Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Opnameprotocol

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Opnameprotocol"

Transcriptie

1 Dit opnameprotocol mag niet nog niet gebruikt worden voor het bepalen van de Energie-index. Concept is bedoeld om partijen alvast te informeren. Naar verwachting zal dit protocol per 1 januari 2015 worden ingevoerd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Opnameprotocol Energieprestatiecertificaat woningen op basis van het Nader Voorschrift Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

2 6 OPNAMEPROTOCOL WONINGEN (NADER VOORSCHRIFT) In dit hoofdstuk wordt de woningopname door de EPA-opnemer/-adviseur beschreven. Hierbij komen de bron die de EPA-opnemer/-adviseur mag gebruiken en de instrumenten die hij nodig heeft eerst aan de orde. Daarna wordt de methodiek om de woninggegevens (algemeen, bouwkundig en installatietechnisch) te verzamelen stap voor stap toegelicht. Het in dit hoofdstuk beschreven opnameprotocol moet strikt gevolgd worden, ook als een EPAopnemer/-adviseur een andere mening met betrekking tot bepaalde aspecten heeft. Het hieronder beschreven opnameprotocol is voor woningen. Woningen bestaan in de methodiek uit één verwarmde zone/rekenzone. In een appartementencomplex dient per woning een Energieprestatiecertificaat opgesteld te worden. BEGRIPPEN Hieronder worden de begrippen toegelicht die in het opnameprotocol worden gehanteerd Aangrenzende onverwarmde ruimte (AOR) aangrenzende ruimte die niet wordt verwarmd of gekoeld ten behoeve van het verblijven van mensen Aangrenzende sterk geventileerde ruimte met buitenlucht via niet-afsluitbare ventilatieopeningen geventileerde ruimte met een ventilatiecapaciteit,bepaald volgens 5.3 van NEN 1087, van ten minste 3 dm3/s per m2 gebruiksoppervlakte van die ruimte Aangrenzende verwarmde ruimte (AVR) aangrenzende ruimte die wordt verwarmd of gekoeld ten behoeve van het verblijven van mensen Appartementencomplex (woongebouw) gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer woonfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes. Distributieleiding De leiding waarmee de benodigde warmte/koude benodigd voor ruimteverwarming/-koeling wordt getransporteerd. Energieprestatiecertificaat Certificaat waarop de energetische prestatie, uitgedrukt in Energie-index, van de woning is aangegeven. Energieprestatie van een woning ofwel: karakteristiek energiegebruik; berekende energie nodig om aan de vraag te voldoen die verbonden is aan een gestandaardiseerd gebruik van een woning voor verwarming, koeling, ventilatie, warmtapwaterbereiding, verlichting en hulpenergie. EPA-adviseur: degene die in het bezit is van het bewijs van vakbekwaamheid EPA-adviseur woningbouw, deze persoon mag de woning opnemen conform het opnameprotocol Nader Voorschrift en op basis van de opname een Energieprestatiecertificaat registreren. EPA-opnemer: degene die in het bezit is van het bewijs van vakbekwaamheid EPA-opnemer woningbouw, deze persoon mag de woning opnemen conform het opnameprotocol Nader Voorschrift. Gemeenschappelijke ruimte Ruimte van een gebouw, die ten diensten staat van twee of meer dezelfde of verschillende gebruiksfuncties Leefruimte Zie definitie Ruimte Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

3 Installaties: Individueel Van een individuele installatie is sprake als iedere individuele woning een eigen installatie voor bijvoorbeeld ruimteverwarming, koeling en/of warm tapwaterbereiding heeft. Collectief Een collectieve installatie is bedoeld voor de verwarming,warm tapwaterbereiding en/of koeling van meer dan één woonfunctie waarbij de opwekker binnen het perceel van het betreffende woning/appartementencomplex is opgesteld. Warmtelevering derden Van warmte-/koudelevering derden is sprake indien de opwekker buiten het perceel van het betreffende woning/appartementencomplex staat opgesteld. Indien er sprake is van warmtelevering derden, kan de warmte/koude afkomstig zijn van een van: a) een productieproces van elektriciteit; b) een industrieel productieproces; c) afvalverbranding; d) collectief warmtepompsysteem; e) collectieve levering van zonnewarmte Isolatiemateriaal Alle materialen met warmtegeleidingscoëfficiënt gelijk aan of kleiner is dan 0.1 W/m.K. Nader Voorschrift Nader Voorschrift (NV) beschrijft de wijzigingen ten opzichte van NEN 7120+C2:2012 (inclusief correctieblad C3 en C4) om de energieprestatie voor bestaande gebouwen te kunnen bepalen ten behoeve van de energie index. Deze wijzigingen omvatten ook, waar nodig, de in NEN 7120 aangeroepen normbladen: NEN C1 (inclusief correctieblad C2) en NEN 1068:2012 (inclusief correctieblad C1). Open verbinding Een open verbinding is een opening die niet met aanwezige harde elementen kan worden afgesloten. Een opening is niet afgesloten als in de opening alleen een gordijn is aangebracht. Een deur/luik dat in gesloten toestand meer dan 10% van de totale oppervlakte van de opening open laat wordt ook als open verbinding beschouwd Ruimte Leefruimte vertrekken van de woning ingericht voor een langdurig verblijf tijdens de dag, met uitsluiting van de sanitaire voorzieningen, bergingen, wasruimten,... ; voorbeelden zijn de woonkamer, eetkeuken, eethoek. Slaapruimte vertrekken van de woning ingericht als slaapkamer, met uitzondering van de vertrekken die eveneens als leefruimte zijn bedoeld (b.v. bij kamers en studio s) Serre/atrium/balkonafdichting Een serre/atrium/balkonafdichting is een onverwarmde ruimte met specifieke kenmerken van de buitenschil Er is sprake van een serre of atrium indien de som van de geveloppervlakten van de aangebouwde ruimte uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat en indien de som van de dakoppervlakten van de aangebouwde ruimte uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat. Dus de 50%-regel geldt zowel afzonderlijk voor de gevel en het dak. Er is sprake van een balkonafdichting indien de som van de geveloppervlakten van de afdichting uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat. Als er een open verbinding met de rekenzone aanwezig is, mag de ruimte niet beschouwd worden als serre, balkonafdichting of atrium, maar behoort de ruimte tot de rekenzone. Als de serre, in de door balkonafdichting ontstane ruimte of atrium wordt verwarmd of gekoeld ten behoeve van het verblijf van mensen dan mag de ruimte niet beschouwd worden als serre, balkonafdichting of atrium, maar behoort de ruimte tot de rekenzone. Slaapruimte Zie definitie Ruimte Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

4 Verwarmde zone/rekenzone Woning of gedeelte van een woning dat voor de berekening van het energiegebruik voor verwarming, warm tapwaterbereiding, ventilatie en verlichting als één geheel mag worden beschouwd. Woningen bestaan in de methodiek uit één verwarmde zone/rekenzone. Warmte- en koudeopwekkers Monovalent systeem Bij monovalente opwekkers wordt alle warmte/koude benodigd voor de verwarming/koeling van het gebouw geleverd door één type opwekker. Bivalent systeem Bij bivalente opwekkers wordt alle warmte/koude benodigd voor de verwarming/koeling van het gebouw geleverd door meerdere typen opwekkers geleverd. Een type opwekker levert slechts een deel van het benodigde verwarmings-/koude vermogen. Een hulp opwekker levert dan de rest van het benodigde vermogen. Warmtepompen en Micro-WKK kunnen zijn uitgevoerd als bivalente systemen. Let op er komen ook monovalente warmtepompen voor. Preferente opwekker Preferente opwekker is het toestel dat bij een warmte-/koudevraag als eerste in bedrijf komt. Woonfunctie Gebruiksfunctie voor het wonen. 6.1 BRON Volgens onderdeel van BRL moet de woningopname worden uitgevoerd volgens hoofdstuk 6 van deze ISSO publicatie. In dit hoofdstuk is beschreven hoe de informatie over de woning verzameld moet worden. In BRL is dat niet nader bepaald. Wel geeft BRL aan door wie bepaalde activiteiten verricht moeten of mogen worden. Volgens onderdeel van BRL moet de EPA-opnemer/-adviseur ter plaatse, ook in de woning, nagaan of de uiteindelijk ter beschikking komende informatie voldoende basis vormt voor het opstellen van een Energieprestatiecertificaat dat is gebaseerd op de werkelijk bestaande situatie. Toelichting Naast de waarneming in de woning mag de EPA-opnemer/-adviseur ook gebruik maken van tekeningen en bestekken. Als een EPA-opnemer/-adviseur gebruik maakt van tekeningen of bestekken als hulpmiddel moet hij altijd ter plaatse nagaan in de betreffende woning of deze informatie correct is. Volgens onderdeel van BRL hoeft de EPA-opnemer/-adviseur, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan de woning niet opnieuw te bezoeken in het geval dat in een woning verbeteringen zijn doorgevoerd na het bezoek van de EPA-adviseur/opnemer. Onderdeel van de BRL luidt: Indien na het bezoek van de EPA-adviseur/opnemer in een woning verbeteringen zijn doorgevoerd, kan de opdrachtgever vragen de verbeteringen mee te laten wegen in het Energieprestatiecertificaat. De EPA-adviseur mag de verbeteringen meerekenen, zonder dat hij de verbeterde woning opnieuw bezoekt, indien: de woning werd voorzien van een nieuwe Cv-ketel, waarbij inzichtelijk kan worden gemaakt dat deze ketel ook daadwerkelijk is geplaatst op het betreffende adres, de woning is verbeterd (glas, isolatie), waarbij kan worden aangetoond dat de toegepaste maatregel werd ondersteund door een kwaliteitsverklaring en ook daadwerkelijk is uitgevoerd op het betreffende adres. Toelichting Afdoende bewijs dat de bovengenoemde verbeteringen zijn aangebracht is: Leveringsopdracht maar ook offerteacceptatie van de energiebesparende maatregelen, inclusief een rekening en Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

5 betalingsbewijs waaruit blijkt wanneer en waar de voorziening is gerealiseerd of opgeleverd. Op de rekening dient altijd het adres, bouwkavel of bouwnummer aangegeven te zijn waar het betreffende materiaal is aangebracht. Dus naast het factuuradres moet de rekening ook het adres, bouwkavel of bouwnummer van de betreffende woning vermelden. Indien er geen bewijsmateriaal aanwezig is dient de EPA-adviseur/opnemer dus alsnog ter plekke na te gaan of de energiebesparende maatregelen zijn aangebracht. Opmerking Een kopie van het bewijs moet opgenomen worden in het projectdossier (zie onderdeel van BRL ). Representativiteit Paragraaf 4.5 uit de BRL heeft betrekking op representativiteit. Onderdeel 4.5 luidt: Als een woning niet teveel afwijkt van een andere woning, dan kan daarvoor een Energieprestatiecertificaat worden afgegeven op basis van het Energieprestatiecertificaat van die andere woning. In dat geval wordt gebruik gemaakt van representativiteit. Binnen elke deelverzameling waarvoor gebruik wordt gemaakt van representativiteit, wordt één woning aangemerkt als de referentiewoning. De andere woningen binnen de deelverzameling worden aangemerkt als gelijkende woningen. Opmerking De gelijkende woning krijgt een referentie certificaat, geen individueel Energieprestatiecertificaat. Op het referentie certificaat wordt aangegeven op welke referentiewoning het Energieprestatiecertificaat gebaseerd is. Of een woning voldoende gelijkend is wordt vastgesteld volgens hoofdstuk 7 van deze ISSO publicatie of door een berekening van de Energie-index. Ten slotte bepaalt BRL in onderdeel dat bij toepassing van representativiteit gelijkende woningen niet allemaal bezocht hoeven te worden door de EPA-adviseur/opnemer. Onderdeel van BRL luidt: In het geval van representativiteit is hetgeen hierboven is bepaald voor een individueel Energieprestatiecertificaat eveneens van toepassing, echter met dien verstande dat de EPAadviseur/opnemer zelf bepaalt welke gelijkende woningen hij binnengaat. Opmerking Dit betekent dat de EPA-adviseur/opnemer niet elke gelijkende woning hoeft binnen te gaan als hij er zeker van is dat hij over de juiste informatie beschikt. Gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid Het is toegestaan om onder bepaalde omstandigheden gebruik te maken van een gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid: Het apparaat of onderdeel is opgenomen in de databank gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid, zie website Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheidsverklaringen ( Er is bewijsmateriaal aanwezig dat het apparaat of onderdeel in de installatie is opgenomen. Er is sprake van bewijsmateriaal als door middel van visuele waarneming aangetoond kan worden dat het apparaat of onderdeel in de installatie is opgenomen. Of er is een rekening of schriftelijk bewijs waarop is aangegeven dat het apparaat of onderdeel in de installatie op het betreffende adres is aangebracht. Op de rekening of schriftelijk bewijs dient altijd het adres aangegeven te zijn waar het betreffende apparaat of onderdeel is aangebracht. Dus naast het factuuradres ook het adres, bouwkavel of bouwnummer van de betreffende woning. Alleen als aan beide bovenstaande voorwaarden is voldaan is gebruik van een gecontroleerde kwaliteitsverklaring of gecontroleerde gelijkwaardigheidsverklaring toegestaan. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

6 Gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid zijn mogelijk bij de volgende onderdelen. Onderdeel 1 Isolatie bouwkundige constructies 2 Licht doorlatende constructies inclusief kozijn (ramen) 3 Opwekkers voor ruimteverwarming Invoer Rc-waarde U-waarde en ZTA-waarde Rendement Bij micro-wkk: ratio elektriciteit/warmte Hulpenergie, toestel afhankelijke constanten 4 Afgifte ruimteverwarming Afgifte rendement 5 warmtapwater opwekkers Rendement (bij warmtepompen met een naverwarmer ook de fractie) 6 WTW-douchewater Rendement 7 Zonneboiler Opbrengst en hulpenergie 8 Pomp Vermogen CV-pomp Vermogen Circulatiepomp Vermogen aanvullende pomp 9 WTW-ventilatie Rendement 10 Opwekkers voor ruimte Rendement koeling 11 PV-cellen Watt piek vermogen 12 PVT-systemen Opbrengst (warmte en elektriciteit) Schriftelijk bewijs Naast de waarneming in de woning mag de EPA-opnemer/-adviseur ook gebruik maken van tekeningen, bestekken en rekeningen. Als een EPA-opnemer/-adviseur gebruik maakt van tekeningen of bestekken als hulpmiddel moet hij altijd ter plaatse nagaan in de betreffende woning of deze informatie correct is. Op de rekening dient altijd het adres, bouwkavel of bouwnummer aangegeven te zijn waar het betreffende materiaal is aangebracht. Dus naast het factuuradres moet de rekening ook het adres, bouwkavel of bouwnummer van de betreffende woning vermelden. Indien de isolatiedikte niet ter plekke is vast te stellen kunnen de tekeningen en/of rekeningen van de betreffende woning/appartementencomplex uitkomst bieden. Alleen de aangeven isolatiedikte op de tekening en/of rekening mag gebruikt worden. De reden hiervan is dat bij de bepaling van de aangegeven Rc-waarde van de constructie soms wordt uitgegaan van niet goed onderbouwde warmtegeleidingscoëfficiënten van het isolatiemateriaal. Door uit te gaan van de aangegeven isolatiedikte kan met behulp van de standaardtabellen uit deze ISSO-publicatie of met behulp van een gecontroleerde verklaring wel de juiste Rc-waarde van de constructie worden bepaald. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

7 6.2 INSTRUMENTARIUM De EPA-opnemer/-adviseur verzamelt de gegevens die nodig zijn om het opnameformulier in te vullen. Tijdens de woningopname voert hij handelingen uit waarmee hij deze gegevens kan meten of onderzoeken. Daarbij zijn hulpmiddelen wenselijk en soms zelfs onontbeerlijk. Hieronder staat een lijst met instrumenten waarover elke EPA-adviseur/-opnemer minimaal moet beschikken om een woningopname te kunnen uitvoeren: Meetinstrument om de lengte, breedte en hoogte te kunnen bepalen (zoals rolmaat, elektronische afstandmeter en dergelijke); Digitale camera. In een aantal gevallen kan het ook handig (niet verplicht) zijn om tijdens de opname te beschikken over: Hellingshoekmeter (analoog of digitaal); Zaklamp; Kompas De Energie-index moet worden bepaald met een EI-softwareprogramma dat voldoet aan de formulestructuur zoals beschreven in het Nader Voorschrift versie 1.0 dd februari 2014 en aan de in de BRL 9501 (inclusief wijzigingsblad van 4 december 2014) gestelde eisen aan deze programma s. In bijlage 3 van ISSO 82.1 staat een voorbeeld van een opnameformulier waarmee de EPA-opnemer/- adviseur de opname van de woning kan verrichten. 6.3 STAPPENPLAN WONINGOPNAME In het onderstaande stappenplan is aangegeven hoe de woning opgenomen wordt. De EPAopnemer/-adviseur is niet verplicht de volgorde van het stappenplan aan te houden. Wel moeten alle stappen van het stappenplan uitgevoerd worden. In de paragrafen 6.4 tot en met 6.7 worden de stappen nader toegelicht. In paragraaf 6.8 is het protocol opgenomen om te komen tot het juiste woningtype. In paragraaf 6.9 zijn er extra aanwijzingen voor huurwoningen gegeven. Ten slotte worden er in paragraaf 6.10 voorbeelden gegeven van overige ruimten met betrekking tot de rekenzone. Stappenplan bij het opnemen van een woning. Stap 1 Bepaal de rekenzone (paragraaf 6.4) Stap 2 Bepaal overige algemene woningkenmerken, zoals woningtype en gebruiksoppervlakte (paragraaf 6.5) Stap 3 Bepaal kenmerken van de thermische schil (paragraaf 6.6) Stap 4 Bepaal kenmerken van de installaties (paragraaf 6.7) Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

8 6.4 BEPAAL DE REKENZONE (STAP 1) In deze stap wordt de rekenzone van de woning bepaald. Dit is het gedeelte van de woning dat voor het Energieprestatiecertificaat als verwarmd beschouwd wordt en dat als basis dient voor de berekening. Van iedere ruimte in de woning moet nagegaan worden of deze tot de rekenzone behoort. De bepaling of de ruimte tot de rekenzone behoort, verloopt in een aantal stappen: 1 Een aantal ruimten hoort altijd tot de rekenzone (paragraaf 6.4.1). 2 Voor de overige ruimten dient met de beslisschema s uit paragraaf te worden of ze tot de rekenzone behoren. Opmerkingen: 1 De rekenzone moet uit 1 geheel bestaan. Ruimten die niet direct grenzen aan de woning worden beschouwd als buiten de rekenzone van de woning. Dit geldt ook als er in deze ruimten verwarming aanwezig is (bijvoorbeeld tuinhuisjes). 2 Woning waarin of waaraan zich ruimten met een andere gebruiksfunctie (bijvoorbeeld een kantoor of praktijkruimte) bevinden. Als de gesommeerde gebruiksoppervlakte van de andere gebruiksfunctie(s) in of aan de woning minder of gelijk aan 50 m2 is, moet het Energieprestatiecertificaat opgesteld worden als zou de gehele woning (inclusief de andere functie) een woonfunctie hebben Als de gesommeerde gebruiksoppervlakte van de andere gebruiksfunctie(s) in of aan de woning meer dan 50 m2 is, moeten separate Energieprestatiecertificaten opgesteld worden voor de woonfunctie enerzijds en de andere gebruiksfunctie(s) anderzijds. 3 Indien er per woning in een appartementencomplex een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld, geldt het volgende: Alleen ruimten die onderdeel zijn van de betreffende woning moeten worden beschouwd. Gemeenschappelijke ruimten in het appartementencomplex behoren nooit tot de rekenzone van de afzonderlijke woningen Ruimten die altijd bij de rekenzone horen De volgende ruimten in woningen behoren altijd tot de rekenzone, ook indien deze ruimten niet of matig verwarmd zijn: Woonkamers; Slaapkamers; Keukens; Toiletten; Badkamers; Inpandige meterkasten en inpandige kelderkasten; Niet gemeenschappelijke verkeersroutes (gangen, hallen, overlopen) in de betreffende woning; Opgang van de betreffende bovenwoningen. Opmerking: 1. Voor niet-gemeenschappelijke stallingsruimten/bergruimten, technische ruimten, meterruimten, stookruimten, zolders, vlieringen, kelders, bijkeukens en souterrains geldt dat met behulp van de beslisschema s overige ruimte (zie paragraaf 6.4.2) bepaald moet worden of ze tot de rekenzone behoren. 2. Kelderkasten zijn vanuit de woning bereikbare kasten (bijvoorbeeld gelegen onder de trap) die maximaal een oppervlak hebben van 4 m 2 en waarvan het hoogteverschil tussen de aangrenzende vloer van de woning en de vloer van de kelderkast maximaal 50 cm. bedraagt. 3. Inpandige meterkasten zijn meterkasten die van binnenuit de woning bereikbaar zijn. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

9 Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

10 6.4.2 Overige ruimte Voor de overige ruimten behorend bij de woning, zoals niet-gemeenschappelijke stallingsruimten/ bergruimten, technische ruimten, stookruimten, zolders, vlieringen, kelders, souterrains, serres en balkonafdichtingen dient op basis van de onderstaande 4 beslisschema s bepaald te worden of deze ruimten wel of niet tot de rekenzone behoren. Indien een beslisschema aangeeft voor de betreffende ruimte dat de ruimte tot de rekenzone behoort kunnen de overige beslisschema s worden overgeslagen en kan men verder met de volgende ruimten (indien aanwezig). Indien een beslisschema aangeeft dat de ruimte niet tot de rekenzone behoort dan dient men verder te gaan met het volgende beslisschema. Beslisschema 1 Overige ruimte Bepaal of overige ruimte tot de rekenzone behoort. Grenst de overige ruimte aan een ruimte die hoort tot de rekenzone? ja nee Overige ruimte behoort definitief niet tot de rekenzone, beslisschema 2, 3 en 4 overslaan. Bepaal van de eventueel volgende overige ruimte of deze tot de rekenzone behoort. Indien er geen overige ruimten meer zijn dan is de rekenzone bekend. Ga naar Wordt de ruimte verwarmd of gekoeld ten behoeve van het verblijf van mensen? nee Is er een open verbinding tussen de overige ruimte en een andere ruimte behorend bij de rekenzone? ja ja Overige ruimte hoort bij de rekenzone. Bepaal van de eventueel volgende overige ruimte of deze tot de rekenzone behoort. Indien er geen overige ruimten meer zijn dan is de rekenzone bekend. nee Bepaal met behulp van beslisschema 2 of de overige ruimte alsnog bij de rekenzone behoort Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

11 Beslisschema 2 Overige ruimte Bepaal of overige ruimte tot de rekenzone behoort. Wordt de overige ruimte omsloten door isolatie 2 of een spouwmuur 2 Nee Bepaal met behulp van beslisschema 3 of de overige ruimte alsnog bij de rekenzone behoort ja Is de constructie tussen de overige ruimte en andere ruimte behorend bij de rekenzone van een spouw en/of isolatie voorzien 2? Ja nee Overige ruimte hoort bij de rekenzone. Bepaal van de eventueel volgende overige ruimte of deze tot de rekenzone behoort. Indien er geen overige ruimten meer zijn dan is de rekenzone bekend. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

12 Beslisschema 3 Overige ruimte Bepaal of overige ruimte tot de rekenzone behoort. ja Wordt de overige ruimte omsloten door isolatie 2 of een spouwmuur 2 Nee ja Is de constructie tussen de overige ruimte en andere ruimte behorend bij de rekenzone van een spouw en/of isolatie voorzien 2? Nee Bepaal met behulp van beslisschema 4 of de overige ruimte alsnog bij de rekenzone behoort Ja Is de warmteweerstand van de constructie tussen de overige ruimte en andere ruimte behorend bij de rekenzone kleiner dan de warmteweerstand van de omhulling van de overige ruimte 3? Nee Ja Overige ruimte hoort bij de rekenzone. Bepaal van de eventueel volgende overige ruimte of deze tot de rekenzone behoort. Indien er geen overige ruimten meer zijn dan is de rekenzone bekend. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

13 Beslisschema 4 Overige ruimte Bepaal of overige ruimte tot de rekenzone behoort. ja Wordt de overige ruimte omsloten door isolatie 2 of een spouwmuur 2 Ja Nee Is de constructie tussen de overige ruimte en andere ruimte behorend bij de rekenzone van een spouw en/of isolatie voorzien 2? Ja Ruimte hoort definitief niet tot de rekenzone. Nee Is er in de overige ruimte een gebouwgebonden warmteafgifte systeem 4 aanwezig? Nee Ja Overige ruimte hoort bij de rekenzone. Bepaal van de eventueel volgende overige ruimte of deze tot de rekenzone behoort. Indien er geen overige ruimten meer zijn dan is de rekenzone bekend. Opmerkingen bij beslisschema s 1 Hieronder valt niet een vorstbeveiliging en/of een verwarmingstoestel in een ruimte(n) die niet is opgesteld ten behoeve van het verblijf van personen. Mobiele verwarmingselementen en koelers, zoals elektrische kacheltjes, verrijdbare airco s e.d. vallen hier ook niet onder. 2 Er is sprake van isolatie of spouw als meer dan 70% van het totaal oppervlak van de uitwendige scheidingsconstructies (wanden, vloeren, panelen en daken) minimaal 1 cm isolatie of spouw bevat. Ramen en deuren worden hierbij buiten beschouwing gelaten. Uitwendige scheidingsconstructies zijn constructies die grenzen aan buitenlucht, grond of water. 3 Hiervan is sprake als de thermische weerstand van 70% van het totaal oppervlak van de uitwendige scheidingsconstructies (wanden, vloeren, panelen en daken) van de overige ruimte een grotere thermische weerstand heeft dan 70% van het oppervlak van de constructies tussen de overige ruimte en de rekenzone. Ramen en deuren in de uitwendige scheidingsconstructie en in de constructie tussen de overige ruimte en rekenzone worden hierbij buiten beschouwing gelaten. 4 Mobiele verwarmingselementen, zoals elektrische kacheltjes e.d. vallen hier niet onder, een CV-ketel mag niet worden beschouwd als een warmte-afgiftesysteem. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

