Natuurbeheerplan Flevoland 2011

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Natuurbeheerplan Flevoland 2011"

Transcriptie

1

2 Inhoud 1 Inleiding Status en doel natuurbeheerplan Werkwijze natuurbeheerplan Werkwijze natuurgebieden Werkwijze agrarisch natuurbeheer Werkwijze landschapbeheer Gevolgde procedure, overleg en inspraak Wijzigingsprocedure Leeswijzer 7 2 Beleidskader Hoofdlijnen Rijksbeleid en Europees beleid Provinciaal beleid Nota Ruimte en Ecologische hoofdstructuur Natura 2000-gebieden in Flevoland Leefgebiedenbenadering Agenda Vitaal Platteland en ILG 11 3 Natuur- en Landschapsdoelen in de provincie Flevoland Natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer Landschapbeheer 14 4 Subsidiestelsel Natuur- en Landschapbeheer Subsidieverordeningen Beheertypenkaart en Ambitiekaart Natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer Landschapbeheer Collectief beheer Collectief weidevogelbeheer Collectief akkervogelbeheer Collectief Ganzenfoerageergebied Subsidies probleemgebieden Groenblauwe Diensten en regionaal maatwerk 28 5 Areaal per beheertype en natuurtype Areaal per beheertype Areaal per natuurtype 31 Bronvermelding 33 blad 1 van 121

3 Bijlagen Bijlage 1 Globale ligging (agrarische) natuurterreinen Bijlage 2 Ecologische hoofdstructuur Bijlage 3 Natuur Bijlage 3.1 Ambitiekaart a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland c Zuidelijk Flevoland Bijlage 3.2 Natuurbeheertypenkaart a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland c Zuidelijk Flevoland Bijlage 3.3 Natuurtypenkaart Bijlage 4 Agrarische natuur Bijlage 4.1 Beheergebieden weidevogels a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland Bijlage 4.2 Beheergebieden akkervogels a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland c Zuidelijk Flevoland Bijlage 4.3 Beheergebied ganzenopvang a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland Bijlage 4.4 Beheergebied botanisch grasland a Noordelijk Flevoland Bijlage 5 Landschap Bijlage 5.1 Landschapsbeheertypen a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland c Zuidelijk Flevoland Bijlage 5.2 Landschapzoekgebieden a Noordelijk Flevoland b Oostelijk Flevoland Bijlage 6 Toeslagen Bijlage 6.1 Recreatiepakket Bijlage 7 Beschrijving terreinen Bijlage 8 Beheerpakketten collectieve beheerplannen Bijlage 9 Gewichtsfactoren kuikenland pakketten A Bijlage 10 Zaadmengsels en zaaidichtheden beheertype A1.02 Bijlage 11 Akker- en weidevogels Bijlage 12 Overzicht beheertypen volgens Index N&L blad 2 van 121

4 1 Inleiding Het Natuurbeheerplan Flevoland 2011 is opgesteld voor de uitvoering van het nieuwe subsidiestelsel voor Natuur- en Landschapbeheer (SNL). Dit stelsel is per in werking getreden voor het onderdeel agrarisch natuurbeheer. Per zal het nieuwe stelsel in werking treden voor de onderdelen natuurbeheer en landschapbeheer. Met het nieuwe subsidiestelsel wordt onderscheid gemaakt in verschillende geldstromen. a) Subsidies voor verwerving van nieuwe natuur en voor functieverandering bij particulier natuurbeheer; deze worden verleend op basis van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk gebied. De gebieden die hiervoor in aanmerking komen zijn vastgelegd in het gebiedsplan voor natuur en landschap (2002) en daarna overgenomen in het Omgevingsplan Flevoland (2006) en in het Natuurbeheerplan Flevoland In 2008 is de verordening groenblauwe zone OostvaardersWold vastgesteld, waarin een plangebied is begrensd voor een robuuste ecologische verbinding en een aantal daaraan gekoppelde ontwikkelingen, tezamen de groenblauwe zone. b) Subsidies voor de inrichting en kwaliteitsverbetering van natuurgebieden; deze worden eveneens verleend op basis van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk gebied. Met de terreinbeherende organisaties (Flevolandschap, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer) zijn hierover meerjarenafspraken gemaakt. De doelen hiervoor staan weergegeven op de ambitiekaart. Wanneer de plannen nog onvoldoende zijn uitgewerkt om op de ambitiekaart weer te geven staat in de tekst een nadere toelichting. c) Subsidies voor beheer van natuur en landschap; deze worden verleend op basis van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer. Het voorliggende Natuurbeheerplan vormt het toetsingskader voor de bovengenoemde subsidievormen. Voor de uitvoering van het nieuwe stelsel is een nieuwe taal geïntroduceerd, de Index voor natuur en landschap. Dit is een landelijk uniforme index waarmee een goede afstemming mogelijk is tussen beheerders (onderling) en overheden. De Index voor natuur en landschap vormt de basis voor de beoogde doelen voor (agrarisch) natuur en landschap, de subsidieverlening en voor de monitoring van de kwaliteit en kwantiteit van (agrarisch) natuur en landschap. In het nu voorliggende natuurbeheerplan wordt op basis van de Index voor natuur en landschap aangegeven welke natuur- en beheertypen zijn toegekend aan de Flevolandse natuurgebieden en aan de gebieden voor agrarisch natuurbeheer. Ook staan in dit plan voor het eerst enkele landschapselementen in de vorm van landschapsbeheertypen aangegeven. De beheertypen zijn op een eenduidige manier gedigitaliseerd, volgens het landelijk uniform informatiemodel natuurbeheer (IMNAB). Hierdoor is het mogelijk de gegevensuitwisseling in de toekomst verder te automatiseren. blad 3 van 121

5 1.1 Status en doel natuurbeheerplan Het natuurbeheerplan Flevoland 2011, treedt in werking per 1 november Het vervangt het vorig jaar vastgestelde Natuurbeheerplan Flevoland In het nieuwe plan is een ambitiekaart toegevoegd voor natuur en zijn enkele landschapbeheertypen op kaart gezet. Daarnaast zijn enkele kleine correcties doorgevoerd in de huidige natuurbeheertypen. Het is een natuurbeheerplan zoals bedoeld in art 2.1. van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer Flevoland. Het voorliggende Natuurbeheerplan betreft een ontwerpplan dat is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Flevoland op 27 april Het Natuurbeheerplan maakt toekenning van subsidies voor natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en landschapbeheer volgens de Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer Flevoland mogelijk. Het natuurbeheerplan vormt ook het toetsingskader voor subsidies voor inrichting van nieuwe natuur en omvorming van natuurgebieden die gesubsidieerd worden op grond van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied Flevoland. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels voor de burger. Eigenaren, erfpachters en gebruikers van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied of agrarisch natuurgebied krijgen de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze terreinen. Er is geen sprake van een verplichting of van aantasting van eigendom- en gebruiksrechten. Het natuurbeheerplan heeft ook geen planologische consequenties of consequenties voor bestemmingsplannen. Bijlage 2 geeft een overzicht van de EHS, inclusief de begrenzing van nieuwe natuur. Dit is de begrenzing waarover in juni 2010 definitief wordt besloten door Provinciale Staten. Op deze kaart is ook weergegeven de begrenzing van de groenblauwe zone OostvaardersWold zoals vastgelegd in de verordening groenblauwe zone OostvaardersWold. De kaart geeft de gebieden weer waar verwerving mogelijk is, zoals bedoeld in art. 2 lid 1 van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied Flevoland en de Regeling inrichting Landelijk Gebied van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze kaart dient alleen ter informatie. Eventuele aanpassing van de begrenzingen zal gebeuren in het ruimtelijk spoor (structuurvisie, bestemmingsplan, verordening). blad 4 van 121

6 1.2 Werkwijze natuurbeheerplan De basis voor het natuurbeheerplan vormt de al eerder genoemde Index voor natuur en landschap. Deze index bestaat uit de onderdelen natuur (N), agrarische natuur (A) en landschap (L). In de index worden verder drie niveaus onderscheiden: doelen (natuurtypen, agrarische natuurtypen en landschapstypen) voor natuur en landschap. Op dit niveau worden afspraken gemaakt tussen het Rijk en provincies en wordt over de resultaten gerapporteerd. beheertypen (natuurbeheertypen, agrarische beheertypen en landschapbeheertypen). Op dit niveau vindt de sturing van het beheer plaats en worden financiële afspraken gemaakt tussen de provincie en de beheerders. beheervoorschriften en beheerpakketten. De beheervoorschriften en beheerpakketten vormen een instrument om de beheertypen te bereiken De kern van het natuurbeheerplan wordt gevormd door de bijlagen 3 tot en met 5 uit dit Natuurbeheerplan. Op de kaarten in deze bijlagen is op basis van de Index voor natuur en landschap aangegeven welke actuele beheertypen en ambities in een bepaald gebied voorkomen. Subsidie is alleen aan te vragen voor deze beheertypen. Subsidie-overeenkomsten voor het beheer van natuur en landschap gelden in principe voor een periode van 6 jaar. Dit is in overeenstemming met de eisen die de EU stelt. Subsidies voor inrichting, kwaliteitsverbetering en functieverandering zijn eenmalig. Of een aanvrager in aanmerking komt voor subsidie is afhankelijk van meerdere factoren. Zo komen rijksdiensten en de provincie niet in aanmerking voor subsidie en gemeenten alleen voor zover ze op basis van de eerdere regeling al subsidie kregen. Een tweede factor is de beschikbaarheid van financiën. Gedeputeerde Staten bepalen voor aanvang van een subsidieperiode in een openstellingsbesluit hoeveel budget beschikbaar is, dit zijn de zogenaamde subsidieplafonds. Bij overschrijving van de subsidieplafonds worden de aanvragen op volgorde van ontvangst behandeld. Ook bepalen Gedeputeerde Staten voor aanvang van een subsidieperiode voor welke gebieden danwel beheertypen subsidies beschikbaar zijn. Deze beschikbaarheid van subsidie zal op een aparte kaart (beheersubsidiekaart) bij het openstellingsbesluit worden weergegeven. De beheersubsidiekaart kan jaarlijks aan de hand van het openstellingsbesluit worden herzien. De beheertypenkaart hoeft dan niet gewijzigd te worden Werkwijze natuurgebieden Voor de natuurgebieden is op kaart de huidige en de gewenste situatie weergegeven. De huidige situatie staat op de beheertypenkaart en de gewenste situatie op de ambitiekaart (zie bijlage 3). Deze zijn in samenspraak met de eigenaren en beheerders vastgelegd. Percelen waarop nieuwe natuur is voorzien staan op de beheertypenkaarten aangegeven als nog om te vormen natuur. Voor beheer kunnen beheerders subsidie aanvragen voor een periode van 6 jaar. Reeds lopende overeenkomsten op basis van de subsidieregeling lopen in principe gewoon door. Voor inrichting en kwaliteitsverbetering worden projectsubsidies verleend. Met de terreinbeherende organisaties (Flevo-landschap, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer) zijn hierover meerjarenafspraken gemaakt. De doelen hiervan staan weergegeven op de ambitiekaart. Wanneer de plannen nog onvoldoende zijn uitgewerkt om op de ambitiekaart weer te geven staat in de tekst een nadere toelichting. blad 5 van 121

7 1.2.2 Werkwijze agrarisch natuurbeheer Voor agrarisch natuurbeheer geldt een iets andere systematiek. Het rijk heeft aan Flevoland een quotum van 514 ha toegekend, dit is in 2007 aangevuld met een quotum van 1345 ha ganzenopvanggebied. Om met agrarisch natuurbeheer de gewenste kwaliteit te kunnen realiseren is er in het gebiedsplan agrarisch natuurbeheer van 2007 voor gekozen een beperkt aantal gebieden te selecteren waar de subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden toegekend. In het natuurbeheerplan 2010 zijn de begrensde gebieden aangepast naar aanleiding van inspraakreacties (zie kaarten in bijlage 4). Beheersubsidie voor weidevogels, akkervogels of ganzen kan alleen worden aangevraagd als er een collectief beheerplan is, dat is opgesteld door een daartoe aangewezen coördinator en dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Collectieve aanvragen kennen meer flexibiliteit, maar moeten vergezeld gaan van een collectief beheerplan In overleg met de agrarische natuurverenigingen in Flevoland wordt gekeken of zij die coördinatierol voor hun eigen gebied op zich willen nemen. Individuele aanvragen hebben een vast locatie en gelden voor 6 jaar op de aangevraagde percelen Werkwijze landschapbeheer Subsidie landschapbeheer of subsidie agrarisch landschapbeheer kan alleen worden toegekend voor bestaande landschapselementen, zoals poelen, elzensingels, lanen en dergelijke. Slechts een deel van de landschapselementen zijn op kaart weergegeven. Dit zijn de landschapselementen waarvan de exacte ligging bekend is. Op plaatsen waar globaal de aanwezigheid van landschapselementen bekend is, zijn zoekgebieden op kaart weergegeven. In wordt ingegaan op de subsidiemogelijkheden voor landschapsbeheertypen. blad 6 van 121

8 1.3 Gevolgde procedure, overleg en inspraak Het natuurbeheerplan is in nauwe samenwerking met de terreinbeherende organisaties en overige belangengroepen opgesteld. Het onderdeel agrarisch natuurbeheer is in het voorliggende plan ten opzichte van het vorige natuurbeheerplan (Natuurbeheerplan Flevoland 2010) vrijwel niet aangepast. Het natuurbeheerplan wordt vastgesteld en gewijzigd bij besluit van Gedeputeerde Staten. Op de vaststelling van het plan is de in afdeling 3.4. van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) geregelde procedure van toepassing. Gedeputeerde Staten stellen eerst het plan in ontwerp vast en leggen het daarna 6 weken ter inzage. Belanghebbenden kunnen in deze periode schriftelijk of mondeling hun zienswijze indienen. Na behandeling van de zienswijzen wordt het definitieve plan vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Daarna wordt het plan opnieuw 6 weken ter inzage gelegd, dit voorafgaand aan de openstellingsperiode van de subsidieregeling. Tegen het besluit tot vaststelling van het plan is beroep mogelijk bij de Arrondissementsrechtbank te Zwolle, Postbus GB te Zwolle. 1.4 Wijzigingsprocedure Het natuurbeheerplan zal met enige regelmaat worden herzien, afhankelijk van maatschappelijke, ecologische en beleidsmatige ontwikkelingen. Op wijzigingen van dit plan is de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing. Deze procedure voorziet er met name in dat belanghebbenden hun belangen onder de aandacht van het bestuur kunnen brengen. Wanneer een wijziging slechts één of enkele belanghebbenden kent, kunnen GS besluiten het plan na overleg met deze belanghebbenden te wijzigen, zonder bovengenoemde procedure te doorlopen. Hierbij valt bijv. te denken aan aanpassing van de grens tussen beheertypen binnen het terrein van één beheerder. Daarnaast wordt er een werkwijze opgesteld voor het onderhouden en eventueel wijzigen van de landelijk afgesproken onderdelen van de natuurbeheerplannen of het stelsel. Dit betreft bijvoorbeeld de Index voor natuur en landschap, welke bij wijzigingen in verband met regels aangaande staatssteun ook ter goedkeuring moet worden aangemeld bij de Europese Unie. 1.5 Leeswijzer Hoofdstuk 2 van dit plan beschrijft op hoofdlijnen het bestaande Europese beleid, Rijksbeleid en provinciale beleid. In hoofdstuk 3 worden de algemeen geformuleerde beleidsdoelen vertaald naar meer concrete (operationele) doelen. In hoofdstuk 4 worden de subsidiemogelijkheden voor natuur- en landschapbeheer en de actuele beheertypenkaart en ambitiekaart besproken. Hoofdstuk 5 geeft per (beheer)type een overzicht van de oppervlakte in Flevoland. In de bijlagen zijn o.a. terreinbeschrijvingen opgenomen, met informatie ten behoeve van het te voeren beheer. blad 7 van 121

9 blad 8 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

10 2 Beleidskader 2.1 Hoofdlijnen Rijksbeleid en Europees beleid Het doel van het natuur- en landschapbeheer is het behoud en de verbetering van de natuur- en landschapskwaliteit. Een belangrijke partner voor de provincie in het realiseren van het natuurbeleid is de rijksoverheid. Richtinggevend voor het nationale natuurbeleid zijn de internationale doelstellingen van het Biodiversiteitsverdrag, de Millenium Development Goals en het beleid van de Europese Unie. Het kabinet zet zich in om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en bij te dragen aan de millenniumdoelen per Het wil er tevens voor zorgen dat er in 2020 duurzame condities zijn voor het voortbestaan van alle soorten en populaties die in 1982 van nature in Nederland voorkwamen. Onderdeel van het natuurbeleid vormen ook de inspanningen voor de verbetering van milieu en platteland door middel van agrarisch natuurbeheer. Nederland maakt daarbij gebruik van de doelen die in het Europese Plattelandsontwikkelingprogramma (POP2) zijn opgenomen. Een doel is het verhogen van duurzaam gebruik van landbouwgrond. Beheerders van landbouwgrond worden gestimuleerd om hun land zodanig te beheren dat natuur, milieu, landschap en klimaat er baat bij hebben. 2.2 Provinciaal beleid Het natuurbeleid in Flevoland richt zich op het bevorderen van de verscheidenheid aan natuurwaarden en het verder ontwikkelen ervan; daarbij inspelend op verschillen in hoogteligging, bodemsamenstelling of hydrologische omstandigheden (bijvoorbeeld kwel). Hoewel het ruimtelijk beleid in Flevoland in het landelijk gebied in grote lijnen gericht is op scheiding van functies, wordt waar dat de kwaliteit van de functies verhoogt, op lokaal niveau een integratie van functies voorgestaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat in het kader van het provinciale leefgebiedenbeleid nadrukkelijk gewerkt wordt aan versterking van natuur op akkers. In de volgende paragrafen wordt voor verschillende natuurthema s het Europees en rijksbeleid kort weergegeven en vervolgens ingegaan op de uitwerking daarvan in Flevoland. 2.3 Nota Ruimte en Ecologische hoofdstructuur Belangrijk instrument voor de realisatie van de biodiversiteitdoelstellingen is de Ecologische Hoofdstructuur. De EHS is een netwerk van natuurgebieden, agrarische beheergebieden en verbindingszones. Hierbinnen kan de uitwisseling van soorten optimaal plaatsvinden en wordt de biodiversiteit verbeterd. De landelijke doelstellingen voor de EHS zijn verder uitgewerkt in de Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur (2000) en in de Nota Ruimte (2004). Elke provincie heeft van het rijk een taakstelling meegekregen om voor 2018 een hoeveelheid nieuwe natuur te realiseren en de huidige natuur te behouden. Om de doelstellingen te kunnen bereiken worden natuurgebieden veiliggesteld door middel van wetgeving, verwerving, inrichting en beheer. blad 9 van 121

11 Tot de taken en verantwoordelijkheden van de provincie behoort de regionale uitwerking van de Ecologische Hoofdstructuur door middel van het vaststellen van de begrenzing ervan. Verder heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van natuurdoelen voor de gebieden binnen de ecologische hoofdstructuur. De provincie heeft de Ecologische Hoofdstructuur planologisch begrensd in het Omgevingsplan Flevoland In dit natuurbeheerplan worden de natuurdoelen benoemd. De EHS is in provincie Flevoland binnendijks ongeveer ha groot 2.4 Natura 2000-gebieden in Flevoland De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld uiterlijk in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit een halt toe te roepen. Onder meer door het realiseren van een netwerk van belangrijke natuurgebieden, het Natura 2000-netwerk, wil Europa dit doel bereiken. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn belangrijke instrumenten om deze doelstelling te realiseren. In deze richtlijnen is bepaald dat de lidstaten speciale Natura 2000-gebieden voor de kwetsbaarste soorten en habitattypen aanwijzen: de Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden die geschikt zijn om het duurzaam voortbestaan van de meest bedreigde soorten en habitattypen te verzekeren. Nederland draagt met 162 gebieden bij aan het realiseren van een Natura 2000-netwerk. Er zijn 141 gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en 80 gebieden onder de Vogelrichtlijn. Een flink aantal gebieden valt onder beide richtlijnen. Binnen de Provinciale grenzen van Flevoland liggen een negental Natura 2000-gebieden, namelijk het Vollenhovermeer als onderdeel van Natura2000-gebied de Wieden, IJsselmeer, Markermeer&IJmeer, Zwarte Meer, Ketelmeer&Vossemeer, Veluwerandmeren, Eemmeer&Gooimeer Zuidoever, Oostvaardersplassen en Lepelaarplassen. Deze Natura 2000-gebieden liggen volledig binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Voor deze Natura gebieden zijn een aantal instandhoudingsdoelen gesteld, waarmee in het natuurbeheerplan rekening dient te worden gehouden. De aan te wijzen beheertypen dienen namelijk in overeenstemming te zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen voor de verschillende gebieden zijn weergegeven in de aanwijzingsbesluiten op de website van het ministerie van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit. 2.5 Leefgebiedenbenadering De leefgebiedenbenadering is een nieuwe beleidsstrategie voor soorten (LNV, 2007). Deze benadering wil maatregelen voor te beschermen soorten bundelen, zodat een grote groep soorten profiteren van de te nemen maatregel. Dit moet het soortenbeleid efficiënter maken en meer mogelijkheden bieden om een proactieve werkwijze te volgen. De leefgebiedenbenadering zet in op drie sporen: ruimtelijke ontwikkeling, natuurgebied en soort. Het spoor ruimtelijke ontwikkeling richt zich op gebieden met de nevenfunctie natuur. Bescherming van soorten via de leefgebiedenbenadering moet worden meegekoppeld met de uitwerking van de hoofdfunctie van een gebied. Met bescherming wordt hier bedoeld het bijdragen aan een duurzame instandhouding. Andere beleidsterreinen dan natuur zoals landbouw, stadsontwikkeling en nieuwbouw zijn enkele van deze hoofdfuncties die aangepast kunnen worden via dit spoor. Het tweede spoor, natuurgebied, wil het beheer van blad 10 van 121

12 natuurgebieden beter afstemmen op de hiervoor geselecteerde doelsoorten. Dit beleid wordt vorm gegeven via de grote terreinbeheerders en via Natura 2000, EHSbeleid en Europese LIFE-projecten. Deze aanpassingen voor soorten kunnen als verbreding gezien worden van de beheeropgave in natuurgebieden. Het derde spoor is de voortzetting van het klassieke soortenbeleid: het beleid gericht op afzonderlijke soorten, waar dat noodzakelijk is. Hierbij gaat het om projecten en programma s die als hoofddoel het behoud van afzonderlijke soorten hebben. Ook combinaties van soorten die tegelijkertijd worden beschermd kunnen hieronder vallen. De provincie Flevoland heeft deze leefgebiedenbenadering uitgewerkt voor het grondgebied van de provincie en daarbij vier deelprogramma s onderscheiden, parapluprojecten genaamd: 1. Waternetwerken in de oostrand 2. Biodiversiteit verbonden 3. Akkernatuur 4. Rugstreeppaddenmanagementplan De onderdelen 1 en 2 zijn vooral van belang voor de natuurbeheertypen van natuurgebieden, de onderdelen 3 en 4 voor agrarische en landschapbeheertypen. 2.6 Agenda Vitaal Platteland en ILG Het rijk heeft zijn beleid voor het landelijk gebied vastgelegd in één integraal beleidskader Agenda voor een Vitaal Platteland (AVP). De AVP bevat de visie op een leefbaar, vitaal en duurzaam platteland met opgaven voor economische, ecologische en sociaal-culturele aspecten van het platteland. De beleidsopgaven die hieruit voortvloeien staan in het Meerjarenprogramma Vitaal Platteland (MJP), een uitvoeringsprogramma voor de uitvoering van de nationale doelen. Met het uitbrengen van deze agenda met bijbehorend meerjarenprogramma wordt minder beleid en meer samenhang en uitvoering op gebiedsniveau beoogd. De rol van de provincies is daarbij versterkt. Sinds 1 januari 2007 is het Investeringsbudget Landelijke Gebied (ILG) van kracht. Voor elk nieuw idee om het platteland vitaal te houden, opnieuw subsidie aanvragen bij het Rijk, is sinds de invoering van ILG niet meer nodig. Een flink aantal subsidieregelingen is in één klap vervangen. In plaats daarvan is er één budget, het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). Alle gebiedsgerichte rijksdoelen uit het Meerjarenprogramma Vitaal Platteland worden via het ILG uitgevoerd. In het ILG zijn financiële middelen voor natuur (waaronder de ecologische hoofdstructuur), recreatie, landschap, landbouw en milieu (bodemsanering) samengebracht. In het kader van ILG wordt het huidige Programma Beheer (voorloper van het nieuwe subsidiestelsel Natuur- en Landschapbeheer) onder verantwoordelijkheid van de provincies uitgevoerd. De benadering van het ILG is gericht op een brede inzet van samenhangende gebiedsgerichte acties, met mogelijkheden voor maatwerk. Dit komt ook in het nieuwe subsidiestelsel terug. blad 11 van 121

13 blad 12 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

14 3 Natuur- en Landschapsdoelen in de provincie Flevoland 3.1 Natuurbeheer De grootste oppervlakte aan natuurterrein in Flevoland valt binnen de EHS. Doel van de EHS is het realiseren van een landelijk samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat voldoende leefruimte biedt voor de soorten die van nature in Nederland voorkomen. De EHS bedraagt in Flevoland binnendijks ca ha. De robuustheid, samenhang en specifieke kwaliteiten van de EHS zijn nog te gering. De ambitie van de provincie is om de EHS en het Natura2000 netwerk een robuustheid te geven die voldoet aan de opgaven vanuit de Europese Unie en het Rijk. Hierbij richt de provincie zich op het realiseren van een robuust systeem dat past bij de abiotische kwaliteiten van Flevoland, dus op natte voedselrijke natuur. Het zwaartepunt in het natuurbeheer ligt dan ook bij het in stand houden en verder ontwikkelen van de natuurwaarden voor moerassen, open water, natte bosgebieden en het open agrarisch gebied. Het natuurbeheerplan is een instrument waarmee tot op gebiedsniveau uitwerking wordt gegeven aan de provinciale doelen. Subsidie voor natuurgebieden vanuit het subsidiestelsel Natuur- en landschapbeheer is in Flevoland alleen voor de natuurgebieden op het land beschikbaar. 3.2 Agrarisch natuurbeheer Onder agrarisch natuurbeheer wordt verstaan het ontwikkelen en/of in stand houden van natuurwaarden op landbouwgrond door middel van een aangepast beheer. De provincie zet het instrument agrarisch natuurbeheer in ter versterking van het provinciale soortenbeleid en voor het behoud van bijzondere landschappelijke kwaliteiten. Hierbij ligt de focus vooral op soorten waarvoor Flevoland een speciale verantwoordelijkheid heeft, zoals soorten van de leefgebieden 'agrarisch gebied', 'moeras' en 'kustzone'. De doelstellingen voor agrarisch natuurbeheer zijn: 1. Het beheren van minimaal 35 poelen in de Noordoostpolder ten behoeve van de Rugstreeppad. Dit gewenste aantal poelen komt naar voren uit onderzoek van RAVON naar deze soort in de Noordoostpolder. 2. Instandhouding van ruim 1300 ha ganzenopvanggebied in Flevoland. 3. Behoud of bereiken van een weidevogeldichtheid van tenminste 50 broedparen per 100 hectare, in minimaal twee begrensde weidevogelgebieden. 4. Ontwikkelen en beheren van vier kerngebieden met gezonde populaties van akkervogels met een dichtheid van minimaal 50 broedparen akkervogels per 100 hectare. In gebieden met gemengd grondgebruik en een doelstelling voor zowel akker- als weidevogels geldt een gecombineerde doelstelling van 50 broedparen akker- en weidevogels per 100 hectare. Om deze doelen te realiseren wordt sterk geselecteerd op de gebieden waar subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden aangevraagd en op de beheerpakketten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. Selectiecriteria zijn: blad 13 van 121

15 1. De mate waarin agrarisch natuurbeheer in het gebied kan bijdragen aan natuurdoelen van rijk en provincie 2. Aanwezigheid agrarische natuurvereniging/belangstelling bij boeren 3. Continuïteit in beheer Om de effectiviteit van het agrarisch natuurbeheer te vergroten geldt voor de meeste vormen van agrarisch natuurbeheer dat alleen subsidie kan worden aangevraagd als meerdere boeren samen werken aan de uitvoering van een collectief beheerplan. Voor Flevoland is een jaarlijks budget beschikbaar voor ongeveer 500 ha agrarisch natuurbeheer (daarnaast financiert het ministerie van LNV de opvang van overwinterende ganzen). Dit is in verhouding tot andere provincies gering. De provincie heeft in principe overeenstemming bereikt over een verdubbeling tot ongeveer ha agrarisch natuurbeheer. 3.3 Landschapbeheer De hele provincie Flevoland is de twintigste eeuw ontstaan door inpoldering van delen van het IJsselmeer. Vele bouwkundige objecten en landschappelijke structuren herinneren aan deze inpolderings- en ontginningsfase en zijn nog steeds in het landschap zichtbaar. De voormalige eilanden Urk en Schokland en de voormalige haven Oud-Kraggenburg herinneren aan de Zuiderzeegeschiedenis. Tezamen heeft dit geleid tot een zeer kenmerkend landschap. Het karakter en de herkenbaarheid van dit landschap dreigt geleidelijk verloren te gaan. Daarom wil de provincie de elementen die een wezenlijk onderdeel van het polderconcept vormen behouden en versterken en deze inzetten als ruimtelijke kwaliteit ter versterking van nieuwe ontwikkelingen. Deze elementen worden als kernkwaliteiten beschouwd. Naast kernkwaliteiten worden basiskwaliteiten onderscheiden, waaronder dorpsbosjes, bepaalde wegbeplantingen en erfbeplantingen. Deze en andere kleine landschapselementen zijn niet alleen voor het landschappelijk beeld maar ook vanwege hun ecologische waarde van groot belang voor het landschap. In Flevoland geldt dit ondermeer voor poelen, rietzomen en natuurvriendelijke oevers. De subsidieverordening natuur- en landschapbeheer biedt mogelijkheden voor het subsidiëren van het beheer van landschapselementen. Het gaat hierbij om groenblauwe landschapselementen, historische gebouwen, aardwerken en recreatieve landschapselementen. Voor het beheer van landschapselementen worden slechts in beperkte mate subsidiemogelijkheden geboden, vanwege het geringe budget dat hiervoor beschikbaar is. blad 14 van 121

16 4 Subsidiestelsel Natuur- en Landschapbeheer 4.1 Subsidieverordeningen Het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapbeheer kent twee verordeningen: Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer en Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied. Voor het beheer van natuur, agrarische natuur en landschapselementen kunnen beheerders in aanmerking komen voor een beheersubsidie. Deze subsidie wordt geregeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer Flevoland (SVNL) die op door Provinciale Staten van provincie Flevoland is vastgesteld en op 7 januari 2010 is gewijzigd. Dit stelsel vervangt per 1 januari 2010 de provinciale subsidieregeling Agrarisch natuurbeheer (PSAN). Met ingang van 1 januari 2011 wordt ook de provinciale subsidieregeling Natuurbeheer (PSN) vervangen door de Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer Flevoland (SNL). Subsidie voor inrichting of aanleg van nieuwe natuur of voor een kwaliteitsverbetering van bestaande natuur wordt geregeld in de Subsidieverordening Inrichting Landelijk gebied. Het nieuwe subsidiestelsel gaat uit van een eenvoudige manier van aanvragen, zo weinig mogelijk regels, vertrouwen in de beheerder en minimale administratieve lasten. De Dienst Regelingen (DR), de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Algemene Inspectiedienst (AID) zijn belast met de uitvoering van de regeling. In de regelingstekst en op / worden de subsidieverordeningen uitgelegd en staat wie voor subsidie in aanmerking komt en hoe de subsidie moet worden aangevraagd. 4.2 Beheertypenkaart en Ambitiekaart De subsidiemogelijkheden in dit natuurbeheerplan zijn door begrenzing van beheertypen vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart. Op de beheertypenkaarten staat aangegeven welke natuurterreinen of landschapselementen voor beheersubsidie in aanmerking kunnen komen. Ook de agrarisch beheertypen staan op een beheertypenkaart weergegeven. De beheertypenkaarten sturen het beheer en zijn de basis voor de beoordeling, voorafgaand aan de toekenning van de beheersubsidie. Met de beheertypenkaarten stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven beheertypen. Op de ambitiekaart staan de gewenste beheertypen van natuurterreinen over circa 10 jaar weergegeven. Op deze manier wordt duidelijk gemaakt waar binnen een periode van circa 10 jaar nog nieuwe natuur aangelegd moet worden of waar een kwaliteitsverbetering nodig is. Het verschil tussen de ambitiekaart en de beheertypenkaart geeft weer of er gebruik kan worden gemaakt van een subsidie voor inrichting of kwaliteitsverbetering (ook wel investeringssubsidie genoemd). Op de beheertypenkaart kan nu bijvoorbeeld bos zijn aangegeven, terwijl op de ambitiekaart moeras staat. Voor de verandering van bos naar moeras kan nu gebruik worden gemaakt van de subsidie voor kwaliteitsverbetering. De begrenzing van de natuurterreinen van de ambitiekaart is in principe identiek aan de beheertypenkaart. Voor agrarisch natuurbeheer en landschapbeheer is geen ambitiekaart opgesteld. blad 15 van 121

17 Aan de genoemde kaarten ligt het informatiemodel natuurbeheer (IMNAB) ten grondslag. Dit is een database waarin de gegevens worden opgeslagen en voor alle provincies en de uitvoeringsinstanties uniform is. Hierdoor vindt er een eenvoudige en snelle gegevensuitwisseling plaats en wordt ook de subsidietoekenning makkelijker dan in het verleden. De beheertypenkaarten en de ambitiekaart zijn opgesplitst in drie delen: Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland. De zoekgebieden voor landschapbeheer zijn op een aparte kaart weergegeven, omdat de zoekgebieden verschillende beheertypen kunnen overlappen. De beheertypenkaarten en de ambitiekaart zijn weergegeven in bijlage 3 t/m Natuurbeheer Op de beheertypenkaart en de ambitiekaart staat aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking kunnen komen (zie bijlage 3). Per perceel is één natuurbeheertype toegekend en een beheerder komt alleen voor financiering van het toegekende beheertype in aanmerking. Voorwaarde is dat niet meer dan 20% van de oppervlakte van het (natuur)beheertype dat op de beheertypenkaart staat vermeld een afwijkend beheer kent. Indien er nog geen bestaand natuurbeheertype aanwezig is, wordt het op de kaart als type N00.01 of N00.02 aangegeven. Dit betekent dat hier inrichting of omvorming naar een gewenst beheertype nodig is. Deze gronden kunnen voor een subsidie voor inrichting of omvorming in aanmerking komen. Nadat de inrichting of omvorming is uitgevoerd, kunnen de gronden in aanmerking komen voor een beheersubsidie. N00.01 geeft aan dat percelen worden ingericht als nieuwe natuur ten behoeve van de uitbreiding van de EHS. N00.02 geeft alle andere situaties aan waar inrichting/ omvorming aan de orde is. In principe worden alle natuurgebieden op de beheertypenkaart weergegeven. Op de ambitiekaart worden alleen de natuurgebieden weergegeven waarvan het beheertype anders is dan op de beheertypenkaart (met andere woorden: als er een verschil is tussen de actuele situatie en de ambitie). Het onderscheid naar ligging in of buiten EHS en verschil tussen bestaande natuur en al ingerichte nieuwe natuur is niet gemaakt. Met bestaande natuur wordt hier bedoeld een terrein dat een natuurfunctie heeft en ook als zodanig is ingericht. Onder nieuwe natuur wordt verstaan uitbreiding van de EHS op landbouwgrond zoals opgenomen in het Omgevingsplan Flevoland 2006 en waar nog geen inrichting heeft plaatsgevonden. Bijlage 2 geeft een overzicht van de geplande uitbreiding van de EHS in Flevoland (per 2006). De op deze kaart als nieuwe natuur begrensde percelen zijn de percelen als bedoeld in artikel 6 van de Regeling Inrichting Landelijk Gebied. Recreatietoeslag Voor natuurterreinen waaraan in dit natuurbeheerplan een beheertype is toegekend kan subsidie voor een recreatiepakket worden aangevraagd als het terrein aan de volgende voorwaarden voldoet: 1 Het natuurterrein is opengesteld voor publiek en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken; 2 De beheerder van het natuurterrein onderhoudt de onder punt 1 bedoelde wegen, vaarwegen en paden; 3 De beheerder van het natuurterrein verleent indien van toepassing medewerking aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes blad 16 van 121

18 voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke lange afstandswandel paden (LAW s) en lange fietsroutes (LF). In bijlage 6.1 staan de afgesloten terreinen weergegeven. Voor deze terreinen geldt geen recreatietoeslag. Samenwerking Met de beheertypenkaart en de ambitiekaart heeft een eerste afstemming tussen beheerdoelen plaatsgevonden. Uiteraard is het primair een verantwoordelijkheid van de beheerders om waar nodig samen te werken om een optimale natuurkwaliteit te realiseren. In de hierna volgende tabel (tabel 1) staan een aantal terreinen aangegeven waar samenwerking door beheerders gewenst is, vooral gericht op de uitwisseling van soorten. Een ander thema waar samenwerking nodig kan zijn is het waterpeilbeheer. Terrein 1 Beheerder en beheertype Staatsbosbeheer N16.01Droog bos met productie Staatsbosbeheer N16.01Droog bos met productie Terrein 2 Roggebotzand Reve- Abbert Roggebotzand Roggebotstaete Beheerder en beheertype Stichting Flevolandschap N14.03Haagbeuken en essenbos Stichting de Voorde N14.03Haagbeuk en essenbos; N12.02 kruiden- en faunarijk grasland; N04.02 Zoete plas Locatie van samenwerking Uitwisseling ter hoogte van Hanzeweg Uitwisseling tussen deze aangrenzende terreinen Spijk en Bremerberg Praamweg gebied Natuurpark Lelystad Verbindingsz one Oostvaarders -plassen - Lepelaarplas sen Staatsbosbeheer N14.01Overstromi ngs-bos Staatsbosbeheer N16.02Vochtig bos met productie Stichting Flevolandschap N14.03Haagbeuk en essenbos Stichting Flevolandschap N05.01Moeras Harderbos Ooievaarplas Gelderse hout Verbinding szone Oostvaard ersplassen - Lepelaarpl assen Natuurmonumenten N14.03Haagbeuken - en essenbos Stichting Flevolandschap N14.03Haagbeuken - en essenbos N04.02Zoete plas Staatsbosbeheer N14.03Haagbeuk en essenbos Staatbosbeheer N01.03Rivier en moeraslandschap Tabel 1: gewenste samenwerking tussen terreinbeheerders Aansluiting van gebieden ter hoogte van Strandgapertocht Aansluiting onder A6 door via Lepelaartocht Onder A6 door. Ter hoogte van de Grote vaartweg Agrarisch natuurbeheer Onder agrarisch beheer wordt verstaan het ontwikkelen en/of in stand houden van natuurwaarden op landbouwgrond door middel van een aangepast beheer. In deze blad 17 van 121

