Tweede Kamer der Staten-Generaal
|
|
|
- Sarah Willemsen
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Rijksbegroting voor het jaar Hoofdstuk X Ministerie van Defensie Nr. 14 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG 1 Ontvangen 27 november 1987 Ter beantwoording van de gestelde vragen moge het volgende dienen. 1 en 89 De Directie Dienstplichtzaken van het Directoraat-Generaal Personeel heeft in de periode maart 1986-augustus 1987 het totaal aantal geldende defensie-circulaires gericht aan de burgemeesters teruggebracht van 80 tot 66. Verder heeft de Directie Burgerpersoneel van het Directoraat-Generaal Personeel in oktober circulaires ter uitvoering van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren ingetrokken. De andere directies van het Directoraat-Generaal Personeel, het Directoraat- Generaal Economie en Financiën, de Directie Juridische Zaken en de Directie Interne Zaken werken aan vereenvoudiging van hun eigen regelgeving aan de hand van zogenaamde dereguleringsprogramma's. In dat verband worden nu alle land- en luchtmachtorders/mededelingen en vergelijkbare publicaties van de Koninklijke marine doorgelicht. Begin 1988 worden daarvan de eerste resultaten verwacht. Er wordt naar gestreefd deze dereguleringsactiviteiten in de loop van 1988 af te ronden. Ook bij de ministeriële delen van de krijgsmacht wordt gewerkt aan de stroomlijning en vereenvoudiging van de eigen regelgeving. Bij de Koninklijke landmacht bestaat vooralsnog geen aanleiding de kazerneorders bij de deregulering te betrekken. Bij de centrale organisatie en de ministeriële delen van de krijgsmacht zal met ingang van 1 januari 1988 een organisatiestructuur zijn geschapen die is gericht op voortzetting van de dereguleringsactiviteiten en beheersing van nieuwe regelgeving. Aan het eind van 1987 zal een dereguleringsbrochure onder de naam «Van veelvoud naar eenvoud» over geheel Defensie worden verspreid. De brochure bevat een handleiding over deregulering voor degenen die binnen de defensie-organisatie zijn betrokken bij het opstellen van regels. Het verslag is gedrukt onder nr , 59 en 70 In 1987 bedroeg het verschil tussen gewenste sterkte en de begrotingssterkte voor de Koninklijke marine 0,3%, voor de Koninklijke landmacht 6% en voor de Koninklijke luchtmacht 2,5%. Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 1
2 In 1988 zal deze discrepantie bij het beroepspersoneel van de Konink lijke marine zijn opgeheven. Bij de Koninklijke landmacht zal die dan nog ongeveer 5% en bij de Koninklijke luchtmacht ongeveer 1,5% bedragen. Het zal echter nog enige tijd nemen voordat het nieuwe personeel zo is opgeleid en ingewerkt dat het een effectieve bijdrage zal leveren aan het terugdringen van de extra beslaglegging. Het verschil wordt kleiner door een flexibeler personeelsvoorziening die onder meer kan worden bereikt door horizontale mobiliteit, door het stimuleren van indiensttreding van vrouwen en door horizontale instroming. 3 In de jaren 1989 tot en met 1998 is voor de ontwikkeling van deze internationale materieelprojecten ongeveer f 300 miljoen meer in de plannen uitgetrokken. De verdeling is: ontwikkeling Navo-helikopter f 1 74 miljoen project definitie Navo-fiegat f 1 5 miljoen ontwikkeling zelfdoelzoekende munitie f 100 mil oen f 289 miljoen Per jaar gaat het dus gemiddeld om ongeveer f 30 miljoen. Door de terugtrekking van Groot-Brittannië uit het helikopter-project is de Nederlandse bijdrage aan de projectdefinitiefase met ongeveer f 2 miljoen tot f 16 miljoen gestegen. 