14 In paragraaf 6.10 wordt een aantal voorbeelden van overige ruimten gegeven. Hierin is aangegeven of deze overige ruimten wel of niet tot de rekenzone behoren. Zolder Bij een zolder die behoort tot de rekenzone geldt voor de ruimte achter de knieschotten het volgende: - Als de knieschotten geïsoleerd zijn en de warmteweerstand van de knieschotten is groter dan de warmteweerstand van het achterliggende dak/gevel dan behoort de ruimte achter de knieschotten niet bij de rekenzone, maar is het een aangrenzende onverwarmde ruimte. - In alle andere gevallen geldt dat de ruimte achter knieschotten niet als een aparte onverwarmde ruimte mag worden beschouwd. De hele zolder inclusief de ruimte achter de knieschotten hoort in deze situatie dus bij de rekenzone. Indien de zolder tot de rekenzone behoort, moet dat deel van de vloer dat voldoet aan de definitie van de gebruiksoppervlakte (zie paragraaf 6.5.7) bij de gebruiksoppervlakte van de woning worden geteld. Garage Indien een garage wordt gebruikt als verblijfsruimte maar niet als zodanig is verbouwd (de ruimte kan zonder bouwkundige aanpassingen weer als garage worden gebruikt) dan hoort de ruimte niet automatisch tot de rekenzone. De beslisschema s overige ruimte moeten dan worden toegepast. Bergruimten Of een inpandige berging of aangebouwde berging bij de rekenzone hoort, moet worden bepaald aan de hand van de beslisschema s overige ruimte. De toegankelijkheid van de berging (van binnen uit of buiten uit) is niet van belang bij de bepaling of een bergruimte tot de rekenzone hoort. Meterkast (niet via de woning toegankelijk) Of een van buiten de woning toegankelijke meterkast bij de rekenzone hoort, moet worden bepaald aan de hand van de beslisschema s overige ruimte. Kelder/Souterrain Of een kelder/souterrain bij de rekenzone hoort, moet worden bepaald aan de hand van de eerder gegeven criteria/figuren. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

15 6.5 ALGEMENE WONINGKENMERKEN (STAP 2) Als eerste wordt er een overzicht gegeven van de gegevens die van de woning verzameld moeten worden. Hierna wordt in de paragrafen ingegaan op de bepalingsmethode, in de bijlage is extra informatie te vinden over de verschillende gegevens. In de tabel is aangegeven welke aspecten bij welke soort woning moet worden opgenomen en in welke paragraaf dit beschreven staat: Tabel 6.1 Op te nemen aspecten Aspect Op te nemen bij Eengezinswoning Woning in appartementen Zie paragraaf complex Woningtype Ja Ja Bouwjaar Ja Ja Renovatiejaar, indien van Ja Ja toepassing Bouwtype Ja Ja Gebouwafmetingen Nee Ja Type dak Ja Ja Gebruiksoppervlakte van de Ja Ja rekenzone Enkel of meerlaags Ja Ja woningen Voorzet gevel Nee Ja Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

16 6.5.1 Woningtype Het woningtype heeft invloed op de infiltratie en wordt weergegeven op het Energieprestatiecertificaat. Indien er per woning een Energieprestatiecertificaat wordt gemaakt dient per woning het woningtype en subtype te worden aangegeven. In de onderstaande tabel zijn de mogelijke typen en subtypen weergegeven. In paragraaf 6.8 is het protocol opgenomen om te komen tot het juiste woningtype. Tabel 6.2 Mogelijke woningtypen en subtype Eengezinswoningen (grondgebonden woningen) 1. Vrijstaande woning 2. Twee onder een kap 3. Rijwoning 3a Tussenwoning 3b Hoekwoning Woningen in een appartementencomplex (woningen in een meergezinswoning met 1 of 2 lagen) 1. Hoekwoning onder dak 2. Tussenwoning onder dak 3. Hoekwoning op tussenverdieping 4. Tussenwoning op tussenverdieping 5. Hoekwoning onderste bouwlaag 6. Tussenwoning onderste bouwlaag 7. Tussenwoning onder dak en op onderste bouwlaag 8. Hoekwoning onder dak en op onderste bouwlaag Bouwjaar van de woning Het bouwjaar is van belang bij de bepaling van thermische eigenschappen van de bouwkundige constructies als daarvan niet bekend is of ze geïsoleerd zijn of als de isolatiedikte niet te bepalen is. Tevens speelt het bouwjaar een rol bij de bepaling van de infiltratie. Als aan de woning in een later jaartal een stuk is aangebouwd en de isolatiedikte is niet ter plekke te bepalen, mag bij de bepaling van de thermische eigenschappen van de aanbouw alleen het jaar van de aanbouw worden gebruikt indien alle bouwkundige constructies van de aanbouw voldoen aan de bouwregelgeving (van het jaar van de aanbouw). Als er gebruik is gemaakt van het zogenaamde rechtens verkregen niveau dient het bouwjaar van de woning te worden aangehouden. Indien dit niet het geval is of niet bekend dan dient het bouwjaar van de woning te worden aangehouden. Het bouwjaar van de woning is eveneens van belang voor het registratiesysteem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO.nl) (voorheen Agentschap NL). Voor de databank van de RvO.nl blijft het oorspronkelijke bouwjaar van de woning van toepassing. Opmerking: Hoewel onder het bouwjaar doorgaans wordt verstaan het jaartal dat staat vermeld op de bouwvergunning van de betreffende woning (deel) is er bij de methodiek voor gekozen om het jaar van oplevering van de woning/aanbouw te hanteren. De reden hiervoor is dat het jaartal op de vergunning bij bestaande woningen niet altijd is te achterhalen. Het jaar van oplevering van de woning is ook bij bestaande woningen te achterhalen via van het kadaster Renovatiejaar Indien de totale bouwkundige schil van de rekenzone is gerenoveerd dient het jaar van renovatie opgegeven te worden ten behoeve van de infiltratieberekening. Indien de isolatie-eigenschappen niet te bepalen zijn dient het renovatiejaar ook gebruikt te worden voor de bepaling van de Rc-waarden van de betreffende bouwkundige constructies die gerenoveerd zijn. Er is alleen sprake van een renovatie als bij de renovatie de alle bouwkundige constructies volgens de bouwregelgeving (van het jaar van de renovatie) zijn aangepast. Als er gebruik is gemaakt van het zogenaamde rechtens verkregen niveau dient het bouwjaar van de woning te worden aangehouden. Indien dit niet het geval is of niet bekend dan dient het bouwjaar van de woning te worden Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

17 6.5.4 Bouwtype Van de woning waarvoor het Energieprestatiecertificaat gemaakt moet wordt, dient te worden bepaald of het een traditioneel/gemengd zwaar, gemengd licht of volledig skelet bouw is. Traditioneel/gemengd zwaar: massief of licht binnenspouwblad, massieve woningscheidende wanden, massieve vloer. Hieronder vallen ook zolders met een licht dakbeschot en massieve woningscheidende wand en massieve vloer. Gemengd lichte bouw: licht binnenspouwblad, geen of lichte woningscheidende wand, massieve vloer. Hieronder vallen ook zolders met een licht dakbeschot zonder massieve woningscheidende wand, maar met een massieve vloer Volledig houtskelet bouw: licht binnenspouwblad, lichte woningscheidende wanden, lichte vloer. Door te tikken op de wanden/vloeren kan bepaald worden of een constructie onderdeel in de lichte of zware categorie valt. De lichte constructie klinkt hol als er op wordt getikt. Indien massieve constructies aan de binnenzijde zijn voorzien van isolatiemateriaal, vallen ze ook in de categorie licht. Indien in een woning mengvormen van het gebouwtype voorkomen (bijvoorbeeld een volledig houtskeletbouw opbouw op een verder traditioneel/gemengd zwaar als onderbouw), dient men uit te gaan van gemengd lichte bouw. De meeste woningen in Nederland zijn van het type Traditioneel/gemengd zwaar. De wanden tussen de onderlinge vertrekken in de woning worden buiten beschouwing gelaten Gebouwafmetingen Voor het bepalen van de winddrukcorrectiefactor voor infiltratie zijn de afmetingen van het appartementencomplex van belang. Voor woningen in appartementencomplexen moet de lengte, breedte en hoogte van het gebouw worden opgegeven Gebouwafmetingen bij eengezinswoningen Voor eengezinswoningen worden de gebouwafmetingen t.b.v. de infiltratie niet opgenomen. Hier wordt altijd uitgegaan van een vaste correctiefactor voor de winddruk. Opmerking: Een woning (dus geen stapeling van meerdere woningen) boven een rekenzone met een andere gebruiksfunctie (bijvoorbeeld winkel of praktijkruimte) wordt beschouwd als een eengezinswoning, hier geldt ook de hierboven genoemde vaste correctiefactor voor infiltratie Gebouwafmetingen bij woningen in een appartementencomplex Indien er van een woning in een appartementencomplex een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld dienen de gebouwafmetingen van het totale gebouw bepaald te worden, zoals hieronder is omschreven. Er wordt geen onderscheid gemaakt of een woning in een hoog of lager gelegen gebouwvleugel of langere of kortere gebouwvleugel zit. De gebouwafmetingen worden bepaald door de maximale maat in een bepaalde richting (dus inclusief eventuele aangrenzende ruimten die niet tot de rekenzone behoren). De gebouwhoogte wordt bepaald door het hoogteverschil tussen het maaiveld en het dak van het gebouw. De lengte van het gebouw is de grootste horizontale lengte van het gebouw. De breedte van het gebouw is de grootste horizontale breedte van het gebouw. Aan breedte en lengte van het gebouw is geen definitie gegeven. De twee afmetingen zijn onderling inwisselbaar, want deze leiden indien omgewisseld tot het zelfde resultaat. De afmetingen worden bepaald door de buitenafmeting van het gebouw, hoogte is dus de hoogte van het maaiveld tot en met het dak. Een eventuele zolder die niet tot de rekenzone behoort, telt hierin mee. Indien het maaiveld rond het gebouw niet overal even hoog is dan wordt er uitgegaan de laagste hoogte van het maaiveld. Indien er open tussen ruimten zijn in een gebouw worden toch de buitenmaten aangehouden, het gebouw wordt benaderd alsof deze tussenruimten gesloten zijn. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

18 Bij het gebruik van een andere methode om de gebouwafmetingen te bepalen, mogen de lengte, breedte en hoogte niet meer dan 20% afwijken van de lengte, breedte en hoogte van het gebouw indien deze bepaald zouden zijn met de bovenstaande methode. Zo kan de gebouwhoogte ook worden bepaald door het aantal verdiepingen van het gebouw te bepalen en te vermenigvuldigen met de verdiepingshoogte (indien deze gelijk zijn). Indien één van de bouwlagen in het gebouw een andere gebruiksfunctie heeft dan telt deze bouwlaag ook mee met de bepaling van de gebouwhoogte. Voorbeeld: onder het appartementencomplex zitten winkels, de bouwlaag met winkels wordt dan ook meegeteld. B H H, gebouw Maaiveld L Afb.6.1 Bepalen gebouwafmetingen, de rechter afbeelding is een tussenruimte (onder doorgang aanwezig), het gebouw wordt benaderd alsof deze tussenruimte gesloten is. De gebouwafmetingen worden bepaald door de maximale maat in een bepaalde richting (dus inclusief eventuele aangrenzende ruimten die niet tot de rekenzone behoren). In de onderstaande afbeeldingen worden voorbeelden gegeven van de verschillende gebouwvormen. In het geval van L-vormige gebouwen geldt de grootste breedte van het gebouw voor het hele gebouw. In het geval van gebouwen met woontorens wordt de grootste buitenmaten aangehouden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

19 B H Ovaal vormig gebouw L Afb. 6.2 Gebouwafmetingen bepalen van de verschillende gebouwvormen Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

20 H Rechthoekig gebouw B L H Woontoren Woontoren woningen B L Afb. 6.3 Gebouwafmetingen bepalen van de verschillende gebouwvormen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

21 Indien het appartementencomplex uit verschillende vleugels met verschillende gebouwhoogte bestaat, telt de grootste gebouwhoogte. Afb. 6.4 Gebouw met verschillende gebouwvleugels Type dak Als platte daken gelden alle daken met een hellingshoek van minder dan 15º. Bij een combinatie van type daken bepaalt het meest voorkomende type dak wat de aanduiding van het daktype voor de woning wordt. Een woning met een 60% hellend en een 40% plat dak wordt aangeduid als een woning met een hellend dak. Indien er geen dak aanwezig is of indien de rekenzone niet de hele woning betreft dan wordt het aanwezige daktype van de woning aangehouden. Bijvoorbeeld: er is een zolder die niet tot de rekenzone behoort onder het hellende dak, dan wordt toch hellend dak aangehouden Gebruiksoppervlakte De definitie van de gebruiksoppervlakte luidt: De oppervlakte gemeten op vloerniveau, tussen de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten, gelegen binnen de rekenzone van de woning omhullen', ontleend aan NEN Bij de bepaling van de gebruiksoppervlakte worden de volgende ruimten en voorzieningen niet meegerekend: Oppervlakten van delen van vloeren waarboven de netto-hoogte minder dan 1,5 meter bedraagt, uitgezonderd vloeren onder trappen, hellingbanen en dergelijke; Eén of meerdere trapgat(en), schalmgat(en) of vide(s) met een individuele oppervlakte groter dan of gelijk is aan 4 m²; Een liftschacht; Een dragende binnenwand; Een vrijstaande bouwconstructie, niet zijnde een trap en leidingschacht, waarvan de individuele horizontale doorsnede groter dan of gelijk is aan 0,5 m²; Een leidingschacht, waarvan de individuele oppervlakte van de horizontale doorsnede groter dan of gelijk is aan 0,5 m². De gebruiksoppervlakte heeft alleen betrekking op de vloeroppervlakte van alle ruimten die tot de rekenzone behoren, zoals bepaald bij stap 1. Bij het gebruik van een andere methode om de gebruiksoppervlakte te bepalen, mag de bepaalde gebruiksoppervlakte niet meer dan 10% afwijken van de gebruiksoppervlakte indien deze bepaald zou zijn met de hierboven beschreven methode Woningen in een enkel of meerlaags appartementencomplex Alleen bij woningen in een appartementencomplex aangeven of er sprake is van een enkellaags of meerlaags appartementencomplex. Indien een appartementencomplex uit meerdere bouwlagen Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

22 bestaat die luchttechnisch gescheiden zijn, dan is er sprake van meerlaags appartementencomplex. Hiervan is ook sprake als in een appartementencomplex een laag woningen zitten, waarbij de woningen uit twee of meer woonlagen bestaan. Luchttechnisch gescheiden wil zeggen er zijn geen openingen tussen de woonlagen/etage waarneembaar waardoor de lucht van de ene woonlaag/etage naar de andere woonlaag/etage kan stromen Voorzetgevel Bij een woning in een appartementencomplex dient bepaald te worden of er sprake is van een doorlopende voorzetgevel bij één of meerdere buitengevel(s) van het appartementencomplex. Er is sprake van een voorzetgevel indien minimaal één van de zijden van de woning in het appartementencomplex (totale lengte of breedte en hoogte van de woning) is voorzien voorzetgevel (dubbele huidgevel). Indien de lucht uit de tussenruimte van de ene etage naar de andere etage van het appartementencomplex kan stromen is er geen sprake van een voorzetgevel. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

23 6.6 THERMISCHE SCHIL (STAP 3) In stap 1 is bepaald wat de rekenzone van de woning is. In deze stap moet de thermische schil van de rekenzone worden bepaald. De thermische schil wordt gevormd door de bouwkundige constructies die de rekenzone omhullen en die niet grenzen aan een verwarmde ruimte. Dit zijn dus constructies die de rekenzone afscheiden van de buitenomgeving (bijvoorbeeld buitenlucht, water, grond) of aangrenzende onverwarmde ruimten. De volgende constructies maken geen onderdeel uit van de thermische schil: constructie tussen vertrekken die beide tot de rekenzone behoren; constructie tussen twee woningen (woningscheidende wand, vloer of dak). De EPA-opnemer/- adviseur dient ervan uit te gaan dat de aangrenzende woning ook verwarmd is. constructie tussen woning en gebouw met een andere gebruiksfunctie. De EPA-opnemer/- adviseur dient ervan uit te gaan dat het aangrenzende utiliteitsgebouw ook verwarmd is. Opmerking: Utiliteitsgebouwen (bijvoorbeeld met een industriefunctie) kunnen ook onverwarmd zijn. In niet alle gevallen kunnen deze aangrenzende gebouwen geïnspecteerd worden. Daarom is er voor gekozen om bij aangrenzende utiliteitsgebouwen altijd uit te gaan van verwarmde aangrenzende gebouwen. De thermische schil van woning kan bestaan uit de volgende bouwdelen: Gesloten gevels; Kozijnwerk, waaronder: Beglazing; Panelen; Deuren. Daken; Vloeren. Gesloten gevels Gesloten gevels zijn alle dichte gevelvlakken met een hellingshoek groter dan 75 o. Verder vallen onder de definitie van een gesloten gevel alle gevelvlakken van een woning die niet bestaan uit kozijnwerken. Gevelvlakken die afgewerkt zijn met beplatingen op regelwerken, prefab gevelelementen en dergelijke zijn wel gesloten gevels. Vlakken met beplatingen die in kozijnwerk (zichtbare stijlen en/of dorpels) zitten, vallen onder kozijnwerk. Verder behoren tot de gesloten gevels: zijwanden van opgetrokken gevels als zijwanden niet in kozijnwerk zijn uitgevoerd; zijwanden van dakkapellen niet uitgevoerd in een kozijn. Zijwanden van dakkapellen die in een kozijn zijn uitgevoerd moeten worden beschouwd als een paneel. Zijwanden van dakkapellen die uitgevoerd zijn in riet moeten als rieten dak worden beschouwd. Bij woningen met een kelder of souterrain in de rekenzone valt onder de berekening van het gevelvlak zowel het deel onder als boven het maaiveld. Opmerking: Glazen bouwstenen mogen niet als raam worden beschouwd deze dienen als gevel te worden beschouwd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

24 appartementencomplex eengezinswoning Gesloten gevel Winkel/kantoor Berging/ garage kelder Afb. 6.5 Gesloten gevel Kozijnwerken Kozijnwerken zijn delen van de constructie die begrensd worden door zichtbare stijlen en dorpels. Binnen deze begrenzing bevinden zich dan beglazing, deuren en/of gesloten panelen. Constructie kozijnen Onder kozijnwerk valt het geheel van kozijnen en ramen, inclusief hang- en sluitwerk, glaslatten, stelkozijnen en raamdorpels. Beglazing Bij de opname wordt onder beglazing de opvulling binnen de kozijnen verstaan, mits deze bestaat uit elementen van glas. Panelen Onder panelen vallen de vulpanelen in borstweringen van het kozijnwerk. Deze panelen kunnen gevuld zijn met isolatie. Panelen die niet in kozijnwerk zijn uitgevoerd, moeten als gevel worden beschouwd. Deuren Als de deur lichtdoorlatende delen (ramen) bevat gelden de volgende regels: de deur dient volledig te worden beschouwd als raam als de oppervlakte van de lichtdoorlatende delen groter is dan of gelijk aan 65% van de totale oppervlakte van de deur inclusief kozijn. Indien de oppervlakte van de lichtdoorlatende delen kleiner is dan 65% worden de lichtdoorlatende delen als raam beschouwd en de niet lichtdoorlatende delen als deur beschouwd. In afwijking hiervan mag de deur indien de oppervlakte van de lichtdoorlatende delen kleiner is dan 65% ook volledig als deur worden beschouwd, de licht doorlatende delen worden dan verwaarloosd.. In nagenoeg alle deuren is de oppervlakte van de lichtdoorlatende delen kleiner is dan 65%. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

25 Daken Bij daken worden alle dakvlakken opgenomen die een direct onderdeel van de thermische schil uitmaken. Indien de hellingshoek groter is dan 75 o dan dient het vlak als gevel te worden beschouwd. Appartementencomplex eengezinswoning dak Winkel/kantoor Berging/ garage kelder Afb.6.6 Dak Vloeren De EPA-opnemer/-adviseur neemt bij de opname van de woning alleen het oppervlak van de vloer op indien de vloer een onderdeel is van de thermische schil. Opmerking: Verdiepingsvloeren binnen een rekenzone en vloeren tussen twee woningen of tussen een woning en een andere gebruiksfunctie zijn geen onderdeel van de thermische schil en worden niet opgenomen. Appartementencomplex eengezinswoning vloer Winkel/kantoor Berging/ garage kelder Afb.6.7 Vloeren Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

26 In de onderstaande tabel is aangegeven welke informatie van de thermische schil moet worden verzameld en in welke paragraaf dit beschreven staat. Er wordt bij de thermische schil geen onderscheid gemaakt tussen een eengezinswoning of een woning in appartementencomplex. Bouwdeel Op te nemen aspect paragraaf Gesloten gevels Oppervlakte en Perimeter Begrenzing Oriëntatie Isolatiedikte en Luchtspouw Kozijnwerk Ramen Oppervlakte en Begrenzing In leef- of slaapruimte Oriëntatie Hellingshoek Kozijntype Glassoort Buitenzonwering Overstek/Beschaduwing Paneel Oppervlakte en Begrenzing Oriëntatie Kozijntype Isolatiedikte Luchtspouw en Deur Oppervlakte en Begrenzing Type deur Dak Oppervlakte en Begrenzing Oriëntatie (hellend dak) Hellend of plat Isolatiedikte en Luchtspouw Rieten dak Vloer Oppervlakte en Perimeter Begrenzing Isolatiedikte en Luchtspouw Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

27 Voor iedere constructie wordt de oppervlakte bepaald. Indien constructies gelijke eigenschappen hebben, mogen de oppervlakten worden samengevoegd. Bij een verschil in één of meer van onderstaande eigenschappen, mogen constructies niet worden samengevoegd: Type constructie (gevel, plat dak, etc.); Begrenzing; Oriëntatie; Rc-waarde of U-waarde; Helling van de constructie; Voorbeeld: De ruimte boven het maaiveld en de ruimte onder het maaiveld behoren beide tot de rekenzone. Gevel X en gevel Y worden als 2 verschillende gevels opgegeven (ook indien de constructieve opbouw hetzelfde) is, de begrenzing is immers anders. Gevel X grenst aan de grond en gevel Y grenst aan de buitenlucht. Gevel Y Gevel X Maaiveld Afb. 6.8 Constructies splitsen Oppervlakte constructies De oppervlakte van de thermische schil wordt berekend uit de afmetingen zoals die gedefinieerd zijn in NEN De belangrijkste uitgangspunten zijn: bij vloeren, gevels en daken geldt dat uitgegaan wordt van de afmetingen zoals deze zijn aangegeven in de onderstaande afbeeldingen 6.9 t/m 6.12; bij ramen en deuren moet de opening in de wand aan de binnenzijde aangehouden, zie afbeelding 6.14; bij schuine wanden/daken wordt bij de lengte uitgegaan van de binnenafmetingen (l4). De hoogte wordt eveneens bepaald aan de binnenzijde (h6), zie afbeelding A B Afb. 6.9 Boven en zijaanzicht vrijstaande woning/ appartementencomplex. Afmeting wordt bepaald door A en B (binnenwerks). Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

28 Afb.6.10 Bovenaanzicht hoek- en tussenwoning Afmeting A (afb. 6.10) wordt voor de gevel, vloer en dak van zowel de hoek- en tussenwoning binnenwerks gemeten. Afmeting B h wordt voor de gevel, vloer dak van de hoekwoning loopt van de binnenzijde van de buitengevel tot aan de hart maat van de woningscheidende wand. Afmeting B t voor de gevel, vloer en dak van de tussenwoning loopt van de hart maat woningscheidende wand tot aan de hart maat van de volgende woningscheidende wand. H t Afb Zij-aanzicht: Verticale afmeting eengezinswoning. Afmeting H t (afb. 6.11) wordt voor de gevel wordt binnenwerks gemeten (van bovenkant begane grondvloer tot onderzijde dakaansluiting op gevel). Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

29 Tussen bouwlaag H t Onderste bouwlaag H o Afb.6.12 Zij aanzicht woning in w appartementencomplex Afmeting H o (afb. 6.12) wordt voor de gevel van de woning (onderste bouwlaag) uit het appartementencomplex gemeten van de bovenkant van de vloer tot aan de hart maat van de woningscheidende vloer. Afmeting H t voor de woning op de tussenbouwlaag loopt van de hart maat woningscheidende vloer tot aan de hart maat van de volgende woningscheidende vloer. Afb.6.13 Afmetingen bij schuine daken Bij schuine daken (afb. 6.13) wordt bij de lengte uitgegaan van de binnenafmetingen (l4). De afmetingen kunnen met behulp van een tekening van de betreffende woning worden bepaald, ter plekke dient dan wel gecontroleerd te worden of de afmetingen van de tekening overeen komen met de werkelijke afmetingen in de woning. Meet in de woning een aantal afmetingen na. Algemeen geldt dat het door de EPA-opnemer/-adviseur bepaalde oppervlak niet meer dan 10% mag afwijken van het oppervlak bepaald conform NEN Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