19 paragraaf wordt beschreven hoe de subsidiemogelijkheden voor het agrarisch natuurbeheer op de beheertypenkaart zijn begrensd. Een overzicht van alle beheertypen agrarische natuur en beheerpakketten agrarische natuur die in dit natuurbeheerplan worden begrensd, is opgenomen in bijlage 12 Overzicht beheertypen volgens Index voor natuur en landschap. Voor een inhoudelijke beschrijving van alle beheertypen wordt verwezen naar De Index onderscheidt 5 beheertypen agrarische natuur (weidevogelbeheer A01.01, akkervogelbeheer A01.02, ganzenbeheer A01.03, botanisch graslandbeheer A02.01 en botanisch akkerbeheer A02.02). Voor 4 beheertypen zijn in dit beheerplan gebieden begrensd. Het beheertype botanisch akkerbeheer A02.02 wordt niet opengesteld Ieder beheertype bestaat weer uit meerdere agrarische beheerpakketten. Per beheertype kan een beheerder kiezen uit de pakketten die zijn opengesteld. (Deze staan genoemd in [botanisch grasland], [landschapselementen] en bijlage 8 [collectief beheer]). Op dezelfde grond kunnen niet tegelijkertijd meerdere beheerpakketten worden uitgevoerd. De pakketten mogen niet overlappen. Een uitzondering geldt voor het beheertype ganzenfoerageergebied (A01.03) dat mag samenvallen met het beheertype weidevogelgebied of het beheertype akkerfaunagebied. In dit natuurbeheerplan is in totaal 476 hectare beschikbaar voor agrarisch natuurbeer en 1345 hectare voor ganzenbeheer. Voor agrarisch natuurbeheer heeft de provincie in principe overeenstemming bereikt over een verdubbeling tot ongeveer ha. Op de beheertypekaart zijn de percelen begrensd waarop agrarisch natuurbeheer kan worden gesubsidieerd. Bij de begrenzing van deze percelen op kaart wordt verschil gemaakt tussen 1 op 1 begrenzing en contouren. Voor agrarisch natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke percelen voor subsidie in aanmerking komen. 1 op 1 begrenzing Onder 1 op 1 begrenzing wordt verstaan dat het aantal hectares waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, even groot is als de totale oppervlakte van het begrensde gebied. In deze gebieden wordt uiteindelijk gestreefd naar een gebiedsdekkend beheer. Dit geldt voor het botanisch graslandbeheer op de Zwartemeerdijk. Contouren Een contour houdt in dat voor een gebied één beheertype wordt aangewezen, maar dat voor de subsidiëring van het beheer minder hectares beschikbaar zijn dan de totale oppervlakte van het gebied. Afhankelijk van de vraag of in een dergelijk gebied hectares voor beheer beschikbaar zijn, kan men dus voor subsidie in aanmerking komen. Bij elk van deze agrarische beheertypen horen meerdere agrarische beheerpakketten (zie Index voor natuur en landschap). Per perceel kunnen er meerdere pakketten zijn waarvoor een beheerder subsidie kan aanvragen. Bij een subsidieaanvraag zal men echter een keuze moeten maken voor één van de beheerpakketten. De contouren van de agrarische beheertypen kunnen met elkaar overlappen. Op dezelfde plaats kan echter maar één beheerpakket worden afgesloten. Een uitzondering hierop zijn pakketten van het beheertype Ganzenfoerageergebied, die wel op dezelfde plaats kunnen worden gecombineerd met pakketten van de beheertypen Weidevogelgebied of Akkerfaunagebied (cumulatie). Agrarisch natuurbeheer is mogelijk binnen de volgende contouren: blad 18 van 121

20 Beheertype A01.01: Weidevogelgebied W1 t/m W6 Beheertype A01.02: Akkerfaunagebied A1 t/m A6 Beheertype A01.03: Ganzenfoerageergebied G1 en G2 Subsidie kan alleen worden aangevraagd op basis van een collectief beheerplan. De nummers (W1 enz.) verwijzen naar de gebieden in kaart 5A t/m 5C. Hieronder volgt per agrarisch beheertype een beschrijving van de contouren uit de beheertypenkaart. Beschikbaar (ha) Beschikbaar (bij benadering) bij uitbreiding budget* Akker (faunaranden) Weidevogelbeheer (nestbescherming) Botanisch beheer Poelen (agrarisch landschapbeheer) Sub-totaal Ganzenfoerageergebied Totaal * de overeengekomen uitbreiding met 500 ha moet nog definitief worden vastgesteld Weidevogelgebied Begrensde weidevogelgebieden: Beheertype A01.01 Flevoland is geen typische weidevogelprovincie. Er zijn geen grote aaneengesloten weidegebieden. Het aandeel blijvend grasland is relatief gering. Veel grasland rouleert als kunstweide in vruchtwisseling met akkerbouwgewassen. De ontwatering is diep. Achter de dijken komen plaatselijk als gevolg van dijkskwel vochtige, opdrachtige gronden voor. Dit is o.a in de kop van de Noordoostpolder het geval. Alleen hier komt plaatselijk een dichtheid van ca. 6 broedpaar grutto/100 ha voor. Flevoland richt zich daarom niet op (zeer) kritische weidevogels, maar op geschikte leefgebieden voor overige karakteristieke weidevogels, veelal in combinatie met akkervogels. Dit betekent dat er geen specifieke opgave geldt voor aantallen broedparen grutto. In bijlage 11 is een lijst opgenomen met soorten die tot de akker- en weidevogels worden gerekend. Voor alle weidevogelgebieden geldt dat alleen subsidie aangevraagd kan worden op basis van een collectief beheerplan (zie 4.3). Achtereenvolgens betreft dit de weidevogelgebieden Kop van de Nop (W1), Ettelandseweg (W2), Zwartemeerdijk (W3), omgeving Schokland (W4) en Rivierduingebied (W5) en Oostkant Flevoland (W6). In bijlage 8 staan de beheerpakketten vermeld die kunnen worden aangevraagd. Voor dit beheertype is voor ca. 35 ha subsidie beschikbaar Akkerfaunagebied (akkervogels) Begrensde akkerfaunagebieden: Beheertype A01.02 Flevoland kent verschillende gebieden met een redelijke verscheidenheid aan broedende akkervogels. Grofweg betreft het de randen van Noordelijk Flevoland, het centrale deel van Zuidelijk Flevoland en enkele gebieden in oostelijk Flevoland. Hier broeden onder meer rode lijstsoorten als Bontbekplevier, Grauwe kiekendief, blad 19 van 121

21 Kwartel, Kwartelkoning, Patrijs en Veldleeuwerik. Ook is er een redelijke dichtheid aan overwinterende akkervogels, hoewel er in grote delen van de provincie s winters weinig voedsel en dekking voor akkervogels is. In bijlage 11 is een lijst opgenomen met soorten die tot de akker- en weidevogels worden gerekend. Er zijn goede mogelijkheden om akkernatuur in Flevoland te versterken, doordat de landschappelijke uitgangssituatie goed is. Met voldoende aangepast beheer is al een flinke kwaliteitsverbetering van akkernatuur te realiseren. Om de gewenste kwaliteit te kunnen realiseren geldt voor alle akkervogelgebieden dat alleen subsidie aangevraagd kan worden op basis van een collectief beheerplan (zie 4.3). In bijlage 8 staan de beheerpakketten vermeld die kunnen worden aangevraagd. In Flevoland zijn 6 akkerfaunagebieden aangewezen respectievelijk Kop van de Nop (A1), Zwartemeerdijk (A2), Rivierduingebied (A3), zuidelijk Flevoland (A4), Oostkant Flevoland (A5) en Schokland (A6). Voor de akkerfaunagebieden wordt onderscheid gemaakt in zand- en kleigebieden. De gebieden in Flevoland worden tot de kleigebieden gerekend. Voor dit beheertype is voor ca. 430 ha subsidie beschikbaar Ganzenfoerageergebied Flevoland is Nationaal en Europees een belangrijke provincie voor overwinterende grauwe ganzen, kolganzen, rietganzen en brandganzen. Rotganzen worden slechts incidenteel waargenomen. s Winters verblijven in Flevoland naar schatting ca grauwe ganzen, maximaal ca kolganzen, ca brandganzen en 1500 rietganzen. Grauwe ganzen en kolganzen komen overal in de provincie voor en foerageren op graslanden, graanpercelen en oogstresten (bieten). De brandganzen foerageren gedurende de winterperiode in Zuidelijk Flevoland en het noordwesten van de Noordoostpolder, vooral op graslanden en graanpercelen (voornamelijk in en rond de Oostvaardersplassen). De rietganzen concentreren zich in het begin van de winter op percelen met oogstresten in de Noordoostpolder om later in de winter over te stappen op graslanden en graanpercelen verspreid in Flevoland. Begrensde ganzenfoerageergebieden: Beheertype A01.03 Om schade aan landbouwgewassen te beperken is het van belang dat er voor de overwinterende ganzen voldoende alternatief voedsel beschikbaar is. Naast de opvangfunctie van het natuurgebied Oostvaardersplassen heeft de provincie op basis van de door LNV opgestelde spelregels 1345 ha ganzenfoerageergebied aangewezen in het agrarisch gebied. Het gaat om twee gebieden namelijk Kop van de Nop (G1) en Rivierduingebied (G2) waar agrariërs een beheerpakket voor overwinterende ganzen kunnen afsluiten. Subsidie kan alleen aangevraagd worden op basis van een collectief beheerplan (zie 4.3). In bijlage 8 staan de beheerpakketten vermeld die kunnen worden aangevraagd. Voor dit beheertype is voor ca ha subsidie beschikbaar Botanisch waardevol grasland Begrensde botanisch waardevolle graslanden: Beheertype A02.01 In Flevoland komen geen botanisch waardevolle landbouwpercelen voor. blad 20 van 121

22 Zoals bij de weidevogelgebieden al is aangegeven kent Flevoland naar verhouding weinig blijvend grasland in normaal agrarisch gebruik. De beheerpakketten voor botanisch waardevol grasland richten zich op een verhoging van de algemene botanische kwaliteit van zowel percelen als perceelsranden. Behalve een grotere verscheidenheid aan planten, zijn deze graslanden ook van belang voor vlinders, andere insecten, vogels en kleine zoogdieren. Op de van nature voedselrijke en goed ontwaterde bodems vergt de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland of glanshaverhooiland een lange ontwikkeltijd. Zowel de provincie als de agrarische beheerder kan het beheer moeilijk voor zo n lange periode vastleggen, waardoor de kans op een goed natuurresultaat beperkt is. Binnen het agrarisch natuurbeheer in Flevoland speelt botanisch beheer dan ook een ondergeschikte rol. De beste mogelijkheden doen zich voor op agrarisch beheerde dijktaluds die een minder prominente rol spelen in de agrarische bedrijfsvoering. Een gedeelte van de Zwartemeerdijk is aangewezen als botanisch waardevol grasland. Beheerpakketten botanisch waardevol grasland De volgende beheerpakketten kunnen hier worden opengesteld: Beheerpakket A : Botanisch weiland Beheerpakket A : Botanisch hooiland Beheerpakket A : Botanische weide- of hooilandrand Voor dit beheertype is voor 11 ha subsidie beschikbaar Landschapbeheer Voor het beheer van landschapselementen kunnen twee subsidies worden verstrekt: een subsidie landschapsbeheer en een subsidie agrarisch landschapsbeheer. Een subsidie landschapsbeheer kan worden verstrekt voor landschapselementen die zijn gelegen in natuurterreinen. Een subsidie agrarisch landschapsbeheer kan worden verstrekt voor landschapselementen die zijn gelegen in agrarisch gebieden Subsidie landschapbeheer Voor de subsidie landschapbeheer komen alleen landschapselementen die beeldbepalend zijn en ook als zodanig afzonderlijk van het omliggende beheertype beheerd kunnen worden in aanmerking. Sommige landschapselementen maken bijvoorbeeld onderdeel uit van een omliggend natuurbeheertype, zoals lanen die vergroeid zijn met het aangrenzende bos en als zodanig niet meer herkenbaar zijn. Deze landschapselementen komen dan niet voor een beheersubsidie in aanmerking. In dat geval telt de oppervlakte van het landschapselement mee met het aangrenzende natuurbeheertype. Hierbij is wel de voorwaarde dat niet meer dan 20% van dat natuurbeheertype een afwijkend beheer kent. Een beheersubsidie is ten slotte alleen mogelijk voor reeds bestaande landschapselementen Subsidie agrarisch landschapbeheer Ook in het agrarisch gebied zijn diverse landschapselementen aanwezig. Voor deze elementen kan zowel door agrariërs als terreinbeherende organisaties een beheersubsidie worden aangevraagd. In Flevoland zijn alleen de landschapselementen van de terreinbeherende organisaties en de elementen die in blad 21 van 121

23 beheer zijn bij leden van de agrarische natuurvereniging Rivierduingebied exact op kaart aangegeven (zie bijlage 5.1). Voor gebieden waar de aanwezigheid van landschapselementen vermoed wordt maar waarvan de exacte ligging niet bekend is zijn zoekgebieden weergegeven (zie Bijlage 5.2). Binnen deze zoekgebieden komen naar verwachting landschapselementen voor met een belangrijke cultuurhistorische of ecologische waarde. In totaal zijn er in Flevoland negen zoekgebieden aangewezen. Hieronder is per zoekgebied aangegeven voor welke landschapsbeheertypen in dat zoekgebied subsidie kan worden aangevraagd. Zoekgebied Noordoostpolder Beheertype L01.01 poel en klein historisch water In de Noordoostpolder zijn de poelen met name van belang als voortplantingswater voor de strikt beschermde rugstreeppad. Ook voor nieuw aan te leggen poelen is subsidie beschikbaar. Zoekgebieden rondom fruitteeltgebieden L01.03 Beheertype Elzensingel L01.01 Beheertype poel en klein historisch water De elzenhagen rondom fruitteeltgebieden zijn het behouden waard. Ze zijn destijds aangelegd om de laagstamboomgaarden te beschermen tegen de wind. Door slechte economische perspectieven worden veel fruitteeltbedrijven opgeheven en de percelen omgezet in akkerland. Vaak betekent dit dat de elzenhagen ook verdwijnt. De elzenhagen vertegenwoordigen naast een cultuurhistorische waarde, ook een landschappelijke en een ecologische waarde. De subsidie geldt alleen voor de hagen waarvan de functie van het aanliggende fruitteeltgebied is verlaten. In de zoekgebieden rondom de fruitteeltbedrijven in de Noordoostpolder is ook beheersubsidie mogelijk voor het Beheertype poel en klein historisch water. Zoekgebied rondom de Bronsweg L01.02 Beheertype Houtwal en houtsingel L01.03 Beheertype Elzensingel Rondom de Bronsweg ligt een cluster van biologische boerderijen. Hier zijn diverse elzensingels, houtwallen en houtsingels aangeplant. 4.3 Collectief beheer Een belangrijk kwaliteitsaspect is de omvang van geschikt leefgebied. Sommige soorten vragen een omvangrijk leefgebied. Om dit te realiseren is onderlinge afstemming en samenwerking tussen beheerders noodzakelijk. In dit natuurbeheerplan staan via een contour enkele gebieden aangewezen waarin onderlinge afstemming en samenwerking tussen beheerders noodzakelijk is (collectief beheerplan). Achtereenvolgens komen weidevogelbeheer, akkervogelbeheer en ganzenopvang aan de orde. Bij beheervormen waarbij een gebiedsgerichte aanpak gewenst of noodzakelijk is (landschapselementen en bij dynamisch beheer van weidevogels, akkervogels en ganzen) om de effectiviteit van beheermaatregelen te verhogen, kan een collectief beheerplan worden gevraagd van de betrokken beheerders in het gebied met een belangrijke rol voor een gebiedscoördinator. In dit natuurbeheerplan wordt een collectief beheerplan verlangd voor ganzen-, akker- en weidevogelbeheer. De gebiedscoördinator kan bijv. een gecertificeerde agrarische natuurvereniging of Stichting Landschapbeheer zijn. De provincie benoemt één of meer blad 22 van 121

24 gebiedscoördinatoren. Voor het opstellen en uitvoeren van een collectief beheerplan kan subsidie voor een gebiedscoördinator worden aangevraagd. De beheerders in de betreffende gebieden stellen onder leiding van een gebiedscoördinator een collectief beheerplan op als bedoeld in afdeling van de Subsidieregeling Natuur en Landschap Flevoland (SNL). Dit collectief beheerplan is een nadere uitwerking van dit natuurbeheerplan en beschrijft tot op perceelsniveau de maatregelen die worden uitgevoerd ten behoeve van het betreffende beheertype. Na goedkeuring van het plan door Gedeputeerde Staten vormt het de basis voor een subsidieaanvraag op grond van de SNL. In het geval van roulerend beheer wordt op basis van het collectief beheerplan jaarlijks een subsidiekaart opgesteld waarin wordt aangegeven welke beheerpakketten het komende jaar worden uitgevoerd, op welke percelen en door wie. In onderstaand overzicht zijn de contouren genoemd waarvoor een collectief beheerplan vereist is. Om goed leefgebied voor weidevogels en/of akkervogels te realiseren streeft de provincie op termijn naar een dekkingsgraad van 5-7% in gebieden met collectief beheer. Er geldt soms een minimumareaal om voor subsidie in aanmerking te komen. Een collectief beheerplan is vereist voor: Beheertype A01.01: Weidevogelgebieden W1 t/m W6 Beheertype A01.02: Akkerfaunagebieden A1 t/m A6 Beheertype A01.03: Ganzenfoerageergebied G1 en G2 Voor de gebieden Kop van de Nop en Rivierduingebied is collectief beheer mogelijk voor zowel weide- als akkervogels. De minimumoppervlakte waarop akker- en weidevogelbeheer moet worden uitgevoerd om voor subsidie in aanmerking te komen in deze gebieden is 25 ha (akker+weide). Voor ganzenfoerageergebied bedraagt de minimumoppervlakte 150 ha. Voor Zwartemeerdijk bedraagt de minimale oppervlakte aan akkervogelbeheer 10 ha. Voor de gebieden Ettelandse weg, omgeving Schokland en Zwartemeerdijk geldt voor weidevogels geen minimumoppervlakte aan beheer maar moet het collectief beheerplan vooral de afstemming met het aangrenzende natuurgebied beschrijven. In tabellen 3a en 3b is dit samengevat. Huidige verdeling Gebieden Indicatieve verdeling beschikbare ha s over gebieden Minimumoppervlakte (instapeis) Akker- Weide- Ganzenfaunagebiegebievogelfoerageergebied Akkerfaunagebied Weidevogelgebied Ganzenfoerageer -gebied Kop van de Nop Zwartemeerdijk 10 n.v.t. n.v.t n.v.t. Rivierduingebied zuidelijk Flevoland 25 n.v.t. n.v.t n.v.t. Ettelandseweg n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 n.v.t. omgeving Schokland n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 n.v.t. blad 23 van 121

25 Oostkant Flevoland 25 n.v.t n.v.t. Totaal Tabel 3a min: minimumoppervlakte per gebied in ha Indicatieve verdeling: verdeling van beschikbare hectares over de gebieden. Afhankelijk van de belangstelling voor deelname kan hierin worden geschoven. Als de verruiming van het areaal agrarisch natuurbeheer voor Flevoland definitief is vastgesteld wordt de indicatieve verdeling van bovenstaande tabel als volgt: Indicatieve verdeling beschikbare ha s over Gebieden Minimumoppervlakte (instapeis) gebieden Akkerfaunagebied Weidevogelgebied Ganzenfoerageergebied Akkerfaunagebied Weidevogelgebied Ganzenfoerageer -gebied Kop van de Nop Zwartemeerdijk 10 n.v.t. n.v.t n.v.t. Rivierduingebied zuidelijk Flevoland 25 n.v.t. n.v.t n.v.t. Ettelandseweg n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 10 n.v.t. omgeving Schokland n.v.t. n.v.t. n.v.t n.v.t. Oostkant Flevoland 25 n.v.t n.v.t. Totaal Tabel 3b min: minimumoppervlakte per gebied in ha Indicatieve verdeling: verdeling van beschikbare hectares over de gebieden. Afhankelijk van de belangstelling voor deelname kan hierin worden geschoven Collectief weidevogelbeheer Binnen het begrensde weidevogelgebied kan in het kader van de Subsidieregeling Natuur en Landschapbeheer subsidie aangevraagd worden voor weidevogelbeheer. Weidevogelbeheer richt zich behalve op de bescherming van nesten tegen vernieling door landbouwwerkzaamheden, ook op de aanwezigheid van geschikt gebied voor de kuikens om op te groeien zogenaamd kuikenland. Daarom hanteert de provincie de volgende spelregels. Algemene uitgangspunten Pakketten voor weidevogelbeheer kunnen alleen worden aangevraagd op basis van een collectief beheerplan. Een collectief beheerplan wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van een gebiedscoördinator en wordt ondertekend door alle deelnemende landbouwers en de gebiedscoördinator. De gebiedscoördinator wordt aangewezen door Gedeputeerde Staten. blad 24 van 121

26 Een collectief beheerplan heeft betrekking op een begrensd weidevogelgebied of ten minste een aaneengesloten deel daarvan, van minimaal 100 ha beheerd gebied. Een collectief beheerplan geeft de gebieden aan waarbinnen weidevogelbescherming in mozaïekbeheer plaatsvindt. Het mozaïek moet in ieder gebied samengesteld worden binnen de natuurlijke grenzen die barrières vormen voor de kuikens. Het mozaïekbeheer kan samengesteld worden uit overeenkomsten met beheertypen voor de agrarische percelen en overeenkomsten met beheertype vochtig weidevogelgrasland, vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland voor natuurgrond. Indien weidevogelgebied zowel natuurgronden als agrarische gronden omvat (Schokland, Zwartemeerdijk) dient de gebiedscoördinator te zorgen voor afstemming met de beheerders om deze actief in de samenstelling van het mozaïek te betrekken. Een mozaïekbeheer is minimaal gericht op een doelstelling van 50 broedparen per 100 ha. Andere keuzemogelijkheden zijn 75 of 100 broedparen per ha. Voor gebieden met zowel een weide- als akkervogeldoelstelling mag het aantal broedparen van weide- en akkervogels samen genomen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebiedscoördinator om ervoor te zorgen dat de gekozen doelstelling van het aantal broedparen overeenkomt met het aantal dat daadwerkelijk aanwezig is of binnen de beheerperiode kan worden bereikt. Inhoud collectief beheerplan Het collectief beheerplan moet bestaan uit: Een kaart waarop de begrenzing van de mozaïeken en de samenstelling op basis van de gekozen beheerpakketten is weergegeven met een schaal van minimaal 1 : Een tekst waarin tenminste een beschrijving van de volgende onderdelen is opgenomen: Een onderbouwing van de gekozen doelstelling broedparen per 100 ha en een verwachting over de gewenste populatiegroottes gedurende de beheerperiode (ambitie). Een onderbouwing van de totstandkoming van het mozaïek met een onderbouwing van de bereikte spreiding in tijd en ruimte afspraken betreffende de afstemming met beheerders van natuurgrond over de totstandkoming van het mozaïek, het toekomstig beheer en de monitoring. De organisatievorm van het weidevogelbeheer binnen de mozaïeken en het collectief beheerplan en taakverdeling tussen beheerders en vrijwilligers. Extra nestbescherming en monitoring die plaatsvindt buiten de op basis van de subsidieregeling verplichte monitoring (Vrijwillige weidevogelbescherming). Eisen ten aanzien van de verhouding tussen beheerpakketten (het mozaïek) Voor ieder collectief beheerplan geldt een minimumeis van 14 ha kuikenland per 100 ha plangebied. De vereiste oppervlakte kuikenland wordt berekend op basis van de oppervlakte van het totale gebied waarvoor een collectief beheerplan wordt opgesteld. Samenstelling en weging kuikenland Voor de realisatie van kuikenland kan worden gekozen uit de in bijlage 8 genoemde beheerpakketten en toeslagen. De waarde van deze pakketten en toeslagen als kuikenland verschilt. De wegingsfactor staat in bijlage 9 aangegeven. blad 25 van 121

27 Aanvullend op deze beheertypen kunnen als kuikenland meetellen: Natuurgebieden met een weidevogeldoelstelling (N13.01) of de doelstelling vochtig hooiland (N10.02) of kruiden- en faunarijk grasland (N12.02); Beheertype A02.01 botanisch waardevol grasland (Alleen van toepassing bij Zwartemeerdijk) Beheertype A Bouwland met broedende akkervogels De waardering (weging) van deze aanvullende vormen van kuikenland wordt vastgesteld in het collectief beheerplan. Ook de ruimtelijke spreiding (onderlinge samenhang) van het kuikenland valt onder de verantwoordelijkheid van de gebiedscoördinator. Vuistregel hierbij is om het kuikenlandbeheer te situeren binnen 500m van percelen waar de vogels broeden (of voorgaande seizoenen gebroed hebben). Een derde aspect betreft de kwaliteit van het kuikenland. Soms is het te dicht (onaantrekkelijk, ontoegankelijk), soms biedt het te weinig voedsel. De gebiedscoördinator heeft als opgave om voldoende beheer van voldoende kwaliteit te realiseren en dient de onderbouwing daarvan aan te geven in het collectief beheerplan. Flexibiliteit in beheer Er zijn 2 vormen van flexibiliteit: jaarlijkse wijzigingen in de reguliere openstellingsperiode (nov-dec) voor het jaar daarop; Het collectief beheerplan kan jaarlijks aangepast of uitgebreid worden, wanneer blijkt dat de samenstelling van het mozaïek uit oogpunt van effectief weidevogelbeheer wijziging behoeft. Last-minute beheer tijdens het seizoen. De enige vorm van last-minute beheer is kuikenstroken, die gedurende het seizoen worden bepaald. Mate van flexibiliteit Het inzetten van flexibele maatregelen valt altijd onder de verantwoordelijkheid van de gebiedscoördinator. Voor de gebieden die werken met het model Beheer op Maat wordt de mate van flexibiliteit bepaald met deze applicatie. Voor gebieden waar niet met het Model Beheer op Maat wordt gewerkt mag jaarlijks maximaal 20 % van het kuikenland worden gewijzigd van locatie en mag maximaal 10 % van het kuikenland in het mozaïek worden ingevuld met kuikenstroken. Goedkeuring collectief beheerplan Voor goedkeuring dient een collectief beheerplan te voldoen aan vorenstaande spelregels en eisen. In uitzonderlijke situaties kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken op basis van een gemotiveerde onderbouwing in het collectief beheerplan waarom in een specifiek geval niet aan de eisen kan worden voldaan. Monitoring Op basis van monitoringsgegevens in het derde en vijfde jaar dient voor continuering van het beheer aangetoond te worden dat de gekozen doelstelling van het aantal broedparen per 100 ha realistisch is. blad 26 van 121

28 4.3.2 Collectief akkervogelbeheer Algemene uitgangspunten Pakketten voor akkervogelbeheer kunnen alleen worden aangevraagd op basis van een collectief beheerplan. Een collectief beheerplan wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van een gebiedscoördinator en wordt ondertekend door alle deelnemende landbouwers en de gebiedscoördinator. De gebiedscoördinator wordt aangewezen door Gedeputeerde Staten. Een collectief beheerplan heeft betrekking op een begrensd akkervogelgebied of ten minste een aaneengesloten deel daarvan, van minimaal 100 ha beheerd gebied. Het collectief beheerplan is minimaal gericht op een doelstelling van 50 broedparen akkervogels per 100 ha. Een collectief beheerplan voor akkervogels omvat op akkervogels aangepast beheer op ten minste 5% van het areaal beheerd gebied. Inhoud collectief beheerplan Het collectief beheerplan moet bestaan uit: Een kaart waarop de begrenzing van de percelen waarop akkervogelbeheer plaatsvindt en de gekozen beheerpakketten staan weergegeven met een schaal van minimaal 1 : Een tekst waarin tenminste een beschrijving van de volgende onderdelen is opgenomen: Een beschrijving van de actuele aantallen broedende akkervogels en indien bekend - overwinterende akkervogels. Een beschrijving van de gewenste aantallen broedparen (per 100 ha) gedurende de beheerperiode (ambitie). Een beschrijving van de toe te passen zaadmengsels per beheertype en de spreiding daarvan in tijd en ruimte De organisatievorm van het akkervogelbeheer binnen het collectief beheerplan. Een beschrijving van de wijze waarop de monitoring van het beheer zal plaatsvinden. Eisen ten aanzien van de verhouding tussen beheerpakketten De oppervlakte waarop de pakketten A (zomer) en A (winter) worden uitgevoerd verhoudt zich ongeveer als 4:1 (80%zomer:20%winter) Bij de bepaling van de oppervlakte aangepast beheer mogen de oppervlaktes met de volgende weidevogelbeheertypen worden meegeteld. A Weidevogelgrasland met rustperiode A Weidevogelgrasland met voorweiden A Plas-dras A Kuikenstroken A Kruidenrijk weidevogelgrasland A Extensief beweid weidevogelgrasland Goedkeuring collectief beheerplan Voor goedkeuring dient een collectief beheerplan te voldoen aan vorenstaande spelregels en eisen. In uitzonderlijke situaties kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken op basis van een gemotiveerde onderbouwing in het collectief beheerplan waarom in een specifiek geval niet aan de eisen kan worden voldaan. blad 27 van 121

29 4.3.3 Collectief Ganzenfoerageergebied Binnen het begrensde ganzenfoerageergebied kan in het kader van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapbeheer subsidie aangevraagd worden voor het beheer van overwinterende ganzen. Hierbij hanteert de provincie de volgende spelregels. Algemene uitgangspunten Pakketten voor ganzenfoerageergebied kunnen alleen worden aangevraagd op basis van een collectief beheerplan. Een collectief beheerplan voor ganzenfoerageergebied wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van een gebiedscoördinator en wordt ondertekend door alle deelnemende landbouwers en de gebiedscoördinator. De gebiedscoördinator wordt aangewezen door Gedeputeerde Staten. Een collectief beheerplan heeft betrekking op een begrensd ganzenfoerageergebied of ten minste een aaneengesloten deel daarvan, van minimaal 200 ha beheerd gebied en omvat minimaal 150 ha aan beheerpakketten. Inhoud collectief beheerplan Het collectief beheerplan moet bestaan uit: Een kaart waarop de begrenzing en ligging van de gekozen beheerpakketten is weergegeven met een schaal van minimaal 1 : Een opgave van de totale oppervlakte waarop beheersubsidie wordt aangevraagd. 4.4 Subsidies probleemgebieden In Flevoland komen geen gebieden in aanmerking voor probleemgebiedensubsidie, omdat in het plattelandsontwikkelingsplan geen gebieden zijn aangewezen als probleemgebied. 4.5 Groenblauwe Diensten en regionaal maatwerk De Subsidieverordening Natuur- en Landschapbeheer Flevoland kent één regionale verbijzondering. Op boerenerven kunnen amfibieënpoelen (ten behoeve van rugstreeppad) voor beheersubsidie in aanmerking komen. Er zijn verder geen aanvullende beheertypen of pakketten geformuleerd. Naast het subsidiestelsel voor Natuur- en Landschapbeheer (SNL) kent provincie Flevoland mogelijkheden voor projectsubsidies voor bijv. herstel van erfbeplantingen of verbetering van leefgebieden van soorten. Voor meer informatie, zie de website van de provincie Flevoland ( blad 28 van 121

30 5 Areaal per beheertype en natuurtype In dit hoofdstuk zijn de arealen van de huidige natuurbeheertypen en natuurtypen weergegeven in hectares. Het gaat om een vrij grove benadering doordat beheereenheden in hun geheel aan één beheerder zijn toegekend. Met behulp van deze areaalbepalingen ontstaat inzicht in het totaal aantal hectare natuur in de provincie. Daarmee kan het belang van Flevoland voor bepaalde beheertypen worden bepaald. Ook kunnen de beheerkosten globaal berekend worden. 5.1 Areaal per beheertype In onderstaande tabel is per beheertype het aantal hectares bij benadering weergegeven. Beheertype voorkomend in Flevoland Aantal hectares Waarvan aantal ha s TBO 1 Waarvan aantal ha s Rijksdien sten 2 Waarvan aantal ha s overige N00.01 Nog om te vormen natuur N00.02 Nog om te vormen natuur N01.03 Grootschalige rivier- en moeraslandschap N03.01 Bron en beek N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete plas N04.04 Afgesloten zeearm N05.01 Moeras N05.02 Gemaaid rietland N06.04 Vochtige heide N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland N11.01 Droog schraalgrasland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt en overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld blad 29 van 121

31 N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en laagveenbos N14.03 Haagbeukenen essenbos N15.02 Dennen-, Eiken- of Beukenbos N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie N17.01 Vochtig hakhout of middenbos Eindtotaal ha Tabel 3: Areaal beheertypen 1 TBO: Natuurmonumenten en Flevo-Landschap 2 Rijksdiensten: Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat Opmerkingen bij tabel 3 en bijbehorende berekening: Twee beheertypen vallen op door het grote aantal hectares waarin ze voorkomen. Dit zijn N04.02 Zoete plas ( ha) en N04.04 Afgesloten zeearm ( ha). Deze beheertypen zijn veelal toegekend aan de grotere wateren van Flevoland. Het beheertype N04.02 is bijvoorbeeld toegekend aan het Markermeer/IJmeer. Beheertype N04.04 is toegekend aan het IJsselmeer. Beheertypen die ook veel voorkomen in Flevoland zijn: N00.01 Nog om te vormen natuur N01.03 Grootschalig rivier- of moeraslandschap N04.01 Kranswierwateren N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.01 Droge bossen met productie N16.02 Vochtige bossen met productie De vele hectares voor het beheertype Nog om te vormen natuur hangt samen met de realisatie van het OostvaaardersWold. Het beheertype grootschalige rivier- of moeraslandschap komt veel voor doordat het onder andere geheel of gedeeltelijk is toegekend aan de grote natuurgebieden Oostvaardersplassen en het Horsterwold. De grote arealen met betrekking tot de beheertypen Kranswierwateren zijn toe te schrijven aan de grote randmeren. Het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland is ook veel voorkomend. Dit type komt onder andere veel voor op de oevers langs de vele vaarten in Flevoland. De ambitie voor deze, vaak nog te ontwikkelen natuurvriendelijke oevers, ligt meestal in de sfeer van rietzomen of moeras. Beheertype N14.03 (Haagbeuken- en essenbos) heeft ook veel hectares toegekend gekregen. Het is een in Flevoland thuishorend beheertype met een rijke structuur en veel variatie in flora en fauna. De vele hectares voor de beheertypen Droge en- Vochtige bossen met productie zijn een resultaat van de nog jonge aanplant in de provincie Flevoland waarin nog veel hout wordt geoogst. Daarnaast draagt ook de productiedoelstelling die Staatsbosbeheer voor een aantal gebieden hanteert hier aan bij. blad 30 van 121

32 Agrarisch beheertype voorkomend in Flevoland Omvang zoekgebied A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfoerageergebied A02.01 Botanisch waardevol grasland Totaal 1821 Tabel 4: Areaal agrarische beheertypen Beschikbaar (indicatie) Opmerkingen bij tabel 4 en bijbehorende berekening: In tegenstelling tot natuurbeheertypen zijn de agrarisch natuurbeheertypen in dit natuurbeheerplan nog niet 1 op 1 begrensd. Weergegeven is de oppervlakte van de begrensde zoekgebieden en een verdeling -op basis van gemiddelde kostenwaarnaar de provincie streeft. 5.2 Areaal per natuurtype In tabel 5 zijn de arealen van de (agrarische) natuurtypen weergegeven. Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk niveau en bruikbaar om afspraken op het gebied van natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. De indeling in natuurtypen is met name gebaseerd op abiotische condities (waterhuishouding en voedselrijkdom). Natuurtypen voorkomend in Flevoland Aantal hectares N01 Grootschalige, dynamische natuur 6617 N03 Beken en bronnen 2 N04 Stilstaande wateren N05 Moerassen 890 N06 Voedselarme venen en vochtige heiden 46 N10 Vochtige schraalgraslanden 170 N11 Droge schraalgraslanden 65 N12 Rijke graslanden en akkers 2643 N13 Vogelgraslanden 331 N14 Vochtige bossen 5110 N15 Droge bossen 169 N16 Bossen met productiefunctie 9872 N17 Cultuurhistorische bossen 6 N00 Nog om te vormen naar natuur 2222 Subtotaal N-typen A01 Agrarische faunagebieden 1810 A02 Agrarische floragebieden 11 Subtotaal A-typen 1821 Tabel 5 Areaal natuurtypen blad 31 van 121

33 Uit bovenstaande tabel blijkt dat er in Flevoland 13 natuurtypen in meer of mindere mate voorkomen in Flevoland (N00 is nog geen natuur). Daarnaast zijn er 2 agrarische natuurtypen. Natuurtype N04 Stilstaande wateren is dominant. Ook veel voorkomend zijn de natuurtypen N01 Grootschalige, dynamische natuur, N12 Rijke graslanden en akkers, N14 Vochtige bossen en N16 Bossen met productiefunctie. Beperkt voorkomende natuurtypen zijn N06 Voedselarme venen en vochtige heiden, N11 Droge schraalgraslanden en N17 Cultuurhistorische bossen. Vanwege de beperkte oppervlakte zijn deze (laatstgenoemde) natuurtypen kwetsbaar. Verder is in tabel 5 te zien dat bij de agrarische natuurtypen de nadruk ligt op faunagebieden blad 32 van 121

