Protocol Sterkstroom
|
|
|
- Cornelia de Graaf
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Protocol Sterkstroom 1.0 Datum April 2013 Status Definitief
2 Pagina 2 van 16
3 Colofon Projectnaam NIR 2013 Projectnummer Sterkstroom Versienummer 1.0 Aantal bijlagen Dit rapport is tot stand gekomen in samenwerking met: CBS, WUR, RIVM en PBL. Aan de protocollen is verder bijgedragen door: Agentschap NL, het Ministerie van Economische zaken en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Hoewel dit rapport met de grootst mogelijke zorg is samengesteld kan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele fouten. Pagina 3 van 16
4 Inhoud Colofon 3 Inleiding 5 1 Scope en belang emissiebronnen/activiteiten Scope en definitie Belang en invloedsfactoren Bijdrage aan de totale nationale emissies Relevante factoren van invloed op de emissie 7 2 Methodiek(en), emissiefactoren en activiteitendata Berekeningsmethodieken Emissiefactoren Relevante activiteitendata 9 3 Werkprocessen 10 4 Onzekerheid en kwaliteit Onzekerheidsinschatting Kwaliteitsbewaking en borging (QA/QC) Verificatieprocedures Verbeterpunten t.a.v. huidige berekenings-methode Historie Toekomst 13 5 Overige aspecten Regionalisering Tijdgebonden variaties in bronsterkte Puntbroncriteria Stofprofielen 14 6 Referenties en aanvullende documenten Referenties Aanvullende informatie 16 Pagina 4 van 16
5 Inleiding Onder het Kyoto Protocol is Nederland verplicht om een nationaal systeem op te zetten en te onderhouden voor de monitoring van broeikasgassen. Een van de elementen hierin is een transparante en controleerbare beschrijving van de methoden en processen, die daarbij gehanteerd worden. De methoden moeten daarbij voldoen aan de internationale richtlijnen, welke zijn vastgesteld door de Verenigde Naties (UN) en de Europese Unie (EU). In Nederland wordt aan deze eisen onder meer invulling gegeven in de vorm van Monitoring Protocollen, waarin de methoden en werkprocessen zijn beschreven voor de vaststelling van emissies en de hoeveelheid vastlegging (sinks) van broeikasgassen. Er zijn protocollen voor ongeveer 40 verschillende bronnen of sinks van broeikasgassen. Dit document beschrijft het protocol voor een van deze bronnen of sinks. De protocollen zijn opgesteld in een nauw samenwerkingsverband tussen experts vanuit diverse sectoren van de Nederlandse samenleving. Met name de experts van de Emissieregistratie (ER) zijn hier bij betrokken. De ER is een samenwerkingsverband van onder meer CBS, WUR, RIVM en PBL en wordt gecoördineerd door het RIVM. Aan de protocollen is verder bijgedragen door Agentschap NL, het Ministerie van Economische zaken en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Protocol 2F8: SF6 Sterkstroomindustrie IPCC Categorie: 2F8 Other NFR Code: n.v.t. NOSE Code: n.v.t. NACE Code , 27, 3313,3314, 3323, 3324 en 35 Pagina 5 van 16
6 1 Scope en belang emissiebronnen/activiteiten 1.1 Scope en definitie Dit protocol beschrijft de totstandkoming van het emissiecijfer van SF 6 tijdens productie, installatie, en afvalfase van midden- en hoogspannningsvermogensschakelaars (isolatie en boogblusmedium), inclusief het testen van installaties in onafhankelijke laboratoria. Het betreft SBI-code 261, 27, 3313,3314, 3323, 3324 en 35. De Nederlandse emissie van SF 6 als gevolg van het gebruik van SF 6 wordt gerapporteerd als één emissiecijfer voor Nederland onder CRF-categorie 2F9. De emissies van SF 6 door het gebruik van SF 6 bij de sterkstroomsector, productie van halfgeleiders, dubbelglas en elektronenmicroscopen worden geaggregeerd tot één getal en gerapporteerd onder CRFcategorie 2F9 Overige. De beschrijving van de monitoring van de emissie van SF 6 door de sterkstroomsector, bij de productie van dubbelglas, bij productie van halfgeleiders en elektronenmicroscopen wordt in aparte protocollen behandeld. De