Installatiehandleiding SC A P240-250-260WW SC A P240-250-260BB I
Installatiehandleiding SC A P240-250-260WW SC A P240-250-260BB Bedankt voor uw keuze voor de Solarclarity fotovoltaïsche (PV) module. Deze handleiding bevat belangrijke informatie over de installatie, beperkingen, onderhoud, etc. van het product. Lees de handleiding zorgvuldig en zorg dat u de handeleiding goed begrijpt voordat u begint aan de installatie en het gebruik van de PV-module. Bewaar deze handleiding op een geschikte plaats voor toekomstig gebruik. Inhoud I. INLEIDING 3 II. INSTALLATIE 3 III. BEPERKING VAN INSTALLATIE 4 IV. WAARSCHUWING 5 V. ONDERHOUD 6 VI. BEDRADING 6 VII. ELEKTRISCHE INSTALLATIE 6 VIII. BEVESTIGING 8 IX. AARDING 13 X. DAK 14 XI. VERMOGEN 14 Elektrische eigenschappen - SC A Poly WW 14 Elektrische eigenschappen - SC A Poly BB 14 Let op! De inhoud en de specificatie in deze handleinding kunnen afwijken per productontwerp. Solarclarity BV behoudt het recht om de installatiehandleiding zonder mededeling vooraf te wijzigen. 2
I. INLEIDING Een zonnepaneel is een stroomgenerator die zonne-energie omzet in gelijkstroom die zowel in parallel als in serie gekoppeld kan worden. Zonnepanelen die parallel gekoppeld zijn, leveren een totale stroomopbrengst die gelijk is aan de som van individuele stroomopbrengsten. Zonnepanelen die in serie gekoppeld zijn, leveren een totale spanning die gelijk is aan de som van individuele spanningen. II. INSTALLATIE De energie-opbrengst van een zonnepaneel kan variëren afhankelijk van seizoen, klimaat en plaats. Het is heel belangrijk om een zonnepaneel in de juiste richting en helling te installeren voor de grootst mogelijke blootstelling aan zonlicht. De hierna volgende installatiecondities dienen beschouwd te worden als hulp om een zonnepaneel in een optimale stand te installeren. 1. Door plaatsing richting het zuiden vangt het zonnepaneel een maxiumum aan zochtlicht op het Noordelijk halfrond. Een orrientatie richting het noorden is de meest optimale opstelling voor een zonnepaneel op het Zuidelijk halfrond. 2. Zonnepanelen zijn getest voor een mechanische belasting van 5400 Pa. 3. De installatie dient gemonteerd te worden op een brandwerende dakbedekking geschikt voor de toepassing. 4. De ideale hellingshoek van een zonnepaneel is afhankelijk van verschillende factoren. Om de optimale hellingshoek te bepalen moeten de locatie en de azimut in acht genomen worden. Voor Nederland is de optimale hellingshoek 36 graden, indien de zonnepanelen naar het zuiden gericht worden. 5. Schaduw van bomen, gebouwen of andere belemmeringen van het zonlicht op het zonnepaneel moeten vermeden worden. Snoei takken en verwijder overbodige objecten die het zon licht overdag kunnen belemmeren. Anders zal de stroomopbrengst lager worden. 6. Aarde kan aangebracht worden door een bevestiging van het frame van het zonnepaneel en bevestigingsrekken in overeenstemming met de nationale regelgeving om het gevaar voor elektrische schokken of brand te voorkomen. 7. Bedrading moet beveiligd worden en gebruikt op een plaats buiten bereik van kinderen en kleine dieren om te zorgen voor persoonlijke veiligheid en beschadiging van het zonnepaneel te voorkomen. 3