34 Bronvermelding Aanwijzingsbesluiten Natura DOCUVITP-# v _PC_OPB_2_3_Index_vertaaltabel_ DOCUVITP-# v _Stuurgroep_OPB_5_2_Toelichting_Index_(kort) Altenburg_en_Wymenga_2007 Ecologische waarden van natuurgebieden in de oostrand. DOCUVITP-# v1- Beschrijving_plus_indeling_van_Flevolandse_soorten. DOCUVITP-# v1- Natuurbeheerplan_in_nieuwe_stelsel_natuur_en_landschapbeheer DOCUVITP-# v1-Flevoland_-_Soortenbeleid_-_PSO_2008 Uitwerking_ Leefgebiedenbenadering_Flevoland_voor_soorten. DOCUVITP-# v _Stuurgroep_OPB_5_3_Index_bijlage_1 DOCUVITP-# v _Stuurgroep_OPB_5_4_Index_bijlage_2 DOCUVITP # Index_beschrijvingen_versie 14nov08 Frequent Asked Questions IMNAB Pilot en rapport Informatiemodel Natuurbeheer (IMNAB) Gebiedsplan voor natuur en landschap Flevoland. Behoort bij GS besluit: ROV/ /A Gebiedsplan-nl-versie Natuurgebiedsplan beheerdoelstellingen en pakketten Sjabloon IPO versie VS2008 Flevolandse soorten v3_tv blad 33 van 121

35 blad 34 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

36 Bijlagen Bijlage 1 Globale ligging (agrarische) natuurterreinen Bijlage 2 Ecologische hoofdstructuur Bijlage 3 Natuur Bijlage 3.1 Ambitiekaart a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland c. Zuidelijk Flevoland Bijlage 3.2 Natuurbeheertypenkaart a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland c. Zuidelijk Flevoland Bijlage 3.3 Natuurtypenkaart Bijlage 4 Agrarische natuur Bijlage 4.1 Beheergebieden weidevogels a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland Bijlage 4.2 Beheergebieden akkervogels a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland c. Zuidelijk Flevoland Bijlage 4.3 Beheergebied ganzenopvang a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland Bijlage 4.4 Beheergebied botanisch grasland a. Noordelijk Flevoland Bijlage 5 Landschap Bijlage 5.1 Landschapsbeheertypen a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland c. Zuidelijk Flevoland Bijlage 5.2 Landschapzoekgebieden a. Noordelijk Flevoland b. Oostelijk Flevoland Bijlage 6 Toeslagen Bijlage 6.1 Recreatiepakket Bijlage 7 Beschrijving terreinen Bijlage 8 Beheerpakketten collectieve beheerplannen Bijlage 9 Gewichtsfactoren kuikenland pakketten A Bijlage 10 Zaadmengsels en zaaidichtheden beheertype A1.02 Bijlage 11 Akker- en weidevogels Bijlage 12 Overzicht beheertypen volgens Index N&L blad 35 van 121

37 blad 36 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

38 Overige bijlagen Bijlage 7 Beschrijving terreinen Noordelijk Flevoland De Noordoostpolder, inclusief gemeente Urk, wordt Noordelijk Flevoland genoemd en is de oudste van de drie Flevolandse polders. Bij de ontwikkeling van het gebied rond de jaren 50 is gestreefd naar een optimaal op landbouw afgestemde inrichting. Zoveel mogelijk grond was bestemd voor de landbouw, met een voor die tijd optimale kavelgrootte. Alleen de destijds voor de landbouw ongeschikte gronden werden gebruikt om bos in te planten. Dit heeft geresulteerd in het Voorster-, het Kuinder-, het Schokker- en het Urkerbos. Deze gebieden hebben zich snel ontwikkeld tot natuurgebieden met een bijzondere kwaliteit, zowel door de omvang als door de variatie in bodemopbouw. Landschappelijk kent het gebied een heldere indeling. In het midden van de polder ligt Emmeloord als centrale kern en daaromheen bevindt zich een ring van dorpen, welke een verdichte gordel vormen rondom het relatief open middengebied. De dorpen hebben elk een eigen dorpsbos en zijn daarnaast omringd door groensingels. Verder zijn de dorpen onderling verbonden door wegen waarlangs een stevige groenstructuur ligt. De voormalige eilanden Urk en Schokland, en ook de oude vuurtoren Oud-Kraggenburg, zijn in het ontwerp van de Noordoostpolder opgenomen. Daarbij wordt door het behoud van openheid rondom en door behoud van belangrijke zichtlijnen, de herkenbaarheid als voormalig eiland benadrukt. Alle drie de gebieden zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt van groot belang. Noordelijk Flevoland is als geheel dan ook aangewezen als 'Belvedèregebied' waarbij beide eilanden expliciet vermeld zijn. Schokland is bovendien geplaatst op de werelderfgoedlijst van Unesco. Centraal door de polder loopt een assenkruis van wegen en vaarten. Van oorsprong kenden deze vaarten vooral een technische inrichting, maar geleidelijk zijn delen ervan meer natuurvriendelijk ingericht waardoor ze een rol kunnen spelen als ecologische verbinding. Ook de natuurvriendelijk beheerde wegbermen en de wegbeplantingen kunnen een dergelijke verbindende betekenis hebben. De ruim opgezette erfbeplantingen rond boerderijen vormen aanvullende ecologische 'stepping stones' in een verder open landschap. Het agrarische grondgebruik is zeer gevarieerd en omvat naast akkerbouw en melkveehouderij ook aanzienlijke arealen vollegronds- en glastuinbouw en bloembollenteelt. De noordwesthoek van de Noordoostpolder is door de bodemeigenschappen en de aanwezigheid van onderdijkse kwel geschikt om de relatie tussen het IJsselmeer en het binnendijkse gebied te versterken. Vooral de omgeving van de Rotterdamse Hoek biedt hiertoe goede mogelijkheden. Door het realiseren van meer natte natuur kunnen hier zeer waardevolle broed-, foerageer- en rustplaatsen ontstaan voor moeras-, water- en weidevogels. De Noordoostpolder herbergt ongeveer zeven procent van de landelijke populatie Rugstreeppadden. De hoogste dichtheden bevinden zich rondom Schokland, Espel en Rutten. Eigenlijk kan de hele Noordoostpolder worden beschouwd als leefgebied voor de Rugstreeppad. De soort is afhankelijk van waterpartijen met ondiepe blad 37 van 121

39 oeverzones in een pionierstadium die niet vroegtijdig droogvallen. Ook stabiele, niet verstoorde, overzomerings- en, overwinteringlocaties op akkers, natuurgebieden en nabij bebouwing. Struweel en houtachtige lijnelementen zijn van groot belang voor migratie van de Rugstreeppad en overleving van deze soort. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 1 HET KUINDERBOS Ca ha SBB Status EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur N04.02 Zoete plas N06.04 Vochtige heide N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Het Kuinderbos is een circa ha groot aaneengesloten gemengd boscomplex in eigendom van Staatsbosbeheer. Het bos ligt geïsoleerd in de noordoosthoek van de Noordoostpolder. Het wordt omgeven door akkers en aan de noordoostzijde door grasland. Het Kuinderbos is aangeplant in de periode als productiebos en is daarmee, samen met het Voorsterbos, het oudste bos van de Noordoostpolder. Het bos is goed ontsloten door een vrij dicht padenstelsel. Daarnaast doorsnijden vier secundaire wegen het gebied. In het centrum van het bos is in tot 1981 zand gewonnen. Hierdoor is een tot 5 meter diepe waterplas ontstaan. Deze Kuinderplas wordt omgeven door rietland, natte heide en droog grasland. In dit open gebied is op de voormalige zeebodem een ontwikkeling naar zowel heide al duingrasland gaande. Het Kuinderbos bestaat uit twee delen: het feitelijke Kuinderbos als aaneengesloten complex met de Kuinderplas in het centrum en het Burchtbos in het zuidoosten. Tussen het Kuinderbos en het Burchtbos ligt een graslandenclave. In het Burchtbos ligt een voormalige burcht. Een brede tocht - de Kuindervaart - loopt vanaf de voormalige burcht door het bos in zuidwestelijke richting naar de Lemstervaart. Aan de zuidwestkant van het Kuinderbos ligt het Schoterveld. Deze graslandpercelen zijn als verdroogd aangemerkt op de TOP-lijst. In het Schoterveld is een waterplas gegraven. Kenmerken Abiotiek Het Kuinderbos ligt 0,5 tot 3 meter onder NAP. De noordoostrand van het gebied ligt het hoogste. In zuidwestelijke richting daalt de bodem snel. Het grootste deel van het Kuinderbos ligt op zandgrond. De bodem is op veel plaatsen kalkrijk. Onder het zand komt veen voor. Vooral ten noorden van de Schoterweg komt deze veenlaag bijna aan het oppervlak. In het zuidoostelijk deel van het gebied is over een klein oppervlak kleigrond aanwezig. Rond de Kuinderplas heeft zich in de bodem een podzolprofiel ontwikkeld, waarbij met het regenwater opgeloste humus en ijzer in verschillende lagen in de bodem zijn afgezet. Plaatselijk is sprake van zwakke kwelsituaties. Dit biedt een goede voedingsbodem voor een grote variatie aan planten en dieren, zoals vele bijzondere en zeldzame soorten. Het oostelijk deel van de graslanden aansluitend aan de Kuinderplas wordt blad 38 van 121

40 extensief beweid met pony s waardoor een structuurrijke vegetatie is ontstaan. Ook is een waterstructuur door het Kuinderbos gerealiseerd, met inbegrip van twaalf herstelde historische vennen. Natuur Vegetatie De Kuinderplas is van grote botanische waarde doordat op de voormalige zeebodem een ontwikkeling naar zowel heide (kalkarme bodem) als duingrasland (kalkrijke bodem) mogelijk blijkt. De ontwikkeling vindt plaats in een gebied waar kalkarme veenbodem en kalkrijk zand in combinatie voorkomen. Dankzij de aanwezigheid van verschillende bodemtypen heeft zich hier een groot aantal soorten gevestigd van de Rode Lijst zoals Ronde zonnedauw, Rond wintergroen, Dennenwolfsklauw en Kleine ratelaar. Het Kuinderbos is een gemengd loof- en naaldhoutbos. Paddenstoelen, mossen en varens Opvallend is de rijkdom aan paddenstoelen, varens en mossen. Wat betreft de varens is het Kuinderbos zelfs van internationaal belang. De vegetatie van hogere planten heeft nog een ruderaal karakter, hoewel op minder rijke groeiplaatsen soorten uit het eiken-beukenbos voorkomen. Vogels De broedvogelbevolking is kernmerkend voor een (jong) bos op rijke bodem. Kenmerkend zijn de Wespendief, Houtsnip, Wielewaal en Appelvink. Veel soorten van oude bossen ontbreken nog. Ondanks de Kuinderplas broeden er weinig moerasvogels in het Kuinderbos. Dit houdt mogelijk verband met de recreatiedruk. Vlinders Het gebied is interessant voor verschillende soorten vlinders. Komende jaren worden meer zoomvegetaties ontwikkeld, waardoor bijvoorbeeld Weerschijnvlinder en Sleedoornpage het gebied kunnen ontdekken. Sommige menen dat ook potentieel zelfs het voorkomen van de IJsvogelvinder tot de mogelijkheden behoort. Libellen In de Kuinderplas en de nabijgelegen gegraven poeltjes is sprake van een goede waterkwaliteit omdat deze grondwater gevoed zijn. Rondom het open gebied van de Kuinderplas worden dan ook de meeste libellen waargenomen. In en rond het Kuinderbos en Kuinderplas zijn 26 soorten libellen waargenomen. Belangrijke soorten zijn Noordse Winterjuffer en Gevlekte Witsnuitlibel. Beide soorten zijn habitatrichtlijnsoorten in het kader van Natura Amfibieën en reptielen De Rugstreeppad komt wijd verspreid voor in de Noordoostpolder. De soort wordt weinig waargenomen in het Kuinderbos zelf, maar wel in omliggende gebieden. Overal in het Kuinderbos worden Ringslangen aangetroffen, maar er is sprake van duidelijke concentraties nabij de Kuinderplas en in de Kuindervaart. De dichtheid van Ringslangen op deze plaatsen is voor Nederlandse begrippen extreem hoog. Zoogdieren Van de Boommarter zijn diverse waarnemingen bekend. Jaarlijks worden ook jonge Boommarters waargenomen. De Otter werd incidenteel waargenomen en heeft zich in 2003 enige tijd in de Kuinderplas opgehouden. De Waterspitsmuis wordt langs de graslanden incidenteel waargenomen. Ook gebruiken verschillende vleermuizen dit gebied om te foerageren, voort te planten en te overwinteren. Andere functies Binnen het Kuinderbos bevindt zich een aantal historische attractiepunten: de Kuinderburcht en de oude haven van Kuinre en de onlangs gerestaureerde blad 39 van 121

41 meetstoel. Ook is er een natuurcamping binnen het gebied te vinden. Verder ligt er in het Kuinderbos een oude, te saneren, afvalbelt. De A6 en de N351 lopen vlak langs het gebied. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 2 HET VOORSTERBOS EN KADOELERBOS (en omgeving) Ca. 845 ha NM / particulier Status EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen nieuwe natuur N00.02 Nog om te vormen bestaande natuur N05.01 Moeras N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos Beschrijving gebied Het tweede grote bosgebied in de Noordoostpolder is het Voorsterbos, aangeplant in Dit ligt aan de zuidoostkant van deze polder en bestaat uit een gemengd loofen naaldbos. Dit gebied is op te delen in enkele grotere stukken: het Voorsterbos, het Kadoelerbos met het Kadoelerveld, Wendelbos en het Waterloopbos. Het Kadoelerbos, het Kadoelerveld, het noordelijke deel van het Voorsterbos en het Wendelbos staan op de TOP-lijst van verdroogde gebieden. Het Kadoelerveld, een strook zuidelijk van het Kadoelerbos, wordt ontwikkeld tot een Kuiden- en faunarijk grasland; in het gebied zijn poelen gegraven. Verder zal het gebied een overgang laten zien van bos naar open gebied met struweel en een beekje. In het noordwesten van het Voorsterbos is recent het 100 ha grote Wendelbos aangeplant. Dit bos met inheemse loofboomsoorten staat periodiek onder water en zal zich ontwikkelen tot een nat (beekbegeleidend) bostype. In het gebied rond het Zweefvliegveld (44,4 ha) is een stuk bos en een beek aangelegd. Ook dit stuk bos zal zich ontwikkelen tot een nat (beekbegeleidend) bostype. Op dit gebied sluit een oude houtwal aan. Het perceel ten zuiden van het zweefvliegveld is recent ingericht; er is reliëf gemaakt, een grote waterpartij aangelegd en struweel aangeplant. Dit gebied is binnen enkele jaren grazig (N12.02). De ambitie voor dit perceel is vanwege de kalkrijke zandbodem nat schraalland met grasland. Dit is alleen mogelijk wanneer een hoger winterpeil wordt aangehouden. In een hoekje van dit perceel ligt een stuk nog om te vormen natuur (N00.02). Dit stukje is feitelijk nog niet verworven en heeft momenteel een andere functie dan een natuurfunctie. Het gebied ten zuidwesten van het Voorsterbos (gebied Leemringweg) bevat een botanisch interessant grasland. Dit gebied wordt begrensd door een waardevolle oude houtwal. Aangrenzend ligt een stuk nieuwe natuur, dat ingericht zal worden als een paddenstoelenreservaat. De ambitie van dit stuk nieuwe natuur is een combinatie van schraal grasland met verspreid staande bomen. Aan de zuidkant is ruimte voor spontane bosopslag. Tijdens de inrichting worden de aanwezige blad 40 van 121

42 gradiënten in het terrein optimaal benut. Het Waterloopbos (120 ha) ligt ten noorden van het Voorsterbos en had een bestemming als laboratoriumgebied. Ondanks dat het laboratorium is verdwenen, zijn wel diverse, historisch waardevolle waterloopkundige modellen achtergebleven. Een aantal modellen is de afgelopen jaren hersteld en een aantal modellen zal in de toekomst nog worden hersteld. De modellen dienen vrijgehouden te worden van opslag. In het Natuurbeheerplan is een voorlopig beeld van de ligging van de modellen op een kaartje aangegeven. Op en rondom de modellen kunnen interessante natuurwaarden ontstaan. In het Waterloopbos is weinig tot geen beheer uitgevoerd. Dit bos biedt een uitstekende uitgangssituatie voor de verdere ontwikkeling van een gevarieerd bosgebied, waarbij de oude waterloopkundige modellen als cultuurhistorische /recreatieve objecten dienen. Op het terrein van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium bevindt zich een elzenbroekbosje en verder veel singels met een belangrijke verbindende functie. De totale oppervlakte hiervan is 40 tot 50 ha. In het Voorster- en Kadoelerbos is het beheer gericht op omvorming tot bos met hogere natuurwaarden. In het bos zijn en worden vlinderbanen aangelegd en aan de randen wordt gewerkt aan het creëren van een geleidelijke overgang van bos naar open ruimte. Zowel in het bos als aan de randen zijn en worden poelen aangelegd. Voor ca. 45 % van het bos is omvorming gewenst naar een meer gevarieerd bostype. Kenmerken Abiotiek Het Voorsterbos ligt 0,7 tot 2,4 meter onder NAP. Het bos is aangeplant op een restant van het keileemgebied dat een voortzetting is van de keileemopduikingen van het Hoge land van Vollenhove. De hoogste delen liggen in het oosten rond het eiland van Vollenhove. Naar het westen toe neemt de hoogte af. De bodem van het Voorsterbos is gevarieerd qua samenstelling en reliëf. Afwisselend komen grof zand en keileem aan het oppervlak. In het oostelijk deel van het Kadoelerbos is de bodem zeer vochtig omdat hier relatief veel keileem in de bodem zit. Vanwege de aanwezigheid van een grote hoeveelheid schelpen is de bodem op de meeste plaatsen kalkrijk. In het bos komt geen of alleen zwakke kwel voor. Langs de rand aan het Kadoelermeer komt juist sterke kwel voor. In het hele bosgebied kunnen s winters hoge waterstanden voorkomen. Natuur Vegetatie De botanische waarden van het Voorsterbos en omgeving zijn sterk gekoppeld aan de aanwezige bodemgradiënten en begreppeling ten behoeve van de waterafvoer. De hoogste waarden zijn gevonden in het westelijke keileemgebied en in het oostelijke gedeelte van het Kadoelerbos. Hier zijn groeiplaatsen aangetroffen van zeldzame, kalkindicerende varens zoals Tongvaren. Daarnaast komen meerdere plantensoorten voor die kenmerkend zijn voor oudere bossen op voedselrijke bodem. In het oostelijk deel van het Kadoelerbos zijn veel vochtminnende soorten aangetroffen, waaronder de kwelindicerende soorten Bosbies en Holpijp. In het oppervlaktewater hebben zich plaatselijk Krabbenscheervegetaties ontwikkeld. Langs waterafvoerende sloten in dit gebied ontwikkelt het bos zich spontaan tot het in Nederland vrij zeldzame Vogelkers-Essentype. In dit bosgebied komt ook een grote rijkdom voor aan paddenstoelen, varens en mossen. Paddenstoelen en mossen Het Voorsterbos is groeiplaats voor een groot aantal paddenstoelen. Vooral in het Waterloopbos komen veel soorten voor, waaronder de zeldzame Geaderde blad 41 van 121

43 hertenzwam en het Gewone morielje. De zeldzame en zeer giftige Groene knolamaniet is algemeen in het Kadoelerbos. De afgelopen jaren zijn 25 Rode Lijstsoorten aangetroffen. Hiervan zijn 24 soorten typisch voor een polderbos, waaronder veel bedreigde soorten. Libellen Sinds de vernatting van het Waterloopbos is er een geschikte habitat voor libellen ontstaan. Onder andere soorten zoals Gevlekte witsnuitlibel en Groene glazenmaker kunnen hier nu worden aangetroffen. Aan de oostrand van het bos zijn relatief veel ondiepe plasjes voorhanden met weinig begroeiing en sterk wisselende waterstanden. Deze watertjes kenmerken zich door het voorkomen van allerlei pioniersoorten. Een vrij zeldzame, maar typische pioniersoort die in het Kadoelerveld is waargenomen, is de Tengere grasjuffer. Dagvlinders In het Voorsterbos komen vooral algemene dagvlinders voor. Ook de Grote weerschijnvlinder wordt waargenomen. Amfibieën en Reptielen Door het vochtige karakter van het bos en de aanwezigheid van poelen wordt het gebied steeds aantrekkelijker voor amfibieën. De beschermde Rugstreeppad is waargenomen. Zowel in het Kadoelerbos /Kadoelerveld als aan de westkant van het Voorsterbos komen Ringslangen voor. Vogels Het Voorsterbos heeft een broedvogelbevolking die kenmerkend is voor bos op een rijke bodem. Typerend zijn soorten als Houtsnip, Zomertortel, Kleine bonte specht, Nachtegaal en Spotvogel. Het Voorsterbos heeft zich al iets verder ontwikkeld dan het Kuinderbos. Ook een "oude bos soort" als de Zwarte specht heeft zich hier al gevestigd. Ook is het gebied rijk aan roofvogels. Zoogdieren In het Voorsterbos is de Boommarter een vaste bewoner. Het bos vormt tevens een belangrijk leefgebied voor kleine zoogdieren. Verschillende soorten vleermuizen overwinteren in bunkers en ijskelders, waaronder de Franjestaart. Andere functies Het gebied tussen de Leemvaart en de Zwolse vaart is mede ingericht voor de recreatie en wordt het meest intensief door wandelaars bezocht. Hier is zowel een reguliere camping met recreatievoorzieningen als een natuurcamping. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 3 SCHOKLAND Ca. 492 ha SFL/gemeente NOP/ particulier Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen bestaande natuur N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Vanaf grote afstand is het voormalige eiland Schokland in het landschap te herkennen. Het eiland zelf heeft een oppervlakte van 142 ha. Daarvan bestaat ca. blad 42 van 121

44 32 ha uit een bosstrook (singels) die het eilandkarakter accentueren. Aan de westzijde ligt het Schokkerbos (60 ha). In totaal beslaat het EHS-gebied Schokland 470 ha met bebouwing, bos, gras- en bouwland, houtsingels en open water. Het eiland en het gebied rond het eiland hebben een langdurig agrarisch beheer gekend. De reservaatsgebieden rond het eiland zijn aangekocht, maar behouden hun open, deels agrarisch karakter om het visuele aspect van een eiland in het landschap te behouden. Daarvoor is ook instandhouding van de houtsingels gewenst. De reservaatgebieden worden beheerd als nat, bloemrijk grasland, deels akkerland en weidevogelgrasland. Schokland is een milieubeschermingsgebied voor bodem en archeologie. Daarnaast staat een groot deel van het gebied op de TOP-lijst van verdroogde gebieden. In de oostrand van Schokland bevindt zich een populatie van de rugstreepppad. Om de populatie te behouden en te versterken zullen hier een aantal poelen aangelegd worden. Verder zal in dit deel van Schokland het beheer van een aantal percelen omgevormd worden van kruiden- en faunarijk grasland naar vochtig hooiland. Kenmerken Abiotiek Binnen het bos bevindt zich een keileemopduiking, hier is een geologische tuin ingericht met daarbij een bezoekerscentrum De Gesteentetuin. Het eiland als geheel is herkenbaar als een verhoging in het landschap, van grote afstand zichtbaar. Bij een verdergaande ontwatering kan deze karakteristiek verloren gaan door het inklinken van onderliggende veenlagen. In het Schokkerbos zijn al vernattingsmaatregelen gerealiseerd. In het midden van het bos komt keileem aan de oppervlakte, dat hier en daar met een dunne laag grof zand is afgedekt. Deze keileemopduiking vertoont een scherpe overgang naar een veenachtige/zavelige bodem. Natuur Vegetatie Het Schokkerbos bestaat uit een loofbos met hoofdboomsoorten als Zomereik, Gewone esdoorn, Gewone es. Ook komen Sitkaspar en Fijnspar voor. Opvallend zijn de diverse rabatten in vooral het Essen-Iepenbos op keileem. Tegenwoordig is een aantal van de rabatten afgedamd, wat het bos een nat karakter geeft. Ondanks de diversiteit in bodemtypen zijn in het Schokkerbos nog geen bijzondere zaadplanten gevonden. Wel neemt de verspreiding van het aantal bosplanten gestaag toe. In de gesteentetuin in het Schokkerbos heeft zich wel een soortenrijk grasland ontwikkeld met verschillende orchideeën. Mossen en paddenstoelen De bijzondere waarden van het bos worden op dit moment gevormd door mossen en paddenstoelen. Onder de Essenbossen op keileem worden de meeste mossen gevonden met zeldzame, kalkrijkdom indicerende soorten als Etagemos, Grof etagemos en Pluimstaartmos. De bosgreppels en rabatten op keileem hebben een bijzondere waarde voor paddenstoelen, bladmossen en varens. Tot 1999 zijn 438 soorten paddenstoelen aangetroffen. Vlinders en libellen De gesteentetuin van Schokland herbergt veel verschillende vlindersoorten. Ook libellen komen in Schokland veel voor. Amfibieën Het gebied vormt een kerngebied voor de Rugstreeppad en vormt een belangrijk leefgebied voor allerlei andere amfibieën. Vogels Het Schokkerbos heeft een belangrijke functie als broedgebied voor bosvogels. In het verleden zijn er ca 54 broedvogels geteld, waaronder soorten als Houtsnip, Kruisbek en Appelvink. Ook Graspieper, Kneu, Steenuil en Kerkuil zijn blad 43 van 121

45 in en rond het gebied aangetroffen. Hiernaast heeft het gebied een belangrijke functie als foerageergebied voor vogels die voorkomen op de omliggende meren. Onder andere Visarend, Lepelaar en Grote zilverreiger komen voor. In de delen die vernat zijn worden Porseleinhoenen gesignaleerd. Zoogdieren Uit de omgeving zijn waarnemingen bekend van Steenmarter en Boommarter. Waarschijnlijk gaat het hier om zwervende exemplaren. Overige Het gebied vormt tevens een belangrijk leefgebied voor kleine zoogdieren. Andere functies Het eiland zelf, met restanten van vier oude woonterpen heeft vooral een museale en landschappelijke functie. In 1995 is Schokland en omgeving door Unesco op de Werelderfgoedlijst geplaatst. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 4 HET URKERBOS incl. Toppad en Staartreservaat Ca. 240 ha SFL Status EHS / Beschermd natuurmonument Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur N05.01 Moeras N08.03 Vochtige duinvallei N10.01 Nat schraalland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Het Urkerbos (240 ha), gelegen ten noorden van Urk, ligt op een gevarieerde ondergrond van keileem en veencomplexen. Het functioneert deels als dorpsbos en deels als rustig natuurgebied. In het Urkerbos ligt het geologisch reservaat P. van der Lijn van 3,6 ha. Dit reservaat is niet vrij toegankelijk vanwege de kwetsbaarheid en de geringe oppervlakte van het gebied. Aan de westzijde van het Urkerbos is 30 ha 'nieuwe natuur' begrensd. Dit is bedoeld als afronding van het gebied en biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van een boszoommilieu, overgaand naar een vochtig weidevogelgrasland. Het Toppad valt als Beschermd Natuurmonument onder de Natuurbeschermingswet. Het is 18 ha groot en gelegen aan de zuidoostkant van Urk. Het bestaat uit een oud en een nieuw deel. Het oude deel vormt het kerngebied en is dankzij de kleiarme, kalkrijke zandige bodem een zeer gevarieerd gebied geworden met onder andere vochtig tot nat grasland, open water (restant van een zandwinplas) en verruigd rietland. Het overjarige rietland is deels verruigd en verdroogd, mede door de ligging binnen de bebouwde kom van Urk. Daarom zijn in het gebied vernattingsmaatregelen gerealiseerd. In dit gebied is de ambitie het verkrijgen van de beheertypen zilt grasland en vochtige duinvallei. Van beide typen zijn karakteristieke soorten aangetroffen in het gebied, zoals zilte rus (zilt grasland) en asperge en rietorchis (vochtige duinvallei). In 1994 is er een nieuw deel aan het Toppad toegevoegd dat als een buffer dient tussen het reservaat en de nieuwe blad 44 van 121

46 woonwijk die aan drie zijden van het reservaat grenst. Het nieuwe deel bestaat uit vochtig en nat voedselrijk grasland, waarin vier plassen zijn aangelegd. De ambitie voor dit deel is moeras. Het Staartreservaat, eveneens een Beschermd natuurmonument, is een klein natuurgebied (6 ha) gelegen op een oude schoorwal van het voormalige eiland Urk. Gedeeltelijk is het zand afgegraven. Het terrein bestaat uit een gedeelte moeras (2 ha), graslandvegetaties (2 ha) en bos (2 ha). Voor het gedeelte met grasvegetatie is de ambitie het verkrijgen van het beheertype vochtige duinvallei. De abiotiek is hier geschikt voor en verschillende karakteristieke plantensoorten van dat type zijn aangetroffen. Aansluitend aan het Staartreservaat is een kavel van 6 ha als 'nieuwe natuur' begrensd. Deze kavel is belangrijk om de verdroging in het Staartreservaat verder te kunnen beperken. Voor deze kavel is de ambitie Kruiden- en faunarijk grasland. Kenmerken Abiotiek In het Urkerbos is van oost naar west een overgang van zand en veen naar kalkrijke keileem te vinden. Hierdoor is er sprake van een gevarieerde bodemopbouw. De motivering van de aanwijzing van de huidige landbouwkavel gelegen tussen de noordwestzijde van het Urkerbos en de Noordermeerdijk als 'nieuwe natuur', wordt bepaald door de bodemkundige omstandigheden (lichte zavel in de bovengrond, plaatselijk op venige grond met in de ondergrond keileem; lichte kwel). Hierdoor ontstaan in dit gebied mogelijkheden om tussen het Urkerbos en de dijk een boszoommilieu te creëren, eventueel met in de richting van de dijk een enigszins te vernatten gebied. Het Staartreservaat heeft een grofzandige bodem met op veel plaatsen een grindrijke bijmenging. Onder deze laag komt een laag zware klei voor die weer rust op veen. In 1990 is een ringsloot aan de oostzijde van het gebied aangelegd om de invloed van gebiedsvreemd water te weren. De resultaten hiervan lijken positief. Alle natuurgebieden rond Urk zijn milieubeschermingsgebied voor bodem. Natuur Vegetatie Op het keileem is hoofdzakelijk loofhout aangeplant en op het veen vooral naaldhout. Het bos is betrekkelijk arm aan kruiden maar telt veel bijzondere varen-, paddestoel- en mossoorten. Van het Staatsnatuurmonument Toppad zijn vooral de duinrietvegetatie en de vegetatie van de zandrug die het gebied doorsnijdt, floristisch interessant. Het Staartreservaat is van botanisch belang (bv. de natte duinvallei). Het centrale deel van het reservaat wordt jaarlijks gemaaid. Hierdoor verschijnen allerlei, ook zeldzame, plantensoorten in dit gebied. In het Urkerbos komt Jeneverbes voor die zich hier ook verjongt. Vogels De broedvogelbevolking toont veel overeenkomst met die van andere bossen. Bijzonder is het broeden van de blauwe reiger die twee kleine kolonies vormt in het dichte sparrenbos. In het gebied Toppad broeden diverse soorten moerasvogels. Het grasland is belangrijk voor de weidevogels. Het Staartreservaat is voor rietvogels van belang. (o.a. bruine kiekendief en baardmannetje broeden hier). Zoogdieren De Boommarter heeft hier zijn leefgebied. Voor verschillende andere zoogdieren is het Urkerbos een belangrijk leefgebied. Andere functies blad 45 van 121

47 Aan de rand van het Urkerbos liggen sportvelden, een camping, een manege en een begraafplaats. Door de ligging in de buurt van Urk trekt het bos redelijk veel bezoekers, waar ook de padenstructuur voor aanwezig is. Het Toppad en het Staartreservaat zijn, vanwege de geringe oppervlakte en de kwetsbaarheid, niet vrij toegankelijk. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 5 * ETTENLANDSEWEG / Ca. 41 ha NM / SBB STEENWIJKERTOCHT Status EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen naar natuur N13.01 Vochtig weidevogelgrasland Beschrijving gebied Bij de inpoldering van de Noordoostpolder zijn het Vollenhover- en het Kadoelermeer ontstaan. Aan de Flevolandse zijde van het Vollenhovermeer begint direct achter de dijk het landbouwgebied. In dit gebied is een strook aangewezen als nieuw te ontwikkelen natuur. Deze strook ligt tussen de dijk en Ettenlandseweg. In het gedeelte ten noorden van de Vollenhoverweg is sprake van sterke onderdijkse kwel. De bodem bestaat uit kleihoudend zand. Het gebied heeft daardoor de potentie om zich te ontwikkelen tot een vochtig weidevogelgrasland dat een uitstekend rust- en foerageergebied kan vormen voor weidevogels en voor de vogelbevolking van het Vollenhovermeer. In dit gebied zal voor 15% sprake zijn van zoete plas. De potentie van het gedeelte ten zuiden van de Vollenhoverweg is nog niet goed bekend, waarschijnlijk zal het gebied voor 1/3 gaan bestaan uit zoete plas (N04.02), 1/3 Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en een 1/3 rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01). Langs de Steenwijkertocht is een oppervlakte van 2,8 ha 'nieuwe natuur' begrensd (in beheer bij SBB). De mogelijkheden liggen hier in het ontwikkelen van botanische waarden als zoetwatergemeenschappen, rietland en ruigte. Onderzocht kan worden in hoeverre hier een combinatie met waterretentie mogelijk is, met behoud van potenties voor natuurontwikkeling. Kenmerken Abiotiek De betreffende percelen zijn door de aanwezige onderdijkse kwel grote delen van het jaar vochtig tot nat, en kennen mede daardoor een hoge weidevogelstand. Het gebied leent zich goed voor een verdere ontwikkeling van natuurwaarden die een aanvulling kunnen betekenen voor het buitendijkse Vollenhovermeer. Natuur Vogels Het Vollenhover en Kadoelermeer vormen grote oppervlakten ondiep water, die dienst doen als foerageergebied en/of pleisterplaats voor een groot aantal zeldzame vogels (vooral in de wintermaanden). Bovendien bevinden zich langs de randen van de meren grote oppervlakten vitaal rietland met bijbehorende fauna, waaronder een grote populatie van de grote karekiet. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder blad 46 van 121

48 6* VOGELEILAND Ca. 38 ha NM Status EHS / Natura 2000 Beheertypen N05.02 Gemaaid rietland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied In het Zwarte Meer ligt het Vogeleiland. Dit eiland is ontstaan in 1942 door het opspuiten van zand dat vrij kwam bij baggerwerkzaamheden ten behoeve van de vaargeul. Vogeleiland ligt binnen het Natura 2000-gebied Zwarte Meer en valt in een milieubeschermingsgebied voor stilte. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat uit zand. De overgang naar Zwartemeer is meer kleiig. Natuur Vegetatie Het is grotendeels bedekt met wilgenbos. Het Vogeleiland is omzoomd door een meter brede rietkraag, voornamelijk aan de noordzijde. Deze rietkraag (8 ha) wordt jaarlijks gedeeltelijk gemaaid, het overige riet vooral aan de buitenkant, blijft echter staan. Libellen De Rivierrombout is waargenomen in het Vogeleiland. Vogels Achter het Vogeleiland liggen slik- en zandplaten die zeer belangrijk zijn als foerageergebied voor steltlopers. Het bos op het Vogeleiland biedt broedgelegenheid aan een groot aantal vogelsoorten, waaronder havik, sperwer, buizerd, boomvalk en ransuil. Tevens is er op het eiland een kolonie blauwe reigers. De rietkraag rond het Vogeleiland is broedgebied van de grote karekiet, die in het Zwarte Meer een belangrijk Nederlands bolwerk heeft. Ook Snor, Rietzanger, Porseleinhoen en Lepelaar komen in het gebied voor. Andere functies Als reservaatgebied en rustgebied voor broed- en trekvogels dient het gebied als rustgebied te worden beheerd. Daarom is het Vogeleiland niet vrij toegankelijk. Het is wel onder begeleiding te bezoeken tijdens excursies die door Natuurmonumenten zijn georganiseerd. Drijflijnen zorgen voor een zonering van het recreatieve gebruik. Op het Vogeleiland staat een transformatorhuisje dat de lichtbakens op het Zwarte Meer voorziet van elektriciteit. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 7 * ZWARTE HOEK EN VOOROEVER Ca. 76 ha Binnendijks: NM Buitendijks: NM en RWS Status EHS/gedeeltelijk Natura 2000 blad 47 van 121

49 Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N13.01 Vochtig weidevogelgrasland Beschrijving gebied De Zwarte Hoek is de benaming voor enkele percelen grasland langs het Zwarte Meer. Deze zijn deels ingericht als kruiden- en faunarijk grasland en deels als vochtig weidevogelgrasland. In verband met de plaatselijk sterke kwel zijn ook (nog niet verworven) percelen begrensd als 'nieuwe natuur'. Voor deze percelen is de ambitie Vochtig weidevogelgrasland met minder dan 20% open water. De brede dijkkruin langs het Zwarte meer is deels in gebruik als agrarische grond. Het gebied de Zwarte Hoek is op de TOP-lijst van verdroogde gebieden geplaatst. Buitendijks is een beperkte vooroeverontwikkeling mogelijk en het gebiedje staat dan ook bekend als Vooroever. De grootste mogelijkheden liggen ten oosten van, en grenzend aan, de Zwarte Hoek. De Vooroever ligt in Natura 2000-gebied Zwarte Meer. Kenmerken Abiotiek Op het zandige deel kunnen botanische waarden ontwikkeld worden. Achter de dijk is een kwelzone aanwezig waar het aanleggen van een moerasachtig milieu en natte graslanden kansen biedt Natuur Vegetatie Langs de zwartemeerdijk ligt een rietkraag van één tot enkele meters breed. Vogels In de Zwarte Hoek broeden waardevolle soorten van open terrein, zoals Grutto, Visdief en Porseleinhoen. In de rietkraag broedt de Grote karekiet. Verder is het gebied van belang voor kritische weidevogels, ganzen en Kleine en Wilde zwanen. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 8 * TOLLEBEKERBOS en Ca. 38 ha SFL omgeving Status Geen Beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Het Tollebekerbos is een dorpsbos. Het gaat om een 27 ha groot loofbos waarbinnen zich twee graslandjes bevinden. Binnen het bos ligt een enclave van ca. 6,5 ha agrarisch gebied welke als akker gebruikt wordt. Op enige afstand van het dorp, aan de Karel Doormanweg, bevinden zich twee bosjes van respectievelijk 5 en 6 ha groot, deze vormen kleine stapstenen in het agrarische gebied. Het bos vervult een uitloopfunctie voor Tollebeek. Kenmerken blad 48 van 121