4, 5, 6, 7, 8, 9, 12 en 13 In het kader van het Nederlands Defensie Planning Proces wordt de twee-jaar cyclus afgesloten met een herzien defensieplan voor de komende tien jaar. Om krijgsmachtdeelplannen en het plan voor de centrale organisatie te kunnen ontwikkelen, formuleren de minister en de staatssecretaris in het Defensiememorandum richtlijnen, randvoorwaarden en aanwijzingen. In het Defensiememorandum zijn aan elk van de krijgsmachtdelen verschillende budgetten toegewezen. Binnen de gegeven financiële kaders moeten zij hun plannen en alternatieven opstellen. Een deel van de richtlijnen en randvoorwaarden is geklassificeerd; een ander deel is in de memorie van toelichting behorende bij de begroting verwoord. Door het Defensiememorandum zijn de krijgsmachtdelen precies op de hoogte van de richtlijnen en randvoorwaarden op grond waarvan zij hun plannen moeten opstellen om hun taken te kunnen uitvoeren. De opstelling van alternatieve plannen aan de hand van verschillende budgetten maakt de knelpunten van de krijgsmachtdelen zichtbaar. Bij het opstellen van de plannen worden wijzigingen in organisatie en structuur van de krijgsmachtdelen mede in beschouwing genomen. In dat verband moet bij de planning een zo goed mogelijk evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit van de benodigde middelen worden gevonden. In voorgaande jaren was het voor de gevechtskracht nodig door kwalitatieve verbeteringen tot een beter evenwicht te komen tussen kwaliteit en kwantiteit. Dat evenwicht is ongeveer bereikt. Op dit moment werken de krijgsmachtdelen aan het opstellen van hun alternatieven. Daarbij wordt regelmatig overleg met ons gevoerd. Zodra de krijgsmachtdelen hun alternatieve plannen gereed hebben, kunnen deze integraal worden geanalyseerd en met elkaar worden vergeleken. Bij deze analyse zullen, binnen het raamwerk van het «Conceptual Military Framework», de «Military Appreciation 1986», de «Ministerial Guidance 1987», het «Nato Force Plan » en de «Force Goals » de operationele eisen worden beschouwd. Daarnaast zullen Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 2
3 ook internationale samenwerking, nationaal economische belangen en recente internationale ontwikkelingen bij de analyse een rol spelen. Op grond van al die factoren samen zullen wij prioriteiten stellen en zoveel mogelijk knelpunten wegnemen. 10 De alternatieven kunnen worden gevonden in de wijze waarop en de middelen waarmee de krijgsmachtdelen hun taken uitvoeren die volgen uit de in het bondgenootschap aangegane verplichtingen. 11 Financieel uitgangspunt voor het nu in voorbereiding zijnde integrale defensieplan is, in overeenstemming met het regeerakkoord, de 2% reële groei. De daarbij behorende financiële niveaus zijn tot en met 1992 vastgelegd in de Miljoenennota en vervolgens geëxtrapoleerd. Om tot een integrale afweging tussen de krijgsmachtdelen te komen, is hun gevraagd een prioriteitsvolgorde van nieuwe beleidsvoornemens aan te geven en tevens de uitvoering van bestaande taken kritisch te bezien. 12 Zie het antwoord op vraag Zie het antwoord op vraag Samenwerking moet worden nagestreefd als die bijdraagt aan een kosteneffectieve verwezenlijking van een operationele behoefte. De kosteneffectiviteit wordt niet alleen gemeten aan de hand van prijs, kwaliteit en levertijd, maar ook aan de mate waarin de Nederlandse economie voordeel heeft bij samenwerking. Daarbij gelden als maatstaven verbreding en/of handhaving van de technologische basis van de Nederlandse industrie en de mogelijkheid tegenorders te krijgen. Of samenwerking bij het aanschaffen van materieel mogelijk en wenselijk is, wordt ook bepaald door andere factoren die per geval kunnen verschillen. Zo kan het van belang zijn samen te werken met landen waarmee ook operationeel relaties bestaan. Ook met landen waarmee nauwe economische banden bestaan, biedt samenwerking goede mogelijkheden bij materieelaanschaffingen. 