de ingangsdatum van het ontslag. Het ontslag gaat niet in met terugwerkende kracht, maar gaat in op de datum vermeld in de ontslagbeslissing, en, als daarin geen datum vermeld wordt, op de dag van de beslissing zelf. Het vast aangestelde statutaire personeelslid wordt bij zijn ontslag geïnformeerd over alle verplichtingen van bestuur en personeelslid die voortvloeien uit de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse andere bepalingen. Hoofdstuk II: De definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid Artikel 119 De volgende zaken geven aanleiding tot de definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid op proef: 1. het vrijwillige ontslag; 2. de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid naar aanleiding van het evaluatieresultaat ongunstig voor de eindevaluatie van de proeftijd. Artikel 120 De volgende zaken geven aanleiding tot de definitieve ambtsneerlegging van het vast aangestelde statutaire personeelslid: 1. het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar, de vervroegde pensionering vanaf 60 jaar en de ambtshalve pensionering als gevolg van artikel 83 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen; 2. het vrijwillige ontslag; 3. de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid naar aanleiding van een evaluatie met het evaluatieresultaat ongunstig. Artikel 121 Het statutaire personeelslid dat vrijwillig ontslag neemt, stelt de aanstellende overheid daarvan schriftelijk in kennis. De aanstellende overheid neemt kennis van het ontslag. Het personeelslid wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de kennisneming. De datum waarop het statutaire personeelslid de dienst effectief verlaat, wordt vastgesteld in onderling akkoord tussen het personeelslid en de aanstellende overheid. De vaste aanstelling in statutair verband bij een andere overheid wordt gelijkgesteld met vrijwillig ontslag, behalve als een deeltijds werkend personeelslid daarnaast ook deeltijds bij een andere overheid vast aangesteld wordt. Artikel 122 Het statutaire personeelslid op proef dat wordt ontslagen wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid heeft een opzeggingstermijn van één maand, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag werd betekend.
64 Het ontslag wordt met een aangetekende brief, die de datum van uitwerking vermeldt, betekend. Daarbij wordt het personeelslid in voorkomend geval geïnformeerd over alle verplichtingen die voortvloeien uit de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse andere bepalingen. Artikel 123 1. Het ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid van het vast aangestelde statutaire personeelslid wordt met een aangetekende brief betekend. Daarbij wordt de datum van uitwerking vermeld en wordt het personeelslid geïnformeerd over alle verplichtingen van bestuur en personeelslid die voortvloeien uit de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse andere bepalingen. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. 2. Het vast aangestelde statutaire personeelslid dat wordt ontslagen wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid heeft een opzeggingstermijn van drie maanden. Artikel 124 Het statutaire personeelslid op proef dat ontslagen wordt wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid krijgt voor elke deelname aan een sollicitatieprocedure bij een andere werkgever dienstvrijstelling voor de duur die daartoe nodig is. Het personeelslid stelt zijn leidinggevende op voorhand in kennis van de afwezigheid voor deelname aan de sollicitatieprocedure. Het vast aangestelde statutaire personeelslid dat ontslagen wordt wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid krijgt voor elke deelname aan een sollicitatieprocedure bij een andere werkgever dienstvrijstelling voor de duur die daartoe nodig is. Het personeelslid stelt zijn leidinggevende op voorhand in kennis van de afwezigheid voor deelname aan de sollicitatieprocedure.
65 Titel VII: Het Salaris Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Artikel 125 Het jaarsalaris van het personeel wordt vastgesteld in salarisschalen die bestaan uit: 1. een minimumsalaris 2. de salaristrappen, die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen 3. een maximumsalaris Artikel 126 Elke salarisschaal wordt aangeduid met één van de letters A, B, C, D, E, die overeenstemmen met de niveaus, vermeld in artikel 6 van het Besluit, gevolgd door een cijfer en eventueel een kleine letter a, b of c. Het eerste lid is niet van toepassing op de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder. Artikel 127 1. Aan de volgende graden worden de salarisschalen en de functionele loopbanen vermeld in artikel 83 tot en met 87, verbonden die overeenkomen met de ernaast vermelde lettercode: Niveau E: graad rang schalen Administratief beambte Handlanger Helper vakman Schoonma(a)k(st)er Ev E1-E2-E3 Niveau D: graad rang schalen Adjunct-theatertechicus Administratief assistent Buurtsportanimator Helper begeleider Opzichter academie Toezichter Vakman Zwembadmedewerker Dv D1-D2-D3 Brigadier zwembadassistent Dx D4-D5 Niveau C: graad rang schalen Administratief medewerker Bibliotheekmedewerker Controleur Cv C1-C2-C3
66 Hoofdbrigadier Inspecteur begraafplaatsen Landbouwtechnicus Systeemverantwoordelijke Technisch medewerker Tekenaar Theatertechnicus Begeleider Cv C1-C2 Administratief hoofdmedewerker Technisch beheerder IT Technisch hoofdmedewerker Cx C4-C5 Niveau B: graad rang schalen Administratief deskundige Automatiseringsconsulent Begeleider Boekhouder Buurtsportcoördinator Coördinator Deskundige bibliotheek Educatief medewerker Eerste theatertechnicus Gegradueerde in de milieuzorg Huurdersbegeleider Jeugdconsulent Maatschappelijk assistent Meertalige directiesecretaresse Ontwerptekenaar Tuin- en landschapsarchitect Toezichter werven Sportbeheerder Sportmonitor Verantwoordelijke Verkeersdeskundige Welzijnsconsulent Bv B1-B2-B3 Verpleegkundige ambulancedienst Bv Coördinator bibliotheek Bx Hoofdautomatiseringsconsulent BV1-BV2-BV3 B4-B5
67 Niveau A : Graad rang schalen Ambtenaar verantwoordelijke van de noodplanning Architect Archivaris Archivaris-diensthoofd Bibliothecaris Bestuurssecretaris Bouwhistoricus Centrummanager coördinator lokale economie Conservator Conservator-diensthoofd Coördinator gebiedsgerichte werking Coördinator stedelijk beleid Coördinator strategisch project stadsbos regionaal bos Coördinator wijkcentrum Cultuurbeleidscoördinator Cultuurfunctionaris Dossierbehandelaar Duurzaamheidsambtenaar Ecoloog Erfgoedcommunicator Erfgoedcoördinator Industrieel ingenieur Preventieadviseur Preventionist Stedenbouwkundige Strategisch analist Vlaremambtenaar Av A1a-A1b-A2a Afdelingschef Cultuurfunctionaris-directeur GIS-coördinator Ax A4a-A4b Directeur Ay A5a-A5b Ingenieur Avb A6a-A6b-A7a Ingenieur-directeur Axb A8a-A8b 2. De salarisschaal van de stadssecretaris is de hoogste salarisschaal binnen de gemeentelijke organisatie. De uitgewerkte salarisschalen die met inbegrip van de periodieke verhogingen en de loopbaanspreiding van toepassing zijn, zijn in bijlage 1 van dit besluit gevoegd. Artikel 128 Het personeelslid wordt bezoldigd in een salarisschaal verbonden aan zijn graad.
68 Het personeelslid ontvangt het salaris dat in die salarisschaal overeenstemt met zijn/haar geldelijke anciënniteit. De geldelijke anciënniteit bestaat uit het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het salaris. Het personeelslid dat geen recht heeft op het meerekenen van vroegere diensten, ontvangt het beginsalaris van de eerste salarisschaal van de functionele loopbaan die verbonden is aan zijn graad. Het salaris van een deeltijds personeelslid wordt vastgesteld in verhouding tot zijn/haar prestaties. Het hoofd van het personeel stelt het individuele jaarsalaris van de personeelsleden vast.
69 Hoofdstuk II. De toekenning van periodieke salarisverhogingen door de opbouw van geldelijke anciënniteit Afdeling I: Diensten bij een overheid Artikel 129 Voor de toekenning van periodieke salarisverhogingen komen alleen de werkelijke diensten in statutair of contractueel verband in aanmerking die het personeelslid levert of heeft geleverd in dienst van: 1. de Belgische Staat, de Europese Economische Ruimte, een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, een overheidsdienst in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de internationale instellingen waarvan België of een van zijn gemeenschappen of gewesten lid is, de autonome overheidsbedrijven, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeente- en provinciebedrijven, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de interlokale samenwerkingsverbanden, de intercommunale diensten en instellingen van de openbare onderstand, de commissies van openbare onderstand, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de verenigingen volgens de hoofdstukken XII, XIIbis of XIIter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de openbare kassen van lening of andere openbare diensten, als titularis van een bezoldigde betrekking; 2. de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen of de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding; 3. de publiekrechtelijke en vrije universiteiten als titularis van een bezoldigde betrekking; 4. een andere overheid; Artikel 130 Voor de toepassing van het voorgaande artikel 129, 1 ste lid, moet worden verstaan onder : 1. werkelijke diensten : alle diensten die recht geven op een salaris of die bij ontstentenis van een salaris krachtens de rechtspositieregeling toch in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het salaris; 2. dienst van de staat : elke dienst zonder rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht; 3. andere overheid : a) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die onder de uitvoerende macht ressorteert; b) elke andere instelling naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die beantwoordt aan collectieve behoeften van algemeen of lokaal belang en waarbij in de oprichting of bijzondere leiding ervan het overwicht van de overheid tot uiting komt.
70 Afdeling II: Diensten in de privésector of als zelfstandige Artikel 131 De beroepservaring in de privésector of als zelfstandige wordt onbeperkt in aanmerking genomen voor de toekenning van de periodieke salarisverhogingen, op voorwaarde dat die beroepservaring relevant is voor de uitoefening van de functie. De relevantie wordt beoordeeld door het hoofd van het personeel op basis van een vergelijking van die beroepservaring met de algemene en specifieke voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld werd. Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken van de beroepservaring. De geldelijke anciënniteit die op die manier verkregen wordt, blijft behouden voor het verdere verloop van de loopbaan. Afdeling III: De valorisatie van de diensten Artikel 132 1. De diensten, die in overeenstemming met artikel 79 en artikel 81 bekomen werd, wordt voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit meegerekend voor honderd procent, ongeacht of ze voltijds dan wel deeltijds gepresteerd werd. Voor de toepassing van het eerste lid geldt het volgende: 1. deeltijdse diensten die gepresteerd worden na 1 januari 2008 worden vanaf die datum meegerekend voor honderd procent; 2. de geldelijke anciënniteit voor deeltijdse diensten die gepresteerd werden voor 1 januari 2008 wordt vastgesteld volgens de regels die op dat ogenblik krachtens de rechtspositieregeling van toepassing waren; 2. De geldelijke anciënniteit verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende functies wordt voor een zelfde periode maximaal voor een volledige prestatie gevaloriseerd. Ze is bovendien in actieve deeltijdse functies niet onderling cumuleerbaar voor de toekenning van de periodieke verhogingen. Artikel 133 Het hoofd van het personeel stelt de duur vast van de in aanmerking komende diensten die het personeelslid in het onderwijs als interim of als tijdelijk personeelslid heeft gepresteerd aan de hand van het attest verstrekt door de bevoegde autoriteiten. De diensten, vermeld op het attest, die in tienden zijn betaald, en die per schooljaar geen volledig jaar werkelijke diensten vertegenwoordigen, worden dag per dag samengeteld. Het totale aantal zo gewerkte dagen wordt vermenigvuldigd met 1,2. Het totaal van de rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door 30. Het quotiënt geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden. Met de rest wordt geen rekening gehouden. De diensten, vermeld op hetzelfde attest, die bewijzen dat het personeelslid een volledig schooljaar heeft gewerkt, gelden voor een totaal van driehonderd dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op.
71 Artikel 134 De diensten die in aanmerking komen, worden berekend per kalendermaand. De diensten die niet zijn begonnen op de eerste dag van een maand of geëindigd op de laatste dag van een maand, worden niet meegerekend. Hoofdstuk III: Bijzondere bepalingen Artikel 135 Het personeelslid dat met toepassing van artikel 132, schaalanciënniteit verwerft voor beroepservaring opgedaan bij een overheid, in de privésector of als zelfstandige, wordt met de toegekende schaalanciënniteit ingeschaald in de salarisschaal van de functionele loopbaan die overeenstemt met de toegekende schaalanciënniteit. Artikel 136 De aanvragen voor validering in de geldelijke- en schaalanciënniteit van daartoe in aanmerking komende beroepservaring worden in aanmerking genomen met ingang van de datum van effectieve indiensttreding. Werden de nodige attesten uiterlijk drie maanden na de indiensttreding niet ingediend, dan komen de aanvragen slechts in aanmerking vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de attesten bij het stadsbestuur zijn toegekomen. Om gemotiveerde redenen kan hiervan afgeweken worden. Artikel 137 Het personeelslid dat bevorderd wordt, krijgt in zijn nieuwe graad nooit een salaris dat lager is dan het in zijn vorige graad zou hebben gekregen. Artikel 138 Het personeelslid dat bevordert naar een graad van een hoger niveau heeft ten minste recht op de volgende verhoging van zijn jaarsalaris tegen 100%: 1. 620,- EUR bij bevordering naar niveau D; 2. 745,- EUR bij bevordering naar niveau C; 3. 870,- EUR bij bevordering naar niveau B; 4. 1 240,- EUR bij bevordering naar niveau A. Als het jaarsalaris in de bevorderingsgraad niet ten minste het bedrag, vermeld in het eerste lid, hoger is dan het jaarsalaris dat het personeelslid in zijn oude graad zou hebben gekregen, wordt het jaarsalaris in de bevorderingsgraad verhoogd tot in het eerste lid vermelde minimale verhoging bereikt wordt. Die minimale salarisverhoging wordt gegarandeerd gedurende de hele functionele loopbaan in de graad waarnaar het personeelslid bevordert. Daartoe wordt telkens zijn/haar oude salarisschaal, met inbegrip van de periodieke verhogingen, maar zonder het verloop in de functionele loopbaan, vergeleken met de nieuwe salarisschaal, met inbegrip van de toepassing van de periodieke verhogingen en het verloop in de functionele loopbaan. De gegarandeerde salarisverhoging geldt eveneens vanaf de datum van de effectieve bevordering voor personeelsleden die sinds 1 januari 2006 waren opgenomen in een nog geldende wervingsreserve of voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2006 als gevolg van een contractuele procedure in contractueel verband zijn aangesteld in een graad van een hoger niveau. In afwijking van het eerste lid is de minimale salarisverhoging ook van toepassing als een personeelslid in dienst van het bestuur via een aanwervingsprocedure, aangesteld wordt in een graad van een hoger niveau.
72 Artikel 139 1 De salarisschaal van de stadssecretaris is in bijlage 1 van deze rechtspositieregeling gevoegd. De salarisverhogingen worden gespreid over 15 jaar. De salarisschaal van de stadssecretaris is de hoogste salarisschaal binnen de organisatie. 2 De salarisschaal van de adjunct-stadssecretaris wordt vastgesteld op 98% van de salarisschaal van de stadssecretaris. 3 De salarisschaal van de financieel beheerder is in bijlage 1 van deze rechtspositieregeling gevoegd. De salarisverhogingen worden gespreid over 15 jaar. 4 Als het inwonersaantal van de gemeente daalt onder het minimum aantal inwoners, op basis waarvan de salarisschalen van de secretaris en de financieel beheerder werden vastgesteld, dan behouden zij in dienst de salarisschalen op persoonlijke titel. Hoofdstuk IV: De betaling van het salaris Artikel 140 Het salaris volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het salaris tegen 100% wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01. Artikel 141 Het salaris wordt maandelijks betaald vanaf de indiensttreding. Het statutair personeel wordt vooruit betaald. Het salaris van het overige personeel wordt betaald nadat de termijn vervallen is en conform de bepalingen van de Loonbeschermingswet. Artikel 142 Het maandsalaris is gelijk aan één twaalfde van het jaarsalaris. Het uursalaris is gelijk aan 1/1976 ste van het jaarsalaris. Artikel143 Als het personeelslid in de loop van de maand in dienst treedt, krijgt het voor die maand het gedeelte van het maandsalaris dat overeenstemt met de gepresteerde werkdagen. Als het personeelslid in de loop van de maand met pensioen gaat of overlijdt, wordt het salaris voor de volledige maand betaald.
73 Titel VIII: De toelagen, vergoedingen en sociale voordelen Hoofdstuk I: Terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten Artikel 144 Met behoud van de toepassing van eventuele decretale of wettelijke bepalingen kunnen geen andere toelagen en vergoedingen worden toegekend of ingevoerd dan die welke vermeld worden in het Besluit. Artikel 145 Effectief gemaakte, bewezen en noodzakelijke kosten bij de uitoefening van de functie worden terugbetaald. Onverantwoord gemaakte of buitensporige kosten worden niet terugbetaald. Het hoofd van het personeel beslist of ze onverantwoord of buitensporige zijn. Hoofdstuk II: De verplichte toelagen Afdeling I: De haard- en standplaatstoelage Artikel 146 1 Het personeelslid heeft krachtens het decreet van 8 mei 2002 houdende wijziging van verschillende bepalingen betreffende de haard- en standplaatstoelage en het vakantiegeld van het gemeente- en provinciepersoneel recht op een haard- en standplaatstoelage indien aan onderstaande voorwaarden is voldaan. 2 Het gehuwde personeelslid, het personeelslid dat samenleeft, of het alleenstaande personeelslid van wie één of meer kinderen die recht geven op kinderbijslag deel uitmaken van het gezin, heeft recht op een haardtoelage van: 719,89 EUR (100%) wanneer het salaris 16 099,84 EUR (100%) niet overschrijdt; 359,95 EUR (100%) wanneer het salaris hoger is dan 16 099,84 EUR (100%), maar niet meer bedraagt dan 18 329,27 EUR (100%). 3 Het personeelslid dat geen recht heeft op een haardtoelage, ontvangt een standplaatstoelage van: 359,95 EUR (100%) wanneer het salaris 16 099,84 EUR (100%) niet overschrijdt; 179,98 EUR (100%) wanneer het salaris hoger is dan 16 099,84 EUR (100%), maar niet meer bedraagt dan 18 329,27 EUR (100%). 4 In het geval dat de twee echtgenoten of de twee personen die samenleven elk beantwoorden aan de voorwaarden om de haardtoelage te verkrijgen, wijzen ze in wederzijds akkoord diegene van de twee aan, aan wie de haardtoelage wordt uitbetaald. De standplaatstoelage wordt toegekend aan het personeelslid dat geen haardtoelage geniet. 5 Als het recht op de haard- en standplaatstoelage in de loop van een maand wijzigt, wordt voor de gehele maand het voordeligst stelsel toegepast. Artikel 147 De bezoldiging van het personeelslid wiens salaris hoger is dan 16 099,84 EUR (100%), respectievelijk 18 329,27 EUR (100%) mag niet kleiner zijn dan in het geval het salaris gelijk zou zijn aan dat bedrag. In voorkomend geval wordt een gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage toegekend.
74 Onder bezoldiging wordt in het eerste lid begrepen: het salaris verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage, verminderd met de inhouding voor het wettelijk pensioen. Afdeling II: Het vakantiegeld (Besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2002 betreffende de toekenning en de vaststelling van het vakantiegeld van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel zoals gewijzigd door het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003). Artikel 148 In deze afdeling wordt verstaan onder. 1. referentiejaar: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin vakantie wordt toegekend. 2. jaarsalaris: het salaris op jaarbasis of in voorkomend geval het wachtgeld of de uitkering uitbetaald in de plaats van een salaris, aangevuld met de eventuele haardtoelage of standplaatstoelage. Artikel 149 Het vakantiegeld van het personeelslid bedraagt voor volle prestaties die gedurende het hele referentiejaar werden verricht 92% van een twaalfde van het jaarsalaris, aangepast volgens het indexverhogingscoëfficiënt die van toepassing is op het salaris van de maand maart van het vakantiejaar. Als het personeelslid in de maand maart van het vakantiejaar geen of slechts een gedeeltelijk salaris ontvangen heeft, dan wordt het percentage vermeld in het eerste lid, berekend op basis van het salaris dat voor dezelfde maand betaald zou zijn geweest als het personeelslid zijn ambt wel volledig had uitgeoefend. Artikel 150 1 Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld komen de periodes in aanmerking gedurende welke het personeelslid tijdens het referentiejaar: 1 het jaarsalaris geheel of gedeeltelijk heeft gen oten; 2 niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsuit oefening heeft geschorst wegens verplichtingen ingevolge de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of ingevolge de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen; 3 afwezig was wegens ouderschapsverlof; 4 afwezig was wegens verlof, toegekend met het oog op de moederschapsbescherming, zoals bepaald in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971.
75 2 Voor de berekening van het vakantiegeld komt de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar tot de dag die voorafgaat aan de datum van de indiensttreding als personeelslid eveneens in aanmerking, op voorwaarde dat het personeelslid: 1 minder dan 25 jaar oud is op het einde van het r eferentiejaar; 2 uiterlijk in dienst is getreden op de laatste we rkdag van de vierde maand die volgt op één van de onderstaande data: a) de datum waarop het personeelslid de instelling heeft verlaten waar het zijn studies heeft gedaan, onder de voorwaarden, bepaald in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders; b) de datum waarop zijn leerovereenkomst een einde heeft genomen. Het personeelslid moet het bewijs leveren dat het aan alle voorwaarden voldoet. Dat bewijs kan door alle rechtsmiddelen worden geleverd. Artikel 151 In afwijking van artikel 150, worden de periodes gedurende welke het personeelslid vrijstelling van dienst voor het vervullen van een opdracht genoot, niet in aanmerking genomen voor de berekening van het vakantiegeld. Artikel 152 1 Als het personeelslid niet gedurende het hele referentiejaar volledige prestaties heeft verricht, wordt, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 150 1, 2 en 3, en 2, het vakantiegeld vastgesteld als volgt: a) één twaalfde van het jaarbedrag voor elke prestatieperiode die een volledige maand beslaat; b) één dertigste van het maandbedrag per kalenderdag als de prestaties geen volledige maand beslaan. 2 De toekenning van een gedeeltelijk salaris wegens het uitoefenen van verminderde prestaties heeft een overeenkomstige vermindering van het vakantiegeld tot gevolg. Artikel 153 Bij onvolledige prestaties wordt het vakantiegeld toegekend naar rato van de gepresteerde uren op basis van de uurdeler die krachtens de bezoldigingsregeling van toepassing is. In voorkomend geval is dezelfde verhouding van toepassing op de periodes, bedoeld in artikel 150 1, 2 en 3, en 2. Artikel 154 Twee of meer vakantiegelden, met inbegrip van het vakantiegeld verkregen met toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, kunnen niet gecumuleerd worden boven een bedrag dat overeenkomt met het hoogste vakantiegeld dat verkregen wordt als de vakantiegelden van alle uitgeoefende ambten of activiteiten berekend worden op basis van volledige prestaties. Hiervoor wordt het vakantiegeld van een of meer ambten verminderd of ingehouden, met uitzondering van het vakantiegeld ter uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Als de inhoudingen of verminderingen moeten of kunnen worden toegepast op verschillende vakantiegelden, dan wordt eerst het kleinste vakantiegeld ingehouden of verminderd. Voor de toepassing van de voorgaande leden moet onder het vakantiegeld ter uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers worden verstaan, het gedeelte van het vakantiegeld dat niet overeenstemt met het loon voor de vakantiedagen.
76 Artikel 155 Voor de toepassing van het voorgaande artikel is het personeelslid dat vakantiegelden cumuleert, verplicht het bedrag ervan, alsook eventueel het bedrag berekend voor volledige prestaties, mee te delen aan elke personeelsdienst waarvan het afhangt. Iedere inbreuk op het voorgaande lid kan aanleiding geven tot tuchtstraffen. Artikel 156 Het bedrag van het vakantiegeld dat toegekend wordt krachtens artikel 150 2, wordt verminderd met de bedragen die het personeelslid eventueel als vakantiegeld heeft ontvangen voor andere prestaties die tijdens het referentiejaar werden verricht. Artikel 157 1 Het vakantiegeld wordt uitbetaald tussen 1 mei en 30 juni van het jaar waarin de vakantie wordt toegekend. 2 In afwijking van de bepalingen van 1, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand die volgt op de datum van de pensionering van het personeelslid of op de datum van overlijden, het ontslag, de afdanking of de afzetting van de rechthebbende. Bij de berekening van het vakantiegeld wordt in dat geval rekening gehouden met het percentage en de eventuele inhouding, die op de datum in kwestie van kracht zijn. Het percentage wordt toegepast op het jaarsalaris dat als basis dient voor de berekening van het salaris dat het personeelslid op die datum geniet. Als het personeelslid op die datum geen salaris of een verminderd salaris geniet, dan wordt het percentage berekend op het salaris dat hem betaald zou zijn geweest, als het op die datum zijn ambt uitgeoefend zou hebben. Afdeling III: De eindejaarstoelage Artikel 158 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1. referentieperiode: de periode van 1 januari tot en met 30 september van het in aanmerking te nemen jaar; 2. jaarsalaris: het salaris op jaarbasis of, in voorkomend geval, het wachtgeld of de uitkering, uitbetaald in plaats van een salaris, eventueel aangevuld met de haard- of standplaatstoelage of de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering. Artikel 159 Het personeelslid ontvangt jaarlijks een eindejaarstoelage. Artikel 160 Het bedrag van de eindejaarstoelage is de som van het forfaitaire gedeelte en het veranderlijke gedeelte.