30 Opmerking: In de BRL 9500 deel 01 Energieprestatieadvisering is een reproduceerbaarheidseis van 8% (op de EI) gegeven. Indien gebruik wordt gemaakt van een andere methode om de oppervlakte te bepalen en de afwijking in oppervlakte van de bouwdelen blijft binnen de hierboven genoemde 10% wil dat niet zeggen dat hiermee aan de reproduceerbaarheidseis is voldaan. Naast het oppervlak spelen o.a. de thermische eigenschappen van bouwdelen en de aanwezige installaties een belangrijke rol bij de bepaling van de EI. In de onderstaande paragrafen wordt per type constructie gegeven, hoe er eenvoudig gemeten kan worden, als dit wordt opgevolgd is in nagenoeg alle gevallen de afwijking ten opzichte van het oppervlak conform de NEN 1068 kleiner dan 10% Oppervlakte gevel In afwijking van paragraaf kunnen de afmetingen als volgt worden bepaald: Bepaal de horizontale afmeting binnenwerks (meten aan de binnenkant van de woning tussen de opgaande wanden die de betreffende gevel omsluit): Tel er bij een hoekwoning, 11 cm bij op voor de woningscheidende wand. Tel er voor een tussenwoning, 22 cm bij op voor de woningscheidende wanden. Voor een vrijstaande woning wordt er niets bij opgeteld is er namelijk geen sprake van een woningscheidende wand. Meet voor de verticale afmeting tussen de bovenkant vloer en de onderkant van het dak/plafond die de betreffende gevel omsluit. Indien het een woning in een appartementencomplex betreft meet dan de verticale afmeting tussen de woningscheidende vloeren. Tel er voor de woning op de onderste bouwlaag 10 cm bij op voor de woningscheidende vloer. Tel er voor de woning op een tussenlaag 20 cm bij voor de woningscheidende vloer. Tel er voor de woning op de bovenste bouwlaag 10 cm bij op voor de woningscheidende vloer. Toelichting Uitgangspunt hierbij is een dikte van 22 cm voor de woningscheidende wand. Voor een hoekwoning wordt de helft van de woningscheidende wand meegeteld. Voor een tussenwoning wordt 2x de halve dikte van de woningscheidende wand meegeteld. Indien een woningscheidende wand een andere dikte heeft, wordt gerekend met deze dikte. Indien niet te bepalen dan uitgaan van een dikte van 22 cm. Uitgangspunt hierbij is een dikte van 20 cm voor de woningscheidende vloer. Voor de woning op de onderste bouwlaag wordt de halve dikte van de woningscheidende vloer meegeteld. Voor een woning op een tussenlaag wordt 2 * de halve dikte van de woningscheidende vloer meegeteld. Indien een woningscheidende vloer een andere dikte heeft, wordt gerekend met deze dikte. Indien niet te bepalen dan uitgaan van een dikte van 20 cm. Meettip: Bepaal eerst het bruto-oppervlak van de gevel en bepaal vervolgens het netto-oppervlak door de kozijnoppervlakten (inclusief ramen, panelen en deuren) ervan af te trekken. Raamdorpelafwerkingen zijn geen onderdeel van de gesloten gevel maar maken deel uit van het kozijnwerk. Voor woningopnames die gedaan zijn voor 1 januari 2015 werd in afwijking van de NEN 1068 het oppervlak van de gevel op basis van het buitenwerks oppervlak te bepalen. Voor nieuwe opnames is dit niet toegestaan. Indien het oppervlak op basis van buitenwerks oppervlak is bepaald wordt het buitenwerks oppervlak met behulp van een correctiefactor teruggerekend naar een binnenwerks oppervlak. In de software zijn hier rekenregels voor opgenomen, zie onderstaande kader. Omrekening vindt als volgt plaats: A T = A ext 0,6. A ext AT = dicht gevel oppervlak conform NEN 1068 Aext = dicht geveloppervlak conform oude opname Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

31 Oppervlakte kozijnwerk Bij kozijnwerk (kan bestaan uit ramen, panelen en deuren) moet de opening aan de binnenzijde van de wand worden aangehouden. Ramen, panelen en deuren Bij het opmeten van ramen, panelen en deuren worden ook de kozijnen meegenomen. Indien een raam zich direct naast een deur en/of paneel bevindt, wordt de helft van het kozijn bij het raam en de andere helft bij de deur en/of paneel geteld. Indien er glas zonder kozijn in een gevel is geplaatst moet de opening in de gevel worden opgenomen. Het oppervlak wordt vlakvol in binnenwerkse maten gemeten (zie afbeelding 6.14). buiten binnen Binnen meten tot wand Afb Kozijn werk binnenmaat Bij de bepaling van de oppervlakte van ramen moet rekening gehouden dat er onderscheid wordt gemaakt tussen ramen in de leefruimte en in de slaapruimte, zie paragraaf Indien een deur bestaat uit minder dan 65% glas en wordt gesplitst in raam en deur. Geldt voor het oppervlak van het raam de oppervlak (inclusief glaslatten) van het glas in de deur. Het overige deel wordt dan als deur beschouwd. Kozijn (dat meetelt voor de deur) wordt aan de deur toebedeeld. Indien een deur bestaat uit 65% glas of meer dan wordt deur als raam beschouwd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

32 Hraam Hdeur Kozijn B raam B deur Afb.6.15 Deur splitsen in raam en deur. A raam = H raam * B raam, A deur is (H deur * B deur ) - A raam Oppervlakte dak In afwijking van paragraaf kan de EPA-opnemer/-adviseur bij tussenwoningen en hoekwoningen met een plat dak of twee schuine daken, het dakvlak bepalen door te meten tussen beide aansluitingen met de gevel (bij een plat dak) of tussen de aansluiting met de gevel en nok (bij een hellend dak). Dakoverstekken worden niet meegenomen. Tel er voor de hoekwoning de halve dikte van de woningscheidende wand bij op. Tel er voor de tussenwoning de dikte (2 * de halve dikte) van de woningscheidende wand op. Ga hierbij uit van een dikte van 22 cm voor een woningscheidende wand. Voor een vrijstaande woning is er geen sprake van een woningscheidende wand. Het oppervlak van het dak moet gecorrigeerd worden voor dakramen. Hiervoor gelden ook de meetinstructies van kozijnwerk. Het oppervlak van een dakvlak wordt bepaald door de lengte en breedte aan de binnenzijde van het dak te bepalen. Meettip: Indien de lengte of breedte van het dak niet bepaald kan worden, kan het oppervlak van het dak als volgt worden bepaald: f dak x het oppervlak van de vloer die onder het dakvlak ligt. De factor f dak hangt af van de hellingshoek van het dakvlak. Onderstaande tabel geeft f dak voor een aantal hoeken. Tussenliggende waarden worden berekend door te interpoleren; of door het gebruik van de stelling van Pythagoras (a 2 + b 2 = c 2 ). Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

33 Tabel 6.3 Dakfactor f dak als functie van de hellingshoek Hellingshoek dakvlak f dak 0º 15º 30º 40º 45º 50º 55º 60º 65º 70º 75º 1,00 1,04 1,15 1,31 1,41 1,56 1,74 2,00 2,37 2,92 3,86 Opmerking: Dakdoorvoeren worden niet apart berekend, dakoppervlak bepalen alsof er geen dakdoorvoeren zijn Oppervlakte vloer De EPA-opnemer/-adviseur neemt bij de opname van de woning alleen het oppervlak van de vloer op indien de vloer een onderdeel is van de thermische schil. Het vloeroppervlak wordt kan voor tussenwoningen en hoekwoningen binnenwerks gemeten worden. Tel er voor de hoekwoning de halve dikte van de woningscheidende wand bij op. Tel er voor de tussenwoning de dikte (2 * de halve dikte) van de woningscheidende wand op. Ga hierbij uit van een dikte van 22 cm voor een woningscheidende wand. Voor een vrijstaande woning is er geen sprake van een woningscheidende wand Perimeter begane grondvloer en/of gevels Voor de begane grondvloeren en/of gevels die grenzen aan grond of kruipruimte behoort de perimeter te worden bepaald. De perimeter is de binnenwerkse omtrek van de constructie voor zover deze (omtrek) grenst aan buitenlucht. Indien de begane grondvloer en/of gevel niet tot de rekenzone behoort, is de perimeter niet van toepassing. Voorbeelden Voorbeeld 1 Vrijstaand gebouw garage A B Maaiveld Afb Begane grondvloer vrijstaande woning met garage Perimeter vrijstaande woning is 2xA+2xB (garage is een sterk geventileerde ruimte) Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

34 Voorbeeld 2 Vooraanzicht Hoekwoning 1 Tussenwoning Hoekwoning 2 Maaiveld Bovenaanzicht A A D B C A D B C A D B C C Bh Bt Bh Begane grondvloer woningen Afb.6.16 Perimeter bij hoek- en tussenwoningen Perimeter: hoekwoning 1: de begane grondvloer grenst bij de gevels A, B en D aan de buitenlucht. De perimeter wordt daarmee: lengte zijde A+B+ D. Lengte (Bh) van gevel B en D voor de hoekwoning loopt van de binnenzijde van de buitengevel tot aan de hart maat van de woningscheidende wand. Lengte (A) van gevel A wordt binnenwerks gemeten. tussenwoning: de begane grondvloer grenst bij de gevels B en D aan de buitenlucht. De perimeter wordt daarmee: lengte zijde B+ D. Lengte (Bt) van gevel B en D voor de tussenwoning loopt van de hart maat van de woningscheidende wand tot aan de hart maat van de volgende woningscheidende wand. hoekwoning 2: de begane grondvloer grenst bij de gevels B, C en D aan de buitenlucht. De perimeter wordt daarmee: lengte zijde B + C + D. Lengte zie hoekwoning 1 Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

35 6.6.2 Begrenzing constructies Voor iedere constructie moet worden aangegeven waar deze aan grenst. Voor de constructies zijn de volgende begrenzingen mogelijk: Buitenlucht of water; Naastgelegen aangrenzende onverwarmde ruimte; Bovenliggende onverwarmde ruimte; Onderliggende onverwarmde ruimte; Kruipruimte; Grond; Serre/atrium; Balkonafdichting. Het is ook mogelijk dat een gevel grenst aan de grond. De gevel dient in dat geval te zijn gekoppeld aan een vloer grenzend aan de grond. Indien een garage niet tot de rekenzone behoort (stap 1) dient de garage als sterk geventileerde ruimte te worden beschouwd en als buiten te worden aangegeven. Ruimten die via één of meer niet-afsluitbare openingen met totale oppervlakte (dus gesommeerd) van 0,2 m 2 of meer in verbinding staan met de buitenlucht dienen als buiten te worden beschouwd. Serre/atrium/balkonafdichting Is er in betreffende woning een serre, balkonafdichting en/of een atrium aanwezig, dan kunnen deze dienen als thermische buffer en gelden voor constructies die hieraan grenzen specifieke rekenregels. Om te bepalen of een onverwarmde ruimte als serre/atrium/balkonafdichting beschouwd moet worden geldt het onderstaande beslisschema. - Er is sprake van een serre of atrium indien de som van de geveloppervlakten van de aangebouwde onverwarmde ruimte uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat en indien de som van de dakoppervlakten van de aangebouwde ruimte uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat. Dus de 50%- regel geldt zowel afzonderlijk voor de gevel en het dak. - Er is sprake van een balkonafdichting indien de som van de geveloppervlakten van de afdichting uit meer dan 50% glas of transparante materialen bestaat. In paragraaf 6.11 worden van een aantal woningen voorbeelden van begrenzingen gegeven.. Woning in appartementencomplex Om te bepalen of aangrenzende ruimten (niet behorend bij de betreffende woning) bij woningen in appartementencomplex als verwarmd moeten worden beschouwd geldt de volgende regel: Doe net of er van het totale appartementencomplex een Energieprestatiecertificaat moet worden opgesteld (fictief), indien de ruimte dan tot de rekenzone van het appartementencomplex zou behoren, dient de ruimte aangemerkt te worden als verwarmde ruimte. In alle andere gevallen dient de ruimte als onverwarmd te worden beschouwd. Ramen Bij ramen dient aangegeven te worden of deze onderdeel zijn van de thermische schil van de leefruimte of van de slaapkamers. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

36 6.6.3 Oriëntatie De Oriëntatie van de constructies die deel uitmaken van de thermische schil en die grenzen aan buiten dienen te worden opgegeven. Het betreft hier oriëntatie van de gevels, ramen, hellende daken, panelen en deuren. Opgegeven wordt de oriëntatie van de constructie grenzend aan buiten. Oriëntatie Hoek t.o.v. Noord Noord 337,5º-22,4º noordoost 22,5º-67,4º oost 67,5º-112,4º zuidoost 112,5º-157,4º zuid 157,5º-202,4º zuidwest 202,5º-247,4º west 247,5º-292,4º noordwest 292,5º-337,4º Hoek kan bepaald worden met een kompas. Voor platte daken hoeft geen oriëntatie opgegeven te worden Hellend of platdak Bij alle daken die onderdeel uitmaken van de thermische schil dient aangegeven te worden of het platte of hellende daken zijn. Als platte daken gelden alle daken met een hellingshoek van minder dan 15º ten opzichte van de horizontaal. Hellende daken zijn alle daken met een hellingshoek van 15 o tot en met 75 o. Constructies met een hellingshoek van meer dan 75 0 worden als gevel beschouwd Hellingshoek van de ramen De hellingshoek van de aanwezige ramen dient te worden opgegeven. Indien ramen zijn opgenomen in gevels dan is de hellingshoek 90 o. Indien de ramen zijn opgenomen in hellende daken dan is de hellingshoek gelijk aan 45 o. Indien de ramen zijn opgenomen in platte daken is de hellingshoek 0 o Rc-/U-waarde bepalen Voor het bepalen van de Rc-/U-waarden zijn beslisschema s opgesteld. Hierbij wordt op basis van een aantal op nemen gegevens de Rc-/U-waarde bepaald. Het is alleen toegestaan af te wijken van de beslisschema s als gebruik wordt gemaakt van gecontroleerde kwaliteitsverklaringen of gecontroleerde gelijkwaardigheidsverklaringen. Aan het gebruik van de gecontroleerde kwaliteitsverklaringen en gecontroleerde gelijkwaardigheidsverklaringen zijn strikte regels verbonden (zie de tekst in het begin van hoofdstuk 6). Het bouwjaar van de woning of aanbouw speelt bij deze beslisschema's een belangrijke rol. Het is niet toegestaan gebruik te maken van de Rc-waarden uit het bestek of tekening, wel is het toegestaan gebruik te maken van de hierop aangegeven isolatiedikte. Er wordt bij de bepaling van de Rc-waarde bewust geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende isolatiematerialen, hiervoor is de gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid bedoeld. Indien er geen bewijs (niet visueel, in de vorm van een rekening of tekening met isolatiedikte) is, moet de EPA-opnemer/-adviseur uitgaan van het bouwjaar (jaar van oplevering, zie paragraaf 6.6) van de woning of aanbouw. Indien er bewijs aanwezig is in de vorm van een rekening of tekening met isolatiedikte, moet voor de betreffende constructie worden uitgegaan van de op de rekening of tekening aangegeven isolatiedikte of, indien toegestaan, van een gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid. In alle andere situaties wordt uitgegaan van een visuele inspectie. Nadrukkelijk wordt nog vermeld dat het om een visuele waarneming gaat bij de bepaling van de aanwezigheid van isolatie en isolatiedikte. Bij spouwmuren kan met behulp van bijvoorbeeld een prikpen van buitenaf in de open stootvoegen of gevelroosters geprikt worden om te bepalen of er isolatie aanwezig is en wat de isolatiedikte is. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

37 Bij de Rc-waarde bepaling geldt de volgende volgorde: 1. ter plekke bij de betreffende constructie de isolatiedikte meten. 2. isolatiedikte bepalen uit de tekeningen of ander bewijsmateriaal (rekeningen met adres betreffende woning) die behoren bij de betreffende woning. 3. Rc-waarde bepalen op basis van het bouwjaar/renovatiejaar. Dus alleen als de isolatiedikte niet ter plekke bepaald kan worden, dient de isolatiedikte uit de betreffende tekening te worden afgeleid. Is er ook geen tekening beschikbaar dan dient de Rcwaarde op basis van het bouwjaar/renovatiejaar te worden bepaald. Opmerking: Indien een constructie uit meerdere delen bestaat met een verschillende isolatiedikte of begrenzingen moeten deze constructies gesplitst worden in meerdere deelconstructies. Per deelconstructie moet de Rc-waarde conform de beslisschema s worden bepaald. Ook het oppervlak en begrenzing dienen dan per deelconstructie bepaald te worden. Isolatiematerialen combineren Indien er twee of meerdere lagen isolatiemateriaal aanwezig zijn bij een constructie (bijv. er is een dunne laag isolatiemateriaal in de spouw en aan de binnenzijde van de gevel is na-isolatie aangebracht), gelden de volgende regels: 1. Indien er geen gecontroleerde verklaring van het isolatiemateriaal beschikbaar is, worden de isolatiedikten bij elkaar opgeteld. De totale isolatiedikte wordt vervolgens gebruikt om met de beslisschema s de Rc-waarde van de constructie te bepalen. 2. Indien er van één of meerdere van de isolatiematerialen een gecontroleerde verklaring beschikbaar is, dan moet de Rc-waarde opnieuw bepaald worden conform de onderstaande methodiek. De onderstaande methodiek is ook van toepassing indien van beide isolatiematerialen een gecontroleerde verklaring beschikbaar is. Indien één of meerdere van de isolatiematerialen beschikken over een gecontroleerde verklaring moet als volgt worden gehandeld: 1. Bepaal de Rc-waarde van de constructie alsof 1 van de isolatiematerialen niet aanwezig is.; 2. Bepaal de Rc-waarde van de constructie alsof het andere isolatiemateriaal niet aanwezig is;; 3. Tel de Rc-waarden van de constructies bij elkaar op; 4. Bepaal de Rc-waarde van samengestelde constructie door van de som de R ad -waarde uit onderstaande tabel af te trekken. Betreft het meerdere isolatiematerialen trek dan (aantal isolatielagen -1) * R ad -waarde uit onderstaande tabel van de eerder berekende Rc-waarde af. Dus als er 3 lagen isolatiematerialen worden gecombineerd, trek dan 2 (= 3-1) * R ad -waarde uit onderstaande tabel van de eerder berekende Rc-waarde af. De R ad -waarde hangt af van de betreffende constructie. Constructie R ad -waarde gevels waarin de isolatie is opgenomen 0,36 m2k/w vloeren waarin de isolatie is opgenomen 0,15 m2k/w daken waarin de isolatie is opgenomen 0,22 m2k/w; Correctie moet plaatsvinden omdat bij de constructie naast de R-waarde van het isolatiemateriaal ook altijd de R- waarde van de constructie wordt opgeteld. Als de Rc-waarde van de constructies gesommeerd wordt, zit hier twee maal de R-waarde van constructie in. 5. Gebruik de Rc-waarde van samengestelde constructie, bewaar de berekening in het dossier. Vul eveneens de bij de gecontroleerde verklaring gegeven codering in. Indien meerdere isolatiematerialen zijn voorzien van een gecontroleerde verklaring dienen de coderingen in het projectdossier te worden vermeld. Indien in de berekening maar één code kan worden opgegeven, wordt hier de code opgegeven van het materiaal met de hoogste Rc-waarde. Thermische eigenschappen bepalen Hierna worden de middelen gegeven om de thermische eigenschappen van de verschillende constructies te bepalen. De op te nemen kenmerken van gevels, panelen, daken en vloeren zijn: Isolatie aanwezig: ja, nee of onbekend. Er kan alleen ja worden ingevuld als de isolatie is waar te nemen of als er een schriftelijk bewijs (tekening of rekening met isolatiedikte) aanwezig is. Als de aanwezigheid onbekend is, is het bouwjaar van de woning of aanbouw bepalend voor de Rcwaarde Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

38 Indien te bepalen, de isolatiedikte Er dient beoordeeld te worden of de constructie voorzien is van een luchtspouw (ja of nee) onder de volgende omstandigheden: Er geen isolatie aanwezig is of Onbekend is of er isolatie aanwezig is en de woning van voor 1965 is of Als de isolatiedikte niet te bepalen is en de woning van voor 1965 is of Als de isolatiedikte kleiner is dan 40 mm Is van één van deze omstandigheden geen sprake dan is voor het bepalen van de thermische eigenschappen van de constructie het wel of niet aanwezig zijn van een luchtspouw niet relevant. Opmerking: 1 Een spouw is een luchtruimte tussen twee bouwkundige elementen, aanwezig bij bijvoorbeeld een spouwmuur of een houten vloer waarbij tegen de balken isolatiemateriaal is aangebracht. Een luchtlaag tussen dakpannen en het dakbeschot mag niet als spouw worden aangemerkt. 2 Er is sprake van isolatie als de warmtegeleidingscoëfficiënt gelijk of kleiner is dan 0.1 W/m.K. Hierna worden voor de verschillende constructietypen beslisschema s gegeven waarmee de Rcwaarde of U-waarde van de desbetreffende constructie moet worden bepaald. De EPA-opnemer/- adviseur is verplicht om deze beslisschema s te gebruiken, ook in die gevallen waarin de EPAopnemer/-adviseur vast zou kunnen stellen dat de uitkomst van het beslisschema afwijkt van de fysische werkelijkheid. Alleen in het geval dat er gebruik mag worden gemaakt van een gecontroleerde kwaliteitsverklaring en gecontroleerde gelijkwaardigheid mag worden afgeweken van de beslisschema s. Opmerking: In de beslisschema s wordt, indien de isolatiedikte te bepalen is, aangegeven dat de isolatiedikte afgerond wordt in stappen van 10 mm. De redenen hiervoor zijn: Dat bij het vaststellen van de isolatiedikte snel fouten gemaakt worden, door het (onbedoeld) indrukken van het isolatiemateriaal. Het isolatiemateriaal is vaak niet overal even dik. De exacte dikte van isolatie in nageïsoleerde gevels is niet op de mm nauwkeurig vast te stellen. Tussenliggende isolatiedikten worden afgerond op hele tientallen, 14 mm wordt 10 mm en 15 mm wordt 20 mm. Als er aan een woning in een later jaartal een stuk is aangebouwd dient voor de constructies van die aanbouw het jaar van de aanbouw te worden gebruikt. Voorwaarde is dat aangetoond kan worden dat de thermische eisen uit het bouwbesluit van het jaar van de aanbouw zijn toegepast en dat niet gebruik is gemaakt van het zogenaamde rechtens verkregen niveau.de bouwvergunning van de aanbouw kan bijvoorbeeld als bewijs dienen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

39 Algemeen beslisschema Het onderstaande beslisschema moet gebruikt worden om de Rc-waarde van dichte constructies (gevels, panelen, vloeren en daken) te bepalen. Voor elk constructietype dienen de aandachtspunten uit de navolgende paragrafen aangehouden te worden. R c-waarde bepaling constructies nee Is isolatieaanwezig? ja Is isolatiedikte te bepalen? ja ja Bouwjaar < 1965? onbekend ja nee Bouwjaar < 1965? Isolatiedikte afronden in mm afronden op hele tientallen 10 mm. nee Bepaal Rc-waarde volgens tabel C1 Bepaal Rc-waarde volgens tabel C2 Bepaal Rc-waarde volgens tabel C1 Bepaal Rc-waarde volgens tabel C2 Bepaal Rc-waarde volgens tabel C3 Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

40 Tabel C1 Forfaitaire Rc-waarden van gesloten uitwendige scheidingsconstructies met een bouwjaar van voor 1965 en met een niet te bepalen isolatiedikte of zonder isolatie Aanwezigheid spouw R c [m 2 K/W] Isolatie onbekend of afwezig (na)geïsoleerd Spouw 0,35 0,85 Gevels Geen spouw of onbekend 0,19 0,69 Spouw 0,23 0,73 Panelen opgenomen in kozijnen Geen spouw of 0,04 0,54 Vloer boven kruipruimte of direct op ondergrond; onder maaiveld gelegen uitwendige scheidingsconstructies die de verwarmde binnenruimte scheiden van de grond Daken en vloeren grenzend aan de buitenlucht ( voor rieten daken, zie paragraaf ) onbekend Spouw 0,33 0,83 Geen spouw of onbekend 0,15 0,65 Spouw 0,35 0,85 Geen spouw of onbekend 0,22 0,72 Tabel C2 Forfaitaire Rc-waarden van gesloten uitwendige scheidingsconstructies met een bouwjaar vanaf 1965 Bouwjaarklasse R c [m 2 K/W] Van 1965 tot ,43 Van 1975 tot ,30 Gevels en panelen (panelen Van 1983 tot ,30 opgenomen in kozijnen) Van 1988 tot ,00 Vanaf ,50 Vloer boven kruipruimte of direct op ondergrond; onder maaiveld gelegen uitwendige scheidingsconstructies die de verwarmde binnenruimte scheiden van de grond Daken en vloeren grenzend aan buitenlucht (rieten daken, zie paragraaf ) Van 1965 tot ,17 Van 1975 tot ,52 Van 1983 tot ,30 Van 1988 tot ,30 Vanaf ,50 Van 1965 tot ,86 Van 1975 tot ,30 Van 1983 tot ,30 Van 1988 tot ,00 Vanaf ,50 Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