bijdrage van de resterende overige bronnen lijkt vooralsnog niet substantieel: < 0,2 ton SF 6 /jaar [DHV, 2000], en wordt daarom niet meegenomen in de bepaling van de totale SF 6 -emissie. Toepassing van SF 6 SF 6 wordt toegepast in hoog- en middenspanningsinstallaties als isolatie en/of schakel/boogblusmedium. Het gas in de installatie heeft de functie spanningsbogen tussen de potentiaal verschillen te voorkomen. Hoewel lucht een redelijk goede isolator is, kunnen er toch spanningsbogen ontstaan bij een te geringe afstand en te hoge potentaal verschillen. Indien SF 6 (onder druk) wordt toegepast wordt de kans op spanningsbogen en kortsluitingslekkage aanzienlijk verminderd. SF 6 kan tevens dienst doen als zgn. 'blusgas' bij overspanning beveiligingsinstallaties. Hoogspanning vs middenspanningsinstallaties Met hoogspanningsinstallaties worden units > 36 kv bedoeld. Middenspanningsinstallaties zijn units < 36 kv. In verhouding tot hoogspanningsinstallaties (honderden kilo's SF 6 ) bevatten middenspanningsinstallaties veel kleinere hoeveelheden SF 6 (enkele kilo's). Hoogspanningsinstallaties zijn in gebruik bij elektriciteitsproductiebedrijven, -netbeheerders en bij enkele grote bedrijven met een eigen elektriciteitsvoorziening (w.o. NS). De grote bedrijven maken ca 5% van het totale gebruik in hoogspanningsinstallaties uit. Het aantal gebruikers in Nederland is derhalve beperkt. Het aantal gebruikers van middenspanningsinstallaties is groter. Dit soort installaties is ook bij (grote) bedrijven in gebruik. Emissies Tijdens productie, installatie, gebruik en afvalfase van dit soort installaties kan SF 6 emitteren. Omdat vrijwel alle middenspanningsinstallaties sealed for life zijn (trend die is ingezet vanaf medio jaren tachtig), is de emissie tijdens de gebruiksfase vrijwel nihil. Pagina 6 van 16
7 Bij de productie van hoogspanningscomponenten wordt het product in de productieomgeving getest. Bij het testen, dat zowel in het productie stadium als 'on-site' plaatsvindt, moeten de midden- en hoogspanningscomponenten worden gevuld met SF 6 onder werkdruk. Vervolgens worden de componenten leeggezogen tot een druk van 0,05 bar. Restant komt vervolgens vrij. Scope - In Nederland was tot medio 2003 één fabrikant van hoogspanningsinstallaties gevestigd. Deze fabrikant bediende vooral de internationale markt. - De (grote) gebruikers van midden- en hoogspanningsschakelaars, de netbeheerders en elektriciteitsproductiebedrijven, zijn grotendeels verenigd in EnergieNed (ca. 90%). Daarnaast is er een beperkt aantal industriële gebruikers van hoogspanningsinstallatie in Nederland. - Verder is in Nederland een internationaal testlaboratorium voor vermogensschakelaars gevestigd. In dit laboratorium worden hoog- en middenspanningsinstallaties getest, al dan niet met SF 6 als isolatie en/of boogblusmedium. 1.2 Belang en invloedsfactoren Bijdrage aan de totale nationale emissies De totale emissie van SF 6 die wordt gerapporteerd onder sector 2F9 levert een jaarlijkse bijdrage van circa 0,1% aan de Nederlandse broeikasgasemissies. Geaggregeerde weergave in verband met vertrouwelijkheid De emissies van SF 6 als gevolg van het gebruik van SF 6 bij de sterkstroomsector, productie van halfgeleiders, dubbelglas en elektronenmicroscopen worden geaggregeerd tot één getal en gerapporteerd onder CRF-categorie 2F9 Overige [UNFCCC, 2004]. Dit in verband met vertrouwelijkheid van gegevens. Productiegegevens van de (voormalige) Nederlandse sterkstroomfabrikant, het testlaboratorium van hoogspanningsinstallaties, de halfgeleider- en elektronenmicroscopenfabrikant zijn anders rechtstreeks af te leiden van de emissiecijfers, activiteitendata en implied emissionfactors onder de subcategorieën 7, 8 en 9 van 2F Relevante factoren van invloed op de emissie Op Europees niveau is er een verordening waarin het gebruik van F-gassen wordt gereguleerd. De verordening bevat o.a. een verplichting om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen te voorkomen en tot een minimum te beperken, een verplichting om gefluoreerde broeikasgassen terug te winnen uit hoogspanningsinstallaties voor recycling, regeneratie of vernietiging en verder ook een verplichting voor lidstaten om programma s te creëren o.a. voor opleiding en certificering van personeel dat betrokken is bij terugwinning, recycling, regeneratie en vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen. Pagina 7 van 16