77 Het forfaitaire gedeelte en het veranderlijke gedeelte worden als volgt berekend: 1 Het forfaitaire gedeelte: 1. Het forfaitaire gedeelte voor het jaar 2007 bedraagt 317,53 EUR; 2. vanaf 2008 wordt het forfaitaire gedeelte dat toegekend is tijdens het vorige jaar, telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar en de teller gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar; het resultaat daarvan wordt berekend op twee decimalen nauwkeurig; 3. het bedrag dat het resultaat is van de berekening in 2. wordt verhoogd met 248,74 EUR; 4. het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt 3 wordt vervolgens verhoogd met 250 EUR; a) vanaf 2008 voor het personeelslid dat op 1 december 2008 behoort tot het niveau C, D of E; b) vanaf 2009 voor het personeelslid dat op 1 december 2009 behoort tot het niveau A of B, en voor de functiehouders in de graden van de stadssecretaris, adjunct-stadssecretaris, financieel beheerder van de stad; c) het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt 4 wordt voor alle personeelsleden 1) voor het jaar 2010 verhoogd met 100 EUR; 2) voor het jaar 2011 verhoogd met 200 EUR. 3) voor het jaar 2012 verhoogd met 300 EUR. 5. Vanaf het jaar 2013 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening voor alle personeelsleden verhoogd met 400 EUR.; 2 Het veranderlijke gedeelte: 2,5 procent van het jaarsalaris, aangepast volgens de indexverhogingscoëfficiënt die van toepassing is op het salaris van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar. Als het personeelslid in de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar geen of slechts een gedeeltelijk salaris ontvangen heeft, dan wordt het percentage berekend op basis van het salaris dat voor diezelfde maand betaald zou zijn als het personeelslid zijn/haar functie wel volledig had uitgeoefend. Artikel 161 Het personeelslid ontvangt het volledig bedrag van de toelage, zoals berekend in voorgaand artikel, als het als titularis van een betrekking met volledige prestaties het volledige salaris heeft ontvangen tijdens de hele duur van de referentieperiode. Als het personeelslid niet het volledige salaris heeft ontvangen als titularis van een betrekking met volledige prestaties of onvolledige prestaties, wordt het bedrag van de toelage verminderd in verhouding tot het salaris dat het werkelijk heeft ontvangen. De periodes waarin het personeelslid tijdens de referentieperiode als titularis van een betrekking met volledige prestaties of onvolledige prestaties met ouderschapsverlof, als vermeld in het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, was, of met bevallingsverlof was met toepassing van de Arbeidswet van 16 maart 1971, worden gelijkgesteld met periodes waarvoor het personeelslid het salaris volledig heeft ontvangen. Artikel 162 De eindejaarstoelage wordt uiterlijk tijdens de maand december van het in aanmerking te nemen jaar in één keer uitbetaald.
78 Hoofdstuk III: De onregelmatige prestaties Afdeling I: Nachtprestaties en prestaties op zater-, zon- en feestdagen Artikel 163 Deze afdeling is niet van toepassing op: 1. de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder 2. de personeelsleden van niveau A Artikel 164 1 Naast de wettelijk voorgeschreven inhaalrust krijgt het personeelslid: 1. per uur nachtprestaties tussen 22 uur en 6 uur: één kwartier extra inhaalrust ; 2. per uur prestaties tussen 0 en 24 uur op een zondag of een feestdag: één uur extra inhaalrust; 3. per uur prestaties tussen 0 en 24 uur op een zaterdag: extra inhaalrust van een half uur ; 2 Volgende personeelsgroepen krijgen een analoge toeslag op het uursalaris: - chauffeurs van het college van burgemeester en schepenen; - marktleiders; - bij examen de leden van de examencommissie en het toezichthoudend personeel. - toezichters van de trouwzaal en feestzaal - hostessen De extra inhaalrust voor nachtprestaties is cumuleerbaar met de extra inhaalrust voor prestaties op zaterdagen, zondagen of feestdagen. De inhaalrust moet worden opgenomen conform de toepasselijke wettelijke bepalingen uiterlijk binnen een periode van 4 maanden waarin de prestaties werden geleverd. Uitzonderingen hierop worden expliciet door het college van burgemeester en schepenen beslist. Het jaar wordt ingedeeld in 3 periodes van 4 maanden, namelijk van januari tot april, van mei tot augustus en van september tot december. De compenserende inhaalrust moet opgenomen worden binnen de in het vierde lid bepaalde periode, en meer specifiek binnen de periode waarin de overuren zijn gepresteerd.
79 Afdeling II: De overuren Artikel 165 Deze afdeling is niet van toepassing op de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder Deze afdeling is ook niet van toepassing op de personeelsleden die onder het toepassingsgebied van de arbeidswet van 16 maart 1971 vallen. Artikel 166 1 Onder overuren wordt verstaan de uitzonderlijke prestaties die op verzoek van het hoofd van het personeel geleverd worden boven op de uren die op grond van de gewone arbeidstijdregeling op weekbasis door het personeelslid gepresteerd worden. Het personeelslid dat overuren presteert, krijgt compenserende inhaalrust. De compenserende inhaalrust is gelijk aan de duur van de overuren. Het jaar wordt ingedeeld in 3 periodes van 4 maanden, namelijk van januari tot april, van mei tot augustus en van september tot december. De compenserende inhaalrust moet opgenomen worden binnen de in het derde lid bepaalde periode, en meer specifiek binnen de periode waarin de overuren zijn gepresteerd. 2 Als door omstandigheden buiten de wil van het personeelslid over een periode van 4 maanden de gemiddelde arbeidstijd groter is dan 38 uur per week voor voltijdse prestaties of dan de gewone arbeidstijdregeling op weekbasis bij deeltijdse prestaties, wordt aan het personeelslid bovenop het uursalaris extra inhaalrust toegekend. De extra inhaalrust bedraagt voor alle niveaus behalve voor niveau A 1. een toeslag van 25% per uur voor overuren op weekdagen tussen 6 en 22 uur; 2. een toeslag van 25 % per uur voor overuren op weekdagen tussen 22 en 6 uur; 3. een toeslag van 25 % per uur voor overuren op zaterdagen tussen 0 en 24 uur; 4. een toeslag van 25 % per uur voor overuren op zondagen of reglementaire feestdagen tussen 0 en 24 uur; 3 De personeelsleden van niveau A die na vier maanden door omstandigheden buiten hun wil hun overuren niet hebben kunnen compenseren volgens de regel van een uur compensatie per overuur, krijgen voor de resterende overuren het uursalaris per uur uitbetaald. Het gaat hier om het gewone uursalaris dat verschuldigd is voor de prestatie, als die prestatie niet al vergoed is met de verplichte inhaalrust. 4 Het personeelslid dat bij uitzondering buiten zijn/haar normale arbeidstijdregeling of permanentieplicht teruggeroepen wordt om deel te nemen aan een onvoorzien en dringend werk, ontvangt per oproep een verstoringstoelage. De verstoringstoelage bedraagt vier keer het uursalaris. Als berekeningsbasis voor het overloon geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatsvergoeding, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie of de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering. De verstoringstoelage kan gecumuleerd worden met de toeslag voor overuren.
80 Hoofdstuk IV: De andere toelagen Afdeling I: De toelage voor het waarnemen van een hogere functie Artikel 167 Voor de toekenning van de toelage moet de waarneming van de hogere functie ten minste 30 opeenvolgende kalenderdagen beslaan. De toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat het personeelslid bij een bevordering in de waargenomen hogere functie zou ontvangen en het salaris dat het personeelslid in zijn/haar werkelijke functie ontvangt. Artikel 168 In het salaris vermeld in artikel 167, 2 de lid zijn inbegrepen: 1 de haard- of standplaatstoelage; 2 elke andere salarisbijslag Artikel 169 Na een periode van ononderbroken afwezigheid van 30 of meer kalenderdagen verliezen de personeelsleden die belast zijn met de waarneming, vanaf de 31 ste dag het recht op de voor de waarneming voorziene toelage. Afdeling II: De gevarentoelage Artikel 170 Een gevarentoelage wordt toegekend aan de voorwaarden van onderstaande artikels. Artikel 171 Voor de gevarentoelage komen de werkzaamheden in aanmerking waarbij de mate van gevaar, hinder of ongezondheid bij normale uitvoering ervan aanzienlijk toeneemt door de bijzondere omstandigheden van fysieke werkdruk waarin ze uitgevoerd moeten worden of door het gebruik van schadelijke of gevaarlijke stoffen. Het college van burgemeester en schepenen somt in een afzonderlijke lijst de werkzaamheden op die aan die criteria beantwoorden en die in aanmerking komen voor de gevarentoelage. Artikel 172 Het personeelslid dat occasioneel een werk uitvoert dat opgenomen is in de lijst vermeld in artikel 171, ontvangt een gevarentoelage, waarvan het bedrag vastgesteld is op: Aantal uren gevaarlijk werk per maand Toelagebedrag Minder dan 7 uur 1,10 EUR per uur tegen 100% Van 7 tot 25 uur 1,20 EUR per uur tegen 100% Meer dan 25 uur 1,25 EUR per uur tegen 100%
81 Afdeling III: De permanentietoelage Artikel 173 Een permanentietoelage wordt ingesteld voor het personeelslid dat door het hoofd van het personeel wordt aangewezen om zich buiten de normale diensturen thuis beschikbaar te houden voor interventies. De stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris en de financieel beheerder komen niet in aanmerking voor deze permanentietoelage. Artikel 174 Het bedrag van de toelage, vermeld in artikel 173, 1 ste lid, bedraagt 2,01 EUR tegen 100% voor elk uur dat werkelijk aan de permanentie wordt besteed. Dat bedrag is gekoppeld aan de gezondheidsindex. Deze toelage kan niet gecumuleerd worden met andere vergoedingen. Afdeling IV: Toelage voor opdrachthouderschap Artikel 175 De toelage voor opdrachthouderschap, vermeld in artikel 104, is gelijk aan de toelage die het personeelslid zou ontvangen als het een functie van de naast hogere graad, zoals vastgesteld in artikel 102, zou waarnemen. De toelage wordt maandelijks samen met het salaris betaald. Artikel 176 Na een periode van ononderbroken afwezigheid van 30 of meer kalenderdagen verliest de opdrachthouder vanaf de 31 ste dag het recht op de voor het opdrachthouderschap voorzien toelage. Afdeling V: De mandaattoelage Artikel 176bis De mandaathouder krijgt tijdens de uitoefening van het mandaat een mandaattoelage. De toelage voor het uitoefenen van een mandaat, vermeld in artikel 108 quinquies, bedraagt 5% van het geïndexeerde brutosalaris van de mandaathouder. De toelage wordt maandelijks samen met het salaris betaald.
82 Hoofdstuk V: De vergoeding voor reis- en verblijfskosten Afdeling I: Algemene bepalingen Artikel 177 Een dienstreis is de verplaatsing van de woonplaats of de standplaats naar een vooraf bepaalde bestemming in opdracht of op uitnodiging van de bevoegde hiërarchische meerdere van het personeelslid. Artikel 178 Het hoofd van het personeel geeft toestemming voor dienstreizen. Hij beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is. Artikel 179 Reiskosten worden, samen met de bewijsstukken, in tweevoud ingediend met een standaardformulier voor de opgave van de dienstverplaatsing. Het formulier moet binnen een termijn van maximaal één maand na de dienstreis worden ingediend. Ze worden samen met de betaling van het maandloon vergoed. Afdeling II: De vergoeding voor reiskosten Artikel 180 1. Het personeelslid dat voor dienstreizen van zijn/haar eigen voertuig gebruik maakt, heeft op 1 januari 2007 recht op een vergoeding van 0,2903 EUR per kilometer. De kilometervergoeding dekt alle kosten die gepaard gaan met het gebruik van het eigen voertuig, met uitzondering van de parkeerkosten. Onder voertuig wordt verstaan: een auto, motorfiets of bromfiets. Bij carpooling wordt de vergoeding voor de bestuurder verhoogd met een bedrag dat op 1 januari 2007 gelijk is aan 0,1452 EUR. De meereizende personeelsleden hebben geen recht op een kilometervergoeding. Het personeelslid heeft recht op de terugbetaling van eventuele parkeerkosten. Het personeelslid dat voor de dienstreizen van de eigen fiets gebruik maakt, ontvangt 0,15 EUR per kilometer. De vergoedingen waarvan sprake in deze paragraaf worden slechts uitgekeerd op overlegging van een verklaring op erewoord, gestaafd door een omstandige opgave van het aantal voor de dienst afgelegde kilometers of, wat de verplaatsingen met een motorvoertuig betreft, vergezeld van een reiswijzer en met de opgave van de persoon die gaat meerijden. 2. De bedragen van de kilometervergoedingen en worden jaarlijks op 1 juli automatisch aangepast aan het algemene indexcijfer der consumptieprijzen door de van kracht zijnde bedragen te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het consumptieindexcijfer van de maand mei van het voorgaande jaar en de teller gelijk is aan het consumptieindexcijfer van de maand mei van het lopende jaar. Artikel 181 Voor dienstreizen met het openbaar vervoer of per vliegtuig worden de reële kosten vergoed die het personeelslid bewijst in zover de gemaakte kosten niet onverantwoord of buitensporig zijn.
83 Afdeling 3: De hotel- en dagvergoeding Artikel 182 1 Het personeelslid dat een dienstreis met overnachting maakt, heeft recht op vergoeding van de zelf gemaakte kosten voor kamer en ontbijt, maaltijden en eventuele andere bewezen en relevante kosten, op voorwaarde dat het stadsbestuur deze kosten niet zelf heeft gedragen. Het personeelslid dient voor al de gemaakte kosten de originele bewijsstukken in. 2 Het personeelslid heeft recht op een terugbetaling van de effectief gemaakte en bewezen noodzakelijke kosten voor een maaltijd, met een maximum van 15 Euro, op voorwaarde dat het stadsbestuur deze kosten niet zelf heeft gedragen. Het personeelslid dient voor al de gemaakte kosten de originele bewijsstukken in. Hoofdstuk VI: Sociale voordelen Afdeling I: Maaltijdcheques Artikel 183 Elk personeelslid heeft recht op maaltijdcheques, vastgesteld volgens de voorwaarden van het reglement op de maaltijdcheques (bijlage 1). Afdeling II: Hospitalisatieverzekering Artikel 184 Het bestuur heeft een collectieve hospitalisatieverzekering afgesloten voor de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het reglement op de hospitalisatieverzekering (bijlage 1). Het bestuur neemt de premie voor de hospitalisatieverzekering voor de personeelsleden die voltijds of halftijds werken volledig ten laste. Afdeling III: Vergoeding van de kosten voor het woon-werkverkeer Artikel 185 Bij het gebruik van de trein voor de verplaatsing van en naar het werk wordt het personeelslid voor de kosten van het sociaal abonnement vergoed in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen daarover. Als het personeelslid in eerste klasse reist, betaalt het zelf de supplementaire kosten daarvoor. De kosten voor het gebruik van de bus voor de verplaatsing van en naar het werk worden ook vergoed. Artikel 186 Het personeelslid dat het woon- en werkverkeer volledig of gedeeltelijk met de fiets aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding van 20 cent per kilometer.
84 Artikel 187 Het personeelslid dat minstens 66% arbeidsongeschikt is, ontvangt een vergoeding voor de woon-werkverplaatsing met de wagen. Die vergoeding is gelijk aan de kostprijs van een treinkaart tweede klasse over dezelfde afstand. Afdeling 4: De begrafenisvergoeding Artikel 188 Als een personeelslid overlijdt, wordt de in artikel 1 genoemde persoon of personen een vergoeding toegekend die overeenstemt met het geïndexeerde maandsalaris, eventueel verhoogd met de haard- en standplaatsvergoeding of met om het even welke andere salaristoeslag. Het geïndexeerde maandsalaris wordt omgezet in een maandsalaris voor voltijdse prestaties als het overleden personeelslid werkte in een deeltijds prestatieregime. De begrafenisvergoeding mag het twaalfde van het bedrag, vastgesteld met toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet overschrijden. De vergoeding wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag van een vergoeding die krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen wordt toegekend. Artikel 189 De begrafenisvergoeding wordt betaald aan de persoon of de personen die kosten voor de begrafenis gedragen hebben. Hoofdstuk VII: De vergoeding van de conciërge Artikel 190 De conciërge geniet voor zijn verplichtingen als conciërge de kosteloze huisvesting in een woning die aan de hedendaagse comfortnormen voldoet met gratis verwarming en verlichting, als voordelen in natura.
85 Titel IX: Verloven en afwezigheden Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Artikel 191 1. Het statutaire personeelslid bevindt zich geheel of gedeeltelijk in een van de volgende administratieve toestanden: 1. dienstactiviteit 2. non-activiteit 3. disponibiliteit 2. Het statutair personeelslid staat in dienstactiviteit wanneer het recht op salaris heeft, zelfs bij verlof of afwezigheid, tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald. Een statutair personeelslid dat afwezig is ten gevolge van een toepassing van een schorsing als tuchtstraf, of ten gevolge van een preventieve schorsing zoals bedoeld in artikel 131 tot en met 136 van het Gemeentedecreet, bevindt zich in een toestand van dienstactiviteit. Het personeelslid dat afwezig is in geval van overmacht bevindt zich in een toestand van dienstactiviteit. Het personeelslid mag om uitleg verzocht worden over de aard en de omstandigheden van de overmacht. Het personeelslid mag de overmacht aantonen met alle gebruikelijke rechtsmiddelen, zoals documenten, attesten en eventueel getuigenverklaringen. De periode van deelname aan een georganiseerde werkonderbreking wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit, behalve voor wat het recht op salaris betreft. 3. Het statutair personeelslid staat in non-activiteit bij verlof of afwezigheid wanneer het geen recht op salaris heeft, tenzij die op dwingende wijze anders bepaald zijn in deze titel of anders bepaald bij wet, decreet of besluit. Het statutair personeelslid staat eveneens in non-activiteit wanneer het personeelslid zonder toestemming of geldige reden afwezig is, tenzij in geval van overmacht. de duur van een reglementaire toegestane afwezigheid zonder geldige reden overschrijdt. 4. Wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst, heeft het contractueel personeelslid geen recht op salaris, tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald in deze rechtspositieregeling of door de wet. 5. Het statutair personeelslid staat in disponibiliteit wanneer het recht heeft op een wachtgeld dat wordt berekend op de bezoldigingsonderdelen die ook voor de vaststelling van de pensioenen in aanmerking komen. Artikel 192 Het statutair personeelslid kan niet in disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden gesteld, of gehouden, na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. Artikel 193 Alle verloven worden toegekend door, of onder verantwoordelijkheid van het hoofd van het personeel, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in deze rechtspositieregeling.
86 Artikel 194 Bij de toekenning van de in deze titel vermelde verloven en afwezigheden wordt, waar mogelijk, zoveel mogelijk rekening gehouden met de goede werking van de dienst. Behoudens wanneer uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt een afwezigheid of verlof altijd per dag of halve dag opgenomen. Hoofdstuk II: De jaarlijkse vakantie Artikel 195 1. Een voltijds personeelslid heeft recht op 35 werkdagen betaalde vakantie op grond van een gemiddelde werkdag van 7,60 uren voor een volledig dienstjaar. De laatste halve werkdag voor Pasen, Kerstmis en Nieuwjaar zijn de stadsdiensten collectief gesloten, met uitzondering van de stadsdiensten die de continuïteit van de dienst moeten verzekeren. De personeelsleden die gedurende de collectieve sluiting de continuïteit van de dienst niet moeten verzekeren, nemen tijdens de periode van de collectieve sluiting, verlof. Het dienstjaar dat in aanmerking genomen wordt als referentiejaar is het lopende dienstjaar. Voor de gesubsidieerde contractanten wordt als referentiejaar het dienstjaar voorafgaandelijk aan dat waarin vakantie wordt genomen in aanmerking genomen. 2. Elke aanvraag voor verlof moet worden ingediend bij de hiërarchische meerdere die door het hoofd van het personeel hiervoor wordt aangeduid. 3. De vakantiedagen van meer dan één dag moeten vijf dagen op voorhand worden aangevraagd. Als de aangevraagde dagen of periodes niet verzoenbaar zijn met de behoeften van de dienst, dan wordt dit zo vlug mogelijk meegedeeld aan het personeelslid. Het personeelslid dat recht heeft op volledig verlof moet gedurende een aaneengesloten periode van ten minste veertien kalenderdagen verlof nemen. 4. Met uitzondering van de laatste halve werkdag voor Pasen, Kerstmis en Nieuwjaar worden de vakantiedagen genomen naar keuze van het personeelslid, met inachtname van de behoeften van de dienst. In afwijking hiervan kan het personeelslid elk jaar maximum vier vakantiedagen nemen zonder dat het dienstbelang kan worden ingeroepen om het verlof te weigeren. Artikel 196 Elke periode met recht op salaris geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen, rekening houdend met de prestatieregeling. Bij afwezigheden zonder recht op salaris of afwezigheden wegens deeltijdse prestaties wordt het recht op betaalde vakantie verhoudingsgewijze verminderd. Periodes met recht op een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering worden binnen de wettelijke grenzen gelijkgesteld met periodes met recht op salaris. Het aantal vakantiedagen wordt in dit geval niet verminderd. Artikel 197 Periodes van disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden in het jaar van de weder indiensttreding gelijk gesteld met periodes met recht op salaris. Het aantal vakantiedagen wordt niet verminderd. Periodes van maximum 12 maanden disponibiliteit wegens ziekte worden gelijkgesteld met periodes van recht op salaris. Het aantal vakantiedagen wordt in dat geval niet verminderd.
87 Als een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn functie definitief neerlegt, worden zijn vakantiedagen in evenredige mate verminderd. Als de berekening leidt tot een niet geheel getal wordt het aantal vakantiedagen waarop het personeelslid recht heeft afgerond naar boven, tot het eerstvolgend halve getal. Als een personeelslid in de loop van eenzelfde jaar meerdere periodes van nietgelijkgestelde afwezigheden zonder recht op salaris bekomt of één of meerdere wijzigingen van het aantal uren werkelijke prestaties, dan wordt bij de berekening van het aantal vakantiedagen telkens rekening gehouden met de bedoelde afwezigheden of de deeltijdse prestaties alsof ze één geheel vormen. Artikel 198 1 Met uitzondering van de gesubsidieerde contractuelen wordt vakantieverlof in evenredige mate verminderd wanneer het personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn/haar functie definitief neerlegt en dit op basis van de arbeidsprestaties. 2. Het vakantieverlof wordt in evenredige mate verminderd wanneer het personeelslid onvolledige prestaties levert of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden opneemt: Verlof voor Loopbaanonderbreking of loopbaanvermindering Thematische verloven (Palliatief, medische bijstand en ouderschapsverlof) Verlof wegens deeltijdse prestaties Na 12 maanden disponibiliteit wegens ziekte Verlof voor opdracht Onbetaald verlof Verloven op basis van federale of gewestelijke wetgeving, die leiden tot een toestand van non-activiteit (Vrijwillige vierdagenweek) Politiek verlof Het vakantieverlof voor de contractuele personeelsleden bestaat enerzijds uit het wettelijke vakantieverlof van maximum 20 dagen, geregeld conform de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers en anderzijds uit 15 dagen betaald aanvullend vakantieverlof dat op dezelfde wijze wordt verleend als het jaarlijks vakantieverlof voor de vast aangestelde statutaire personeelsleden. Het aanvullend vakantieverlof wordt verminderd in verhouding tot het aantal van de in 2 vermelde afwezigheden die in het lopende jaar worden opgenomen. Artikel 199 Wanneer een personeelslid in de loop van het dienstjaar zijn/haar aantal vakantiedagen niet volledig heeft uitgeput, mag het personeelslid maximum 5 dagen verlof overdragen naar het volgende jaar. Dit verlof dient vóór 1 mei opgenomen te worden. Bij arbeidsongeval, verwijdering van de werkplaats bij zwangere vrouwen en beroepsziekte kan het personeelslid meer dagen overdragen, deze aanvraag dient gericht te worden aan het hoofd van het personeel. Artikel 200 Als er bij het einde van de loopbaan van een vast aangesteld statutair personeelslid nog een bestaand tegoed aan vakantiedagen zijn wordt door de dienstchef aan het hoofd van het personeel verslag uitgebracht over de reden van dit tegoed. Om dienstorganisatorische redenen of medische redenen, kan het hoofd van het personeel beslissen tot uitbetalen van het resterend vakantietegoed.