50 Abiotiek De bodem van het bos bestaat uit kalkrijk zand en zavel. Plaatselijk treedt zwakke kwel op. Natuur Vegetatie In het gebied komen bosplanten voor als Groot heksenkruid. Amfibieën In het gebied komt de Rugstreeppad voor. Vlinders en Libellen In het gebied komen verschillende vlindersoorten voor, waaronder Bruin blauwtje en Eikenpage. Vogels Het gebied is van belang voor bosvogels, zoals Bonte vliegenvanger. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 9 * DORPSBOSSEN Ca. 165 ha Gemeente Noordoostpolder Status Geen Beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Alle dorpen in de Noordoostpolder zijn aangelegd met een eigen dorpsbos. Deze bossen (met een totale oppervlakte van 165 ha) liggen grotendeels buiten de 'bebouwde kom boswet', zoals door de gemeente Noordoostpolder is vastgesteld. Het gaat om de volgende bossen: Emmelerbos, (ca. 70 ha, ook sport en recreatiegebied), Ruttense bos (10 ha), Espelerbos (10 ha), Creilerbos (9 ha), Banterbos (13 ha), Luttelgeesterbos (10 ha), Nagelerbos (18 ha) Marknesserbos (18 ha), Enserbos (7 ha). Door de gespreide ligging in de polder, de aanwezigheid van onderlinge verbindingen en door de aanwezigheid van forse wegbeplantingen in de tussengelegen gedeelten vormen ze stapstenen voor de totale ecologische hoofdstructuur. Kenmerken Abiotiek Hier is geen informatie over beschikbaar Natuur Hier is geen informatie over beschikbaar Andere functies Alle bossen zijn aangelegd als uitloopgebied voor de eigen bevolking en kennen een multifunctioneel gebruik. Alle bossen zijn relatief gering van omvang en kennen recreatief gebruik. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 10 * CASTELEYNSPLAS Ca. 40 ha SFL Status EHS Beheertypen blad 49 van 121

51 N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied De Casteleynsplas is de grootste plas binnen de Noordoostpolder. Het betreft een zandwinplas (23 ha) met een min of meer natuurlijk uiterlijk. De plas is omringd met bos (13 ha). Aan de westkant van dit gebied ligt een botanisch waardevol grasland dat vanwege spontane opslag aan het dichtgroeien is. De ambitie hiervoor is om de opslag te verwijderen en het stuk opnieuw te beheren als botanisch waardevol grasland. Deze plas heeft de functie bijzondere waternatuur. Kenmerken Abiotiek Het water van de plas heeft een goede chemische en ecologische kwaliteit. Natuur Vegetatie Het bos is in 1978 ingeplant met o.a. eiken, populieren en elzen. Langs de oevers ontwikkelt zich een interessante vegetatie. Vogels Het heeft een functie voor broedende vogels, waaronder IJsvogel en Wielewaal. Vissen Er komen veel verschillende vissoorten voor, onder andere Meerval en Snoek. Andere functies De Casteleynsplas is een erg diepe plas (plaatselijk ca 18. meter diep) en daarom minder geschikt voor waterrecreatie. Het wordt gebruikt voor duiksport. Het gebied ligt langs de A6. Hierdoor is er veel invloed van verkeerslawaai. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 11 * ROTTERDAMSE EN FRIESE Ca.83 ha SFL HOEK Status EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Aansluitend aan de Noordermeerdijk zijn er als gevolg van een sterke onderdijkse kwel goede potenties voor water- en weidevogels aanwezig. Er bevinden zich al twee kleine natuurgebieden: Rotterdamse hoek (38,6 ha): Op de plek waar de Westermeerdijk overgaat in de Noordermeerdijk ligt een bestaand natuurgebied van 4,1 ha. Het bestaat uit een bos van bijna 3 ha en een kwelplas van ruim 1 ha. Deze plas was aanvankelijk bedoeld als rustgebied voor watervogels, maar door de geringe oppervlakte en de geringe diepte heeft het die functie niet kunnen vervullen. Tegen het bestaande natuurgebied is 80 ha als 'nieuwe natuur' begrensd om te ontwikkelen naar moeras of vochtig weidevogelgrasland met rust- en foerageermogelijkheden voor water-, blad 50 van 121

52 moeras- en weidevogels. Ook zullen in de Rotterdamse Hoek enkele poelen worden aangelegd. Een deel hiervan is reeds verworven. Friese Hoek (9,3 ha): Gelegen in de knik van de Noordermeerdijk. Het object bestaat deels uit een strook loofbos van 3,5 ha waar matig tot sterke kwel voorkomt. Uit het oogpunt van beheerbaarheid is ervoor gekozen om het reservaatgebied te concentreren rondom de Rotterdamse Hoek. Kenmerken Abiotiek Bij Rotterdamse Hoek bestaat de bodem uit klei, bij de Friese Hoek uit zand. Op beide plekken komt sterke kwel voor. Natuur Vegetatie Het omringende bos is het grootste gedeelte van het jaar zeer nat door de sterke kwel vanuit het IJsselmeer en is daarmee het natste bos in de Noordoostpolder. Vogels Er broeden tal van bosvogels. Rondom bevindt zich agrarisch gebied waar sprake is van sterke onderdijkse kwel. Andere functies Rond de Friese Hoek is sprake van mogelijke recreatieve ontwikkelingen, deze kunnen voor dit bosgebiedje mogelijk nieuwe perspectieven bieden. Er zijn plannen om langs de Noordermeerdijk een lijnopstelling van windmolens te realiseren. Tussen de zuidkant van deze lijnopstelling en het begrensde gebied is een zodanige afstand aangehouden dat er bij realisatie van de windmolenopstelling geen negatieve beïnvloeding van de te ontwikkelen natuurwaarden wordt verwacht. Nadeel is dat de Friese Hoek daarmee vrij geïsoleerd blijft liggen ten opzichte van de rest van de Flevolandse natuur. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 12 * WEGBEPLANTINGEN Ca. 83 ha SFL Status Voor zover langs ecologische verbindingen is dit EHS Beheertypen N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Binnen Noordelijk Flevoland zijn diverse wegbeplantingen zeer fors uitgevoerd. Ze zijn te beschouwen als eigenstandige natuurgebiedjes en worden door een terreinbeheerder beheerd. Het gaat hier om de beplantingen bij de Ruttense vaart: totaal 14 ha Venetocht: 4 ha Noordermiddenweg: 6 ha Zuiderbosje: 1 ha Polenweg: 1ha Windvaanbosje (E35): 1 ha Strook A6: 56 ha De stroken zijn over het algemeen vrij gering van omvang, en hebben daardoor een beperkte ecologische functie. Wel zijn ze van belang voor bijvoorbeeld Boommarter. Anderzijds vormen ze ook onderdeel van de groenblauwe dooradering van de Noordoostpolder en is er met uitzondering van het langsrijdende wegverkeer weinig blad 51 van 121

53 dat de rust en dus de mogelijke functie als ecologische verbinding verstoort. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder A01 Kop NOP Ca ha bruto Agrarische natuurvereniging Kop Nop Status Agrarisch gebied Beheertypen A01.01: Weidevogelgebied A01.02: Akkerfaunagebied A01.03: Ganzenfoerageergebied Beschrijving gebied Onder de Kop van de Noordoostpolder valt het agrarische gebied in het noorden van de Noordoostpolder, grofweg tussen Rutten en Lemmer, evenals de strook tussen Noordermeerweg en IJsselmeerdijk. Het gebied grenst in het westen aan het IJsselmeer (Natura2000) en in het zuiden aan het als nieuwe natuur te ontwikkelen Rotterdamse Hoek (EHS). Het gebied kenmerkt zich door voor Flevoland lichte bodemtypen en kwel vanuit het IJsselmeer. Het agrarische gebied wordt intensief gebruikt voor akkerbouw en gemengde bedrijven met teelten van voornamelijk tulpen- en leliebollen, graan, (poot)aardappelen, bieten, uien en gras(zaad). Grasland komt alleen lokaal over grotere oppervlakte voor. De Noordoostpolder is met een gemiddelde kavelgrootte van 30 ha (25-35 ha.) kleinschaliger dan Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Het agrarische gebied heeft wel een open karakter. Kenmerken Abiotiek De bodem in de Kop van de Nop bestaat uit overwegend leemarm zand. In het algemeen zijn dit verdrogingsgevoelige bodems, maar dit gebied kenmerkt zich juist door een grote kweldruk (>400mm/jr.). Vooral rond Friese Hoek is de kwel sterk. Natuur Vegetatie Bij Friesche Hoek bevindt zich langs de dijk een brede windsingel, die wordt beheerd door het Flevolandschap. De singel is recent afgezet. Vogels Gelet op het grondgebruik en open karakter biedt het gebied kansen aan zowel weidevogels als akkervogels. Uit gegevens van Sovon blijkt de Kop van Nop tot soortenrijkere gebieden voor akkervogels te behoren. De agrarische natuurvereniging heeft zich tot nog toe vooral gericht op weidevogelbeheer. In het gebied komen 9 soorten weidevogels voor. Het is het enige agrarische gebied met meer dan een incidenteel broedgeval van de grutto (4,9 paar/ 100 ha). Van de kritische weidezangvogels komen de graspieper (10,3 broedpaar/ 100 ha) en in het bijzonder de gele kwikstaart ( 31,9 broedpaar/ 100 ha) met (zeer) hoge dichtheden voor. Ook de kievit komt in een voor Flevoland hoge dichtheid voor. Gelet op het feit dat het gebied vooral uit akkerbouw en slechts lokaal uit grasland bestaat zijn deze dichtheden redelijk goed te noemen. De afwisseling van grasland en akkerbouwgewassen en dan vooral de aanwezige bollenpercelen spelen daarin een bijzondere rol. Gele kwikstaart (Jager, 2006) en grutto blijken een voorkeur te hebben voor bollenpercelen. blad 52 van 121

54 In de winter wordt het gebied behalve door grauwe ganzen en kolganzen ook benut door rietganzen en brandganzen. Andere functies Er zijn plannen om langs de IJsselmeerdijk een windmolenpark aan te leggen Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder A02 Zwartemeerdijk Ca. 655 ha bruto Agrarische natuurvereniging Zwartemeerdijk Status Agrarisch gebied Beheertypen A01.01: Weidevogelgebied A01.02: Akkerfaunagebied A02.01: Botanisch waardevol grasland Beschrijving gebied Onder Zwartemeerdijk valt het agrarische gebied tussen de gelijknamige dijk en de zwartemeerweg vanaf Zwarte Hoek (Voorsterbos) tot de Hertentocht. Het gebied grenst in het noorden aan het Zwartemeer (Natura2000) en in het oosten aan de Zwarte Hoek (EHS). Zwarte Hoek is gedeeltelijk al ingericht als nieuwe natuur ten behoeve van weidevogels. Opmerkelijk is verder de dijk zelf. De dijk is 80 à 90m breed en op de dijk vindt akkerbouw plaats, afgezien van een smalle kruin langs de buitenzijde van de dijk. Vanaf deze akkerstrook loopt het binnentalud af naar een kwelsloot die natuurvriendelijk is ingericht. Het agrarische gebied wordt intensief gebruikt voor akkerbouw. De Noordoostpolder is met een gemiddelde kavelgrootte van 30 ha (25-35 ha.) kleinschaliger dan Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Het agrarische gebied heeft wel een open karakter. Kenmerken Abiotiek De bodem langs de Zwartemeerdijk bestaat overwegend uit zavel. Natuur Vegetatie Het binnentalud van de dijk en de langsliggende kwelsloot is ontwikkeling van kruidenrijk grasland mogelijk. Vogels Gelet op het grondgebruik en open karakter biedt het gebied kansen aan zowel weidevogels als akkervogels. Uit gegevens van Sovon blijkt Zwartemeerdijk tot de soortenrijkere gebieden voor akkervogels te behoren. In de winter wordt het gebied benut door rietganzen, grauwe ganzen en kolganzen. Andere functies Cultuurhistorie/recreatie: vanwege de ondiepte van de vroegere Zuiderzee (nu Zwartemeer) mondde het Zwarte water tussen twee lange strekdammen uit in de Zuiderzee, met op het uiteinde een lichtwachterswoning (Oud Kraggenburg). Dit tracé loopt door het gebied. Op de dijk is een recreatief fietspad aanwezig. blad 53 van 121

55 Oostelijk Flevoland Oostelijk Flevoland vormt zowel qua ligging als qua inrichting de overgang tussen de Noordoostpolder en Zuidelijk Flevoland. Ook hier heeft tijdens de inrichting sterk de nadruk gelegen op de landbouwfunctie, maar de kavelmaten zijn in verband met verdergaande mechanisatie groter geworden dan die van de Noordoostpolder (terwijl in Zuidelijk Flevoland nog grotere maten zijn aangehouden). Ten behoeve van de waterhuishouding op het 'oude' land is bij de aanleg van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland een strook water gelaten, de randmeren. De landzone grenzend aan het water is vrijwel geheel ingeplant met bos. Door de gevarieerde bodemopbouw en de aanwezigheid van onderdijkse kwel was de grond in deze zone voor landbouwdoeleinden minder geschikt maar bood voor natuur juist een uitstekende uitgangssituatie. Veel recreatievoorzieningen zijn ook in deze oostrand gelegen. Landschappelijk kent het gebied een minder strakke indeling dan de beide andere polders. Lelystad is decentraal in de polder gesitueerd, rekening houdend met de voorgenomen inpoldering van de Markerwaard. Verder vormen de Larservaart, de Lage Vaart en de Hoge Vaart, in combinatie met de naastgelegen wegen en beplantingen een soort grote driehoek die aan de binnenzijde een open landschap kent en aan de buitenzijde een meer besloten of halfopen landschap. De Hoge en Lage Vaart vormen in combinatie met de naastliggende beplantingstroken een tweetal grote ecologische verbindingen. Dronten en Lelystad zijn vanuit ecologisch gezichtspunt echter te beschouwen als moeilijk te passeren obstakels. De overgangszone tussen de Larservaart en de Knardijk vormt door het relatief besloten karakter en door de aanwezigheid van diverse kleinere bos- en natuurgebieden een voor dieren beter te overbruggen middengebied. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 13 * KAMPERHOEK Ca. 91 ha SFL Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied In de noordpunt van Oostelijk Flevoland, tegen het Ketelmeer en de A6 ligt de Kamperhoek. Dit gebied bestaat uit drie onderdelen. Een moerasdeel; een voormalig zanddepot, ingericht in 1968, een bos, en ca. 24 ha vochtig grasland 'nieuwe natuur'. Het moerasdeel heeft een oppervlakte van 36 ha. In het centrum bevindt zich een 7,5 ha grote plas met diepere en ondiepere delen en een eilandje. Het bos is 31 ha groot en dient als bufferzone voor de het moeras. Het ontwikkelt zich tot een natuurlijker bostype. Het grasland is als nieuwe natuur in 1998 verworven. Het gebied is heringericht en wordt ontwikkeld tot een vochtig bloemrijk grasland met plaatselijk riet en ruigte langs verbrede poelen en sloten. Het gebied ontwikkelt zich snel als belangrijk gebied voor libellen. Ook is met de herinrichting van het bos de verdrogingsproblematiek opgelost. Het is een milieubeschermingsgebied voor bodem. Kenmerken blad 54 van 121

56 Abiotiek De bodem bestaat uit zware zavel met plaatselijk een zanddek afkomstig van het voormalige zanddepot. In de ondergrond bevindt zich een rivierduin. Er treedt zwakke kwel op. Rondom het moeras bevindt zich een kade, hierbinnen is de waterstand goed te reguleren. Natuur Vegetatie Aan de noord- en westzijde van de plas ligt moerasland met veel riet en hier en daar biezen. Rondom is gemengd loofbos aangeplant. Voor het rietland is regelmatig maaien noodzakelijk om verdergaande successie naar moerasbos te voorkomen. Libellen Het bos ontwikkelt zich snel als belangrijk gebied voor allerlei soorten libellen. Vogels Het moeras is ingericht als vogelreservaat vooral voor water- en moerasvogels. Door de ligging op een belangrijke vogeltrekroute functioneert het ook als rustplaats voor trekvogels. Andere functies Het gebied ligt bij de kruising van twee drukke wegen, de A6 en de N711, dit geeft zeker qua geluid veel verstoring. Over het grasland loopt een hoogspanningsleiding. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 14 * BOSSEN ROND Ca. 157 ha SBB / Gemeente SWIFTERBANT Dronten Status Geen Beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Rondom Swifterbant bevindt zich een aantal bosgebieden, deels in beheer bij de gemeente en deels in beheer bij Staatsbosbeheer. Het grootste stuk is het Swifterbos (122 ha) welke in beheer is bij SBB en daarnaast de gemeentelijke bossen met een oppervlakte van 35 ha. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat uit zware zavel. Er treedt geen kwel van betekenis op. Natuur Vegetatie Het Swifterbos is een multifunctioneel bos waarin enkele hooilanden met orchideeën voorkomen. De gemeentelijke bossen omvatten naast loofbos op zeeklei ook enkele ruigten. Andere functies Het Swifterbos heeft een functie voor recreatie en voor houtteelt. De gemeentelijke bossen hebben vooral een functie als recreatief uitloopgebied voor het dorp Swifterbant (korte afstand recreatie). De bossen zijn redelijk ontsloten met wandel- en ruiterpaden. blad 55 van 121

57 Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 15 * A03 RIVIERDUINGEBIED 3125 ha waarvan ca. 3 ha natuur agrarische natuurvereniging Rivierduingebied /SBB Status Agrarisch gebied/ EHS Beheertypen A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfoerageergebied N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Het gebied aan weerszijden van de Visvijverweg wordt aangeduid als Rivierduingebied. Het gebied grenst in het westen aan het IJsselmeer (Natura2000) in het zuiden aan het Visvijverbos (EHS) en in het noorden aan Kamper Hoek (EHS). Het agrarische gebied wordt intensief gebruikt door vooral melkveehouderijbedrijven. Grasland komt over grotere oppervlakte voor (ca. 70%). Eens per 4 jaar wordt het grasland gebruikt voor teelt van voornamelijk tulpenbollen. Daarnaast komen maïs en akkerbouwteelten als aardappelen, bieten en uien voor. Het agrarische gebied is open en wordt verder gekenmerkt door veel windmolens. In de ondergrond bevinden zich archeologische restanten van vroegere bewoning. In verband met de archeologische waarden is het rivierduingebied Swifterbant aangewezen als milieubeschermingsgebied voor bodem. De natuurgebieden binnen het Rivierduingebied worden beheerd als kruiden- en faunarijk grasland. Kenmerken Abiotiek In de ondergrond bevindt zich een patroon van kreken, oeverwallen en rivierduinen. Op een aantal plaatsen komt dit patroon aan de oppervlakte. De bouwvoor bestaat vooral uit zavel en lichte klei. Natuur Vegetatie Op de plaatsen waar het kreken-, oeverwallen- en rivierduinenpatroon aan de oppervlakte komt is het patroon gevisualiseerd door op de oeverwallen en rivierduinen gras in te zaaien en in de kommen bos en struweel aan te planten. Deze beplantingen zijn in beheer bij SBB, het omringende agrarische gebied bij de leden van de agrarische natuurvereniging. De natuurwaarden zijn verder te versterken in combinatie met agrarisch natuurbeheer. Vogels Het gebied is redelijk soortenrijk wat betreft weide- en akkervogels. In 2008 zijn volgens de bmp-methode ruim 60 broedpaar/100 ha vastgesteld. Opmerkelijk zijn de aantallen bontbekplevieren die in het gebied broeden. De afgelopen jaren heeft de agrarische natuurvereniging met het project Veldleeuwerik geëxperimenteerd met natuurstroken ter verbetering van het leefgebied van akkervogels. De ervaringen hebben mede bijgedragen aan de vormgeving van de beheerpakketten in de Subsidieverordening Natuur- en blad 56 van 121

58 Landschapsbeheer. Andere functies Binnen het rivierduingebied ligt het Archeo Wandelpad. Dit pad loopt via het land van 6 boeren over de historische oeverwallen en belicht de bijzondere archeologische betekenis van het gebied. Langs het wandelpad staat een kopie van een authentieke meetstoel, welke gebruikt werd door landinrichters tijdens de ontwikkeling van de Polder. Verder zijn in het gebied een houtwal en een natuurvriendelijke oever aanwezig. Deze worden beheerd door de agrariërs. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 16 * VISVIJVERBOS Ca. 269 ha SBB Status EHS Beheertypen N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Rondom Lelystad zijn meerdere bosgebieden aangelegd. De meest noordelijk daarvan is het Visvijverbos. Dit is ingeplant in 1968 en de oppervlakte bedraagt 269 ha. Het is aangelegd nabij een voormalige viskwekerij. Kenmerken Abiotiek De bodem is zandig met een hoog leemgehalte en slecht doorlatend. Er is een groot verschil in de grondwaterstand in zomer en winter. In de winter kan het gebied zeer nat zijn. Natuur Vegetatie Het behoort tot de meer vochtige bostypen. Populier en wilg zijn de voornaamste boomsoorten, met naaldbomen op de drogere gronden. Zoogdieren Het gebied is leefgebied voor de Boommarter. Andere functies Het bos wordt doorsneden door de A6 en grenst vrijwel aan een industrieterrein. Het bos is ontsloten door fiets- en wandelpaden. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 17 * ZUIGERPLASBOS EN Ca ha SBB/gemeente HOUTRIBBOS Lelystad Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied blad 57 van 121

59 Iets westelijker, langs de Houtribweg bevindt zich het Zuigerplasbos (301 ha). Dit gebied is ingericht als stadsbos voor Lelystad. Het bestaat uit een bos met een parkachtig karakter, met daarbinnen een ontgrondingsplas van ca. 25 ha. Ten noorden van de Houtribweg, langs de IJsselmeerdijk bevindt zich het Houtribbos. Het gebied is door het ministerie van LNV aangewezen als A-locatie bos en bosreservaat. Kenmerken Abiotiek De bodem in het Houtribbos bestaat uit een dunne laag, slecht doorlatende klei op kalkrijk zeer fijn zand. Er is sprake van zwakke kwel. Door de slecht doorlatende klei en kwel staat het bos 's winters vaak onder water. Het gebied ligt vrij geïsoleerd. De bodem van het Zuigerplasbos bestaat uit zeer fijn zand. Een deel van de bosbodem is gediepploegd en bevat humeuze stortgrond. Natuur Vegetatie Het Houtribbos is een heel bijzonder bosgebied. Hier is een Iepen-Essenbos met een zeer natuurlijke opbouw en structuur aanwezig. Zoogdieren In het gebied komen verschillende vleermuissoorten voor, waaronder de Watervleermuis, Laatvlieger en Gewone dwergvleermuis. Ook zijn er in het gebied sporen van de Boommarter aangetroffen. Het leefgebied van de Boommarters strekt zich uit tot de omliggende bossen, zoals het Visvijverbos. Andere functies Het gehele gebied heeft een sterk recreatief karakter. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 18 * t ZAND A72 Ca. 17 ha SFL Status EHS Beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Ten noorden van Lelystad even ten zuiden van de N307 ligt een voormalig zanddepot (17 ha). Het omvat een aantal ondiepe poelen. Het gebied ligt te midden van biologisch dynamische landbouwbedrijven en vervult hierin een belangrijke rol als brongebied van sluipwespen, roofwantsen, roofmijten en andere voor de landbouw nuttige insecten. Het gebied ligt geïsoleerd ten opzichte van ander natuurterreinen. Aan de noordoostkant van het gebied ligt een stuk grasland. Voor dit stuk geldt een botanische doelstelling. Kenmerken Abiotiek Het gebied bevat een variatie in hoogteligging, waterstand en bodemsamenstelling. Natuur Flora en fauna Door zijn variatie in hoogteligging, waterstand en bodemsamenstelling heeft zich een interessante flora kunnen ontwikkelen en is het gebied rijk aan insecten. blad 58 van 121

60 Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 19 * BOSWACHTERIJ OVERIJSSELSE EN GELDERSE HOUT Ca. 578 ha SBB / Gemeente Lelystad Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Dit zijn twee bosgebieden aan de oostkant van Lelystad, tussen de A6 en de stad. De Overijsselse Hout, in beheer bij de Gemeente Lelystad, bestaat uit ca. 360 ha bos met 75 ha graslanden en is de meest noordelijke van de twee. Van het Gelderse Hout is ca. 100 ha in beheer is bij SBB en 43 ha bij de gemeente Lelystad. Beide gebieden grenzen aan de Oostervaart, dit biedt mogelijkheden voor het versterken van de ecologische verbinding richting Visvijverbos en Kamperhoek. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat klei. De ontwatering is het hele jaar door zeer goed. Er komt geen kwel van betekenis voor. Natuur Er komen verschillende zeldzame varensoorten voor in het Jagerbos. In het Bergbos is de Grote keverorchis waargenomen. Andere functies Beide bossen bestaan uit gemengd loofbos, zijn goed ontsloten (wandel- ruiter en fietspaden) en worden druk bezocht door inwoners van Lelystad. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 20 * BOSSEN RONDOM Ca. 230 ha SBB / Gemeente DRONTEN Dronten Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Rondom Dronten bevindt zich een aantal groengebieden met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 230 ha. (140 ha SBB en 90 ha gemeente Dronten). Deze bosgebieden bevinden zich buiten de 'bebouwde kom boswet'. De gebieden bestaan voor een groot deel uit brede bosstroken, speelweiden en bomenrijen van diverse loofboomsoorten. blad 59 van 121

61 Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat vooral uit kleigrond. Natuur Hier is geen informatie over beschikbaar Andere functies Het geheel dient als (redelijk intensief) recreatief uitloopgebied voor Dronten. Bij verdere uitbreiding van Dronten en door ontwikkelingen als wonen in het groen kunnen deze gebieden onder druk komen te staan. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 21 * KETELHAVEN Ca. 11 ha SBB Status EHS Beheertypen N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Bij Ketelhaven ligt een klein bosgebied (11 ha) aansluitend aan het nieuwe natuurgebied aan de Vossemeerdijk. Bij verdere ontwikkeling van nieuwe natuur langs de Vossemeerdijk en van de ecologische verbinding langs de Lage Vaart komt het bosje minder geïsoleerd te liggen dan op dit moment. Kenmerken Abiotiek Hier is geen informatie over beschikbaar Natuur Vegetatie Het is een bos met overwegend loofhoutsoorten. Andere functies Het bosgebiedje wordt door de recreanten van Ketelhaven veelvuldig als uitloopgebied gebruikt. In het gebied ligt een natuurcamping. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 22 ROGGEBOTZAND EN Ca. 887 ha. SBB en particulieren ROGGEBOTSTAETE Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving Het Roggebotzand is één van de oudste bossen van Oostelijk Flevoland en staat uit een groot en aaneengesloten loof- en naaldbos. Dit ca. 887 ha grote bos is gelegen in de noordoosthoek van Oostelijk Flevoland. De noordzijde wordt begrensd door het Ketelmeer en de oostzijde door het Vossemeer. Het bos is grotendeel aangelegd op blad 60 van 121

62 een voormalige zandbank in de periode Het Roggebotzand bestaat uit het Roggebotbos, landgoed Roggebotstaete, het Koningin Wilhelminabos, het Roggebotveld en de voormalige zandwinplas de 'Roggebotplas'. Ook zijn er enkele plassen aangelegd. Landgoed Roggebotstaete is in particulier beheer. Het overige deel van het Roggebotzand wordt beheerd door Staatsbosbeheer. Het Roggebotbos is een afwisselend bosgebied op zandgrond met open vlakten, loofen naaldbos, vaarten en andere waterpartijen. Dit structuurrijke bosgebied onderscheidt zich van andere (meest jonge polder)bossen in Flevoland vanwege de zandige bodem en relatief hoge ligging. De bodem maakt dat in dit bosgebied soorten voorkomen die men elders in de polder niet of nauwelijks aantreft. Aan de oostzijde van het Roggebotzand bevindt zich een boomkwekerij. Een deel van deze boomkwekerij is recent uit productie genomen en ingericht als landgoed Roggebotstaete. Het gebied bestaat uit waterpartijen (zoete plas), kruiden en faunarijk grasland en beplanting. In het Roggebotzand is ook het Koningin Wilhelminabos gelegen. Het beheertype van het Koningin Wilhelminabos wordt omgevormd. Naast dit bos is in 2006 een ca. 2 ha grote waterpartij aangelegd ten behoeve van laagveenfauna. Ook is in 2006 in het Roggebotzand een bos aangeplant genaamd 'Bronnen voor nieuwe natuur'. Dit betreft een genenbank, bestaand uit 3500 inheemse bomen en struiken, van bijna 60 verschillende soorten. Aan de noordwestrand van het Roggebotzand ligt het Roggebotveld, met overgangen van bos naar mantel- en zoomvegetaties. Kenmerken Abiotiek Het Roggebotzand vormt, samen met Reve/Abbert, een overgang van het oude land naar de voormalige Zuiderzee. Het gebied is gevormd door zowel de IJsseldelta als de zee. Het ligt ten opzichte van de polder nog betrekkelijk hoog. het helt vanuit de noordoostzijde naar de zuidwestzijde af met ca. 2 m. De bodem van het Roggebotbos bestaat vooral uit zand met langs de gehele westzijde overgangen naar zavel en klei. De bodem is van nature kalkrijk. De kalk spoelt, voornamelijk op de zandgrond, wel uit. Het Roggebotveld ligt tot 3 meter lager dan de kern van het Roggebotbos. Natuur Vegetatie De vegetaties en soorten die vooral in het Roggebotzand worden aangetroffen betreffen die van voedselarm naaldbos, voedselarm loofbos, kalkrijk naaldbos en voedselrijk loofbos. De belangrijkste botanische waarden zijn aanwezig in de met essen beplante percelen en op extensief gebruikte graslanden. De loofhoutpercelen met Gewone es hebben zich ontwikkeld tot een bos met een soortenrijke bosflora met onder andere de Boskortsteel. In de graslanden en aan bosranden is vegetatie uit de kalkrijke milieus met onder meer soorten als Geelhartje en Borstelkrans gevonden. Alle soorten wijzen erop dat de bodemkenmerken zo bijzonder zijn dat de flora te vergelijken is met vegetaties in Zuid Limburgse bossen en duingraslanden. Ook rondom de Roggebotplas liggen extensief gebruikte graslanden, die vegetatiekundige kenmerken hebben van binnenduinranden. In dennenbos op hoger gelegen voedselarme zandgrond is de zeldzame Gebogen driehoekvaren gevonden. Op grazige locaties zijn relatief veel soorten aangetroffen die kenmerkend zijn voor rivierdijken en rivierduinen, in het bijzonder rond de Roggebotsluis. Deze hotspot voor fluviatiele soorten ligt half in het Roggebotbos, half in het Revebos. Paddenstoelen en mossen Dichte en donkere opstanden van Fijnspar en Sitkaspar hebben voor bijzondere hogere planten geen betekenis. Voor paddenstoelenflora zijn deze percelen echter wel van belang. Op de voedselarme en kalkhoudende zandige bodem in blad 61 van 121

63 het Roggebotbos komen bedreigde en bijzondere soorten voor, zoals Vierslippige aardster. In 1992 is er melding gemaakt van 526 paddenstoelensoorten. Vogels Het Roggebotzand telt ca. 75 soorten broedvogels. Er komen soorten van structuurrijke bos voor, waaronder Wespendief, maar ook holenbroeders zoals Zomertortel, Boomklever en Zwarte specht. Naast vogels van structuurrijke bos zijn ook vogels aangetroffen die gebonden zijn aan de zandige ondergrond. Zoogdieren In 2005 zijn tijdens een inventarisatie veel verschillende soorten vleermuizen waargenomen, waaronder de Gewone dwergvleermuis en de Watervleermuis. Daarnaast is langs de meren de Meervleermuis waargenomen. Het Roggebotzand is aangemerkt als vleermuisgebied 'van groot belang'. Ook voor andere zoogdieren speelt het structuurrijke bos van het Roggebotzand een rol. Zo zijn de Eekhoorn, Boommarter en Das waargenomen. Andere functies Centraal in het gebied bevindt zich de Roggebotplas, een zandwinplas die gebruikt wordt als recreatieplas. Rondom de plas ligt een aantal extensief gebruikte graslanden (speelweiden). Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 23 HET REVE-ABBERTBOS Ca. 716 ha SFL Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N08.03 Vochtige duinvallei N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Reve-Abbert bestaat uit twee afzonderlijke bossen, het Revebos en de Abbert. Samen vormen beide bossen een groot bosgebied in een weids polderlandschap. Het bos bestaat uit loof- en naaldbos en is ca. 716 ha groot. Het Reve-Abbert ligt langs het Drontermeer in de noordoosthoek van oostelijk Flevoland, waarbij het Revebos het noordelijk deel vormt. Aan de noordzijde grenst dit bosgebied aan het Roggebotzand, aan de zuidzijde aan het Greppelveld. Het Reve-Abbert is grotendeels aangelegd op een voormalige zandbank in de periode Het bosgebied bestaat voor driekwart uit loofhout. Het aanwezige naaldhout bestaat vooral uit opstanden van Fijnspar. Er zijn enkele plassen aangelegd. Het Revebos en Abbert zijn milieubeschermingsgebied voor bodem. Aan de noordkant van het Revebos, nabij de Roggebotsluis, is een perceel nieuwe natuur (6,3 ha) aangekocht en ingericht als kruiden- en faunarijk grasland. Het zuidelijke gedeelte van de Abbert is enigszins verdroogd en daarom opgenomen als TOP-lijstgebied. Na vaststelling van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR) zal worden bezien of hier effectieve maatregelen mogelijk zijn. In het Reve- Abbertbos zijn enkele poelen/ plassen gegraven. Bij de plas in de buurt van de kruising van de Drontermeerdijk met de Stobbenweg is de ambitie om het omliggende terrein om te vormen naar het beheertype vochtig duinvallei. De blad 62 van 121

64 abiotische omstandigheden zijn hier geschikt voor en de vegetatie is teruggezet. Kenmerken Abiotiek Het Reve-Abbert vormt samen met het Roggebotzand een natuurlijke overgang van het oude land naar de jonge zeekleipolders van Flevoland. De ondergrond is zowel gevormd door de IJsseldelta als de zee. Het bosgebied is aangelegd op een voormalige zandbank, en ligt ten opzichte van de polder nog betrekkelijk hoog. Het zuidwestelijke deel ligt wat lager, op vergelijkbare hoogte met het Greppelveld. De bodem bestaat grotendeels uit fijn zand met aan de randen overgangen naar zavel. De bodem is van nature kalkrijk, maar de kalk spoelt op de zandgrond op den duur wel uit, waardoor een zure bovengrond ontstaat. Aan de zuidzijde van de boswachterij komen nattere omstandigheden voor en is een mineraal dek met veenlaag op zand aanwezig (moerige eergronden). Bij de Abbert bevindt zich een voormalig zanddepot met kalkarm zand. Natuur Vegetatie De bosbeplanting is vergelijkbaar met het Roggebotzand. Wel zijn er minder open grazige vegetaties. Vroeger bestond het bos voornamelijk uit populier, nu is eik de meest voorkomende boomsoort. Daarnaast komen er ook opstanden van fijnspar, den, beuk en es voor. De belangrijkste botanische waarden zijn aangetroffen in de Essenbossen die zich spontaan ontwikkelen richting het Essen-Iepenbos. Enkele kenmerkende soorten zijn daar al tamelijk algemeen, zoals Drienerfmuur en Geel nagelkruid. Onder dennen groeit Brede Blaasvaren, Tongvaren en Addertongvaren. In het zuidelijke deel van de Abbert is sterke kwel aanwezig; hier groeien allerlei kwelindicatoren zoals Reuzenpaardestaart, Bosbies en Holpijp. Deze gebiedsdelen hebben hoge botanische potentie, wat heeft geresulteerd in het aanwijzen van het gebied als bosreservaat. De rijke mossen- en paddenstoelenflora is kenmerkend voor vochtige voedselrijke bossen. Op open grazige locaties rond Roggebotsluis zijn relatief veel soorten aangetroffen die kenmerkend zijn voor rivierdijken en rivierduinen. Deze hotspot voor fluviatiele soorten ligt half in het Roggebotbos, half in het Revebos. Paddenstoelen Er zijn ruim 500 soorten paddenstoelen te vinden in het Reve-Abbert. De meest bijzondere soorten, waarvan 43% voor het Revebos en 42% voor de Abbert, komen voor in voedselrijk loofbos. Soorten als Purpersteelgordijnzwam, Lilagordijnzwam en Oorlepelzwam komen hier voor. Helaas is er sprake van een verarming van de paddenstoelenflora, wat vooral wordt gewijd aan strooiselophoping, gecombineerd met hoge stikstofdynamiek. Mossen In de afgelopen jaren zijn 14 Rode-lijstsoorten aangetroffen. Hiervan zijn 13 soorten typisch voor een polderbos, waaronder enkele bedreigde soorten. Dit bosgebied (788 ha) is een gemengd loof- en naaldbos op zand. Door gedeelten van het bos om te vormen naar bos met verhoogde natuurwaarden komt er meer structuurvariatie, wat waarschijnlijk een positief effect zal hebben op de soortenrijkdom. Vogels In het Revebos en de Abbert komen ca. 65 soorten broedvogels voor. Vooral het meest zuidelijk en het meest noordelijke deel zijn door relatieve rust en stilte ornithologisch interessant. Er komen een aantal soorten voor van de Rode Lijst. Waargenomen zijn onder andere de Wespendief, Zomertortel, Ransuil en Nachtegaal. Ook komen er kenmerkende vogelsoorten voor zoals Houtsnip en Kleine bonte specht. Er is een gevarieerd soortenspectrum, kenmerkend voor blad 63 van 121