8 2 Methodiek(en), emissiefactoren en activiteitendata 2.1 Berekeningsmethodieken Deze paragraaf beschrijft de methoden die gebruikt worden om de emissie van SF 6 door de sterkstroomsector te bepalen. Methode 1 Deze methode is gebaseerd op gebruikscijfers van SF6 en optredende verliezen van SF6 tijdens diverse processtappen. De formule voor de berekening luidt als volgt: SF6 emissie = productie-emissie (6% van inkoopvolume) + emissie bij installaties in NL (6% van toename) + emissie door lekkage en handling on site in NL (4% van totaal gebankt) + emissie door afdanken installaties in NL (0,2 ton ontmantelde installatie te Hoogeveen) + emissie bij testen van installaties (6 % van gebruik1). Tot totaal gebankt behoren de de SF6 hoeveelheden in hoogspanningsinstallaties bij elektriciteitsproductiebedrijven, -netbeheerders en bij enkele grote industriële bedrijven met een eigen elektriciteitsvoorziening en in middenspanningsinstallaties. Via een inventarisatie is de totale gebankte hoeveelheid in 1999 bepaald. Voor de periode en na 1999 is de totale gebankte hoeveelheid ingeschat via extrapolatie op basis van economische ontwikkelingen. Deze methode is gebruikt voor de periode tot Methode 2 Bij deze methode is de bepaling van de emissie van SF 6 op jaarbasis gebaseerd op de input en output van SF 6 op bedrijfsniveau (van der Stoep and Verhaart, 2007). Volgens deze methode wordt de SF6 emissie uit de sterkstroomsector als volgt bepaald: SF 6 emissie = [C (B - A) D] * 100/95 kg + emissie bij testen van installaties. Hierin is: - A: voorraad op t-1 (begin meetperiode) - B: voorraad op t (eind meetperiode) - C: aanvoer t (in meetperiode) - D: afvoer t (in meetperiode) - Factor 100/95: Deze ophoogfactor wordt toegepast om de totale emissies, waarbij ook enkele grote industriële gebruikers behoren(ca 5% v/d totale emissie) te bepalen. Met behulp van nieuwe 2006 emissiecijfers en de emissies uit 1999 (zie ook 4.4.1) zijn in 2008 de emissies van de tussenliggende jaren 2000 t/m 2005 herberekend via interpolatie. Deze methode is toegepast van de periode Pagina 8 van 16
9 Methode 3 De bepaling van de emissie van SF 6 op jaarbasis is sinds 2011(emissiejaar 2009) gebaseerd op de hoeveelheden bijgevuld SF 6,op installatieniveau (van der Stoep and Verhaart, 2010) Deze worden bepaald via weging of drukverschillen voor en na de bijvulling Via deze methode wordt de SF6 emissie uit de sterkstroomsector als volgt bepaald: SF 6 emissie = Bijgevulde hoeveelheid * 100/95 kg + emissie bij testen van installaties Hierin is: - Factor 100/95: Deze ophoogfactor wordt toegepast om de totale emissies, waarbij ook enkele grote industriële gebruikers behoren(ca 5% v/d totale emissie) te bepalen. Vergelijking met IPCC methodiek Methode 1 komt overeen met de tier 2a methode, de Life-cycle emission factor approach. De 2 e methode komt overeen met de tier 3a methode, de Emissions by life cycle stage of equipment method en de 3e methode met de tier 3b methode, de Manufacturer and utilitylevel mass-balance method. Alle methoden zijn beschreven in de Good Practice Guidance (IPCC GPG, 2001, 3.5.1). Verder zijn alle methoden voor de Nederlandse situatie verbijzonderd met de emissie van SF6 als gevolg van het testen van installaties in een onafhankelijke laboratorium en met een ophoging van de emissie van de grote industriële gebruikers (ca 5% van het totaal). 