41 Tabel C3 Forfaitaire Rc-waarden van gesloten uitwendige scheidingsconstructies bij bekende isolatie dikten. Voor rieten daken, zie paragraaf , voor panelen zie paragraaf ) Aanwezigheid isolatiedikte spouw (tot 30 mm Rc [m2k/w] [mm] isolatie) gevel vloer dak 10 zonder spouw 0,58 0,37 0,44 met spouw 0,74 0,55 0,57 20 zonder spouw 0,80 0,59 0,66 met spouw 0,96 0,77 0,79 30 zonder spouw 1,03 0,82 0,89 met spouw 1,19 1,00 1,02 Voor isolatiedikten van 40 mm en groter wordt de Rc-waarden berekend. De Rc-waarden dient als volgt bepaald te worden: R c = d isolatie + R ad [m 2 K/W] 0,045 d isolatie Isolatiedikte [m] 0,045 Forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt isolatiemateriaal [W/m. K] R ad Thermische weerstand overige constructie, zie onderstaande tabel [m 2 K/W] Er mag niet van de forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt van het isolatiemateriaal worden afgeweken, dit mag alleen in geval van een gecontroleerde verklaring Constructie R cl -waarde gevels waarin de isolatie is opgenomen 0,36 m2k/w vloeren waarin de isolatie is opgenomen 0,15 m2k/w daken waarin de isolatie is opgenomen 0,22 m2k/w; Hieronder worden een aantal voorbeelden gegeven van de bepaling van de Rc-waarden met bovenstaande formule isolatiedikte [mm] Rc [m2k/w] gevel vloer dak 40 1,25 1,04 1, ,47 1,26 1, ,69 1,48 1, ,92 1,71 1,78 Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

42 Gevels Het algemene beslisschema uit paragraaf moet gebruikt worden om de Rc-waarde van de gevel te bepalen. In bijlage 1A worden aanwijzingen gegeven waarmee deze kenmerken van gevels herkend kunnen worden. Opmerking: Als Rc-waarde dient voor glazen bouwstenen 0.35 m 2. K/W aangehouden te worden (constructie met luchtspouw zonder isolatie, tabel C1.). Indien een spouw is nageïsoleerd, waarbij de spouw is volgespoten met isolatiemateriaal, is de isolatiedikte gelijk aan de dikte van de spouw Ramen Het onderstaande beslisschema moet gebruikt worden om de U-waarde en g-waarde van ramen te bepalen. In bijlage 1A worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van het raam herkend kunnen worden. De op te nemen kenmerken van ramen zijn: Type kozijn (hout/kunststof, metaal thermisch onderbroken of metaal) Type glas (3-voudig HR, HR++, HR+, dubbelglas met coating, dubbelglas zonder coating, voorzetglas of enkelglas) Zonwering Overstekken Hellingshoek Opmerking: - Standaard 3-voudig of dubbelglas met voorzet raam dient beschouwd te worden als HR-glas. - Dubbelglas met coating (emissieverlagend) is HR-glas. - HR-glas met een voorzetraam dient beschouwd te worden als HR++ glas. - HR++ glas met voorzetraam dient beschouwd te worden als 3-voudig HR-glas. Voor het Energieprestatiecertificaat is het van belang te weten welk type glas aanwezig is. In de meeste soorten HR-glas staat in de afstandshouder aangegeven of het HR-, HR+- of HR++ glas betreft. Is het niet aangegeven dan kan vaak door aanvullend onderzoek (met behulp van de type/naam aanduiding) bepaald worden om wat voor glas het gaat. Om het materiaal van het kozijn te bepalen moet alleen het materiaal van het kozijnwerk worden opgenomen. Als het materiaal van stelkozijnen afwijkt van de opgebrachte prefab kozijnelementen (die in het zicht blijven) weegt bij de opname uitsluitend het materiaal van het prefab kozijnelement mee. Indien er glas zonder kozijn in de gevel is geplaatst wordt om de U-waarde en g-waarde van het raam te bepalen een houten/kunststof kozijn aangehouden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

43 U-waarde en g- waarde bepaling raam Type kozijn: Hout/kunstof Thermisch onderbroken metaal metaal (niet thermisch onderbroken) Type glas: drievoudig glas HR++ HR+ HR Dubbelglas Voorzetraam Enkelglas ja Grenst de buitenzijde van het glas aan buiten nee Bepaal U-waarde en g- waarde volgens tabel R1 Bepaal U-waarde en g- waarde volgens tabel R2 Opmerking Omwille van de eenvoud wordt dus geen onderscheid gemaakt in coëfficiëntwaarden (g-waarde) tussen winter en zomerseizoen, noch naar oriëntatie of hellingshoek van de daglichtopening. Deze definitie komt (praktisch) overeen met de definitie van ZTA, de grootheid voor de zontoetredingsfactor die in de oude Energieprestatiecertificaat methodiek werd gehanteerd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

44 Tabel R1: U-waarden en g-waarde van ramen grenzend aan buiten Type glas Type kozijn U [W/m 2 K] g-waarde [-] zonder hout / kunststof metaal, thermisch metaal, niet thermisch zonwerende folie of coating onderbroken onderbroken g-waarde [-] met zonwerende folie of coating drievoudig HR-glas 1,4 1,9 2,7 0,6 0,35 HR ++ 1,8 2,3 3,1 0,6 0,35 HR + 2,0 2,5 3,3 0,6 0,35 HR- (dubbelglas met 2,3 2,8 3,6 0,6 0,35 coating) dubbelglas 2,9 3,3 4,1 0,7 0,40 voorzetraam 2,9 3,3 4,1 0,7 0,40 enkelglas 5,1 5,4 6,2 0,8 nvt Tabel R2: U-waarden en ZTA waarde van ramen niet grenzend aan buiten Type glas Type kozijn g-waarde [-] hout/ kunststof U [W/m 2 K] metaal, thermisch onderbroken metaal, nietthermisch onderbroken zonder of met zonwerende folie of coating drievoudig HR-glas 1,3 1,6 2,2 0.0 HR ++ 1,5 1,9 2,4 0.0 HR + 1,7 2,1 2,6 0.0 HR (dubbelglas met 1,9 2,2 2,7 0.0 coating) dubbelglas 2,3 2,5 3,0 0.0 voorzetraam 2,3 2,5 3,0 0.0 enkelglas 3,5 3,6 4,0 0.0 Zonwering Per raam dient aangegeven te worden of er zonwering aanwezig is. Het gaat hierbij om van binnenuit bedienbare buitenzonwering of automatisch geregelde buitenzonwering. Buitenzonwering die alleen van buiten af te bedienen is, binnenzonwering en tussenzonwering worden buiten beschouwing gelaten. Rolluiken die van binnenuit bedienbaar zijn en die bijvoorbeeld zijn aangebracht in verband met inbraakpreventie mogen als zonwering worden beschouwd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

45 Overstekken Bij ramen dient bepaald te worden of er sprake is van een vaste overstek. Er is een overstek aanwezig als de horizontale afstand tussen het glas en het eindpunt van de overstek groter is dan het verticale hoogte verschil tussen het midden van het raam en de onderzijde van de overstek. Zie onderstaande tekening. Als de overstek niet bij minimaal 70% van de gehele breedte van het raam aanwezig is, dan moet dit voor het gehele raam beschouwd worden als geen overstek. A Overstek H Afb Overstekken A: is de horizontale afstand tussen het glas en het eindpunt van de overstek. H: is het verticale hoogte verschil tussen het midden van het raam en de onderzijde van de overstek. Er is sprake van een overstek als H/A < 1. Als H/A 1.0 is er geen overstek aanwezig. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

46 Paneel Indien niet bekend is of er isolatie aanwezig is of de isolatiedikte is niet te bepalen dan dient het algemene beslisschema uit paragraaf gebruikt te worden om de Rc-waarde van de panelen te bepalen te bepalen. Is de isolatiedikte wel bekend dan wordt de Rc-waarde bepaald met de onderstaande tabel. Om de Rc-waarde bij bekende isolatie te kunnen bepalen te kunnen bepalen dient het type kozijn te worden opgenomen. Type kozijn (hout/kunststof, metaal thermisch onderbroken of metaal) Tabel P1 : Rc-waarde panelen Type kozijn Rc [m 2 K/W] Isolatiedikte (mm) Aanwezigheid spouw hout / kunststof metaal, thermisch onderbroken metaal, nietthermisch onderbroken Geen spouw 0,32 0,23 0,11 10 Met spouw 0,43 0,28 0,12 Geen spouw 0,49 0,31 0,13 20 Met spouw 0,56 0,34 0,14 Geen spouw 0,61 0,35 0,14 30 spouw 0,67 0,37 0, ,71 0,38 0, ,78 0,41 0, ,85 0,42 0, ,90 0,44 0, ,94 0,45 0, ,98 0,45 0, ,02 0,46 0, ,05 0,47 0, ,07 0,47 0, ,10 0,48 0, ,12 0,48 0, ,14 0,49 0, ,15 0,49 0, ,17 0,49 0, ,18 0,49 0, ,20 0,50 0, ,21 0,50 0, ,22 0,50 0, ,23 0,50 0, ,24 0,50 0, ,25 0,51 0, ,26 0,51 0, ,26 0,51 0, ,27 0,51 0, ,28 0,51 0, ,28 0,51 0, ,29 0,51 0,18 In bijlage 1A worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van panelen herkend kunnen worden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

47 Deuren Het onderstaande beslisschema moet gebruikt worden om de U-waarde van deuren te bepalen. In bijlage 1A worden aanwijzingen gegeven waarmee bepaald kan worden of een deur geïsoleerd is. Maak onderscheid tussen een geïsoleerde deur en een ongeïsoleerde deur. Er is sprake van een geïsoleerde deur als het niet-transparante deel van een houten of kunststof deur voor minimaal 65% van het totale oppervlakte een ononderbroken isolatielaag bevat. Uitgaande van een forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt van 0,045 W/m.K (NEN 1068), dient er dus een ononderbroken isolatielaag van minimaal 2,0 cm (1,8 cm wordt naar boven afgerond) aanwezig te zijn. Indien er een ander isolatiemateriaal in de deur is opgenomen met een kleinere dikte, dient er van de deur een gecontroleerde verklaring beschikbaar te zijn om aan te tonen dat het een geïsoleerde deur betreft. Opmerking: Voor het bepalen of een deur geïsoleerd is wordt alleen naar de dichte constructie van de deur gekeken. Het aanwezig zijn van dubbelglas speelt dus geen rol bij de bepaling of een deur geïsoleerd is. Tabel DR1: U-waarde deuren grenzend aan buiten Type deur U k [W/m 2 K] geïsoleerd 2,0 ongeïsoleerd 3,4 Tabel DR2: U-waarde deuren niet grenzend aan buiten Type deur U k [W/m 2 K] geïsoleerd 1,7 ongeïsoleerd 2,7 Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

48 Daken Het algemene beslisschema uit paragraaf moet gebruikt worden om de Rc-waarde van nietrieten daken te bepalen. Voor rieten daken is in deze paragraaf een beslisschema opgenomen. In bijlage 1A worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van daken herkend kunnen worden. Opmerking: - Indien er sprake is van afschotisolatie moet de isolatiedikte op 4 plaatsen (in het midden van de randen van het dak) gemeten worden, de kleinste dikte wordt vervolgens als dikte aangehouden. Gootstroken worden hierbij verwaarloosd. Het onderstaande beslisschema moet gebruikt worden om de Rc-waarde van rieten daken te bepalen. Opmerkingen rieten daken: 1 De dikte van het rieten dak wordt haaks gemeten op de rietlat of houten beplating. Bij nieuwe rieten daken is de dikte van het riet aan de onderzijde ca. 32 cm, naar boven toe minderend tot ca. 25 cm. Naarmate het rieten dak ouder is zal het dak door slijtage dunner worden. 2 Voor de diktebepaling dient de volgende regel gebruikt te worden: De dikte wordt aan de onderzijde gemeten. Voor de bepaling van de Rc-waarde dient echter de gemiddelde dikte van het rieten dak gebruikt te worden en deze is kleiner. De gemiddelde dikte is de gemeten dikte aan de onderzijde minus 3,5 cm (3.5 cm wordt er afgetrokken in verband met het dikteverloop). R c-waarde bepaling rieten dak Is er isolatie aanwezig? ja Is isolatiedikte te bepalen? ja Dikte isolatiemateriaal in mm afgerond op 10mm nee/onbekend nee Neem als isolatiedikte 40 mm. Bepaal Rc-waarde volgens tabel DA1 Bepaal Rc-waarde volgens tabel DA2 tabel DA1 Niet geïsoleerde rieten daken Dikte* rietpakket [mm] R c [m 2 K/W] * voor tussenliggende dikten afronden op hele tientallen, 14 mm wordt 10 mm en 15 mm wordt 20 mm Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

49 tabel DA2 geïsoleerde rieten daken Voor rieten daken met een geïsoleerde onderconstructie wordt de Rc-waarde als volgt berekend: d isolatie R c = d isolatie + d riet 0,045 0,2 Isolatiedikte [m] 0,045 Forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt isolatiemateriaal [W/m. K] d riet Dikte van het riet [m] 0,2 Warmtegeleidingscoëfficiënt riet [W/m. K] Er mag niet van de forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt van het isolatiemateriaal en het riet worden afgeweken, dit mag alleen in geval van een gecontroleerde verklaring Hieronder worden een aantal voorbeelden gegeven van de bepaling van de Rc-waarden met bovenstaande formule Isolatiedikte* onderconstructie [mm] R c [m 2 K/W] (rietpakket 250 mm) 40 2, , , , , , ,47 * voor tussenliggende isolatiedikten afronden op hele tientallen, 14 mm wordt 10 mm en 15 mm wordt 20 mm Begane grondvloeren en vloeren/plafonds grenzend aan onverwarmde ruimten Het algemene beslisschema uit paragraaf moet gebruikt worden om de Rc-waarde van vloeren/plafonds te bepalen. In bijlage 1A worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van vloeren herkend kunnen worden. Opmerking: De eventueel aanwezige reflecterende folie tussen de vloer en het parket/laminaat mag niet als isolatie worden meegenomen, bij aanpassing van de vloerbedekking kan deze weer worden verwijderd. Indien er onder de vloer een thermokussens zijn aangebracht, begrensd door twee niet geventileerde spouwen dan geldt in afwijking van paragraaf de volgende Rc-waarde: Thermoskussen (ongeacht aantal kamers) : 1,80 m 2.K/W Isolatie van kruipruimte Indien een vloer grenst aan een kruipruimte dient bij de kruipruimte opgegeven te worden de bodem geïsoleerd is en/of de wanden van de kruipruimte zijn geïsoleerd. Er is sprake van isolatie als de bodem en/of wanden volledig zijn voorzien isolatie. Schelpen of isolerende korrels op de bodem gelden als isolatie als er minimaal een laag van 20 cm schelpen of isolerende korrels is aangebracht.. Het is alleen nodig om aan te geven dat er isolatie is. Als een vloer grenst aan verschillende kruipruimten, dan moet de vloer worden opgeknipt in meerdere deelconstructies. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

50 6.7 INSTALLATIEBEPALING (STAP 4) In woningen kunnen installaties aanwezig zijn voor: Ruimteverwarming (paragraaf 6.7.1) Ruimtekoeling (paragraaf 6.7.2) Warmtapwaterbereiding (paragraaf 6.7.3) Zonnecollectoren (paragraaf 6.7.4) Ventilatie (paragraaf 6.7.5) Elektriciteitsopwekking (paragraaf 6.7.6) Installatie voor ruimteverwarming In de onderstaande tabel is aangegeven welke informatie van de installatie voor ruimteverwarming moet worden verzameld. Onderdeel Op te nemen deelaspect Extra op te paragraaf aspect nemen Type Individueel, verwarming Collectief of Warmtelevering derden Opwekker Type opwekker Soort toestel Plaats verwarmingstoestel temperatuurniveau water Bij VR Elektronische ontsteking Bij Micro-wkk Hre-label Vermogen Type bijstook Bij Warmtepomp Vermogen Bron Brandstof Warmtepompkeur Type bijstook Bij Collectieve installaties Bij Collectieve installaties en Warmtelevering derden Distributie Vermogen preferent toestel Type niet-preferente opwekker Individuele bemetering Leidingen/ Kanalen Lopen door on- of verwamde ruimten Isolatie leiding/kanalen Verdeler/verzamelaar Isolatie verdeler/verzamelaar Pompvermogen Pompregeling Extra pomp Bij wand- /vloerverwarming pomp en Bij warmtepomp regeling Afgifte Afgifte systeem soort regeling Bij luchtverwarming Inblaasrichting In paragraaf worden aandachtspunten voor ruimteverwarming gegeven.. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee de bovenstaande installatiecomponenten herkend kunnen worden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

51 Type verwarmingssysteem De volgende typen verwarmingssystemen kunnen in woningen voorkomen: Individuele verwarming (lokale verwarming of centrale verwarming) Collectieve verwarming Warmtelevering door derden In geval van een collectieve installatie dienen de opgestelde installatie-onderdelen in het centrale ketelhuis te worden opgenomen door de EPA-opnemer/-adviseur. Indien het centrale ketelhuis niet betreden mag of kan worden, dan dient er op andere wijze bewijslast van de aanwezige onderdelen verzameld te worden, bijvoorbeeld via rekeningen waarop is aangegeven dat er in het centrale ketelhuis van woongebouw een bepaald type opwekker aanwezig is. Warmtelevering derden (EMG) Indien er bij de woning sprake is van warmtelevering derden en is er voor het warmte leverend net een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring (paragraaf 6.1) beschikbaar, mag hiervan gebruik worden gemaakt bij het opstellen van een Energieprestatiecertificaat. Uitzondering hierop is indien er een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld in het kader van het WWS, zie paragraaf Opwekker voor ruimteverwarming In het geval er sprake is van individuele verwarming of collectieve verwarming moeten de volgende aspecten worden opgenomen: Soort toestel Plaats verwarmingstoestel Water aanvoertemperatuur Soort toestel Opgenomen dient te worden welke opwekker voor ruimteverwarming aanwezig is in de woning. De volgende keuzes zijn mogelijk: Lokale verwarming olie/gas/hout Lokale of centrale verwarming elektrisch CR ketel of moederhaard: VR ketel (aangeven bij VR ketel of er wel of geen sprake is van een elektronische ontsteking): HR 100 ketel HR 104 ketel HR 107 ketel Micro-wkk Met HRe-label of zonder HRe-label. Er is bij een micro-wkk sprake van een HRe-label als het toestel is voorzien van de sticker HRe of als dit in de productinformatie staat aangegeven. Het HRe-label staat afgebeeld in bijlage 1B. Nominaal elektrisch vermogen Micro-wkk. Dit staat aangegeven op het typeplaatje. Bijstook: gas of elektrisch Indien bijstook gas, dan aangeven of het een CR-ketel, VR-ketel, HR-100 ketel, HR-104 ketel of HR-107 ketel betreft. Warmtepomp Nominaal vermogen warmtepomp Bron: Bodem (verticale/horizontale bodemwarmtewisselaar, heipalen uitgevoerd als bodemwarmtewisselaar); Grondwater/aquifer; Buitenlucht; Retour-/afvoerlucht (zie beschrijving mogelijke bronnen hieronder) Brandstof (aandrijving Warmtepomp: gas of elektrisch) Warmtepompkeur, Er is bij een warmtepomp sprake van een warmtepompkeur als het toestel is voorzien van de sticker Warmtepompkeur of als dit in de productinformatie staat aangegeven. Het Warmtepompkeur-label staat afgebeeld in bijlage 1B Bijstook gas of elektrisch Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

52 Indien bijstook gas, dan aangeven of het een CR-ketel, VR-ketel, HR-100 ketel, HR-104 ketel of HR-107 ketel betreft. Gebouwgebonden warmtekracht (WKK) Opmerking: 1 CR staat voor Conventioneel Rendement, VR voor verbeterd rendement, HR voor hoog rendement en WKK voor warmtekrachtkoppeling. 2 Een warmtepomp kan ook voor koeling worden gebruikt, indien dit het geval wordt bij de koeling aangegeven dat de opwekker zowel voor koeling en verwarming dient. Er hoeft dan namelijk maar één keer hulpenergie in rekening te worden gebracht. 3 Indien er een CV-ketel is opgesteld en later is er een warmtepomp bij geplaatst, dan dient er aan gegeven te worden dat er een warmtepomp aanwezig is voor verwarming en dat de CV-ketel als bijstook fungeert. Plaats verwarmingstoestel Geef aan de plaats van het verwarmingstoestel (binnen of buiten de thermische schil). Indien het verwarmingstoestel in een ruimte staat die niet binnen de thermische schil van de woning/appartementencomplex ligt, dan moet gekozen worden voor buiten de thermische schil. Warmwater temperatuurniveau Indien er sprake is van verwarming door middel van warm water moet het temperatuurniveau van de het warme water worden opgegeven. Voor toestellen niet zijnde warmtepompen zijn de volgende mogelijkheden voor de gemiddelde ontwerp water temperatuur aanwezig: HT (hoog temperatuur verwarming) en LT (laag temperatuur verwarming). HT: θ gemiddeld > 50 0 C (θ aanvoer /θ retour, bijv. 90/70, 80/60, 70/50) LT: θ gemiddeld 50 0 C (θ aanvoer /θ retour, bijv. 70/30, 60/40, 55/45) Indien er een warmtepomp als opwekker aanwezig is zijn de volgende mogelijkheden aanwezig: LTverwarming en ZLT-verwarming (zeer lage temperatuur verwarming). Het onderscheid tussen dezeis als volgt: LT: 45 0 C < θ aanvoer 55 0 C ZLT: θ aanvoer 45 0 C; Indien het warm water temperatuurniveau niet te bepalen is, dienen de volgende regels aangehouden te worden: - Is er vloer/wandverwarming in de hele woning (hoofdverwarming) aanwezig en zijn er geen aanvullende radiatoren/convectoren, dan is er sprake van lage temperatuurverwarming (LT). - Indien er vloer/wandverwarming (hoofdverwarming) in de woning aanwezig is gecombineerd met HT-radiatoren en/of convectoren als bijverwarming ergens in de woning, dan is er sprake van hoge temperatuurverwarming (HT) - Indien er radiator/convector-verwarming als hoofdverwarming (eventueel gecombineerd met vloerverwarming als bijverwarming) aanwezig is dan is er sprake van hoge temperatuurverwarming (HT). - Indien er vloer/wandverwarming in combinatie met LT-radiatoren of LT-convectoren aanwezig is, is er sprake van lage temperatuurverwarming. Deze combinatie komt alleen voor in goed geïsoleerde woningen (R c -waarde thermische schil minimaal 2,5 m 2. K /W) met minimaal HR + -glas. Indien er sprake is van luchtverwarming is het temperatuurniveau geen invoer Collectieve verwarming Indien er sprake is van collectieve verwarming dienen de volgende aanvullende aspecten te worden opgenomen: Als er meerdere opwekkers zijn: Nominaal vermogen preferent toestel; Type niet-preferente opwekker;. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

53 Nominaal vermogen preferent toestel Het preferente toestel is het toestel dat bij een warmtevraag als eerste in bedrijf komt. Alleen indien een niet-preferente opwekker aanwezig is moet het nominaal vermogen van het preferente toestel worden opgegeven. Indien meerdere opwekkers van hetzelfde type toestel aanwezig moeten deze worden samengenomen. Type niet-preferente opwekker Geef aan om wat voor type opwekkingstoestel het gaat. Er kan maximaal één niet-preferent toestel worden opgegeven. Indien meerdere opwekkers van hetzelfde type toestel aanwezig zijn, moeten deze worden samengenomen. Indien er meerdere nietpreferente toestellen aanwezig zijn, wordt het niet-preferente toestel met het hoogste opwekrendement aangehouden. Hieronder wordt de lijst van mogelijke warmte-opwekkers gegeven, de lijst loopt van de opwekker met het laagste opwekkingsrendement naar de opwekker met hoogste opwekrendement. Nummer Type opwekker 1 Conventionele ketel 2 VR-ketel 3 HR-100-ketel (warm water of lucht) 4 HR-104-ketel (warm water of lucht) 5 HR-107-ketel (warm water of lucht) 6 Micro-wkk 7 Warmtelevering levering derden 8 Warmtepomp Dus indien er een HR-107 ketel als preferent toestel aanwezig en een HR100- en VR-ketel als nietpreferent, dan wordt de HR100-ketel als niet-preferente ketel aangehouden Individuele bemetering Ga na of er bij warmtelevering derden of collectieve installaties sprake is van een afleverset of losse warmtemeters per woning. In de afleverset is altijd de gebruiksmeter voor ruimteverwarming en tapwater opgenomen. Bij collectieve installaties kan er in plaats van een afleverset voor individuele bemetering gebruik zijn gemaakt van gebruiksmeters gemonteerd op de radiatoren (warmtekosten-verdeelmeters). Gebruiksmeters gelden ook als individuele bemetering Distributie van warmte Bij de distributie van warmte zijn de volgende aspecten van belang: Verdelers/verzamelaars; Leidingen/kanalen door onverwarmde ruimten of buiten het gebouw; Pompvermogen; Extra pomp bij vloer- en wandverwarming; Pompregeling; Extra pomp bij warmtepomp. Verdelers/verzamelaars Bij distributie door middel van water moet worden aangegeven of bij de distributie gebruik wordt gemaakt van verdelers/verzamelaars en zo ja of deze geïsoleerd zijn. Indien niet bekend is of er verdelers/verzamelaars aanwezig zijn dan aangegeven dat er verdelers/verzamelaars aanwezig zijn. Indien niet bekend is of de verdelers/verzamelaars geïsoleerd zijn uit te worden gegaan van niet-geïsoleerde verdelers/verzamelaars. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee verdelers/verzamelaars herkend kunnen worden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