88 Artikel 201 Als een vast aangesteld statutair personeelslid ziek wordt voor de aanvang van een vakantiedag of een periode van vakantiedagen, dan wordt de vakantie opgeschort en worden de ziektedagen aangerekend op het beschikbare ziektekrediet. Wanneer een vast aangesteld statutair personeelslid ziek wordt tijdens zijn/haar vakantie, dan wordt de vakantie opgeschort en worden de ziektedagen aangerekend. Als een vast aangesteld statutair personeelslid tijdens zijn/haar vakantie in het ziekenhuis opgenomen wordt, dan wordt de vakantie opgeschort vanaf de eerste dag van de ziekenhuisopname. Wanneer een contractueel personeelslid ziek wordt voor de aanvang van een vakantiedag of een periode van vakantiedagen, dan wordt de vakantie opgeschort en worden ziektedagen aangerekend. Wanneer een contractueel personeelslid tijdens zijn/haar vakantieverlof ziek wordt, kan hij/zij de ziektedagen niet recupereren als vakantiedagen. Hoofdstuk III: De feestdagen Artikel 202 1. Het personeelslid heeft betaalde vakantie op de volgende feestdagen: 1 januari, 2 januari, paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartsdag, pinkstermaandag, 11 juli, 21 juli, 15 augustus, 1 november, 2 november, 11 november, 25 december en 26 december. Als een feestdag samenvalt met een zaterdag of een zondag wordt deze dag vervangen door een andere dag. Deze vervangingsdagen moeten binnen hetzelfde jaar opgenomen worden en zijn niet overdraagbaar naar het volgende dienstjaar. 2. Als een personeelslid moet werken op een feestdag, dan kan hij de gepresteerde uren als compensatie opnemen zoals de jaarlijkse vakantiedagen. Artikel 203 Onder artikel 202 bedoelde feestdagen en vervangingsdagen worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. De contractuele personeelsleden behouden op die dagen hun recht op salaris. Hoofdstuk IV: Moederschapsverlof en opvangverlof Afdeling I. Het moederschapsverlof Artikel 204 Het moederschapsverlof wordt toegekend aan het personeelslid volgens de bepalingen en voorwaarden van de Arbeidswet van 16 maart 1971. Artikel 205 Het vast aangesteld statutair personeelslid behoudt het recht op salaris tijdens het moederschapsverlof, op voorwaarde dat betrokkene alle beroepsbekwaamheid staakt. Bij verlenging van de postnatale rustperiode wordt het vast aangestelde statutaire personeelslid tijdens de duur van die verlenging doorbetaald.
89 Voor contractuele personeelsleden geldt de regelgeving van gewaarborgd loon en moederschapsuitkeringen als bedoeld in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Het moederschapsverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Artikel 206 Zwangere of borstgevende personeelsleden mogen geen overuren verrichten. Artikel 207 De personeelsleden die in toepassing van artikel 42 en 43 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden vrijgesteld van arbeid, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dat verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Zodra zij op de hoogte zijn van hun toestand dienen zij, met het oog op de moederschapsbescherming, met een aangetekend schrijven het bestuur hiervan in te lichten. Afdeling II. Het vaderschapsverlof in bijzondere omstandigheden Artikel 208 1. Als de moeder overlijdt, heeft het vast aangestelde statutaire personeelslid dat vader is van het kind, recht op vaderschapsverlof, dat niet langer mag duren dan het deel van het moederschapsverlof dat nog niet opgenomen werd door de moeder bij haar overlijden. 2. Bij opname van de moeder in het ziekenhuis heeft het vast statutaire personeelslid dat vader is van het kind, recht op vaderschapsverlof, dat op zijn vroegst een aanvang neemt vanaf de 8 ste dag, te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de moeder meer dan zeven dagen opgenomen is in het ziekenhuis en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft. Het vaderschapsverlof eindigt als de moeder het ziekenhuis verlaat en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het deel van het moederschapsverlof dat door de moeder op het ogenblijk van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen. 3. Het personeelslid dat dit verlof wenst op te nemen, brengt er het bestuur schriftelijk van op de hoogte voor de aanvang van het vaderschapsverlof. De brief vermeldt de aanvangsdatum van het verlof en de vermoedelijke duur van de afwezigheid. De verlofaanvraag wordt gestaafd door een medisch getuigschrift dat een hospitalisatie van meer dan zeven dagen van de moeder volgend op de datum van de bevalling vermeldt evenals de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis heeft verlaten. 4. Het vaderschapsverlof is voor het vast aangesteld statutair personeelslid bezoldigd. Artikel 209 Bij het overlijden of de hospitalisatie van de moeder heeft de vader die een contractueel personeelslid is en die de hoedanigheid van gerechtigde heeft in de ziekte- en invaliditeitsverzekering recht op vaderschapsverlof volgens de voorwaarden en bepalingen van het KB van 17 oktober 1994 betreffende de omzetting van het moederschapsverlof in vaderschapsverlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder.
90 Afdeling III. Het opvangverlof Artikel 210 Het personeelslid dat in het kader van een adoptie een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, heeft, met het oog op de zorg voor dit kind, recht op een opvangverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken als het kind de leeftijd van drie jaar al heeft bereikt. Voor het bepalen van de maximumduur van het opvangverlof wordt de leeftijd van het kind op het tijdstip van de aanvang van het verlof in aanmerking genomen. Indien het personeelslid ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken opvangverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen. Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft. De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medischsociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag. Indien slechts een van de samenwonende partners adopteert of de pleegvoogdij uitoefent, kan alleen die persoon van het verlof genieten. Indien het personeelslid samenwoont of gehuwd is met een ander personeelslid mag het verlof, op aanvraag van de adoptanten of pleegvoogden, onder hen verdeeld worden De uitoefening van het recht op opvangverlof neemt een einde op het moment waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt tijdens de opname van het verlof. Tijdens het opvangverlof behoudt het vast aangesteld statutair personeelslid het recht op zijn gebruikelijke salaris. Het opvangverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. De contractuele personeelsleden hebben gedurende de afwezigheid recht op salaris Het personeelslid dat gebruik wenst te maken van het recht op opvangverlof dient het college van burgemeester en schepenen ten minste één maand vóór de opname van het verlof hiervan schriftelijk op de hoogte te brengen. De kennisgeving gebeurt door middel van een aangetekend schrijven of door overhandiging van een geschrift, waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door het college van burgemeester en schepenen. De kennisgeving dient de begin- en einddatum van het opvangverlof te vermelden. Het personeelslid dient uiterlijk op het ogenblik waarop het opvangverlof ingaat, aan het college van burgemeester en schepenen de documenten te verstrekken ter staving van de gebeurtenis die het recht op adoptieverlof doet ontstaan.
91 Hoofdstuk V: Het ziekteverlof Afdeling I. Algemene bepalingen Artikel 211 Het personeelslid dat arbeidsongeschikt is wegens ziekte of wegens ongeval krijgt ziekteverlof. Artikel 212 1. Het personeelslid met ziekteverlof staat onder het toezicht van het onafhankelijk geneeskundig controleorgaan dat wordt aangeduid door de gemeenteraad. 2. In geval van ziekte dient het personeelslid zo snel mogelijk en ten laatste 1 uur na de aanvang van de tewerkstelling de dienstchef te verwittigen met de mededeling van de verblijfplaats. 3. Binnen de 48 uur dient het vertrouwelijk getuigschrift, volledig ingevuld door de betrokkene en de behandelende geneesheer of het ziekenhuis, gezonden worden aan het adres van de medische sociale dienst. 4. Het vertrouwelijk getuigschrift maakt melding van de arbeidsongeschiktheid, alsmede van de waarschijnlijke duur ervan, de plaats van verblijf tijdens de ziekte wanneer die verschilt van de door het bestuur gekende adres, en of het personeelslid zijn plaats van verblijf al dan niet mag verlaten. 5. Behoudens in geval van overmacht kan het laattijdig bezorgen of overhandigen van het vertrouwelijk getuigschrift leiden tot het verlies van het recht op het salaris dat het bestuur voor die dagen van arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan de dag van afgifte of verzending van het getuigschrift zou verschuldigd geweest zijn, in geval de dagen van afwezigheid tijdig zouden gerechtvaardigd geweest zijn als afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid. 6. Het personeelslid mag de woonst niet verlaten vóór hij/zij het bewijs van toegekend ziekteverlof van de controlerende geneesheer heeft ontvangen. Indien het bewijs van toekenning na drie werkdagen te rekenen vanaf de begindatum van de ziekte, niet in het bezit is van het personeelslid mag de verblijfplaats verlaten worden, zo het door de behandelende geneesheer wordt toegestaan. Indien het personeelslid voor doktersraadpleging de woonst moet verlaten, dient daartoe een bewijs gevraagd met vermelding van datum en uur (voor te leggen aan de controlearts) 7. Tijdens de ziekteperiode kan het personeelslid thuis gecontroleerd worden door de controlearts/geneeskundig controleorgaan of bij deze ontboden worden. Het personeelslid dient bij elke wijziging in de verblijfplaats dit onmiddellijk te melden. 8. In geval van verlenging van de ziekteperiode wordt dezelfde procedure herhaald. 9. In geval van werkhervatting dient het diensthoofd ten laatste de dag voordien hiervan in kennis gesteld. 10. Als het personeelslid het werk vervroegd wil hervatten, dient dit personeelslid vooraf een geneeskundig getuigschrift van de behandelende arts door te sturen naar de controlerende geneesheer. Artikel 213 Na een ziekte of ongeval die een afwezigheid van vier weken of meer voor gevolg heeft, moet elk personeelslid zich vóór de werkhervatting aanmelden bij de externe dienst voor preventie en bescherming. Het personeelslid neemt hiervoor zelf het initiatief.
92 Deze maatregel geldt eveneens voor personeelsleden die, aansluitend op een afwezigheid wegens ziekte of ongeval van 4 weken of meer, met vakantie willen gaan. Om de controle door de arbeidsgeneesheer mogelijk te maken dient het personeelslid alle nodige medische documenten mee te brengen. Deze documenten zijn te bekomen bij de behandelend arts. Afdeling II. Ziekteverlofregeling Artikel 214 Het contractueel personeel valt voor de betaling gedurende afwezigheid wegens ziekte of ongeval, na de regeling van het gewaarborgd loon onder het stelsel van de wetgeving op de ziekteverzekering. Voor het statutair op proef aangestelde personeel, geldt dezelfde ziekteverlofregeling als voor de contractuele personeelsleden. Artikel 215 1. Het vast aangestelde statutaire personeelslid heeft recht op een ziekteverlof volgens een stelsel van ziektekredietdagen. Voor opgenomen ziektekredietdagen wordt het gewone salaris betaald. Ziektekredietdagen worden toegekend in de vorm van een krediet van 21 werkdagen per jaar volledige dienstactiviteit. Bij aanvang, en na de eventuele periode van recht op ziekteuitkeringen in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, wordt aan een vast aangesteld statutair personeelslid onmiddellijk een krediet van 63 werkdagen toegestaan. Aanvullende ziektekredietdagen worden nadien toegestaan voor het vierde en de daaropvolgende jaren die recht geven op ziektekrediet. 2. Periodes van disponililiteit wegens ziekte komen eveneens in aanmerking voor de vaststelling van het jaarlijkse aantal ziektekredietdagen Periodes van disponibiliteit wegens ambtsopheffing komen niet in aanmerking voor de vaststelling van het jaarlijks aantal ziektekredietdagen. Bij de bepalingen van het jaarlijkse ziektekrediet wordt verhoudingsgewijs rekening gehouden met de periodes van non-activiteit en van disponibiliteit die geen recht geven op ziektekrediet. Als deze berekening leidt tot een niet geheel getal wordt het aantal ziektekredietdagen waarop het personeelslid recht heeft afgerond naar boven, tot het eerstvolgend geheel getal. 3. Ziektekredietdagen, opgebouwd bij een of meerdere vorige publieke werkgevers, worden eveneens in rekening gebracht. De berekening gebeurt op dezelfde wijze als voor de periodes in dienst van het bestuur, en met aftrek van de bij de vorige publieke werkgevers opgenomen ziektedagen. 4. De vakantiedagen die het vast aangesteld statutair personeelslid niet heeft kunnen opnemen als gevolg van een langdurige ziekte, worden toegevoegd aan het nog beschikbare ziektekrediet. Als langdurige ziekte geldt een totale afwezigheid wegens ziekte, gedurende een kalenderjaar, van meer dan 4 maanden. 5 Voor een personeelslid met een onregelmatige of deeltijdse werktijdregeling wordt de afwezigheid wegens ziekte pro rata berekend.
93 Artikel 216 Het ziekteverlof stelt geen einde aan een eventuele toestand van deeltijdse arbeid. Artikel 217 Zodra de aanstellende overheid heeft vastgesteld dat een vast aangesteld statutair personeelslid zijn ziektekrediet heeft opgebruikt, en als het betrokken personeelslid nog altijd ziek is, kan het personeelslid na 30 dagen na de datum van indisponibiliteitstelling wegens ziekte, worden doorverwezen naar de federale medische dienst Medex die bevoegd is voor de eventuele verklaring tot definitieve ongeschiktheid, met het oog op een eventuele vervroegde pensionering om gezondheidsredenen. Artikel 218 Het vast aangesteld statutair personeelslid dat tijdens een opdracht bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling op pensioen werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioenuitkering van die overheid of instelling ontvangt, kan voor het ziektekrediet, vermeld in artikel 215 is opgebruikt, definitief ongeschikt worden verklaard. Afdeling III. Verlof wegens arbeidsongeschiktheid Artikel 219 1. Verlof wegens arbeidsongeschiktheid wordt toegestaan voor de duur van de afwezigheid naar aanleiding van: 1 een arbeidsongeval; 2 een ongeval op de weg naar en van het werk; 3 een ongeval van gemeen recht, veroorzaakt door d e schuld van een derde; 4 een beroepsziekte; 5 de vrijstelling van de arbeid van het zwangere p ersoneelslid of het personeelslid dat borstvoeding geeft en dat werkt in een schadelijk arbeidsmilieu, nadat vastgesteld werd dat geen aangepaste of andere arbeidsplaats mogelijk is; 6 de dagen afwezigheid wegens ziekte die zich voor doen binnen zes weken voor de werkelijke bevallingsdatum. Bij de geboorte van een meerling wordt die periode verlengd tot acht weken. Die dagen van afwezigheid worden niet aangerekend op het beschikbare ziektekrediet, vermeld in artikel 215, behalve voor de toepassing van artikel 217 voor wat de afwezigheden, vermeld in artikel 219, 1, 1 tot en met 4, betreft. 2. In de gevallen waarin de afwezigheid veroorzaakt is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk, een ongeval van gemeen recht veroorzaakt door de schuld van een derde of een beroepsziekte, te wijten is aan een verantwoordelijke derde partij, ontvangt het statutair personeelslid het salaris alleen als voorschot, dat nadien verrekend wordt op de door de derde verschuldigde vergoeding en dat op de derde te verhalen is. Om het salaris als voorschot te kunnen verkrijgen, moet het personeelslid zijn bestuur in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen laten treden die de getroffene kan doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het ongeval, tot het bedrag van het salaris. Artikel 220 Een contractueel personeelslid dat het slachtoffer wordt van een arbeids(weg)ongeval of beroepsziekte geniet tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid een vergoeding conform de wettelijke regeling van toepassing op de vast aangestelde statutaire personeelsleden.
94 In afwijking van de vorige alinea, kan het contractueel personeelslid tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid de toepassing inroepen van artikel 3bis (beroepsziekten) van de wet van 3 juli 1967, indien deze regeling gunstiger is. Afdeling IV. Halftijds ziekteverlof Artikel 221 1. Een vast aangesteld statutair personeelslid dat na een afwezigheid wegens ziekte of ongeval van gemeen recht geschikt wordt geacht om zijn functie weer op te nemen met deeltijdse prestaties, kan toestemming krijgen zijn functie opnieuw op te nemen met een deeltijds uurrooster van ten minste de helft van het normale uurrooster van het betrokken personeelslid. De toestemming wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 maanden. 2 De afwezigheid van het vast aangesteld statutair personeelslid tijdens een periode van deeltijdse prestaties wegens ziekte wordt beschouwd als verlof en gelijkgesteld met dienstactiviteit. Artikel 222 Bij de aanvragen tot vakantieverlof in halftijdse periode van ziekte primeert het vakantieverlof op het ziekteverlof waardoor het vakantieverlof als een volledige dag wordt aangerekend. Hoofdstuk VI: De disponibiliteit Afdeling I. Algemene bepalingen Artikel 223 De vast aangestelde statutaire personeelsleden kunnen volgens de voorwaarden van dit Besluit in disponibiliteit worden gesteld wegens ziekte of invaliditeit of ambtsopheffing. Artikel 224 De aanstellende overheid van het betrokken statutaire personeelslid neemt de beslissing om het vast aangesteld statutair personeelslid in disponibiliteit te stellen. Artikel 225 Het wachtgeld wordt berekend op de bezoldigingsonderdelen die ook voor de vaststelling van de pensioenen in aanmerking komen. Artikel 226 De tijd die een vast aangesteld statutair personeelslid doorbrengt in de stand disponibiliteit moet worden aangerekend als werkelijke dienst. Elk vast aangesteld statutair personeelslid dat in disponibiliteit werd gesteld, moet aan het college van burgemeester en schepenen een adres bekend maken in een van de lidstaten van de Europese Unie, waar hem de beslissingen die op hem betrekking hebben, kunnen worden bezorgd.
95 Afdeling II. De disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit Artikel 227 1. Het vast aangesteld statutair personeelslid kan bij afwezigheid wegens ziekte of invaliditeit in disponibiliteit worden gesteld op het ogenblik dat het personeelslid het totale aantal beschikbare ziektekredietdagen, toegekend volgens de bepalingen van de rechtspositieregeling, heeft opgebruikt. 2. De disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit houdt op telkens als de toestand van ziekte of invaliditeit ophoudt te bestaan, of als het betrokken statutair personeelslid, al dan niet vervroegd, op pensioen wordt gesteld. Voor de vaststelling en rechtvaardiging van de toestand van ziekte of invaliditeit gelden dezelfde regels als voor een ziek of invalide statutair personeelslid dat zijn beschikbare ziektekrediet nog niet volledig heeft opgebruikt. 3. Het vast aangesteld statutair personeelslid dat in disponibiliteit is gesteld wegens ziekte of invaliditeit, behoudt zijn aanspraken op verhoging in salaris. Artikel 228 1. Het vast aangesteld statutair personeelslid dat in disponibiliteit is gesteld wegens ziekte of invaliditeit, ontvangt een wachtgeld, gelijk aan 60% van het laatste activiteitssalaris en de fictieve ontwikkeling daarvan, berekend volgens de regels die van toepassing zouden zijn geweest als het personeelslid nog in effectieve actieve dienst was gebleven. 2. Het bedrag van dat wachtgeld mag echter in geen geval minder bedragen dan: 1 de vergoedingen die betrokkene in dezelfde toest and zou hebben verkregen met toepassing van de regeling voor contractuele werknemers in het kader van de sociale verzekering bij ziekte en invaliditeit; 2 het pensioen dat de betrokkene verkregen zou heb ben bij vervroegde pensionering op dezelfde dag waarop de toestand van disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit ingaat. Afdeling III. De disponibiliteit wegens ambtsopheffing Artikel 229 1. De vast aangestelde statutaire personeelsleden die in disponibiliteit wegens ambtsopheffing zijn gesteld, behouden hun aanspraken op verhoging van salaris. Zij genieten een wachtgeld, gebaseerd op de laatste activiteitssalaris en de fictieve ontwikkeling daarvan, berekend volgens de regels die van toepassing zouden zijn geweest als zij nog in effectieve actieve dienst waren gebleven. 2. Het eerste en het tweede jaar is het wachtgeld gelijk aan het laatste activiteitssalaris en de ontwikkeling ervan, vermeld in 1. Elk jaar dat daarop volgt wordt het met 20% verminderd. Het wachtgeld mag echter, binnen de grens van 40/40, niet lager zijn dan zoveel maal 1/40 van het laatste activiteitssalaris als het statutaire personeelslid, op de datum van de indisponibiliteitsstelling wegens ambtsopheffing, jaren werkelijke dienst in de openbare sector heeft. 3. Als tijdens een disponibiliteit wegens ambtsopheffing de organieke salarissen van het personeel worden gewijzigd, dan wordt het wachtgeld aangepast aan het nieuwe fictieve laatste activiteitssalaris, dat zal worden berekend rekening houdende met de omschakelingsprincipes van de herziening van de salarisschalen en uitgaande van het vroegere laatste activiteitssalaris dat als basis heeft gediend om het vroegere wachtgeld te berekenen.
96 4. In geen geval mag de disponibiliteit wegens ambtsopheffing in het totaal, en al dan niet met onderbroken periodes, de duur van de werkelijke overheidsdiensten van het statutaire personeelslid overtreffen, met inbegrip van de tijdelijke en contractuele diensten in de publieke sector, maar met uitsluiting van de militaire diensten die voor de vermelde overheidsdiensten werden volbracht. Het vast aangesteld statutair personeelslid kan door het bestuur niet meer dan tweemaal in disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden gesteld. Artikel 230 1. De vast aangestelde statutaire personeelsleden in disponibiliteit wegens ambtsopheffing kunnen opnieuw in actieve dienst worden opgeroepen. Voor de vacante betrekking bij het gemeentebestuur, genieten zij de voorkeur, als zij beantwoorden aan de reglementaire voorwaarden om die betrekking te verkrijgen. Bij keuzemogelijkheid uit meerdere in disponibiliteit wegens ambtsopheffing gestelde statutaire personeelsleden moet met het aantal dienstjaren en met de voor de vacante betrekking vereiste bijzondere geschiktheden rekening worden gehouden. 2. Als een vast aangesteld statutair personeelslid in disponibiliteit wegens ambtsopheffing weer in actieve dienst geroepen wordt, dan moet dat zo spoedig mogelijk gebeuren. Het statutair personeelslid kan echter het gemeentebestuur om een wachttermijn van een maand verzoeken, die ingaat de eerste dag van de maand die volgt op de maand van ontvangst van de individuele betekening van de beslissing van het bestuur om een einde te stellen aan de disponibiliteit wegens ambtsopheffing door toewijzing van een nieuwe statutaire betrekking. Als het vast aangesteld statutair personeelslid tijdens zijn indisponibiliteitsstelling een andere beroepsactiviteit heeft gevonden, dan heeft hij recht op een uitstel van maximaal drie maanden, als hij opnieuw in actieve dienst wordt geroepen. Hoofdstuk VII: Het verlof voor deeltijdse prestaties Artikel 231 Het personeelslid, met uitzondering van het personeelslid op proef, kan een verlof voor deeltijdse prestaties krijgen. Dit verlof is geen recht, maar wordt toegestaan als een gunstmaatregel, voor zover de goede werking van de dienst daardoor niet in het gedrang komt. Aan de volgende categorieën van personeelsleden kan geen verlof voor deeltijdse prestaties worden toegestaan: 1 decretale graden; 2 leden van het managementteam; Voor een contractueel personeelslid wordt een verlof voor deeltijdse prestaties beschouwd als een deeltijdse schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en niet als een wijziging van de arbeidsovereenkomst. De deeltijdse schorsing van de arbeidsovereenkomst betekent geen verworven recht voor het contractueel personeelslid, noch een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. Te allen tijde kan hieraan volgens de voorwaarden bepaald in dit Besluit een einde worden gemaakt. Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt ambtshalve opgeschort zodra het personeelslid verlof krijgt in verband met een bevalling, adoptie of pleegvoogdij, of ouderschap. Het verlof voor deeltijdse prestaties duurt minimum drie maanden en maximaal 24 maanden. Verlengingen kunnen worden verleend voor periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden.