65 een ouder wordend structuurrijk bos. Zoogdieren Verschillende soorten vleermuizen, zoals de Gewone grootoorvleermuis, de Rosse vleermuis en de Laatvlieger, zijn in het Revebos en Abbert waargenomen. Het structuurrijke bosgebied kan onderdeel uitmaken van het foerageergebied of van vliegroutes van vleermuizen. Ook voor andere zoogdieren speelt Reve- Abbert een rol. Zo zijn de Boommarter en Das waargenomen. Andere functies Het recreatieve gebruik is voor wat betreft de verblijfsrecreatie relatief intensief door de aanwezigheid van drie campings. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 24 * EILANDJES IN HET Ca. 7 ha SBB DRONTERMEER Status EHS / Natura 2000 Beheertypen N05.01 Moeras N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos Beschrijving gebied De eilandjes Eekt, Reve en Abbert liggen in het Drontermeer, een van de smallere gedeelten van de randmeren. Dit gebied is aangewezen als Natura 2000 en valt daarmee onder de bepalingen van de Natuurbeschermingswet. De gezamenlijke oppervlakte van drie eilandjes bedraagt 7 ha. Kenmerken Abiotiek Hier is geen informatie over beschikbaar Natuur Vegetatie De eilanden zijn beplant met els, populier en wilg. Daarna heeft de vegetatie zich vrijwel ongestoord kunnen ontwikkelen. Rondom de eilanden zijn verlandingszones ontstaan. Het eiland de Abbert heeft de grootste botanische rijkdom, hier groeien diverse beschermde plantensoorten. Vogels De eilanden zijn aantrekkelijk voor tal van vogels. Het is een belangrijk broedgebied voor onder andere Grote karekiet en Krooneend. Beide soorten zijn aangewezen in het kader van Natura Andere functies Door recreanten vindt geregeld verstoring plaats. Op Abbert is een recreatieve aanlegplaats aanwezig. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 25 GREPPELVELD Ca. 133 ha SFL Status EHS blad 64 van 121

66 Beheertypen N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N13.01 Vochtig weidevogelgrasland Beschrijving gebied Het Greppelveld is een open weidevogelgebied bestaand uit half natuurlijk grasland, met een totale oppervlakte van 142 ha. Het gebied is vooral een weidevogelreservaat, waar soorten als Grutto, Tureluur, Watersnip, Kievit en Scholekster broeden. Het oostelijk deel van het Greppelveld bestaat uit een graslandcomplex van ca. 40 hectare met brede greppels. In 2000 is het Greppelveld uitgebreid met circa 40 hectare graslandpercelen aan de westzijde. In 2005 en 2006 is het verder uitgebreid met nog eens 48 hectare. Vooral de zone bij de dijk is floristisch kansrijk en hier wordt dan ook een ontwikkeling naar nat soortenrijk grasland voorgesteld. Desondanks dreigt het gebied toch te verdrogen en is daarom opgenomen op de TOP-lijst. Het is de wens van het Flevolandschap om het gebied als waterhuishoudkundige eenheid te beheren. Dit vereist nog ingrijpende inrichtingsmaatregelen, waarnaar op dit moment onderzoek wordt gedaan. In het verleden was de soortenrijkdom aan weidevogels groter dan de laatste jaren. Geprobeerd wordt om het gebied voor weidevogels aantrekkelijker te maken. In het noorden grenst het Greppelveld aan de Abbert. Aan de zuidzijde loopt de Elburgerweg. Een goede ecologische verbinding naar het Spijk ontbreekt tot dusverre. Een deel van het areaal (20 ha) nieuwe natuur kan t.b.v. deze ecologische verbinding worden ingezet. Kenmerken Abiotiek Het Greppelveld ligt circa 1,5 tot 3 meter onder NAP, waarbij in westelijke richting sprake is van een lichte gradiënt van hoog naar laag. Het gebied ligt wat lager dan de nabijgelegen bosgebieden als het Spijk en het Revebos, maar is nog steeds hoger gelegen dan de omringende landbouwgebieden ten westen van het Greppelveld. Het gebied is vrij vlak, maar door de diepe greppels is er toch sprake van veel microreliëf. Het gebied kent een gevarieerde bodemopbouw. Onder natte omstandigheden is hier in het verleden veen ontstaan, dat weer bedekt is met laagjes klei. In nagenoeg het hele Greppelveld bestaat de bodem uit moerige eerdgronden met zavel- of kleidek en moerige tussenlagen op zand. Het zand ligt ondiep en komt op sommige plekken tot 25 cm onder het maaiveld voor. Bij de dijk treedt zeer sterke kwel op, welke wordt weggevangen door het intensieve greppelpatroon. Natuur Vegetatie Er is tot nu toe geen botanisch onderzoek uitgevoerd in het Greppelveld. Bij andere onderzoeken zijn geen waarnemingen gedaan van plantensoorten. De globale indruk die bij terreinbezoeken is verkregen, is die van een nat tot vochtig bloemrijk grasland van het kamgrastype, met hierin plantensoorten als Gewone dotterbloem. Vogels Rond 1980 kende het oude deel van het Greppelveld een hoge dichtheid van verschillende weidevogels. Ondanks een gestage afname van het aantal (kritische) weidevogels kan het Greppelveld, door onder andere de hoge dichtheid Grutto's, nog steeds worden aangemerkt als soortenrijk tot zeer soortenrijk weidevogelgrasland. Er broeden soorten als Kievit, Grutto, Tureluur, Scholekster, Veldleeuwerik, Graspieper, Wulp en Watersnip. Ook broeden er blad 65 van 121

67 soorten van natte graslanden en oevers zoals Zomertaling, Wintertaling, Slobeend, Krakeend en Kuifeend. In het nieuwe deel bevinden zich vooral broedende weidevogels, terwijl in het oude deel veel eenden broeden. Verder fungeert het terrein ook als pleisterplaats voor trekvogels. Vissen Er zijn waarnemingen bekend van Rivierdonderpad, Winde, Kleine modderkruiper en Grote modderkruiper in de waterpartijen van het Greppelveld. Andere functies In het gebied bevindt zich een oudheidkundig monument; het voormalige havenhoofd van Elburg. Dit vormt een karakteristiek landschapselement in een verder open gebied. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 26 * EILANDJES VELUWEMEER Ca. 15 ha SBB / NM / EN WOLDERWIJD Gemeente Dronten Status EHS / Natura 2000 Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur N05.01 Moeras N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied In het Veluwemeer en in het Wolderwijd ligt evenals in het Drontermeer een aantal eilanden. Het gaat om de eilanden: de Kwak, de Snip, de Krooneend en de Kluut (beheerder SBB) en de Ral en Pierland (eigenaar gemeente Dronten). De Kwak is expliciet een natuureiland en niet toegankelijk. Daarnaast zijn er enkele nieuwe (schier)eilandjes opgeleverd, welke in beheer zijn van Natuurmonumenten. In het Wolderwijd wordt een eilandenas ontwikkeld. Deze ontwikkeling hangt samen met het verleggen van de vaargeul. De ambitie hiervoor is het beheertype moeras. De eilandjes in het Veluwemeer en het Wolderwijd vallen in het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Kenmerken Abiotiek Hier is geen informatie over beschikbaar Natuur Vegetatie De eilanden zijn grotendeels beplant met loofhout. De bodemvegetatie bestaat uit grasland, ruigte en struweel. Vogels Vanwege de grote rust zijn de eilanden van belang als broedgebied voor moerasen bosvogels. Andere functies Pierland en de Ral hebben vooral een recreatieve bestemming. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 27 HET SPIJK EN DE Ca ha SBB blad 66 van 121

68 Status EHS BREMERBERG Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur N03.01 Beek en bron N04.02 Zoete plas N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.01 Droog bos met produktie N16.02 Vochtig bos met produktie Beschrijving gebied Het Spijk en Bremerberg zijn twee omvangrijke multifunctionele bosgebieden. Ze hebben gezamenlijk een oppervlakte van ruim 1056 ha. Het bos bestaat uit populierenbos, gemengd loofhoutbos en naaldbos. In het Spijk-Bremerberg liggen de Ellerslenk (onderdeel van de EHS), het voormalige Jamboreeterrein (gedeeltelijk EHS) en attractiepark Walibi World (geen EHS). In het Spijk zijn enkele plassen aangelegd die onder invloed staan van basenrijke kwel. Het gedeelte van het bos ten zuidwesten van de Bremerbergweg (ook wel het Strandgaperbos genoemd) wordt omgevormd tot een natuurlijker bostype. Daarbij is, in het kader van het plan van aanpak verdroging (TOP), de Strandgaperbeek (in 2008) door het bos aangelegd. Het Strandgaperbos blijft TOP-lijstgebied. Aan de randmeerzone van het Spijkbos bevindt zich een bosreservaat (tevens TOP-lijstgebied) en verder bevindt zich in het bos een recreatieplas, de Spijkvijver. Ten noordoosten van de Bremerberg ligt de Ellerslenk (63 ha), een botanisch waardevol graslandgebied. Aan de zuidzijde vormt het gebied tussen de Strandgaperweg en het Veluwemeer een brede overgangszone richting de Kievitslanden en het Harderbos. Binnen deze strook bevindt zich het invloedsgebied van de drinkwaterwinning. Hierbinnen is 56 ha aangewezen als 'nieuwe natuur'. Aan de zuidzijde van de Bremerberg is het de bedoeling om een gevarieerd overgangsgebied te realiseren, met daarin een halfbesloten beeklandschap, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de schone onderdijkse kwel die in dit gebied aan de oppervlakte komt. Hoewel er sterke kwel optreedt in het Bremerbergerbos, is het gebied gedeeltelijk verdroogd en om deze reden deels opgenomen op de TOP-lijst. De Ellerslenk is een TOP-lijstgebied, waar reeds vernattingsmaatregelen zijn uitgevoerd. Dit gebied wordt gebruikt voor wetenschappelijke en beheersmatige onderzoeksdoeleinden. Spijk en de Bremerberg zijn milieubeschermingsgebieden voor bodem. Kenmerken Abiotiek Het Spijk ligt grotendeels op het grofzandige Spijkzand, en is ca. 1-1,5 meter hoger gelegen dan het omliggende polderland. Hier bestaat de bodem voornamelijk uit vlakvaaggronden. Aan de zuidoostkant van het Spijk komen zeer fijnzandige lutumrijke gronden voor. Het bosgebied grenzend aan de camping ligt op kleigrond. Het wat lager gelegen Bremerbergbos bestaat vooral uit zware zavel en klei op een ondergrond van Pleistoceen zand. Ten oosten van de Spijkweg neemt de dikte van de zavellaag in de richting van de dijk geleidelijk af. Het oostelijk deel bestaat uit lichte zavel en plaatselijk komt aan blad 67 van 121

69 de randmeerzijde zand aan de oppervlakte. De Ellerslenk is gelegen in een kwelzone op verschillende bodemtypen. Natuur Vegetatie Het Bremerbergbos bestaat vrijwel geheel uit loofhout, voornamelijk populieren en kent aan de randmeerzijde een sterke kwelinvloed. Hoewel in het structuurrijke bos over het algemeen een tamelijk ruige kruid- en struikvegetatie aanwezig is, zijn er op enkele plaatsen Tongvaren en de zeer zeldzame Zachte naaldvaren gevonden. Op paden langs greppels in het gebied met sterke kwel groeien Blauwe waterereprijs, Dotterbloem en Rietorchis. In dit gebied zijn ook verschillende zeldzame mos- en paddenstoelsoorten gevonden. In het Spijkbos liggen de hoge botanische waarden dicht achter de dijk, onder invloed van kwel. Op de brede bospaden heeft zich een vegetatie ontwikkeld die kenmerkend is voor vochtige duinvalleien. Belangrijke soorten zijn Parnassia, Rondbladig wintergroen, Rietorchis en Addertongvaren. De bospaden van de meer landinwaarts gelegen delen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van plantensoorten van schralere bodem, maar wel met kalkinvloed. Soorten zoals Bleekgele droogbloem, Blauw walstro en Geelhartje komen hier voor. De Ellerslenk is een nat grasland, gelegen in een kwelzone, op uiteenlopende bodemtypen. Het wordt omgeven door beschermende bosstroken. Het gebied is botanisch van belang. Een deel van het grasland van de Ellerslenk is als 'proeftuin' gebruikt. Er zijn plantensoorten van kalkrijke biotopen uitgezaaid, zoals diverse orchideeën, Tegenwoordig zijn veel van die soorten weer verdwenen. Vogels Het Spijk-Bremerberg heeft een belangrijke functie als kerngebied voor bosvogels. In het Spijk-Bremerberg komen circa 71 soorten broedvogels voor, waarvan een aantal beschermde en bedreigde vogelsoorten. Onder andere de Ransuil, Nachtegaal, Spotvogel en Wielewaal komen voor. Ook is het gebied belangrijk voor kenmerkende bosvogels zoals de Wespendief, Houtsnip, Kleine bonte specht en Boomklever. Hierbij hebben de populierenopstanden (hoogte, holten, dood hout) een belangrijke dragende functie. Zoogdieren In het structuurrijke deel van het Spijk-Bremerberg komen veel vleermuissoorten voor. Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Watervleermuis en de Meervleermuis zijn waargenomen. Ook de beschermde Boommarter en Das zijn gesignaleerd. Andere functies Binnen het gebied bevindt zich een recreatiezwaartepunt. Van noord naar zuid bevinden zich in het gebied een aantal recreatiecomplexen. Het meest noordelijk, in het Spijkbos, bevindt zich een grote camping (Riviera Recreatiecentrum). Tussen het Spijk- en de Bremerbergbos ligt aan de ene kant van de weg een groot dagattractiepark. Aan de randmeerzijde bevindt zich hier het voormalige Jamboreeterrein. Er zijn vergevorderde plannen om hier een grootschalig verblijfsrecreatiepark te realiseren. Binnen de boskern van het Bremerbergbos bevinden zich verder twee verblijfsrecreatieparken. Zowel het Spijk- als de Bremerbergbos worden doorsneden door de N 306. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 28 KIEVITSLANDEN Ca. 206 ha NM Status EHS blad 68 van 121

70 Beheertypen N03.01 Beek N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland Beschrijving gebied Het reservaat 'De Kievitslanden' is in 1965, enige jaren na de inpoldering van oostelijk Flevoland, door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders speciaal ingericht om broedgelegenheid te bieden aan weidevogels. Het gebied is vanaf 1997 grotendeels in beheer van Vereniging Natuurmonumenten. Het is een relatief 'jong' gebied dat nog volop in ontwikkeling is. Het gebied is circa 200 hectare groot en bestaat voornamelijk uit vochtige tot tamelijk droge graslanden. Tegen de Mosseltocht ligt een bosje van 3 ha met daarin een poel. Het gebied is momenteel verdroogd en is daarom op de TOP-lijst geplaatst. Vanwege de kwel en de abiotiek van dit gebied in combinatie met de geplande vernattingsmaatregelen is de ambitie voor een groot deel van de Kievitslanden dotterbloemhooiland (beheertype vochtig hooiland). Aan de oostzijde van het gebied is de Strandgaperbeek aangelegd en een grote zoete plas gegraven. De ambitie voor deze plas is gezien de verhouding open water en de ondieptes kranswierwater met deels moeraselementen. Rondom de Strandgaperbeek ligt het beheertype zilt grasland. Kenmerken Abiotiek De Kievitslanden bestaat uit een uitgesproken vlak terrein op kleibodem dat onder invloed staat van kwel, de zogenaamde hydrokleivaaggronden. De bodem is vochtig tot nat en bestaat tot op een diepte van cm uit klei met daaronder Pleistoceen zand. Als gevolg van kwel is de bodem van deze gronden vanaf een diepte van 50 a 80 cm nog vrijwel ongerijpt. Het zuidelijk deel is vanaf de inrichting tot weidevogelreservaat altijd zeer nat geweest. Het noordwestelijke, drogere deel, heeft vanaf de toevoeging aan het reservaat gefungeerd als een soort bufferzone tegen invloeden vanuit het achterliggende intensief beheerde landbouwgebied. Natuur Vegetatie In Oostelijk Flevoland zijn soortenrijke graslanden schaars, maar door de aanwezigheid van kalkrijke klei- en zandbodems en kwel zijn de potenties hier hoog, vooral in de zone dicht tegen de randmeren. De Kievitslanden heeft zich in de laatste jaren in botanisch opzicht goed ontwikkeld. Het terrein is oorspronkelijk ingezaaid met grassen, waarna een ontwikkeling volgde naar natuurlijkere grasvegetaties van het glanshaver-, dotterbloem-, en dwergbiezenverbond. De belangrijkste botanische waarde betreft de hooilanden met Trosdravik en Grote ratelaar. Van de dotterbloemhooilandsoorten zijn onder andere Addertong, Gewone dotterbloem, Echte koekoeksbloem, Rietorchis en Tweerijige zegge op verschillende locaties aangetroffen. In de greppels en op natte plaatsen zijn Holpijp en Beekpunge gevonden, bekende indicatoren van kwel. In het Broekbos komt Krabbenscheer voor. Vogels Ondermeer kritische soorten zoals Kievit, Grutto, Tureluur, Watersnip en Zomertaling maken goed gebruik van het gebied. In de jaren '70 kwamen zeer hoge dichtheden aan weidevogels voor. Delen van het gebied hebben nu te blad 69 van 121

71 maken met te droge winters in combinatie met ontwatering door de Strandgapertocht waardoor deze delen ongeschikt worden voor de zeer kritische soorten. Beschermde vogelsoorten zoals Nonnetjes, Krooneenden en Pijlstaarten schuilen en foerageren, voornamelijk in het najaar, winter en voorjaar, in grote aantallen op de Broekplas. Ook soorten zoals de Grote zilverreiger, Roerdomp, Lepelaar, Visarend en Zeearend maken gebruik van het gebied. De Kievitslanden maken onderdeel uit van een gebied in Flevoland dat van groot belang is voor de Kleine zwaan. s Winters wordt het gebied ook veel gebruikt door foeragerende ganzen. Zoogdieren De natte graslanden, rietlanden en waterpartijen kunnen vooral bij harde wind van belang zijn als foerageer- en schuilgebied voor de Meervleermuis. Andere functies Het gebied is toegankelijk voor fietsers en wandelaars via het Kievitslandenpad (voorheen Strandgaperweg) en kan vanaf de dijk goed overzien worden. Verder is het gebied niet toegankelijk. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 29 HARDERBOS (en omgeving) Ca. 564 ha NM Status EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur N00.02 Nog om te vormen bestaande natuur N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie N17.01 Vochtig hakhout en middenbos Beschrijving gebied Aan de zuidwest zijde van de Kievitslanden grenst het Harderbos (557 ha). Dit is een gemengd loofbos, dat voor 33% bestaat uit populieren, 28% is overig loofhout en 5% naaldhout. De totale oppervlakte bestaat uit 33% open ruimte, veelal grazige vegetaties, ruigten, poelen en plassen. Het bos wordt afgewisseld met enkele tochten, ondermeer de Hoge Dwarsvaart. In het grootschalig aangelegde westelijke deel lag het accent voorheen op houtproductie. De populier is hier de toonaangevende boomsoort. Het einddoel voor dit bosgedeelte is het verkrijgen van het beheertype Haagbeuken-en essenbos. Het oostelijk deel is met het oog op recreatie kleinschaliger ingericht. In het oostelijke deel ligt een stuk 'nieuwe natuur', waarop het Ontdekbos wordt ingericht. Het Ontdekbos is nog in ontwikkeling en wordt een parkachtig gebied met open water, bos en struweel en grasland. De ambitie bestaat dus uit een combinatie van de beheertypen N04.02, N14.03 en N Het gebied tussen Harderbosweg en Hoge dwarsvaart, genaamd 'de Slurf', kenmerkt zich door openheid en grazige vegetaties. Aan de rand van de Slurf is vanwege de kwel omvorming mogelijk van het Haagbeuken- en essenbos naar het rivier- en beekbegeleidend bos. Ook ligt in de Slurf een stuk 'nieuwe natuur'. Hiervoor is de ambitie kruiden- en faunarijk grasland. Aan de zuidzijde gaat het blad 70 van 121

72 Harderbos over in het recreatiepark Harderwold. Het recreatiegebied Harderwold inclusief golfbaan maken geen deel uit van de EHS. Aan de westzijde van het Harderbos wordt een 250 meter brede ecologische verbinding (15 ha) gerealiseerd. De ambitie voor deze verbinding bestaat voor 1/3 uit zoete plas, 1/3 moeras en 1/3 Haagbeuken- en essenbos. De verbinding sluit aan op de faunapassage 'de Baardman'. Aan de oostzijde wordt het bosje De Houtsnip versterkt door de inrichting van 19 ha extra natuur(bos). Vanwege de kwel in dit gedeelte is de ambitie het beheertype rivier- en beekbegeleidend bos. Door de inrichting van dit extra stukje bos ontstaat een ongeveer 350 meter brede strook langs de dijk welke via een faunapassage aansluit op het oostelijk deel van het Harderbroek waar eveneens rivier- en beekbegeleidend bos voorkomt. Beide zones zijn aangewezen als EHS. Ontwikkelingsmogelijkheden houden vooral verband met de verdere ontwikkeling van bostypen, moeraselementen en andere waarden in het Harderbos. Zo komt in de vegetatie reeds een ontwikkeling op gang naar een bosflora met soorten als groot heksenkruid, bosandoorn en tongvaren. Aanleg van stille kernen kunnen de huidige functie van de EHS-bosgordel versterken. Mogelijkheden voor het verder ontwikkelen van aan water gebonden natuurwaarden zijn er vooral door de huidige moeraselementen verder aan te vullen en door het verbeteren van de uitwisseling van vissen door de aanleg van vistrappen in de diverse tochten. Om de verdroging in het gebied tegen te gaan is vrijwel het volledige bosgebied aangewezen als TOP-lijstgebied. Kenmerken Abiotiek Het Harderbos ligt grotendeels op een wat zwaardere, voedselrijke kleigrond. Op deze klei komen kalkrijke poldervaaggronden voor. Ten oosten van de Hoge Vaart liggen deze op een ondergrond van Pleistoceen zand, beginnend op een diepte van cm. In een zone ten zuidwesten van recreatiepark Harderwold duikt zware zavel op (kalkrijke poldervaaggronden). De ondergrond van het Harderbos bestaat voor het grootste gedeelte uit zeeklei, met als uitzondering twee zandkoppen met sterke kwel langs de zuidrand van het gebied aan de zijde van het Veluwemeer. De aanwezigheid van deze zandkoppen maakt de ontwikkeling van een soortenrijk vochtig grasland zeer kansrijk. Het Harderbos ligt wat lager dan de op zand gelegen gebieden aan de oostrand, Vergeleken met de agrarische omgeving ligt het met gemiddeld 3 m -NAP nog redelijk hoog. Natuur Vegetatie Delen van dit bos staan onder invloed van randmeerkwel en permanent hoge grondwaterstanden. De ontwikkeling is hier gericht op vochtig tot nat inheems loofbos, waarbij de populierenaanplant van weleer oud mag worden. Vogels Behalve veel bos- en struweelvogels, zoals de Grauwe vliegenvanger, Matkop en Wielewaal, komen er in het Harderbos ook moeras- en watervogels voor. Hieronder bevinden zich ook zeldzame soorten en soorten waarvoor het aangrenzende Natura 2000-gebied de Veluwerandmeren is aangewezen. De plassen, watertjes en vaarten in het bos fungeren voor veel water- en moerasvogels als broedgebied. In najaar en winter kunnen op het open water van de plas ondermeer de Lepelaar en grote groepen eenden verblijven. Daarnaast foerageren er soorten als Grote zilverreiger, Roerdomp en Baardmannetje. Zoogdieren blad 71 van 121

73 Het Natura 2000-gebied de Veluwerandmeren is aangewezen voor onder andere de Meervleermuis. Onder bepaalde omstandigheden, zoals met harde wind, kan het Harderbos een functie vervullen als vervangend foerageergebied, omdat hier beschut gefoerageerd kan worden. Daarnaast wordt het gebied door andere vleermuissoorten gebruikt als foerageergebied en kraamkamer. Naast algemene zoogdieren zijn in het Harderbos ook een aantal strikt beschermde soorten aangetroffen, zoals de Bever, Das, Boommarter. Libellen In de periode zijn 35 libellensoorten aangetroffen in het Harderbos. Er komen twee strikt beschermde libellensoorten voor: de Gevlekte witsnuitlibel en de Noordse winterjuffer. Andere soorten die zijn aangetroffen zijn: Bruine winterjuffer, Vroege glazenmaker, Glassnijder, Bruine korenbout, Beekoeverlibel en de Tengere pantserjuffer. Amfibieën en reptielen In het Harderbos zijn alleen algemene amfibieën waargenomen. Andere functies Het recreatieve gebruik van het Harderbos is extensief. Aan de zuidwestkant ligt het recreatiepark Harderwold. Onderdeel van dit recreatiepark is een golfbaan. Bij de inrichting van dit recreatiegebied is rekening gehouden met de ligging in een natuurgebied en bekeken welke ecologische functies de golfbaan kan vervullen. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 30 * HARDERBROEK Ca. 282 ha NM Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N05.02 Gemaaid rietland N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Het Harderbroek is een moerasgebied tegenover Harderwijk. Het gebied wordt aan de zuidzijde begrensd door het Wolderwijd, aan de oostzijde voor het Harderbos en aan de noord- en westzijde door open graslandgebied. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen het 'oude' Harderbroek en het 'nieuwe' Harderbroek. Het 'oude' Harderbroek is ingericht in de jaren 70 en is circa 196 hectare groot. Het 'nieuwe' Harderbroek bestaat uit Plan Roerdomp dat is ingericht op circa 85,5 hectare voormalig akkerbouwgebied in het najaar van Het Harderbroek bestaat vooral uit nat rietland (moeras) met veel ondiepe plassen. Op beperkte oppervlakte komen natte schrale graslanden, ruigtes en natuurlijke wilgenbossen voor. Aan de westzijde staat een volgroeid populierenbos. De ambitie voor dit gebied bestaat uit deels laten verlanden van de zoete plassen en het terugbrengen van het oppervlakte aan gemaaid rietland. Hierdoor wordt het oppervlakte aan het beheertype moeras groter. De kans op verruiging is hierbij gering vanwege de voorkomende ganzenvraat en het gevoerde waterpeilbeheer. Om de randmeerbossen te verbinden met het Horsterwold, is het ontwikkelen van een ecologische verbinding gewenst vanaf het blad 72 van 121

74 Harderbroek naar het Horsterwold. Kenmerken Abiotiek In de oostpunt van het Harderbroek komen vlakvaaggronden voor. Deze zandgronden liggen op een voormalige strandwal, bestaan uit matig fijn zand en zijn kalkhoudend. In het overige deel van het Harderbroek liggen zeekleigronden, die in westelijke richting steeds zwaarder worden. Het betreft zowel poldervaaggronden als nesvaaggronden. De bodem van het Harderbroek vertoont een aanzienlijke variatie in hoogte. De oorspronkelijke hoogteligging in de voormalige Zuiderzee en verschillen in inklinking na de inpoldering spelen hier een rol. De voormalige strandwal in de oostpunt van het Harderbroek liggen tussen 2,2 en 2,6 meter -NAP, Van oost naar west loopt de bodem geleidelijk af. De noordelijke rand van het oude Harderbroek, het populierenbos aan de westzijde en grote delen van de uitbreiding van het Harderbroek (Plan Roerdomp) liggen tussen 2,6 en 3,2 meter -NAP. Het oude Harderbroek ligt deels op een zandkop en staat onder invloed van sterke kwel. Natuur Vegetatie De rietlanden in de Harderbroek zijn botanisch in ontwikkeling met soorten als Moerasvaren, Waterscheerling en Dotterbloem. In het open water komt plaatselijk Krabbenscheer voor. De belangrijkste botanische waarden liggen in de schrale graslanden. Hier komen minder algemene plantensoorten voor als Fraai duizendguldenkruid, Zeegroene zegge en Addertongvaren. Door de toegepaste vernatting in 2005 krijgen plantensoorten van schrale graslanden naar verwachting meer ontwikkelingsmogelijkheden. Zoogdieren Vleermuissoorten zoals Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Meervleermuis gebruiken het gebied als jachtgebied of hebben er vliegroutes. Het voorkomen van andere soorten zoogdieren is niet bekend. Vogels Het gebied is van groot belang voor moeras- en watervogels, zoals Baardmannetje en Roerdomp. Andere functies In het gebied bevinden zich twee hutten die gebouwd zijn in het kader van het project 'Beelden Buiten'. Door de wijze van inrichting zal het nieuw te realiseren gedeelte enige vorm van recreatief medegebruik kunnen krijgen. Het huidige Harderbroek is goed te overzien vanaf de dijk, waar ook een observatiehut (in eigendom en beheer bij de gemeente Zeewolde) is gerealiseerd. Verder worden in het gebied excursies georganiseerd door Natuurmonumenten. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 31 DE LARSERSTROOK EN Ca. 550 ha SFL LARSERBOS Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen bestaande natuur N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos blad 73 van 121

75 Beschrijving gebied Dwars door Oostelijk Flevoland, van de randmeerzone naar Lelystad liggen de Larserweg en de Larservaart. Het gebied moet gezien worden als een belangrijke stapsteen in de ecologische verbinding tussen de natuurgebieden langs de Oostrand van Flevoland en die rond Lelystad. Verder ligt er langs deze zone een aantal natuurgebieden. Verderop langs de Larservaart ligt het Larserbos (313 ha). Dit is een loofbos op zeeklei van 313 ha. Het bestaat voornamelijk uit populieren en wordt geleidelijk omgevormd tot een natuurlijker bostype. Binnen het bos bevinden zich een drietal enclaves. De enige landbouwkavel binnen het Larserbos (12,2 ha) is begrensd als 'nieuwe natuur' en aangekocht. De andere enclaves zijn recreatiegebieden. Vanaf het Larserbos richting Natuurpark Lelystad bevindt zich het Larservaartbos. Dit is een langgerekte strook bos en gras van 176 ha. De hele strook vormt, in combinatie met de vaart, de ecologische verbinding tussen het Hollandse Hout en het Harderbos. Versterking van de waarde voor natte diersoorten als Ringslang en Bever is bereikt door langs de Larservaart meer waterpartijen en natuurlijke oevers aan te leggen. In het Larservaartbos liggen twee stukken nog om te vormen natuur. De ambitie voor beide stukken is kruiden- en faunarijk grasland, waarbij het noordelijke stuk een combinatie wordt van kruiden- en faunarijk grasland met bos. Ten zuiden van het Larserbos bevindt zich de Wildwallen en aan de overzijde van de N302 het heggenlandschap (samen 60 ha). Bij de inrichting van de polder is hier gekozen voor een specifieke landschapsstructuur: de boomsamenstelling van oude wildwallen en heggen van het oude land is hier uitgetest. Het Heggenlandschap ligt voor niet vliegende soorten geïsoleerd. Kenmerken Abiotiek De bodem van het Larserbos bestaat uit zavel en is goed ontwaterd. De kleilaag op het zandpakket is iets dikker dan in het nabijgelegen Knarbos en er is vrijwel geen kwel. Het bos ligt iets hoger (gemiddeld 3.5 m - NAP) dan het omliggende agrarische gebied, dat door ontwatering sterk is ingeklonken. Natuur Vegetatie De dominante boomsoort is populier. Daarnaast zijn ook Gewone esdoorn, Gewone es en in mindere mate Zomereik en Beuk aangeplant. De struiklaag is op veel plaatsen goed ontwikkeld. De ondergroei is ruig en bestaat uit Grote brandnetel en bramen. De belangrijkste botanische waarden worden aangetroffen op de strandjes, waar de kleiige bovenlaag is verwijderd. Hier komen onder andere Moeraswolfsklauw, Struikheide, Dopheide, Veenpluis, Kruipwilg en Rietorchis voor. Insecten Met betrekking tot libellen zijn alleen waarnemingen bekend van algemene soorten als Lantaarntje, Grote keizerlibel en Grote roodoogjuffer. Naast algemene soorten dagvlinders zijn ook minder algemene soorten aangetroffen zoals Landkaartjes en Bont zandoogje. Amfibieën en reptielen Er zijn alleen algemene soorten waargenomen: Gewone pad, Bruine kikker en Groene kikker. Er is potentie voor de Rugstreeppad en Ringslang, maar deze zijn nog niet waargenomen. Vogels Om voldoende differentiatie te bereiken wordt het terrein deels begraasd en worden de wildwallen met een lage frequentie cyclisch afgezet. Dit om de blad 74 van 121

76 gewenste structuur, die van belang is voor vogels, te kunnen handhaven. Aan de overzijde van de weg is een Heggenlandschap aangelegd met diverse typen heggen. Dit vormt vooral een biotoop voor kleine zangvogels en insecten. In 2000 zijn 56 broedvogels vastgesteld in het Larserbos. Water en moerasvogels zijn slecht vertegenwoordigd. Broedvogels van ruigten en jong bos zijn echter goed vertegenwoordigd, met soorten als Koekoek, Spotvogel, Nachtegaal en Kneu. Ook de bosvogels zijn goed vertegenwoordigd met soorten zoals Appelvink, Zanglijster, Matkop, Ransuil en Wielewaal. Zoogdieren Het Larserbos ligt binnen het gebied waaraan een grote potentie voor vleermuizen wordt toegekend. Tijdens een inventarisatieronde in 2005 zijn in de directe omgeving van het Larserbos 6 soorten vastgesteld: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Watervleermuis en Meervleermuis. In dit gebied komen ook een aantal vrij algemene zoogdiersoorten voor (Konijn, Ree) en er zijn Beverburchten aanwezig. Andere functies Binnen het bos bevinden zich twee huisjesterreinen. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 32 NATUURPARK LELYSTAD Ca. 371 ha SFL Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld N14.03 Haagbeuken- en essenbos N17.01 Vochtig hakhout en middenbos Beschrijving gebied Aan het eind van de Larserstrook, net ten zuidoosten van Lelystad, bevindt zich het Natuurpark Lelystad. Het gebied met een oppervlakte van 371 ha is sinds 1994 eigendom van Stichting Flevolandschap. Het Natuurpark is aangelegd in 1973 en heeft als doelstelling het ontwikkelen en in stand houden van een landschappelijk en botanisch interessant gebied. Daarnaast heeft het park ook een recreatieve en educatieve functie en zijn er fokprogramma's voor met uitsterven bedreigde diersoorten zoals Otter, Bever, Przewalskipaard en Wisent. Het Natuurpark is onderdeel van de EHS. Rond Lelystad bestaat de EHS uit bos en uitgestrekte water- en moerasgebieden. In het Natuurpark ligt een nog om te vormen terrein. Hiervoor is de ambitie kruiden- en faunarijke akker. Het Natuurpark Lelystad is voornamelijk van belang als stapsteen in de ecologische verbinding langs de Larservaart tussen de natuurgebieden rond Lelystad en die aan de oostrand van Flevoland. Een fysieke barrière tussen Natuurpark Lelystad en de Lage Vaart aan de ene kant en de Hollandse- en Gelderse Hout en de Oostvaardersplassen/Praambos aan de blad 75 van 121

77 andere kant, wordt gevormd door de rijksweg A6. Door de aanleg van brede faunapassages op nauwkeurig bepaalde locaties wordt het effect van de versnippering verminderd. Kenmerken Abiotiek Het Natuurpark Lelystad ligt op een zware zavel met een pleistocene zandondergrond. Het gebied helt vrij sterk naar het noorden; nabij het Larservaartbos 3m -NAP; rond de centrale plas 4,3 m - NAP. In het gebied rond de zandwinplas komt plaatselijk de pleistocene ondergrond aan de oppervlakte. Deze bestaat uit enigszins kalkhoudend zand. In de ondiepe oeverzone van de centrale plas is het water soms troebel vanwege de vele grote Karpers die hier de bodem omwoelen. In het diepe centrale deel van deze plassen is het water zeer helder als gevolg van de diepe kwel afkomstig uit het Veluwemassief. Natuur Vegetatie Het Natuurpark is een zeer gevarieerd gebied, bestaand uit bos, water, grasland, (riet)moeras, struweel en houtwallen. Het bos bestaat voor ca. 90% uit loofhout (Populier, Zwarte els, Zoete kers, Zomereik, Haagbeuk, en Beuk) en 10 % uit naaldhout. Ook de struiklaag is uitgesproken soortenrijk met onder andere soorten als Sleedoorn, Hazelaar, Kardinaalsmuts en Eénstijlige meidoorn. Op de meeste plaatsen is een ruige kruidlaag aanwezig waarin Grote braam en Grote brandnetel overheersen. Vogels Broedvogels in het Natuurpark zijn gekarteerd in 1998 en Daarnaast ligt er een BMP-plot van 120 ha in het park, dat in elk geval tussen 2002 en 2005 is geteld. Watervogels zijn goed vertegenwoordigt. Langs de oevers van de waterpartijen broeden vogels van (riet)moerassen. Broedvogels van struwelen en ruigte zijn algemeen. Bosvogels zijn niet zeer talrijk en twee kwetsbare soorten zijn tussen 1998 en 2005 verdwenen. Sinds 1980 is er een populatie Ooievaars aanwezig in het Natuurpark. Andere soorten die voorkomen zijn Boomklever, Koekoek, Spotvogel, Nachtegaal. Insecten Natuurpark Lelystad is met betrekking tot libellen één van de soortenrijkste gebieden in de provincie. Tijdens inventarisaties in 1996 en 1998 zijn 20 soorten aangetroffen. Hieronder bevonden zich 2 Rode Lijstsoorten: Glassnijder en Vroege Glazenmaker. Dagvlinders zijn in dit gebied minder goed onderzocht dan libellen. Tijdens een inventarisatie in het voorjaar van 2005 zijn 11 algemeen voorkomende soorten waargenomen. Zoogdieren Het natuurpark heeft grote potentie voor vleermuizen. Tijdens inventarisatieronden in 2005 zijn in de directe omgeving 5 soorten vastgesteld: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Watervleermuis en Meervleermuis. Verschillende gedeelten zijn afgerasterd. Naast de uitgezette dieren zijn er ook dieren die zich hier spontaan gevestigd hebben, zoals de Haas, Ree en Vos. De dieren die in een fokprogramma zitten worden onder zo natuurlijk mogelijke omstandigheden gehouden met een minimum aan bijvoeding en verzorging. Andere functies Er zijn ruime recreatieve voorzieningen aanwezig. Binnen het park bevindt zich een padenstructuur en een bezoekerscentrum. Verder is er de Prehistorische Nederzetting, een bronstijdboerderij met ommelanden waar bezoekers het blad 76 van 121