8. Een zonnepaneel zal in de praktijk in veel gevallen gebruikt worden onder omstandigheden waarmee meer stroom en/of spanning geproduceerd wordt dan vermeld bij standaard testomstandigheden. Daarom dienen de waarden van Isc en Voc, aangegeven op deze module, vermenigvuldigd te worden met een factor 1,25 bij het bepalen van de spanningsklasse van componenten, stroomsterkte van geleiders, en de grootte van de zekering van besturingen verbonden met de PV-uitgang. 9. De junctionbox moet in de hoogste positie geplaatst zijn om binnentreden van water te minimaliseren. 10. De elektrische eigenschappen liggen binnen ±7 procent van de aangegeven waarden van Isc, Voc en Pmax onder standaard test condities (instraling van 1000 W/cm2, AM 1,5 spectrum, en een celtemperatuur van 25 C (77 F)). 11. Gebruiksklassen voor producten zijn gedefinieerd als klasse A conform IEC 61730-1:2004. III. BEPERKING VAN INSTALLATIE 1. Bevestig het zonnepaneel NIET op een dak of gebouw als het dak of gebouw niet geschikt is om de totale belasting van de geïnstalleerde zonnepanelen te dragen. Bovendien moet de windbestendigheid van dragende structuren van de module, voor de installatie beoordeeld worden. 2. Voer GEEN installatie uit op een dak of gebouw onder slechte weersomstandigheden zoals sterke wind om schade aan het zonnepaneel te voorkomen. 3. Boor GEEN gaten in het frame en breng GEEN veranderingen aan aan het zonnepaneel. Alle garantie op het zonnepaneel zal vervallen indien dit gebeurt. 4. Installeer het zonnepaneel NIET waar brandbare gassen of dampen aanwezig zijn. 5. Aan de kabel mag NIET worden getrokken, of worden gebogen met overmatige kracht tijdens het bedraden. 6. Trek NIET aan de kabel tijdens transport van het product of het installatieproces; hierdoor kan de junctionbox loskomen of beschadigd raken. 7. Haal het zonnepaneel NIET uit elkaar en verwijder geen componenten of labels van het zonnepaneel. 8. Ga NIET staan op het zonnepaneel, kabels, connectors of einddoppen. 9. Laat het zonnepaneel NIET vallen en zorg ervoor dat er geen objecten op het zonnepaneel vallen. 4
10. NIET op kunstmatige wijze zonlicht concentreren op het zonnepaneel. 11. Snij de kabel bevestigd aan het zonnepaneel NIET door om een ander type kabel of connector te bevestigen. 12. Boor GEEN gaten in het glas van het zonnepaneel. 13. Gebruik GEEN chemicaliën bij het reinigen van oppervlakte of achterkant van het zonnepaneel. Laat NIET voor langere tijd water liggen op het glazen oppervlak van het zonnepaneel. IV. WAARSCHUWING 1. Raak elektrische aansluitingen NIET aan als het zonnepaneel blootgesteld is aan zonlicht of andere lichtbronnen tijdens de installatie. Wees voorzichtig en voer de installatie veilig uit om het risico op elektrische schok te voorkomen. 2. Ga NIET op het zonnepaneel staan en zet er niets op. De voorkant van Een zonnepaneel is gemaakt van glas, dat bekrast en gebroken kan worden. Neem voorzorgsmaatregelen om het glas te beschermen voor en tijdens de installatie en het transport om te voorkomen dat de module valt of er objecten op het zonnepaneel vallen. 3. Trek of draag het zonnepaneel NIET aan de kabels. 4. Gebruik GEEN concentratiemiddel voor licht zoals lenzen of spiegels om het zonlicht kunstmatig op het zonnepaneel te richten. 5. Gebruik GEEN verf of hechtmaterialen op onderdelen van het zonnepaneel om beschadiging van functies van de module te vermijden. 