97 Het personeelslid kan een vermindering van zijn gebruikelijke prestaties vragen met ½ de, ¼ de of 1/5 de. Artikel 232 Het ziekteverlof maakt geen einde aan een toegekend stelsel van verlof voor deeltijdse prestaties. Als een feestdag op een dag van verlof voor deeltijdse prestaties valt, loopt dat verlof door. Verlof voor deeltijdse prestaties wordt niet bezoldigd. Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt voor het bezoldigde gedeelte gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens de periode van verlof voor deeltijdse prestaties behoudt het personeelslid zijn aanspraken op bevordering. Het personeelslid kan voor de aangevraagde termijn verstreken is, een einde stellen aan het verlof voor deeltijdse prestaties, mits een opzegging van één maand vóór het einde van het verlof voor deeltijdse prestaties bij het hoofd van het personeel of de door hem aangeduide hiërarchische verantwoordelijke. Artikel 233 Het aantal jaarlijkse vakantiedagen, ziekteverlof of verlof wegens arbeidsongeschiktheid en onbetaald verlof wordt verminderd pro rata de geleverde deeltijdse prestaties. Artikel 234 Het bedrag van de eindejaartoelage en het vakantiegeld wordt pro rata de deeltijdse prestaties vastgesteld. Artikel 235 Bij vermindering van prestaties wordt de uurregeling in onderling overleg met de dienstchef gekozen, rekening houdend met de organisatie en de goede werking van de dienst. Deze uurregeling geldt uitsluitend voor de duur van het verlof voor deeltijdse prestaties en maakt geen verworven recht uit. Enkel op vraag van het personeelslid of van de dienstchef kan de overeengekomen arbeidstijdregeling tijdens de periode van verminderde prestaties worden gewijzigd. Wanneer de dienstchef voorstelt om de arbeidstijdregeling gedurende de lopende periode te wijzigen, dan moet hij/zij kunnen aantonen dat dit in het belang van de dienst en met akkoord van het personeelslid gebeurt. Artikel 236 De afwezigheid als gevolg van verlof voor deeltijdse prestaties kan opgenomen worden naast de volgende vormen van verlof: - jaarlijkse vakantiedagen - omstandigheidsverlof - dienstvrijstellingen - afwezigheden die kaderen binnen de moederschapsbescherming - de thematische verloven (ouderschapsverlof, medische bijstand en palliatieve zorgen) - verlof voor opvang van adoptie en pleegvoogdij - ziekteverlof en arbeidsongeschiktheid ingevolge een arbeids(weg)ongeval of beroepsziekte - profylaxeverlof - verlof voor het verrichten van militaire prestaties of daarmee gelijkgestelde diensten
98 - dienstvrijstelling voor syndicale activiteiten - verlof voor opdracht - terbeschikkingstelling als kabinets- of fractiepersoneel - politiek verlof Artikel 237 Bij een verandering van graad, functie of bij de vervulling van een vacature door interne personeelsmobiliteit, kan de afwezigheid als gevolg van het verlof voor deeltijdse prestaties enkel behouden blijven indien de (nieuwe) leidinggevende zich hiermee akkoord verklaart. Artikel 238 Dit verlof voor deeltijdse prestaties moet uiterlijk drie maanden voor de beoogde opneming ervan worden aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen. De aanvraag bevat de datum van de aanvang van het verlof voor de deeltijdse prestaties, de duurtijd van de deeltijdse prestaties en de voorgestelde uurregeling. Op verzoek van het personeelslid en mits uitdrukkelijk akkoord van de dienstchef kan de aanvraagtermijn worden ingekort met dien verstande dat de termijn steeds minstens één maand moet bedragen. Aanvragen tot verlenging van de afwezigheid moeten uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de lopende afwezigheidsperiode schriftelijk worden ingediend. Hoofdstuk VIII: Het verlof voor opdracht Artikel 239 Het vast aangesteld statutair personeelslid kan verlof krijgen om: 1 een functie uit te oefenen op een kabinet, of in voorkomend geval bij de entiteiten met politieke functie tot vervanging van het kabinet, van een federale minister, staatssecretaris of regeringscommissaris, een lid van de regering van een gemeenschap of een gewest, een provinciegouverneur, de gouverneur of de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, of de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant, een gedeputeerde, een burgemeester of schepen, een Europees commissaris; 2 op verzoek van de voorzitter van een erkende pol itieke groep of fractie, een functie uit te oefenen bij een erkende politieke groep van de wetgevende vergaderingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en de gewesten of van Europese Unie, bij de voorzitter van een dergelijke groep, of bij een erkende fractie van een gemeenteraad of een provincieraad; 3 een externe opdracht uit te voeren waarvan de ra ad het algemeen belang erkent. Onder een dergelijke opdracht wordt in ieder geval verstaan de uitoefening van nationale en internationale opdrachten, aangeboden door een regering of een internationale instelling, en de internationale opdrachten in het raam van ontwikkelingssamenwerking, wetenschappelijk onderzoek of humanitaire hulp. De aanvaarding van voormelde functie gebeurt na akkoord van het college van burgemeester en schepenen. Artikel 240 Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit, behalve voor wat de bezoldiging betreft. Het verlof is in principe onbezoldigd, tenzij deze bezoldiging wettelijk verplicht is.
99 Artikel 241 Het verlof voor opdracht is een gunst en moet verzoenbaar zijn met de goede werking van het bestuur. Een eventuele weigering van een verlof voor opdracht gebeurt op gemotiveerde wijze. Het personeelslid behoudt de eindvermelding die hem werd toegekend bij zijn laatste evaluatie voor het begin van het verlof voor opdracht. Artikel 242 Het verlof is niet van toepassing op de stadssecretaris, de adjunct-stadssecretaris, de financieel beheerder en de departements- en diensthoofden. Gemotiveerde vragen tot afwijking worden ter beslissing voorgelegd aan de gemeenteraad. Artikel 243 Het betrokken personeelslid kan vervangen worden door een contractueel personeelslid binnen de perken van de in de begroting voorziene kredieten. Artikel 244 De aanvragen worden uiterlijk drie maanden voor de aanvang van het verlof schriftelijk ingediend bij het college van burgemeester en schepenen. De rechtstreekse hiërarchische chef geeft advies over de aanvraag. Artikel 245 Op verzoek van het personeelslid kan, mits opzegging van een maand, een einde worden gemaakt aan het verlof voor opdracht. De opzeggingsbrief dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en schepenen. Hoofdstuk VIIIbis. Terbeschikkingstelling Artikel 245bis. 1. Het vast aangestelde personeelslid kan ter beschikking gesteld worden van een gebruiker onder de voorwaarden die in dit hoofdstuk bepaald worden. 2. In toepassing van artikel 144bis van de Nieuwe Gemeentewet kan het contractueel aangestelde personeelslid ter beschikking gesteld worden van een gebruiker, onder de voorwaarden bepaald in artikel 144bis van de Nieuwe Gemeentewet, en aangevuld met de voorwaarden die in dit hoofdstuk verder bepaald worden. Het contractueel aangestelde personeelslid kan niet ter beschikking gesteld worden zolang zijn proeftijd loopt. Artikel 245ter. 1. Naast de stad oefent ook de gebruiker werkgeversgezag uit over het ter beschikking gesteld personeelslid. De gebruiker kan instructies en bevelen geven, en afspraken maken met het personeelslid. 2. Het ter beschikking gesteld personeelslid is onderworpen aan de arbeidsorganisatie van de gebruiker. Met arbeidsorganisatie wordt in dit geval onder meer bedoeld: de arbeidsduur, de feestdagenregeling, de zondagsrust, de vrouwenarbeid, de arbeid van jeugdige personen, de nachtarbeid of het welzijn op het werk.
100 3. De stad beslist na overleg met de gebruiker over de toekenning van verloven en afwezigheden aan het ter beschikking gesteld personeelslid. De gemeente zoekt in overleg met de gebruiker naar een oplossing om de tijdelijke of definitieve afwezigheid op te vangen. 4. De stad evalueert het ter beschikking gesteld personeelslid op basis van een verslag van de gebruiker. 5. De stad kan in voorkomend geval een tuchtprocedure tegen het ter beschikking gesteld personeelslid opstarten op verslag van de gebruiker. Artikel 245quater. De terbeschikkingstelling van het vast aangestelde personeelslid is onderworpen aan volgende voorwaarden: 1 De terbeschikkingstelling moet een beperkte tij d hebben en betrekking hebben op een opdracht die rechtstreeks verband houdt met een gemeentelijk belang. 2 De arbeidsvoorwaarden en het salaris, met inbeg rip van de vergoedingen, voordelen, verloven en afwezigheden, van het ter beschikking gesteld personeelslid worden exclusief vastgesteld door de stad. De stad betaalt het salaris, eventueel aangevuld met toelagen en vergoedingen, rechtstreeks aan het ter beschikking gesteld personeelslid. In een overeenkomst tussen stad en gebruiker wordt de terugbetaling van de werkgeverskost geregeld. 3 Gedurende de periode waarin het vast aangesteld e personeelslid ter beschikking van de gebruiker wordt gesteld is de gebruiker verantwoordelijk voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid die gelden op de plaats van het werk zoals bedoeld bij artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. 4 De voorwaarden en de duur van de terbeschikking stelling evenals de aard van de opdracht moeten worden vastgesteld in een geschrift, goedgekeurd door de gemeenteraad en ondertekend door het hoofd van het personeel, de gebruiker en het vast aangesteld personeelslid nog voor het begin van de terbeschikkingstelling. Artikel 245quinquies. Met toepassing van artikel 144bis, Nieuwe Gemeentewet, beslist de gemeenteraad over de terbeschikkingstelling. Hoofdstuk VIIIter. Het uitlenen van personeel aan een gebruiker Artikel 245sexies. Het personeelslid kan door een gebruiker te werk gesteld worden zonder dat de gebruiker over hem werkgeversgezag uitoefent, onder de voorwaarden die in dit hoofdstuk bepaald worden. Artikel 245septies. 1. De stad oefent als enige werkgeversgezag uit over het personeelslid dat tijdelijk door een gebruiker tewerkgesteld wordt.
101 2. Wordt niet als werkgeversgezag beschouwd: 1 het naleven door de gebruiker van de verplichtin gen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk; 2 instructies die door de gebruiker worden gegeve n in uitvoering van de beheersovereenkomst die hem met de gemeente verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk. In de mate waarin dit niet als uitoefening van werkgeversgezag wordt beschouwd is het personeelslid onderworpen aan de arbeidsorganisatie en het arbeidsreglement van de gebruiker. Met arbeidsorganisatie wordt in dit geval onder meer bedoeld: de arbeidsduur, de feestdagenregeling, de zondagsrust, de vrouwenarbeid, de arbeid van jeugdige personen, de nachtarbeid of het welzijn op het werk. De gebruiker geeft het personeelslid enkel instructies die kaderen in de samenwerking met de stad. 3. De stad beslist na overleg met de gebruiker over de toekenning van verloven en afwezigheden aan het personeelslid. De stad zoekt in overleg met de gebruiker naar een oplossing om de tijdelijke of definitieve afwezigheid op te vangen. 4. De stad evalueert het personeelslid op basis van een verslag van de gebruiker. 5. De stad kan in voorkomend geval een tuchtprocedure tegen het personeelslid opstarten op verslag van de gebruiker. Artikel 245octies. De tewerkstelling van het personeelslid door een gebruiker in toepassing van dit hoofdstuk is onderworpen aan volgende voorwaarden: 1 De tewerkstelling moet een beperkte tijd hebben en betrekking hebben op een opdracht die rechtstreeks verband houdt met een gemeentelijk belang. 2 De arbeidsvoorwaarden en het salaris, met inbeg rip van de vergoedingen, voordelen, verloven en afwezigheden, van het personeelslid worden exclusief vastgesteld door de stad. De stad betaalt het salaris, eventueel aangevuld met toelagen en vergoedingen, rechtstreeks aan het personeelslid. In een overeenkomst tussen stad en gebruiker wordt de terugbetaling van de werkgeverkost geregeld. 3 De voorwaarden en de duur van de tewerkstelling evenals de aard van de opdracht moeten worden vastgesteld in een geschrift, goedgekeurd door de gemeenteraad en ondertekend door het hoofd van het personeel, de gebruiker en het personeelslid nog voor het begin van de tewerkstelling. Artikel 245novies. Met toepassing van artikel 86, Gemeentedecreet van 15 juli 2005, beslist het hoofd van het personeel over de tewerkstelling in toepassing van dit hoofdstuk.
102 Hoofdstuk IX: Het omstandigheidsverlof Artikel 246 Het personeelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen: 1 huwelijk van het personeelslid of het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid, vermeld in artikel 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het afleggen van een verklaring van samenwoning van de bloed- of aanverwanten: 2 bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van de werknemer: 3 overlijden van de samenwonende of huwelijkspartner, een bloed- of aanverwant in de eerste graad van het personeelslid, of van de samenwonende of huwelijkspartner: 4 huwelijk van een kind van het personeelslid van de samenwonende of huwelijkspartner: 5 overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in om het even welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: 6 overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in de tweede graad, een overgrootouder of een achterkleinkind, niet onder hetzelfde dak wonende als het personeelslid of de samenwonende partner: 4 werkdagen, op te nemen binnen een tijdspanne van 14 dagen vóór of na de gebeurtenis 10 werkdagen, op te nemen binnen de 4 maanden na de bevalling. 4 werkdagen, op te nemen binnen de 14 dagen na de gebeurtenis 2 werkdagen, op te nemen binnen een tijdspanne van 14 dagen vóór of na de gebeurtenis 2 dagen, op te nemen binnen de 14 dagen na de gebeurtenis 1 werkdag, op te nemen binnen de 14 dagen na de gebeurtenis
103 7 huwelijk van een bloed- of aanverwant: a) in de eerste graad die geen kind is; b) in de tweede graad, van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: 8 priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van de werknemer, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van de werknemer: 9 plechtige communie van een kind van de werknemer of van de samenwonende of huwelijkspartner ; deelneming van een kind van de werknemer of van de samenwonende of huwelijkspartner aan het feest van de vrijzinnige jeugd; deelneming van een kind van de werknemer of van de samenwonende of huwelijkspartner aan een plechtigheid in het kader van een erkende eredienst die overeenstemt met de rooms-katholieke plechtige communie: 10 gehoord worden door de vrederechter in het kader van de organisatie van de voogdij over een minderjarige: 11 deelneming aan een assisenjury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank: de dag van het huwelijk de dag van de rooms-katholieke plechtigheid of een daarmee overeenstemmende plechtigheid bij een andere erkende eredienst de dag van de plechtigheid of, als dat een zondag, feestdag of inactiviteitsdag is, de eerstvolgende werkdag de nodige tijd, maximaal één dag de nodige tijd Het omstandigheidsverlof is een recht, maar het personeelslid is niet verplicht deze verloven geheel of gedeeltelijk op te nemen. Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit en is in alle gevallen bezoldigd, met uitzondering van een deel van het vaderschapsverlof voor contractuele personeelsleden. Zij genieten, in overeenstemming met de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet voor de eerste 3 dagen afwezigheid de werknemer het behoud van zijn loon. Gedurende de volgende 7 dagen geniet het contractueel personeelslid een uitkering in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging. Artikel 247 1. Het onder artikel 246 vermelde samenwonen met de partner wordt aangetoond door een gemeenschappelijke verklaring van beide betrokkenen waaruit blijkt dat ze een gemeenschappelijk huishouden vormen met uitzondering van bloed- en aanverwantschap, aangevuld met een uittreksel uit het bevolkingsregister.
104 In voorgaand lid bedoelde gemeenschappelijke verklaring kan steeds door beide of één van beide betrokkenen schriftelijk worden herroepen en dient opnieuw te worden aangevuld met een uittreksel uit het bevolkingsregister. In afwijking op de vorige alinea s van deze paragraaf dient het samenleven in geval van een wettelijke samenwoning enkel te worden aangetoond door een verklaring overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek. 2. De gebeurtenissen waarvan sprake in artikel 246 worden zo spoedig mogelijk en in elk geval aansluitend op de gebeurtenis bewezen aan de hand van een officieel attest of een verklaring van de bevoegde instantie dat aan de dienstchef of het departementshoofd wordt overhandigd. 3. Behoudens het bepaalde in de voorafgaande alinea s vervalt het omstandigheidsverlof tijdens een periode van ziekteverlof of tijdens enige ander periode van afwezigheid wanneer het omstandigheidsverlof niet binnen de in artikel 246 voorzien periode kan worden opgenomen. 4. Het vaderschapsverlof voor de contractuele personeelsleden dient schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen aangevraagd te worden. De dagen waarop het vaderschapsverlof wordt genomen, dient in deze brief vermeld te worden. 5. Wanneer het omstandigheidsverlof uit meerdere dagen bestaat kan het op verzoek van het personeelslid worden gesplitst in meerdere periodes binnen de in voormeld artikel bepaalde periodes. Hoofdstuk X: Het onbetaalde verlof Artikel 248 1. Met uitzondering van het op proef benoemd personeelslid, kan het personeelslid in aanmerking komen voor de volgende contingenten onbetaalde verloven: 1 twintig werkdagen per kalenderjaar, te nemen in volledige of halve dagen en al dan niet aaneensluitende perioden. Die dagen worden niet bezoldigd. De aanvraag tot dit onbetaald verlof kan met ingang van 1 januari 2012 maar gebeuren nadat het personeelslid zijn dagen jaarlijks vakantieverlof heeft uitgeput. 2 twee jaar gedurende de loopbaan, te nemen in per iodes van minimaal één maand. Deze periodes worden niet bezoldigd. De personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van de rechtspositieregeling reeds voor de maximumperiode van 24 maanden, afwezigheid van lange duur voor persoonlijke redenen hebben genoten, hebben opnieuw recht op 24 maanden onbetaald verlof. 2. Het personeelslid kan onbetaald verlof krijgen. Dit verlof is geen recht, maar wordt toegestaan als een gunstmaatregel, voor zover de goede werking van de dienst daardoor niet in het gedrang komt. 3. De aanvraag voor het onbetaald verlof van het personeelslid wordt schriftelijk gericht naar het college van burgemeester en schepenen en dit binnen een periode van minstens 1 maand vóór de aanvang van het onbetaald verlof. Wanneer het personeelslid de aanvraag om onbetaald verlof niet binnen de periode van 1 maand kan aanvragen, kan de aanvraag voor onbetaald verlof enkel in aanmerking komen als wordt gemotiveerd waarom niet aan de aanvraagtermijn kan worden voldaan. Iedere verlenging dient opnieuw te worden aangevraagd, ten minste één maand vóór het verstrijken van de lopende periode van onbetaald verlof.
105 Op verzoek van het personeelslid kan, mits opzegging van een maand, een einde worden gemaakt aan het onbetaald verlof. 4. Tegen de niet inwilliging van de aanvraag van het onbetaald verlof kan het betrokken personeelslid bezwaar aantekenen bij de gemeenteraad. Artikel 249 Tijdens het opnemen van onbetaald verlof blijven de deontologische regels die op het personeelslid van toepassing zijn onverkort van kracht, ook op het gebied van onverenigbaarheden. Artikel 250 Als een vast aangesteld statutair personeelslid binnen de diensten van het bestuur een contractuele betrekking opneemt, een mandaat, een tijdelijke aanstelling of een andere functie waaraan een proeftijd verbonden is, dan wordt voor maximaal de duur van het mandaat, de aanstelling of de proeftijd, ambtshalve onbetaald verlof toegestaan. Het vast aangesteld statutaire personeelslid dat een mandaat opneemt bij een ander bestuur, krijgt onbetaald verlof voor de duur van het mandaat vermeld in artikel 248, als dit verzoenbaar is met de goede werking van het bestuur. Het is dus geen recht, maar kan worden toegestaan als een gunst. Het onbetaald verlof is verlengbaar bij een verlenging van het mandaat, als dit verzoenbaar is met de goede werking van het bestuur. Het onbetaald verlof bedoeld in artikel 248 1, 1 wordt niet bezoldigd maar wel gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het onbetaald verlof bedoeld in artikel 248 1, 2 w ordt niet bezoldigd en wordt niet gelijkgesteld met dienstactiviteit.
106 Hoofdstuk XI: Loopbaanonderbreking Afdeling I. Algemene bepalingen Artikel 251 De personeelsleden, met uitzondering op het op proef benoemd personeelslid, hebben het recht hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk te onderbreken of te verminderen conform de bepalingen van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en haar uitvoeringsbesluiten en het KB van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen. De titularissen van de volgende ambten zijn uitgesloten van het voordeel van de volledige onderbreking van de loopbaan of van de vermindering van de arbeidsprestaties om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst: - de decretale graden - de leden van het managementteam De beroepsloopbaanonderbreking of de verminderde arbeidsprestaties is een recht voor zover het betrokken personeelslid niet gelast is met leidinggevende taken. In dit geval wordt de aanvraag slechts toegestaan na inwilliging door het college van burgemeester en schepenen. Artikel 252 De periodes van afwezigheid ingevolge loopbaanonderbreking of loopbaanvermindering worden met periodes van dienstactiviteit gelijkgesteld, behoudens wat betreft de bezoldiging. Artikel 253 Het personeelslid met recht op onderbreking van de loopbaan of vermindering van de arbeidsprestaties stelt het hoofd van het personeel, ten minste drie maanden voor het begin van de onderbreking schriftelijk op de hoogte van de periode waarvoor het zijn loopbaan zal onderbreken. De termijn van drie maanden kan evenwel op verzoek van het personeelslid door de bevoegde overheid worden ingekort. Het personeelslid dat gebruik wenst te maken van het recht op loopbaanonderbreking of verminderde prestaties in het systeem van loopbaanonderbreking geeft het bestuur hiervan kennis op de volgende wijze. Het geschrift vermeldt de begin- en einddatum van de loopbaanonderbreking of verminderde prestaties in het systeem van loopbaanonderbreking, welke vermindering de werknemer aanvraagt (loopbaanonderbreking, loopbaanhalvering of verminderde prestaties) en in geval van loopbaanhalvering of verminderde prestaties, welke arbeidsprestaties de werknemer zal werken. Wanneer de aanvraag niet wordt ingewilligd, wordt de beslissing gemotiveerd.
107 Afdeling II. Thematische verloven Artikel 254 Elk personeelslid, met uitzondering van het op proef benoemd personeelslid, heeft recht op een thematisch verlof overeenkomstig en onder de voorwaarden van de toepasselijke wetgeving. Het thematisch verlof kan bestaan uit loopbaanonderbreking en verminderde prestaties in het kader van ouderschapsverlof of in het kader van bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of palliatieve bijstand. Artikel 255 De loopbaanonderbreking of verminderde prestaties in het kader van een thematisch verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit, behoudens wat betreft de bezoldiging. Het personeelslid dat van dit recht wenst gebruik te maken, dient hiervan schriftelijk kennis te geven aan het hoofd van het personeel. Hoofdstuk XII: Politiek verlof Artikel 256 Een personeelslid heeft, op voorwaarde dat het een voltijds ambt uitoefent, recht op politiek verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat of een ambt dat ermee gelijkgesteld kan worden. De modaliteiten en voorwaarden van het politiek verlof worden geregeld door het Decreet van 14 maart 2003 houdende regeling van het politieke verlof voor de personeelsleden van de provincies, gemeenten, de agglomeraties van gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de openbare instellingen en publiekrechtelijke verenigingen die onder hun controle vallen. Dit verlof is ook van toepassing op het personeelslid dat ten minste 80% van de normale arbeidsduur werkt door verlof voor deeltijdse prestaties en op het deeltijds personeelslid met een arbeidsregime van minstens 80% van de normale arbeidsduur. Het personeelslid kan dit politiek verlof slechts krijgen als het de onverenigbaarheden en verbodbepalingen naleeft krachtens wets- decreets- of reglementbepalingen die op hem van toepassing zijn.
108 Hoofdstuk XIII: De dienstvrijstellingen Afdeling I. Algemene bepalingen Artikel 257 Tijdens een dienstvrijstelling is een personeelslid tijdens de diensturen afwezig, met behoud van alle rechten. De afwezigheid wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Contractuele personeelsleden behouden hun recht op salaris, behalve bij een andersluidende wettelijke regeling. Artikel 258 Behoudens wanneer uitdrukkelijk anders voorzien, kan een dienstvrijstelling geen aanleiding geven tot compensatieverlof of toelagen voor buitengewone prestaties. Artikel 259 Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling: 1 als vrijwilliger van een brandweerkorps of korps voor burgerlijke bescherming, voor dringende hulpverlening; 2 als actieve vrijwilliger van het Rode Kruis of v an het Vlaams Kruis a rato van telkens maximaal 5 werkdagen per jaar. Afdeling II. Dienstvrijstelling voor personeelsleden die optreden als voorzitter, bijzitter of secretaris van een stembureau Artikel 260 Het personeelslid dat als voorzitter, bijzitter of secretaris van een stembureau, een stemopnemingsbureau, of een hoofdstembureau optreedt bij de verkiezingen heeft recht op dienstvrijstelling: 1 de dag van de verkiezingen, als hij dan moest we rken; 2 als lid van het hoofdstembureau: de nodige tijd om de bij de kieswetgeving voorgeschreven vergaderingen van de hoofdbureaus bij te wonen. 3 de eerstvolgende werkdag na de verkiezingen. Afdeling III. Dienstvrijstelling voor afstaan van beenmerg, organen of weefsels Artikel 261 Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling voor het afstaan van: 1 beenmerg a rato van maximaal 4 werkdagen per afn ame; De dienstvrijstelling vangt aan op de dag van de beenmergafname in de verzorgingsinstelling. 2 organen of weefsels voor de benodigde duur van d e onderzoeken, de ziekenhuisopname en het herstel.