78 dagelijkse leven van 3000 jaar geleden kunnen ervaren. Daarnaast vervult het park een functie voor bedreigde (uitheemse) diersoorten. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 33 HOLLANDSE HOUT Ca. 895 ha SBB Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Ten zuidwesten van Lelystad bevindt zich het Hollandse Hout. Dit is een groot bosgebied (895 ha) met overwegend loofbomen. Het bos is bedoeld als buffer tussen Lelystad en de Oostvaardersplassen en functioneert ook als zodanig. Een gedeelte van het Hollandse Hout is aangewezen als bosreservaat (40 ha). De Lage Dwarsvaart, die langs het bosgebied loopt, komt in aanmerking voor een meer natuurvriendelijke inrichting, waardoor deze vaart meer als onderdeel van het bosgebied kan gaan functioneren. De Hollandse Hout ligt op een strategische positie aan de verbindingszone Knardijk, met aan de andere zijde Natura 2000-gebied de Oostvaardersplassen en EHS-gebied Praamweg. Aan de zuidoostkant grenst het bos aan de belangrijke ecologische verbindingszone Lage Vaart. Daarachter ligt weer het gebied de Burchtkamp. Aan de noordzijde grenst het gebied aan recreatieplas 't Bovenwater, met daarachter Natura 2000-gebied Markermeer. Daarmee vormt het Hollandse Hout een belangrijke stapsteen in twee belangrijke ecologische verbindingszones in Flevoland. Kenmerken Abiotiek De gronden in het terrein bestaan geheel uit poldervaaggrond in kalkrijke, lichte zeekleigronden. Het bodemprofiel is in het hele gebied uniform. De Hollandse Hout ligt op een hoogte van ongeveer 4,5 - NAP. Natuur Vegetatie De bosstructuur is vrij eenvormig, een omvorming naar bos met verhoogde natuurwaarden zal de kwaliteit duidelijk kunnen verhogen. Wellicht kunnen grote grazers vanuit de Oostvaardersplassen daaraan bijdragen. Hierbij is het voor de ontwikkeling van het bos belangrijk dat er geen hoge aantallen worden toegelaten. De ondergroei van dit bos is, net als andere Flevolandse bossen op klei, ruig met veel Grote brandnetel en Riet. Echte bosplanten zijn nog nauwelijks aangetroffen en de botanische waarde beperkte zich aanvankelijk tot de tijdelijke pionier begroeiing van open gedeelten langs paden en gegraven plasjes. Hier worden af en toe plantensoorten van zandige milieus gevonden, zoals Rietorchis, Bleekgele droogbloem, Fraai duizendguldenkruid. Deze soorten verdwijnen uit een bos door meer schaduw en verruiging van de vegetatie. De laatste jaren zijn er, als gevolg van een verbeterd bosklimaat, blad 77 van 121

79 eikenvarens verschenen. Mossen Behalve een aantal algemeen voorkomende mossoorten zijn er ook een aantal zeldzame soorten aangetroffen, waaronder Gekromd vedermos en Trompetkroesmos. Vogels Opvallend is een hoge dichtheid van de Appelvink en een goede roofvogelstand (o.a. Wespendief, Boomvalk, Havik en Sperwer). Ook het voorkomen van Kleine bonte specht, Boomklever en Gekraagde roodstaart zijn opvallend. Verder komen er soorten voor zoals Zomertortel, Koekoek, Ransuil, Nachtegaal en Spotvogel. Ten opzichte van de 'natuurlijke' referentie, het droge esseniepenbos, scoort het bos nog zeer laag in termen van soortensamenstelling en dichtheden. Dit heeft alles te maken met de ouderdom en het multifunctionele karakter van het bos. Insecten Er zijn weinig waarneming van vlinders bekend. Bijzonder is wel de eenmalige waarneming van rode lijstsoort Sleedoornpage in Libellenwaarnemingen van de Azuurwaterjuffer, de Maanwaterjuffer en de Noordse witsnuitlibel zijn interessant omdat zij buiten het reguliere verspreidingsgebied liggen. Van alle drie de soorten ligt het zwaartepunt van de verspreiding op de zandgronden. Zoogdieren In de Hollandse Hout worden regelmatig vleermuizen waargenomen, waaronder soorten als Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis. De ree, Haas, Konijn, Mol en Vos worden regelmatig waargenomen. De Hermelijn en Wezel zijn incidenteel waargenomen. Bijzonder zijn enkele waarnemingen van een Boommarter. Andere functies Het bos wordt doorsneden door de spoorlijn Lelystad Almere. Het is de bedoeling de recreatieve toegankelijkheid van het bos te vergroten, het bos kan dan een uitloopgebied worden voor de nog te ontwikkelen woonwijk Lelystad-zuid. Streven is te komen tot een logische recreatieve zonering vanaf de stad naar de Oostvaardersplassen. De recreatieve voorzieningen in het gebied zijn geconcentreerd in het noordelijke deel. Het gaat om camping 't Oppertje, educatieve zorgboerderij en visvijver De Huif, Bed & Breakfast 'Het Boshuys', surfcenter Paradiso en jachthaven 't Bovenwater. Daarnaast is er op de rand van het Hollandse Hout en het Bovenwater een strand aangelegd, waar 's zomers druk gebruik van wordt gemaakt. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 34 BURCHTKAMP Ca. 159 ha SFL Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N10.01 Nat schraalland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland blad 78 van 121

80 N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld Beschrijving gebied Dicht bij het Hollandse Hout, maar aan de overzijde van de A6, bevindt zich de Burchtkamp. Dit is een natuurgebied van 159 ha, waarvan 52 ha droge ruigte, 17 ha nat rietland en open water en 90 ha grasland en akkers. Op (voormalige) akkerbouwpercelen wordt een beheer gevoerd ten behoeve van akkervogels en - planten en om de voedselsituatie voor roofvogels te verbeteren. Voor het noordelijk deel van de Burchtkamp is de ambitie om het moerasgedeelte te vergroten. Rondom de plas ligt een ambitie voor nat schraalland. De Burchtkamp ligt hemelsbreed maar 500 meter verwijderd van de Lage Vaart en de Hollandse Hout. De snelweg A6 die hier tussendoor loopt vormt voor veel soorten een onneembare barrière. Soorten die mogelijk profiteren van ontsnipperingsmaatregelen (bijvoorbeeld een natte passage tussen de Burchtkamp en de Lage vaart) zijn onder andere Ringslang, Das en Bever. Het gebied is opgenomen in het plan van aanpak verdroging van de provincie. De vernattingsmaatregelen zijn al gerealiseerd. Verder is het milieubeschermingsgebied voor bodem. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat overwegend uit kleigronden met in de ondergrond pleistoceen zand. Door natuurontwikkeling is het zand in de Zanderij aan de oppervlakte gekomen. De grondwaterstand is tamelijk laag. Natuur Vegetatie De Burchkamp bestaat voor een belangrijk deel uit rietruigten, vlierstruweel met veel Grote brandnetel en plaatselijk Riet op een droge ondergrond. Er zijn twee locaties waar voorheen zand is gewonnen. De diepe gaten die hierbij ontstonden zijn opgevuld, waarna twee moerassige laagten zijn ontstaan met hier en daar open water. Enkele jaren geleden is een derde plas gegraven ten behoeve van natuurontwikkeling waarbij kaal zand naar boven is gekomen. Hierop zijn rode lijstsoorten waargenomen: Rond wintergroen, Ronde zonnedauw, Dwergviltkruid, Rietorchis en Rode ogentroost. Ook zeldzame soorten zoals Fraai duizendguldenkruid, Goudknopje, Bleke droogbloem en Moeraswolfsklauw komen er voor. Vogels Tijdens broedvogelinventarisaties in 1998 en 2000 werden 57 soorten broedvogels vastgesteld. Vooral struweelvogels zijn goed vertegenwoordigt, in iets mindere mate geldt dat ook voor water- en moerasvogels. Onder andere kwetsbare soorten zoals Gele kwikstaart, Dodaars en Roerdomp, komen hier voor. De bruine kiekendief wordt waargenomen als broedvogel. Ook een grote oeverzwaluwkolonie is in het gebied aanwezig. Zoogdieren Er zijn grote potenties voor vleermuizen. De Burchtkamp is zeer geschikt als foerageergebied. Tijdens een inventarisatieronde in 2005 zijn in de Burchtkamp of de directe omgeving daarvan 4 soorten waargenomen: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Meervleermuis. De vos wordt regelmatig waargenomen en reeën komen voor in de struwelen en foeragerend op de graslanden. Vrijwel zeker komt ook de Haas voor. blad 79 van 121

81 Insecten De Burchtkamp heeft een goed ontwikkelde en afwisselende libellenfauna. Tijdens inventarisaties in 1998 en 2000 zijn in totaal 19 soorten libellen waargenomen. De Gevlekte Witsnuitlibel staat op de rode lijst. Amfibieën en reptielen De Burchtkamp is arm aan amfibieën en reptielen. Alleen Groene kikker, Bruine kikker, Gewone pad en Bruine kikker zijn talrijk aanwezig. De dichtstbijzijnde populatie ringslangen bevindt zich op 3 km afstand in het Praambos. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 35 KNARBOS EN Ca. 640 ha SFL WILGENRESERVAAT Status EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N06.05 Zwakgebufferd ven N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.06 Ruigteveld N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied De Knardijk vormt de scheiding tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Langs deze dijk bevinden zich het Knarbos (vnl. Oostelijk Flevoland) en het Wilgenreservaat (Zuidelijk Flevoland). Het Knarbos bestaat uit populieren bos en gemengd loofhoutbos en heeft een oppervlakte van bijna 354 ha. Het Wilgenreservaat heeft een oppervlakte van 138 ha. Dit bos kan worden gekarakteriseerd als een spontaan opgeslagen wilgenbos. Rondom het Knarbos zijn diverse laanbeplantingen en grasbermen in beheer van het Flevolandschap (Meerkoetentocht, Vogeltocht, Meerkoetenweg, Meeuwenweg, Larserringweg, Knarweg, Eendentocht, en Vogelweg). Het gaat om een totale oppervlakte van 128 ha aan landschapselementen. De Knarplas is opgenomen in het plan van aanpak verdroging van de provincie. De ambitie voor deze plas is zwakgebufferd ven. Deze plas heeft een bijzondere waterkwaliteit doordat kwelwater dat afkomstig is van de Veluwe, door de zandlaag naar boven komt. Veel vogelsoorten, maar ook Ringslang en Rugstreeppad kunnen profiteren als verdroging van het gebied wordt tegengegaan. Het Knarbos en het Wilgenreservaat zijn vrij toegankelijk. Het Knarbos is milieubeschermingsgebied voor bodem. In het Knarbos liggen twee stukjes nieuwe natuur waarop de ambitie ligt voor kruiden- en faunarijk grasland en een combinatie van zoete plas met bos. Kenmerken Abiotiek Het Knarbos/Wilgenreservaat ligt 3 tot ruim 4 meter - NAP, waarbij in noordelijke richting sprake is van een lichte gradiënt van laag naar hoog. Het gebied ligt hoger dan de nabijgelegen landbouwgebieden. Aan de zijkanten gaat het zand over in zware klei. Het boscomplex ligt grotendeels op een welving van de pleistoceen zand, die hier onder de relatief dunne Zuiderzee kleilaag ligt. blad 80 van 121

82 Het betekent dat alle watervoerende elementen in het zand zijn uitgegraven en daardoor deels met grondwater worden gevoed. Het Wilgenreservaat ligt op lichte klei en zavelgrond. Natuur Vegetatie Doordat het pleistocene zand met een relatief dunne kleiige bovenlaag wordt afgedekt, wijkt de ondergroei van het bos iets af ten opzichte van de andere bossen in dit deel van Flevoland. Behalve veel Grote brandnetel groeit er veel Duinriet, kenmerkend voor zandige locaties. De zeldzame Gebogen driehoeksvaren is in de duinrietruigte waargenomen. Brede wespenorchis is algemeen en Geel nagelkruid wordt hier en daar aangetroffen. Ongeveer 7 ha van de natuurontwikkelingskern bestaat uit een plas-dras gebied. Ook in het Knarbos-west is een plas-dras gebied aangelegd. Bij het Knarbos liggen twee stuifketels. Plantensoorten die sterk verbonden zijn met de aanwezigheid van kwelwater zijn in de wateren van het Knarbos en omgeving veel meer aanwezig dan in andere bossen binnen Flevoland. Bosbies, Holpijp, Lidsteng en Stomp vlotgras zijn hier gevonden. Het Wilgenreservaat heeft een speciale betekenis vanwege de vele korstmossen die er voorkomen. Door het voedselrijke karakter en korte bodemontwikkeling heeft de vegetatieontwikkeling in het Wilgenreservaat niet geleid tot een bijzondere bosflora. Libellen en insecten In 1999, 2000 en 2007 is het Knarbos onderzocht op het voorkomen van libellen. In 1999/2000 zijn in totaal 23 soorten waargenomen, waaronder Glassnijder en Vroege glazenmaker. Ook komen er populaties van de Rode bosmier voor. Vogels In het Knarbos broeden enkele watervogels, zoals Dodaars, Kuifeend, IJsvogel en Oeverzwaluw. Ook bosvogels zijn goed vertegenwoordigd met soorten als Zomertortel, Nachtegaal en Matkop. Naast de in Flevolandse bossen algemeen voorkomende soorten is ook de Grote bonte specht in grote aantallen aangetroffen en heeft de Kleine bonte specht het gebied ontdekt als broedgebied. De structuurrijke oude populierenopstanden van het Knarbos zijn van belang voor bosvogels. Ook is het gebied van speciaal van belang voor veel roofvogels zoals Buizerd, Havik en Sperwer. Zoogdieren Ree, Vos, Haas en Konijn komen algemeen voor in het Knarbos/Wilgenreservaat. Daarnaast zijn sporen aangetroffen van Bevers. In het Knarbos wordt begraasd. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 36 * BOSSEN RONDOM Ca. 103 ha SBB / Gemeente BIDDINGHUIZEN Dronten Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Rondom het dorp Biddinghuizen bevinden zich enkele kleinere groengebieden (in blad 81 van 121

83 totaal circa 72 ha) in beheer bij de gemeente en bij SBB en een groter bos (31 ha het Biddingbos) in beheer bij SBB. Het gaat vooral om jong loofbos met waterpartijen en een dierenpark. Doordat de bossen nog een redelijke omvang hebben en door de ligging langs de Hoge Vaart, nabij de bossen van de randmeerzone, kunnen ze goede stapstenen vormen binnen een ecologische verbinding. Als er uitwerking wordt gegeven aan de ideeën om in dit gebied een of enkele landgoederen te realiseren zal deze functie nog verder versterkt worden. Kenmerken Abiotiek Het bos is aangelegd op kleigrond. Op enkele plaatsen komt zandgrond voor. Natuur Hier is geen informatie over beschikbaar Andere functies De bossen worden beheerd met als hoofdfunctie recreatief uitloopgebied voor het dorp Biddinghuizen. blad 82 van 121

84 Zuidelijk Flevoland Zuidelijk Flevoland kent binnen de provincie de grootste ruimtelijke eenheden. Een grootschalige open (agrarische) ruimte vormt het centrum. Daaromheen ligt een aantal grote gebieden met ieder een eigen identiteit: de Oostvaardersplassen, het Horsterwold met daarnaast Zeewolde, het stedelijke gebied van Almere en de zogenaamde zuidlob. Het beleid is er op gericht deze deelgebieden als zodanig te behouden en waar mogelijk de eigen identiteit van deze gebieden te versterken of verder te ontwikkelen De Oostvaardersplassen is het grootste en bekendste natuurgebied van Flevoland. Het vormt samen met de Lepelaarplassen en de aangrenzende bosgebieden een aaneengesloten eenheid van zodanig formaat dat een begeleid natuurlijke ontwikkeling mogelijk is. Nationaal en internationaal staat dit gebied in grote belangstelling. Regelmatig worden er bijzondere waarnemingen gedaan. Door de natuurlijke dynamiek blijft het gebied aan veranderingen onderhevig. De ligging nabij grote open wateren zorgt er voor dat het gebied vooral een belangrijke functie heeft als rust- en broedgelegenheid voor vele vogels. De bosgebieden langs de randen vormen een buffer naar het stedelijke gebied van Almere en zijn met dat oogmerk ook opgenomen als onderdelen van de EHS. Het Horsterwold is het grootste loofbos op zeeklei dat we in Nederland (en NW Europa) kennen. In de centrale kern wordt een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling nagestreefd. Langs de randen is meer recreatief gebruik. Aan de oostzijde van het Horsterwold ligt, grenzend aan het Wolderwijd, de woonkern Zeewolde. De centrale open ruimte is geheel ingericht als landbouwgebied en heeft weinig ecologische relaties met het oude land en het IJsselmeergebied. Voor de uitwisseling tussen de bos- en natuurgebieden aan de oostrand met die aan de westrand zijn de centraal gelegen ecologische verbinding de 'Grote Trap' en de Knardijk van groot belang. Beide zijn ingericht als ecologische verbinding, maar zijn tot dusverre vooral voor kleinere diersoorten van belang. De Grote Trap valt binnen de ruimtelijke reservering voor het OostvaardersWold, de robuuste verbinding die Oostvaardersplassen en Horsterwold met elkaar moet verbinden.. Het beeld en de stedelijke kwaliteit van Almere wordt sterk bepaald door de los van elkaar liggende stadsdelen met daartussen een forse groenstructuur, de 'groene lobben'. Een deel van deze groenstructuur is van regionale betekenis doordat het de enige verbinding vormt van de Oostvaardersplassen en Lepelaarplassen naar het Oostelijke Vechtplassengebied. Deze gedeelten zijn daarom opgenomen in de EHS. Het behoud van de bestaande groene structuur tussen de verschillende stadsdelen wordt ook als essentieel gezien voor de identiteit en de woonkwaliteit of de leefbaarheid van Almere. Het laat zich aanzien dat er rekening moet worden gehouden met op termijn een verdubbeling van het aantal inwoners. Gekoppeld hieraan zal ook het areaal stedelijk groen moeten toenemen. Deze ontwikkeling zal grote ruimtelijke veranderingen in het gebied met zich meebrengen. Samenhangend daarmee wordt onder andere het OostvaardersWold ontwikkeld, de robuuste ecologische verbinding van Oostvaardersplassen via het Horsterwold naar de Veluwe. Evenals in de andere polders vormen de grote doorgaande wegen, beplanting en hoofdvaarten belangrijke structuurlijnen in het landschap. Zij vormen belangrijke zuidoost - noordwest gerichte lijnen die aansluiten op de hoofdstructuur in Oostelijk Flevoland. Deze structuurlijnen dienen als hoofddragers van het landschap te worden behouden en versterkt. Ze spelen eveneens een rol als ecologische verbinding in het gebied. blad 83 van 121

85 Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 37 Oostvaardersplassen Ca ha SBB Status EHS / Natura 2000 Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur (bestaande natuur: Kotterbos en Vaartplas) N01.03 Rivier- en moeraslandschap N12.02 Fauna- en kruidenrijk grasland N16.02 Vochtig bos met productie (Kotterbos, Vaartplas en Oostvaardersbos) Beschrijving gebied De Oostvaardersplassen (5622 ha) is het grootste en bekendste natuurgebied van Flevoland. Het is een spontaan ontstaan moerasgebied van internationale betekenis. Het gebied bestaat uit twee zones een zeer natte zone nabij de Oostvaardersdijk (moeraszone) en een meer droge zone daar omheen (randzone). De Oostvaardersplassen is aangewezen als Natura 2000-gebied en als wetland in het kader van het Ramsarverdrag. Verder is het milieubeschermingsgebied voor bodem en stilte. De Raad van Europa heeft in 2009 wederom het Europees diploma voor beschermde gebieden aan het natuurgebied Oostvaardersplassen gegeven. Met dit diploma wil de Raad van Europa onderstrepen dat het een bijzonder natuurgebied is waar een excellent beheer wordt gevoerd. Rondom de Oostvaardersplassen ligt een aantal bosgebieden die een functie hebben als bufferzone en overgangsgebied naar het omliggende grootschalige agrarische gebied en naar het stedelijke gebied van Almere en Lelystad. Het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen is één aaneengesloten gebied en wordt begrensd door de Oostvaardersdijk, Knardijk, spoorlijn Almere-Lelystad en de gemeentegrens Almere- Lelystad. Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van 5501 ha. De Oostvaardersplassen zijn ontstaan in het voorheen diepste en natste deel van de Zuidelijk Flevoland en werden behouden toen de zich ontwikkelende natuurwaarden aanleiding waren om de bestemming van industriegebied te wijzigen in natuurgebied. De omliggende delen van de polder klonken vervolgens in en om het gebied nat te kunnen houden werd ruim de helft van het gebied in 1976 omgeven door een kade, waardoor hier afzonderlijk peilbeheer mogelijk is. Het bekade moerasdeel ligt in het noordwesten van het gebied, langs de Oostvaardersdijk. Het bestaat uit open water, moeras, rietvelden, rietruigten en wilgenbossen. Na een opdeling in een westelijk en een oostelijk deel, waarin geëxperimenteerd is met wisselingen van waterstanden, kan het water tegenwoordig bij een hoge waterstand weer vrij afstromen. Dit deel van het moeras functioneert daardoor waterhuishoudkundig als één geheel. Het waterpeil wordt bepaald door natuurlijke variaties in neerslag en verdamping. Het zuidoostelijke deel van de Oostvaardersplassen, tussen kade en spoorlijn, omvat voormalige landbouwgronden en is aangelegd om een bufferzone naar de plassen te creëren. In de tweede helft van de jaren negentig is het oostelijke deel hiervan vernat en zijn zowel in het westen als in het oosten, uitgebreide complexen van poelen aangelegd. Het gebied bestaat rietvelden, rietruigten en graslanden. De Oostvaardersplassen behoren tot het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen. Aan de zuidwest kant van de Oostvaardersplassen ligt het Kotterbos. Het Kotterbos (337ha) is een loofbos op voornamelijk kleigrond. Het ligt aan de zuidwest kant van de Oostvaardersplassen en heeft een multifunctioneel karakter. Naast behoud en ontwikkeling van natuurwaarden, maken recreatieve mogelijkheden en houtoogst blad 84 van 121

86 deel uit van de doelstellingen van het gebied. Het bos bestaat voor 69% uit loofbos dat bestaat uit relatief jonge aanplant van vooral populieren. De overige delen bestaan uit grasland, ruigte en water. In de ondergroei komen planten voor als grote brandnetel, kleefkruid en riet. Kwel is afwezig. De omliggende bossen dienen naast het vergroten van natuurwaarden voor houtproductie. Kenmerken Abiotiek In de Oostvaardersplassen zijn vier peilgebieden te onderscheiden; het moerasgebied en drie peilgebieden in de grazige randzone. In het kader van het plan van aanpak verdroging van de provincie zijn vernattingsmaatregelen uitgevoerd. De bodem in het Kotterbos bestaat hoofdzakelijk uit klei. Kwel ontbreekt. Natuur In het Kotterbos is nog niet veel onderzoek gedaan naar het voorkomen van andere soorten dan vogels. Wel is bekend dat ree, vos en konijn aanwezig zijn. Ook komen meervleermuis, ruige en gewone dwergvleermuis voor en diverse broedvogels van jong bos en struweel. Vegetatie De randzone bestaat uit een gevarieerd grazig landschap. Vooral door de begrazing met grote zoogdieren behoudt het terrein zijn open karakter. Het klei-oermoeras van de Oostvaardersplassen zal worden ontwikkeld en beheerd als een samenhangend moerasecosysteem waarin spontane natuurlijke processen zich zoveel mogelijk ongestoord kunnen afspelen. Vogels Het gebied doet vooral dienst als rust, voedsel- en broedgebied voor zeer veel water- en moerasvogels. Bijna 250 soorten zijn hier waargenomen, meer dan 100 soorten broeden er jaarlijks, terwijl voor ruim 20 soorten het gebied wezenlijk bijdraagt aan het voortbestaan van de West-Europese populatie. Een van de grootste kolonies met Aalscholvers van West Europa komt hier voor maar ook belangrijke populaties van het Baardmannetje, Lepelaar, Grauwe gans en Blauwborst. De instandhoudingsdoelen van de Oostvaardersplassen hebben alleen betrekking op vogels. Deze instandhoudingdoelstellingen zijn: een toename in omvang en kwaliteit van het leefgebied van de broedvogelsoorten Blauwe kiekendief en Porseleinhoen; behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied van dodaars, Aalscholver, Roerdomp, Woudaap, Grote zilverreiger, Lepelaar, Bruine kiekendief, Blauwborst, Paapje, Snor, Rietzanger, Grote karekiet (allen broedvogel, voor aantal soorten geldt ook een instandhoudingdoel buiten broedseizoen) en Wilde zwaan, Grauwe gans, Kolgans, Brandgans, Bergeend, Smient, Krakeend, Wintertaling, Pijlstaart, Slobeend, Tafeleend, Kuifeend, Nonnetje, Zeearend, Kluut, Kemphaan en Grutto (niet-broedvogel). Het Kotterbos is vooral van belang voor bos- en struweelvogels. Langs de Vaartplas komen vooral struweelvogels voor en soorten van natte ruigte. Bijzonder is het broeden van Boomvalk in een hoogspanningsmast in het gebied. Zoogdieren Het drogere, buitenkaadse gedeelte wordt begraasd met Heckrunderen, edelherten en Konikpaarden. Bever, Boommarter en diverse soorten vleermuizen komen in de Oostvaardersplassen voor. Edelhert kunnen gebruik maken van het Oostvaardersbos. Naast het voorkomen van Konijn, Vos en Ree is bekend dat bevers de Lage Vaart langs het Kotterbos hebben gekoloniseerd. Daarnaast foerageren diverse soorten vleermuizen rond en in het Kotterbos. Amfibieën en reptielen In de Oostvaardersplassen komt een levensvatbare populatie Rugstreeppadden voor, evenals een grote populatie Ringslangen. blad 85 van 121

87 Vissen Voldoende kleinere vissoorten als stekelbaarzen zijn belangrijk voor een aantal vogelsoorten in de Oostvaardersplassen en omgeving. De Vaartplas staat bekend als goede plek voor de hengelsport. De plas is een overwinteringsgebied voor diverse vissoorten als Europese meerval, Snoekbaars en Karpers. Andere functies Voor de Oostvaardersplassen moet nog in het kader van de NB-wet een beheerplan worden opgesteld waarin de maatregelen beschreven worden die de beheerder zal nemen om de geformuleerde instandhoudingdoelstellingen te garanderen. Omdat een deel van de Oostvaardersplassen vrij toegankelijk is word daarbij ook de recreatieve activiteiten in het gebied betrokken. Door het Kotterbos loopt Het Flevopad, een lange afstandswandeling. De westkant van het bos wordt meer ontsloten voor inwoners van Almere. De oostkant wordt toegankelijk voor de grote grazers uit de Oostvaardersplassen. Hiertoe worden de recreatieve voorzieningen in dit deel van het gebied beperkt. Ter hoogte van het huidige natuurkampeerterrein wordt voor de grote grazers een ecoduct aangelegd. Ten behoeve van de aan watergebonden soorten wordt de huidige onderdoorgang onder de Flevolijn geoptimaliseerd. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 38 PRAAMWEGGEBIED 550 ha SBB Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur N01.03 Rivier- en moeraslandschap Beschrijving gebied Het Praamweggebied is een afwisselend gebied tussen Lelystad en Almere, bestaande uit bos, jonge aanplant, grasland, riet, ruigte en enkele waterpartijen, met een omvang van 550 ha. Het gebied is door de aanleg van de spoorlijn Almere Lelystad een afgesneden van de Oostvaardersplassen. In een deel van het gebied heeft de vegetatie zich spontaan kunnen ontwikkelen, vooral in het ongeveer 50 ha grote Wilgenbos, dat voor het overgrote deel bestaat uit Schietwilgen. In het gedeelte tegen de Knardijk liggen enkele natte stukken met veel riet en enkele plassen. Het middengedeelte van het gebied wordt open gehouden door begrazing met Konikpaarden. Hier zijn ook enkele poelen gegraven. Ten zuidwesten van het Wilgenbos ligt een voormalig landbouwgebied, dat ontwikkeld is tot natuurgebied door afgraving en het creëren van veel waterpartijen. Het gebied is in 2007 ingericht. Het Praamweggebied wordt begrensd door de Lage Vaart, een belangrijke ecologische verbindingszone in Flevoland. Knelpunt is de druk bereden Praamweg, die gebruikt wordt als sluiproute. Het afsluiten van de Praamweg voor autoverkeer biedt grote mogelijkheden om de natuurwaarden van het gebied te vergroten. Sinds 1997 zijn er verkeersvertragende maatregelen genomen. Kenmerken Abiotiek De bodem in het Praamweggebied bestaat uit kalkrijke jonge zeekleigronden (1 tot 6 meter dik) op een pleistocene zandondergrond. Deze bodem is weinig blad 86 van 121

88 gevoelig voor verzuring. Het maaiveld ligt op ongeveer 4,5 m - NAP. Natuur Vegetatie De vochtige, voedsel- en kalkrijke kleibodem heeft in de beboste gedeelten gezorgd voor een uitbundige begroeiing van Riet en Grote brandnetel. Hierin is vooralsnog weinig ruimte voor de ontwikkeling van een bosflora. Voor zover bekend zijn er tot nu toe geen waarnemingen gedaan van bosplanten met zware zaden. Dankzij de kalkrijkdom van de bodem, worden er op open plekken, bermen en paden, soms soorten als Rietorchis, Late ogentroost en Fraai duizendguldenkruid gevonden. Na verloop van tijd verdwijnen deze soorten en worden ze vervangen door hogere en ruigere vegetatie. De Eikvaren is al aangetroffen. Uit de aanwezigheid van kwelindicatoren (Watergras en Stomp vlotgras) blijkt dat de waterlopen in dit gebied deels met grondwater worden gevoed. Ook bijzonder is het voorkomen van Krabbescheer. Een soort die nauwelijks in Flevoland voorkomt. Amfibieën en reptielen Het Praamweggebied staat bekend om de vele Ringslangen die in het gebied worden waargenomen. De aanwezigheid van de Lage vaart met haar natuurvriendelijke oevers, de moerasgebiedjes en de vele waterpartijen in het gebied dragen hieraan bij. Het Praamweggebied geldt als broedkamer van waaruit de Ringslang zich langzaam verspreidt over Flevoland. Ook worden in het gebied veel amfibieën waargenomen, waaronder de Kleine watersalamander. Vogels Het Praamweggebied is van belang als broedgebied voor bosvogels, moerasvogels en struweelvogels. Daarnaast komen er in de winter veel trekvogels naar het gebied, waaronder bijzonder veel soorten roofvogels. In totaal zijn 20 rode lijstsoorten als broedvogel waargenomen, waaronder Roerdomp, Zomertaling, Slobeend, Boerenzwaluw, Ransuil en Houtsnip. Zoogdieren Er worden veel vleermuizen waargenomen in dit gebied. De meest bijzonder vleermuissoort is de Meervleermuis, andere soorten zijn de Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en de Gewone dwergvleermuis. Verder is het gebied bijzonder rijk aan Vossen, Reeën en Konijnen. Vanaf 1997 worden in dit gebied ook Bevers waargenomen en is er zelfs een burcht. Insecten In het open middengebied langs de Praamweg worden regelmatig bijzondere vlinders waargenomen. Meest bijzondere waarneming is het Bruine blauwtje. Het lijkt erop dat deze soort profiteert van de begrazing van het open middengedeelte langs de Praamweg. Andere soorten die als trekvlinder waargenomen zijn: o.a. Rouwmantel, Oranje en Gele luzernevlinder en de Kolibrievlinder. Andere functies Het is de bedoeling van Staatsbosbeheer om van het Praamgebied een etalage te maken voor de Oostvaardersplassen en veel recreanten naar dit gebied te lokken. De Oostvaardersplassengebied zelf kunnen daardoor ontlast worden, waardoor daar de natuurwaarden kunnen stijgen. Bovendien kunnen de recreanten in het Praamweggebied tussen de natuur doorlopen, terwijl ze in de Oostvaardersplassen meer op afstand moeten blijven. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 39 Horsterwold Ca ha SBB Status blad 87 van 121

89 EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur (bestaande natuur) N01.03 Rivier- en moeraslandschap N04.02 Zoete plas N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Het Horsterwold is vanwege zijn omvang van ca 4000 ha en ligging een belangrijk kerngebied in de EHS. Centraal in het gebied ligt de Stille kern met waterpartijen en grasland. Rond de Stille kern bevinden zich bossen. Het belang van het Horsterwold voor de EHS wordt nog groter door de aanleg van de robuuste verbinding OostvaarderWold, waardoor het gebied aansluiting krijgt op de Veluwe en de Oostvaardersplassen. Het gebied wordt daardoor een belangrijk kruispunt tussen bovengenoemde gebieden en de bos- en natuurgebieden langs de oostrand van Flevoland. Door de aansluiting op Veluwe en Oostvaardersplassen wordt het Horsterwold leefgebied voor o.a. edelherten. Hierdoor zijn extra investeringen nodig in o.a. rasters en wildroosters. Voor het beheer is van belang dat de waterpartijen niet volledig verlanden. Het Horsterwold grenst in het oosten aan de bebouwde kom van Zeewolde en in het zuidwesten aan het Nuldernauw. De provinciale wegen N301 Nijkerkerweg, N305 Gooise weg en N705 Spiekweg vormen belangrijke barrières. Het Vaartbos aan de noordkant van de Gooise weg is formeel geen onderdeel meer van het Horsterwold. Het grootste deel van het Vaartbos bestaat uit populier dat pas na 1990 is aangeplant. Kenmerken Abiotiek Het Horsterwold ligt op een hoogte variërend van ruim 4 m-nap in het noorden van het gebied, tot minder dan 2 m -NAP bij het Nuldernauw. De bodem bestaat grotendeels uit kalkrijke kleigronden. Alleen de buitendijkse voorlanden langs het Nuldernauw zijn aangelegd met Pleistoceen zand uit de Randmeren. In de rest van het Horsterwold komen zuidelijk van de Spiekweg een paar kleine zandopduikingen voor. Op enige diepte komen venige zandafzettingen voor. Tussen de Spiekweg en de dijk van het Nuldernauw liggen zavel en fijnzandige bodems. In dit gebied is het fluviatiel zand en dekzand dat gedurende de laatste ijstijd werd afgezet, niet of nauwelijks door Zuiderzeesedimenten afgedekt. Opkwellend water kan daardoor gemakkelijk aan de oppervlakte komen. De bodem van de Stille Kern en van het middendeel van het Horsterwold bestaat uit homogene lichte kleigronden, terwijl in het noordelijke deel, behalve klei- ook homogene zavelgronden voorkomen. In de Stille Kern komt een zandheuvel (Horsterberg) voor, die gemaakt is van zand, dat bij het graven van grote waterpartijen in het Horsterwold vrijkwam. Natuur Vegetatie Het Horsterwold en de Stille Kern zijn vergelijkbaar met andere bossen in Flevoland, waarvan de geschiedenis nog te kort is voor een ontwikkeling naar een rijke bosflora. De ondergroei is tamelijk ruig met veel Grote brandnetel en echte bossoorten zijn nog zeldzaam. In de wateren, ook de gegraven wateren in de Stille Kern, zijn weinig bijzondere soorten aangetroffen. Vanwege de zandige bodems in het gedeelte tussen de Spiekweg en het Nuldernauw wordt hier naast Grote brandnetel, ook Duinriet en Brede wespenorchis gevonden. De waterlopen in dit bosgedeelte, vooral die vlak achter de dijk, worden gevoed met kwelwater dat blad 88 van 121

90 zowel uit de randmeren als van de Veluwe afkomstig is. Kwelindicatoren zoals Holpijp, Watergras, Slanke waterkers en Stomp vlotgras zijn aangetroffen in de strook direct achter de dijk. De buitendijks gelegen Voorlanden hebben door hun milieuvariatie van nat naar droog en van kalkarm naar kalkrijk, een grote diversiteit aan plantengemeenschappen, met een aantal bijzondere plantensoorten. Op locaties met een hoge grondwaterstand komen plantensoorten van vochtige heiden zoals Dopheide, Ronde zonnedauw en Moeraswolfsklauw voor. Op kalkrijkere locaties zijn plantensoorten aangetroffen van vochtige duinvalleien. In het Vaartbos komen, naast populier, diverse andere loofboomsoorten voor. Vlier domineert in de 0ndergroei. In het westen ligt een nat gebiedje dat begraasd wordt door paarden. Hier zijn struiken als meidoorn, sleedoorn en roos te vinden. Dit gebied is zeer in trek bij diverse struweelvogels en vlinders. Mossen en Paddenstoelen In het Horsterwold is een zeldzame Haarmossoort aangetroffen en drie soorten paddenstoelen die buiten dit gebied niet eerder zijn aangetroffen in Nederland. Het Horsterwold staat bekend om zijn vele soorten paddenstoelen, waaronder veel bijzondere. Meer dan 1100 soorten komen er in het gebied voor. Vlinders en Libellen In het Horsterwold is nog niet veel onderzoek gedaan naar het voorkomen van vlinders. Tijdens een inventarisatie in 2004 zijn in het Horsterwold 18 soorten libellen aangetroffen. Amfibieën en Reptielen Het Horsterwold is rijk aan amfibieën en reptielen. Vooral in de Voorlanden langs het Nuldernauw zijn veel waarnemingen gedaan van onder andere: Bruine Kikker, Groene Kikker, Gewone pad, maar ook bijzondere soorten zoals de Ringslang en de Rugstreeppad. Vogels Tijdens een broedvogelinventarisatie in 2000, 2001 en 2002 werden 61 soorten broedvogels vastgesteld in het Horsterwold. In het gebied broeden 22 soorten die worden genoemd in de Rode Lijst waaronder Oeverloper, Bontbekplevier en Gele kwikstaart. Opvallend is de verscheidenheid aan struweel- en weidevogels en eenden. In het winterhalfjaar maken veel trekvogels gebruik van het Horsterwold. Het gaat daarbij niet alleen om Grauwe ganzen, maar ook om steltlopers zoals Witgatje en Watersnip. In najaar en winter kunnen op de plassen in het Horsterwold grote groepen eenden verblijven. Daarnaast foerageren er soorten als Lepelaar, Grote Zilverreiger en Roerdomp. Zoogdieren In het Horsterwold zijn waarnemingen bekend van onder andere dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Watervleermuis en Laatvlieger. De Vos wordt regelmatig jagend waargenomen, maar ook reeën en konijnen worden regelmatig gesignaleerd. Bijzondere waarnemingen zijn onder andere de Bever, het Damhert, de Boommarter en er is zelfs wel eens een Waterspitsmuis gevangen. Andere functies In een strook langs de bebouwde kom en het randmeer ligt het accent op recreatie. Hier bevinden zich o.a. een golfbaan, manege en verschillende campings. Voor de bossen rond de Stille kern is houtproductie een nevendoelstelling. Aan de oostkant van het gebied zijn de Buitenplaats Horsterwold en het bedrijventerrein Horsterparc te vinden. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 40 BUFFERSTROOK Ca. 227 ha SBB blad 89 van 121