2.2 Emissiefactoren Er wordt gebruik gemaakt van de volgende landenspecifieke emissiefactoren: De productie-emissie bedraagt 6% van het inkoopvolume (CAPIEL, 2001) De emissie bij het testen van installatie is jaarlijks afkomstig van KEMA en is vertrouwelijk 2.3 Relevante activiteitendata Productie van installaties Gegevens van het bedrijf over de SF6-stroom: - hoeveel SF6 die per jaar wordt ingekocht ten behoeve van de productie; - deel dat wordt geëxporteerd met installaties naar het buitenland. Registratie heeft plaatsgevonden tot medio Het betreft een stroom van vertrouwelijke gegevens die ten behoeve van externe reviews onder het Klimaatverdrag kunnen worden ingezien bij de werkveldtrekker van de ER. Totaal gebankte SF6 hoeveelheden Via een inventarisatie is de totale gebankte hoeveelheid in 1999 bepaald en vanaf.2006 wordt deze jaarlijks geinventariseerd. Dit is vertrouwelijke informatie. Pagina 9 van 16
10 3 Werkprocessen De emissiecijfers (zoals beschreven in dit protocol) worden berekend volgens het volgende proces. INPUT PROCES OUTPUT WIE - Verbruikscijfer bij Controle toe-/afname verbruik/emissies: Goedgekeurde Werkveld- Produktie van installaties vergelijking met vorige jaren kijken naar verbruikscijfer trekker Registratie heeft de trend s/emissies plaatsgevonden tot medio Bij niet onderbouwde afwijkingen contact 2003(vertrouwelijke info) opnemen met leverancier(s) eventueel - Jaarlijkse emissies aanpassen en documenteren van het electriciteitsnet-beheerders geheel. (via EnergieNed beschikbaar). - Jaarlijkse emissie van SF 6 voor testen installaties (via KEMA beschikbaar) - Goedgekeurde Gedetailleerde Werkveld- verbruikscijfers/emissies Invoeren in (EXCEL)-model Berekening Emissies en trekker F-gas emissies. Geaggregeerde Emissies (= Definitieve data werkveldtrekker) Definitieve data Opnemen gegevens in ER-db met Werkveld- werkveldtrekker Emissieregistratiedatabase data trekker ER-db met data Controle en trendanalyse lucht-emissies: Definitief Taakgroepen en afwijkingen verklaren of cijfers aanpassen vastgestelde instituutsverte- emissiecijfers genwoordigers Grote industriële bedrijven met eigen sterkstroominstallaties rapporteren geen SF6 emissies via MJV en MJA. Pagina 10 van 16
11 4 Onzekerheid en kwaliteit 4.1 Onzekerheidsinschatting Jaarlijks wordt voor submissie van de NIR door de ER een Tier 1 onzekerheidsanalyse uitgevoerd op de broeikasgasinventarisatie volgens de IPCC richtlijnen. De gebruikte aannames en resultaten worden beschreven in een achtergrondrapport bij het National Inventory Report (NIR). In aanvulling hierop worden, voorzover opgenomen in het QA/QC programma voor de betreffende periode, regelmatig in specifieke situaties extra analyses uitgevoerd, waaronder eventuele actualisering van Tier 2 onzekerhedenanalyses. In 2006 is de Tier 2 onzekerheidsanalyse geactualiseerd. Deze analyse toonde aan dat de Tier 1 onzekerheidsanalyse voldoende betrouwbaar is en dat de Tier 2 onzekerheidsanalyse slechts met een tussenpoos van ongeveer 5 jaar hoeft te worden uitgevoerd, tenzij een grote verandering bij een belangrijke bron aanleiding geeft tot een eerdere actualisatie. - Bronspecifieke onzekerheid De onzekerheidsschatting -totaal betreft de wortel van de optelsom van onzekerheid in de gebruikte databronnen (AD onz ) in het kwadraat en de onzekerheid van de emissiefactor (EF onz ) in het kwadraat. De grootte van de totale onzekerheid wordt hierbij voornamelijk bepaald door de grootste AD- of EF-onzekerheid. Onzekerheidschatting totaal = 2 2 onz. ADonz. EF + Voor komt de landenspecifieke methode overeen met de Tier 3b methode en vanaf 2009 met de Tier 3b methode. Daarom is de onzekerheid in SF 6 -emissies uit het verbruik van SF 6 aangepast. De onzekerheidsschattingen ten aanzien