6. De maximale systeemspanning is 1000 volt voor alle zonnepanelen. 7. Laat Een zonnepaneel NIET zonder ondersteuning of los achter. 8. Probeer het zonnepaneel NIET uit elkaar te halen of te wijzigen. Alle garanties op het zonnepaneel zullen vervallen indien dit gebeurt. 9. Open de junctionboxdeksel van het zonnepaneel NIET. 10. Gebruik GEEN beschadigde of defect zonnepaneel. 11. Sluit het zonnepaneel NIET aan op zonnepanelen van andere configuraties en merken in het zelfde systeem. 12. Maak de zonnepanelen stevig vast aan het bevestigingsframe zodat de modules niet door wind en sneeuwlasten beïnvloed kunnen worden. 5
V. ONDERHOUD Onderhoud wordt aanbevolen om een optimale opbrengst van het zonnepaneel te behouden. Als het oppervlak aan de voor- of achterkant vuil wordt, kan de stroomopbrengst teruglopen. 1. Aanbevolen wordt om het glazen oppervlak van het zonnepaneel een a twee keer per jaar te reinigen met water en een zachte doek of spons. Daarnaast kan een mild schoonmaakmiddel gebruikt worden. 2. Aanbevolen wordt om jaarlijks de elektrische en mechanische verbindingen te inspecteren. Neem, als zich problemen voordoen tijdens de inspectie, contact op met een geautoriseerde specialist om verder onderzoek te verrichten. VI. BEDRADING 1. Positieve (+), vrouwelijke, en negatieve (-), mannelijke, connectors bevinden zich aan de achterkant van het zonnepaneel voor onderlinge aansluiting. Zorg ervoor dat alle connectors goed aangesloten zijn. Losse verbindingen kunnen leiden tot vlambogen die een enorme hitte en brand kunnen veroorzaken. 2. Alle kabels en leidingen moeten voldoende vastgemaakt worden door kabelklemmen, kabel clips of kabeltape. 3. Maak geen aansluitingen en verbreek geen verbindingen als er spanning op staat om connectors te beschermen tegen spanningsfluctuaties. 4. De volgende tekeningen illustreren de aansluiting van zonnepanelen in serie (om de spanning te verhogen) of parallel (om de stroomsterkte te verhogen). 5. Om veiligheidsredenen mag een maximaal aantal in serie geschakelde zonnepanelen niet de maximale systeemspanning van 1000 volt overschrijden. 6. Maximale seriezekering voor een zonnepaneel is 15 A. 7. Gebruik voor veldaansluiting minimaal nr. 12 AWG koperdraden, geïsoleerd voor minimaal 90 C. VII. ELEKTRISCHE INSTALLATIE Let op de juiste polariteit van de kabelaansluiting bij het aansluiten van de module of een modulestring op de omvormer, om een goede werking van het systeem te garanderen en de garantie te behouden. 6
Seriemethode Zonnepanelen zijn gemaakt om hoge spanningen te verdragen. De maximale spanning van het systeem wordt aangegeven op het label met de eigenschappen van het zonnepaneel. Daarom kunnen zonnepanelen in serie verbonden worden tot die spanning bereikt is. Parallelle methode Het aantal zonnepanelen dat parallel gebruikt kan worden is afhankelijk van de ladingsregelaar, frequentieomvormer, of de bijbehorende uitrusting waarmee de zonnepanelen verbonden zijn. Er moet een kabel gebruikt worden met een passende diameter voor de geleiding van de totale stroom die opgewekt wordt door de zonnepanelen. In alle gevallen mag de gebruikte geleider nooit een kleinere diameter hebben dan 4mm. Als een grotere diameter nodig is om de energie te transporteren naar de betreffende uitrusting, moeten junctionboxes gebruikt worden die langere kabelsecties mogelijk maken voor een langere afstand. Figuur 7.1 Illustratie van kabelverbindingen in serie Figuur 7.2 Illustratie van kabelverbindingen bij parallel verbinding 7