91 Status EHS Beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Tussen de Lage Vaart en de A6 ligt een brede strook die als (veterinaire) buffer functioneert tussen de Oostvaardersplassen en het omliggende landbouwgebied. Deze strook is deels ingeplant met bos en deels in agrarisch gebruik (akkers). Deze strook (227 ha) wordt gebruikt voor de teelt van energiehout. Tussen de Lepelaartocht en het Praamwegviaduct ligt een oud grond- en zanddepot, dat nu bestaat uit veel riet en ruigte, met opslag van Wilg en Vlier. De strook heeft bij een goede inrichting en beheer de potentie zich te ontwikkelen tot een ecologische verbindingszone voor zowel droge als natte soorten die Oostelijk en Zuidelijk Flevoland met elkaar in verbinding brengt. Tussen de Vaartplas en het Praamwegviaduct ligt een stuk grond dat is ingericht als kiekendieffoerageergebied. Voor dit stuk grond is de ambitie kruiden- en faunarijke akker. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 41 LEPELAARPLASSEN Ca. 727 ha SFL Status EHS / Natura 2000 Beheertypen N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N12.06 Ruigteveld N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied Het Lepelaarplassengebied (totaal 727 ha) is een zeer waardevol moeras- en bosgebied dat ingeklemd ligt tussen de Oostvaardersdijk en de uitdijende stad Almere. Het gebied bestaat uit een aantal onderdelen: het Wilgenbos, het Wilgeneiland, het Vaartsluisbos, het Natura gebied De Lepelaarplassen en de Natte Graslanden. Het gebied is door middel van een brede ecologische verbinding langs de Oostvaardersdijk verbonden met de Oostvaardersplassen. Van de ecologische verbinding door Almere richting de Vechtplassen is het deel langs de Oostvaardersdijk, de ecozone Pampushout en één stapsteen gerealiseerd. In het Wilgenbos zijn vernattingsmaatregelen gerealiseerd. Een moeraszone oostelijk van de Natte Graslanden is als verdroogd gebied op de TOP-lijst geplaatst. Hier moeten nog vernattingsmaatregelen worden genomen. Alleen de Lepelaarplassen is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het gebied is milieubeschermingsgebied voor bodem. Daarnaast is het centrale deel aangewezen als wetland. De ambitie voor De Lepelaarplassen en het Wilgenbos is het vergroten van het beheertype moeras. blad 90 van 121

92 Natura 2000 De Lepelaarplassen zijn ontstaan na drooglegging van Zuidelijk Flevoland. In de lager gelegen noordelijke delen van de nieuwe polder kon een spontane natuurontwikkeling op gang komen doordat ontginning hier achterwege bleef. Om wegzijging te voorkomen is rond het gebied een plastic scherm ingegraven. De Lepelaarplassen vormen een moerasgebied met open water in een kwelplas langs de dijk en in drie voormalige zandwinputten. Het gebied bestaat verder uit rietvelden, ruigten, struwelen en wilgenbossen. De Lepelaarplassen behoort tot het Natura2000-landschap Meren en Moerassen. Het Natura2000-gebied Lepelaarplassen is één aaneengesloten gebied en wordt globaal begrensd door de Oostvaardersdijk, Trekvogelpad en de Noorderplassen. Het (voet)pad in noordwestelijke richting van de Noorderplassen tot aan de Oostvaardersdijk is de westelijke grens. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat grotendeels uit kleigrond, al komt op sommige plaatsen het zand tot redelijk dicht onder de oppervlakte. Dit laatste vooral in de Lepelaarplassen zelf, welke zijn ontstaan vanuit oude zandwinputten. Natuur Vegetatie De Lepelaarplassen is een goed ontwikkeld kleimoeras. Aansluitend aan het moerasgebied liggen natte graslanden. Door de rijke ondergrond is er sprake van een snelle successie van moeras naar kleibos. De huidige watervogelfunctie van het Lepelaarplassengebied is alleen te behouden door bepaalde stadia in de successie te behouden. In het Natura beheerplan zal het beheer van dit gebied worden uitgewerkt. Vogels In het kleimoeras komen diverse moerasvogels voor en er bevinden zich kolonies van lepelaars, blauwe reigers en aalscholvers. De natte graslanden en de natte dijkzone hebben een belangrijke foerageerfunctie voor reigerachtigen, steltlopers, lepelaars en ganzen. Andere functies De nabijheid van de stad levert vooral langs de randen een redelijke recreatiedruk. Het Wilgenbos en het Vaartsluisbos hebben een recreatiefunctie. Bij de Lepelaarplassen zijn meerdere (druk bezochte) vogelkijkhutten aanwezig, het natuurinformatiecentrum de 'Trekvogel' en andere voorzieningen. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 42 * NOORDERPLASSEN Ca. 250 ha Gemeente Almere Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied De Noorderplassen liggen ten noorden van de stad Almere en vormen de overgang van de Lepelaarplassen naar de stad. Het is een zandwinplas met een oppervlakte van 250 ha. Het grootste gedeelte is water, met daarin een paar eilanden. Langs de zuidzijde bevinden zich bosjes en voor dagrecreatieterreinen. Kenmerken blad 91 van 121

93 Abiotiek Hier in geen informatie over beschikbaar. Natuur Vogels De westzijde van het gebied is van belang als rust en foerageergebied voor vogels. Andere functies Dichter bij de stad is de recreatieve- en woonfunctie belangrijk. De oevers zijn deels ingericht voor recreatief gebruik. Het gebied is ook toegankelijk voor pleziervaartuigen. Het recreatieve gebruik is gezoneerd, rekening houdend met de natuurwaarden van de Lepelaarplassen. Aan de zuidkant en westkant zijn de randen ingericht met op water gerichte woningen. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 43 PAMPUSHOUT Ca. 406 ha SFL Status EHS Beheertypen N00.02 Nog om te vormen natuur (bestaande natuur) N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied De Pampushout is een jong gemengd loofbos (ca 500 ha) ten noordwesten van Almere. In het Pampushout bevindt zich een aantal voormalige akkers die de ambitie N14.03 Haagbeuken- en essenbos hebben met daarbij enkele poelen. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat uit klei. Natuur Vegetatie Het bos bestaat nu nog voor een groot gedeelte uit populieren. Het bos zal de komende jaren omgevormd worden. In het bos bevindt zich een aantal graslanden, luzerne- en tarwevelden, welke eveneens omgevormd zullen worden naar het beheertype Haagbeuken- en essenbos. Vogels Onder andere de Wielewaal en Matkop komen voor in het Pampushout. Zoogdieren Er worden onder andere reeën aangetroffen. Andere functies Het bos heeft een uitloopfunctie voor Almere en wordt goed bezocht. Delen van Pampushout, aan de rand van Almere Poort, zullen de komende jaren mogelijk gebruikt worden voor woningbouw. De verdere stedelijke uitbreiding van Almere zal ertoe leiden dat dit bos aan alle kanten wordt omgeven door woningbouw. Het recreatieve gebruik zal daardoor toenemen en het ecologisch functioneren komt onder druk te staan. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 44 * ALMEERDERZAND Ca. 65 ha SBB Status EHS blad 92 van 121

94 Beheertypen N10.01 Nat schraalland N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Het uitgestrekte Almeerderzand ligt bij de entree van Flevoland via de Hollandse Brug ten noorden van de A6. Aan de buitenzijde van de dijk ligt hier een zandstrand. Dit is een belangrijk recreatiegebied voor Almere. Binnendijks ligt het Muiderbos (65 ha). Binnen het bos loopt de Muiderzandbeek. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat voor het grootste deel uit klei. De stranden zijn opgespoten. Er treedt sterke kwel op, waardoor de beek snel stromend water heeft. Natuur Vegetatie Het Muiderbos is een opstand van vooral populier en wilg. Daarnaast is een grote variatie aan soorten aangeplant. Het gebied is van zeer beperkte botanische betekenis. Ter hoogte van de Hollandse Brug hebben de stranden, Muiderzand en Zilverstrand al sinds de aanleg een zeer bijzondere vegetatie met diverse soorten orchideeën en zeer zeldzame soorten als de Kleverige ogentroost. In de driehoek A6 spoorlijn Pampusweg komt een graslandje met ondiepe greppels voor, waar het in juni paars ziet van de Rietorchis. Hier zijn ook Grote ratelaar en Moeraswespenorchis te vinden. Fauna Hiervan zijn geen gegevens bekend. Wel is het Muiderzandbos de eerste stapsteen, een bruggenhoofd in de EHS, voor bosbewoners die Flevoland vanuit Noord-Holland koloniseren. Andere functies Het gebied heeft een belangrijke recreatieve functie. Binnen het gebied bevinden zich open ruimtes met parkeergelegenheid en een ruimte voor evenementen. Ook is er een camping in het gebied. Het bos vormt de toegang naar het Muiderstrand en wordt druk bezocht door recreanten. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 45 KROMSLOOTPARK en Ca. 290 ha SBB BEGINBOS Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Het Kromslootpark/Beginbos(290 ha) ligt ook bij de Hollandse Brug, maar ten zuiden van de A6 tegen Almere Haven aan. Eind jaren zeventig zijn bij de inrichting grillig gevormde sloten en wateren in het terrein aangebracht. Bij het uitgraven van de kreekachtige sloten zijn dijkjes opgeworpen die als wandelpaden en waterkering blad 93 van 121

95 fungeren. Het gebied wordt gekarakteriseerd door een hoge mate van afwisseling van grasland, struweel, moeras en bos. Het gebied is een belangrijke stapsteen (bruggenhoofd EHS voor koloniserende moerasbewoners) in de ecologische verbinding (in oprichting) tussen de Oostvaardersplassen en het Utrechtse Vechtplassengebied. Het Kromslootpark/Beginbos is onderdeel van de EHS. Het Beginbos vormt een onderdeel in de bosrijke zone aan de noordrand van Almere-Haven, tegelijk ecologische bosverbinding. Een deel van dit natuurgebied zal verloren gaan door de verbreding van de rijksweg A6. Kenmerken Abiotiek Het gebied ligt op een hoogte variërend van ruim 3 m -NAP in het westen bij de Gooise Weg tot 3,9 m -NAP in het oosten. Het gebied is aangelegd op lichte kalkrijke kleigrond. In het gebied is veel reliëf aangebracht, waardoor het geschikt is voor bijzondere planten. In het hele gebied komt sterke lokale kwel voor. Natuur Vegetatie Het gebied bestaat uit een stelsel van waterlopen, rietvelden en bos. Door de sterke kwel heeft het gebied een moerassig karakter. Dankzij de grote variatie in grondsoorten en waterstanden komt er een groot aantal vegetatietypen voor. De zandige ondergrond in het westelijke puntje van het gebied biedt mogelijkheden voor de vestiging van (pionier)soorten als Bleekgele droogbloem, Sierlijke vetmuur, Moeraswespenorchis en Rietorchis. In het gebied waar de waterpartijen zijn gegraven is het grondwater van het eerste watervoerend pakket nog steeds licht brak. Hierdoor kunnen er planten voorkomen zoals Lidsteng, Zulte en Fijn hoornblad. Ook zijn er soorten te vinden die kwel van zoet water indiceren zoals Watergras, Gewone dotterbloem en Kleine watereppe. Net als in veel andere bossen in Flevoland is de ontwikkeling van de ondergroei nog niet over het beginstadium heen. Er zijn nog nauwelijks echte bosplanten aangetroffen. Wel komen er veel doornstruwelen voor waarin soorten als Duinroos, Duindoorn, Wegedoorn, Sleedoorn en Bosrank te vinden zijn. Paddenstoelen In het gebied is het voorkomen van 94 paddenstoelensoorten bekend. Aangetroffen rode lijst soorten zijn: Gewoon houtskoolbekertje, Conische wolfranjehoed en Waaiertje Insecten Naast het voorkomen van algemene libellensoorten als Viervlek en Gewone oeverlibel is de rode lijstsoort Vroege glazenmaker aangetroffen. Ook is de bijzondere Noordse witsnuitlibel waargenomen. Amfibieën en reptielen Door de waterrijke indeling is het bos rijk aan amfibieën en reptielen. Algemene soorten zoals de Bruine kikker, Meerkikker, Middelste groene kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander zijn waargenomen. In het verleden werd ook regelmatig de Ringslag aangetroffen, maar de laatste waarneming stamt uit Onbekend is of deze soort nog in het gebied voorkomt. Vogels In 2005 is er broedvogelkartering uitgevoerd in het Kromslootpark/Beginbos. In het gebied zijn toen 11 soorten aangetroffen die op de Rode lijst vermeld staan: Roerdomp, Porseleinhoen, Graspieper, Grauwe vliegenvanger, Wielewaal, Kneu, Matkop, Spotvogel, Koekoek, Grote karekiet en Snor. Het gebied is vooral van belang voor moerasvogels. Zo broeden naast de al eerder genoemde blad 94 van 121

96 vogelsoorten ook de Baardman en Blauwborst in dit gebied. De Bruine kiekendief en Buidelmees zijn regelmatig waargenomen. Andere bijzondere soorten die in het gebied hebben gebroed zijn IJsvogel en Porseleinhoen. De natuurlijke ontwikkeling van het Beginbos wordt weerspiegeld door de aantallen holenbroeders. Boomkruiper, Grote bonte specht, Grauwe vliegenvanger en Matkop komen in redelijke aantallen in het Beginbos voor. Verder worden hier ook verschillende soorten roofvogels en uilen broedend aangetroffen. Zoogdieren Er zijn waarnemingen bekend van Dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Meervleermuis en Laatvlieger. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen bekend in het gebied. Het Kromslootpark/Beginbos wordt vooral door algemeen voorkomende zoogdieren gebruikt. In het gebied wordt de Vos en Hermelijn regelmatig jagend waargenomen. Tijdens onderzoek in 2003 zijn vijf soorten muizen gevangen (Aardmuis, Bosspitsmuis, Bosmuis, Rosse woelmuis en Dwergmuis). Ook de Bever is onlangs waargenomen. Vissen Tijdens een visonderzoek in 2005 is de aanwezigheid van de rode lijstsoorten Vetje en Bittervoorn vastgesteld. Andere functies Het gebied is opengesteld en er is een stelsel van voet- en fietspaden door het park. De A6, die langs het gebied loopt, is een belangrijke barrière en verstorende factor (geluidsoverlast). In het rijksmeerjarenprogramma ontsnippering is de aanleg van een nieuwe faunapassage onder de A6 voorzien. De huidige faunapassage in de fietstunnel voldoet niet. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 46 * STADSBOSSEN ALMERE Ca. 207 SBB / Gemeente Almere Status EHS Beheertypen N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Almere is bewust aangelegd als stad in het groen. Tussen de gebieden met woningbouw bevinden zich grote groene lobben met een recreatie- en natuurfunctie. De groene longen van de stad. Een deel van deze gebieden is in beheer bij SBB. Daarnaast is een aantal bosgebieden in beheer bij de gemeente zelf. Buitenhout (beheerd door SBB): Het Buitenhout (110 ha) grenst aan Almere Buiten en fungeert als zodanig als stadsbos met een belangrijke recreatieve functie. Bosranden Almere buiten: Dit is een bosstrook van 13 ha die tussen de bebouwing van Almere Buiten en de Buitenring ligt. Fanny Blankers-Koenbos: Dit is een bosstrook van 19 ha die grenst aan de bebouwing Almere Stad; Tussen de Vaarten. Dit bos ligt naast het Fanny Blankers-Koen sportpark. Overige bossen en parken: o.a. Waterhout/vogeleiland Hannie Schaftpark, Bos der Onverzettelijken, Ebenezer Howardpark, Lumièrepark, Beatrixpark en Meridiaanpark. De bosgebieden en parken zijn alle van heel verschillende omvang en kwaliteit. blad 95 van 121

97 Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat over het algemeen uit klei. Er komt vrijwel geen kwel voor. Natuur Hier is geen informatie over beschikbaar. Andere functies De door de gemeente beheerde bossen hebben vooral een recreatieve functie. Op veel plaatsen zijn recreatieve voorzieningen aangelegd. Bij een goede inrichting en beheer kunnen de gebieden een bijdrage leveren aan de stadsnatuur. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 47 * ALMERE HOUT, WATERLANDSE BOS EN CIRKELBOS Ca ha SBB Status EHS Beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Dit boscomplex (1196 ha) ligt oostelijk van Almere Haven. Het bos is aangeplant als één van de groene longen van de stad. Het gedeelte tegen de Gooimeerdijk aan heeft de naam Cirkelbos gekregen naar de vormen van de vakken die ingeplant zijn met populieren. In het Cirkelbos loopt de Gooimeerbeek. De Hoge Vaart loopt dwars door dit gebied en is voor een groot deel ingericht met natuurvriendelijke oevers. In het ontwikkelingsplan voor de Boswachterij Almeerderhout gaan de gedachten uit naar een ontwikkeling van dit gebied tot een stadspark vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Bois de Boulogne in Parijs. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat uit klei. Alleen langs het Gooimeer komt zwakke kwel voor. Natuur Vegetatie Een deel is kleinschalig van karakter met een gevarieerd bosbeeld. Er is nog vrij weinig variatie in de begroeiing. Andere functies De later ingeplante delen zijn grootschaliger en meer op houtproductie gericht. Doordat het bos tegen Almere aan ligt, en in de toekomst aan alle kanten door bebouwing omgeven zal zijn, heeft het een belangrijke recreatieve functie (het heeft dan ook een uitgebreid netwerk van wandel-, fiets- en ruiterpaden). Tot dusverre is de inrichting van het bos daar in beperkte mate op afgestemd. Wel zijn er tal van ontwikkelingen zoals een kunstroute in het Cirkelbos, stadslandgoed De Kemphaan, herinrichting van de stortplaats en andere recreatieve voorzieningen en activiteiten. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder blad 96 van 121

98 48 * HULKESTEINSE BOS Ca. 868 ha SBB (tot )/ SFL (vanaf ) Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N16.02 Vochtig bos met productie Beschrijving gebied Het Hulkesteinse bos ligt aan de zuidkant van Zuidelijk Flevoland tegen het Nijkerkernauw aan. Het is een loofbos met een oppervlakte van 868 ha. In het kader van het plan van aanpak verdroging van de provincie zijn vernattingsmaatregelen gerealiseerd. In de buurt van het Laakse strand wordt de Laakse Slenk aangelegd. Het is een milieubeschermingsgebied voor bodem. Kenmerken Abiotiek De bodem bestaat uit zavel op pleistoceen zand en er komen veenlagen voor. In de randmeerzone komt matige tot sterke kwel voor. Verder is geen kwel van betekenis. Natuur Vegetatie Voor het grootste deel bestaat het bos uit populieren en verder (een menging van) essen, esdoorns, eiken en beuken. De bodemopbouw is gevarieerd, waardoor op korte afstand van elkaar een vochtig bosgebied en een bosgebied met een droger karakter zijn ontstaan. Zoogdieren Het bos is van belang voor diverse soorten vogels en voor wild. Andere functies Er zijn twee campings (waarvan één met een meer natuurlijk karakter) en het recreatiepark De Eemhof, dat als een enclave in het Hulkesteinse bos ligt. Verder is het gebied ingericht voor routegebonden recreatie. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 49 OOIEVAARPLAS EN Ca. 130 ha SFL REIGERPLAS Status EHS Beheertypen N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.06 Ruigteveld N14.03 Haagbeuken- en essenbos Beschrijving gebied De Ooievaarplas en de Reigerplas zijn beide ontstaan door zandwinning t.b.v. de A6. blad 97 van 121

99 Tussen de Knardijk en de Ooievaarplas ligt een stuk nog om te vormen natuur. Dit stuk wordt bij voorkeur een droge/ natte verbinding met een aantal poelen. De ambitie is kruiden- en faunarijk grasland. De gebieden samen vormen een belangrijke stapsteen in de verbindingszones vanaf de Knardijk richting de Oostvaardersplassen. De ligging naast de snelweg A6 betekent dat er permanent sprake is van verkeerslawaai. Kenmerken Abiotiek De Reigerplas ligt op een hoogte van ruim 4m -NAP. De bodem bestaat uit kalkrijke kleigronden en humeuze zavel met in de ondergrond Pleistoceen zand, dat nergens aan de oppervlakte komt. De Ooievaarplas bestaat uit humeuze, kalkrijke zavel met een pleistocene zandondergrond in het westelijke deel, tot een zandige bodem in het oude zanddepot (oostelijk). De Ooievaarplas ligt op een diepte variërend van 4,5 m - NAP rond de centrale plas, tot 2 m-nap bij het oostelijk zanddepot. Natuur Vegetatie De Ooievaarplas en de Reigerplas bestaan beide uit een grote plas met daaromheen een ruigtevegetatie, bestaand uit riet, ruigte en struweel. Bij de Ooievaarplas is een stuk natuurlijk bos aanwezig. Op de grens tussen de plas en het bos staat een kunstmatige oeverzwaluwwand (uit 1995). Op de restanten van een oud zanddepot komt een interessante vegetatie voor met Fraai duizendguldenkruid, Bleekgele droogbloem, Kamvaren en Rietorchis. Libellen In de Reigerplas zijn 7 soorten libellen waargenomen, waaronder de Glassnijder. Vogels Tijdens een broedvogelinventarisatie in 1999 werden 17 soorten broedvogels aangetroffen. Enkele interessante soorten zijn Zomertortel, Spotvogel, Koekoek en Nachtegaal. De Ooievaarplas wordt in de winter ook regelmatig gebruikt door watervogels als rust- en foerageergebied. Zoogdieren Bij de Reigerplas zijn waarnemingen bekend van Dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Meervleermuis en Laatvlieger. De Vos wordt regelmatig jagend waargenomen. Ook is enkele malen de Bever aangetroffen. In de Ooievaarplas komen Ree, Vos en Wezel voor. Ook hier wordt de Bever aangetroffen. Andere functies De Reigerplas heeft een recreatieve functie, de Ooievaarplas is via een doorgaand fietspad toegankelijk. Er wordt de laatste jaren veel geklaagd over overlast van waterskiërs, jetski's en waterscooters. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder A04 Akkerwaard/ Gorzenveld/ Gruttoveld/ Winkelse Zand/ Stichtse Putten/ Priembos en Paddenpoelen. Ca ha agrarische natuurvereniging Akkerwaard/ SFL Status Agrarisch gebied/ EHS blad 98 van 121

100 Beheertypen A01.02: Akkerfaunagebied N04.02 Zoete plas N05.01 Moeras N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N14.03 Haagbeuken- essenbos Beschrijving gebied Het beheergebied Akkerwaard wordt grofweg begrensd door Ibisweg/Ooievaarsweg in het noorden, de Knardijk in het oosten, de Schollevaerweg in het zuiden en rijksweg A27 in het westen. Dit gebied wordt doorsneden door het toekomstige OostvaardersWold (EHS). Een groot deel van het agrarische gebied in de zogenaamde Zuidlob behoort ook bij dit gebied. Het beheergebied Akkerwaard is het meest grootschalige akkerbouwgebied in Flevoland met kavels van meer dan 50 ha. Er worden granen (tarwe), aardappelen, bieten en uien verbouwd. In de zuidlob komt wat meer grasland voor. Het gebied is arm aan opgaande beplanting en daardoor kansrijk voor vogelsoorten van grootschalige open landbouwgebieden. Alleen langs de Vogelweg die van oost naar west door het gebied loopt staat en opgaande wegbeplanting. Het intensieve grondgebruik en het ontbreken van overhoekjes en extensieve randen beperken de actuele natuurwaarden. Binnen en in de omgeving van het beheergebied Akkerwaard liggen diverse natuurterreinen van het Flevo-landschap: Gorzenveld, Gruttoveld, Winkelse Zand, Stichtse Putten, Priembos en Paddenpoelen. De Stichtse Putten is een moeras-, plas en bosgebied, dat is ontstaan dankzij de aanleg van de A27. Het vormt de verbindende schakel tussen de bossen in het Gooi en die in Flevoland. Het Gorzenveld is een moerasgebied en het Gruttoveld een nat weidevogelgebied. Het Winkelse zand is een voormalig zanddepot waarop een ruigtebegroeiing met bijzondere plantensoorten is ontwikkeld. Ook liggen hier twee poelen. Het Priembos is een bosgebied dat voornamelijk bestaat uit populier, es, esdoorn, eik en beuk. Aan het bos ligt een bijzonder ontwerp ten grondslag: centraal ligt een groot cirkelvormig bosvak. Langs de dwarsverbinding van de Hoge Vaart met de Priemtocht zijn poelen aangelegd. Aan de Roerdomptochtstrook ligt het natuurgebied De Paddenpoelen: een gebied met graan en luzernevelden omgeven door een forse boom- en struikensingel. In het gebied liggen twee rietrijke poelen en ook langs de tocht is een poel aangelegd. Dit gebied vormt een belangrijke stapsteen voor het beheergebied de Akkerwaard. Kenmerken Abiotiek In de ondergrond bevindt zich een patroon van oeverwallen en rivierduinen van de Eem die vroeger door het gebied stroomde. Op een aantal plaatsen is dit patroon aan de oppervlakte herkenbaar. Aan de oppervlakte bestaat de bodem vooral uit klei. Het natuurgebied Winkelse Zand is een restant van een voormalig zanddepot. De bodem bestaat hier uit kalkrijk zand. Natuur Vogels Het gebied is redelijk soortenrijk wat betreft akkervogels. In dit gebied broeden jaarlijks grauwe kiekendieven. Het noordelijk deel is ook van belang als foerageergebied voor blauwe en bruine kiekendieven die in de Oostvaardersplassen broeden. Hetzelfde gebied wordt s winters vanuit de blad 99 van 121

101 Oostvaardersplassen bezocht door brandganzen. De rest van het gebied ook door grauwe ganzen en kolganzen. Terreinnr. Naam terrein Opp. Beheerder 50 OostvaardersWold Ca ha SBB Status Ca hectare EHS Beheertypen N00.01 Nog om te vormen natuur (nieuwe natuur met LNV-budget) N00.02 Nog om te vormen natuur (bestaande natuur) N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N16.02 Vochtig bos met productie N01.03 Rivier- en moeraslandschap N12.05 Kruiden- en faunarijke akker Beschrijving gebied Het OostvaardersWold is een robuuste ecologische verbindingszone van ongeveer 11 kilometer lang en gemiddeld anderhalve kilometer breed tussen de Oostvaardersplassen en Horsterwold. De ecologische verbindingszone heeft als doelsoort Edelhert. Daarnaast wordt de verbindingszone ook opengesteld voor de Heckrunderen en Konikpaarden uit de Oostvaardersplassen. Het OostvaardersWold moet grotendeels nog worden ingericht. Na de inrichting van het OostvaardersWold zal het beheer van het gebied worden overgedragen aan Staatsbosbeheer. Dit betekent dat er in het OostvaardersWold geen ruimte is voor particulier natuurbeheer. De ambitie voor het OostvaardersWold is het realiseren van deltanatuur (met het beheertype moeraslandschap) met een duurzaam watersysteem en met recreatiemogelijkheden. De komende tijd wordt een verdere uitwerking van het ontwerp gemaakt. Afhankelijk daarvan zal of een kleiner deel van het gebied of het gehele gebied het beheertype rivier- en moeraslandschap krijgen. Het noordelijke deel van het gebied (ten noorden van de Vogelweg) wordt, gezien de lagere ligging ten opzichte van de omgeving, het meest waterrijk en zal qua vegetatie en soortensamenstelling het meest lijken op het natte deel van een deltasysteem. Hier komen twee smalle waterstrengen met vertakkingen. Rondom de strengen zal een moerasachtig gebied met plasdras zones en natte graslanden ontstaan. In tijden van hevige regenval zullen grote gebieden onder water komen te staan. Hiermee wordt voorkomen dat de regen die in het OostvaardersWold valt, voor overlast zorgt in het ontvangende watersysteem van de Lage Vaart. Daarnaast zorgt het tijdelijk onder water staan voor de ontwikkeling van bijzondere natuur en past het helemaal binnen het beeld van deltanatuur. Via stuwen nabij de A6 wordt geregeld dat het water eventueel uit het OostvaardersWold kan stromen in de Lage Vaart. Ten zuiden van de Vogelweg worden de waterstrengen breder en de vertakkingen minder. In dit deel zullen naast uitgestrekte rietoevers ook droge natuurtypen ontstaan. Het OostvaardersWold moet voorzien in 70 ha boscompensatie door het realiseren van bos. Naast het voorzien in de huidige opgave wordt rekening gehouden met een aanvullende opgave van 100 ha. Langs de buitenzijden van het OostvaardersWold liggen zones met bos. Aan de zuidoostkant van de Vogelweg vormt bosrijk gebied een rustgebied voor edelherten. Dit rustgebied van 300 ha is beperkt toegankelijk voor de andere grote grazers en afgesloten voor publiek. In het meest noordoostelijk deel van OostvaardersWold zal een gebied van 470 ha blad 100 van 121

102 worden ingericht als optimaal foerageergebied voor Bruine en Blauwe kiekendieven. Dit gebied kan ook bestaan uit 170 ha optimaal én een equivalent van 300 ha optimaal foerageergebied. Het foerageergebied krijgt een open karakter met een mix van ruigere, beschutte plekken en meer open gedeeltes. Een deel van het optimaal foerageergebied zal als kruidenrijke en faunarijke akker worden beheerd. Dit foerageergebied zal niet toegankelijk zijn voor Heckrunden en Konikpaarden. OostvaardersWold vormt samen met de Oostvaardersplassen en Horsterwold het Oostvaardersland. Het Oostvaardersland wordt ingericht als een aaneengesloten geheel. Op kruisingen met infrastructuur worden ecopassages aangelegd. Grote grazers kunnen zich hierdoor vrij over de hele lengte van het gebied bewegen. In het OostvaardersWold ligt het leefgebied voor Heckrund en Konikpaard tussen de twee hoofdwaterstrengen. De strengen worden zodanig ingericht dat de Heckrunderen en Konikpaarden de waterstrengen niet zullen oversteken. Edelherten kunnen in principe wel overal in het OostvaardersWold komen, omdat de waterstrengen voor hen als goede zwemmers geen barrière vormen. Het verschil in toegankelijkheid voor de grazers binnen OostvaardersWold zal leiden tot een variatie in de begroeiing. In combinatie met de andere natuurlijke processen als erosie door wind en water wordt op deze manier uiteindelijk het gebied gevormd. Het beheer van het OostvaardersWold (met uitzondering van het foerageergebied voor kiekendieven) is gericht op het zoveel mogelijk bieden van ruimte aan dergelijke natuurlijke en dynamische processen. Hiermee wordt gestreefd naar het verkrijgen van topnatuur in het OostvaardersWold, een natuur met grote ecologische waarde en een rijke diversiteit aan flora en fauna. De Grote Trap is onderdeel van het plangebied OostvaardersWold. Het is bestaande natuur dat wordt omgevormd. De Grote Trap ligt op de oorspronkelijke reserveringsstrook voor de Adelaarsweg ten behoeve van een nog aan te leggen weg vanaf Nijkerk naar de Markerwaard. De Grote Trap ligt tevens langs de Wulptocht tussen de Ibisweg en Schollevaarweg. De Grote Trap bestaat uit een brede tochtsloot met op de aangrenzende stroken extensief begraasd grasland, afgewisseld met aangeplante bosjes, spontaan opgeslagen vlierstruwelen, ruigtevegetaties, enkele drinkpoelen en een grotere plas. Het gebied vormt al een overgang van moeras naar bos. Door inscharing van vee zijn de natuurwaarden beperkt gebleven. Kenmerken Abiotiek OostvaardersWold ligt op de helling van een plateau van dekzandlagen uit het pleistoceen. De zone loopt af van hoog in het zuidoosten tot lager in het noordwesten. Het verval bedraagt bijna 1 meter. In het pakket dekzand ligt de bedding van de rivier de Eem. Langs de oever van de Eem kwam al vroeg bewoning voor waardoor nu grote kans bestaat op archeologische vondsten. In de bovenste laag liggen scheepswrakken uit de periode van de Middeleeuwen tot in de 18 eeuw. De bodem van OostvaardersWold bestaat hoofdzakelijk uit klei. Plaatselijk is in het noordwestelijke deel van de zone een verhoogde aanwezigheid van het dekzandpakket: hier ligt het dekzand zeer dicht aan het oppervlak. Het watersysteem van het OostvaardersWold is een gesloten watersysteem met twee hoofdwaterstrengen die van noord naar zuid lopen. Het watersysteem wordt gestuurd door regenwater. Alleen in droge perioden wordt voor het handhaven van het waterpeil water uit de Hoge Vaart ingelaten. In natte perioden wordt voor hetzelfde doel water uitgelaten. In het geplande OostvaardersWold heeft de deklaag een zodanig dikte dat er geen toestroom van kwelwater. De waterkwaliteit in het gebied is thans van matige kwaliteit. blad 101 van 121

103 Bij het ontwerp van het OostvaardersWold is aansluiting gezocht bij de landschappelijke vormgeving van de omgeving. De begrenzing van OostvaardersWold kent dezelfde lange lijnen zoals die nu zichtbaar zijn. Natuur Vegetatie Een uitgangspunt voor het OostvaardersWold is het verkrijgen van een zo natuurlijk mogelijke vegetatie. De combinatie van waterdynamiek, wind, de keuzes voor beplanting en de mate van begrazing zal leiden tot een gevarieerde vegetatiestructuur met open en gesloten gedeelten, die van jaar tot jaar kunnen verschillen. Vogels Foerageergebied voor bruine, grauwe en blauwe kiekendief en leefgebied voor onder meer Roerdomp, Grote karekiet, Woudaap, Snor en Baarman. De huidige Grote Trap vormt thans een verbinding van regionaal niveau voor natte en droge natuur. De dichtheid aan zangvogels is hoog. en vooral van belang voor weidevogels, moerasvogels en voor struweelvogels. In de directe omgeving van het gebied hebben tot 2009 grauwe kiekendieven gebroed. Zoogdieren Edelhert, Konikpaard en Heckrund zijn doelsoorten. Andere belangrijke soorten zijn de aan natte habitats (open water, moeras, moerasbos) gebonden soorten Bever, Otter, Noordse woelmuis en Waterspitsmuis. Verder is het gebied relevant voor vleermuizen en de boommarter. Amfibieën en reptielen Ringslang en mogelijk rugstreeppad (rugstreeppad heeft wel een voorkeur voor zandige en vochtige habitats). Vissen Paling, Bittervoorn, Europese meerval, Kleine modderkruiper, Grote modderkruiper en Winde. Libellen Vroege glazenmaker, Glassnijder Andere functies Het hele OostvaardersWold is nagenoeg geheel beleefbaar voor recreanten met uitzondering van het rustgebied voor edelherten, het foerageergebied voor kiekendieven en de ecoducten. In het OostvaardersWold ligt het accent op zwerfnatuur. Dit houdt in dat de recreant door de natuur kan struinen en zo de natuur actief kan beleven. Bij zwerfnatuur zijn geen paden of bewegwijzering aanwezig. Aan de (noord)westzijde, bij de Vogelweg en de Ibisweg is ruimte voor meer intensievere vormen van dagrecreatie met recreatieve voorzieningen, zoals picknickvelden, uitkijkpunten en horeca. Dit gebied geldt vooral als uitloopgebied van Almere. Ook liggen hier de belangrijkste toegangspoorten van het OostvaardersWold. Het OostvaardersWold levert een belangrijke bijdrage voor de waterberging in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. blad 102 van 121

104 Ecologische verbindingszone Ecologische verbindingen zijn in hun algemeenheid van belang voor uitwisseling van genetisch materiaal en noodzakelijk voor het in stand houden van gezonde populaties. Aangezien de natuur in de provincie Flevoland nog volop in ontwikkeling is, zijn de verbindingen ook van belang voor de vestiging van soorten. In het omgevingsplan (versie 2 november 2006) zijn de ecologische verbindingszones opgenomen die ook daadwerkelijk gerealiseerd (gaan) worden. In deze paragraaf zijn de kenmerken van de betreffende ecologische verbindingszones beschreven. Per verbindingszone is een gebiedsbeschrijving, de modellen, het beoogde beheer en eventuele opmerkingen aangegeven. Per verbindingszone is aangegeven volgens welk(e) model(len) de verbindingszone moet worden ingericht. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen vijf modellen: - Model Salamander en Pad - Model Otter en Waterspitsmuis - Model Blankvoorn en Libel - Model Das en Ree - Model Edelhert en Eland Informatie over deze modellen is onder ander uitgewerkt in de Totaalvisie ecologische verbindingen Flevoland (Arcadis, april 2002). De Hoge Vaart De Hoge Vaart vormt de ecologische verbinding van het Ketelmeer naar de Randmeerzone. Hij loopt via het Harderbos en Horsterwold naar het Stichtse Brugbos. Deze verbinding is vooral van lokaal belang voor natte soorten. Langs de Hoge Vaart bevinden zich verschillende bosjes (o.a. het Karekietbos van 19 ha) met verschillende poelen die in beheer zijn bij SBB, deze vormen stapstenen in de verbinding. De totale oppervlakte hiervan is 106 ha. De oevers zijn nog niet volledig natuurvriendelijk ingericht. Elementen zoals oevers met plas/drasbermen zijn van belang voor de biotoop van de soorten. Het doel is het creëren van een waterloop zonder barrières en riet, overgaand in vochtig grasland, ruigten, struwelen en kleine bosschages. Er zullen staptenen ingericht worden die uit een combinatie bestaan van geïsoleerde poelen, omgeven door rietruigte en inundatievlaktes, inhammen en vochtig grasland, struwelen en bosschages. Modellen: De inrichting van de ecologische verbinding is gericht op de volgende modellen: Salamander en pad Otter en Waterspitsmuis Blankvoorn en libel Beheer Gevarieerd maaibeheer voor riet. Grasland één tot twee keer per jaar maaien en afvoeren (verschralen door het juiste maaitijdstip). Dood hout en bladafval niet opruimen. Opmerking Langs de vaart zijn plaatselijk de damwanden vervangen door natuurvriendelijke oevers. blad 103 van 121