van de gebruikte databronnen (AD) en emissiefactoren (EF) en totale onzekerheidsschatting sinds de 2012 rapportage is terug te vinden in onderstaande tabel. Onzekerheid IPCC Categorie Gas AD onz. EF onz. schatting totaal 2F SF6 emissie uit verbruik van SF6 SF De onzekerheidsschattingen ten aanzien van de gebruikte databronnen (AD) en emissiefactoren (EF) en totale onzekerheidsschatting van de periode voor de 2012 rapportage is terug te vinden in onderstaande tabel. Onzekerheid IPCC Categorie Gas AD onz. EF onz. schatting totaal 2F SF6 emissie uit verbruik van SF6 SF Pagina 11 van 16
12 De onzekerheid in SF 6 -emissies uit het verbruik van SF 6 werd geschat op 56%. De onzekerheid in de activiteitendata voor de SF 6 -bronnen werd geschat op 50%. Voor de emissiefactor werd de onzekerheid geschat op 25%. Deze cijfers zijn gebaseerd op diverse expert judgements (e.a. Olivier et al, 2009). 4.2 Kwaliteitsbewaking en borging (QA/QC) De werkveldtrekkers van de ER checken: 1. of basisdata goed zijn gedocumenteerd en overgenomen (check op typefouten, gebruik van juiste eenheden en goede omrekenfactoren); 2. of de berekeningen juist zijn uitgevoerd; 3. of aannames consistent zijn, alsmede of specifieke parameters (zoals activiteitendata) consistent zijn gebruikt; 4. of complete en consistente datasets zijn aangeleverd. Eventuele hieruit voortvloeiende acties worden bijgehouden op een actielijst door de secretaris van de ER. De werkveldtrekkers voeren deze acties uit en communiceren per e- mail over deze QC-checks, acties en resultaten met de secretaris van de ER. Bij het toevoegen van een nieuwe emissiejaar voert de werkveldtrekker trendanalyse uit, waarbij de gegevens van het nieuwe jaar worden vergeleken met de gegevens van het voorgaande jaar. De werkveldtrekker geeft een verklaring voor de trend als de stijging of daling minimaal 5% op doelgroepniveau of minimaal 0,5% op nationaal niveau is. Ook deze verklaringen worden door de werkveldtrekkers per verzonden aan de secretaris van de ER. De secretaris van de ER houdt een logboek bij van alle QC-checks en trendverklaringen en archiveert alle s hierover op het netwerk van de ER. Daarmee wordt expliciet gemaakt dat de benodigde checks en correcties zijn uitgevoerd. De Werkgroep Emissie Monitoring (WEM) geeft op basis van de resultaten van de trendanalyse en de terugkoppeling over het controle- en correctieproces (actielijst) een advies aan de instituutsvertegenwoordigers (Deltares namens RWS, CBS en PBL) om in te stemmen met de dataset. De ER projectleider bij het RIVM stelt vervolgens de dataset vast nadat hij van de instituutsvertegenwoordigers een met hun instemming heeft ontvangen. Verder worden alle wijzigingen van emissies in de hele tijdreeks als gevolg van herberekeningen gedocumenteerd in tabel 8(b) van de CRF. 4.3 Verificatieprocedures Om de kwaliteit van de emissiecijfers voor de bronnen in dit protocol te checken worden algemene QA/QC-procedures gevolgd in lijn met de IPCC guidelines. Deze zijn nader beschreven in het QAQC programma voor het National System en de jaarlijkse werkplannen van de Emissieregistratie. - Sectorspecifieke QC Voor de bronnen in dit protocol worden daarnaast geen aanvullende specifieke verificatieprocedures uitgevoerd. Pagina 12 van 16
13 4.4 Verbeterpunten t.a.v. huidige berekenings-methode Historie Methodiek voor het vaststellen van emissies tot 1998 Tot 1998 is de totale emissie van SF6 in Nederland bepaald, middels een schatting binnen het systeem van de Nederlandse Emissieregistratie (ER) volgens de formule: gebruik = emissie (= potentiële emissie). Hierbij is uitgegaan van het gebruik in en de economische groei in de van belang zijnde sectoren vanaf In 1995 en 1998 bedroeg de emissie volgens deze methode 1,5 Mton CO2-eq Toekomst N.v.t. Pagina 13 van 16
