Rolnummer Arrest nr. 75/2000 van 21 juni 2000 A R R E S T
|
|
|
- Nathan Kuiper
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Rolnummer 1618 Arrest nr. 75/2000 van 21 juni 2000 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23, 1, 3, 28, 49 en 53, 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters H. Boel, L. François, R. Henneuse, M. Bossuyt en E. De Groot, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : * * *
2 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 6 januari 1999 in zake P. Van Malder en R. Schietecatte tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 11 februari 1999, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : «Schendt het Wetboek van de inkomstenbelastingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de lasten en uitgaven die veroorzaakt zijn door een vroegere beroepswerkzaamheid maar na de stopzetting daarvan worden gedragen, volgens de artikelen 49 en 53, 1, van het W.I.B. 92 niet aftrekbaar zijn, terwijl de artikelen 23, 1, 3, en 28 van het W.I.B. 92 als belastbare beroepsinkomsten beschouwen de inkomsten die voortvloeien uit een vorige beroepswerkzaamheid maar na de stopzetting daarvan werden verkregen?» II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De voornoemde partijen Van Malder en Schietecatte betwis ten voor de verwijzende rechter de beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Namen, waarbij laatstgenoemde, bij wie de genoemde partijen een bezwaar hebben ingediend, de niet aftrekbaarheid bevestigt van interesten die zijn betaald na de stopzetting van de beroepswerkzaamheid als zelfstandige van R. Schietecatte. De verwijzende rechter stelt de hiervoor vermelde vraag, na in de motieven te hebben opgemerkt dat «wat de inkomsten en lasten betreft die verband houden met een vroegere beroepswerkzaamheid, de fiscale wetgever de eerste wel belast maar de tweede niet ontheft» en dat bijgevolg «er terzake een probleem van discriminatie is». III. De rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van 11 februari 1999 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen. Van de verwijzingsbeslissing is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 3 maart 1999 ter post aangetekende brieven. Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 maart Bij beschikking van 20 april 1999 heeft de voorzitter in functie, op verzoek van P. Van Malder en R. Schietecatte van 19 april 1999, de termijn voor het indienen van een memorie verlengd met vijftien dagen. Van die beschikking is kennisgegeven aan P. Van Malder en R. Schietecatte bij op 20 april 1999 ter post aangetekende brief. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 16 april 1999 ter post aangetekende brief; - P. Van Malder en R. Schietecatte, samenwonende te 5060 Sambreville, rue de Falisolle 145, bij op 3 mei 1999 ter post aangetekende brief.
3 3 Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 12 mei 1999 ter post aangetekende brieven. P. Van Malder en R. Schietecatte hebben een memorie van antwoord ingediend bij op 14 juni 1999 ter post aangetekende brief. Bij beschikkingen van 29 juni 1999 en 27 januari 2000 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 11 februari 2000 en 11 augustus Bij beschikking van 7 maart 2000 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 29 maart Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 9 maart 2000 ter post aangetekende brieven. Op de openbare terechtzitting van 29 maart 2000 : - zijn verschenen :. Mr. N. Deprez, advocaat bij de balie te Charleroi, voor P. Van Malder en R. Schietecatte;. Mr. S. Van Eyll loco Mr. M. Firket, advocaten bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof. IV. In rechte Standpunt van de Ministerraad - A A.1. In hoofdorde is de Minis terraad van mening dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, aangezien zij in werkelijkheid aan het Hof de opportuniteit of het oordeelkundige karakter van de beoogde bepalingen voorlegt, een problematiek die de bevoegdheid van het Hof overschrijdt. Er wordt immers onder de belastingplichtigen geen enkel verschil in behandeling gemaakt door de in geding zijnde bepalingen, aangezien die van toepassing zijn op al diegenen die, na beëindiging van een beroepsactiviteit, inkomsten innen of lasten dragen die verbonden zijn met de vroegere beroepswerkzaamheid. A.2. Ten gronde, in ondergeschikte orde, preciseert de Ministerraad in de eerste plaats de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen. Hij nuanceert de prejudiciële vraag in zoverre «de lasten en uitgaven vereist door een vroegere beroepswerkzaamheid maar gedragen na de beëindiging van die werkzaamheid» kunnen worden afgetrokken krachtens de artikelen 49 en 53, 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, voor zover ze beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 23, 2, 1, en 49 van hetzelfde Wetboek, met name voor zover ze gedaan of gedragen zijn teneinde de belastbare inkomsten van de in het geding zijnde werkzaamheid te verkrijgen of te behouden. Hij zet vervolgens het cassatiearrest van 27 oktober 1983 uiteen waarin is beslist dat «de lasten en uitgaven, zoals de afschrijvingen en de rente voor leningen, gedragen na de stopzetting van de beroepsactiviteit, niet kunnen worden afgetrokken als bedrijfslasten».