54 Leidingen/verdelers/kanalen door onverwarmde ruimten of buiten het gebouw Nagaan of de distributieleidingen, verdelers en/of kanalen binnen de rekenzone zitten of dat zij door onverwarmde ruimten of buiten het gebouw lopen. In het geval van leidingen, verdelers en/of kanalen door onverwarmde ruimten lopen nagaan of de leidingen//verdelers/kanalen geïsoleerd zijn. In het geval van luchtverwarming waarbij aan de gevelzijde warme lucht wordt ingeblazen nagaan of de kanalen door de kruipruimte gaan. Indien de kanalen door de kruipruimte gaan aangeven of deze geïsoleerd zijn. Het onderstaande beslisschema moet gebruikt worden om te bepalen of er CV-leidingen en/of kanalen (geïsoleerd of ongeïsoleerd) door een onverwarmde ruimte lopen. Indien er bij collectieve installaties een distributieleiding buiten het gebouw is aangebracht is er sprake van leidingen buiten het gebouw. Opmerking: Bij externe warmtelevering worden leidingen die buiten het gebouw zijn aangebracht (bijvoorbeeld door een kruipruimte) niet gekenmerkt als leidingen buiten het gebouw. De distributieverliezen die hier optreden zijn al in het opwekkingsrendement van warmtelevering derden verwerkt. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

55 Aanwezigheid van CV-leidingen/verdelers en/of kanalen (geïsoleerde of niet geïsoleerde) in de kruipruimte of andere onverwarmde ruimte (zoals bepaald bij stap 2 paragraaf 6.4). Bevat de woning één of meerdere onverwarmde ruimten? nee ja Zijn de onverwarmde ruimte te inspecteren? nee nee Gaan er CV-leidingen en/of kanalen naar deze onverwarmde ruimte(n)? nee ja ja Bevatten één of meerdere onverwarmde ruimten CV-leidingen en of kanalen? nee ja Zijn alle CV-leidingen en/of kanalen in deze onverwarmde ruimten geïsoleerd? nee ja Geïsoleerde leidingen, vedelers en/of kanalen in onverwarmde ruimten aanwezig Ongeïsoleerde leidingen, verdelers en/of ongeïsoleerde kanalen in onverwarmde ruimten aanwezig Geen leidingen/verdelers en kanalen in onverwarmde ruimten aanwezig Opmerking: Er is sprake van geïsoleerde leidingen,verdelers en/of kanalen als meer dan 90% van de leidinglengte of kanaallengte van isolatiemateriaal is voorzien. Aan het 90%-criterium wordt voldaan als leidingen of kanalen zijn geïsoleerd en de appendages zijn niet-geïsoleerd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

56 Pompvermogen In afwijking van het forfaitaire pompvermogen mag er gebruik worden gemaakt van het pompvermogen aangegeven op een gecontroleerde verklaring. Pompregeling Er dient aangegeven te worden of meer dan 50 % van het opgestelde asvermogen van de pompmotoren in warmwatercircuits is voorzien van een automatisch werkende toerenregeling of automatisch werkende aan-/uitregeling. Het asvermogen van de pompen staat vermeld op het typeplaatje van de pomp. Indien ter plekke niet te bepalen is of er sprake is van een pompregeling, dient het in installatieontwerp te worden nagegaan of de pompen geregeld zijn. Indien het onbekend is of er een pompregeling aanwezig is, dient geen pompregeling te worden aangehouden. Onder hoofdcirculatiepompen worden tevens de groepenpompen in secundaire circuits van grote installaties verstaan. Extra pomp aanwezig bij vloer- en/of wandverwarming en bij warmtepomp Er dient aangegeven te worden of er extra pompen aanwezig zijn : vloer- en/of wandverwarmingssystemen: Extra pompen zijn in elk geval aanwezig als er secundaire circuits zijn die met een meng- injectiesysteem een lagere aanvoertemperatuur realiseren dan in de rest van het systeem. Dit gebeurt o.a. in woningen die een afgiftesysteem hebben dat deels LT (bijvoorbeeld vloerverwarming) en deels HT (bijvoorbeeld radiatoren) is uitgevoerd. warmtepompsystemen. Extra pompen zijn bijvoorbeeld aanwezig als er een secundair circuit aanwezig is. Daarnaast dient te worden nagegaan of er op de extra pomp een pompregeling of toerenregeling aanwezig is. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee de pompen herkend kunnen worden Afgiftesysteem verwarming Aangeven wat het warmteafgiftesysteem voor ruimteverwarming en wat de regeling in de betreffende woning is. De volgende keuzes zijn mogelijk voor het afgifte systeem: radiatoren/convectoren vloerverwarming/wandverwarming luchtverwarming Indien er in de woning verschillende afgiftesystemen aanwezig zijn dan is het warmte-afgiftesysteem in de woonkamer bepalend. Als er in de woonkamer verschillende afgiftesystemen aanwezig zijn dan is het hoofd afgiftesysteem bepalend. Indien er in de woonkamer vloer-/wandverwarming in combinatie met radiatoren/convectoren aanwezig is, dan is de vloer-/wandverwarming het hoofd afgiftesysteem. Luchtverwarming Er zijn twee type luchtverwarming te onderscheiden: - luchtverwarming met kernzijdige toevoer; d.w.z. dat warme lucht vanuit de kern richting de gevel geblazen wordt; - luchtverwarming met gevelzijdige toevoer; d.w.z. roosters bij de ramen of in de vloer. Regeling warmteafgifte in de woning Wordt de warmte-afgifte in de woning geregeld, ja of nee. Er is sprake van regeling van de warmteafgifte als er een kamerthermostaat aanwezig is of als er thermostatische radiatorafsluiters aanwezig zijn. Indien er geen kamerthermostaat aanwezig dan is er alleen sprake van regeling als erop alle radiatoren een thermostatische radiatorafsluiter aanwezig is. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee regelingen herkend kunnen worden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

57 Aandachtspunten: De oudere HR-kwaliteitsaanduiding zonder HR 100, HR 104 of HR 107 getal komt overeen met HR-100. Als er op het moment van opname door verbouwing tijdelijk geen opwekker aanwezig is, ga dan uit van de verwarmingsbron die vóór de verbouwing aanwezig was. Indien dit niet bekend is dan uitgaan van een conventioneel rendement-ketel. Micro-wkk is altijd met bijstook en kan in één omkasting zitten. Vermogen van de Micro-wkk heeft alleen betrekking op de Micro-wkk en niet op de bijstook. Warmtepomp kan uitgevoerd zijn met (bivalent) of zonder bijstook (monovalent) De warmtepomp inclusief bijstook kan in één omkasting zitten. Vermogen van de warmtepomp heeft alleen betrekking op de warmtepomp en niet op de bijstook. Kachels moeten als lokale verwarming (elektrisch of gas) worden opgegeven. Als de kachel als sfeerverwarming naast de centrale verwarming is bedoeld, dan de kachel niet opnemen. Indien de woning wordt verwarmd met een houtkachel (geen centrale verwarming aanwezig) dan moet die beschouwd worden als een lokale olie/gaskachel. Indien de woning wordt verwarmd met een houtkachel als bron voor de centrale verwarming dan een Conventionele -ketel aanhouden Indien er in een woning met een individuele installatie twee verschillende warmte-opwekkers aanwezig zijn voor ruimteverwarming, wordt alleen de opwekker opgenomen die de warmte levert voor de woonkamer. Als beide warmte-opwekkers de woonkamer verwarmen dan moet de opwekker met het grootste vermogen worden opgenomen. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van de installaties voor ruimteverwarming herkend kunnen worden Installatie voor ruimtekoeling Aangeven of de woning gekoeld wordt. Indien er in de woning sprake is van ruimtekoeling moet worden aangegeven hoe de koeling plaatsvindt: Compressiekoelmachine Bodemkoeling (alleen mogelijk indien er een warmtepomp voor ruimteverwarming aanwezig is) Koudelevering derden Nagaan of de koelmachine ook wordt gebruikt voor ruimteverwarming. Indien de koelmachine ook voor ruimteverwarming (bijv. bij een warmtepomp) wordt gebruikt is de berekening van de hulpenergie al bij ruimteverwarming bepaald. In het installatie-ontwerp is aangegeven of de koelmachine ook wordt gebruikt voor ruimteverwarming. Koudelevering derden (EMG) Indien er bij de woning sprake is van koudelevering derden en is er voor het koude leverend net een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring (paragraaf 6.1) beschikbaar, mag hiervan gebruik worden gemaakt bij het opstellen van een Energieprestatiecertificaat. Uitzondering hierop is indien er een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld in het kader van het WWS, zie paragraaf In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van de installaties voor ruimtekoeling herkend kunnen worden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

58 6.7.3 Installatie voor warmtapwaterbereiding Er kunnen per woning maximaal 2 verschillende installaties voor warmtapwater worden opgegeven: één voor de badkamer en één voor de keuken. Indien het warme tapwater voor de keuken en badkamer door dezelfde installatie wordt gemaakt, wordt er één installatie opgegeven en wordt aangegeven dat deze de hele woning (zowel voor de badkamer en keuken) bedient. In de onderstaande tabel is aangegeven welke informatie van de installatie voor warm tapwater bereiding moet worden verzameld. Onderdeel Op te nemen aspect deelaspect paragraaf Warmtapwater Hele woning installatie Alleen keuken Alleen badkamer Type installatie individueel compleet toestel individueel samengesteld toestel (alleen bij warmtepomp/zonneboiler) collectief systeem warmtelevering door derden Opwekker Type opwekker Soort toestel HRww CW-klasse bij gasketel Bij Collectieve Opstel plaats installaties Direct of indirect gestookte boiler boilervat isolatie Leidingen en isolatie warmtewissleaar Circulatieleiding isolatie Vermogen pomp Bij collectieve installaties en warmtelevering derden circulatieleiding Afleverset Distributie Leidinglengte naar badkamer en keuken (in woning) Douche water wtw aanwezig In paragraaf worden aandachtspunten voor warmtapwaterverwarming gegeven.. In bijlage 1 is meer informatie opgenomen over het herkennen van de op te nemen installatieonderdelen voor warmtapwaterbereiding. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

59 Type installatie voor warmtapwaterbereiding Er moet aangeven worden wat voor installatie er voor warmtapbereiding in de woning aanwezig is. Gekozen kan worden tussen: individueel compleet toestel Individuele complete toestellen zijn zowel monovalente toestellen als bivalente toestellen met geïntegreerde bij- en/of naverwarmer. Warmtepompen en micro-wkk met een naverwarmer geïntegreerd in het toestel behoren dus tot individuele toestellen. individueel samengesteld toestel (alleen bij een warmtepomp/zonneboiler) Individueel samengestelde toestellen zijn bivalente toestellen zonder geïntegreerde naverwarming en bij- en/of naverwarmers. Deze systemen komen voor bij warmtepompen en zonneboilers. collectief systeem Een collectieve installatie is bedoeld voor de warmtapwaterbereiding van meer dan één woonfunctie. Er is dan een centraal ketelhuis aanwezig. De opgestelde installatie-onderdelen dienen dan in het centrale ketelhuis te worden opgenomen door de EPA-opnemer/-adviseur. Indien het centrale ketelhuis niet betreden mag of kan worden, dan dient er op andere wijze bewijslast van de aanwezige onderdelen verzameld te worden. Rekeningen waarop is aangegeven dat er in het centrale ketelhuis van het appartementencomplex een bepaald type opwekker aanwezig is. warmtelevering door derden Levering van warmte van buiten het eigen perceel waarmee warmtapwater wordt bereid. Warmtelevering derden (EMG) Indien er bij de woning sprake is van warmtelevering derden en is er voor het warmte leverend net een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring (paragraaf 6.1) beschikbaar, mag hiervan gebruik worden gemaakt bij het opstellen van een Energieprestatiecertificaat. Uitzondering hierop is indien er een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld in het kader van het WWS, zie paragraaf Type opwekker Voor iedere installatie moet het type opwekker bepaald worden. Mogelijke toestellen voor warmtapwaterbereiding zijn: 1. Gasgestookt warmwater- of combitoestel < 70kW belasting, zonder nadere aanduiding 2. Gasgestookte keuken-/badgeiser, 3. Gasgestookt warmwatertoestel met Gaskeur, 4. Gasgestookt combitoestel met Gaskeur 5. Gasgestookt (combi) toestel met microwkk t.b.v. de tapfunctie, 6. elektrische boiler, 7. elektrische warmtepomp met ventilatieretourlucht als bron (met of zonder warmtepompkeur), 8. elektrische warmtepomp met andere bron 9. elektrisch doorstroomtoestel. Warmtepomp Indien er een warmtepomp voor tapwaterverwarming aanwezig is in de betreffende rekenzone dan moet aangegeven worden of en hoe de naverwarming van het warmtapwater geschiedt: Geen naverwarming. Met externe gasgestookte naverwarming, naverwarming van het warmtapwater geschiedt door een gasgestookt toestel. Dit kan bijvoorbeeld een combiketel zijn. In deze situatie kan het opwekkingsrendement alleen met behulp van een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring worden opgegeven. Het rendement en de fractie moeten worden opgegeven. Indien er geen verklaring aanwezig is van de betreffende opwekkerscombinatie wordt alleen de naverwarmer opgenomen. Met geïntegreerde gasgestookte naverwarming, waarbij de warmte aan het voorraadvat van de warmtepomp wordt overgedragen door een warmtewisselaar; de warmte wordt geleverd met cv-water van een gasgestookt toestel. In deze situatie kan het opwekkingsrendement alleen met behulp van een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring worden opgegeven. Het rendement en de fractie moeten worden opgegeven. Indien er geen verklaring aanwezig is van de betreffende opwekkerscombinatie wordt alleen de naverwarmer opgenomen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

60 HRww Van het gasgestookte opwektoestel voor warm tapwaterbereiding moet worden aangegeven of het een HRww toestel betreft. Op de warm tapwater opwekkers vanaf 1998 is een sticker aanwezig waarop is aangegeven of het een HRww-toestel betreft. Indien de sticker niet meer aanwezig kan dit ook aan de hand van de productinformatie van het toestel worden bepaald. Indien het onbekend is of het een HRww-toestel betreft dan altijd uitgaan van een toestel zonder HRww. CW-klasse gasgestookte warm tapwatertoestellen Van het gasgestookte opwektoestel voor warm tapwaterbereiding moet de CW-klasse worden opgenomen. Op de warm tapwater opwekkers vanaf 1998 is een sticker aanwezig waarop de CWklasse staat aangegeven. Indien de sticker niet meer aanwezig kan dit ook aan de hand van de productinformatie van het toestel worden bepaald. Indien de CW-klasse van het toestel onbekend is dan altijd uitgaan van CW-klasse 3. In bijlage 1 is meer informatie opgenomen over het type opwekker en de CW-klasse van het toestel Collectieve installaties Indien warm tapwaterbereiding voor de woning plaatsvindt d.m.v. een collectieve installatie moeten de volgende gegevens bepaald worden: Opstelplaats Direct of indirect gestookte boiler o Indirect gestookte boiler Boilervat (geisoleerd ja of nee) Isolatie leidingen en warmtewisselaar Type warmteopwekker indirecte verwarming Circulatieleiding Vermogen pompcirculatieleiding Opstelplaats Aangeven of de collectieve installatie binnen of buiten het gebouw staat. Direct of indirect verwarmde boilers bij collectieve systemen. Indien warm tapwaterbereiding voor de woning plaatsvindt d.m.v. een collectieve installatie moet bepaald worden of er sprake is van direct of indirect gestookte boilers. - indirect gestookte boilers; dit zijn systemen waarbij de boiler voorzien is van een warmtewisselaar, intern of extern, die zijn warmte krijgt van bijvoorbeeld een CV-ketel. - direct gestookte boilers; dit zijn systemen waarbij de boiler voorzien is van een gasvlam die het water in de boiler verwarmt. Een direct gasgestookte boiler is te herkennen aan de rookgasafvoer. Indirect gestookte boilers zijn meestal verbonden met de opwekkers voor ruimteverwarming. Indien de technische ruimte waar de installaties zijn opgesteld staan niet toegankelijk is dan uitgaan van direct gasgestookte boilers. Indirect gestookte boiler: Type opwekker, boilervat, leidingen en warmtewisselaar Bij een indirect gestookte boiler moet het type opwekker bepaald worden, keuze uit CR, VR, HR100/HR104, HR107, WKK, externe warmte. Indien niet inspecteerbaar uitgaan van VR ketel. Verder moet nagaan worden of het warmwater voorraadvat (boilervat), leidingen en warmtewisselaar geïsoleerd zijn. Indien er isolatiemateriaal aanwezig is dan nagaan of de isolatiedikte minimaal 10 mm of minimaal 20 mm is. Indien de technische ruimte waar de installaties zijn opgesteld staan niet toegankelijk is dan uit gaan van niet geisoleerde boilervaten, leidingen en warmtewisselaar. Circulatieleidingen Ga bij een collectieve installatie voor warmtapwater na of een circulatieleiding aanwezig is. Indien er sprake is van warmtelevering door derden is er geen sprake van een circulatieleiding. Indien er wel een circulatieleiding aanwezig is moet worden nagegaan of de circulatieleiding geïsoleerd is, en zo ja of de isolatiedikte 10 mm of 20 mm is. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

61 Indien de circulatieleiding geïsoleerd is, maar de isolatiedikte is niet te bepalen is dan uitgaan van 10 mm isolatiedikte. Indien er onbekend is of de circulatieleiding is geïsoleerd, dan uitgaan van een nietgeïsoleerde leiding. Pompvermogen circulatieleiding Indien er een circulatieleiding aanwezig is bepaal dan het vermogen van de circulatiepomp. Het vermogen van de circulatiepomp staat vermeld op het typeplaatje van de pomp. Als het vermogen onbekend is dan 5 W per woning aanhouden met een ondergrens van 25 W Warmtelevering door derden of collectief: afleverset Ga na of er bij warmtelevering derden of collectieve installaties sprake is van een afleverset per woning. De afleverset is bedoeld om de centraal opgewekte warmte (warmtelevering derden) te conditioneren voor de individuele woning-installatie Leidinglengte warm water naar badkamer en keuken Er wordt onderscheid gemaakt in de leidinglengte naar het tappunt in de keuken en naar het tappunt (douche) in de badkamer. Leidinglengte naar tappunt in de keuken: Indien er een keukenboiler/keukengeiser aanwezig is in de keuken dan uitgaan van 0 tot 2 m. In alle andere gevallen de horizontale en verticale afstand bepalen tussen de opwekker en tappunt. Mogelijke klassen 0 tot 2 meter, 2 tot 6 meter, langer dan 6 m. Leidinglengte naar tappunt in de badkamer: Indien er een badgeiser aanwezig is in de badkamer dan uitgaan van 0 tot 2 m. In alle andere gevallen: de minimale horizontale en verticale afstand bepalen tussen de opwekker en tappunt en deze sommeren. Mogelijke klassen 0 tot 2 meter, 2 tot 6 meter, langer dan 6 m. Warmtapwater opwekker Lv1 Badkamer Douche kraan Lh1 Lv2 Keukenkraan Lh2 Keuken Afb Doorsnede vooraanzicht Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

62 Loodlijn vanuit warmtapwateropwekker Lh1 Douchekraan Afb Bovenaanzicht 1 e verdieping met badkamer Verticale lengte wordt gemeten door een denkbeeldige loodlijn vanaf de onderzijde van de warmtapwateropwekker naar beneden te trekken tot aan de hoogte van het tappunt (de kraan) Lv1. De horizontale lengte wordt gemeten door afstand te bepalen tussen loodlijn komende vanuit de warmtapwateropwekker en het tappunt in de badkamer, lijn Lh1. De leidinglengte naar tappunt in de badkamer is dan de lengte van lijn Lv1 en lijn Lh1. Indien er in de badkamer meerdere tappunten aanwezig zijn wordt het tappunt gekozen dat het verste weg is van de warmtapwateropwekker. Indien er sprake is van warmtelevering derden en/of een collectieve installatie heeft de leidinglengte betrekking op afstand tussen warmtewisselaar of circulatieleiding en het tappunt in de keuken en badkamer Douchewater WTW Nagaan of er douchewater WTW aanwezig is. De douchewater WTW is in nagenoeg alle gevallen weggewerkt en dus lastig waarneembaar. Er moet bewijsmateriaal in de vorm van een rekening aanwezig zijn waarmee aangetoond wordt dat er douchewater-wtw aanwezig is. Indien er wordt aangegeven dat er een douchewater aanwezig is maar het hiervoor genoemde bewijs ontbreekt, kan met de volgende proef (het is niet verplicht deze uit te voeren) worden vastgesteld of sprake is van douche water WTW: 1. Vul een emmer met circa 10 liter heet water (circa 60 C). 2. Laat de douchekraan lopen in de koudwaterstand. Zorg ervoor dat dit koude water, indien mogelijk, niet wordt afgevoerd via de doucheput, maar in een andere afvoer, bijvoorbeeld van wastafel of bad. 3. Giet de emmer met heet water leeg in de doucheafvoer. Indien er via deze afvoer ook koud water wordt afgevoerd, dient het warme water in rijke mate aanwezig te zijn. 4. Stel vast of het koude water uit de douchekraan voorverwarmd is door het hete water dat wordt afgevoerd. Indien er geen voorverwarming waarneembaar is, dan is er geen douche water WTW aanwezig. Indien er geen visueel, schriftelijk bewijs of bewijs door middel van bovenstaande proef aanwezig is dan altijd uitgaan van geen douche water WTW Aandachtspunten warm tapwaterinstallatie: Als er op het moment van opname door verbouwing tijdelijk geen warmtapverwarming aanwezig is, ga dan uit van de warmtapverwarming die voor de verbouwing aanwezig was. Indien dit niet bekend is dan uitgaan van een Gasgestookt warmwater- of combitoestel < 70kW, zonder nadere aanduiding. Er mag bij tapwaterbereiding alleen microwkk worden aangegeven indien er bij het micro-wkktoestel een voorraadvat van minimaal 80 l aanwezig is. Indien het vat kleiner is dan 80 l dan dient dit als een Combitoestel HR met voorraadvat te worden opgegeven. Is er sprake van een in het toestel (Micro-wkk) ingebouwde warmtapwaterbereider dan is er vrijwel altijd een Gaskeur HRww label aangebracht. De individuele gasboilers (direct of indirect gestookt) vallen onder gasgestookte warmwatertoestellen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

63 Er is sprake van een combitoestel indien het toestel zowel voor ruimteverwarming als de bereiding van warm tapwater wordt gebruikt. Indien er een close-in boiler aanwezig is wordt dit als een elektroboiler opgegeven. Indien er gebruik wordt gemaakt van een gecontroleerde kwaliteits-/gelijkwaardigheidsverklaring voor douchewater WTW is het mogelijk ook rekening te houden met de aansluitwijze van de douchewater WTW. Indien de aansluitwijze niet visueel waarneembaar is dient dit door middel van een schriftelijk bewijs of via foto s aangetoond te worden. Een circulatieleiding kan enkel bij collectieve installaties aanwezig zijn, en niet bij warmtelevering door derden. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van de installaties voor warmtapwaterbereiding herkend kunnen worden Zonneboiler Indien er een zonneboiler aanwezig is moeten volgende aspecten worden opgenomen: Type zonneboiler Individueel: alleen voor warmtapwaterbereiding; Individueel: voor warmtapwaterbereiding en ruimteverwarming (zonneboilercombi) Collectieve zonneboiler (voor meerdere huishoudens) Is er voor de zonneboiler een Zonnekeurlabel aanwezig? Er is bij een zonneboiler sprake van een zonnekeurlabel als het toestel is voorzien van de sticker Zonnekeurlabel of als dit in de productinformatie staat aangegeven. Het Zonnekeurlabel staat afgebeeld in bijlage 1B. Oppervlakte collector Als een Energieprestatiecertificaat bepaald wordt voor een individuele woning in een appartementencomplex met een collectieve warm tapwaterinstallatie, dient voor een collectieve zonneboiler het oppervlak per woning opgegeven te worden (totale oppervlak gedeeld door het aantal aangesloten woningen). Hellingshoek zonnecollector (0, 15, 30, 45, of 90 graden) ( 0 0 is horizontaal, 90 0 is verticaal. Oriëntatie zonnecollector. Mogelijke oriëntaties zie paragraaf Volume opslagvat Bepaal het volume van het opslagvat. Uitgaan van productinformatie. Indien er geen productinformatie beschikbaar is, aangeven in welke klasse het volume valt: 0-50 l, l, l, l, >200 l. Alleen zonneboiler of PVT-systeem Bepaal of er in de woning sprake is van alleen een zonneboiler of van een gecombineerd zonnecollector en PV-systeem (PVT-systeem). Deze systemen worden gebruikt om gelijktijdig warm tapwater te bereiden en elektriciteit op te wekken. In geval er sprake is van een PVT systeem, is de zonnecollector aangesloten op de waterleidingen die weer aangesloten zijn op een opslagvat. De elektriciteitskabels zijn dan aangesloten op een inverter. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