14 5 Overige aspecten 5.1 Regionalisering N.v.t. 5.2 Tijdgebonden variaties in bronsterkte N.v.t. 5.3 Puntbroncriteria N.v.t. 5.4 Stofprofielen N.v.t. Pagina 14 van 16
15 6 Referenties en aanvullende documenten 6.1 Referenties Capiel, 2001 Methodology to quantify emission of SF6 for SF6 switchgear production and use. DHV, Identificatie van onbekende bronnen van overige broeikasgassen Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands, National Inventory Reports This is an annual submission. Reports can be found at ns/items/5888.php IPCC, 1997: Revised 1996 IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Emission Inventories, Three volumes: Reference Manual, Reporting Guidelines and Workbook. IPCC/OECD/IEA. IPCC WG1 Technical Support Unit, Hadley Centre, Meteorological Office, Bracknell, UK IPCC, 2001: Good Practice Guidance and Uncertainty Management in National Greenhouse Gas Inventories, IPCC-TSU NGGIP, Japan Olivier J.G.J., L.J. Brandes and R.A.B. te Molder, 2009 Uncertainty in the Netherlands greenhouse gas emissions inventory: Estimate of annual and trend uncertainty for Dutch sources of greenhouse gas emissions using the IPCC Tier 1 approach, PBL-Report , Bilthoven UNFCCC, 2004, Guidelines for the preparation of national communications by Parties included in Annex I to the convention, Part I: UNFCCC reporting guidelines on annual inventories, UNFCCC/SBSTA/2004/8, 3 september 2004 Vertrouwelijke informatie: Stoep, J.W. van der, H.F.A. Verhaart, SF 6 emissie elektriciteitsnetbeheerders TDC A. Kema in opdracht van SenterNovem. Arnhem, 14 november 2007 Stoep, J.W. van der, SF 6 emissie elektriciteitsnetbeheerders TDT A. Kema in opdracht van Netbeheer Nederland. Arnhem, 26 februari Stoep, J.W. van der, SF 6 emissie elektriciteitsnetbeheerders TDT Kema in opdracht van Netbeheer Nederland. Arnhem, 29 oktober Stoep, J.W. van der, SF 6 emissie elektriciteitsnetbeheerders TIC Kema in opdracht van Netbeheer Nederland. Arnhem, 28 september Pagina 15 van 16
16 6.2 Aanvullende informatie N.v.t. Pagina 16 van 16
Protocol 14-018 Productie HCFK-22
Protocol 14-018 Productie HCFK-22 1.0 Datum Maart 2014 Status Definitief Colofon Projectnaam NIR 2014 Projectnummer 14-018 Productie HCFK-22 Versienummer 1.0 Aantal bijlagen 0 Dit rapport is tot stand
Protocol 14-020 Koeling Stationair
Protocol 14-020 Koeling Stationair 1.0 Datum Maart 2014 Status Definitief Colofon Projectnaam NIR 2014 Projectnummer 14-020 Koeling Stationair Versienummer 1.0 Aantal bijlagen 0 Dit rapport is tot stand
Protocol 12-021 Koeling mobiel
Protocol 12-021 Koeling mobiel 1.0 Datum April 2013 Status Definitief Pagina 2 van 14 Colofon Projectnaam NIR 2013 Projectnummer 13-021 Koeling mobiel Versienummer 1.0 Aantal bijlagen 0 Dit rapport is
Protocol 8136 Afvalwater, t.b.v NIR 2008 uitgave maart 2008. 6B: CH 4 en N 2 O uit Afvalwater. Distributienummer 8136
Directoraat-Generaal Milieu Directie Klimaatverandering en Industrie Rijnstraat 8 Postbus 30945 2500 GX Den Haag Protocol 8136 Afvalwater, t.b.v NIR 2008 uitgave maart 2008 6B: CH 4 en N 2 O uit Afvalwater
Protocol 12-013 Olie- en gasdistributie en -transport
Protocol 12-013 Olie- en gasdistributie en -transport 1.0 Datum April 2013 Status Definitief Pagina 2 van 19 Colofon Projectnaam NIR 2013 Projectnummer 13-013 Olie- en gasdistributie en -transport Versienummer
Protocol 14-028 Mest N2O
Protocol 14-028 Mest N2O 1.0 Datum Maart 2014 Status Definitief Colofon Projectnaam NIR 2014 Projectnummer 14-028 Mest N2O Versienummer 1.0 Aantal bijlagen 0 Dit rapport is tot stand gekomen in samenwerking
Protocol 12-012 Olie- en gasproductie
Protocol 12-012 Olie- en gasproductie 1.0 Datum April 2013 Status Definitief Pagina 2 van 16 Colofon Projectnaam NIR 2012 Projectnummer 13-012 Olie- en gasproductie Versienummer 1.0 Aantal bijlagen 0 Dit
Protocol 12-002 Stationaire bronnen fossiel