4 4 A.3.1. De Ministerraad verantwoordt vervolgens het in het geding zijnde wettelijke stelsel. Hoewel de bestemming van geleend kapitaal voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid wel degelijk een relevant criterium vormt om de professionele of niet-professionele aard van de leningsinterest vast te stellen waarvan de aftrek als beroepskosten wordt gevorderd, is de beëindiging van de beroepswerkzaamheid ook een relevant criterium om de professionele of niet-professionele aard vast te stellen van de interesten die zijn betaald voor een lening die oorspronkelijk was aangegaan ten voordele van het bedrijf. Met de beëindiging van de beroepswerkzaamheid, verliezen tegoeden zoals het voor die werkzaamheid bestemde geleende kapitaal hun professionele bestemming, zodat de met die leningen verbonden rente eveneens hun aard van beroepskosten verliezen. A.3.2 Volgens de Ministerraad doet het feit dat de aftrek als beroepskosten wordt toegestaan voor vervallen rente na de beëindiging van de beroepswerkzaamheid twee problemen rijzen. Enerzijds, roept dat een discriminatie in het leven ten nadele van de houders van een lening die vanaf het begin is aangegaan voor privédoeleinden. Anderzijds, dreigt die aftrek de belastingplichtigen die op het punt staan hun activiteit als zelfstandige te beëindigen om een activiteit in loondienst uit te oefenen, ertoe aan te zetten om vervolgens een lening aan te gaan waarvan zij dan de rente als beroepskosten zouden kunnen aftrekken tijdens de gehele duur van hun werkzaamheid als loontrekkende. A.3.3. De Ministerraad differentieert ten slotte de kwestie van de beroepskosten en die van het verlies of de minderwaarde die voortvloeit uit de tegeldemaking van een vermogensbestanddeel, die daadwerkelijk aftrekbaar zijn, maar niet als beroepskosten. Standpunt van de partijen P. Van Malder en R. Schietecatte A.4.1. Volgens die partijen roepen de artikelen 49 en 53, 1, van het Wetboek van de inkomensbelastingen 1992 «een discriminatie in het leven onder de personen die een beroepswerkzaamheid hebben stopgezet, in zoverre het verlengde van een beroepswerkzaamheid als beroepsgebonden of nietberoepsgebonden worden beschouwd, naargelang het gaat om baten of lasten in verband met die eerder uitgeoefende activiteit». A.4.2. Diezelfde partijen voeren tevens aan dat er te dezen een identieke behandeling is van objectief verschillende situaties, wat niet verantwoord zou zijn. Ten aanzien van belastingplichtigen die, na de beëindiging van hun beroepswerkzaamheid, daaruit voortvloeiende inkomsten innen, worden die inkomsten immers belast als beroepsinkomsten, wat tevens het geval is voor de belastingplichtigen die, naast het innen van dergelijke inkomsten, lasten blijven betalen, die met die voordien uitgeoefende activiteit verbonden zijn, lasten waarvan het beroepsgebonden karakter wordt afgewezen. Volgens de memorie «zullen die beide categorieën van belastingplichtigen dus op dezelfde wijze worden belast terwijl hun [beroeps]situatie objectief verschillend is, aangezien de inkomsten als beroepsgebonden inkomsten worden beschouwd en de lasten als private lasten». A.5. Voor de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter die verwijzen naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 18 september dient men, om het beroepsgebonden karakter van de uitgave te beoordelen, uit te gaan van de dag waarop de verplichting is aangegaan en niet van de dag van de uitvoering ervan. Volgens de memorie heeft het weinig belang of het om de terugbetaling van kapitaal of rente gaat, aangezien het geïnvesteerde kapitaal ook een beroepsuitgave vormt, in zoverre het is aangewend als niet terugvorderbaar zonder dat de investering het mogelijk maakt een vermogensbestanddeel te verwerven als tegenprestatie naar aanleiding van de stopzetting van de handelszaak.