15 De operationele levensduur van een wapensysteem wordt in grote lijnen bepaald door de bestaande dreiging, de met het oog daarop te verrichten taak en de operationele mogelijkheden van het wapensysteem. Op grond van kosten/baten analyses van onder meer operationele verbeteringen en levensduurverlengende maatregelen wordt het tijdstip van vervanging bepaald. Zolang vervanging niet aan de orde is, moet niet alleen voldoende bedienend en ondersteunend personeel beschikbaar zijn, maar moeten ook de voorraden munitie, brandstof en reservedelen op peil worden gebracht of gehouden, om samen met de vereiste oefeninspanning, de operationele inzetbaarheid van het wapensysteem voortdurend te verzekeren. 16 Bij de afweging of gebruik moet worden gemaakt van simulatoren spelen veel factoren een rol. Die zijn zowel van onderwijstechnische, milieu-technische, operationele als financiële aard. Financieel is het niet altijd mogelijk alle gewenste simulatoren te verwerven. Er moeten daarom keuzen worden gemaakt en prioriteiten Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 3
4 gesteld. In de vervolgnotitie simulatoren die de Kamer nog voor de begrotingsbehandeling zal worden aangeboden, zal op een en ander nader worden ingegaan. 17 De bedragen genoemd in de artikelen 47, 52, 68, 74, 89 en 94 per krijgsmachtdeel gesommeerd, geven ten opzichte van 1987 de volgende verschillen te zien (in miljoenen guldens): Verschil Koninklijke marine 92, ,9 Koninklijke landmacht 161,7 147,1 14,6 Koninklijke luchtmacht 127,4 35,3 92,1 De Koninklijke marine gaf tot 1987 ongeveer f 80 miljoen uit aan munitie. Het bedrag voor 1987 is na wijziging van de begroting voor dat jaar verhoogd tot f 148 miljoen. Door aan te sluiten bij bestelseries van buitenlandse marines zijn bestellingen vervroegd die niet meer in 1988 behoeven te worden betaald. In 1987 en 1988 zal jaarlijks gemiddeld echter f113 miljoen aan munitie worden uitgegeven. Dat is ongeveer f 23 miljoen meer dan in De Koninklijke landmacht heeft eveneens voordelige bestellingen kunnen plaatsen. Bovendien gebruikt de Koninklijke landmacht voor opleidingen gedeeltelijk munitie om veroudering van oorlogsvoorraden te voorkomen. Daardoor kan in 1988 met minder worden volstaan voor de in artikel 68 en 74 genoemde munitie-schietopleiding. De kosten voor oorlogsvoorraden munitie zijn ondergebracht in de artikelen 66 (tankmunitie), 67 (YPR-765) en in artikel 68 (luchtverdediging, gevechtssteun, vuursteun en overige manoeuvreprojecten). Zij bedragen voor 1988 in totaal ongeveer f 200 miljoen. De Koninklijke luchtmacht heeft in 1987 een groter deel van haar infrarood-geleide lucht-lucht wapens betaald dan aanvankelijk voorzien, zodat de raming voor 1988 kon worden verminderd. In het kader van de verbetering van de luchtverdediging (zie ook het antwoord op vraag 49) bestaat onder meer behoefte aan radar geleide lucht-lucht wapens. Die zijn pas in de jaren negentig beschikbaar. Voor de aanschaf voor die wapens is vanaf 1989 geld gereserveerd. Het op peil brengen van voorraden houdt de stapsgewijze verwerving van nieuwe munitie in tot de vereiste voorraadniveaus zijn bereikt. Het op peil houden van voorraden houdt in dat verbruik of veroudering moet worden gecompenseerd. Hiervoor zullen in de jaren na 1988 nog aanzienlijke investeringen noodzakelijk zijn. In het op te stellen plan zal opnieuw grote aandacht worden besteed aan de munitievoorraden. Ook in het geldende defensieplan hebben de munitievoorraden al hoge prioriteit. Voor de bedragen die hiermee zijn gemoeid, verwijzen wij naar de lijst van vragen en antwoorden (Kamerstuk , hoofdstuk X, nr. 39, vraag 12, tabel III). De maatstaven voor de aan te houden munitievoorraden zijn vastgelegd in de «Nato guidelines for ammunition stockpile planning» en in de «Nato maritime stockpile planning guidance». De Koninklijke marine voldoet wat betreft torpedo's aan deze