64 6.7.5 Ventilatie/infiltratie In de onderstaande tabel worden de op te nemen kenmerken voor ventilatie gegeven. Onderdeel Op te nemen aspect paragraaf Ventilatie Ventilatiesysteem en ventilatievoorzieningen WTW (bij mechanische toevoer en afvoer) Bouwjaar ventilatie-unit (bij mechanische afzuiging en mechanische toevoer en afvoer) Wissel- of gelijkstroomventilatoren Installatiejaar ventilatie-unit In paragraaf worden aandachtspunten m.b.t. ventilatiesystemen gegeven Ventilatie Ventilatiesystemen. Er is bij bestaande woningen keuze uit de volgende ventilatiesystemen, in een woning kan maar één ventilatiesysteem worden opgegeven. Uitzondering hierop is als de woning is voorzien natuurlijke toevoer en mechanische afvoer in combinatie met decentrale mechanische toe- en afvoer met WTW, en CO2 sturing(systeem E1). Indien er meerdere ventilatiesystemen aanwezig zijn in de woning (uitgezonderd ventilatiesysteem E1) wordt er uitgegaan van het ventilatiesysteem in de woonkamer. In de onderstaande tabel staat in de eerste kolom aangegeven welk onderscheid er tussen de ventilatiesystemen gemaakt wordt in dit opnameprotocol. In de tweede kolom staat aangegeven welke categorieën er in de ventilatienorm (NEN 8088) zijn opgenomen. In de bijlage is een beschrijving per ventilatietype gegeven. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

65 Clustering gebruikt Type 1 incl sub categ 1. Omschrijving Systemen met natuurlijke toe- en afvoer A1 Volledig natuurlijke ventilatie, handmatige bediening Nvt A2 Winddrukgestuurde toevoer, natuurlijke afvoer A2a winddrukgestuurde toevoer p 1 Pa Nvt A2b winddrukgestuurde toevoer 1 Pa < p 5 Pa Nvt A2c winddrukgestuurde toevoer 5 Pa < p 10 Pa Nvt Systemen met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer C1 Natuurlijke toevoer /mechanische afvoer zonder sturing en/of regeling Natuurlijke toevoer /mechanische afvoer, handmatige Nvt C1 bediening C2a winddrukgestuurde toevoer p 1 Pa Nvt C2b winddrukgestuurde toevoer 1 Pa < p 5 Pa Nvt C2c winddrukgestuurde toevoer 5 Pa < p 10 Nvt C3 Tijdsturing afvoer NVt C3a tijdsturing afvoer zonder zonering Nvt winddrukgestuurde toevoer, tijdsturing op afvoer zonder Nvt C3b zonering C4 CO2-sturing/tijdsturing toevoer Nvt WTW winddrukgestuurde toevoer, CO2-sturing in verblijfsgebied met Nvt C4a opstelplaats voor kooktoestel op afvoer zonder zonering CO2-sturing indirect op toevoer per verblijfsruimte, zonder Nvt C4b zonering winddrukgestuurde toevoer, CO2-sturing op afvoer per Nvt C4c verblijfsruimte, zonder zonering C3c tijdsturing toevoer en afvoer zonder zonering Nvt Systemen met mechanische toe- en afvoer; gebalanceerde ventilatie D1 mechanische toe- en afvoer, handmatige bediening Nvt D2 WTW-installatie zonder zonering en zonder sturing, handmatige bediening aanwezig D4b Tijdsturing en CO2 sturing mogelijk D4b tijdsturing met twee of meer zones (of verblijfsgebieden) mogelijk D3 CO2-sturing alleen afvoer mogelijk D4a tijdsturing zonder zonering mogelijk D5b Decentrale WTW en CO2 sturing Mogelijk decentrale WTW en CO2-sturing op afvoer met twee of Aanwezig D5b meer zones (of verblijfsgebieden) D5a CO2-sturing met twee of meer zones (of verblijfsgebieden) mogelijk Combineerde systemen (systeem C in combinatie met systeem D) Deel van de woning voorzien van natuurlijke toevoer en aanwezig E1 mechanische afvoer in combinatie deel van de woning voorzien van decentrale mechanische toe- en afvoer met WTW en CO 2- sturing 1 typering conform NEN De ventilatiesystemen uit de NEN 8088 zijn geclusterd. In de Energieprestatiecertificaatmethodiek dient de groep aangegeven te worden waarvan de subcategorie deel is. Ventilatiesysteem B is niet opgenomen, dit wordt in Nederland nauwelijks toegepast. Warmteterugwinning ventilatie Een aantal ventilatiesystemen hebben de mogelijkheid om warmteterugwinning (WTW) toe te passen zie bovenstaande tabel. Indien er sprake is van WTW aangeven wat het rendement van de WTW-unit is. Een kunststof tegenstroomwarmtewisselaar heeft een rendement van 80%, de overige WTW-units hebben een rendement van 60%. Ga in de productinformatie of er een kunststof tegenstroomwarmtewisselaar in de ventilatie-unit is opgenomen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

66 Installatiejaar ventilatie-unit Indien er sprake is van ventilatietype C (mechanische afzuiging) of type D (mechanische toevoer en afvoer) zijn er één of meerdere ventilatoren aanwezig in de ventilatie-unit. Het benodigde vermogen van de ventilatoren wordt bepaald op basis van het installatiejaar van de ventilatie-unit. Het installatiejaar is het jaar dat de ventilatie-unit in de woning is geplaatst. Indien onbekend, wordt het bouwjaar van de woning gehanteerd. De volgende installatiejaarklassen zijn hiervoor gedefinieerd. klasse Installatiejaar (J) 1 J < J < J < J J > 1998 Wisselstroom of gelijkstroom ventilatoren De ventilatoren kunnen van het type wissel- of gelijkstroom zijn. Aangeven moet worden welk type ventilatoren aanwezig is. Indien de ventilatie-unit na 2006 is geplaatst is er altijd sprake van gelijkstroomventilatoren. Oudere ventilatie-units kunnen echter ook zijn voorzien van gelijkstroomventilatoren. In de documentatie van het type ventilatie-unit is dit terug te vinden. Indien er geen bewijs gevonden wordt met betrekking tot de gelijkstroom ventilator, dan uitgaan van een wisselstroom ventilator Aandachtspunten ventilatie Algemeen: Bij vraaggestuurde ventilatiesystemen dient het luchtdebiet voor de afvoer en toevoer direct of indirect gekoppeld te zijn, d.w.z. een gecontroleerde toevoer en gecontroleerde afvoer van lucht, waarbij ongeveer evenveel lucht wordt toegevoerd als afgevoerd. Type C: Individuele tijdsturing wil in dit geval zeggen dat er over de dag meerdere blokken zijn te programmeren per woning waarbij rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van personen; Een hoog laag regeling (bijv. handmatig bediende 3-standenschakelaar) is niet tijdgestuurd en mag daarom niet als vraaggestuurd worden beschouwd en dient als ventilatietype type C1 te worden opgegeven; Drukgeregelde ventilatieroosters in combinatie met een handmatige bediende centrale afvoerunit vallen onder de clustering van ventilatietype C1 ; Woningen waar alleen mechanische afzuiging is in het toilet en/of badkamer en waarbij de afzuiging niet continu (24 uur per dag) in bedrijf is mag deze niet worden beschouwd als mechanische afzuiging. Van mechanische afzuiging is alleen sprake als er in de rekenzone continu (24 uur per dag) lucht wordt afgezogen. Type D: Mechanische ventilatie dient continu (24 uur per dag) in bedrijf te zijn; Een nadere typering van de ventilatiesystemen is opgenomen in bijlage 1b. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

67 6.7.6 Elektriciteitsopwekking Elektriciteitsopwekking door PV-cellen op het eigen perceel Indien er PV-cellen aanwezig zijn op het eigen perceel dienen er aantal kenmerken opgenomen te worden. Op te nemen aspecten van PV-cellen zijn: o type fotovoltaische cel, keuze uit: Monokristallijn/multikristallijn (polykristallijn) Amorf Oppervlakte Hellingshoek PV-cel (0, 15, 30, 45, of 90 graden) ( 0 0 is horizontaal, 90 0 is verticaal. Oriëntatie PV-cel. Mogelijke oriëntaties zie paragraaf Aandachtspunten o Het overgrote deel (90-95%) van de PV-panelen zijn kristallijne panelen. Kristallijne panelen, monokristallijn of multikristallijn, zijn herkenbaar doordat deze zijn opgebouwd uit meerdere kleine (max. 15 cm x 15 cm), vaak wat blauw kleurende cellen. Amorfe PV-cellen komen nauwelijks voor. o Koper-indium/galium-diselenide (CIGS)- cellen en Cadmiumtelluride- cellen dienen als kristallijne cellen te worden beschouwd. o PV-panelen worden opgenomen indien er aangetoond kan worden dat de PV-panelen achter de meter van de woning/gebouw zijn aangesloten of indien er bewijsmateriaal, zoals bijvoorbeeld een bewijs van aankoop/factuur van de PV-panelen aanwezig is. Achter de meter wil in dit verband zeggen tussen de hoofdmeter van het Energiebedrijf en elektrotechnische installatie van de woning/woongebouw. o Indien de PV-panelen meegenomen mogen worden voor het opstellen van het Energieprestatiecertificaat maar de PV-panelen zijn bedoeld voor meerdere woningen dan dient de opbrengst van de panelen op basis van het gebruiksoppervlak van de betreffende woning en het totaal gebruiksoppervlak van de woningen waarvoor de PV-panelen zijn bedoeld te worden verdeeld. Opmerking: o PV-panelen worden niet opgenomen voor de bepaling van de Energie-index indien het dak van de woning/appartementen complex wordt verhuurd aan derden en de elektriciteit komt niet direct ten goede aan de bewoners maar wordt terug geleverd aan het openbare net. Ook indien de PV-panelen zijn opgesteld buiten de perceel grens van de woning/appartementencomplex worden PV-panelen niet gewaardeerd in het Energieprestatiecertificaat. o Huurwoningen: indien er in de huurwoning, door de huurder zogenaamde zelf aangebrachte voorzieningen aanwezig zijn (bijvoorbeeld: Dubbel glas en/of PV-panelen) dan worden deze bij het opstellen van het Energieprestatiecertificaat van de woning meegenomen. Het gaat immers over de Energetische prestatie van de woning. Toelichting: Bij de koppeling van het woning waardering stelsel (WWS) met het Energieprestatiecertificaat is namelijk met de huurcommissie afgesproken dat huurder afspraken maakt met de verhuurder over het niet aanpassen van de punten, ten gevolge van zelf aangebrachte voorzieningen, tijdens de huurperiode. In bijlage 1B worden aanwijzingen gegeven waarmee de kenmerken van de PV-cellen herkend kunnen worden. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

68 Elektriciteitsopwekking op gebiedsniveau. Indien er bij de woning sprake is van elektriciteitsopwekking op gebiedsniveau (EMG) en er is een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring (paragraaf 6.1) beschikbaar, mag hiervan gebruik worden gemaakt bij het opstellen van een Energieprestatiecertificaat. Uitzondering hierop is indien er een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld in het kader van het WWS, zie paragraaf BEPALING WONINGTYPE EN GEBOUWTYPE Er wordt onderscheid gemaakt tussen eengezinswoningen en woningen in een appartementencomplex. Eengezinswoningen (grondgebonden woningen) 1. Vrijstaande woning 2. Twee onder een kap 3. Rijwoning 3a Tussenwoning 3b Hoekwoning Woningen in een appartementencomplex (woningen in een meergezinswoning met 1 of 2 lagen) 4. Hoekwoning onder dak 5. Tussenwoning onder dak 6. Hoekwoning op tussenverdieping 7. Tussenwoning op tussenverdieping 8. Hoekwoning onderste bouwlaag 9. Tussenwoning onderste bouwlaag 10. Tussenwoning onder dak en op onderste bouwlaag 11. Hoekwoning onder dak en op onderste bouwlaag Opmerking Met woningen op de onderste bouwlaag worden woningen bedoeld waarvan de vloer grenst aan grond, buiten of een onverwarmde ruimte. De onderste woning in een appartementencomplex die grenst aan een winkel, geldt als een woning op een tussenverdieping Opnameprotocol woningtype Het bepalen van het woningtype bestaat uit een aantal verschillende stappen. 1. Bepaal of het gaat om een eengezinswoning of woning in een appartementencomplex (paragraaf ) 2. Bepaal type eengezinswoning (paragraaf ) 3. Bepaal type woning in een appartementencomplex (paragraaf ) Eengezinswoning of woning in een appartementencomplex De definitie van eengezinswoning is: Een gebouw met daarin de woonfunctie bestemd voor slechts één huishouden en waarboven geen ander (gedeelte van een) gebouw is gelegen. De definitie van een appartementencomplex (meergezinswoning) is: Een (gedeelte van een) gebouw met meer dan één woonfunctie, dat geen eengezinswoning is. 1 Fotowijzer, Uniformering begrippen en definities woningen. LMV, NVM, RVT, VBO, VNG, Waarderingskamer. ISBN , versie 1.0 maar 2008 Opmerking Een gebouw waarbij één woning (deels) (dus geen stapeling van woningen) boven een rekenzone met een andere gebruiksfunctie (bijvoorbeeld winkel of praktijkruimte) met een gebruiksoppervlakte groter dan 50 m 2 is gelegen, moet worden beschouwd worden als een eengezinswoning. Indien er een aantal verschillende woningen in stapelvorm aanwezig zijn dan dienen deze als een appartementencomplex of als woning in appartementencomplex te worden beschouwd. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

69 Type eengezinswoning Bij eengezinswoningen worden de volgende typen onderscheiden: Vrijstaand 2-onder-1-kap Rij-tussenwoning Rij-hoekwoning Opmerkingen Vrijstaande woning Een vrijstaande woning is een eengezinswoning waarvan de scheidingsconstructies niet grenzen aan de rekenzone van een ander gebouw. Een woning die via een berging of garage is verbonden met een andere woning wordt ook beschouwd als vrijstaand. Twee onder één kap Een 2-onder-1-kapwoning is een woning waarvan het hoofdgebouw is verbonden met het hoofdgebouw van één andere gelijksoortige en gelijkvormige woning (niet zijnde een tussenwoning). Ook wanneer de woningen elk een afzonderlijke dakconstructie hebben, vallen deze onder de definitie van de 2-onder-1-kapwoning. Een 2-onder-1-kapwoning kan ook voorkomen als een geschakelde variant. In dat geval grenzen de muren van aanbouwen gedeeltelijk aan (aanbouwen van) andere woningen. Bij een 2-onder-1-kapwoning zijn er precies 2 woningen die direct aan elkaar grenzen. Als het er meer zijn, dan behoren deze woningen tot de tussen- of hoekwoningen. Tussenwoning Een tussenwoning is een eengezinswoning die grenst aan tenminste twee andere eengezinswoningen. Ook de woning die de hoek vormt van een gesloten bouwblok (twee reeksen woningen zijn verbonden met elkaar) is een tussenwoning. Een woning waarbij de muren of tussenmuren van aanbouwen gedeeltelijk aan (aanbouwen van) andere woningen grenzen (ook wel een geschakelde woning genoemd), is ook een tussenwoning. De hoogte van de woningen is niet van belang bij het bepalen van het type. Een woning die hoger is dan zijn 2 buren, geldt toch als een tussenwoning. Hoekwoning Een hoekwoning is een eengezinswoning die uitsluitend grenst aan één tussenwoning. De hoekwoning ligt op het begin of einde van de reeks woningen. In sommige gevallen heeft de woning (extra) grond aan de zijkant van de woning. Een halfvrijstaande woning (dit is een woning waarvan het hoofdgebouw is verbonden met een ander object dat geen woning is, of waarvan het hoofdgebouw verbonden is met het hoofdgebouw van een niet gelijksoortige en vormige woning) behoort ook tot de hoekwoningen. De hoekwoning is tevens de restcategorie voor de eengezinswoningen. Indien een woning niet bij een ander type kan worden ingedeeld, dan behoort de woning tot de categorie hoekwoning Woningen in een appartementencomplex De volgende typen worden onderscheiden: Hoekwoning onder het dak Hoekwoning op een tussenverdieping Hoekwoning op de onderste bouwlaag Tussenwoning onder het dak Tussenwoning op een tussenverdieping Tussenwoning op de onderste bouwlaag Hoekwoning onder het dak en op de onderste bouwlaag Tussenwoning onder het dak en op de onderste bouwlaag Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

70 Opmerkingen Bij de typen gaat het er om vast te stellen wat de relatieve hoeveelheid schiloppervlak is. Dit wordt bepaald door na te gaan of er een dak aanwezig is, of er een begane grondvloer aanwezig is en of er (naast de voor- en achtergevel) ook zijgevels aanwezig zijn. Het gaat hierbij uitsluitend om uitwendige scheidingsconstructies die als verliesoppervlakte in rekening worden gebracht en dus grenzen aan buiten of onverwarmde ruimten. Oppervlakten grenzend aan verwarmde ruimten blijven buiten beschouwing. Voor eenvoudige, rechthoekige geometrieën is de keuze eenvoudig (zoals bij de meeste galerijflats). Bij andere geometrieën is het vaak lastiger om de keuze te maken. De hieronder gegeven criteria zijn niet gekoppeld aan getalswaarden. In iedere specifieke situatie is de indruk van de EPA-opnemer/- adviseur doorslaggevend. Er is een dak aanwezig indien een significant gedeelte van de woning een dak heeft dat als verliesoppervlakte in rekening wordt gebracht (en dus grenst aan buiten). Enkel een kleine dakoppervlakte van een erker of uitbouw geldt dus niet als significant. Er is een vloer aanwezig indien een significant gedeelte van de woning een vloer heeft die als verliesoppervlakte in rekening wordt gebracht (en dus grenst aan buiten, grond, kruipruimte of onverwarmde ruimte). Enkel een kleine vloeroppervlakte van de opgang van een bovenwoning geldt dus niet als significant. Er zijn zijgevels aanwezig (en het betreft dus een hoekwoning) indien de woning op minimaal drie oriëntaties gevels heeft die grenzen aan buiten of onverwarmde ruimten. Kleine verspringingen in de gevel tellen niet mee bij het bepalen van het aantal oriëntaties. Er zijn configuraties waarbij een woning toch als hoekwoning beschouwd wordt, hoewel er maar 2 zijgevels aanwezig zijn. Dit is mogelijk voor woningen met een aparte plattegrond (zie voorbeelden) Voorbeelden van woningtypen In deze paragraaf worden enkele voorbeelden toegelicht. Afb Verspringende woningen Afbeelding 6.21 toont de plattegrond van 4 woningen. De middelste woningen grenzen aan 2 buurwoningen en zijn daarom tussenwoningen. De buitenste 2 woningen zijn hoekwoningen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

71 Afb. 6.22: Woningen met verschillende hoogten In afbeelding 6.22 is het vooraanzicht van een viertal woningen weergegeven. De tweede woning geldt als tussenwoning, ondanks dat zijn hoogte verschilt van de buurwoningen. Afb. 6.23: Appartementencomplex met plattegrond In afbeelding 6.23 zijn 4 appartementen op een tussenverdieping weergegeven die een trappenhuis omsluiten. Deze appartementen zijn alle vier hoekappartementen. Afb.6.24: Eengezinswoningen met aparte plattegrond Afbeelding 6.24 toont een viertal eengezinswoningen. De middelste woningen grenzen aan 2 buurwoningen en zijn daarom tussenwoningen (zie toelichting bij paragraaf ). De overige twee (buitenste) woningen zijn hoekwoningen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

72 6.9 AANDACHTSPUNTEN BIJ AANTAL TYPEN WONINGEN EN HUURWONINGEN Woningen in appartementencomplex Indien het een woning in een appartementencomplex betreft, worden de gemeenschappelijke ruimten (zoals gangen en trappenhuizen) buiten beschouwing gelaten Er dient alleen bepaald te worden of deze ruimten als verwarmd of onverwarmd beschouwd moeten worden. Woning A Woning B Woning C Woning D gemeenschappelijke verkeersruimte Woning E Woning F Woning G Trappenhuis en lift Afb Per woning moet een Energieprestatiecertificaat worden gemaakt, de verkeersruimte en trappenhuis zijn gemeenschappelijk en worden dus buiten beschouwing gelaten. Er moet alleen bepaald worden of de gemeenschappelijke verkeersruimte en trappenhuis als verwarmd moeten worden beschouwd, in paragraaf 6.11 worden hier richtlijnen voor gegeven. De woningen A, B, C, D, E, F en G krijgen dus elk hun eigen Energieprestatiecertificaat. De gemeenschappelijke ruimten worden niet van een Energieprestatiecertificaat voorzien Niet zelfstandige woonruimten (o.a. studentenwoningen/kamers) Bij niet-zelfstandige woonruimten wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende situaties: 1. Verhuur van kamers in (particuliere) huizen. De grens voor kamergewijze huur ligt bij 4 kamers, indien er meer dan 4 kamers worden verhuurd, vallen de niet-zelfstandige ruimten buiten deze situatie. In die gevallen geldt situatie 2 of 3. Voorbeelden: kamerverhuur bij een hospita of verhuur van studentenkamers in huizen die door ouders voor studenten zijn gekocht. 2. Zelfstandige woonruimtes in complexen. Iedere eenheid die wordt verhuurd heeft een eigen woonkamer keuken, douche en toilet. 3. Niet-zelfstandige woonruimten in complexen. De keuken, douche/toilet en/of woonkamer zijn bedoeld voor gezamenlijk gebruik. Ad 1. Er dient geen (afzonderlijk) Energieprestatiecertificaat opgesteld te worden ten behoeve van het WWS als separaat verhuurbare gedeelten van het gebouw aan een nieuwe huurder worden verhuurd. Ad 2. Voor zelfstandige woonruimtes in complexen geldt dat ten behoeve van het WWS een Energieprestatiecertificaat opgesteld dient te worden. Het Energieprestatiecertificaat dient per verhuurbare eenheid opgesteld te worden. Ad 3. Voor niet-zelfstandige woonruimten in complexen gelden ten behoeve van het WWS de volgende regels: Indien de niet-zelfstandige woonruimten of de combinatie van zelfstandige en niet-zelfstandige woningen zijn aangesloten op een collectieve installatie voor ruimteverwarming en eventueel voor warm tapwater en er sprake van dezelfde ventilatiesysteem in het gebouw moet een Energieprestatiecertificaat op kamerniveau niveau worden opgesteld. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

73 Indien er geen collectieve installatie aanwezig is dan gelden de volgende regels: Bepaal welke niet-zelfstandige woonruimten of combinatie van niet-zelfstandige en zelfstandige woonruimten zijn aangesloten op de dezelfde warmte-opwekker voor ruimteverwarming en warm tapwater bereider. Indien de opwekker voor ruimteverwarming en tapwater niet gelijk zijn, dan is ruimteverwarming bepalend. Stel per groep niet-zelfstandige woonruimten of per combinatie die zijn aangesloten op dezelfde warmte-opwekker een Energieprestatiecertificaat. Er kan ook worden volstaan met een Energieprestatiecertificaat op kamerniveau. Opmerking Ad 3 geldt ook voor overige woonvormen waarbij sprake is van niet-zelfstandige woonruimten. Voorbeeld: niet-zelfstandige woonruimte bij woongroepen en begeleid wonen. Voor ruimten met een verzorgingskarakter bij het begeleid wonen wordt verwezen naar de opmerkingen in paragraaf Huurwoningen Indien er voor huurwoningen een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld, worden alleen die aspecten opgenomen die eigendom zijn van de verhuurder. Energiebesparende maatregelen aangebracht door de huurder worden niet meegenomen. Tevens geldt dat alleen Energiebesparende maatregelen mogen worden gewaardeerd die er zorg voor dragen dat het energiegebruik van de huurder lager wordt. Voor PV-panelen is dit in paragraaf aangegeven Energiebesparende maatregelen op gebiedsniveau (EMG) Zoals is aangegeven in de paragrafen Ruimteverwarming, Ruimtekoeling, Warmtapwaterbereiding en Elektriciteitsopwekking is het in een aantal gevallen ook toegestaan gebruik te maken van een gecontroleerde kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring. Indien er een Energieprestatiecertificaat wordt opgesteld in het kader van het WWS, mag er geen gebruik worden gemaakt van deze gecontroleerde verklaring, er dient gerekend te worden met de forfaitaire waarde voor de Energiebesparende maatregel op gebiedsniveau. Er worden dan 2 Energieprestatiecertificaten opgesteld: Een waarbij de Energie-index is berekend met de gecontroleerde gelijkwaardig- of kwaliteitsverklaring ten behoeve van de Energiebesparing voor het Energie-akkoord of andere (lokale) Energiebesparingsinitiatieven; Een waarbij de Energie-index is berekend zonder de gecontroleerde gelijkwaardig- of kwaliteitsverklaring ten behoeve van het WWS. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