Protocol 12-002 Stationaire bronnen fossiel 1.0 Datum April 2013 Status Definitief Pagina 2 van 27 Colofon Projectnaam NIR 2013 Projectnummer 13-002 Stationaire bronnen fossiel Versienummer 1.0 Aantal
Berekening van de standaard CO 2 -emissiefactor aardgas t.b.v. nationale monitoring 2014 en emissiehandel 2014
Berekening van de standaard CO 2 -emissiefactor aardgas t.b.v. nationale monitoring 2014 en emissiehandel 2014 Datum 19 december 2013 Status Definitief Pagina 1 van 1 Colofon Projectnaam Jaarlijkse vaststelling
Berekening van de standaard CO 2 -emissiefactor aardgas t.b.v. kalenderjaar 2011 en emissiehandel 2012
Berekening van de standaard CO 2 -emissiefactor aardgas t.b.v. kalenderjaar 2011 en emissiehandel 2012 Datum 20 december 2011 Status Definitief Pagina 1 van 1 Colofon Projectnaam Jaarlijkse vaststelling
Emissies door de zeescheepvaart,
Indicator 26 maart 2019 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Het betreft hier de feitelijke
Berekening van de standaard CO 2 -emissiefactor aardgas t.b.v. nationale monitoring 2016 en emissiehandel 2016
Berekening van de standaard CO 2 -emissiefactor aardgas t.b.v. nationale monitoring 2016 en emissiehandel 2016 Datum 17 december 2015 Status Definitief Colofon Projectnaam NIE/emissiemonitoring: jaarlijkse
1 Inleiding en verantwoording 2. 2 Beschrijving van de organisatie 2. 3 Verantwoordelijke 2. 4 Basisjaar en rapportage 2.
3.A.1-2 Inhoudsopgave 1 Inleiding en verantwoording 2 2 Beschrijving van de organisatie 2 3 Verantwoordelijke 2 4 Basisjaar en rapportage 2 5 Afbakening 2 6 Directe en indirecte GHG-emissies 3 6.1 Berekende
Vermeden broeikaseffect door recycling van e-waste
Vermeden broeikaseffect door recycling van e-waste 29-214 Datum: 27 juli 215 Versie: 1.1 In opdracht van: Opgesteld door: Hendrik Bijker Wecycle Laura Golsteijn Marisa Vieira Dit rapport is geschreven
Becommentariëring ketenanalyse Schreuder Beheer B.V. inzake CO 2 -Prestatieladder
74100130-PGR/R&E 11-2658 Becommentariëring ketenanalyse Schreuder Beheer B.V. inzake CO 2 -Prestatieladder Arnhem, 21 november 2011 Auteur: R.G. Catau In opdracht van Schreuder Beheer B.V. KEMA Nederland
Review CO2 reductiesysteem 2014-1 ste half jaar 2015. Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 2.2
Review CO2 reductiesysteem 2014-1 ste half jaar 2015 Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 2.2 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Management review - invalshoek A: Inzicht 4 2.1. Footprint berekening 4
3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2014. 1 Inleiding en verantwoording 3. 2 Beschrijving van de organisatie 4. 3 Verantwoordelijke 4
3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2014 Inhoudsopgave 1 Inleiding en verantwoording 3 2 Beschrijving van de organisatie 4 3 Verantwoordelijke 4 4 Basisjaar en rapportage 4 5 Afbakening 4 6 Directe en indirecte
Leidraad koudemiddelregistratie op basis van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties milieubeheer
OPENBAAR RAPPORT Leidraad koudemiddelregistratie op basis van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties milieubeheer Versie 06/2011 Datum Juni 2011 Status Definitief
Pagina: 1. CO2-projectplan H4A. BV
Pagina: 1 CO2-projectplan H4A. BV Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Opdrachtgever: Opgesteld door: Gecontroleerd / goedgekeurd door: Datum / paraaf goedkeuring: Definitief Pagina: 2 INHOUDSOPGAVE
Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2 emissiefactoren, versie januari Datum Januari 2018 Status Definitief
Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2 emissiefactoren, versie januari 2018 Datum Januari 2018 Status Definitief Colofon Projectnaam Jaarlijkse update Nederlandse brandstoffenlijst Projectnummer
Francis Altdorfer, ECONOTEC Tom Dauwe, VITO. LNE Rondetafelconferentie: F-gassen in koel- en luchtbehandelingsinstallaties 14 mei 2012.