109 Afdeling IV. Dienstvrijstelling voor het geven van bloed, plasma of bloedplaatjes Artikel 262 Het personeelslid krijgt één dag dienstvrijstelling om bloed of plasma of bloedplaatjes te geven op de dag zelf van de afgifte, indien de ingreep tijdens de diensturen van het personeelslid plaatsvindt, of op de eerstvolgende kalenderdag, indien de ingreep na de diensturen van het personeelslid plaatsvindt, met een maximum van één dag per maand. Afdeling V. borstvoeding Dienstvrijstelling voor prenatale onderzoeken en Artikel 263 Het vrouwelijk personeelslid krijgt dienstvrijstelling voor borstvoeding op het werk a rato van de benodigde tijd, en voor prenatale onderzoeken tijdens de diensturen gedurende de zwangerschap. Afdeling VI. Dienstvrijstelling voor het begeleiden van mindervaliden en zieken Artikel 264 Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling om mindervaliden en zieken onbezoldigd te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en verblijven in België of in het buitenland. Die reizen en verblijven moeten georganiseerd zijn door een openbare instelling of door een privaatrechtelijke vereniging of instelling met als opdracht de zorg voor de mindervaliden of zieken op zich te nemen en die daarvoor door de overheid wordt gesubsidieerd. De duur van deze dienstvrijstelling bedraagt maximaal 5 werkdagen per kalenderjaar. Afdeling VII. Dienstvrijstelling bij oproeping al dan niet als getuige - en verhoor of bijstand in het kader van een lopende tuchtprocedure of bezwaarprocedure Artikel 265 Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling bij oproeping al dan niet als getuige en verhoor of bijstand in het kader van een lopende tuchtprocedure of bezwaarprocedure bij de beroepsinstantie ingevolge een ongunstig evaluatieresultaat of bij oproeping voor het managementteam, het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad en dit a rato van de nodige tijd. Afdeling VIII. Dienstvrijstelling bij deelname aan bevorderingsexamen binnen het bestuur Artikel 266 Het personeelslid die deelneemt aan een bevorderingsexamen binnen het bestuur kan als volgt dienstvrijstelling bekomen: - examen in de voormiddag: vrijstelling van de dienst in de voormiddag - examen in de namiddag: vrijstelling van de dienst in de namiddag - examen in de voor- en namiddag: vrijstelling van de dienst in de voor- en namiddag De personeelsleden die op de hierboven vermelde dagen om de een of andere reden niet op het werk aanwezig moeten zijn (bv. inhaalrust) kunnen geen beroep doen op deze maatregel.
110 Afdeling IX. Dienstvrijstelling voor het volgen van vorming Artikel 267 Indien de vorming wenselijk wordt geacht door het hoofd van het personeel krijgt het personeelslid dienstvrijstelling en dit conform de modaliteiten die geregeld zijn in het vormingsreglement. Afdeling X. Dienstvrijstelling geneeskundig onderzoek in toepassing van de wet op de arbeidsgeneeskunde en de arbeidsongevallen Artikel 268 Aan personeelsleden die in toepassing van de wet op de arbeidsgeneeskunde en de arbeidsongevallen worden opgeroepen voor een geneeskundig onderzoek, wordt enkel voor de duur van het geneeskundig onderzoek dienstvrijstelling toegestaan. Het personeelslid dient voor en na het onderzoek op het werk aanwezig te zijn. Er wordt aan de personeelsleden de toelating verleend om zich vóór het medisch onderzoek naar huis te begeven teneinde de nodige hygiënische voorzieningen te treffen en zich naar de plaats van het onderzoek te begeven. Indien het geneeskundig onderzoek plaatsvindt in Aalst, mag het personeelslid 2 uur vóór de aanvang van het geneeskundig onderzoek het werk verlaten. Vindt het onderzoek plaats in Gent, dan mag voor- of namiddag genomen worden. Na het geneeskundig onderzoek dient het personeelslid zijn oproepingsbrief door de onderzoekende geneesheer te laten aftekenen met de vermelding van het tijdstip waarop het geneeskundig onderzoek werd beëindigd. De oproepingsbrief wordt nadien ter controle aan het diensthoofd voorgelegd. Afdeling XI. diensturen Dienstvrijstelling medisch onderzoek binnen de Artikel 269 De personeelsleden krijgen dienstvrijstelling voor de duur van medische onderzoeken die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden. Consulteren van een behandelende geneesheer tijdens de werkuren is uitzondering, geen regel. Het is enkel mogelijk voor geneeskundige onderzoeken of behandelingen, voorgeschreven bij doktersattest, die binnen de diensturen moeten geschieden omdat zij plaatshebben in een ziekenhuis, een kliniek, een labo, enz Die gevallen moeten aan de goedkeuring van de dienstchef onderworpen worden. De personeelsleden die van deze uitgangsregel gebruik maken en hun afwezigheid op het werk staven met een doktersattest waarop vermeld staat: - begin- en einddatum van de consultatie - dat het onderzoek niet buiten de normale werkuren kan plaatsvinden
111 Afdeling XII. Dienstvrijstelling sportdag Artikel 270 Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling voor de effectieve deelname aan de jaarlijkse sportdag. De deelname geeft geen recht op de opbouw van het krediet van compensatieverlof volgens de arbeidsduurregeling. Afdeling XIII. Dienstvrijstelling voor pleegouders Artikel 271 Het personeelslid dat is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door de gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van l Aide à la Jeunesse of door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand heeft recht om van het werk afwezig te zijn voor de vervulling van verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voorvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan het personeelslid zijn toevertrouwd. De duur van de afwezigheid mag 6 dagen per jaar niet overschrijden. Indien het pleeggezin bestaat uit twee personeelsleden die beiden aangesteld zijn als pleegouder, dienen de dagen onder hen te worden verdeeld. Voor wat betreft het contractueel personeelslid gelden minimaal de voorwaarden van artikel 30quater van de Arbeidsovereenkomstenwet. Afdeling XIIII. carnaval Dienstvrijstelling voor maandag en dinsdag van Artikel 272 Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling op maandag en dinsdag van carnaval. De personeelsleden die verplicht zijn op één van deze dagen te werken, krijgen inhaalrust. Deze inhaalrust wordt onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof opgenomen. Hoofdstuk XIV: Verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties of gelijkgestelde diensten Artikel 273 De personeelsleden zijn ambtshalve met verlof gedurende de gedeelten van kalendermaanden waarin zij, in vredestijd, om het even welke militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen bij toepassing van de artikelen 17 bis en 18 van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 20 februari 1980. Artikel 274 De personeelsleden zijn ambtshalve met verlof gedurende de periode waarin zij gewone of spoedwederoproepingen bij de Krijgsmacht of het Korps Burgerlijke Bescherming volbrengen.
112 Hoofdstuk XV: Profylaxeverlof Artikel 275 Het profylaxeverlof is een verlof dat verplicht dient te worden opgenomen wanneer een huisgenoot van het personeelslid aangetast is door een besmettelijke ziekte. Het profylaxeverlof wordt voorgeschreven door de behandelende geneesheer van het personeelslid. De volgende ziekten geven aanleding tot een profylaxeverlof waarvan de duur berekend per kalenderdag varieert in functie van de aandoening: - difteritis 7 dagen indien het personeelslid niet de drager is van de kiemen - epidemische encefalitis 17 dagen tyfus en paratyfus 12 dagen - meningitis cerebro-spinalis 9 dagen - malleus 12 dagen - kinderverlamming 17 dagen - roodvonk 10 dagen - pokken 18 dagen De verlofperiodes gaan telkens in vanaf het ogenblik dat de zieke persoon de eerste duidelijke verschijnselen vertoont en niet vanaf de dag waarop het geneeskundig attest werd opgemaakt respectievelijk ingediend. De gedurende de voornoemde profylaxeperiode effectief gepresteerde arbeidstijd geeft geen aanleiding tot om het even welke compensatie. Het profylaxeverlof wordt niet aangerekend als ziekteverlof. Het wordt volledig met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. De contractuele personeelsleden behouden gedurende de afwezigheid hun recht op salaris. Artikel 276 Het profylaxeverlof wordt niet toegekend aan personeelsleden die: - een gedeelte van een huis bewonen, wanneer de besmettelijke ziekte manifesteert bij personen die aan afgescheiden gedeelte van het gebouw betrekken, - zelf door de besmettelijke ziekte zijn aangetast, vanaf dit ogenblik wordt het profylaxeverlof vervangen door gewoon ziekteverlof; - in open lucht of afgezonderd werken. Hoofdstuk XVI: Herverdeling van de arbeid (vrijwillige vierdagenweek) Artikel 277 1. De voltijdse personeelsleden die de mogelijkheden die geboden werden om in het kader van artikel 102 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen hun arbeidsprestaties te verminderen, hebben uitgeput, hebben het recht om hun voltijdse prestaties die hun normaal worden opgelegd te verminderen. De personeelsleden die in het stelsel van de vrijwillige vierdagenweek werken, verrichten vier vijfde van de voltijdse prestaties over vier werkdagen per week en dat overeenkomstig de voorwaarden van de Wet van 10 april 1995 op de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. 2. De betrokken personeelsleden kunnen in het stelsel van de vrijwillige vierdagenweek stappen tot en met 31 december 2009.
113 3. Het salaris van viervijfde prestaties wordt aangevuld met een maandelijks geïndexeerd weddecomplement van 50,00 euro ten laste van het stadsbestuur, waarop sociale zekerheidsbijdragen ingehouden worden. 4. Voor de berekening van het vakantiegeld en de eindejaarspremie wordt de periode van verlof niet meegerekend. 5. Tijdens de periode van afwezigheid mag het personeelslid geen winstgevende bedrijvigheid uitoefenen. 6. Het aantal dagen jaarlijks vakantieverlof van het personeelslid wordt in evenredige mate verminderd. Het aantal ziektedagen dat per 12 maanden dienstanciënniteit aan een statutair personeelslid toegekend wordt in evenredige mate verminderd. 7. De periode van vrijwillige vierdagenweek wordt tijdelijk onderbroken wanneer het personeelslid één van de volgende verloven geniet: - moederschapsverlof; - onbetaald verlof; - opvangverlof; - Verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan teneinde palliatieve zorgen te verstrekken Een personeelslid dat afwezig is omwille van één van de verloven hierboven bepaald, is gedurende die afwezigheid niet meer onderworpen aan de bepalingen van de vrijwillige vierdagenweek, maar is onderworpen aan de bepalingen van het verlof die het personeelslid geniet. In dat geval wordt het weddecomplement vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal tijdens die maand gepresteerde dagen in de periode van de vrijwillige vierdagenweek weergeeft en de noemer het aantal dagen die zouden zijn gepresteerd indien het voormeld verlof niet was toegekend. Artikel 278 Het personeelslid met recht op vrijwillige vierdagenweek stelt het hoofd van het personeel ten minste 3 maanden vóór het begin van de vrijwillige vierdagenweek op de hoogte van de periode waarvoor het zijn prestaties zal verminderen. Het personeelslid die zijn ambt opnieuw volledig wil opnemen voor het einde van de periode waarvoor hij de vrijwillige vierdagenweek heeft gevraagd, stelt het hoofd van het personeel hiervan één maand vooraf schriftelijk op de hoogte. Hoofdstuk XVII: Verlof voor vorming Artikel 279 Verlof voor vorming wordt toegekend volgens de voorwaarden zoals vastgelegd in het Vormingsreglement. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
114 Titel X: Slotbepalingen Hoofdstuk I: Overgangsbepalingen Afdeling I: Overgangsbepalingen over geldelijke waarborgen Artikel 280 Het personeelslid in dienst dat na 1 januari 1994 op grond van de vorige rechtspositieregeling zijn vroegere salarisschaal, al dan niet aangevuld met een bepaalde toelage of bijslag, heeft behouden, behoudt die salarisschaal en die toelage of bijslag, zolang die regeling gunstiger is dan de salarisschaal die het met toepassing van deze rechtspositieregeling zou hebben. Artikel 281 Het personeelslid in dienst dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling, op grond van de vorige rechtspositieregeling een salarisschaal en een functionele loopbaan had die niet opgenomen zijn in artikel 111 van het Besluit, behoudt die salarisschaal en functionele loopbaan zolang het aangesteld is in de graad waarmee die salarisschaal en die functionele loopbaan in de vorige rechtspositieregeling verbonden waren. Artikel 282 De stadssecretaris in dienst en de financieel beheerder van Stad Aalst in dienst, alsmede de secretaris en de ontvanger van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, die na een klasseverhoging een hogere salarisschaal hebben gekregen, behouden die salarisschaal op persoonlijke titel zolang die gunstiger is dan de salarisschaal die ze met toepassing van artikel 122, 124 of artikel 223 van het Besluit zouden krijgen. Artikel 283 Het personeelslid in dienst dat op grond van de vorige rechtspositieregeling met toepassing van het koninklijk besluit van 17 november 1976 tot vaststelling van de grens van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk aan sommige personeelsleden van de provincies en de gemeenten voor occasionele gevaarlijke of hinderlijke werken een toelageregeling genoot die gunstiger is dan de regeling, vermeld in artikel 146 van het Besluit, behoudt die gunstigere regeling zolang het in dienst is. Artikel 284 Gelet op het advies nr. 24 608/3 van de Raad van State gegeven op 23 oktober 2007 met betrekking tot het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007 meer bepaald de daarin behandelende punten 46, 46. 1 en 46. 2 en mede gelet op artikel 308 1, 3 van het gemeentedecreet dat voor de financieel beheerder in dienst op het ogenblik van de volledige inwerkingtreding van hoofdstuk V, titel II van het gemeentedecreet voorziet in het behoud van de verworven rechten inzake het geldelijk statuut wordt voor de titularis financieel beheerder in dienst op het ogenblik van de volledige inwerkingtreding van hoofdstuk V, titel II van het gemeentedecreet de salarisschaal vastgesteld op 97,5 % van de salarisschaal en spreiding van de salarisverhogingen van de stadssecretaris zoals bepaald is in deze rechtspositie in artikel 139.
115 Afdeling II. Overgangsbepalingen over diverse lopende procedures en lopende periodes Artikel 285 Procedures van aanwerving, bevordering of interne personeelsmobiliteit die opgestart zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, worden afgewerkt in overeenstemming met de regels die van toepassing waren op het ogenblik dat ze werden opgestart. Artikel 286 De procedureregels die van toepassing waren bij de start van de evaluatieperiode die doorloopt na de datum van inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling, blijven van toepassing op die lopende evaluatieperiode, met uitzondering van de bestaande regels over het interne beroep tegen de ongunstige evaluatie bij het college van burgemeester en schepenen. De positieve en negatieve gevolgen van de evaluatie vastgesteld met toepassing van artikel 48 van het Besluit gelden pas vanaf de eerstvolgende evaluatieperiode. De korte termijn voor de toepassing van het ontslag na ongunstige evaluatie geldt pas vanaf de eerstvolgende evaluatieperiode. Negatieve evaluatieresultaten die personeelsleden hebben gekregen voor de vorige evaluatieperiodes, tellen niet meer voor de ontslagmogelijkheid. Artikel 287 De verloven en afwezigheden die al aan het personeelslid zijn toegekend op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling blijven toegekend voor de duur en volgens de regels die geldig waren op het ogenblik van de toekenning. Aanvragen tot verlenging of vernieuwing van een verlof of afwezigheid worden beschouwd als een nieuwe aanvraag en worden behandeld in overeenstemming met de nieuwe reglementaire bepalingen. Artikel 288 Het personeelslid in dienst behoudt na de datum van de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling de verworven leeftijdsdagen. Artikel 289 Het statutaire personeelslid in disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit en het statutaire personeelslid in disponibiliteit wegens ambtsopheffing die op de datum van de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling een regeling van wachtgeld genieten die gunstiger is dan de regeling die ze zouden krijgen met toepassing van de nieuwe reglementaire bepalingen, behouden die regeling voor de verdere duur van de lopende periode van disponibiliteit.
116 Artikel 290 De personeelsleden die vóór 1 januari 1977 in vast verband in dienst waren van de deelgemeente Aalst behouden het voordeel van de bepalingen die op hen van toepassing waren in de vroegere gemeente, indien deze voor hen gunstiger waren dan deze in deze rechtspositieregeling bepaald. Het betreft: - de inschakeling in een stelsel van ziektekrediet dat hen bij de aanvang van de loopbaan een totaal van 365 dagen in twee jaar of 6 maanden ononderbroken ziektedagen toekent - de regeling van wachtgeld in geval van disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid - de doorverwijzing naar Medex binnen de drie maanden volgend op de indisponibiliteitsstellingsdatum voor het personeelslid in disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid. Artikel 291 De personeelsleden die vóór 1 januari 1977 in dienst waren van de deelgemeente Aalst behouden het voordeel van de bepalingen die op hen van toepassing waren in hun vroegere gemeente. Aan deze personeelsleden worden twee extra vakantiedagen per jaar toegekend. Artikel 292 De jaren gepresteerd als Tewerkgestelde Werkloze (TWW) worden gelijkgesteld met beroepservaring opgedaan in de privésector. De jaren gepresteerd in het BTK of DACproject worden gelijkgesteld met beroepservaring opgedaan bij een overheid. Artikel 293 De statutair tijdelijke personeelsleden en de statutair tijdelijke werklieden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling in overgangsregeling nog in de hoedanigheid van statutair tijdelijke in dienst zijn, zijn onderworpen aan de bepalingen die van toepassing zijn op het vast aangestelde statutaire personeelslid, voor zover die bepalingen verenigbaar zijn met de federale bepalingen over de socialezekerheidsregeling voor statutair tijdelijke personeelsleden. De volgende artikels zijn van toepassing op de statutair tijdelijke personeelsleden: - Hoofdstuk 9 De bevordering - Hoofdstuk 10 De vervulling van een vacature door de interne personeelsmobiliteit - Titel 5 Ambtshalve herplaatsing hoofdstuk 1 en 2 - Titel 9, artikelen 238 en 250. Onder statutair tijdelijk personeelslid wordt verstaan een personeelslid dat bij éénzijdige beslissing van de overheid als tijdelijk/tussentijds personeelslid aangesteld werd in de vacature van een in de personeelsformatie voorziene betrekking.
117 Hoofdstuk II. Inwerkingtredingsbepalingen Artikel 294 De salarisschaal van de stadssecretaris vastgesteld met toepassing van artikel 122 van het Besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007. De salarisschaal van de financieel beheerder vastgesteld met toepassing van artikel 124 van het Besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007. De salarisschaal E1 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2008. Bijlagen: 1. salarisschalen en andere voordelen/toelagen 2. selectiereglement 3. vormingsreglement 4. lijst evaluatiecriteria 5. overzicht verloven en afwezigheden 6. bijlage met overgangsstelsels
1 Bijlage 1 SALARISSCHALEN EN ANDERE VOORDELEN/TOELAGEN BIJLAGEN BIJ TITEL VII EN VIII: SALARIS EN VOORDELEN HOOFDSTUK 1: UITGEWERKTE SALARISSCHALEN Niveau E E 1 E 2 E 3 Minimum 13.250 13.550 14.200 Maximum 15.000 15.650 16.550 Verhoging 1x1x100 1x1x150 1x1x150 3x2x100 7x2x150 12x2x150 1x2x150 1x2x100 1x2x400 3x2x100 4x2x150 6x2x150 1x2x200 0 13.250 13.550 14.200 1 13.350 13.700 14.350 2 13.350 13.700 14.350 3 13.450 13.850 14.500 4 13.450 13.850 14.500 5 13.550 14.000 14.650 6 13.550 14.000 14.650 7 13.650 14.150 14.800 8 13.650 14.150 14.800 9 13.800 14.300 14.950 10 13.800 14.300 14.950 11 13.900 14.450 15.100 12 13.900 14.450 15.100 13 14.000 14.600 15.250 14 14.000 14.600 15.250 15 14.100 14.750 15.400 16 14.100 14.750 15.400 17 14.250 14.850 15.550 18 14.250 14.850 15.550 19 14.400 15.000 15.700 20 14.400 15.000 15.700 21 14.550 15.150 15.850 22 14.550 15.150 15.850 23 14.700 15.300 16.000 24 14.700 15.300 16.000 25 14.850 15.450 16.150 26 14.850 15.450 16.150 27 15.000 15.650 16.550
2 Niveau D D 1 D 2 D 3 D 4 D 5 Minimum 13.300 14.300 15.500 16.900 17.000 Maximum 18.300 19.600 20.700 21.950 23.800 Verhoging 1x1x350 1x1x350 1x1x350 1x1x350 1x1x300 3x2x350 1x2x350 1x2x400 1x2x350 2x2x500 1x2x300 1x2x400 1x2x350 1x2x300 1x2x300 8x2x350 1x2x350 1x2x400 10x2x350 1x2x800 1x2x500 1x2x400 2x2x350 1x2x550 1x2x500 1x2x350 1x2x400 4x2x400 1x2x400 1x2x350 1x2x500 1x2x350 1x2x400 3x2x600 1x2x400 1x2x350 2x2x350 1x2x400 1x2x400 1x2x350 1x2x350 1x2x400 1x2x500 1x2x350 0 13.300 14.300 15.500 16.900 17.000 1 13.650 14.650 15.850 17.250 17.300 2 13.650 14.650 15.850 17.250 17.300 3 14.000 15.000 16.250 17.600 17.800 4 14.000 15.000 16.250 17.600 17.800 5 14.350 15.400 16.600 17.900 18.300 6 14.350 15.400 16.600 17.900 18.300 7 14.700 15.750 17.000 18.250 18.600 8 14.700 15.750 17.000 18.250 18.600 9 15.000 16.150 17.350 18.600 19.400 10 15.000 16.150 17.350 18.600 19.400 11 15.350 16.500 17.700 18.950 19.900 12 15.350 16.500 17.700 18.950 19.900 13 15.700 16.900 18.100 19.300 20.300 14 15.700 16.900 18.100 19.300 20.300 15 16.050 17.250 18.450 19.650 20.700 16 16.050 17.250 18.450 19.650 20.700 17 16.400 17.650 18.850 20.000 21.100 18 16.400 17.650 18.850 20.000 21.100 19 16.750 18.000 19.200 20.350 21.500 20 16.750 18.000 19.200 20.350 21.500 21 17.100 18.350 19.600 20.700 22.000 22 17.100 18.350 19.600 20.700 22.000 23 17.450 18.750 19.950 21.050 22.600 24 17.450 18.750 19.950 21.050 22.600 25 17.800 19.100 20.350 21.400 23.200 26 17.800 19.100 20.350 21.400 23.200 27 18.300 19.600 20.700 21.950 23.800