74 6.10 VOORBEELDEN VOOR DE BEPALING OF DE OVERIGE RUIMTE TOT REKENZONE BEHOORT Hieronder volgt een aantal voorbeelden van overige ruimten, hierbij wordt aangegeven of zij tot de rekenzone behoren. ruimten A (ruimten behorend bij de reken-zone) 70% uitwendig oppervlak is voorzien van isolatie of/en spouwmuur overige ruimte (niet verwarmd) Minder dan 70% van de omhulling van de overige ruimte niet voorzien van isolatie of/en spouwmuur Afb 6.26: Overige ruimte behoort tot niet tot de rekenzone. Overige ruimte heeft geen open verbinding met ruimten A. Ruimten A is geïsoleerd, overige ruimte is niet geïsoleerd of van spouw voorzien. Overige ruimte heeft geen gebouw gebonden warmteafgiftesysteem. ruimten A (ruimten behorend bij de rekenzone) Rc = 2,5 (m 2.K/W) 70% voorzien van isolatie of/en spouwmuur Garage (vorstbeveiliging) Rc = 0,36 (m 2.K/W) Afb 6.27: Overige ruimte (bijvoorbeeld garage) behoort niet tot de rekenzone. Er is geen open verbinding tussen ruimten A en de overige ruimte. Constructie tussen ruimte A en overige ruimte heeft een warmteweerstand van 2,5 m 2.K/W. De omhulling van de garage heeft een warmteweerstand van 0,36 m 2.K/W. De garage heeft geen gebouw gebonden warmteafgiftesysteem. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

75 Rc = 2,5 (m 2.K/W) ruimten A (ruimten behorend bij de reken-zone) Rc = 2,5 (m 2.K/W) Rc = 1,5 (m 2.K/W) overige ruimte Afb 6.28: Overige ruimte behoort tot de rekenzone. Geen open verbinding tussen ruimten A en de overige ruimte. De warmteweerstand van de constructie tussen ruimte A en de overige ruimte is kleiner dan de warmteweerstand van de omhulling van de overige ruimte. Zolder bij woning meer dan 70% van de omhulling heeft isolatie en/of spouw meer dan 70% van de constructie tussen woning A en overige ruimte heeft isolatie en/of spouw, Rc-waarde is gelijk aan de omhulling van het gebouw Woning A (reken zone) Gebouwschil: meer dan 70% van de omhulling heeft isolatie en/of spouw Afb 6.29: Zolder heeft geen gebouwgebonden warmteafgiftesysteem. In deze situatie ligt de overige ruimte buiten de rekenzone (indien van het gebouw één Energieprestatiecertificaat wordt gemaakt) De constructie tussen de overige ruimte en woning A maakt onderdeel uit van de thermische schil. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

76 zolder meer dan 70% van de omhulling heeft isolatie Rc-waarde is 3,5 m 2.K/W Woning A (reken zone) meer dan 70% van de constructie tussen woning A en overige ruimte heeft isolatie Rc waarde is 2,5 m 2.K/W Gebouwschil: meer dan 70% van de omhulling heeft isolatie Rc-waarde 2,5 m 2.K/W Afb 6.30 Zolder heeft geen gebouwgebonden warmteafgiftesysteem. In deze situatie ligt de zolder binnen de rekenzone. Rc-waarde omhulling zolder is groter dan Rc-waarde van de constructie tussen de woning en zolder. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

77 6.11 AANWIJZINGEN VOOR BEGRENZINGEN BIJ WONINGEN IN APPARTEMENTENCOMPLEXEN De gegeven aanwijzingen zijn van toepassing bij woningen in een appartementencomplex. Hier gelden de volgende regels: Indien de aangrenzende ruimte, op basis van de beslisschema s gegeven in paragraaf 6.4.1, bij de rekenzone van een appartementencomplex (fictief) zouden horen betreft het een verwarmde aangrenzende ruimte. Constructies tussen de woning en aangrenzende verwarmde ruimte worden buiten beschouwing gelaten. Ruimten die via één of meer niet-afsluitbare openingen met totale oppervlakte (dus gesommeerd) van 0,2 m 2 of meer in verbinding staan met de buitenlucht dienen als buiten te worden beschouwd. appartementencomplex gemeenschappelijke ruimte Woning A Woning B Woning C Woning D gemeenschappelijke verkeersruimte Woning E Woning F Woning G Trappenhuis en lift Afb 6.31 : Woning in een appartementencomplex Er dient per woning een Energieprestatiecertificaat te worden gemaakt, de verkeersruimte is gemeenschappelijk en wordt buiten beschouwing gelaten. Er moet alleen bepaald worden of de gemeenschappelijke verkeersruimte als verwarmd moet worden beschouwd. De wanden van de woningen moeten alleen worden opgenomen als verliesoppervlakte als zij deel uitmaken van de thermische schil. Ga na of indien voor het totale appartementencomplex een Energieprestatiecertificaat (fictief) zou worden opgesteld, de gemeenschappelijke verkeersruimte binnen de rekenzone zou liggen. Indien de gemeenschappelijke verkeersruimte dan binnen de rekenzone zou liggen, dient de ruimte als verwarmd te worden beschouwd. Als de gemeenschappelijke verkeersruimte buiten de rekenzone zou liggen, dan de ruimte als onverwarmd beschouwen. Als de gemeenschappelijke verkeersruimte een sterk geventileerde ruimte is, dan de verkeersruimte als buiten beschouwen.. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

78 Woningen in een appartementencomplex met niet-inpandige gemeenschappelijke ruimte Trappenhuis/lift Galerij Woning A Woning B Woning C Woning D Afb 6.32 Appartementencomplex Het gebouw in de bovenstaande afbeelding is niet van spouwmuren en isolatie voorzien en de warmteweerstand van de constructie tussen de woning en trappenhuis/lift is gelijk aan de thermische weerstand van de uitwendige scheidingsconstructie van de gemeenschappelijke verkeersruimte. Indien het trappenhuis in open verbinding staat met de buitenlucht grenst de wand tussen woning A en het trappenhuis aan buiten. Indien het trappenhuis niet in open verbinding staat met de buitenlucht. Ga na of indien voor het totale appartementencomplex (fictief) een Energieprestatiecertificaat zou worden opgesteld, het trappenhuis binnen de rekenzone ligt. Indien het trappenhuis dan binnen de rekenzone ligt, dient de ruimte als verwarmd te worden beschouwd. Als het trappenhuis buiten de rekenzone ligt, dan de ruimte als onverwarmd beschouwen. Als het trappenhuis een sterk geventileerde ruimte is, dan de verkeersruimte als buiten beschouwen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

79 Woning A (reken zone) gemeenschappelijke berging Afb 6.33 De wanden van de woningen moeten alleen worden opgenomen als verliesoppervlakte als zij deel uitmaken van de thermische schil. Gemeenschappelijke bergingen behoren nooit tot de rekenzone. Gemeenschappelijke berging altijd als onverwarmde ruimte beschouwen. De constructie tussen de gemeenschappelijke berging en woning A maakt onderdeel uit van de thermische schil, grenst aan een onverwarmde ruimte. Woning in een portiekwoning Woning A portiek Woning B Afb Portiekwoningen Indien het een open portiek betreft (die geen afsluitbare toegangsdeur heeft) dan moet voor alle constructies van het appartement (gevel, pui, ramen, deuren etc.) die aan het portiek grenzen worden opgegeven: grenst aan buitenlucht. Indien het trappenhuis niet in open verbinding staat met de buitenlucht. Ga na of indien voor het totale appartementencomplex een Energieprestatiecertificaat zou worden opgesteld, het trappenhuis binnen de rekenzone ligt. Indien het trappenhuis dan binnen de rekenzone ligt, dient de ruimte als verwarmd te worden beschouwd. Als het trappenhuis buiten de rekenzone ligt, dan de ruimte als onverwarmd beschouwen. Als het trappenhuis een sterk geventileerde ruimte is, dan de verkeersruimte als buiten beschouwen. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

80 Eengezinswoningen Woning A Woning B Woning A Utiliteitsgebouw B Afb Woningen grenzend aan andere gebouwen De wanden van de woningen moeten alleen worden opgenomen als verliesoppervlakte als zij deel uitmaken van de thermische schil. De wand tussen woning A en woning B of utiliteitsgebouw B maakt geen deel uit van de thermische schil en wordt niet opgenomen VERSCHIL METHODE VOOR 2015 EN VANAF 2015 Berekening vindt plaats met Nader Voorschrift. Nader Voorschrift is afgeleid van NEN Bepaling rekenzone, mate van isolatie bepaald of een overige ruimte bij de rekenzone hoort. Hoogste isolatiewaarde is hierin bepalend Bij woningen in een appartementencomplex moeten de gebouwafmetingen van het appartementencomplex ten behoeve de infiltratie worden opgegeven. De perimeter van een woning moet worden opgegeven. Serres en balkonafdichtingen worden anders behandeld. Berekening en opname onverwarmde zolder is aangepast. Oppervlakte bepaling constructies is afgestemd met NEN 1068 (2012) Deur met minder dan 65% glas kan worden opgesplitst in een raam en deur. Hellingshoek van ramen moet worden opgegeven. Aantal mogelijke begrenzingen bij bouwkundige constructies is toegenomen. Forfaitaire warmtegeleidingscoëfficiënt van isolatiemateriaal is aangepast, nu 0,045 W/m.K. Definitie isolatiemateriaal is afgestemd met NEN 1068 (2012) Mogelijke isolatiedikten is verder verhoogd Bepaling dikte afschotisolatie is aangepast. Er moet worden aangegeven of de kruipruimte is geïsoleerd. Er kan worden opgegeven of er bij ramen zonwering aanwezig is. Aantal installatie voor ruimteverwarming en tapwater is aangepast. Afgiftesysteem voor ruimteverwarming moet worden opgegeven Ruimtekoeling kan worden opgegeven. Aantal ventilatiesystemen is uitgebreid. Installatiejaar van de ventilatie-unit moet worden opgegeven. Het is mogelijk om PVT-systemen op te geven ALGEMEEN OVER OPNAMEPROTOCOL Dit opnameprotocol geeft aan hoe de EPA-opnemer/-adviseur gegevens moet opnemen. Het is mogelijk dat hij een situatie aantreft die niet beschreven is in dit protocol. In dat geval moet hij nagaan of dit onderwerp in het zogenaamde interpretatiedocument is behandeld. Het interpretatiedocument is te vinden op de website van KvI NL of ISSO. Indien er nog geen oplossing voor de betreffende situatie te vinden is, kan de EPA-opnemer/-adviseur een vraag stellen via ELABEL.INFO hoe moet worden omgegaan met de betreffende situatie. Indien dit opnameprotocol leidt tot een ander resultaat dan bij het vorige opnameprotocol dan is de datum van opname van de woning bepalend. De woning dient opgenomen te worden conform het op dat moment vigerende opnameprotocol. Hoofdstuk 6.0 ISSO 82.1 Maart

Hoofdstuk 6.0 ISSO 75.1 Aanvliegroute opnameprotocollen

Hoofdstuk 6.0 ISSO 75.1 Aanvliegroute opnameprotocollen Herziene versie 2013 ISSO-publicatie 75.1 Hoofdstuk 6.0 ISSO 75.1 Aanvliegroute opnameprotocollen Methode 2013, wettelijke aanwijzing per 1 Juli 2014 1 6 Opnameprotocollen 6.1 Inleiding In ISSO 75.1 worden

Nadere informatie

INZAGEVERSIE 6 OPNAMEPROTOCOL GEBOUW

INZAGEVERSIE 6 OPNAMEPROTOCOL GEBOUW 6 OPNAMEPROTOCOL GEBOUW In dit hoofdstuk wordt de gebouwopname door de EPA-opnemer/-adviseur beschreven. Hierbij komen de bron die de EPA-opnemer/-adviseur mag gebruiken en de instrumenten die hij nodig

Nadere informatie

verwijzingen zijn afgestemd op ISSO 82.1 versie oktober 2009

verwijzingen zijn afgestemd op ISSO 82.1 versie oktober 2009 Eindtermen en toetsmatrijs: toets energieprestatiecertificaat bestaande woningen Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door het CCvD van de Stichting Kwaliteitsborging Installatiesector

Nadere informatie

Energie-Index en opnameprotocollen.

Energie-Index en opnameprotocollen. Energieprestatie Energie-Index en opnameprotocollen. Kees Arkesteijn ISSO Woningen (1-1-2015) Wettelijke aanwijzing BEG en REG Voorlopig Energielabel Webapplicatie. Erkend deskundige Energielabel rekenkern

Nadere informatie

Opnameformulier woningen voor EP-certificaat

Opnameformulier woningen voor EP-certificaat Opnameformulier woningen voor EP-certificaat Hieronder worden de opnameformulieren gegeven die een EPA-adviseur nodig heeft om een opname van de woning op papier te kunnen verrichten. Om het opnameformulier

Nadere informatie

Opnameformulier Energielabel woningen 1. Algemene projectgegevens

Opnameformulier Energielabel woningen 1. Algemene projectgegevens Opnameformulier Energielabel woningen 1. Algemene projectgegevens Projectnaam: Kenmerk: Adres: Postcode: Klantnaam: Contactpersoon: Datum woning bezoek: 3817PR-45 Hobbemastraat 3817 PR Plaats: Amersfoort

Nadere informatie

Tips berekenen EPC. EPN en Nieuwbouw. Modellering

Tips berekenen EPC. EPN en Nieuwbouw. Modellering EPN en Nieuwbouw Tips berekenen EPC Modellering Iedere bouwlaag dient als een aparte verwarmde zone gemodelleerd te worden. Indien bouwlagen, bijvoorbeeld tussenverdiepingen van een woongebouw, exact gelijk

Nadere informatie

Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat

Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Onderdeel Casus ingevuld opnameformulier. Algemene projectgegevens Projectnaam: Woning Jansen Kenmerk: Adres: Guido Gezellelaan Huisnummer: 00 Postcode: 2624

Nadere informatie

Eindtermen en toetsmatrijs: toets energielabel nieuwbouw Utiliteit Vastgesteld door de EPA-examencommissie

Eindtermen en toetsmatrijs: toets energielabel nieuwbouw Utiliteit Vastgesteld door de EPA-examencommissie Eindtermen en toetsmatrijs: toets energielabel nieuwbouw Utiliteit Vastgesteld door de EPA-examencommissie Examen Energielabel nieuwbouw bestaat uit twee delen: 40 MC tijdsduur 0 minuten Softwaretoets

Nadere informatie

Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat

Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Onderdeel 2 Voorbeeldopdracht Examendatum: Naam kandidaat: Soort en nummer legitimatiebewijs: Lees zorgvuldig onderstaande informatie Dit examen bestaat uit

Nadere informatie

ELKE VORM VAN FRAUDE ZAL ONMIDDELLIJKE UITSLUITING VAN HET EXAMEN TOT GEVOLG HEBBEN. Dit boekje pas openen als daarvoor toestemming wordt gegeven.

ELKE VORM VAN FRAUDE ZAL ONMIDDELLIJKE UITSLUITING VAN HET EXAMEN TOT GEVOLG HEBBEN. Dit boekje pas openen als daarvoor toestemming wordt gegeven. Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Examendatum: Naam kandidaat: Soort en nummer legitimatiebewijs: Gebruikte software: Onderdeel 2 Lees zorgvuldig onderstaande informatie Dit examen bestaat uit

Nadere informatie

Beknopte beschrijving wijzigingen label methodiek woningen

Beknopte beschrijving wijzigingen label methodiek woningen Beknopte beschrijving wijzigingen label methodiek woningen Datum: juli 2009 Conceptversie Hoofdstuk 6 ISSO 82.1 In de onderstaande notitie zijn de wijzigingen en uitbreidingen beschreven die per 1 oktober

Nadere informatie

hoofdstuk 6.0 versie 2.0 ISSO 82.1 maart 2009

hoofdstuk 6.0 versie 2.0 ISSO 82.1 maart 2009 6.0 Opname gebouw Uit praktijkvragen blijkt dat er verschillende interpretaties zijn over begrippen als thermische schil, woonlaag, gebruiksoppervlakte en onverwarmde zolder. Ook de meetinstructie voor

Nadere informatie

Gegeven onderstaande toelichting heeft het CCvD besloten om deze toelichting per direct (24 april 2009) van toepassing te verklaren.

Gegeven onderstaande toelichting heeft het CCvD besloten om deze toelichting per direct (24 april 2009) van toepassing te verklaren. BIJLAGE 2/TC BRL9500/200509 Gegeven onderstaande toelichting heeft het CCvD besloten om deze toelichting per direct (24 april 2009) van toepassing te verklaren. Toelichting ISSO 82.1 Hoofdstuk 6 ISSO heeft

Nadere informatie

Bijlage 2. Opnameformulier netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen. Opnameformulier Woningen t.b.v. netto warmtevraag mei

Bijlage 2. Opnameformulier netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen. Opnameformulier Woningen t.b.v. netto warmtevraag mei Bijlage 2 pnameformulier netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen 1. Algemene projectgegevens Projectnaam: Kenmerk: Adres: Huisnummer: Postcode: Plaats: Klantnaam: Contactpersoon: Datum woning bezoek

Nadere informatie

DUO Beheer Nijverheidsweg 48R 2070 AM Santpoort Naritaweg 223

DUO Beheer Nijverheidsweg 48R 2070 AM Santpoort Naritaweg 223 DUO Beheer Nijverheidsweg 48R 2070 AM Santpoort Opdrachtgever : DUO Beheer Nijverheidsweg 48R 2070 AM Santpoort Object adres : Opname : Versie : Samenvatting Bruto vloeroppervlakte 3191,01 m² VVO primair

Nadere informatie

Meetrapport NEN Makelaar. Middenweg. Middenweg AE. Amsterdam Opdrachtgever : Objectnaam : Adres : Postcode : Plaats :

Meetrapport NEN Makelaar. Middenweg. Middenweg AE. Amsterdam Opdrachtgever : Objectnaam : Adres : Postcode : Plaats : Meetrapport NEN 2580 Opdrachtgever : 123Makelaar Objectnaam : Adres : 63 Postcode : 1098 AE Plaats : Amsterdam Datum opname : 3-9-2015 Datum rapport : 18-9-2015 Definities Allereerst een korte omschrijving

Nadere informatie

Duo Vastgoed & Beheer Diezestraat 10/ JP Amsterdam Walaardt Sacrestraat 405, Schiphol-Oost

Duo Vastgoed & Beheer Diezestraat 10/ JP Amsterdam Walaardt Sacrestraat 405, Schiphol-Oost Duo Vastgoed & Beheer Diezestraat 10/1 1078 JP Amsterdam Opdrachtgever : Duo Vastgoed & Beheer Diezestraat 10/1 1078 JP Amsterdam Object adres : Opname : Versie : Samenvatting Bruto vloeroppervlakte 2616,36

Nadere informatie

Meetrapport NEN 2580 Opdrachtgever Valad Objectnaam Wijchenseweg 111 Adres Wijchenseweg 111 Postcode 6538 SW Plaats Nijmegen Datum opname

Meetrapport NEN 2580 Opdrachtgever Valad Objectnaam Wijchenseweg 111 Adres Wijchenseweg 111 Postcode 6538 SW Plaats Nijmegen Datum opname Meetrapport NEN 2580 Opdrachtgever : Valad Objectnaam : Adres : Postcode : 6538 SW Plaats : Datum opname : Datum rapport : 8-11-2016 Meetcertificaat : B dit rapport is opgesteld op basis van bestaand meetcertificaat:

Nadere informatie

Eindtermen en toetsmatrijs: Netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door de COEC van

Eindtermen en toetsmatrijs: Netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door de COEC van Eindtermen en toetsmatrijs: Netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door de COEC van KvINL op 0--06 versie Oktober 06 Het examen Netto warmtevraag

Nadere informatie

Meetrapport NEN Duo beheer. Leeuwarden Van Der Nootstraat 2. Leeuwarden Van Der Nootstraat HV. Leeuwarden

Meetrapport NEN Duo beheer. Leeuwarden Van Der Nootstraat 2. Leeuwarden Van Der Nootstraat HV. Leeuwarden Meetrapport NEN 2580 Opdrachtgever : Duo beheer Objectnaam : Leeuwarden Van Der Nootstraat 2 Adres : Leeuwarden Van Der Nootstraat 2 Postcode : 8913HV Plaats : Leeuwarden Datum opname : 16-10-2015 Datum

Nadere informatie

Eindtermen en Toetsmatrijs: Energieprestatiecertificaat Utiliteitsbouw Nieuwbouw Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door het CCvD

Eindtermen en Toetsmatrijs: Energieprestatiecertificaat Utiliteitsbouw Nieuwbouw Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door het CCvD Eindtermen en Toetsmatrijs: Energieprestatiecertificaat Utiliteitsbouw Nieuwbouw Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door het CCvD van de Stichting Kwaliteitsborging Installatiesector:

Nadere informatie

NEN 2580 meetcertificaat

NEN 2580 meetcertificaat NEN 2580 meetcertificaat Project: Moerbeek 33 - Lutjewinkel Opdrachtgever: Van de Giesen Makelaars 7 maart 2018 NEN 2580 meetcertificaat L. Bijhouwer Inhoudsopgave Pagina 1 MEETCERTIFICAAT 3 2 TERMEN EN

Nadere informatie

Voorbeeldexamen Energie-Index Woningen Meerkeuzevragen Casus. Alle tekeningen en foto s zijn ter plekke gecontroleerd in de betreffende woningen.

Voorbeeldexamen Energie-Index Woningen Meerkeuzevragen Casus. Alle tekeningen en foto s zijn ter plekke gecontroleerd in de betreffende woningen. Voorbeeldexamen Energie-Index Woningen Meerkeuzevragen Casus Alle tekeningen en foto s zijn ter plekke gecontroleerd in de betreffende woningen. Vraag 1 tot en 10 hebben betrekking op woning 1. Hieronder

Nadere informatie

Eindtermen en toetsmatrijs: Energieprestatiecertificaat bestaande Woningen

Eindtermen en toetsmatrijs: Energieprestatiecertificaat bestaande Woningen Eindtermen en toetsmatrijs: Energieprestatiecertificaat bestaande Woningen Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door het CCvD van de Stichting Kwaliteitsborging Installatiesector op april

Nadere informatie

Workshop D2: Bestaande bouw Energielabel conform NEN 7120. Spreker: Kees Arkesteijn, ISSO. Programma

Workshop D2: Bestaande bouw Energielabel conform NEN 7120. Spreker: Kees Arkesteijn, ISSO. Programma Praktijkseminar implementatie nieuwe wetgeving Workshop D2: Bestaande bouw Energielabel conform NEN 7120 Spreker: Kees Arkesteijn, ISSO Programma Huidige situatie Onderhoudsversie Situatie per 2012 Nader

Nadere informatie

Objectgegevens: Oudheusdenstraat 30, Badhoevedorp Gebruiksoppervlakte Begane grond 1e verdieping 2e verdieping Totaal Gebruiksoppervlakte, Wonen (Woonoppervlakte) 62,7 57,9 38,3 158,9 m2 Gebruiksoppervlakte,

Nadere informatie

NEN 2580 MEETRAPPORT. Adres Graan voor Visch Datum Meetopname 17 december Datum Meetrapport 19 december 2018

NEN 2580 MEETRAPPORT. Adres Graan voor Visch Datum Meetopname 17 december Datum Meetrapport 19 december 2018 Object type Appartement Adres Graan voor Visch 17247 Postcode/Plaats 2132 ZC Hoofddorp Datum Meetopname 17 december 2018 Datum Meetrapport 19 december 2018 Meetcertificaat Type A Op locatie gecontroleerd

Nadere informatie

Object. Adres Lupinevallei 22 Postcode, plaats Opdrachtgever Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning

Object. Adres Lupinevallei 22 Postcode, plaats Opdrachtgever Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning Object Woning Adres Lupinevallei 22 Postcode, plaats Opdrachtgever Datum Meetrapport 22-05-2017 Certificaatnummer 73829 5237 MB 's-hertogenbosch Bighelaardij INHOUD MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING BIJ RAPPORT

Nadere informatie

Definitief opnameformulier behorend bij het opnameprotocol NV

Definitief opnameformulier behorend bij het opnameprotocol NV Definitief opnameformulier behorend bij het opnameprotocol NV 1. Algemene projectgegevens Projectnaam: Kenmerk: Adres: Huis: Postcode: Plaats: Klantnaam: Contactpersoon: Datum woning bezoek Opnamedatum

Nadere informatie

NEN 2580 MEETRAPPORT. Adres Irenestraat 13 Postcode/Plaats

NEN 2580 MEETRAPPORT. Adres Irenestraat 13 Postcode/Plaats NEN 2580 MEETRAPPORT Object type Woning Adres Irenestraat 13 Postcode/Plaats 9531 AP Borger Datum meetopname 14-4-2017 Datum meetrapport 19-4-2017 Meetrapportnummer VM-17-015 Meetcertificaat Type A Op

Nadere informatie

HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL ENERGIELABEL WONINGEN DETAILMETHODIEK VOOR NIEUWBOUW- EN OVERIGE ENERGIEZUINIGE WONINGEN

HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL ENERGIELABEL WONINGEN DETAILMETHODIEK VOOR NIEUWBOUW- EN OVERIGE ENERGIEZUINIGE WONINGEN HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL ENERGIELABEL WONINGEN DETAILMETHODIEK VOOR NIEUWBOUW- EN OVERIGE ENERGIEZUINIGE WONINGEN Stichting ISSO Rotterdam, mei 2013 Versie 2.10 2 INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 8 Opnameprotocol

Nadere informatie

Object. Adres Tsjerkehofspaed 3 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning 8856 BZ PIETERSBIERUM

Object. Adres Tsjerkehofspaed 3 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning 8856 BZ PIETERSBIERUM Object Woning Adres Tsjerkehofspaed 3 Postcode, plaats 8856 BZ PIETERSBIERUM Opdrachtgever Popma BarteldBoerma Makelaars Datum Meetrapport 18-07-2017 Certificaatnummer 79223 MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING

Nadere informatie

Object. Adres Venlosingel 108 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning.