eisen. De voorraden geleide wapens voor de luchtverdediging en die van geleide wapens tegen oppervlaktedoelen (Harpoon) zullen in de eerste helft van de planperiode voor het grootste deel worden aangevuld en aan het eind van de planperiode aan de eisen voldoen. De overige munitie, zoals die voor scheepsgeschut en voor het Korps mariniers, is op peil. Bij de Koninklijke landmacht zullen de tekorten aan 203 mm munitie in de eerste helft van de planperiode worden opgeheven. De vereiste hoeveelheid 155 mm munitie is voor meer dan de helft aanwezig of Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 4
5 besteld. Aan het eind van de planperiode zal het vereiste niveau worden bereikt. Voor de Leopard-ll en de Tow is de nodige munitie besteld en al voor het grootste deel aanwezig. De overige belangrijke munitiesoorten zijn op peil. De Koninklijke luchtmacht beschikt over voldoende lucht-grond- en grond-lucht wapens. Er bestaat een klein tekort aan lucht-lucht wapens dat gefaseerd wordt ingelopen. 18 en 77 Het onderzoek naar de verbetering van de planningsfunctie is op 1 september 1987 begonnen. Het wordt uitgevoerd door de projectgroep verbetering integrale planningsfunctie (PRO-VIP) onder leiding van de plaatsvervangende chef Defensiestaf. De projectgroep bestaat uit militairen en burgerpersoneel en een aantal externe adviseurs van het bureau McKinsey. De externe adviseurs zullen niet afzonderlijk rapporteren. De projectgroep zal het onderzoek uiterlijk 1 maart 1988 afronden. Lopende het onderzoek zullen de organisatiestructuur, bevoegdheden en taken in beginsel niet worden gewijzigd. De informatieverwerkende systemen bij de krijgsmachtonderdelen geven gedetailleerde informatie, nodig voor de uitvoering van de functies van die onderdelen. De Defensiestaf en de directoraten-generaal kunnen hiervan gebruik maken. Het onderzoek naar de verbetering van de planningsfunctie zal mede aangeven welke informatie voor de planning nodig is en hoe die wordt verkregen. Daarna kan worden bezien op welke wijze de informatieverwerkende systemen bij de krijgsmachtdelen aan de planning op centraal niveau kunnen bijdragen. 19 De meerkosten verbonden aan de Nederlandse bijdrage aan de MFO in de Sinaï zijn tot nu toe bij Voorjaarsnota door het ministerie van Financiën aan Defensie vergoed. 20 De reële groei van het defensiebudget over de afgelopen vijf jaren is als volgt: (geschat) 1,4% 1,9% 1,7% 1,5% 1,8% Op grond van de Navo-criteria is de groei als volgt: (geschat) 0,5% 3,2%* 0,2%* 1,3% 1,0% * De grote stijging in 1984 en de daarmee gepaard gaande geringe toename van de reële groei in 1985 wordt veroorzaakt door een eenmalige toevoeging van ruim f 200 miljoen aan het budget voor 1984 in verband met de afrekening van sociale lasten en algemene salarismaatregelen over Het verschil wordt vooral veroorzaakt doordat: - in de Navo een andere deflator (correctie voor loon- en prijswijzigingen) wordt gehanteerd; - de Navo-definitie onder uitsluiting van uitgaven voor de Civiele Verdediging de totale defensie-uitgaven behelst en in de Nederlandse Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 5
6 systematiek wordt uitgegaan van de minder omvattende relevante uitgaven, waardoor met name exogene posten als militaire pensioenen en wachtgelden, onroerend goedbelasting, zoneringsgelden en milieuheffingen buiten beschouwing blijven. (Zie blz. 16 van de memorie van toelichting) 21 De gevolgen van de structurele doorwerking van de verminderde groei in 1988 en de daarop volgende jaren worden bezien bij het opstellen van de plannen voor Over de uitkomsten daarvan zult u in de memorie van toelichting behorende bij de begroting voor 1989, waarin dat plan zal zijn neergelegd, worden geïnformeerd. In 1988 is, zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, de verminderde groei vooral ten laste gekomen van de investeringen. 