VIII. BEVESTIGING Er zijn twee algemene methodes om zonnepanelen aan een dragende structuur te bevestigen: de klemmethode, en de schroefmethode met bouten en moeren. Klemmethode 1. Het zonnepaneel kan bevestigd worden op een dragende structuur op vier of meer bevestigingsplaatsen aan de lange zijde van het zonnepaneelframe met klemmaterialen. 2. De overlap tussen het klemmateriaal en het bovenste oppervlak van het zonnepaneelframe moet meer dan 5 mm zijn. 3. Gebruik klemmateriaal met voldoende sterkte en de juiste vorm dat bestand is tegen winden sneeuwbelasting, specifiek voor het plaatselijke klimaat. 4. Maak de bouten vast met een aandraaimoment van ongeveer 7 tot 8 Nm (Newton-meters) om vervorming en loslaten van het zonnepaneel te voorkomen. 5. De zonnepaneel gebruikt vier klemmen, de minimale afstand tussen de hoek van het frame en de klem is minimaal 350 mm voor SC A PxxxWW en SC A PxxxBB. Schroefmethode 1. Het zonnepaneel kan vastgemaakt worden aan een dragende structuur door gebruikmaking van de bevestigingsgaten aan de onderkant van het frame, met vier roestvrijstalen M8-bouten, ringen en moeren (zie figuur 8.2 & 8.3). 2. De lengte van de M8-bouten is 120 mm. 3. Blokkeer tijdens de installatie de afwateringsgaten op elke hoek van het zonnepaneel niet. 4. Ruimte tussen de moduleframes en dragende structuur of bodem is vereist ten behoeve van luchtcirculatie om warmte af te voeren achter de PV-zonnepaneel. 5. Boor geen extra bevestigingsgaten en breng geen wijzigingen aan het frame aan. Het frame zal daardoor verzwakken. 6. Maak de bouten vast met een aandraaimoment van maximaal 7 tot 8 Nm (Newton-meters) om vervorming en loslaten van het zonnepaneelframe te voorkomen. 8
Figuur 8.1 Figuur 8.2 Schroefmethode figuur 8.3 Klemmethode figuur 8.4 Bevestigingsmethode klem voor SC A PxxxWW en SC A PxxxBB 9
Figuur 8.5 Bevestigingsmethode bevestigingsplaat (mid) Figuur 8.6 Bevestigingsmethode bevestigingsplaat (end) 10
Figuur 8.7 Klemmethode voor PV-module SC A PxxxWW en SC A PxxxBB 11
Figuur 8.8 Bevestigingsplaats van SC A PxxxWW en SC A PxxxBB Figuur 8.9 Bevestigingsplaats van SC A PxxxWW en SC A PxxxBB 12
IX. AARDING 1. Het doel van aarding van het systeem is het voorkomen van het gevaar op elektrische schok of brand. Het frame moet geaard worden in overeenstemming met plaatselijke regelgeving. 2. Voorgestelde verbindingsmethoden zijn klinknagels, toepassing van bouten of moeren, klemmen, solderen en ook lassen. Verbindingsmiddelen zoals schroefdraden of schroeven dienen volledig bevestigd te worden op het metaal van het frame. 3. Alle ringen getoond in de figuur 9.1 zijn vereist voor de aardeverbinding. 4. Het materiaal van het moduleframe is een legering van aluminium/magnesium. Bevestigingsmateriaal, waaronder schroeven, bouten, ringen, moeren, etc. moeten van roestvrijstaal zijn. 5. Bouttype is M4 met een lengte van tussen de 15mm en 25mm. 6. De aardekabel die rond de schroef gewikkeld is moet nr. 12 AWG (3,5mm2) zijn. 7. Het draaimoment is 2,3 N.m (20 lbf.in). 8. Lees de productspecificatie om de plaats van aardekabels te vinden. Figuur 9.1 13