3 Niveau C C 1 C 2 C 3 C 4 C 5 Minimum 13.550 14.250 15.900 18.550 20.400 Maximum 21.950 22.800 24.800 26.550 29.300 Verhoging 1x1x600 1x1x550 1x1x650 1x1x550 1x1x600 1x2x600 9x2x600 2x2x600 1x2x600 1x2x600 1x2x550 1x2x550 1x2x650 2x2x550 1x2x650 8x2x600 2x2x600 1x2x600 1x2x600 1x2x600 1x2x550 1x2x850 1x2x650 1x2x550 1x2x650 1x2x600 2x2x600 1x2x600 2x2x600 1x2x700 1x2x650 2x2x550 1x2x650 1x2x600 1x2x600 2x2x600 1x2x650 1x2x550 1x2x650 2x2x600 1x2x600 1x2x600 1x2x850 1x2x550 1x2x650 1x2x600 1x2x850 0 13.550 14.250 15.900 18.550 20.400 1 14.150 14.800 16.550 19.100 21.000 2 14.150 14.800 16.550 19.100 21.000 3 14.750 15.400 17.150 19.700 21.600 4 14.750 15.400 17.150 19.700 21.600 5 15.300 16.000 17.750 20.250 22.250 6 15.300 16.000 17.750 20.250 22.250 7 15.900 16.600 18.400 20.800 22.850 8 15.900 16.600 18.400 20.800 22.850 9 16.500 17.200 19.000 21.400 23.500 10 16.500 17.200 19.000 21.400 23.500 11 17.100 17.800 19.650 21.950 24.100 12 17.100 17.800 19.650 21.950 24.100 13 17.700 18.400 20.250 22.550 24.700 14 17.700 18.400 20.250 22.550 24.700 15 18.300 19.000 20.850 23.100 25.350 16 18.300 19.000 20.850 23.100 25.350 17 18.900 19.600 21.500 23.650 25.950 18 18.900 19.600 21.500 23.650 25.950 19 19.500 20.200 22.100 24.250 26.550 20 19.500 20.200 22.100 24.250 26.550 21 20.100 20.750 22.750 24.800 27.200 22 20.100 20.750 22.750 24.800 27.200 23 20.650 21.350 23.350 25.400 27.800 24 20.650 21.350 23.350 25.400 27.800 25 21.250 21.950 23.950 25.950 28.450 26 21.250 21.950 23.950 25.950 28.450 27 21.950 22.800 24.800 26.550 29.300
4 Niveau B B 1 B 2 B 3 B 4 B 5 BV1 BV2 BV3 Minimum 17.300 18.850 19.550 19.950 21.400 17.450 18.950 19.650 Maximum 23.350 26.450 29.150 29.750 32.500 23.450 26.550 29.250 Verhoging 1x1x500 1x1x600 1x1x800 1x1x800 1x1x900 1x1x450 1x1x650 1x1x800 5x2x500 1x2x650 1x2x750 1x2x850 1x2x950 10x2x500 2x2x600 3x2x800 1x2x450 2x2x600 6x2x800 1x2x800 2x2x900 1x2x550 1x2x650 1x2x750 4x2x500 1x2x650 1x2x750 1x2x850 1x2x950 1x2x600 6x2x800 1x2x600 1x2x600 2x2x800 2x2x800 2x2x900 1x2x650 1x2x850 1x2x650 1x2x900 1x2x850 1x2x950 2x2x600 2x2x600 2x2x800 2x2x900 1x2x650 1x2x650 1x2x850 1x2x950 1x2x600 1x2x600 2x2x800 1x2x1.000 1x2x650 1x2x800 1x2x750 0 17.300 18.850 19.550 19.950 21.400 17.450 18.950 19.650 1 17.800 19.450 20.350 20.750 22.300 17.900 19.600 20.450 2 17.800 19.450 20.350 20.750 22.300 17.900 19.600 20.450 3 18.300 20.100 21.100 21.600 23.250 18.400 20.200 21.250 4 18.300 20.100 21.100 21.600 23.250 18.400 20.200 21.250 5 18.800 20.700 21.900 22.400 24.150 18.900 20.800 22.050 6 18.800 20.700 21.900 22.400 24.150 18.900 20.800 22.050 7 19.300 21.300 22.700 23.250 25.050 19.400 21.450 22.850 8 19.300 21.300 22.700 23.250 25.050 19.400 21.450 22.850 9 19.800 21.950 23.500 24.050 26.000 19.900 22.050 23.600 10 19.800 21.950 23.500 24.050 26.000 19.900 22.050 23.600 11 20.300 22.550 24.300 24.850 26.900 20.400 22.700 24.400 12 20.300 22.550 24.300 24.850 26.900 20.400 22.700 24.400 13 20.750 23.200 25.100 25.700 27.800 20.900 23.300 25.200 14 20.750 23.200 25.100 25.700 27.800 20.900 23.300 25.200 15 21.250 23.800 25.900 26.500 28.750 21.400 23.900 26.000 16 21.250 23.800 25.900 26.500 28.750 21.400 23.900 26.000 17 21.750 24.400 26.650 27.300 29.650 21.900 24.550 26.800 18 21.750 24.400 26.650 27.300 29.650 21.900 24.550 26.800 19 22.250 25.050 27.450 28.150 30.550 22.400 25.150 27.600 20 22.250 25.050 27.450 28.150 30.550 22.400 25.150 27.600 21 22.750 25.650 28.250 28.950 31.500 22.900 25.800 28.400 22 22.750 25.650 28.250 28.950 31.500 22.900 25.800 28.400 23 23.350 26.450 29.150 29.750 32.500 23.450 26.550 29.250
Niveau A A 1a A 1b A 2a A 4a A 4b Minimum 21.850 23.100 24.050 26.300 27.950 Maximum 34.000 35.250 36.200 38.450 40.100 Verhoging 2x1x750 1x1x700 3x1x750 3x1x750 3x1x750 1x1x700 2x1x750 2x3x1.500 1x3x1.450 1x3x1.500 3x3x1.500 2x3x1.500 1x3x1.450 3x3x1.500 1x3x1.450 1x3x1.450 1x3x1.450 2x3x1.500 1x3x1.450 3x3x1.500 1x3x1.500 2x3x1.500 1x3x1.250 2x3x1.250 1x3x1.200 2x3x1.250 2x3x1.250 1x3x1.200 1x3x1.250 0 21.850 23.100 24.050 26.300 27.950 1 22.600 23.800 24.800 27.050 28.700 2 23.350 24.550 25.550 27.800 29.450 3 24.050 25.300 26.300 28.550 30.200 4 24.050 25.300 26.300 28.550 30.200 5 24.050 25.300 26.300 8.550 30.200 6 25.550 26.800 27.800 30.000 31.700 7 25.550 26.800 27.800 30.000 31.700 8 25.550 26.800 27.800 30.000 31.700 9 27.050 28.300 29.300 31.500 33.150 10 27.050 28.300 29.300 31.500 33.150 11 27.050 28.300 29.300 31.500 33.150 12 28.550 29.750 30.750 33.000 34.650 13 28.550 29.750 30.750 33.000 34.650 14 28.550 29.750 30.750 33.000 34.650 15 30.000 31.250 32.250 34.500 36.150 16 30.000 31.250 32.250 34.500 36.150 17 30.000 31.250 32.250 34.500 36.150 18 31.500 32.750 33.750 35.950 37.650 19 31.500 32.750 33.750 35.950 37.650 20 31.500 32.750 33.750 35.950 37.650 21 32.750 34.000 35.000 37.200 38.850 22 32.750 34.000 35.000 37.200 38.850 23 32.750 34.000 35.000 37.200 38.850 24 34.000 35.250 36.200 38.450 40.100 5
6 Niveau A A 5a A 5b A 6a A 6b A 7a Minimum 28.400 29.900 25.550 27.050 28.550 Maximum 44.500 48.600 39.950 41.400 42.900 Verhoging 3x1x1.000 1x1x1.100 3x1x1.000 2x1x1.000 1x1x950 1x3x1.950 1x1x1.150 1x3x1.950 1x1x950 2x1x1.000 2x3x2.000 1x1x1.100 1x3x2.000 2x3x2.000 1x3x2.000 1x3x1.950 1x3x2.000 1x3x1.500 1x3x1.450 1x3x1.950 2x3x1.750 1x3x1.950 1x3x1.450 3x3x1.500 3x3x1.500 1x3x1.700 2x3x2.000 3x3x1.500 1x3x1.450 1x3x1.450 1x3x2.450 1x3x1.500 1x3x2.500 1x3x2.450 0 28.400 29.900 25.550 27.050 28.550 1 29.400 31.000 26.550 28.050 29.500 2 30.400 32.150 27.550 29.050 30.500 3 31.400 33.250 28.550 30.000 31.500 4 31.400 33.250 28.550 30.000 31.500 5 31.400 33.250 28.550 30.000 31.500 6 33.350 35.250 30.500 32.000 33.500 7 33.350 35.250 30.500 32.000 33.500 8 33.350 35.250 30.500 32.000 33.500 9 35.350 37.200 32.500 34.000 35.450 10 35.350 37.200 32.500 34.000 35.450 11 35.350 37.200 32.500 34.000 35.450 12 37.350 39.200 34.000 35.450 36.950 13 37.350 39.200 34.000 35.450 36.950 14 37.350 39.200 34.000 35.450 36.950 15 39.300 41.200 35.450 36.950 38.450 16 39.300 41.200 35.450 36.950 38.450 17 39.300 41.200 35.450 36.950 38.450 18 41.050 43.650 36.950 38.450 39.950 19 41.050 43.650 36.950 38.450 39.950 20 41.050 43.650 36.950 38.450 39.950 21 42.800 46.150 38.450 39.950 41.400 22 42.800 46.150 38.450 39.950 41.400 23 42.800 46.150 38.450 39.950 41.400 24 44.500 48.600 39.950 41.400 42.900
Niveau A A 8a A 8b A 9a A9b Minimum 30.250 31.500 35.950 38.100 Maximum 46.000 47.250 51.600 54.550 Verhoging 1x1x1.150 1x1x1.100 3x1x1.000 3x1x1.100 2x1x1.100 1x1x1.150 1x3x2.000 2x3x2.000 2x3x2.000 1x1x1.100 1x3x1.950 1x3x1.950 1x3x1.950 1x3x2.000 2x3x2.000 2x3x2.000 2x3x2.000 1x3x1.950 1x3x1.950 1x3x1.950 1x3x1.200 2x3x2.000 1x3x2.000 1x3x1.250 1x3x1.250 1x3x1.950 1x3x750 2x3x1.250 0 30.250 31.500 35.950 38.100 1 31.400 32.600 36.950 39.200 2 32.500 33.750 37.950 40.300 3 33.600 34.850 38.950 41.400 4 33.600 34.850 38.950 41.400 5 33.600 34.850 38.950 41.400 6 35.600 36.850 40.950 43.400 7 35.600 36.850 40.950 43.400 8 35.600 36.850 40.950 43.400 9 37.600 38.800 42.900 45.400 10 37.600 38.800 42.900 45.400 11 37.600 38.800 42.900 45.400 12 39.550 40.800 44.900 47.350 13 39.550 40.800 44.900 47.350 14 39.550 40.800 44.900 47.350 15 41.550 42.800 46.900 49.350 16 41.550 42.800 46.900 49.350 17 41.550 42.800 46.900 49.350 18 43.550 44.750 48.850 51.350 19 43.550 44.750 48.850 51.350 20 43.550 44.750 48.850 51.350 21 44.750 46.000 50.850 53.300 22 44.750 46.000 50.850 53.300 23 44.750 46.000 50.850 53.300 24 46.000 47.250 51.600 54.550 7
8 Van toepassing vanaf 01.01.1997 Stadssecretaris Adjunct-secretaris Stadsontvanger Minimum 40.334,59 39.517,89 39.326,21 Maximum 58.988,16 57.808,37 57.512,78 Verhogingen 1x1x 2.331,74 1x1x2.285,06 1x1x 2.273,54 7x2x 2.331,69 7x2x 2.285,06 7x2x 2.273,29 0 40.334,59 39.527,89 39.326,21 1 42.666,33 41.812,95 41.599,75 2 42.666,33 41.812,95 41.599,75 3 44.998,02 44.098,01 43.873,04 4 44.998,02 44.098,01 43.873,04 5 47.329,71 46.383,07 46.146,33 6 47.329.71 46.383,07 46.146,33 7 49.661,40 48.668,13 48.419,62 8 49.661,40 46.668,13 48.419,62 9 51.993,09 50.953,19 50.692,91 10 51.993,09 50.953,19 50.692,91 11 54.324,78 53.238,25 52.966,20 12 54.324,78 53.238,25 52.966,20 13 56.656,47 55.523,31 55.239,49 14 56.656,47 55.523,31 55.239,49 15 58.988,16 57.808,37 57.512,78 16 58.988,16 57.808,37 57.512,78 17 58.988,16 57.808,37 57.512,78 18 58.988,16 57.808,37 57.512,78 19 58.988,16 57.808,37 57.512,78 20 58.988,16 57.808,37 57.512,78 21 58.988,16 57.808,37 57.512,78 22 58.988,16 57.808,37 57.512,78 23 58.988,16 57.808,37 57.512,78
9 Van toepassing vanaf 01.01.2009 Stadssecretaris Adjunct-secretaris Minimum 41.746,30 40 911,37 Maximum 61.052,77 59 831,68 Verhogingen 1 x 1 x 2 413,37 EUR 1 x 1 x 2 365,10 EUR 7 x 2 x 2 413,30 EUR 7 x 2 x 2 365,03 EUR 0 41 746,30 40 911,37 1 44 159,67 43 276,47 2 44 159,67 43 276,47 3 46 572,97 45 641,50 4 46 572,97 45 641,50 5 48 986,27 48 006,53 6 48 986,27 48 006,53 7 51 399,57 50 371,56 8 51 399,57 50 371,56 9 53 812,87 52 736,59 10 53 812,87 52 736,59 11 56 226,17 55 101,62 12 56 226,17 55 101,62 13 58 639,47 57 466,65 14 58 639,47 57 466,65 15 61 052,77 59 831,68
10 Op persoonlijke titel uitgewerkte salarisschaal OCMW- secretaris en OCMW- ontvanger. Van toepassing vanaf 01.01.2009 O.C.M.W. Secretaris O.C.M.W. Ontvanger Minimum 44.207,70 38.343,08 Maximum 64.401,62 56.075,64 0 44.207,70 38.343,08 1 46.731,94 40.559,65 2 46.731,94 40.559,65 3 49.256,18 42.776,22 4 49.256,18 42.776,22 5 51.780,42 44.992,79 6 51.780,42 44.992,79 7 54.304,66 47.209,36 8 54.304,66 47.209,36 9 56.828,90 49.425,93 10 56.828,90 49.425,93 11 59.353,14 51.642,50 12 59.353,14 51.642,50 13 61.877,38 53.859,07 14 61.877,38 53.859,07 15 64.401,62 56.075,64 Als het inwoneraantal van de gemeente daalt onder het minimale inwoners, waarop de salarisschaal van de OCMW- secretaris werd vastgesteld, behoud de OCMW- secretaris in dienst zijn salarisschaal op persoonlijke titel. Als het inwoneraantal van de gemeente daalt onder het minimale inwoners, waarop de salarisschaal van de OCMW- ontvanger werd vastgesteld, behoud de OCMW- ontvanger in dienst zijn salarisschaal op persoonlijke titel.
11 HOOFDSTUK 2: DE MAALTIJDCHEQUES Artikel 1 : Deze regeling heeft tot voorwerp de toekenning van maaltijdcheques aan de werknemers bedoeld in artikel 183, in uitvoering van de gemeenteraadsbeslissing van 26 juni 2001. Het wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 28 november 1990 betreffende de maaltijdcheques. Artikel 2: Deze regeling van de maaltijdcheques is vanaf de 1 ste dag van de tewerkstelling van toepassing op alle personeelsleden tewerkgesteld in de stad Aalst. Artikel 3 : Maaltijdcheques worden toegekend voor de perioden (dagen of uren) waarin de werknemer effectieve arbeidsprestaties levert. Onder de term "effectieve arbeidsprestaties" wordt verstaan : de perioden waarin de werknemer effectief op de normale arbeidsplaats aanwezig is of in opdracht van de werkgever elders arbeidsprestaties levert. Opleiding, studiedagen en vergaderingen worden gelijkgesteld met arbeidsprestaties. Overuren, die nadien binnen het kwartaal worden gerecupereerd via vrijaf van gelijke duur, worden gelijkgesteld met effectieve arbeidsprestaties tot beloop van het theoretisch maximum aantal te presteren arbeidsdagen per kwartaal. Effectieve arbeidsprestaties moeten blijken uit de dagelijkse aanwezigheidsregistratie. Artikel 4 : Het aantal maaltijdcheques dat voor een bepaalde maand aan een personeelslid wordt toegekend, wordt bepaald door het totaal aantal effectief gepresteerde uren in de loop van deze maand te delen door het normale aantal arbeidsuren per dag. Indien deze bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere eenheid. Het aantal toegekende maaltijdcheques per kwartaal mag nooit hoger zijn dan het maximum aantal arbeidsdagen dat per kwartaal gepresteerd kan worden door een voltijds personeelslid. Artikel 5 : Voor de berekeningen waarvan sprake in artikel 4 gelden volgende elementen : - het dagelijks normale aantal arbeidsuren bedraagt 7,60 uren ; - het maximum aantal dagen dat een voltijdse werknemer per kwartaal kan presteren, stemt overeen met het aantal werkdagen in het regime van de vijfdagenweek, die in het kwartaal vallen (d.w.z. het aantal kalenderdagen in het kwartaal, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en het aantal wettelijke feestdagen). Artikel 6 : De tegemoetkoming van de werkgever in de kostprijs van de maaltijdcheques wordt vastgesteld op 1,90 EUR. De werknemer neemt een bedrag van 1,10 EUR voor zijn rekening. Dit bedrag wordt maandelijks afgehouden van de netto-wedde. Met ingang van 1 januari 2007 wordt de tegemoetkoming van de werkgever in de kostprijs van de maaltijdcheques vastgesteld op 2,40 EUR.
12 Artikel 7 : De maaltijdcheques worden iedere maand, volgend op de refertemaand (= vorige maand) aan het personeelslid overhandigd in functie van het aantal dagen van die maand waarop hij effectief arbeidsprestaties leverde. Zo in een bepaalde maand het aantal overhandigde cheques afwijkt van het aantal effectief gepresteerde arbeidsdagen, wordt in de loop van hetzelfde kwartaal en uiterlijk de laatste dag van de eerste maand die volgt op het kwartaal, het aantal cheques in overeenstemming gebracht met het aantal dagen waarop het personeelslid tijdens het kwartaal effectief arbeidsprestaties heeft geleverd. Artikel 8 : Op de jaarlijkse individuele rekening van het personeelslid wordt vermeld : het aantal toegekende maaltijdcheques en het brutobedrag van de maaltijdcheques verminderd met de persoonlijke bijdrage van het personeelslid. Artikel 9 : De maaltijdcheque vermeldt duidelijk dat zijn geldigheidsduur beperkt is tot drie maanden en dat hij slechts mag gebruikt worden ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding. Artikel 10 : Deze regeling treedt in werking op 16 september 2001.
13 HOOFDSTUK 3: HOSPITALISATIEVERGOEDING Artikel 11 : Definities : In dit reglement wordt verstaan onder : 1. De verzekeraar : de maatschappij met wie de Gemeenschappelijke Sociale Dienst van de RSZPPO de verzekeringspolis heeft afgesloten 2. De verzekeringnemer : De Gemeenschappelijke Sociale Dienst van de RSZPPO bij wie de stad Aalst met ingang van 1 januari 1987 toetrad tot de collectieve verzekering "verzorgingskosten bij hospitalisatie of ernstige ziekte" bij collegebeslissing van 22 september 1986. De stad Aalst is gehouden tot de betaling van de premies van de hoofdverzekerden en tot doorbetaling van de geïnde premies voor de nevenverzekerden aan de verzekeraar. 3. De hoofdverzekerde : 3.1. de statutaire personeelsleden (politiepersoneel uitgezonderd) in dienst van de stad Aalst en dit vanaf de eerste dag van de benoeming of aanstelling op proef; 3.2. de contractueel aangestelde personeelsleden van zodra zij een tewerkstelling van meer dan één jaar hebben opgebouwd bij de stad Aalst, die maximaal gedurende een periode van één maand is onderbroken. 4. De nevenverzekerden : 4.1. de hoofdverzekerden, die op brug- of rustpensioen worden gesteld na 1 januari 2002; 4.2. de echtgeno(o)t(e) of levenspartner met hetzelfde domiciliëringsadres van de onder 3. en 4.1. vermelde personen voor zover de aansluiting gebeurt voor de leeftijd van 65 jaar; 4.3. de kinderen van de onder 3., 4.1. en 4.2. vermelde personen, ongeacht hun juridisch statuut, zolang zij kinderbijslaggerechtigd zijn of nog ingeschreven zijn op het domiciliëringsadres van de titularis. Artikel 12 : Waarborgen: De waarborgen die door deze hospitalisatieverzekering zijn gedekt, zijn opgenomen in de verzekeringspolis afgesloten tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer. Zij zijn gedetailleerd vermeld in de informatienota over de collectieve verzekering "verzorgingskosten bij hospitalisatie of ernstige ziekte" van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst van de RSZPPO. Artikel 13 : Uitkeringen na een schadegeval: De omvang van de terugbetalingen, door de verzekeraar te verrichten aan de hoofd- of nevenverzekerden voor de prestaties, zijn opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 14 : Uitsluitingen van dekking: De prestaties die niet vallen onder de waarborgen en bijgevolg van dekking door de polis zijn uitgesloten, zijn opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 15 : Franchise: Door de verzekeraar wordt per verzekeringsjaar een franchise aangerekend volgens de regeling opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 16 :
14 Territorialiteit: De waarborgen, opgenomen in de verzekeringspolis, gelden in de hele wereld. De regeling betreffende de territorialiteit van de waarborgen is opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 17 : Looptijd polis: Deze polis wordt aangeboden voor de duurtijd van de polis die de Gemeenschappelijke Sociale Dienst heeft afgesloten met de Onderlinge Maatschappij der Openbare Besturen. Artikel 18 : Te betalen premie: Voor de hoofdverzekerden is de aansluiting op de polis gratis. De kosten worden integraal ten laste genomen door de stad Aalst. De aansluiting van de hoofdverzekerden gebeurt op vrijwillige basis. Personeelsleden die weigeren aan te sluiten kunnen onder geen enkel beding enige terugbetaling vorderen. De nevenverzekerden kunnen op eigen kosten tot de hospitalisatieverzekering toetreden. De premie wordt bepaald door de verzekeringnemer. De berekening ervan is opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. De nevenverzekerden genieten van dezelfde waarborgen als de hoofdverzekerden. Artikel 19 : Aansluiting: De hoofd- en nevenverzekerden treden tot de verzekeringspolis toe door het aansluitingsformulier te bezorgen aan de personeelsdienst die de formulieren groepeert en onmiddellijk overmaakt aan de verzekeraar. De eventuele wachttermijnen zijn opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 20 : Pasgeborenen: De verzekering van de pasgeborenen, kind van de hoofd- of nevenverzekerde, wordt geregeld in de informatie nota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 21 : Overgang van hoofdverzekerde naar nevenverzekerde : De overgang van hoofdverzekerde naar nevenverzekerde bij oppensioenstelling gebeurt zonder wachttijd, medische vragenlijst of medisch onderzoek. Er mag evenwel tijdens deze overgang geen onderbreking van het contract zijn. De hoofdverzekerde staat als toekomstig nevenverzekerde zelf in voor de aanvraag van deze overgang bij de personeelsdienst Artikel 22 : Overgangsmaatregelen : Bij overgangsmaatregel kunnen zowel de hoofdverzekerden als de nevenverzekerden die reeds over een hospitalisatieverzekering beschikken, overschakelen naar de hospitalisatieverzekering van de stad Aalst, zonder een wachttijd te doorlopen, een medische vragenlijst in te vullen of een medisch onderzoek te ondergaan. Er mag echter geen onderbreking tussen de beide contracten zijn. Het volstaat hiervoor dat de hoofdverzekerden en nevenverzekerden een aansluitingsformulier invullen waarbij een afschrift van de bestaande polis wordt gevoegd. De verzekerde staat zelf in voor de opzegging van de lopende polis.
15 Artikel 23 : Reeds bestaande ziekten en aandoeningen : Deze regeling is opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. Artikel 24 : Einde individuele dekking als hoofdverzekerde : Aan de individuele dekking als hoofdverzekerde wordt een einde gesteld door : 1. het vrijwillig beëindigen van de overeenkomst op vraag van de hoofdverzekerde aan de stad Aalst. De hoofdverzekerde doet dit via een uittredingsformulier, gericht aan de personeelsdienst; 2. het beëindigen of verbreken van de statutaire arbeidsverhouding of de arbeidsovereenkomst tussen de hoofdverzekerde en de stad Aalst; 3. het overlijden van de hoofdverzekerde; 4. bedrog of poging tot bedrog door de hoofdverzekerde. Artikel 25 : Einde individuele dekking als nevenverzekerde : Aan de individuele dekking als nevenverzekerde wordt een einde gesteld door : 1. het vrijwillig beëindigen van de overeenkomst op vraag van de nevenverzekerde via een aangetekend schrijven aan de stad Aalst; 2. het beëindigen of verbreken van de statutaire arbeidsverhouding of de arbeidsovereenkomst tussen de hoofdverzekerde en de stad Aalst, behoudens in geval van overgang van de hoofdverzekerde naar nevenverzekerde bij pensionering; 3. het overlijden van de nevenverzekerde; 4. bedrog of poging tot bedrog door de nevenverzekerde; 5. opzegging door de verzekeraar of de stad Aalst bij premiewanbetaling. Artikel 26: Premieafrekening voor de hoofdverzekerde : Voor de hoofdverzekerden wordt de premieafrekening volledig ten laste genomen door de stad Aalst. Artikel 27 : Premieafrekening voor de nevenverzekerde : De bedragen, te betalen door de nevenverzekerden, zijn opgenomen in de informatienota over de collectieve verzekering van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst. De premies worden betaald aan de stad Aalst. Artikel 28 : Schaderegeling : Elk schadegeval, dat door de polis kan worden gedekt, wordt door de hoofdverzekerde of de nevenverzekerde zo snel mogelijk rechtstreeks aan de verzekeraar gemeld via het daartoe bestemde formulier, dat door de verzekeraar ter beschikking is gesteld. Dit formulier kan bekomen worden : 1. hetzij rechtstreeks via de verzekeraar; 2. hetzij via de personeelsdienst De administratieve afhandeling van het schadegeval gebeurt direct tussen de verzekerde en de verzekeraar zonder tussenkomst van de stad Aalst. De correcte procedure wordt door de verzekeraar medegedeeld.
1 Bijlage 2 SELECTIEREGLEMENT HOOFDSTUK I : DE SELECTIECOMMISSIE Artikel 1 : De selecties worden uitgevoerd door een selectiecommissie. Artikel 2 De aanstellende overheid wijst nominatief de voorzitter, de secretaris en de leden van de selectiecommissie aan. De voorzitter en de secretaris zijn personeelsleden met minstens de graad van niveau B. Artikel 3 : Bij onvoorziene afwezigheid van de voorzitter van de selectiecommissie wordt het ambt van voorzitter waargenomen door het oudste lid van de selectiecommissie tenzij de voorzitter een andere vervanger heeft aangeduid. Artikel 4 : Het lid van de selectiecommissie dat in de onmogelijkheid is te zetelen, moet dit onverwijld meedelen aan de aanstellende overheid, die een plaatsvervanger zal aanduiden. Artikel 5 : Bij afwezigheid van de secretaris van de selectiecommissie wordt die taak waargenomen door een door de voorzitter aan te duiden lid van de personeelsdienst met minstens een graad van niveau B. Deze beslissing wordt desgevallend bij wijze van regularisatie voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen. Artikel 6 : Personen die worden aangeduid als voorzitter, lid of secretaris van een selectiecommissie, zullen die opdracht niet aanvaarden indien bloed- en/of aanverwanten van hen, tot en met de tweede graad voor de selectie hebben ingeschreven. In dat geval zullen zij het college van burgemeester en schepenen hierover onmiddellijk en schriftelijk inlichten, opdat tijdig in hun vervanging kan worden voorzien. De voorzitter, de leden en de secretaris van een selectiecommissie krijgen voorafgaandelijk inzage in de lijst van de deelnemers die voor de selectie hebben ingeschreven. Artikel 7 : Het is de personen, die aangeduid zijn als voorzitter, lid of secretaris van een selectiecommissie, ten strengste verboden, tijdens de eventuele voorbereidende cursussen die ingericht worden voor die selectie op te treden als lesgever en het is hun zelfs niet toegelaten de leergangen bij te wonen als toeschouwer. Wanneer een overtreding wordt vastgesteld, vervalt automatisch de hoedanigheid van voorzitter, lid of secretaris van de selectiecommissie onverminderd andere en bijkomende maatregelen die door het college van burgemeester en schepenen kunnen genomen worden.