5 5 - B De in het geding zijnde bepalingen B.1. De verwijzende rechter stelt, in de hiervoor uiteengezette bewoordingen, aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de artikelen 23, 1, 3, 28, 49 en 53, 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (afgekort W.I.B. 1992) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 23, 1, 3, van het W.I.B bepaalt : «Art Beroepsinkomsten zijn inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle aard, met name : [ ] 3 winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid; [ ]». Artikel 28 van hetzelfde Wetboek bepaalt : «Art. 28. Winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid die de verkrijger of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is voorheen heeft uitgeoefend, zijn : 1 inkomsten die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt; 2 inkomsten die worden verkregen of vastgesteld na de stopzetting en voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid; 3 de vergoedingen van alle aard die na de stopzetting zijn verkregen : a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de werkzaamheid, van de winst of van de baten tot gevolg heeft of zou kunnen hebben, met uitzondering van de vergoedingen ontvangen naar aanleiding van het vrijmaken van referentiehoeveelheden overeenkomstig artikel 15 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1996 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten; b) of tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of van baten.
6 6 Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid volledig en definitief worden stopgezet.» Bovendien bepaalt artikel 49 van hetzelfde Wetboek : «Art. 49. Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten, die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.» Ten slotte bepaalt artikel 53, 1, van hetzelfde Wetboek : «Als beroepskosten worden niet aangemerkt : 1 uitgaven van persoonlijke aard, zoals de huurprijs en de huurlasten van onroerende goederen of gedeelten daarvan die tot woning dienen, de onderhoudskosten van het gezin, de kosten van onderwijs of opvoeding en alle andere uitgaven die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid niet noodzakelijk zijn; [ ]». Ten gronde B.2. Luidens de bewoordingen van artikel 49 van het W.I.B worden als beroepskosten aangemerkt «de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden»; bovendien ontzegt artikel 53, 1, van hetzelfde Wetboek het karakter van beroepskosten aan de uitgaven met een persoonlijk karakter en aan die welke «voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid niet noodzakelijk zijn». Zoals bevestigd door de rechtspraak waarnaar de verwijzende rechter verwijst, zouden de lasten en uitgaven die noodzakelijk zijn voor een eerdere beroepswerkzaamheid met name de interesten van leningen die zijn aangegaan ten behoeve van het genoemde beroep maar die na de stopzetting worden gedragen, niet aftrekbaar zijn volgens het voormelde artikel 49.
7 7 Zoals blijkt uit het arrest waarbij de prejudiciële vraag wordt gesteld, zijn de lasten en uitgaven in verband met bestanddelen die, naar aanleiding van de stopzetting van de beroepsactiviteit, een niet professionele bestemming hebben verkregen, niet in het geding. Een verschil in behandeling wordt aldus gemaakt tussen de belastingplichtigen ten aanzien van inkomsten die in artikel 23 van het W.I.B beroepsinkomsten worden genoemd : diegenen die hun beroepswerkzaamheid nog uitoefenen kunnen de daartoe noodzakelijke lasten en uitgaven aftrekken in tegenstelling tot diegenen die, na de stopzetting van hun beroepswerkzaamheid, de lasten en uitgaven van dezelfde aard dragen. B.3. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4. De Ministerraad toont niet aan, de parlementaire voorbereiding van de opeenvolgende wetgevingen die aan de oorsprong liggen van het in het geding zijnde artikel 49 (inzonderheid de wet van 29 oktober 1919, het besluit van de Regent van 15 januari 1948, de wetten van 20 november 1962 en 25 juni 1973) doen evenmin blijken en het Hof ziet niet in, welke verantwoording er zou zijn voor het in het geding zijnde verschil in behandeling. Hoewel het verschil op een objectief criterium berust de stopzetting van de beroepswerkzaamheid leidt het immers ertoe het voordeel van artikel 49 te ontzeggen aan de belastingplichtigen wier kosten, die als beroepskosten zijn erkend tijdens de uitoefening van hun beroep, voortduren na de stopzetting van die activiteit, terwijl die kosten, zoals de tijdens de beroepswerkzaamheid gemaakte beroepskosten, enkel zijn gemaakt teneinde die beroepswerkzaamheid te kunnen uitoefenen; de artikelen 23, 1, 1 tot 3, en 28, 2, beschouwen evenwel als beroepsinkomsten zowel de winst en de baten die voortvloeien uit een aan de gang zijnde beroepswerkzaamheid als die welke voortvloeien uit een