X. DAK 1. Zorg er bij het installeren van een zonnepaneel op een dak of gebouw voor dat hij stevig vastzit en niet kan vallen door wind- of sneeuwlasten. 2. Zorg er, bij plaating op een plat dak, door middel van driehoekssteunen voor dat er voldoende ballast wordt toegepast zoals voorgeschreven door de fabrikant van het bevestigingsmateriaal. 3. Gebruik bij installeren van zonnepanelen op daken en gebouwen de voorgeschreven veilig heidsuitrusting (veiligheidsnetten, borglijnen etc.). 4. Creëer voldoende ventilatie aan de achterkant. Voor een goede werking en voor het voorkomen van schade door condensvorming, heeft een zonnepaneel een goede luchtstroom nodig over het oppervlak van de achterkant. 5. Zorg er bij het installeren van het zonnepaneel voor dat er voldoende afstand is tussen de achterkant van het zonnepaneel en het bevestigingsoppervlak. De minimale afstand tussen het dak en het zonnepaneel moet 10 cm zijn. XI. VERMOGEN Elektrische eigenschappen Solarclarity Denim (polykristallijn type) Modelnaam Vermogen (W) Voc (V) Isc (A) Vmpp (V) Impp (A) Eff. (%) SCA P240WW 240 37,31 8,61 29.94 8.02 14,73 SCA P250WW 250 37,71 8,69 30,48 8,22 15,31 SCA P260WW 260 38.07 8.75 31.08 8.36 15.92 Elektrische eigenschappen Solarclarity Black Denim (zwart polykristallijn type) Modelnaam Vermogen (W) Voc (V) Isc (A) Vmpp (V) Impp (A) Eff. (%) SCA P240BB 240 37,31 8,61 29,94 8,02 14,69 SCA P250BB 250 37,71 8,69 30,48 8,22 15,31 SCA P260BB 260 38.07 8.75 31.08 8.36 15.92 14
Opmerkingen 1. Metingen aangegeven in deze tabel zijn gemaakt onder standaard test condities (STC): Instraling van 1000 W/m2 Spectrum van AM1,5G Celtemperatuur van 25 C 2. De waarde van Voc en Isc moeten vermenigvuldigd worden met een factor 125% bij bepaling van elektrische klasse van componenten. 3. Presentatie van product serienummer: A B C D E A1 A2 A3 A B C D E Fabrikanten van modules voor Solarclarity. De celspecificatie is poly of mono, aangegeven met een P of M. Het totaal aantal cellen van de module. Als het serienummer van het product hoger is dan nr. 999, start het met 00J, wat staat voor 1000 en 00A staat voor 1001 in volgorde. A1 A2 A3 Het productiejaar wordt weergegeven met de laatste twee getallen van AD met letters. De productiemaand wordt weergegeven met twee getallen. De productiedatum wordt weergegeven met twee getallen. De letters komen overeen met de getallen: A B C D E F G H I J 1 2 3 4 5 6 7 8 9 0 15
Voorbeeld 1: De 72 stuks 240W mono-modules zijn gemaakt door bedrijf T op 2011-01-15 AD. Het serienummer ziet er als volgt uit: Het eerste exemplaar is: AA0115TM72001 Het tweede exemplaar is: AA0115TM72002 Voorbeeld 2: De 60 stuks 240W poly-modules zijn gemaakt door bedrijf T op 2011-01-15 AD en het serienummer is: De 1000e is: AA0115TP6000J De 1001e is: AA0115TP6000A De 1025e is: AA0115TP6000BE Figuur 11.1 Vier bevestigingsgaten Figuur 11.2 Acht bevestigingsgaten 16 1
Waarschuwing dat de vervanging van bypass diodes overgelaten moet worden aan deskundig installatiepersoneel. Deze bedradingsdozen zijn niet bestemd voor directe veldbedrading. Figuur 11.2 Acht bevestigingsgaten Eenheid: mm Waarschuwing dat de vervanging van bypass diodes overgelaten moet worden aan deskundig installatiepersoneel. Deze bedradingsdozen zijn niet bestemd voor directe veldbedrading. 17 2