2 Artikel 8 : Om geldig te kunnen beraadslagen moet de meerderheid van de leden van de selectiecommissie aanwezig zijn. De beslissingen van de selectiecommissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. De secretaris heeft geen stemrecht. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. HOOFDSTUK II : HET TOEZICHTHOUDEND PERSONEEL Artikel 9 : Het toezichthoudend personeel wordt aangesteld door het college van burgemeester en schepenen. Artikel 10 : Personen die worden aangeduid als toezichter, zullen die opdracht niet aanvaarden, indien bloeden/of aanverwanten van hen, tot en met de tweede graad, voor de selectie hebben ingeschreven. Ze krijgen voorafgaandelijk inzage in de lijst van de deelnemers die zich voor de selectie hebben ingeschreven. Artikel 11 : De leden van het toezichthoudend personeel kunnen door de selectiecommissie worden belast met elke opdracht die het vlot verloop van de selectie kan bevorderen : - typen en vermenigvuldigen van de vragen ; - verdelen van de vragen - bewaren van de orde en de stilte tijdens de selectie; - poging tot bedrog en bedrog beletten; - administratief begeleiden van de leden van de selectiecommissie. Artikel 12 : Wanneer een overtreding wordt vastgesteld, wordt dit opgenomen in het proces-verbaal, vervalt automatisch de hoedanigheid van toezichter, onverminderd andere en bijkomende maatregelen die door het college van burgemeester en schepenen kunnen genomen worden. HOOFDSTUK III : AFGEVAARDIGDEN VAN HET STADSBESTUUR. Artikel 13 De gemeenteraadsleden worden tijdig op de hoogte gebracht van selecties. Ze worden op de hoogte gesteld van de functie waarvoor selectie wordt ingericht, van de plaats, de datum en het uur van de selectiezitting. Artikel 14 : Alle leden van de gemeenteraad mogen als waarnemer aanwezig zijn bij de selectieverrichtingen, met dien verstande dat zij niet mogen aanwezig zijn bij het kiezen van de vragen, bij het beoordelen van de proeven en bij het delibereren over de uitslag van de selectie, noch mogen deelnemen aan de selectieverrichtingen.
3 Artikel 15 : De leden van de gemeenteraad, die als waarnemer op een selectie aanwezig zijn, mogen met de kandidaten geen gesprekken voeren, hen behulpzaam zijn of hen inlichtingen of ophelderingen verstrekken. Bij overtreding wordt door de selectiecommissie verslag opgemaakt dat ter kennis van het college van burgemeester en schepenen wordt gebracht, dat bijkomende maatregelen kan treffen. HOOFDSTUK IV : DE AFGEVAARDIGDEN VAN DE VAKBONDEN. Artikel 16 : Binnen de perken gesteld bij de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en de reglementaire besluiten mogen de erkende vakorganisaties zich door één enkele afgevaardigde doen vertegenwoordigen op de selecties. De afgevaardigden dienen zich daartoe behoorlijk te legitimeren bij de secretaris van de selectiecommissie. Artikel 17 : De voorzitters van de plaatselijke representatieve vakbonden worden tijdig op de hoogte gebracht van de selecties. Ze worden op de hoogte gesteld van de functie waarvoor selectie wordt ingericht, van de plaats, de datum en het uur van de selectiezitting. Artikel 18 : De door de representatieve vakbonden afgevaardigde leden van het stadspersoneel moeten in de mate van het mogelijke titularis zijn van een graad die ten minste gelijkwaardig is met de functie waarvoor de selectie wordt ingericht. Artikel 19 : Deelnemers aan een selectie mogen niet als afgevaardigde voor die selectie worden aangeduid. Artikel 20 : De vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties mogen met de kandidaten geen gesprekken voeren, hen behulpzaam zijn of hen inlichtingen of ophelderingen verstrekken. De vakbondsafgevaardigden zijn tot discretie gehouden. Artikel 21 : De vertegenwoordigers van de representatieve vakbonden mogen niet aanwezig zijn bij het kiezen van de selectievragen, bij de beoordeling van de proeven en bij het delibereren over de uitslag van de selectie door de selectiecommissie. Artikel 22 : De selectiecommissie zorgt voor het naleven van de verplichtingen door de vertegenwoordigers van de representatieve vakbonden. Zij brengt aan het college van burgemeester en schepenen verslag uit over elke overtreding.
4 Artikel 23 : De vertegenwoordigers van de representatieve vakbonden die menen opmerkingen te moeten maken over het verloop van de selectiezitting, richten zich uitsluitend tot de voorzitter van de selectiecommissie en wel zo dat hun opmerkingen niet worden gehoord door de deelnemers. Ze kunnen eisen dat hun opmerkingen vóór de beraadslaging worden opgenomen in het procesverbaal. Indien er geen opmerkingen zijn, tekenen zij na de vermelding "geen opmerkingen" eveneens vóór de beraadslaging, het proces-verbaal. Artikel 24 : Bij het overtreden van de bepalingen van het huidig reglement zal artikel 85 van het Koninklijk Besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel van toepassing zijn.
5 HOOFDSTUK V : DE DEELNEMERS Artikel 25 : De personeelsdienst bezorgt een lijst van de tot de selectie toegelaten deelnemers aan de voorzitter, de leden en de secretaris van de selectiecommissie. Artikel 26 : De kandidaten worden voor elk selectiegedeelte per aangetekend schrijven of tegen ontvangstbewijs van de uitnodiging uitgenodigd. Artikel 27 : Slechts de voor de selectie toegelaten kandidaten mogen eraan deelnemen. Daartoe controleert de secretaris van de selectiecommissie of het toezichthoudend personeel de identiteit van de deelnemers aan de hand van hun identiteitskaart en van hun oproepingsbrief. Artikel 28 : Een deelnemer moet onmiddellijk het selectielokaal verlaten en wordt uitgesloten indien hij/zij : - spreekt met andere kandidaten, met de onder hoofdstuk III bedoelde afgevaardigden van het stadsbestuur of met de onder hoofdstuk IV bedoelde afgevaardigden van de vakbonden ; - spreekt met het toezichthoudend personeel (tenzij om inlichtingen in verband met de selectieverrichtingen te vragen) ; - de orde verstoort ; - wordt betrapt op bedrog of op poging tot bedrog. Artikel 29 : De deelnemers aan een selectie zijn verzekerd voor de duur van de selectie, alsook gedurende de periode nodig voor het afleggen van het rechtstreekse traject tussen de woonplaats en de plaats waar de selectie doorgaat. Artikel 30 : Door zich niet aan te melden voor de selectie ziet de kandidaat af van zijn/haar kandidatuur. Als een kandidaat zich later dan het gestelde uur op de selectie aanbiedt, beslist de selectiecommissie of hij al dan niet nog toegelaten wordt tot deelname aan de selecties met dien verstande dat de kandidaat niet meer toegelaten wordt indien blijkt dat een kandidaat het selectielokaal reeds verlaten heeft. Artikel 31 : De kandidaat die wegens ziekte niet aan een selectie of selectiegedeelte kan deelnemen, kan in hoofde van dezelfde kandidatuurstelling geen aanspraak maken op een nieuwe selectiezitting. Artikel 32 : Onverminderd de bepalingen van onderhavig hoofdstuk bepaalt de selectiecommissie zelfstandig zijn werking inzake onder andere het redigeren van de selectievragen, de wijze van beoordeling en de deliberatie.
6 HOOFDSTUK VI : DE SELECTIEZITTING Artikel 33 : Op voorstel van de selectiecommissie stelt het college van burgemeester en schepenen dag, uur en plaats van de selectiezittingen vast. De kandidaten worden daaromtrent minstens 14 dagen op voorhand schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 34 : De secretaris van de selectiecommissie zorgt voor de materiële inrichting van de selectie. Artikel 35 : De selectiecommissie stelt de selectievragen vast op de dag van de selectie en met gesloten deuren. Artikel 36 : Zoveel als mogelijk worden de selectievragen schriftelijk aan de deelnemers overhandigd. Vooraf wordt de tekst van de vragen door de selectiecommissie nagezien. Een exemplaar van de vragen wordt overhandigd aan al de leden van de selectiecommissie, aan de vertegenwoordigers van de vakbonden en aan de waarnemers. Artikel 37 : De voorzitter van de selectiecommissie waakt over de orde en de stilte tijdens de selectie en over het goed verloop van de selectieverrichtingen. Hij waakt tevens over de naleving van de onderrichtingen zowel door de deelnemers, door het toezichthoudend personeel, door de vertegenwoordigers van de vakbonden als door de waarnemers. Hij zorgt ervoor dat de selectieverrichtingen enkel worden bijgewoond door personen die daartoe werden uitgenodigd of van wie de aanwezigheid is toegelaten conform het selectiereglement. Artikel 38 : De deelnemers mogen enkel het papier gebruiken dat hun door de secretaris van de selectiecommissie of door het toezichthoudend personeel werd overhandigd. Zij moeten meegebrachte leerboeken en nota's aan de secretaris van de selectiecommissie of aan het toezichthoudend personeel in bewaring geven. Artikel 39 : Het selectieblad is voorzien van een open enveloppe. In deze enveloppe schrijven de deelnemers hun naam, voornaam, geboortedatum en nummer van de identiteitskaart. Op de gesloten envelop wordt de stempel van de stad Aalst aangebracht. Artikel 40 : De deelnemers geven aan de secretaris van de selectiecommissie of aan het toezichthoudend personeel hun selectieblad af, samen met het kladwerk, de selectievragen en alle ander materieel, dat te hunner beschikking werd gesteld. Artikel 41 : Nadat de deelnemers het selectielokaal hebben verlaten, worden de schriftelijke selectiewerken door de secretaris van de selectiecommissie genummerd. De secretaris overtuigt er zich van dat geen enkele aanduiding op het werk de identiteit van de deelnemer verraadt. Hij zal bovendien alle niet-beschreven gedeelten met inkt doorstrepen om het achteraf invullen van teksten onmogelijk te maken.
7 Artikel 42 : Indien de schriftelijke selectiewerken niet ter plaatse worden beoordeeld, zullen zij met het oog hierop, onder de leden van de selectiecommissie worden verdeeld. Artikel 43 : Voor de praktische proeven van de selectie zal de secretaris van de selectiecommissie de nodige maatregelen treffen, opdat de identiteit van de kandidaten geheim zou blijven voor de leden van de selectiecommissie tot na de toekenning van de punten. HOOFDSTUK VII : DE BEOORDELING VAN DE PROEVEN. Artikel 44 : De leden van de selectiecommissie schrijven hun beoordeling voor het schriftelijk en het praktische selectiegedeelte op beoordelingslijsten, die alleen de vakken van de proef en het volgnummer van het beoordeelde werk vermelden. Voor het mondeling selectiegedeelte worden de lijsten gebruikt met de namen van de deelnemers in alfabetische volgorde. Artikel 45 : De leden van de selectiecommissie maken hun beoordelingslijsten over aan de secretaris van de selectiecommissie, die de eindbeoordeling ter zitting vaststelt. Hij deelt de resultaten mede aan de selectiecommissie. Artikel 46 : Door de selectiecommissie wordt met gesloten deuren, over de beoordeling beraadslaagd. Daarna wordt de identiteit van de deelnemers vastgesteld en op de beoordelingslijsten genoteerd. Ongeacht artikel 55 van dit selectiereglement mogen de voorzitter, de secretaris en de leden van de selectiecommissie, geen inlichtingen betreffende de beraadslaging over de beoordeling aan wie dan ook verstrekken. Artikel 47 : Acht de selectiecommissie geen beraadslaging noodzakelijk, dan geeft de commissie aan de secretaris van de selectiecommissie de toelating de identiteit van de deelnemers onmiddellijk op de beoordelingslijsten te noteren. HOOFDSTUK VIII : HET PROCES-VERBAAL. Artikel 48 : De uitslag van de selecties wordt door de selectiecommissie vastgesteld in het proces-verbaal van de selectieverrichtingen dat onmiddellijk wordt ondertekend door de voorzitter, de secretaris en de leden van de selectiecommissie. Het proces-verbaal van de selectieverrichtingen wordt op de dagorde van het eerstkomend college van burgemeester en schepenen gebracht. Artikel 49: Binnen de 30 dagen na de selectie brengt het college van burgemeester en schepenen de examinandi schriftelijk op de hoogte van hun gunstige of ongunstige einduitslag. Zij kunnen inzage bekomen in hun eigen selectiedocumenten.
8 HOOFDSTUK IX : HET VERSLAG. Artikel 50 : Na het beëindigen van alle selectieverrichtingen stelt de secretaris van de selectiecommissie het verslag op dat zowel door de voorzitter als door de secretaris van de selectiecommissie wordt ondertekend. Artikel 51 : In het verslag worden de geslaagde kandidaten in alfabetische volgorde gerangschikt in drie groepen : A, B en C. Groep A omvat alle kandidaten die een beoordeling bijzonder geschikt behaald hebben. Groep B omvat alle kandidaten die een beoordeling zeer geschikt behaald hebben. Groep C omvat alle kandidaten die een beoordeling geschikt behaald hebben van. Artikel 52 : Indien de aanstellende overheid de gemeenteraad is, stelt het college van burgemeester en schepenen de gemeenteraadsleden in kennis van dit verslag. HOOFDSTUK X : SLOTBEPALINGEN. Artikel 53 : Alle personeelsleden, die tijdens de werkuren op een selectie aanwezig moeten zijn, zullen zich onmiddellijk na het einde van de proef of na hun vertrek uit het selectielokaal naar het werk begeven. Artikel 54 : De selectieverrichtingen moeten beëindigd zijn ten laatste 6 maanden na de datum voorzien voor het afsluiten van de kandidatenlijst. Artikel 55 : Geen inlichtingen betreffende de uitslag van de selectie mogen door wie ook worden verstrekt, vooraleer het college van burgemeester en schepenen kennis heeft genomen van het procesverbaal en het verslag van de selectie.
1 Bijlage 3 VORMINGSREGLEMENT Algemeen kader definitie vorming bepalingen gemeentedecreet tijdens de proeftijd management beoordelaars veiligheid Onder vorming wordt verstaan: elk begeleid en gestructureerd leertraject, ongeacht of dat intern of extern aan het bestuur wordt georganiseerd, ongeacht de duur ervan en ongeacht of het individueel dan wel in groepsverband georganiseerd wordt. De personeelsleden hebben recht op informatie & vorming zowel mbt aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van de functie als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten. De personeelsleden houden zich op de hoogte van de ontwikkelingen en de nieuwe inzichten in de materies waarmee zij beroepshalve belast zijn. De vorming is een plicht als ze noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van de dienst, of als ze een onderdeel uitmaakt van een herstructurereing of reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe werkmethodes & infrastructuur. Bij indiensttreding zal een individueel leertraject vastgesteld worden en de wijze waarop dit ingevuld zal worden (interne vorming, externe vorming, coaching, mentoring, zelfstudie, e-learning, blended learning, ). Nieuwe personeelsleden met een administratieve of technische functie moeten verplicht het modulair onthaalprogramma volgen. Personeelsleden in een leidinggevende functie of personeelsleden van niveau A moeten de basisopleiding management volgen. Personeelsleden die door het hoofd van personeel (de stadssecretaris) aangeduid zijn als beoordelaar, moeten de opleiding voor beoordelaar volgen. Voor het werken met bepaalde machines is een certificaat vereist.
2 Procedure Elk individueel personeelslid dat extern een VTO-activiteit wil volgen, moet deze procedure volgen. aanvraag beslissing weigering goedkeuring kosten engagementsclausule verplaatsingskosten Je vult het aanvraagformulier voor vorming in (te vinden op het intranet). Je legt dit voor aan je leidinggevende die zijn advies geeft. Dan stuur je het formulier samen met de brochure op naar de vormingsverantwoordelijke. De vormingsverantwoordelijke legt de vraag met gemotiveerd advies voor aan het hoofd van personeel. De financieel beheerder geeft eveneens zijn visum. Het hoofd van personeel kan voorlopig of definitief een aanvraag weigeren, op basis van o.m. volgende criteria: 1 geen of ongunstig advies van de leidinggevende; 2 de vorming is onredelijk of irrelevant; 3 de aanvrager hield zich in het verleden niet aan de regels van het vormingsreglement; 4 als er geen budget (meer) is; 5 als er praktische bezwaren zijn; 6 als de kostprijs te hoog is. Bij goedkeuring zorgt de dienst Vorming & Evaluatie voor de administratieve afhandeling van het dossier (inschrijving, betaling, ). Jij ontvangt het akkoord en een formulier voor het verslag of evaluatie. Zowel de medewerker als de leidinggevende ondertekenen op het aanvraagformulier de resp. engagementsverklaringen: Als deelnemer engageer ik me tot een actieve deelname. In samenspraak met mijn leidinggevende neem ik de nodige acties om het geleerde toe te passen in mijn werk. Bovendien zal ik de opgedane kennis delen met collega s. Als leidinggevende ga ik akkoord met de motivering van mijn medewerk(st)er. Ik zal samen met haar/hem de resultaten van de opleiding opvolgen en er zoveel mogelijk voor zorgen dat het geleerde in de praktijk kan en zal worden toegepast. Alle kosten verbonden aan een opleiding worden gedragen door het stadsbestuur. De dienst Vorming & Evaluatie zorgt voor de betaling. Verplaatsingskosten dien je uiterlijk binnen de maand na de studiedag of maandelijks bij langdurige opleidingen, in te dienen bij de dienst Vorming & Evaluatie. Hiervoor maak je gebruik van het standaardformulier (eveneens te vinden op het intranet). Bij gebruik van het openbaar vervoer dient men de vervoersbewijzen bij te voegen.
3 Chauffeurs die carpoolen, krijgen een hogere vergoeding. documentatie verslag/examen diensttijd verlof voor vorming De verkregen documentatie blijft eigendom van het stadsbestuur, wordt bewaard op de dienst en moet door ieder personeelslid kunnen worden ingekeken. In het geval van een examen of test, moet je deelnemen aan het examen of de test. Indien er geen formele toetsing van de opgedane kennis is, moet je het formulier verslag invullen. Het verslag moet binnen de twee weken na het beëindigen van de opleiding bezorgd worden aan de dienst Vorming & Evaluatie. Vorming geldt als diensttijd. De periodes van afwezigheid wegens vorming worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. Personeelsleden die een opleiding volgen die aanleiding kan geven tot verlof voor vorming, krijgen geen compensatie. Bij verplichte vorming bepaalt het hoofd van personeel de eventuele compensatie. Verplaatsingstijd die buiten de diensturen valt, kan niet gecompenseerd worden. Een personeelslid kan verlof voor vorming aanvragen indien: 1. hij/zij een door het hoofd van personeel goedgekeurde vorming volgt waaraan een examen gekoppeld is; 2. hij/zij op eigen initiatief en buiten de werkuren een opleiding volgt die leidt tot een diploma niveau HSO, bachelor of master. Het verlof voor vorming is een compensatie voor het nemen van verlof ter voorbereiding van een examen. Het hoofd van personeel kent verlof toe a rato van 1 werkdag per 12 uur les en met een maximum van 10 werkdagen per jaar. Voorwaarde is wel dat men slaagt in het examen. Na ontvangst van je examenresultaten legt de dienst Vorming & Evaluatie de vraag voor het toekennen van dit verlof voor aan het hoofd van personeel. Het verlof wordt niet toegekend aan personeelsleden die een opleiding volgen tijdens de normale diensturen om een bekwaamheidsattest te behalen dat vereist is voor hun benoeming in vast verband. Het gelijktijdig volgen van verschillende opleidingen geeft geen aanleiding tot het toekennen van extra verlof.
1 Persoonlijke vaardigheden initiatief zelfstandigheid verantwoordelijkheidszin Bijlage 4 EVALUATIECRITERIA orde, stiptheid, nauwkeurigheid aanpassingsvermogen organisatiebetrokkenheid betrouwbaarheid Beheer van kennis en kunde vakkennis werkorganisatie leren zichzelf ontwikkelen veiligheid Klantgerichte vaardigheden klantgerichtheid omgangsstijl consequent zijn Interpersoonlijke vaardigheden samenwerken
2 Leidinggeven organiseren teamleiderschap ontwikkeling van medewerkers visie vormen delegeren Specifieke evaluatiecriteria bijkomend criterium voor de gemeenschapswachten: voorkomen
1 Bijlage 5 OVERZICHT VAN DE VERLOVEN EN AFWEZIGHEDEN, DE ADMINISTRATIEVE TOESTAND EN DE GELDELIJKE EN ADMINISTRATIEVE GEVOLGEN Benaming van het verlof of de afwezigheid Administratieve toestand Recht op salaris Aanspraak op periodieke salarisverhoging Recht op schaalanciënniteit Recht op de loopbaan Jaarlijkse vakantiedagen (art 176-178 BVR) Feestdagen (art. 179 BVR) - Bevallings-verlof - Vaderschapsverlof (art. 180-182 BVR) Opvangverlof (art. 183 BVR) Ziekteverlof bij statutairen (art.184-191 BVR) dienstactiviteit ja ja ja ja dienstactiviteit ja ja ja ja dienstactiviteit ja ja ja dienstactiviteit ja ja ja dienstactiviteit ja ja ja ja dienstactiviteit ja ja ja ja ja ja
2 Benaming van het verlof of de afwezigheid Disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit (art. 196-197 BVR) Disponibiliteit wegens ambtsopheffing (art.198-199 BVR) Verlof voor deeltijdse prestaties (art.200-203 BVR) Administratieve toestand disponibiliteit disponibiliteit Non-activiteit Tenzij anders bepaald door het bestuur (art. 170 5 BVR) Recht op salaris Nee, vervangen door wachtgeld Nee, vervangen door wachtgeld nee Aanspraak op periodieke salarisverhoging ja ja Ja, want deeltijds niet relevant voor de geldelijke anciënniteit Recht op schaalanciënniteit Toepassing van art.58 BVR: voor maximaal 1 jaar onbezoldigde afwezigheid gedurende de carrière. De raad kiest welke vorm van afwezigheid. Toepassing van art.58 BVR: voor maximaal 1 jaar onbezoldigde afwezigheid gedurende de carrière. De raad kiest welke vorm van afwezigheid. ja Recht op de loopbaan ja ja ja
3 Benaming van het verlof of de afwezigheid Verlof voor opdracht (art.204-208 BVR) Recht op schaalanciënniteit Omstandigheidsverlof (art.209 BVR) Onbetaald verlof (art.210-212 BVR) Administratieve toestand Non-activiteit tenzij in de gevallen die door de raad gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit Recht op salaris Nee, tenzij verplicht door een wet Aanspraak op periodieke salarisverhoging Ja, als gelijkgesteld met dienstactiviteit Toepassing van Art.58 BVR: voor maximaal 1 jaar onbezoldigde afwezigheid gedurende de carrière. De raad kiest welke vorm van afwezigheid. dienstactiviteit ja ja ja ja Non-activiteit Tenzij anders bepaald door het bestuur (art. 170 5 BVR) nee nee Tenzij anders bepaald door het bestuur (art. 170 5 BVR) Toepassing van Art.58 BVR: voor maximaal 1 jaar onbezoldigde afwezigheid gedurende de carrière. De raad kiest welke vorm van afwezigheid. Recht op de loopbaan ja ja
4 Benaming van het verlof of de afwezigheid Recht op schaalanciënniteit Dienstvrijstellingen (art.213-220 BVR) Afwezigheid zonder toestemming vooraf of kennisgeving (art.172 BVR) Idem als supra met overmacht (art. 172 BVR) Georganiseerde werk- Onderbreking (art.173 BVR) Loopbaanonderbreking Halftijdse vervroegde uittreding + vrijwillige vierdagenweek Administratieve toestand Recht op salaris Aanspraak op periodieke salarisverhoging dienstactiviteit ja ja ja ja non-activiteit nee nee nee ja dienstactiviteit ja ja ja ja dienstactiviteit Niet voor de duur van de werkonder breking ja ja ja Andere verloven In principe nee ja max. 1 jaar ja dienstactiviteit dienstactiviteit nee ja max. 1 jaar ja Recht op de loopbaan
5 Benaming van het verlof of de afwezigheid Politiek verlof Administratieve toestand Zoals decretaal bepaald: in sommige gevallen non-activiteit, in andere gevallen dienstactiviteit Recht op salaris Aanspraak op periodieke salarisverhoging Recht op schaalanciënniteit nee ja Indien voltijds dan maximum 1 jaar. Indien deeltijds dan loopt de schaalanciën niteit door op basis van de deeltijdse afwezigheid. Recht op de loopbaan Niet uitdrukkelijk bepaald afhankelijk van gelijkstelling met dienstactiviteit
6
1 Bijlage 6 OVERGANGSSTELSELS TITEL I Hoofdstuk I : Inschakelingsprincipes Artikel 1 De oude weddenschalen worden naar de nieuwe weddenschalen omgeschakeld volgens de in artikel 6 vastgestelde inschakelingstabel. Artikel 2 1 : Sectoraal akkoord 1993 Voor de inschakeling wordt de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden gelijkgesteld met schaalanciënniteit. Voor de personeelsleden die op de datum van 1 januari 1995 niet meer dan 3 jaar geleden werden bevorderd of in dienst zijn getreden in een betrekking waaraan een weddenschaal van de groep B was verbonden en voor wie bij de vaststelling van de individuele wedde de vermindering van de geldelijke anciënniteit met 1/3 de werd toegepast, wordt de regel van de vermindering van de geldelijke anciënniteit zonder uitwerking. Sectoraal akkoord 1997-1999 Met ingang van 1 januari 1999 wordt voor de personeelsleden, titularis van een weddenschaal van de groep B en voor wie bij de vaststelling van de individuele wedde de vermindering van de geldelijke anciënniteit met 1/3 de werd toegepast, de regel van de vermindering van de geldelijke anciënniteit zonder uitwerking 2 : De vroegere onderbureauchef met de weddenschaal 1.47-1.53, die volgens het nieuw statuut : 1. in het bezit is van het diploma bestuurswetenschappen ; 2. geslaagd is voor het bevorderingsexamen tot de administratieve graad C4-C5 ; 3. bevorderd werd tot deze graad ; 4. effectief deze graad invult conform de betreffende functiebeschrijving ; verwerft schaalanciënniteit in de graad C4-C5 vanaf de datum waarop hem de schaal 1.53 werd toegekend. Na minstens één gunstige evaluatie in de graad C4-C5 ontstaat recht op de schaal C5, op voorwaarde dat op die wijze 9 jaar schaalanciënniteit wordt bereikt in C4. Artikel 3 De personeelsleden waarvoor in de personeelsformatie een nieuwe graad werd voorzien en die door de inschakeling een lagere weddenschaal bekomen dan in organieke regeling aan hun nieuwe graad wordt toegekend kunnen na de eerste gunstige evaluatie zonder nieuw examen de weddenschaal bekomen die organiek voor de nieuwe graad voorzien is op voorwaarde dat zij in het bezit zijn van het diploma dat voor de aanwerving in die graad noodzakelijk is en zij dit diploma bij hun aanwerving dienden aan te wenden om aan het aanwervingsexamen deel te nemen.