EMISSIE-INVENTARISATIEMETHODE VOOR F-GASSEN IN DE KOELSECTOR Francis Altdorfer, Tom Dauwe, VITO LNE Rondetafelconferentie: F-gassen in koel- en luchtbehandelingsinstallaties 14 mei 2012 1 Inhoud Inleiding
Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO 2 -emissiefactoren
Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO 2 -emissiefactoren Dit document is vastgesteld door de Stuurgroep Emissie Registratie in 2004. Het is opgesteld door SenterNovem in opdracht van het
Curaçao Carbon Footprint 2015
Willemstad, March 2017 Inhoudsopgave Inleiding 2 Methode 2 Dataverzameling 3 Uitstoot CO2 in 2010 3 Uitstoot CO2 in 2015 4 Vergelijking met andere landen 5 Central Bureau of Statistics Curaçao 1 Inleiding
Review CO2 reductiesysteem. Conform niveau 3 op de CO2-prestatieladder 2.2
Review CO2 reductiesysteem Conform niveau 3 op de CO2-prestatieladder 2.2 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Invalshoek A: Inzicht 4 2.1. Footprintberekening 4 2.2. Kwaliteitsmanagement (ISO 14064-1 hoofdstuk
Struunhoeve BV. Emissie inventaris rapport 2014. Inhoudsopgave (in het kader van papier vermindering is de inhoudsopgave op de voorpagina afgedrukt)
Struunhoeve BV Emissie inventaris rapport 2014 Opgesteld volgens de eisen van ISO 14064-1 en het Greenhouse Gas Protocol Conform niveau 3 op de CO2 prestatieladder 2.2 Inhoudsopgave (in het kader van papier
LINCON HEEFT NU OOK EEN GEVERIFIEERDE CO 2 FOOTPRINT!
LINCON HEEFT NU OOK EEN GEVERIFIEERDE CO 2 FOOTPRINT! Omschrijving Lincon BV Lincon is een ingenieursbureau met zijn wortels in de wereld van beton en betonconstructies. Het bedrijf bestaat al ruim 15
Interne Audit 24-10-2014. Conform niveau 3 op de CO2-prestatieladder 2.2
Interne Audit 24-10-2014 Conform niveau 3 op de CO2-prestatieladder 2.2 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Invalshoek A: Inzicht 4 2.1. Footprintberekening 4 2.2. Kwaliteitsmanagement (ISO 14064-1 hoofdstuk
Energiemanagement plan
Energiemanagement plan Overzicht energiestromen / -verbruikers en CO2-emissie inventarisatie 2015 - halfjaarlijkse rapportage Aannemingsbedrijf B.V. 1 Inleiding Het inventariseren en analyseren van de
Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2 emissiefactoren, versie januari Datum Januari 2016 Status Definitief
Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2 emissiefactoren, versie januari 2016 Datum Januari 2016 Status Definitief Colofon Projectnaam Jaarlijkse update Nederlandse brandstoffenlijst Projectnummer
Tijdreeks huishoudelijke energieconsumptie 1980-1995
Tijdreeks huishoudelijke energieconsumptie 1980-1995 Notitie in opdracht van het RIVM Kees Vringer. Vakgroep Natuurwetenschappen en Samenleving (NW&S). Universiteit Utrecht. Utrecht, Mei 1998. Nummer:
Rapportage CO 2 -footprint Theuma
Rapportage CO 2 -footprint Theuma 2012 Datum: April 2013 Status: Eindrapport Betrokkenen: Bart Van Damme Bart Wauters Anouk Walinga Barbara De Kezel Theuma Theuma Theuma Beco 2 INHOUD SAMENVATTING... 4
3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2015
3.A.1-2 Emissie inventaris rapport 2015 Inhoudsopgave 1 Inleiding en verantwoording 10 2 Beschrijving van de organisatie 10 3 Verantwoordelijke 11 4 Basisjaar en rapportage 11 5 Afbakening 11 6 Directe
CO2 Prestatieladder Stuurcyclus en beleidsverklaring
CO2 Prestatieladder Opgesteld door: R. Louis (Kader) Kader, bureau voor kwaliteitszorg b.v. Bedrijvenpark Twente 301 7602 KL Almelo Tel: 0546 536 800 Datum: 21-1-2019 Versie: 1.0 Status: Definitief Inhoudsopgave
Interne Audit CO2 reductiesysteem. Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 2.2
Interne Audit CO2 reductiesysteem Conform niveau 5 op de CO2-prestatieladder 2.2 2.A.2_1 Interne Audit 11-09-2014 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Invalshoek A: Inzicht 4 2.1. Footprintberekening 4 2.2. Kwaliteitsmanagement