8 8 beroepswerkzaamheid die desalniettemin is stopgezet; daaruit volgt dat het karakter van beroepsinkomsten van de winst en de baten die voortvloeien uit een vroegere beroepswerkzaamheid geenszins wordt geraakt door de stopzetting daarvan. Zowel de geïnde inkomsten als de lasten gedragen na de stopzetting van een beroepswerkzaamheid hebben, ondanks die stopzetting, gemeen dat de oorzaak ervan de vroegere uitoefening van die activiteit is, bij ontstentenis waarvan die inkomsten en lasten niet zouden hebben bestaan. Hoewel het tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever behoort te beslissen of de gevolgen van een beroepsactiviteit die voortduren na de stopzetting ervan al dan niet een professioneel karakter behouden, is het echter niet verantwoord dat, onder die gevolgen, de inkomsten wel en de lasten en uitgaven niet in aanmerking worden genomen. B.5. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.
9 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 49 en 53, 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de lasten en de uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting daarvan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 juni De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior
Rolnummer 5091. Arrest nr. 190/2011 van 15 december 2011 A R R E S T
Rolnummer 5091 Arrest nr. 190/2011 van 15 december 2011 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 49 en 53, 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door
Rolnummer 1448. Arrest nr. 10/2000 van 2 februari 2000 A R R E S T
Rolnummer 1448 Arrest nr. 10/2000 van 2 februari 2000 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 51, 1, 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik.
Rolnummer 2151 Arrest nr. 119/2002 van 3 juli 2002 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof,
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.
Rolnummer 2287 Arrest nr. 163/2001 van 19 december 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof,
Rolnummer 3630. Arrest nr. 174/2005 van 30 november 2005 A R R E S T
Rolnummer 3630 Arrest nr. 174/2005 van 30 november 2005 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 320, 4, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 135, 3, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent.
Rolnummer 1924 Arrest nr. 81/2001 van 13 juni 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 135, 3, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het
Rolnummer Arrest nr. 33/99 van 17 maart 1999 A R R E S T
Rolnummer 1294 Arrest nr. 33/99 van 17 maart 1999 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 419, eerste lid, 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank
Rolnummer 618. Arrest nr. 65/94 van 14 juli 1994 A R R E S T
Rolnummer 618 Arrest nr. 65/94 van 14 juli 1994 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 335, 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg
Rolnummer 1041. Arrest nr. 67/97 van 6 november 1997 A R R E S T
Rolnummer 1041 Arrest nr. 67/97 van 6 november 1997 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 370, 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Jeugdrechtbank te Luik.
Rolnummer 2005. Arrest nr. 121/2001 van 10 oktober 2001 A R R E S T
Rolnummer 2005 Arrest nr. 121/2001 van 10 oktober 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen.
Rolnummer 2268 Arrest nr. 29/2002 van 30 januari 2002 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Het Arbitragehof,
Rolnummer Arrest nr. 84/2007 van 7 juni 2007 A R R E S T
Rolnummer 4100 Arrest nr. 84/2007 van 7 juni 2007 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12, 1, en 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof
Rolnummer 1602. Arrest nr. 6/2000 van 19 januari 2000 A R R E S T
Rolnummer 1602 Arrest nr. 6/2000 van 19 januari 2000 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 38 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door de Arbeidsrechtbank te
Rolnummer 4418. Arrest nr. 12/2009 van 21 januari 2009 A R R E S T
Rolnummer 4418 Arrest nr. 12/2009 van 21 januari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 301, 2, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7 van
Rolnummer 786. Arrest nr. 14/95 van 7 februari 1995 A R R E S T
Rolnummer 786 Arrest nr. 14/95 van 7 februari 1995 A R R E S T In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 145, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent.