2 Artikel 4 De personeelsleden die volgens de inschakelingstabel een nieuwe weddenschaal van een bevorderingsgraad in een bepaald niveau bekomen, worden met hun anciënniteit ingeschakeld in de eerste schaal van de bevorderingsgraad. De tweede weddenschaal van de bevorderingsgraad kan enkel toegepast worden op basis van de regel van de schaalanciënniteit op voorwaarde dat het personeelslid voldoet aan alle voorwaarden om de weddenschaal van de bevorderingsgraad te kunnen genieten. In het tegenovergestelde geval blijft het personeelslid in overgangsregeling de eerste weddenschaal genieten. Artikel 5 Het statutair tijdelijk personeel en het contractueel personeel geniet vanaf 31 december 2001 de functionele loopbaan zoals het vastbenoemd personeel onder de bijkomende voorwaarde : - ofwel dat zij de nuttige vorming hebben gevolgd en geslaagd zijn in de proef die daarop volgde ; - ofwel dat zij reeds vroeger geslaagd zijn in een aanwervingsexamen voor de uitgeoefende graad. Er wordt een overgangsperiode van twee jaar bepaald ingaande op 1 juni 2001 om deze personeelsleden toe te laten aan de vormingsvereiste te voldoen. De noodzakelijke vorming wordt in die periode georganiseerd. Het personeelslid dat gedurende die periode voldoet aan de vormingsvereiste verwerft met terugwerkende kracht op 1 januari 2002 de derde weddenschaal.
3 Hoofdstuk 2 : Inschakelingstabel Administratief, technisch, verplegend en verzorgend personeel Artikel 6 1 : Sectoraal akkoord 1993 De inschakeling van het personeel gebeurt overeenkomstig de principes van Hoofdstuk 1. De weddenschaal waarin de personeelsleden worden bezoldigd is bepalend voor de overgang naar de nieuwe weddenschaal. Niveau E Niveau D Weddenschaal E 1 401 Weddenschaal E 2 1.12 421 423 Weddenschaal E 3 Alle selectieschalen in dit niveau Weddenschaal D 1 1.14 1.18 1.20 1.22 1.22 A 1.22 B 301 434 De selectieschalen 2.2.18 p 2.9.18 p 2.2.18 r 2.9.18 r 2.2.18 t 2.9.18 t 2.2.18 u 2.9.18 u D 2 1.26 1.28 1.30 1.30 A 335 441 Alle andere selectie schalen in dit niveau Weddenschaal D 3 1.40 B 1.40 C
4 Niveau C Weddenschaal C 1 1.35 1.38 1.50 1.50 C 201 Weddenschaal C 2 1.31 1.31 B 1.37 1.39 202 222 + alle selectieschalen in dit niveau Weddenschaal C 3 1.42 1.42 B 1.43 1.51 1.58 Weddenschaal C 4 1.47 1.53 1.53A 1.58A 1.63 1.63 A
5 Niveau B Weddenschaal B1 1.55 onderbureauchef (bij aanwerving) 1.67 A 1.67 B Weddenschaal B 2 alle selectieschalen in dit niveau 1.61 Weddenschaal B 3 1.77 Weddenschaal B 4 1.66 1.67 1.78 A 1.79 1.81 1.82 1.83 1.84 Niveau A Weddenschaal A 1 1.80 1.80 A 1.85 101 Weddenschaal A 3 1.87 1.87 A 1.87 B Weddenschaal A 4 1.88 1.89 1.89 B 1.90 Weddenschaal A 5 1.93 B Weddenschaal A 6 1.91 Weddenschaal A 7 1.94 Weddenschaal A 8 1.96 1.96 A Weddenschaal A 9 1.95 1.99
6 2 : Sectoraal akkoord 1997-1998 Na inschakeling behouden de personeelsleden in de nieuwe schaal de schaalanciënniteit die ze verworven hebben in de oude schaal. Personeelsleden waarvan de nieuwe organieke schaal na inschakeling lager ligt dan de oorspronkelijke schaal kunnen de oude schaal in overgang behouden. Administratieve en technische graden Schalen 1993 Schalen sectoraal akkoord 1997-1998 A 1 A 2 A3 A 1a A 1b A 2a A 4 Administratieve graad Directeur A 5 Technische graden Ingenieur A 6 A 7 Ingenieur-dienstchef A 8 Hoofdingenieur-directeur A 9 A 4a A 5a A 6a A 7a A 8a A 9a
7 HOOFDSTUK 3 : Pensioenen Artikel 7 Alleen de inschakelingstabel van Hoofdstuk 2 is voor de perekwatie van de pensioenen van toepassing. Artikel 8 Met het oog op de perekwatie van de pensioenen van gewezen personeelsleden of hun rechthebbenden worden onderhavige weddeschalen vastgesteld verbonden aan de afgeschafte graden. Artikel 9 Als de weddenschaal waarop het rust- of overlevingspensioen werd berekend niet voorkomt in de inschakelingstabel van de gewone regeling, wordt die weddenschaal, verhoogd met één procent. Artikel 10 Als de weddenschaal waarop het rust- of overlevingspensioen werd berekend, voordeliger is dan die toegekend op basis van de inschakelingstabel, wordt de vroegere weddenschaal, verhoogd met één procent. Artikel 11 Als de weddenschaal waarop het rust- of overlevingspensioen van een gewezen titularis van een wettelijke graad of zijn rechthebbenden werd berekend niet de schaal is die in organieke regeling verbonden is aan de graad, wordt die weddenschaal, op basis van de klasse waarop ze werd toegekend, onderhavig vastgesteld. WEDDESCHALEN VOOR DE PEREKWATIE VAN PENSIOENEN EN VERWORVEN RECHT stadssecretaris ( van kracht op 31.12.1976) stadssecretaris (van kracht op 01.01.1977) stadsontvanger (van kracht op 01.01.1977) ontvanger gemeente Erembodegem secretaris en ontvanger gemeente Nieuwerkerken secretaris gemeente Hofstade secretaris gemeente Moorsel ontvanger gemeente Moorsel secretaris gemeente Gijzegem (tevens tijdelijk secretaris van de gemeente Mespelare) secretaris gemeente Herdersem/Meldert secretaris gemeente Baardegem
8 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (01.01.1977) Minimum 42.712,75 Maximum 62.223,77 Verhogingen 1 x 1 x 1.626,01 11 x 2 x 1.625,91 0 42.712,75 1 44.338,76 2 44.338,76 3 45.964,67 4 45.964,67 5 47.590,58 6 47.590,58 7 49.216,49 8 49.216,49 9 50.842,40 10 50.842,40 11 52.468,31 12 52.468,31 13 54.094,22 14 54.094,22 15 55.720,13 16 55.720,13 17 57.346,04 18 57.346,04 19 58.971,95 20 58.971,95 21 60.597,86 22 60.597,86 23 62.223,77
9 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Adjunct-secretaris (01.01.1977) Minimum 41.858,51 Maximum 60.979,35 Verhogingen 2 x 1 x 2.425,52 10 x 2 x 1.426,98 0 41.858,51 1 44.284,03 2 46.709,55 3 46.709,55 4 48.136,53 5 48.136,53 6 49.563,51 7 49.563,51 8 50.990,49 9 50.990,49 10 52.417,47 11 52.417,47 12 53.844,45 13 53.844,45 14 55.271,43 15 55.271,43 16 56.698,41 17 56.698,41 18 58.125,39 19 58.125,39 20 59.552,37 21 59.552,37 22 60.979,35
10 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (31.12.1976) Minimum 40.334,59 Maximum 58.988,23 Verhogingen 1 x 1 1.554,69 11 x 2 x 1.554,45 0 40.334,59 1 41.889,28 2 41.889,28 3 43.443,73 4 43.443,73 5 44.998,18 6 44.998,18 7 46.552,63 8 46.552,63 9 48.107,08 10 48.107,08 11 49.661,53 12 49.661,53 13 51.215,98 14 51.215,98 15 52.770,43 16 52.770,43 17 54.324,88 18 54.324,88 19 55.879,33 20 55.879,33 21 57.433,78 22 57.433,78 23 58.988,23
11 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Ontvanger (01.01.1977) Minimum 41.644,93 Maximum 60.668,22 Verhogingen 1 x 1 x 1.585,43 11 x 2 x 1.585,26 0 41.644,93 1 43.230,36 2 43.230,36 3 44.815,62 4 44.815,62 5 46.400,88 6 46.400,88 7 47.986,14 8 47.986,14 9 49.571,40 10 49.571,40 11 51.156,66 12 51.156,66 13 52.741,92 14 52.741,92 15 54.327,18 16 54.327,18 17 55.912,44 18 55.912,44 19 57.497,70 20 57.497,70 21 59.082,96 22 59.082,96 23 60.668,22
12 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (Erembodegem) Ontvanger (Erembodegem) Minimum 29.204,07 28.473,95 Maximum 43.133,65 42.055,27 Verhogingen 1 x 1 x 1.160,89 1 x 1 x 1.131,96 11 x 2 x 1.160,79 11 x 2 x 1.131,76 0 29.204,07 28.473,95 1 30.364,96 29.605,91 2 30.364,96 29.605,91 3 31.525,75 30.737,67 4 31.525,75 30.737,67 5 32.686,54 31.869,43 6 32.686,54 31.869,43 7 33.847,33 33.001,19 8 33.847,33 33.001,19 9 35.008,12 34.132,95 10 35.008,12 34.132,95 11 36.168,91 35.264,71 12 36.168,91 35.264,71 13 37.329,70 36.396,47 14 37.329,70 36.396,47 15 38.490,49 37.528,23 16 38.490,49 37.528,23 17 39.651,28 38.659,99 18 39.651,28 38.659,99 19 40.812,07 39.791,75 20 40.812,07 39.791,75 21 41.972,86 40.923,51 22 41.972,86 40.923,51 23 43.133,65 42.055,27
13 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (Nieuwerkerken) Ontvanger (Nieuwerkerken) Minimum 27.117,10 26.439,16 Maximum 39.978,54 38.979,14 Verhogingen 1 x 1 x 1.071,97 1 x 1 x 1.045,20 11 x 2 x 1.071,77 11 x 2 x 1.044,98 0 27.117,10 26.439,16 1 28.189,07 27.484,36 2 28.189,07 27.484,36 3 29.260,84 28.529,34 4 29.260,84 28.529,34 5 30.332,61 29.574,32 6 30.332,61 29.574,32 7 31.404,38 30.619,30 8 31.404,38 30.619,30 9 32.476,15 31.664,28 10 32.476,15 31.664,28 11 33.547,92 32.709,26 12 33.547,92 32.709,26 13 34.619,69 33.754,24 14 34.619,69 33.754,24 15 35.691,46 34.799,22 16 35.691,46 34.799,22 17 36.763,23 35.844,20 18 36.763,23 35.844,20 19 37.835,00 36.889,18 20 37.835,00 36.889,18 21 38.906,77 37.934,16 22 38.906,77 37.934,16 23 39.978,54 38.979,14
14 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (Moorsel) Minimum 23.428,52 Maximum 35.125,12 Verhogingen 1 x 1 x 974,90 11 x 2 x 974,70 0 23.428,52 1 24.403,42 2 24.403,42 3 25.378,12 4 25.378,12 5 26.352,82 6 26.352,82 7 27.327,52 8 27.327,52 9 28.302,22 10 28.302,22 11 29.276,92 12 29.276,92 13 30.251,62 14 30.251,62 15 31.226,32 16 31.226,32 17 32.201,02 18 32.201,02 19 33.175,72 20 33.175,72 21 34.150,42 22 34.150,42 23 35.125,12
15 Secretaris Hofstade Minimum 25.386,04 Maximum 37.390,20 Verhogingen 1 x 1 x 1.000,53 11 x 2 x 1.000,33 0 25.386,04 1 26.386,57 2 26.386,57 3 27.386,90 4 27.386,90 5 28.387,23 6 28.387,23 7 29.387,56 8 29.387,56 9 30.387,89 10 30.387,89 11 31.388,22 12 31.388,22 13 32.388,55 14 32.388,55 15 33.388,88 16 33.388,88 17 34.389,21 18 34.389,21 19 35.389,54 20 35.389,54 21 36.389,87 22 36.389,87 23 37.390,20
16 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Ontvanger (Moorsel) Minimum 22.842,80 Maximum 34.246,96 Verhogingen 1 x 1 x 950,53 11 x 2 x 950,33 0 22.842,80 1 23.793,33 2 23.793,33 3 24.743,66 4 24.743,66 5 25.693,99 6 25.693,99 7 26.644,32 8 26.644,32 9 27.594,65 10 27.594,65 11 28.544,98 12 28.544,98 13 29.495,31 14 29.495,31 15 30.445,64 16 30.445,64 17 31.395,97 18 31.395,97 19 32.346,30 20 32.346,30 21 33.296,63 22 33.296,63 23 34.246,96
17 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (Gijzegem) ten persoonlijken titel als tijdelijk secretaris van de gemeente Mespelare : 125 % Minimum 26.575,75 Maximum 40.872,94 Verhogingen 1 x 1 x 1.191,46 11 x 2 x 1.191,43 0 26.575,75 1 27.767,21 2 27.767,21 3 28.958,04 4 28.958,64 5 30.150,07 6 30.150,07 7 31.341,50 8 31.341,50 9 32.532,93 10 32.532,93 11 33.724,36 12 33.724,36 13 34.915,79 14 34.915,79 15 36.107,22 16 36.107,22 17 37.298,65 18 37.298,65 19 38.490,08 20 38.490,08 21 39.681,51 22 39.681,51 23 40.872,94
18 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris ( Meldert en Herdersem) (kl. 9) Minimum 20.176,68 Maximum 31.323,56 Verhogingen 1 x 1 x 929,09 11 x 2 x 928,89 0 20.176,68 1 21.105,77 2 21.105,77 3 22.034,66 4 22.034,66 5 22.963,55 6 22.963,55 7 23.892,44 8 23.892,44 9 24.821,33 10 24.821,33 11 25.750,22 12 25.750,22 13 26.679,11 14 26.679,11 15 27.608,00 16 27.608,00 17 28.536,89 18 28.536,89 19 29.465,78 20 29.465,78 21 30.394,67 22 30.394,67 23 31.323,56
19 Van toepassing vanaf 01.09.1994 Secretaris (Baardegem) Minimum 18.315,30 Maximum 29.058,19 Verhogingen 1 x 1 x 895,47 11 x 2 x 895,22 0 18.315,30 1 19.210,77 2 19.210,77 3 20.105,99 4 20.105,99 5 21.001,21 6 21.001,21 7 21.896,43 8 21.896,43 9 22.791,65 10 22.791,65 11 23.686,87 12 23.686,87 13 24.582,09 14 24.582,09 15 25.477,31 16 25.477,31 17 26.372,53 18 26.372,53 19 27.267,75 20 27.267,75 21 28.162,97 22 28.162,97 23 29.058,19
20 ONDERAFDELING I: Toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk. 1. Alle personeelsleden die bekleed zijn met een graad lager dan rang A, kunnen aanspraak maken op een toeslag van respectievelijk 50, 25 en 10 % op hun uurloon, wanneer zij occasioneel of sporadisch taken moeten uitvoeren welke, wegens de bijzondere omstandigheden waarin zij moeten worden verricht of wegens het gebruik van schadelijke of gevaarlijke stoffen, de graad van gevaar, hinder of ongezondheid verbonden aan de normale uitoefening van hun functie, aanzienlijk doen toenemen. De personeelsleden die precies wegens de uitvoering van de voornoemde gevaarlijke, hinderlijke of ongezonde werken een specifieke weddenschaal of de weddenschaal verbonden aan een hoger gekwalificeerde functie genieten, kunnen geen aanspraak maken op de in voorgaande alinea vermelde vergoeding. 2. De werkzaamheden die aanleiding geven tot de uitbetaling van een toeslag van respectievelijk 50, 25 en 10 % op het uurloon, alsmede de stadsdiensten waaronder zij ressorteren, worden opgesomd in onderhavig reglement. 3. Elke dienstchef wijst in zijn dienst de ambtenaar of de ambtenaren aan onder wiens leiding en verantwoordelijkheid de verschillende in het reglement opgesomde taken zullen gebeuren. Ieder aangewezen ambtenaar kan op zijn beurt voornoemde verantwoordelijkheid delegeren mits akkoord van de dienstchef. 4. De uiteindelijk werkelijk verantwoordelijke ambtenaar bepaalt wie het gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk zal uitvoeren en op welk tijdstip bedoeld werk zal worden aangevat. Hij houdt permanent toezicht op het werk, waakt in het bijzonder op het treffen van de passende veiligheidsmaatregelenen en voorziet in de middelen voor een onmiddellijk ingrijpen bij eventuele moeilijkheden. 5. De verantwoordelijke controleert de duur van het werk en noteert de tijdstippen van aanvang en beëindiging. Met het oog op de uitbetaling van de toelage vult hij na afloop van het werk het daartoe bestemde formulier in waarvan een model als bijlage 2 bij het onderhavig reglement is gevoegd. Hij zal er op letten de duur van de werkonderbrekingen of van de werktijd besteed aan andere taken dan die welke expliciet voor de toelage in aanmerking komen, niet in de opgegeven wel voor toelage in aanmerking komende werktijd te vervatten. Na ondertekening legt hij het formulier voor aan de dienstchef tot akkoord. 6. De toelage wordt slechts verleend voor de tijd die werkelijk wordt besteed aan de uitvoering van het werk dat er recht op geeft. Er wordt evenwel geen vergoeding toegekend voor prestaties beneden de hierna vermelde minima : Classificatie A (50 %) : 15 min./dag Classificatie B (25 %) : 30 min./dag Classificatie C (10 %) : 1 uur/dag De afrekening van de effectief verschuldigde vergoedingen gebeurt per rechthebbende maandelijks na vervallen termijn. Het resultaat van het werkelijk te vergoeden aantal uren dat niet op precies 1/4 u. of een veelvoud ervan eindigt, wordt op het naasthogere 1/4 u. afgerond.
7. Eenzelfde werk dat onder toepassing valt van meer dan één specialisatie opgesomd in de bijlage 1 van onderhavig reglement, kan slechts aanleiding geven tot de uitbetaling van één enkele toeslag, met name de hoogste. 21
22 BIJLAGE 1 Voor vergoeding in aanmerking komende werken A. Toeslag van 50 % op het uurloon : a. werken bij de uitvoering waarvan het personeelslid ernstig is blootgesteld aan aanrakingen met beer- en drekstoffen, ongedierte of verrotte of in staat van verrotting verkerende overblijfselen, bij : - ontstoppen van faecaliënleidingen (W.C.'s, urinoirs e.d.m.) en herstellings- of verbouwingswerken aan rioleringen en leidingen die met faecaliën besmeurd zijn ; - ontgravingen en verwijderen van in staat van ontbinding verkerende overblijfselen ; - wegruimen van krengen, overblijfselen of uitwerpselen van ratten en ander gedierte in enge of moeilijk te bereiken plaatsen. b. ongezonde of gevaarlijke werken verricht in walgelijke, enge en niet of weinig verluchte ruimten, bij : - werken uitgevoerd binnen in onverluchte, vochtige en walgelijke onderkelderingen, kruipruimten, duikers, aalputten en collectoren voor afvalwater ; - las- en snijbranderswerken in enge en afgesloten ruimten waar geen ventilatie mogelijk is - in onverluchte huizen of panden : opruimen van rottende of walmende stoffen, van met uitvloeisels doordrenkt beddengoed of van in ontbinding verkerende dierenkrengen of - overblijfselen ; - herstellingswerken binnen in de met vuil besmeurde trommels van de vuilnisophaalwagens ; - in onverluchte huizen of panden : verrichten van onderzoekingen of werkzaamheden in rottende of walmende stoffen of bij aanwezigheid van in ontbinding verkerende menselijke of dierlijke overblijfselen of van veelvuldig ongedierte ; c. werken bij de uitvoering waarvan het personeelslid ernstig is blootgesteld aan gassen, zuren of bijtende stoffen. B. Toeslag van 25 % op het uurloon : a. werken verricht op een hoogte van meer dan 20 meter voor zover het gevaar niet is uitgesloten door passende veiligheidsmaatregelen. b. effectieve prestatie als duiker (kikvorsman) c. de warme asfaltering van wegen d. spuiten van wegmarkeringen (signalisatieploeg) C. Toeslag van 10 % op het uurloon : a. werken uitgevoerd met behulp van een pneumatische betonbreker, een pneumatische klinkhamer of een pneumatische boorhamer of andere werken uitgevoerd bij een geluidshinder boven de 90 decibel, voor zover de hinder niet is weggenomen door passende maatregelen. b. het uitblazen van straatsteenvoegen met samengeperste lucht en zandstralen. c. de warme asfaltering van daken en leidingen.
23 d. bespuitingswerken met fytofarmaceutische produkten. e. training of oefening als duiker (kikvorsman)
24 BIJLAGE 2 Toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk. Dienst : Naam en voornaam van de rechthebbende : Functie : Omschrijving van het gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk : Classificatie van het werk : Data Duur van het werk Coëfficient (1/2, 1/4 of 1/10) Te vergoeden TOTAAL BEF EURO Datum van afsluiting : De verantwoordelijke, (Naam, functie, handtekening) Tot akkoord, De dienstchef, Visum lid CBS :
25 ONDERAFDELING II: Uitdovend kader Administratief personeel Economisch adviseur A4a Sportaviseur A4b na ten minste 9 jaar schaalanciënniteit in A4a en een gunstige evaluatie Lokaalbewaarder Technisch personeel Hoofdingenieur-directeur E1 E2 na ten minste 4 jaar schaalanciënniteit in E1 en een gunstige evaluatie of na 9 jaar schaalanciënniteit in E1 en gunstige evaluatie E3 na ten minste 18 jaar schaalanciënniteit E1, en E2 en een gunstige evaluatie. A9a A9b na ten minste 9 jaar schaalanciënniteit in A9a en een gunstige evaluatie Hoofdsysteemverantwoordelijke C4 Werkmeester/eerste werkmeester C5 na ten minste 9 jaar schaalanciënniteit in C4 en een gunstige evaluatie Werklieden Keurvakman rang 16 C1 C2 na ten minste 4 jaar schaalanciënniteit in C1 en een gunstige evaluatie of na 9 jaar schaalanciënniteit in C1 en gunstige evaluatie C3 na ten minste 18 jaar schaalanciënniteit C1, en C2 en een gunstige evaluatie. Geoefende B Bibliotheek dienstleider D1 D2 na ten minste 4 jaar schaalanciënniteit in D1 en een gunstige evaluatie of na 9 jaar schaalanciënniteit in E1 en gunstige evaluatie D3 na ten minste 18 jaar schaalanciënniteit D1, en D2 en een gunstige evaluatie. B4 B5 na ten minste 9 jaar schaalanciënniteit in B4, en een gunstige evaluatie