Object. Adres Venlosingel 108 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning. Object Woning Adres Venlosingel 108 Postcode, plaats 6845 JC Arnhem Opdrachtgever Puntman Makelaardij Datum Meetrapport 12-04-2017 Certificaatnummer 69384 MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING BIJ RAPPORT 4 Informatie

Nadere informatie

Puntenburgerlaan 1C 3812 CA Amersfoort. Definitief. Object type Adres Postcode/Plaats

Puntenburgerlaan 1C 3812 CA Amersfoort. Definitief. Object type Adres Postcode/Plaats N E N 2580 M E E T R A P P O R T Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief

Nadere informatie

UTRECHT LOGGERSTRAAT 54, NEN 2580 MEETRAPPORT. In opdracht van: Opgenomen door: Geproduceerd door:

UTRECHT LOGGERSTRAAT 54, NEN 2580 MEETRAPPORT. In opdracht van: Opgenomen door: Geproduceerd door: LOGGERSTRAAT 54, UTRECHT NEN 2580 MEETRAPPORT Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen. Termen, definities en bepalings-methoden,

Nadere informatie

HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL ENERGIELABEL WONINGEN DETAILMETHODIEK VOOR NIEUWBOUW- EN OVERIGE ENERGIEZUINIGE WONINGEN

HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL ENERGIELABEL WONINGEN DETAILMETHODIEK VOOR NIEUWBOUW- EN OVERIGE ENERGIEZUINIGE WONINGEN HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL ENERGIELABEL WONINGEN DETAILMETHODIEK VOOR NIEUWBOUW- EN OVERIGE ENERGIEZUINIGE WONINGEN Stichting ISSO Rotterdam, september 2012 Versie 2.9 2 INHOUDSOPGAVE Concept Hoofdstuk

Nadere informatie

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres Bohrstraat 33, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres Bohrstraat 33, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer NEN 2580 Meetrapport Object Woning Adres Bohrstraat 33, Postcode, plaats 6533 DR Nijmegen Opdrachtgever Puntman Makelaardij Datum Meetrapport 05-02-2018 Certificaatnummer 100369 Inhoud MEETCERTIFICAAT

Nadere informatie

4101 WN, Culemborg. Woning Hiele & Dalsem Makelaardij De Molen 6a 3994 DB Houten. Op locatie gecontroleerd en ingemeten

4101 WN, Culemborg. Woning Hiele & Dalsem Makelaardij De Molen 6a 3994 DB Houten. Op locatie gecontroleerd en ingemeten Adres Berkeboom 47 Postcode, plaats 4101 WN, Culemborg Object type Opdrachtgever Woning Hiele & Dalsem Makelaardij De Molen 6a 3994 DB Houten Datum meetopname 17 maart 2016 Datum meetrapport 21 maart 2016

Nadere informatie

Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat

Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Voorbeeldexamen Energieprestatiecertificaat Examendatum: Naam kandidaat: Soort en nummer legitimatiebewijs: Onderdeel 1 Lees zorgvuldig onderstaande informatie Dit examen bestaat uit een casus. Met behulp

Nadere informatie

Overzicht interpretatiebesluiten CCvD BRL9500 Energieprestatieadvisering (inclusief ISSO-publicaties)

Overzicht interpretatiebesluiten CCvD BRL9500 Energieprestatieadvisering (inclusief ISSO-publicaties) Overzicht interpretatiebesluiten CCvD BRL9500 Energieprestatieadvisering (inclusief s) Uitgave Uitgave Beoordelingsrichtlijn / deel BRL9500-00 BRL9500-01 BRL9500-02 BRL9500-03 BRL9500-04 s 75.1 75.2 75.3

Nadere informatie

Voorbeeldtoets Energieprestatie Energiezuinige woningen

Voorbeeldtoets Energieprestatie Energiezuinige woningen Voorbeeldtoets Energieprestatie Energiezuinige woningen Toets 2: Softwaretoets De tijdsduur van dit examenonderdeel is 120 minuten Cito B.V. (2016) ISSO Energieprestatie Energiezuinige woningen voorbeeldexamen

Nadere informatie

Zibber B.V. heeft in opdracht opgesteld conform de NTA 2581:2011 waarin de gebruiksoppervlakten en vloeroppervlak zijn vast gesteld.

Zibber B.V. heeft in opdracht opgesteld conform de NTA 2581:2011 waarin de gebruiksoppervlakten en vloeroppervlak zijn vast gesteld. Object Adres Postcode, plaats Opdrachtgever Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning Brouwersgracht 18, 8061 GN Hasselt Bert Leistra ERA Makelaardij 11-01-2017 61092 INHOUD MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING

Nadere informatie

Object. Adres Suze groeneweg-erf 289 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning.

Object. Adres Suze groeneweg-erf 289 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning. Object Woning Adres Suze groeneweg-erf 289 Postcode, plaats 3315 XH Dordrecht Opdrachtgever RE/MAX Wittstaete Datum Meetrapport 05-06-2017 Certificaatnummer 76090 MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING BIJ RAPPORT

Nadere informatie

NIEUWEGEIN DORSVLEGELWEIDE 4, NEN 2580 MEETRAPPORT. In opdracht van: Opgenomen door: Geproduceerd door:

NIEUWEGEIN DORSVLEGELWEIDE 4, NEN 2580 MEETRAPPORT. In opdracht van: Opgenomen door: Geproduceerd door: 1 DORSVLEGELWEIDE 4, NIEUWEGEIN NEN 2580 MEETRAPPORT Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen. Termen, definities en bepalings-methoden,

Nadere informatie

OPNAMEFORMULIER MAATWERKADVIES. 1. Algemene projectgegevens Projectnaam: Kenmerk:

OPNAMEFORMULIER MAATWERKADVIES. 1. Algemene projectgegevens Projectnaam: Kenmerk: OPNAMEFORMULIER MAATWERKADVIES 1. Algemene projectgegevens Projectnaam: Kenmerk: Adres: Postcode: : Klantnaam: Contactpersoon: Datum bezoek: Naam EPA-organisatie: Naam EPA-adviseur: Huisnummer: Eigendomssituatie:

Nadere informatie

NEN 2580 Meetrapport

NEN 2580 Meetrapport NEN 2580 Meetrapport Object Woning Adres Boksbergenstraat 7-2 Postcode, plaats 6825 BB Arnhem Opdrachtgever Puntman Makelaardij Datum Meetrapport 06-02-2018 Certificaatnummer 100510 Inhoud MEETCERTIFICAAT

Nadere informatie

NEN 2580 meetcertificaat

NEN 2580 meetcertificaat NEN 2580 meetcertificaat Project: Raadhuisstraat 4 - Dirkshorn Opdrachtgever: Van de Giesen Makelaars 2 augustus 2018 NEN 2580 meetcertificaat L. Bijhouwer Inhoudsopgave Pagina 1 MEETCERTIFICAAT 3 2 TERMEN

Nadere informatie

Object. Adres De Moerasorchidee 2 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning HN Zwartsluis

Object. Adres De Moerasorchidee 2 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning HN Zwartsluis Object Woning Adres De Moerasorchidee 2 Postcode, plaats 8064 HN Zwartsluis Opdrachtgever Bert Leistra ERA Makelaardij Datum Meetrapport 27-02-2017 Certificaatnummer 65409 MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING

Nadere informatie

Object. Adres Mr.P.J. Troelstraweg 178, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer

Object. Adres Mr.P.J. Troelstraweg 178, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Object Woning Adres Mr.P.J. Troelstraweg 178, Postcode, plaats 8919 AD Leeuwarden Opdrachtgever Popma BarteldBoerma Makelaars Datum Meetrapport 25-08-2017 Certificaatnummer 83437 MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING

Nadere informatie

NEN 2580 MEETRAPPORT. NEN 2580 Meetrapport OBJECT: ADRES POSTCODE, PLAATS OPDRACHTGEVER DATUM MEETRAPPORT CERTIFICAATNUMMER

NEN 2580 MEETRAPPORT. NEN 2580 Meetrapport OBJECT: ADRES POSTCODE, PLAATS OPDRACHTGEVER DATUM MEETRAPPORT CERTIFICAATNUMMER NEN 2580 MEETRAPPORT OBJECT: ADRES POSTCODE, PLAATS OPDRACHTGEVER DATUM MEETRAPPORT CERTIFICAATNUMMER WONING Prins Hendrikkade 107 III 1011AJ, Amsterdam Makelaarsgroep Ameo 622017 11 INHOUND MEETCERTIFICAAT...

Nadere informatie

Object. Adres Franekerstraat 16, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning. 8913AN, Leeuwarden

Object. Adres Franekerstraat 16, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer Woning. 8913AN, Leeuwarden Object Woning Adres Franekerstraat 16, Postcode, plaats 8913AN, Leeuwarden Opdrachtgever Popma BarteldBoerma Makelaars Datum Meetrapport 10-10-2016 Certificaatnummer 52934 MEETCERTIFICAAT 3 TOELICHTING

Nadere informatie

MEETRAPPORT DE BEELDENMAKERS

MEETRAPPORT DE BEELDENMAKERS MEETRAPPORT DE BEELDENMAKERS Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalingsmethoden, inclusief het

Nadere informatie

Concepten EPC 0.4. Bouwkundige uitgangspunten

Concepten EPC 0.4. Bouwkundige uitgangspunten Concepten EPC 0.4 Om een EPC 0.4 te realiseren voor de referentiewoningen zijn er verschillende concepten ontwikkeld die onderling verschillen op de wijze van ventileren en verwarmen. Aan de basis van

Nadere informatie

ISSO publicatie 82.2 aangepast 2014. Hoofdstuk 5 ISSO publicatie 82.2

ISSO publicatie 82.2 aangepast 2014. Hoofdstuk 5 ISSO publicatie 82.2 ISSO publicatie 82.2 aangepast 2014 Hoofdstuk 5 ISSO publicatie 82.2 5 Het EPA-maatwerkadviesrapport Het eindresultaat van het adviesproces moet men uiteindelijk vastleggen in een adviesrapport dat met

Nadere informatie

energielabel Afgegeven conform de Regeling energieprestatie gebouwen.

energielabel Afgegeven conform de Regeling energieprestatie gebouwen. Energieprestatiecertificaat energielabel Bestaande bouw Woning/Woongebouw Afgegeven conform de Regeling energieprestatie gebouwen. Energieklasse zeer energie zuinig A B A ++

Nadere informatie

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres Panheelstraat 5 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres Panheelstraat 5 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer NEN 2580 Meetrapport Object Woning Adres Panheelstraat 5 Postcode, plaats 6845 MC Arnhem Opdrachtgever Puntman Makelaardij Datum Meetrapport 20-09-2018 Certificaatnummer 127145 Inhoud MEETCERTIFICAAT 3

Nadere informatie

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres Mathaakveld 16, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres Mathaakveld 16, Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer NEN 2580 Meetrapport Object Woning Adres Mathaakveld 16, Postcode, plaats 3993 SR Houten Opdrachtgever Hiele en Dalsem Makelaardij Datum Meetrapport 16-04-2019 Certificaatnummer 150805 Inhoud Meetcertificaat

Nadere informatie

NEN2580 meting. Terheijdenseweg 350 Breda

NEN2580 meting. Terheijdenseweg 350 Breda NEN2580 meting Terheijdenseweg 350 Breda Huijbregts Vastgoedbeheer stelt meetrapporten op volgens de door NEN uitgegeven NTA 2581:2011. Uitvoering oppervlaktemeting geschied volgens NEN2580. Inhoud 01.

Nadere informatie

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres It Sinderlan 18 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer

NEN 2580 Meetrapport. Object. Adres It Sinderlan 18 Postcode, plaats. Opdrachtgever. Datum Meetrapport Certificaatnummer NEN 2580 Meetrapport Object Woning Adres It Sinderlan 18 Postcode, plaats 8927 AK Leeuwarden Opdrachtgever Popma BarteldBoerma Makelaars Datum Meetrapport 16-07-2018 Certificaatnummer 120621 Inhoud MEETCERTIFICAAT

Nadere informatie

Woning Lantsheer & Koning makelaars O.G. Schipperstraat 16 1234 AB Eindhoven. Op locatie gecontroleerd en ingemeten

Woning Lantsheer & Koning makelaars O.G. Schipperstraat 16 1234 AB Eindhoven. Op locatie gecontroleerd en ingemeten Adres Centrumlaan 321 Postcode, plaats 1234 AB, Eindhoven Object type Opdrachtgever Woning Lantsheer & Koning makelaars O.G. Schipperstraat 16 1234 AB Eindhoven Datum meetopname 28 augustus 2015 Datum

Nadere informatie

Woning Adres Muntkade 8A - 3 Postcode/Plaats 3531 AK Utrecht. Definitief. Object type

Woning Adres Muntkade 8A - 3 Postcode/Plaats 3531 AK Utrecht. Definitief. Object type Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief het correctieblad NEN 2580:2007/C1:2008.

Nadere informatie

Intakeformulier Professionele Woningbeheerder. EPA - Intake formulier. Professionele Woningbeheerder

Intakeformulier Professionele Woningbeheerder. EPA - Intake formulier. Professionele Woningbeheerder Bijlage 2A: Intakeformulier Professionele Woningbeheerder EPA - Intake formulier Kenmerk: Professionele Woningbeheerder Invulinstructie: = tekst of werkelijke waarde invullen = aankruisen indien van toepassing

Nadere informatie

Opdrachtgever Thuis in Vastgoed Meetcertificaat Type A Op locatie gecontroleerd en. Postcode / Plaats 1019 NM Amsterdam Status Definitief

Opdrachtgever Thuis in Vastgoed Meetcertificaat Type A Op locatie gecontroleerd en. Postcode / Plaats 1019 NM Amsterdam Status Definitief Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief het correctieblad NEN 2580:2007/C1:2008.

Nadere informatie

opdrachtgever Status Definitief Object type Adres Biltseweg 7 Postcode/Plaats 3735 MA Bosch en Duin

opdrachtgever Status Definitief Object type Adres Biltseweg 7 Postcode/Plaats 3735 MA Bosch en Duin N E N 25 80 M E E T R A P P O R T Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief

Nadere informatie

Definitief. Stenfert Makelaars Lambartus van Ingenstraat 1A 4051 BR Ochten. Object type Adres Kersengaard 9 Postcode/Plaats 4033JE Lienden

Definitief. Stenfert Makelaars Lambartus van Ingenstraat 1A 4051 BR Ochten. Object type Adres Kersengaard 9 Postcode/Plaats 4033JE Lienden Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief het correctieblad NEN 2580:2007/C1:2008.

Nadere informatie

Nieuwe Ridderstraat 51 te Amsterdam

Nieuwe Ridderstraat 51 te Amsterdam 1 NEN2580 Meetcertificaat PROJECT: BEHANDELD DOOR: Formwise tekenburo Reyer Anslostraat 9-I 1054KT Amsterdam 020-6898425 DATUM: 8 mei 2015 STATUS: Definitief OPDRACHTGEVER: Buro Amsterdam BV Keizersgracht

Nadere informatie

N E N 2580 M E E T R A P P O R T

N E N 2580 M E E T R A P P O R T Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:200 7 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief het correctieblad NEN 2580:2007/C1:2008.

Nadere informatie

Berekend en gecontroleerd vanaf bronbestanden

Berekend en gecontroleerd vanaf bronbestanden Adres Klokjesbloemlaan 148 Postcode, plaats 3452 BH, Vleuten Object type Opdrachtgever Woning Aprilmakelaars Vedergraslaan 3 3452 CP Vleuten Datum meetopname - Datum meetrapport 3 september 2015 Meetstaat

Nadere informatie

appartementwoningen E/E = 0.887

appartementwoningen E/E = 0.887 Algemene gegevens Bestandsnaam : P:\BA8963\WORKSD~1\REFERE~1\OPGELE~1\AFROND~1\RESULT~1\EMG&BE~1\EMG\APPA... Projectomschrijving : appartementwoningen Omschrijving bouwwerk : AgentschapNL referentiewoningen

Nadere informatie

Overzicht interpretatie- en wijzigingsbesluiten CCvD BRL9500 Energieprestatieadvisering (inclusief ISSO-publicaties) versie 26 januari 2015

Overzicht interpretatie- en wijzigingsbesluiten CCvD BRL9500 Energieprestatieadvisering (inclusief ISSO-publicaties) versie 26 januari 2015 Overzicht interpretatie- en wijzigingsbesluiten CCvD BRL9500 Energieprestatieadvisering (inclusief ISSO-publicaties) versie 26 januari 2015 Beoordelingsrichtlijn / deel Oorspronkelijk document BRL9500-00

Nadere informatie

Nieuwe Ridderstraat 45 te Amsterdam

Nieuwe Ridderstraat 45 te Amsterdam 1 NEN2580 Meetcertificaat PROJECT: BEHANDELD DOOR: Formwise tekenburo Reyer Anslostraat 9-I 1054KT Amsterdam 020-6898425 DATUM: 8 mei 2015 STATUS: Definitief OPDRACHTGEVER: Buro Amsterdam BV Keizersgracht

Nadere informatie

MEETRAPPORT. NEN 2580 gecertificeerd. Certificaatnummer: L Conform de branchebrede meetinstructie op basis van de NEN 2580 normering

MEETRAPPORT. NEN 2580 gecertificeerd. Certificaatnummer: L Conform de branchebrede meetinstructie op basis van de NEN 2580 normering MEETRAPPORT NEN 2580 gecertificeerd Certificaatnummer: L1602115 Conform de branchebrede meetinstructie op basis van de NEN 2580 normering Grintbank 8 Laren Toelichting op het meetrapport 123 Meten heeft

Nadere informatie

Handleiding bij opnamelijst WoON Energie Behorende bij Opnameformulier met naamgeving Opname Energie Woon Versie

Handleiding bij opnamelijst WoON Energie Behorende bij Opnameformulier met naamgeving Opname Energie Woon Versie Handleiding bij opnamelijst WoON Energie 2018 22-09-2017 Behorende bij Opnameformulier met naamgeving Opname Energie Woon2018 - Versie 2017-09-22.xlsm Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Algemene projectgegevens...

Nadere informatie

Nieuwe Jonkerstraat 58 te Amsterdam

Nieuwe Jonkerstraat 58 te Amsterdam 1 NEN2580 Meetcertificaat PROJECT: BEHANDELD DOOR: Formwise tekenburo Reyer Anslostraat 9-I 1054KT Amsterdam 020-6898425 DATUM: 8 mei 2015 STATUS: Definitief OPDRACHTGEVER: Buro Amsterdam BV Keizersgracht

Nadere informatie

Meetrapport Conform de Meetinstructie Gebruiksoppervlakte woningen en Meetinstructie Bruto inhoud woningen op basis van de NEN2580.

Meetrapport Conform de Meetinstructie Gebruiksoppervlakte woningen en Meetinstructie Bruto inhoud woningen op basis van de NEN2580. Meetrapport Conform de Meetinstructie Gebruiksoppervlakte woningen en Meetinstructie Bruto inhoud woningen op basis van de NEN2580. Samenvatting meetrapport Object gegevens Adres: Broekstraat 108 te Nijmegen

Nadere informatie

Meetrapport Gemeten conform NVM Meetinstructies op basis van de NEN2580

Meetrapport Gemeten conform NVM Meetinstructies op basis van de NEN2580 Meetrapport Gemeten conform NVM Meetinstructies op basis van de NEN2580 Spitsbergen 14 1339 SL Almere Sas Makelaars Postbus 16 1000 AA Amsterdam Maylan - Vastgoedfotografie [email protected] Maylan - Vastgoedfotografie

Nadere informatie

Toets 2 Casus Open vragen

Toets 2 Casus Open vragen Examen Energieprestatiecertificaat Toets 2 Casus Open vragen Lees zorgvuldig onderstaande informatie Dit examen bestaat uit een casus en een opnameformulier. Met behulp van foto s en plattegronden neemt

Nadere informatie

B (zie toelichting in bijlage)

B (zie toelichting in bijlage) Energielabel woning Afgegeven conform de Regeling energieprestatie gebouwen. Veel besparingsmogelijkheden B (zie toelichting in bijlage) Uw woning Weinig besparingsmogelijkheden Labelklasse maakt vergelijking

Nadere informatie

NEN2580 MEETRAPPORT. Pylsstraatje AK Weert. Onzelievevrouwestraat AC Weert

NEN2580 MEETRAPPORT. Pylsstraatje AK Weert. Onzelievevrouwestraat AC Weert NEN2580 MEETRAPPORT Pylsstraatje 4 6004 AK Weert Object type: Woning Datum Meetopname: 23 juli 2015 Opdrachtgever: Saelmans makelaardij Datum Meetrapport: 24 juli 2015 Onzelievevrouwestraat 1 Meetstaat

Nadere informatie

NEN 2580 MEETRAPPORT. KNSM-Laan 701-I, Amsterdam. Datum meetrapport 6 april 2018 NEN 2580 MEETRAPPORT

NEN 2580 MEETRAPPORT. KNSM-Laan 701-I, Amsterdam. Datum meetrapport 6 april 2018 NEN 2580 MEETRAPPORT KNSM-Laan 701-I, Amsterdam Object Woning Datum meetrapport 6 april 2018 Opdrachtgever RET Makelaars 1 MEETCERTIFICAAT In opdracht van RET Makelaars is dit NEN2580 meetrapport opgesteld conform de NTA 2581:2011

Nadere informatie

Definitief. Vlieg Makelaars OG Jan Oldenburglaan 16A 1861 JT Bergen. Object type Adres Postweg 4 Postcode/Plaats 1871 AA Schoorl

Definitief. Vlieg Makelaars OG Jan Oldenburglaan 16A 1861 JT Bergen. Object type Adres Postweg 4 Postcode/Plaats 1871 AA Schoorl N E N 2580 M E E T R A P P O R T Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief

Nadere informatie

Voorbeeldtoets Energieprestatie Energiezuinige woningen Toets 1: Meerkeuzevragen

Voorbeeldtoets Energieprestatie Energiezuinige woningen Toets 1: Meerkeuzevragen Voorbeeldtoets Energieprestatie Energiezuinige woningen Toets 1: Meerkeuzevragen Lees zorgvuldig onderstaande informatie Het examen bestaat uit 40 meerkeuzevragen. Deze voorbeeldtoets bestaat uit 20 vragen.

Nadere informatie

N E N 2580 M E E T R A P P O R T

N E N 2580 M E E T R A P P O R T Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief het correctieblad NEN 2580:2007/C1:2008.

Nadere informatie

N E N 2580 M E E T R A P P O R T

N E N 2580 M E E T R A P P O R T N E N 2580 M E E T R A P P O R T Conform de branchebrede NVM cs meetinstructies op basis van de NEN 2580:2007 NL, Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen, definities en bepalings-methoden, inclusief

Nadere informatie

Eindtermen en toetsmatrijs: examen energieprestatiecertificaat bestaande utiliteitsbouw

Eindtermen en toetsmatrijs: examen energieprestatiecertificaat bestaande utiliteitsbouw Eindtermen en toetsmatrijs: examen energieprestatiecertificaat bestaande utiliteitsbouw Vastgesteld door de EPA-examencommissie en goedgekeurd door het CCvD van de Stichting Kwaliteitsborging Installatiesector

Nadere informatie

metselwerk N 23.80 5.00 90 minimaal ramen N 9.20 1.00 90 0.60 geen minimaal

metselwerk N 23.80 5.00 90 minimaal ramen N 9.20 1.00 90 0.60 geen minimaal Algemene gegevens Bestandsnaam : P:\BA8963\Worksdocs offerte 5 EPC aanscherpingsmethodiek\referentiewoningen\opgeleverde stukken\afronding juli 2013\resultaten EMG BENG\EMG & BENG resultaten\beng\appartementen\appartement

Nadere informatie

Energieprestatie woningen

Energieprestatie woningen ISSO publicatie 82.5 Energieprestatie woningen Opnameprotocol netto warmtevraag zeer energiezuinige woningen Stichting ISSO Rotterdam, juni 2016 Versie 1.7 Opnameprotocol netto warmtevraag zeer energiezuinige

Nadere informatie

Hoofdstuk 7 Representatieve woningen

Hoofdstuk 7 Representatieve woningen Hoofdstuk 7 Representatieve woningen 1 ISSO 821 methode 2014 2 7 Representatieve woningen Een Energieprestatiecertificaat ten behoeve van het WWS mag op basis van een al eerder verstrekt Energieprestatiecertificaat

Nadere informatie

CONCEPT HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL WONINGEN 82.1- ENERGIELABEL NIEUWBOUW

CONCEPT HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL WONINGEN 82.1- ENERGIELABEL NIEUWBOUW CONCEPT HOOFDSTUK 8 OPNAMEPROTOCOL WONINGEN 82.1- ENERGIELABEL NIEUWBOUW Stichting ISSO Rotterdam, maart 2012 Versie 2.6 (bijgewerkt n.a.v. pilots en ontvangen commentaren werkgroep) 2 INHOUDSOPGAVE Concept

Nadere informatie