Rolnummer 2499 Arrest nr. 20/2003 van 30 januari 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 145, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent.
Rolnummer 4792. Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T
Rolnummer 4792 Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 4, 2, en 6, 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rolnummer 2847. Arrest nr. 57/2004 van 24 maart 2004 A R R E S T
Rolnummer 2847 Arrest nr. 57/2004 van 24 maart 2004 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 394 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de
Rolnummer 2138. Arrest nr. 118/2002 van 3 juli 2002 A R R E S T
Rolnummer 2138 Arrest nr. 118/2002 van 3 juli 2002 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 115bis van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals ingevoegd bij de
Rolnummer 3958. Arrest nr. 13/2007 van 17 januari 2007 A R R E S T
Rolnummer 3958 Arrest nr. 13/2007 van 17 januari 2007 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen.
Rolnummer 1121. Arrest nr. 82/98 van 7 juli 1998 A R R E S T
Rolnummer 1121 Arrest nr. 82/98 van 7 juli 1998 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, 3, - hoofdstuk II «Toepassing van de verzekering tegen werkloosheid, de ziekteverzekering
Rolnummer 3739. Arrest nr. 79/2006 van 17 mei 2006 A R R E S T
Rolnummer 3739 Arrest nr. 79/2006 van 17 mei 2006 A R R E S T In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 413bis tot 413octies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij
Rolnummer Arrest nr. 172/2009 van 29 oktober 2009 A R R E S T
Rolnummer 4725 Arrest nr. 172/2009 van 29 oktober 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel
Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T
Rolnummer 2485 Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door
Rolnummer 2248. Arrest nr. 18/2002 van 17 januari 2002 A R R E S T
Rolnummer 2248 Arrest nr. 18/2002 van 17 januari 2002 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 24 en 25 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst
Rolnummer 4255. Arrest nr. 9/2008 van 17 januari 2008 A R R E S T
Rolnummer 4255 Arrest nr. 9/2008 van 17 januari 2008 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen bij artikel 29 van de wet
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door het Arbeidshof te Gent.
Rolnummer 2926 Arrest nr. 186/2004 van 16 november 2004 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door het Arbeidshof te Gent. Het Arbitragehof,
Rolnummer 5726. Arrest nr. 135/2014 van 25 september 2014 A R R E S T
Rolnummer 5726 Arrest nr. 135/2014 van 25 september 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd
Rolnummer Arrest nr. 55/2015 van 7 mei 2015 A R R E S T
Rolnummer 5847 Arrest nr. 55/2015 van 7 mei 2015 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 347-2 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het
Rolnummer 1969. Arrest nr. 139/2001 van 6 november 2001 A R R E S T
Rolnummer 1969 Arrest nr. 139/2001 van 6 november 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 15, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering
Rolnummer 1027. Arrest nr. 56/97 van 9 oktober 1997 A R R E S T
Rolnummer 1027 Arrest nr. 56/97 van 9 oktober 1997 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 56bis, 2, van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd bij het
A R R E S T. samengesteld uit voorzitter M. Melchior en de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot, bijgestaan door de griffier L.
Rolnummer 2235 Arrest nr. 158/2001 van 11 december 2001 A R R E S T In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 41 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden
A R R E S T. samengesteld uit voorzitter F. Debaedts en de rechters-verslaggevers L.P. Suetens en P. Martens, bijgestaan door de griffier L.
Rolnummer 520 Arrest nr. 31/93 van 1 april 1993 A R R E S T In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 12 juni 1992 tot bekrachtiging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
Rolnummer 1058. Arrest nr. 20/98 van 18 februari 1998 A R R E S T
Rolnummer 1058 Arrest nr. 20/98 van 18 februari 1998 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 4, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door
Rolnummer 1350. Arrest nr. 81/99 van 30 juni 1999 A R R E S T
Rolnummer 1350 Arrest nr. 81/99 van 30 juni 1999 A R R E S T In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek
Rolnummer 4045. Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T
Rolnummer 4045 Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 468, 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 21
Rolnummer 4499. Arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009 A R R E S T
Rolnummer 4499 Arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14, 1, eerste lid, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals dat artikel
Rolnummer Arrest nr. 82/2015 van 28 mei 2015 A R R E S T
Rolnummer 6141 Arrest nr. 82/2015 van 28 mei 2015 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 171, 5, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank
Rolnummer 4790. Arrest nr. 10/2010 van 4 februari 2010 A R R E S T
Rolnummer 4790 Arrest nr. 10/2010 van 4 februari 2010 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 73 van de programmawet (I) van 27 december 2006, gesteld door de Vrederechter van het
Rolnummer 5678. Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T
Rolnummer 5678 Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie.
Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T
Rolnummer 4560 Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten
Rolnummer 5855. Arrest nr. 178/2014 van 4 december 2014 A R R E S T
Rolnummer 5855 Arrest nr. 178/2014 van 4 december 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende preventie van of de schadevergoeding
A R R E S T. In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1056, 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Brussel.
Rolnummer 2029 Arrest nr. 136/2001 van 30 oktober 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1056, 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het
Rolnummer 5541. Arrest nr. 159/2013 van 21 november 2013 A R R E S T
Rolnummer 5541 Arrest nr. 159/2013 van 21 november 2013 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 218, 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op
Rolnummer 4717. Arrest nr. 15/2010 van 18 februari 2010 A R R E S T
Rolnummer 4717 Arrest nr. 15/2010 van 18 februari 2010 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 50 van het Wetboek der successierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Rolnummer 4967. Arrest nr. 68/2011 van 5 mei 2011 A R R E S T
Rolnummer 4967 Arrest nr. 68/2011 van 5 mei 2011 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, eerste lid, 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 tot invoering van
Rolnummer 5633. Arrest nr. 26/2014 van 6 februari 2014 A R R E S T
Rolnummer 5633 Arrest nr. 26/2014 van 6 februari 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 «houdende invoering van een sociale
Rolnummer 2525. Arrest nr. 134/2003 van 8 oktober 2003 A R R E S T
Rolnummer 2525 Arrest nr. 134/2003 van 8 oktober 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 371 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste
Rolnummer 4285. Arrest nr. 86/2008 van 27 mei 2008 A R R E S T
Rolnummer 4285 Arrest nr. 86/2008 van 27 mei 2008 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 7, 1, 2, c), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank
Rolnummer 2704. Arrest nr. 109/2003 van 22 juli 2003 A R R E S T
Rolnummer 2704 Arrest nr. 109/2003 van 22 juli 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, 3, eerste lid, van artikel III, overgangsbepalingen, van de wet van 14 juli 1976 betreffende
Rolnummer 5600. Arrest nr. 86/2013 van 13 juni 2013 A R R E S T
Rolnummer 5600 Arrest nr. 86/2013 van 13 juni 2013 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen bij de wet
Rolnummer 4024. Arrest nr. 42/2007 van 15 maart 2007 A R R E S T
Rolnummer 4024 Arrest nr. 42/2007 van 15 maart 2007 A R R E S T In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 102 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, ingesteld door Réginald
Van deze beschikking werd aan de partijen kennis gegeven.
Rolnummer : 18 Arrest nr. 25 van 26 juni 1986 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 maart 1984 houdende het statuut van de logiesverstrekkende
Rolnummer 5059. Arrest nr. 121/2011 van 30 juni 2011 A R R E S T
Rolnummer 5059 Arrest nr. 121/2011 van 30 juni 2011 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 46bis, derde lid, 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten,
Rolnummer 5371. Arrest nr. 24/2013 van 28 februari 2013 A R R E S T
Rolnummer 5371 Arrest nr. 24/2013 van 28 februari 2013 A R R E S T In zake : de prejudiciële vragen over artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, gesteld
Rolnummer 1808. Arrest nr. 11/2001 van 7 februari 2001 A R R E S T
Rolnummer 1808 Arrest nr. 11/2001 van 7 februari 2001 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 71 van de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat, gesteld
Rolnummer 5263. Arrest nr. 151/2012 van 13 december 2012 A R R E S T
Rolnummer 5263 Arrest nr. 151/2012 van 13 december 2012 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, zoals gewijzigd bij artikel 194 van
Rolnummer 5606. Arrest nr. 43/2014 van 13 maart 2014 A R R E S T
Rolnummer 5606 Arrest nr. 43/2014 van 13 maart 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (vóór de wijziging ervan bij de wet van