105 De Lage Vaart De Lage Vaart is te beschouwen als de ecologische verbinding van de Oostvaardersplassen via het Hollandse Hout naar het Roggebotzand en het Ketelmeer. Het is daarom een verbinding van nationaal belang voor droge en voor natte soorten. De combinatie van de Vaart zelf en de beplanting tussen de Vaart en de weg, biedt hiervoor een goede uitgangssituatie. Het Wisentbos (85 ha tegen Dronten) is te beschouwen als grote stapsteen in de verbinding. Ter hoogte van de Waiboerhoeve en Oostvaardersplassen is de noordoever van de Lage Vaart al natuurvriendelijk ingericht. Verder bevindt zich in deze strook vooral loofbos en grasbermen. Ter hoogte van het bedrijventerrein en de woonwijk in Lelystad zijn beide zijden natuurvriendelijk ingericht. De inrichting van het overige gebied is nog niet aangepast aan de ecologische doelstelling. Zowel de aanwezigheid van de Groenvoerdrogerij, als enkele meer recreatieve voorzieningen in de nabijheid van Dronten vormen daarbij knelpunten. Het grootste obstakel vormt echter het gedeelte binnen de bebouwde kom van Dronten. Realisatiemogelijkheden van een goed functionerende ecologische verbinding voor dit gedeelte zijn op dit moment nog niet aanwezig. Een omweg via de Wisentweg en de Rendiertocht biedt eventueel mogelijkheden. De totale lengte van deze ecologische verbinding is ongeveer 18,5 km. Modellen: De inrichting van de ecologische verbinding is gericht op de volgende modellen: Salamander en pad Das en Ree Otter en Waterspitsmuis Blankvoorn en libel Doel van deze ecologische verbindingszone is het creëren van een waterloop met plas/drasbermen en riet overgaand in vochtig grasland, ruigten, struwelen en kleine bosschages. Er zullen stapstenen worden ingericht die een combinatie van geïsoleerde poelen vormen, omgeven door rietruigte en inundatievlaktes. Voor doelsoorten zoals de Das en Ree is zijn ruigten, struwelen en bosschages van belang. Foerageren doet de Das op kleinschalig agrarisch landschap met geleidende elementen, zoals heggen, houtsingel en bosjes. Voor onder andere libellen worden poelen, natte stroken en doorgaande oevers met riet, ruigten en struwelen aangelegd. Beheer: Gevarieerd maaibeheer voor riet. Grasland één tot twee per jaar maaien en afvoeren (verschralen door een juist maaitijdstip). Dood hout en bladafval niet opruimen. Opmerking: Passage Dronten vormt het grootse probleem, er is in dit kader gekozen voor een splitsing in drie verbindingen. Ook de strook tussen de A6 en de Lage Vaart, welke gedeeltelijk als bestemming bedrijventerrein heeft, vormt een knelpunt. De Knardijk Dit is de ecologische verbinding tussen de Oostvaardersplassen en het Veluwemeer/Wolderwijd/Veluwe. Het is een belangrijke ecologische verbinding voor droge en natte natuur met een totale lengte van bijna 10 km. De verbinding is blad 104 van 121

106 grotendeels gerealiseerd, maar functioneert gebrekkig door de aanwezigheid van veeroosters en schapenrasters. Een nog aan te leggen strook 'nieuwe natuur' tussen Knardijk en Ooievaarsplas completeert de verbinding Veluwemeer-Oostvaardersplassen. Via Reigerplas en de onder de A6 doorlopende Lepelaartocht wordt het Oostvaardersplassengebied bereikt. (opp. 13 ha). Modellen: De inrichting van de ecologische verbinding is gericht op de volgende modellen: Salamander en pad Das en Ree Otter en Waterspitsmuis Blankvoorn en Libel Deze ecologische verbindingzone en bijbehorende stapstenen zijn gericht op doelsoorten zoals de Das, Ree, salamanders en padden. Voor doelsoorten zoals de Das en Ree is een kleinschalig agrarisch landschap, ruigten, struwelen en bosschages van belang. Voor soorten die hun biotoop hebben in natte omstandigheden, zijn doorgaande oevers met riet, ruigten en struwelen aangelegd. Onder andere voor libellen zijn verschillende poelen gegraven. Extensief landbouwkundig gebruik van de ecologische verbinding en stapstenen is mogelijk in een kleinschalig agrarisch landschap. Beheer: Open water open houden, grasland begrazen of maaien en afvoeren. Voor het overige "niets doen". Opmerking: Peilverschillen, passages onder de wegen en veeroosters voor onder andere schapen, vormen een knelpunt. De Larservaart De Larservaartstrook verbindt de Oostvaardersplassen, via het Hollandse Hout, met de natuurgebieden aan de Oostrand. In combinatie met de in deze zone aanwezige kerngebieden, vormt dit een belangrijke verbinding voor zowel droge als natte soorten. Modellen: De inrichting van de ecologische verbinding is gericht op de volgende modellen: Salamander en pad Das en Ree Otter en Waterspitsmuis Blankvoorn en Libel Voor doelsoorten zoals de Das en Ree is een kleinschalig agrarisch landschap, ruigten, struwelen en bosschages van belang. Voor soorten die hun biotoop hebben in natte omstandigheden zijn doorgaande oevers met riet, ruigten en struwelen aangelegd. Onder andere voor libellen zijn verschillende poelen gegraven. Extensief landbouwkundig gebruik van de ecologische verbinding en stapstenen is mogelijk in een kleinschalig agrarisch landschap. Beheer: blad 105 van 121

107 Bosomvorming en open water open houden, graslandgedeelten maaien en afvoeren en voor het overige "niets doen". Opmerkingen: Geen De Lemstervaart De Lemstervaart loopt van Emmeloord naar Lemmer, langs de A6. De Zwolsevaart Deze ecologische verbindt, samen met de Marknesservaart, de oever van het IJsselmeer met het Zwarte Water en de Wieden/Weerribben. De verbinding is, gelet op de waarden van de beide gebieden, van nationaal niveau, zowel voor droge als voor natte soorten. Op enkele plaatsen is al vooroevermoeras aangelegd. Deze verbinding is pas optimaal als hij van het Voorsterbos doorloopt naar de Weerribben. De verbinding door Almere Poort Dit is de verbinding tussen de laagveenmoerassen van de Oostelijke Vechtplassen via het Kromslootpark en Almeerderzand/Pampushout naar de Lepelaarplassen en de Oostvaardersplassen. Het is een verbinding van nationaal niveau voor natte natuur. De totale lengte bedraagt iets meer dan 11 km. Kleine gedeelten van deze verbinding zijn ingericht. De verbinding staat onder grote druk door de stedelijke uitbreiding van Almere. Modellen: De inrichting van de ecologische verbinding is gericht op de volgende modellen: Salamander en Pad Otter en Waterspitsmuis De doelsoorten vereisen doorgaande oeverstroken met riet en drasbermen overgaand in afwisseling van vochtig grasland, ruigten en struwelen. Ook is het van belang dat er verschillende poelen in het gebied voorkomen, waarbij 1 of meer poelen omgeven moeten zijn door vochtig grasland, ruigten, struwelen en bosschages. De stapstenen zijn niet bedoeld voor recreatief medegebruik, de rest van de corridor biedt wel mogelijkheden hiertoe. Beheer: Gevarieerd maaibeheer voor riet; grasland één tot twee keer per jaar maaien en afvoeren; bladafval en dood hout niet opruimen. De verbinding tussen Reve-Abbert en Wisentbos (langs de Hanzelijn) Bij de realisatie van de Hanzelijn ontstaat er een mogelijkheid om een aansluiting te realiseren van de Lage Vaart naar de oostelijke Randmeerbossen, die ook kan doorlopen naar Gelderland. Verlies van natuur door de aanleg van de Hanzelijn zal o.a. in deze strook worden gecompenseerd. Het gaat hier om een belangrijke verbinding voor droge natuur. Hoe deze verbinding door of langs Dronten kan lopen zal nog onderzocht moeten worden. Modellen: De inrichting van de ecologische verbinding is gericht op het model Das en Ree Voor doelsoorten zoals de Das en Ree is een kleinschalig agrarisch landschap, ruigten, struwelen en bosschages van belang. Structuren gevormd door doorlopende houtsingels zijn van belang voor de foerageermogelijkheden voor deze soorten. blad 106 van 121

108 Extensief medegebruik en/of landbouwkundig gebruik van de corridor en stapstenen is wenselijk in het kleinschalige agrarisch landschap. Beheer In de corridor dood hout laten liggen en kleinschalig extensief beheer van overige elementen, zodat geleidelijke overgangen ontstaan tussen beplanting en gras/water. Opmerkingen: Combinatie met nog aan te leggen Hanzespoorlijn. Verbindingen in de oostrand van Oostelijk Flevoland Trekkersveld Ten oosten van het bedrijventerrein Trekkersveld is het gewenst een verbinding tussen het Horsterwold en het Harderbroek te realiseren. Het betreft een belangrijke verbinding voor zowel soorten van droge als het vochtige milieu. Deze ecologische verbinding zal mede in de planvorming bij de verdere uitbreidingsplannen van Zeewolde betrokken dienen te worden. Het Spijk Tussen het Spijk en de Abbert sluiten de randmeerbossen niet op elkaar aan. Een ecologische verbinding kan hier mogelijk verbetering in brengen. Daarbij is ook een aftakking richting de Veluwe voorzien. Het gaat dan om een belangrijke verbinding voor zowel droge als natte natuur. Een deel van het voor ecologische verbindingen gereserveerde areaal (20 ha) kan in deze zone hiervoor worden ingezet. Harderbos Harderbroek Het Harderbos en het Harderbroek liggen nu nog geïsoleerd van elkaar. Er wordt nog gezocht naar mogelijkheden om hier een verbinding te realiseren. De oversteek van de Ganzenweg vormt daarin een belangrijk obstakel. Een deel van het voor ecologische verbindingen gereserveerde areaal (20 ha) kan in deze zone voor dit doel worden ingezet Six Flags/Jamboreeterrein Tussen de Bremerberg en het Spijk bevindt zich een onderbreking in de bossen van de randmeerzone. Deze wordt grotendeels opgeheven met de realisatie van twee ecologische verbindingen. Het gaat om een droge verbinding langs de buitenrand van Six Flags en een natte en een droge verbinding die over het voormalige Jamboreeterrein worden aangelegd, in combinatie met de recreatieve ontwikkeling van dit gebied. blad 107 van 121

109 blad 108 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

110 Bijlage 8 Beheerpakketten collectieve beheerplannen Beheerpakketten weidevogelgebied en toeslagen In de Index voor natuur en landschap wordt binnen het agrarische natuurtype Agrarische faunagebieden (A01) het beheertype Weidevogelgebied (A01.01) benoemd. Onderstaande beheerpakketten kunnen aangevraagd worden, met in achtneming van de spelregels voor collectief beheer. A Weidevogelgrasland met rustperiode (variant a t/m e) Toeslag ruige mest A Weidevogelgrasland met voorweiden Toeslag ruige mest A Plas-dras A Landbouwgrond met legselbeheer op grasland (variant a) Toeslag kuikenstroken A Kruidenrijk weidevogelgrasland Toeslag ruige mest A Extensief beweid weidevogelgrasland Toeslag kuikenstroken Bij het beheerpakket landbouwgrond met legselbeheer kan optioneel een toeslag voor kuikenstroken worden aangevraagd. De kuikenstroken zijn minimaal 6 en maximaal 12 meter breed en worden ten minste 2 weken later gemaaid dan de rest van het perceel. Toeslag ruige mest Bij het beheerpakket Weidevogelgrasland met rustperiode, Weidevogelgrasland met voorweiden en kruidenrijk weidevogelgrasland kan optioneel een toeslag voor ruige mest worden aangevraagd. Hierbij wordt op de beheereenheid buiten de rustperiode ruige mest uitgereden in een volume van ten minste 10 en maximaal 20 ton per hectare. Beheerpakketten akkerfaunagebied In de Index voor natuur en landschap wordt binnen het agrarische natuurtype Agrarische faunagebieden (A01) het beheertype Akkerfaunagebied (A01.02) benoemd. Onderstaande beheerpakketten kunnen aangevraagd worden, met in achtneming van de spelregels voor collectief beheer ( 5.3.2). De akkerfaunagebieden in Flevoland worden in dit natuurbeheerplan tot de kleigebieden gerekend. A : Bouwland met broedende akkervogels A : Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels In de beheereisen staat dat in het natuurbeheerplan wordt bepaald welke zaaimengsels en zaaidichtheden mogen worden gebruikt. In bijlage 10 staan deze eisen vermeld. Andere mengsels en dichtheden zijn mogelijk na schriftelijke toestemming van de provincie. blad 109 van 121

111 Beheerpakketten ganzenfoerageergebied In de Index wordt binnen het agrarische natuurtype Agrarische faunagebieden (A01) het beheertype Ganzenfoerageergebied (A01.03) onderscheiden met één beheerpakket Overwinterende ganzen (A ). Onder dit beheerpakket vallen de volgende vier varianten: A a Ganzen op grasland; A b Ganzen op bouwland; A c Ganzen op vroege groenbemester; A d Ganzen op late groenbemester. In deze gebieden kan het beheerpakket A : Overwinterende ganzen, worden opengesteld. Voor deze gebieden geldt dat een collectief beheerplan vereist is (zie 4.3.3). blad 110 van 121

112 Bijlage 9 Gewichtsfactoren kuikenland pakketten A Pakketnummer Pakketten en toeslagen Waarde als kuikenland in ha A a weidevogelgrasland met rustperiode tot 1juni 1,2 A b weidevogelgrasland met rustperiode tot 8 juni A c weidevogelgrasland met rustperiode tot 15 juni A d weidevogelgrasland met rustperiode tot 22 juni 1,4 1,5 1,5 A e weidevogelgrasland met rustperiode tot 1 juli 1,5 A a weidevogelgrasland met voorweiden tot 1 mei en daarna rust tot 15 juni A b weidevogelgrasland met voorweiden tot 8 mei en daarna rust tot 22 juni 0,7 0,8 A a plasdras van 15 februari tot 15 april 0,2 A b plasdras van 15 februari tot 15 mei 0,8 A c plasdras van 15 februari tot 15 juni 0,8 A d plasdras van 15 februari tot 1 augustus 0,8 A kruidenrijk weidevogelgrasland 1,5 A extensief beweid weidevogelgrasland 1,5 optionele toeslag Kuikenstrook op grasland 0,3 voor gehele perceeloppervla kte blad 111 van 121

113 blad 112 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

114 Bijlage 10 Zaadmengsels en zaaidichtheden beheertype A1.02 Binnen het beheerpakket A bouwland met broedende akkervogels zijn de gras- en kruidenstroken bedoeld om geschikt broedgebied te vormen voor bontbekplevier, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, kievit. Behalve broedgebied vormen de stroken ook foerageergebied voor deze soorten en voor kneu, ring- en huismus, torenvalk, bruine, grauwe en blauwe kiekendief. Voor dit beheerpakket zijn de volgende mengsels toegestaan. Percentages zijn gewichtsverhoudingen. Grasstroken: Dit mengsel mag alleen worden toegepast in combinatie met kruidenstroken en/of graanstroken. Mengsel met minder hoog groeiende en minder productieve soorten zoals: Beemdlangbloem Rietzwenkgras Rood zwenkgras Westerwolds Raaigras Veldbeemdgras Gewoon struisgras Kamgras Fijn schapengras Festúca praténsis Festuca arundinácea Festuca rubra Lólium multiflórum Poa pratensis Agrostis capillaris Cynosurus cristatus Festuca filiformis Zaaidichtheid maximaal 20 kg/ha Graanstroken Zomertarwe Zomergerst Haver Rogge Boekweit Triticale Pluimgierst Tricitum spec Hordeum vulgare Avena sativa Secale cereale Fagopýrum esculéntum x Triticosecale Panicum miliaceum Zaaidichtheid maximaal 75 kg/ha Kruidenstroken Avondkoekoeksbloem Beemdkroon Bermooievaarsbek Bladrammenas Brunel Dagkoekoeksbloem Duizendblad Echte kamille Gewone rolklaver Knoopkruid Korenbloem Luzerne Margriet Nachtkoekoeksbloem Smalle wikke Vogelwikke Witte klaver Silene latifolia ssp alba Knautia arvensis Geranium pyrenaicum Raphanus spec. Prunella vulgaris Silene dioica Achillea millefolium Matricaria chamomilla Lotus corniculatus Centaurea jacea Centaurea cyanus Medicago sativa Leucanthemum vulgare Silene noctiflora Vicia sativa Vicia cracca Trifolium repens blad 113 van 121

115 Zaaidichtheid geen maximum. Combinaties: Graan/gras: graanstroken met onderzaai van gras: maximaal 70 kg graanzaad plus 15 kg graszaad per ha. Gras/klaver of gras/luzerne: grassen maximaal 15 kg per ha en witte klaver/rolklaver of luzerne maximaal 5 kg per ha. Gras/kruiden: Aanbevolen wordt een zaaidichtheid voor het mengsel van grassen en kruiden van 10kg/ha, waarvan 6 kg graszaad en 4 kruidenzaad (3 : 2). maximaal 15 kg per ha (9 kg graszaad en 6 kruidenzaad). In de winter vormen de graanstroken van het beheerpakket A bouwland met overwinterende akkervogels belangrijk foerageergebied voor veldleeuwerik, gele kwikstaart, kwartel, kneu, ringmus, torenvalk, grauwe en blauwe kiekendief. Voor dit pakket zijn de volgende mengsels toegestaan. Zomertarwe Tricitum spec minimaal 50% aangevuld met mengsel van Haver Avena sativa Rogge Secale cereale Triticale x Triticosecale Pluimgierst Panicum miliaceum en/of kruiden: koolzaad mosterd herik Duizendblad Gewone rolklaver Pastinaak Peen Vogelwikke Witte klaver Brassica napus Brassica nigra Sinapis arvensis Achillea millefolium Lotus corniculatus Pastinaca sativa subsp. Sativa Daucus carota Vicia cracca Trifolium repens Voorbeeldmengsels: Speciaal mengsel Veldleeuwerik Rood zwenkgras Festuca rubra Gewoon struisgras Agrostis capillaris Kamgras Cynosurus cristatus Fijn schapengras Festuca filiformis Avondkoekoeksbloem Silene latifolia ssp alba Beemdkroon Knautia arvensis Bermooievaarsbek Geranium pyrenaicum Brunel Prunella vulgaris Dagkoekoeksbloem Silene dioica Duizendblad Achillea millefolium Echte kamille Matricaria chamomilla Gewone rolklaver Lotus corniculatus Knoopkruid Centaurea jacea Korenbloem Centaurea cyanus Margriet Leucanthemum vulgare Nachtkoekoeksbloem Silene noctiflora blad 114 van 121

116 Vogelwikke Witte klaver Vicia cracca Trifolium repens Het aandeel kruiden in het mengsel bedraagt minimaal 40%. (grassen:kruiden = 3:2) Zaaidichtheid geen maximum. Speciaal mengsel Grauwe kiekendief Beemdlangbloem Festúca praténsis 1,5-3,0 kg/ha Rietzwenkgras Festuca arundinácea 1,0-2,0 kg/ha Rood zwenkgras Festuca rubra 2,5-5,0 kg/ha Westerwolds Raaigras Lólium multiflórum 1,0-2,0 kg/ha Zomertarwe en/of rogge 5,0-10 kg/ha Boekweit Fagopýrum esculéntum 2,0-4,0 kg/ha Bladrammenas Raphanus spec. 0,5-1,0 kg/ha Wikken 1,0-2,0 kg/ha Luzerne Medicago sativa 1,0-2,0 kg/ha Overige zaaddragende kruiden 1,0-2,0 kg/ha Vaste grasstrook Beemdlangbloem Festúca praténsis 3,5 kg/ha Rietzwenkgras Festuca arundinácea 3,0 kg/ha Rood zwenkgras Festuca rubra 6,0 kg/ha Westerwolds Raaigras Lólium multiflórum 2,5 kg/ha blad 115 van 121

117 blad 116 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

118 Bijlage 11 Akker- en weidevogels Bergeend Gele Kwikstaart Graspieper Grauwe kiekendief Grutto Kemphaan Kievit Knobbelzwaan Krakeend Kuifeend Kwartel Kwartelkoning Patrijs Scholekster Slobeend Tafeleend Tureluur Veldleeuwerik Watersnip Wintertaling Wulp Zomertaling blad 117 van 121

119 blad 118 van 121 Natuurbeheerplan Flevoland 2011

120 Bijlage 12 Overzicht beheertypen volgens Index N&L Natuur N01 Grootschalige, dynamische natuur N01.01 Zee en wad N01.02 Duin- en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N02 Rivieren N02.01 Rivier N03 Beken en Bronnen N03.01 Beek en bron N04 Stilstaande wateren N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete plas N04.03 Brak water N04.04 Afgesloten zeearm N05 Moerassen N05.01 Moeras N05.02 Gemaaid rietland N06 Voedselarme venen en vochtige heiden N06.01 Veenmosrietland en moerasheide N06.02 Trilveen N06.03 Hoogveen N06.04 Vochtige heide N06.05 Zwakgebufferd ven N06.06 Zuur ven of hoogveenven N07 Droge heiden N07.01 Droge heide N07.02 Zandverstuiving N08 Open duinen N08.01 Strand en embryonaal duin N08.02 Open duin N08.03 Vochtige duinvallei N08.04 Duinheide N09 Schorren of kwelders N09.01 Schor of kwelder N10 Vochtige schraalgraslanden N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland N11 Droge schraalgraslanden N11.01 Droog schraalland N12 Rijke graslanden en akkers N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld blad 119 van 121

121 N13 Vogelgraslanden N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N13.02 Wintergastenweide N14 Vochtige bossen N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en laagveenbos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15 Droge bossen N15.01 Duinbos N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos N16 Bossen met productiefunctie N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie N17 Cultuurhistorische bossen N17.01 Vochtig hakhout en middenbos N17.02 Droog hakhout N17.03 Park- en stinzenbos N17.04 Eendenkooi N00 Nog om te vormen naar natuur N00.01 Nog om te vormen naar natuur (nieuwe natuur) N00.02 Nog om te vormen naar natuur (bestaande natuur) A01 A01.01: A : A : A : A : A : A : A01.02: A : A : A : A01.03: A : A02 A02.01: A : A : A : Agrarische natuur Agrarische faunagebieden Weidevogelgebied Akkerfaunagebied Ganzenfoerageergebied Agrarische floragebieden Botanisch waardevol grasland Beheerpakketten Weidevogelgrasland met rustperiode Weidevogelgrasland met voorweiden Plas-dras Landbouwgrond met legselbeheer Kruidenrijk weidevogelgrasland Extensief beweid weidevogelgrasland Bouwland met broedende akkervogels Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels Bouwland voor hamsters Overwinterende ganzen Botanisch weiland Botanisch hooiland Botanische weide- of hooilandrand blad 120 van 121

122 A : A02.02: A : A : A : Botanisch waardevol akkerland Botanisch bronbeheer Akker met waardevolle flora Chemie en kunstmestvrij land Akkerflora randen Landschapselementen L01 Groen blauwe landschapselementen L01.01 poel en klein historisch water L01.02 houtwal en houtsingel L01.03 elzensingel L01.04 bossingel en bosje L01.05 knip- of scheerheg L01.06 struweelhaag L01.07 laan L01.08 knotboom L01.09 hoogstamboomgaard L01.10 struweelrand L01.11 hakhoutbosje L01.12 griendje L01.13 bomenrij en solitaire boom L01.14 rietzoom en klein rietperceel L01.15 natuurvriendelijke oever L02 Historische gebouwen en omgeving L02.01 fortterrein L02.02 historisch bouwwerk en erf L02.03 historische tuin L03 Aardwerken L03.01 aardwerk en groeve L04 Recreatieve Landschapselementen L04.01 wandelpad over boerenland blad 121 van 121

ANTWOORDNOTA Ontwerp Natuurbeheerplan Flevoland 2016

ANTWOORDNOTA Ontwerp Natuurbeheerplan Flevoland 2016 FLEVOLAND R U I M T E VOOR OPLOSSINGEN ANTWOORDNOTA Ontwerp Natuurbeheerplan Flevoland 2016 ANTWOORDNOTA ONTWERP NATUURBEHEERPLAN FLEVOLAND 2016 Gedeputeerde Staten van Flevoland hebben op 16 december

Nadere informatie

Subsidiestelsel Natuur en Landschap

Subsidiestelsel Natuur en Landschap Subsidiestelsel Natuur en Landschap Nederland is rijk aan waardevolle natuur- en cultuurlandschappen. De provincies zijn in Nederland verantwoordelijk voor het natuurbeheer en willen de natuurwaarden in

Nadere informatie

Was word tabel Natuurbeheerplan 2017 ontwerp Natuurbeheerplan tekstdeel

Was word tabel Natuurbeheerplan 2017 ontwerp Natuurbeheerplan tekstdeel Was word tabel Natuurbeheerplan 2017 ontwerp Natuurbeheerplan 2018 tekstdeel Algemeen: Overal waar 2017 stond is dit aangepast naar 2018 Natuurnetwerk Nederland is afgekort tot NNN. Specifiek per pagina:

Nadere informatie

Openstellingsbesluit 2017 SNL onderdeel Natuur

Openstellingsbesluit 2017 SNL onderdeel Natuur Openstellingsbesluit van Gedeputeerde Staten der provincie Overijssel van 27 september 2016, nr. 2016/0388389, tot bekendmaking van hun besluit van 27 september 2016, nr. 2016/0320693, tot vaststelling

Nadere informatie

PROVINCIAAL BLAD JAARGANG: 2013

PROVINCIAAL BLAD JAARGANG: 2013 PROVINCIAAL BLAD JAARGANG: 2013 NR: 91 Officiële naam regeling: Openstellingsbesluit 2013 Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Limburg Citeertitel: Openstellingsbesluit 2013 SVNL Naam ingetrokken

Nadere informatie

Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. 29 september 2009

Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. 29 september 2009 Natuurbeheerplan Provincie Gelderland 29 september 2009 INHOUDSOPGAVE Inleiding... 3. Waarom een nieuw beheerplan?... 3.2 Status en doel van het beheerplan... 3.3 Huidige stand van zaken Natuurbeheerplan...

Nadere informatie

Een kijkje in de SNL-keuken

Een kijkje in de SNL-keuken Een kijkje in de SNL-keuken Unit Natuurinformatie en Natuurbeheer BIJ12 Herman Cohen Stuart en Karin Cox 1 Twitter met ons mee! #Hogeschool_VHL #BIJ12 #SNL #ANLb2016 Over BIJ12 3 Even een testje! Voordat

Nadere informatie

Daarnaast zijn er subsidies voor het versterken van de landschapskwaliteit binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de Nationale Landschappen.

Daarnaast zijn er subsidies voor het versterken van de landschapskwaliteit binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de Nationale Landschappen. Informatie subsidies particulier natuurbeheer Natuurbeheer wordt in Nederland uitgevoerd door terreinbeherende organisaties en particulieren. De overheid wil het beheer van natuur door particulieren, bijvoorbeeld

Nadere informatie

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van , nr. 80EAAD65, tot wijziging van het Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013.

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van , nr. 80EAAD65, tot wijziging van het Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013. ISSN 0920-105X Provinciaal blad 2013 / 37 Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van17-09-2013, nr. 80EAAD65, tot wijziging van het Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013. Gedeputeerde staten van

Nadere informatie

Provinciaal blad 2012, 43

Provinciaal blad 2012, 43 ISSN 0920-105X Provinciaal blad 2012, 43 Besluit van Gedeputeerde Staten der provincie Utrecht van 25 september 2012, nr. 80BF0C9C tot vaststelling van de subsidieplafonds, aanvraagperioden en/of de tarieven

Nadere informatie

Begrenzingenplan Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland

Begrenzingenplan Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland Begrenzingenplan Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland (Begrenzingen Programma Beheer) 6.080 ha begrensd waarvan: - 2.121 ha in de Zeevang - 2.497 ha in Waterland-oost - 1.462 ha in de Vechtstreek Gedeputeerde

Nadere informatie

Natuursubsidie in Zeeland De subsidiemogelijkheden voor natuur in de Provincie Zeeland

Natuursubsidie in Zeeland De subsidiemogelijkheden voor natuur in de Provincie Zeeland Natuursubsidie in Zeeland De subsidiemogelijkheden voor natuur in de Provincie Zeeland Datum: 6-10-2015 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 1.1. Aanleiding 3 1.2. Leeswijzer 3 2. Subsidie Natuur- en Landschapsbeheer

Nadere informatie

Ontwerp-Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013

Ontwerp-Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013 Fotografie: Gerard ter Heerdt 2 Ontwerp-Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013 Inhoud 1 Inleiding... 4 1.1 Waarom een natuurbeheerplan?... 4 1.2 Status en doel van het natuurbeheerplan... 4 1.3 Gevolgde

Nadere informatie

Ontwerp Natuurbeheerplan Gelderland GS d.d. 20 april 2010

Ontwerp Natuurbeheerplan Gelderland GS d.d. 20 april 2010 Ontwerp Natuurbeheerplan Gelderland 2011 GS d.d. 20 april 2010 1. Inleiding... 3 1.1 Belangrijkste aanpassingen van het Natuurbeheerplan 2009?...3 1.2 Status en doel van het beheerplan...4 1.3 Huidige

Nadere informatie

Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant

Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant September 009 1 Inhoud 1 Inleiding... 3 1.1 Waarom een nieuw natuurbeheerplan?... 3 1. Status en doel van het natuurbeheerplan...

Nadere informatie

Nieuw stelsel. Natuur- en Landschapsbeheer

Nieuw stelsel. Natuur- en Landschapsbeheer Nieuw stelsel Natuur- en Landschapsbeheer 1. Inleiding 1.1 Samenvatting 1.2 Aanleiding voor een nieuw stelsel 1.3 Strategische visie op beheer van natuur en landschap 1.4 Voor wie geldt het nieuwe stelsel?

Nadere informatie

lil PROVINCIE FLEVOLAND Provinciaal Blad Eerste wijziging Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland 2016

lil PROVINCIE FLEVOLAND Provinciaal Blad Eerste wijziging Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland 2016 PROVINCIE FLEVOLAND Provinciaal Blad 2015/25 Nummer 1788278 Eerste wijziging Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland 2016 lil Gedeputeerde Staten van Flevoland maken gelet op het bepaalde

Nadere informatie

Provinciaal Natuurbeheerplan - 2015 provincie Fryslân

Provinciaal Natuurbeheerplan - 2015 provincie Fryslân Provinciaal Natuurbeheerplan - 2015 provincie Fryslân Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Fryslân Vastgesteld op 30-09-2014 Versie augustus 2014 Sleat Natuurbeheerplan 2015 Inhoudsopgave 1 Inleiding

Nadere informatie

Een kijkje in de SNL-keuken

Een kijkje in de SNL-keuken Een kijkje in de SNL-keuken Unit Natuurinformatie en Natuurbeheer BIJ12 Herman Cohen Stuart 1 Twitter met ons mee! #Hogeschool_VHL #BIJ12 #SNL #ANLb Over BIJ12 3 Voordat we beginnen Even een testje! Welk

Nadere informatie

PROVINCIAAL BLAD. Gelet op artikel 4.1 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016;

PROVINCIAAL BLAD. Gelet op artikel 4.1 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016; PROVINCIAAL BLAD Officiële uitgave van provincie Utrecht. Nr. 6601 6 oktober 2015 Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 22 september 2015, nr. 81617751, tot wijziging van de Subsidieverordening

Nadere informatie

Kwaliteitsimpuls voor natuur en landschap. Subsidie voor investering en functieverandering

Kwaliteitsimpuls voor natuur en landschap. Subsidie voor investering en functieverandering Kwaliteitsimpuls voor natuur en landschap Subsidie voor investering en functieverandering 1 De subsidie U heeft grond in gebruik en wilt deze geschikt maken voor (agrarisch) natuurbeheer. Of u beheert

Nadere informatie

Natuurbeheerplan Zeeland 2009

Natuurbeheerplan Zeeland 2009 Natuurbeheerplan Zeeland 2009 www.zeeland.nl Natuurbeheerplan Zeeland 2009 Provinciaal Natuurgebiedsplan voor begrenzing, verwerving, inrichting en beheer van de natuurgebieden en agrarische beheergebieden

Nadere informatie

PROVINCIAAL BLAD. Artikel 1 De Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland (SVNL) wordt als volgt gewijzigd: A

PROVINCIAAL BLAD. Artikel 1 De Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland (SVNL) wordt als volgt gewijzigd: A PROVINCIAAL BLAD Officiële uitgave van provincie Noord-Holland. Nr. 2745 24 oktober 2014 Provincie Noord-Holland; Wijziging van de Uitvoeringsregeling subsidie natuuren landschapsbeheer Noord-Holland en

Nadere informatie

Subsidiestelsel Natuur en Landschap in vogelvlucht

Subsidiestelsel Natuur en Landschap in vogelvlucht Subsidiestelsel Natuur en Landschap in vogelvlucht Unit Natuurinformatie en Natuurbeheer BIJ12 17 november 2016 Unit Natuurinformatie en Natuurbeheer BIJ12 Karin Cox 1 Subsidiestelsel Natuur en Landschap

Nadere informatie

Toelichting op wijzigingen Subsidiestelsel Natuur en Landschap Overijssel

Toelichting op wijzigingen Subsidiestelsel Natuur en Landschap Overijssel Toelichting op wijzigingen Subsidiestelsel Natuur en Landschap Overijssel Met ingang van 1 januari 2010 is het Programma Beheer vervangen door het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). Het

Nadere informatie

Bijlage tarieven begrotingsjaar 2016 in euro s per eenheid De jaarvergoeding voor de natuurbeheertypen, opgenomen in bijlage 1

Bijlage tarieven begrotingsjaar 2016 in euro s per eenheid De jaarvergoeding voor de natuurbeheertypen, opgenomen in bijlage 1 Bijlage tarieven begrotingsjaar 2016 in euro s per eenheid De jaarvergoeding voor de natuurbeheertypen, opgenomen in bijlage 1 nr BT Beheertype Tarief 2016 N01.01 Zee en wad 1,62 N01.02 Duin- en kwelderlandschap

Nadere informatie

Programma van Eisen kwaliteitshandboek Natuurbeheer

Programma van Eisen kwaliteitshandboek Natuurbeheer Programma van Eisen kwaliteitshandboek Natuurbeheer In dit Programma van Eisen geeft de subsidiegever (in dit geval de provincie) aan, aan welke eisen een beheerder moet voldoen om voor certificering in

Nadere informatie

Natuurbeheerplan 2017. Natuurbeheerplan Utrecht 2017-1

Natuurbeheerplan 2017. Natuurbeheerplan Utrecht 2017-1 Natuurbeheerplan 2017 PROVINCIE-UTRECHT.NL Natuurbeheerplan Utrecht 2017-1 colofon Natuurbeheerplan Provincie Utrecht 2017 Publicatiedatum 12 april 2016 Status Vastgesteld Referentienummer 81812CE1 Vormgeving/DTP

Nadere informatie

Provinciaal blad van Noord-Brabant

Provinciaal blad van Noord-Brabant Provinciaal blad van Noord-Brabant ISSN: 0920-1408 Onderwerp Wijziging Verordening ruimte i.v.m. bp Broeksche Erven, Nuenen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Bijlage(n) 3 - gelezen het verzoek van

Nadere informatie

Provinciaal blad 2009, 50

Provinciaal blad 2009, 50 Provinciaal blad 2009, 50 ISSN 0920-105X Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 10 november 2009, kenmerk 2009INT251102 tot vaststelling van de subsidieplafonds, aanvraagperioden en de tarieven

Nadere informatie

Wijzigingen Omgevingsplan Flevoland 2006

Wijzigingen Omgevingsplan Flevoland 2006 DEEL C Wijzigingen Omgevingsplan Flevoland 2006 Deel C Wijzigingen Omgevingsplan Flevoland 2006 Voor de belangrijkste tekstblokken uit het Omgevings plan Flevoland 2006 is hierna een voorstel gedaan voor

Nadere informatie

N o t a r e a c t i e s e n c o m m e n t a a r. Natuurbeheerplan Groningen 2014

N o t a r e a c t i e s e n c o m m e n t a a r. Natuurbeheerplan Groningen 2014 N o t a r e a c t i e s e n c o m m e n t a a r Natuurbeheerplan Groningen 2014 N o t a R e a c t i e s e n C o m m e n t a a r N a t u u r b e h e e r p l a n G r o n i n g e n 2 0 1 4 Vastgesteld door

Nadere informatie

VEEL GESTELDE VRAGEN NATURA 2000

VEEL GESTELDE VRAGEN NATURA 2000 VEEL GESTELDE VRAGEN NATURA 2000 1. Algemeen...1 2. Gebieden...3 3. Beheerplan...4 4. Gevolgen...5 5. Europa...6 6. Relatie met andere wetgeving...6 7. Belanghebbende...7 8. Financiering...8 1. Algemeen

Nadere informatie

Beheerplan bijzondere natuurwaarden Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Samenvatting

Beheerplan bijzondere natuurwaarden Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Samenvatting Beheerplan bijzondere natuurwaarden Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Samenvatting Samenvatting van het beheerplan 2012-2017 een bijdrage aan het Europese programma Natura 2000 Het beheerplan is

Nadere informatie

2009-371. Omvorming Programma Beheer

2009-371. Omvorming Programma Beheer 2009-371 Omvorming Programma Beheer Voorgestelde behandeling: - Voorafgaand aan de Statencommissie Omgevingsbeleid vindt een inloopbijeenkomst plaats op 1 april 2009 - Statencommissie Omgevingsbeleid op

Nadere informatie

Ontwerp-Natuurbeheerplan 2016

Ontwerp-Natuurbeheerplan 2016 Ontwerp-Natuurbeheerplan 2016 Provincie Gelderland Zaaknummer: 2014-016208 Documentnummer: 02016945 3 december 2014 1 Inhoudsopgave 1 Wat is het Natuurbeheerplan? 4 1.1 Inleiding 4 1.2 Doel en status natuurbeheerplan

Nadere informatie

Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009

Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 Indeling Subsidieverordening natuur en landschapsbeheer: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Hoofdstuk 2 Natuurbeheerplan Hoofdstuk 3 Natuurbeheer

Nadere informatie

Natuurbeheerplan Drenthe Versie 2011

Natuurbeheerplan Drenthe Versie 2011 Natuurbeheerplan Drenthe Versie 2011 Gedeputeerde staten van Drenthe 6 juli 2010 Colofon Dit is een uitgave van de provincie Drenthe Het natuurbeheerplan dient uitsluitend als subsidiekader voor natuur,

Nadere informatie

Toelichting begrenzing EHS, kiekendieffoerageergebied en bosgebied

Toelichting begrenzing EHS, kiekendieffoerageergebied en bosgebied Toelichting begrenzing EHS, kiekendieffoerageergebied en bosgebied Met het vaststellen van het inpassingsplan wordt binnen OostvaardersWold ruimte gecreëerd voor natuur-, water- en recreatieopgaven. Binnen

Nadere informatie

Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2009

Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2009 SEPTEMBER 2009 Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2009 Provincie Utrecht Postbus 80300 3508 TH Utrecht T: 030 258 9111 www.provincie-utrecht.nl Meer exemplaren zijn te bestellen via e-mail: [email protected]

Nadere informatie