22 In artikel 91 is geen rekening gehouden met de bouw van een nieuwe luchthaven. Over de bouw is nog geen beslissing genomen. 23 Bij een nucleair voortgestuwde onderzeeboot is de kernreactor de energiebron. Door - meestal twee - warmtekringloopsystemen wordt de in de reactor gegenereerde hitte omgezet in stoom voor de turbines voor voortstuwing en voor opwekking van elektriciteit. Voor dit proces zijn grote pompen nodig die niet kunnen worden uitgeschakeld. Daardoor treedt geruis op dat door de huid heen dringt. Ander geruis wordt veroorzaakt door de tandwielkasten van de turbineschroefas. Bij een conventionele of diesel-elektrische onderzeeboot wordt de energie geleverd door een grote batterij. Deze energie is elektrisch en kan vrijwel geruisloos worden omgezet in de nodige spanning. De dieselelektrische onderzeeboot wordt voortgestuwd door een grote elektromotor en is daarmee vrijwel geruisloos. De langzaam ontladende batterij van de onderzeeboot zal regelmatig moeten worden opgeladen. De onderzeeboot zal hiervoor moeten «snuiveren», dat wil zeggen met zijn dieselgeneratoren de batterijen opladen, terwijl de boot onder water blijft. De nodige lucht voor de dieselgeneratoren wordt dan aangezogen door een mast die de onderzeeboot boven water uitsteekt, de zogeheten snuivermast. Tijdens het snuiveren, dat afhankelijk van de operaties dagelijks soms meer dan één keer moet gebeuren, is de onderzeeboot op te sporen door het geruis van de draaiende diesels. Bovendien kan de snuivermast met de radar worden waargenomen en zelfs met het blote oog. Nucleaire onderzeeboten die direct en zonder stoomturbines, elektrische energie kunnen leveren zijn er nog niet. Zulke onderzeeboten zijn niet voor het jaar 2000 te verwachten. 24 Zoals in het regeerakkoord is afgesproken, zal in de kabinetsperiode een jaarlijkse groei van de defensie-uitgaven van 2% reëel uitgangspunt zijn. Het defensieplan berust mede daarop. Voor planningsdoeleinden is voor de jaren na de kabinetsperiode ook van deze reële groei uitgegaan. Binnen dit defensiebudget bestaat dan voldoende ruimte voor de bouw van twee Walrus-klasse onderzeeboten ter vervanging van die van de Zwaardvis-klasse. Het ontwerp van de Walrus dateert uit De bouw van de vervangers van de Zwaardvis-klasse zou in 1992 beginnen. Gezien de tijd die ligt tussen het begin van de bouw en de datum van het ontwerp, zal voor de vervangers van de Zwaardvisklasse een groot deel van de apparatuur die in de eerste Walrus is gebruikt niet meer beschikbaar zijn. Nieuwere versies van deze apparatuur zullen dan moeten worden aange- Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 6
7 schaft. Op kostenverhogende aspecten zal nauwkeurig worden toegezien. Zoals alle voorgenomen materieelprojecten zal ook vervanging van de Zwaardvis-klasse onderzeeboten voorwerp zijn van prioriteitstelling in het verband van de te maken afwegingen omtrent het Defensieplan Daarbij zullen ook de snelle ontwikkelingen op het gebied van akoestische technologie (nader toegelicht in het antwoord op vraag 23) en ontwikkelingen op het vlak van buitenlucht onafhankelijke voortstuwing een rol spelen. Ook is bij die afweging een kosten/batenanalyse van de noodzakelijke aanpassingen in het ontwerp belangrijk. 25 De mijnenvegers van de Dokkum-klasse werden geleverd in de jaren Om tot het moment dat nieuwe mijnenvegers beschikbaar komen nog een veegcapaciteit te behouden, is het nodig de schepen van de Dokkum-klasse een intensieve onderhoudsbeurt te geven. Hiervoor is f 2,4 miljoen gereserveerd (toelichting op artikel 50 bladzijde 79 van de memorie van toelichting). Verdere verlenging van de levensduur van deze schepen is technisch nauwelijks mogelijk en ondoelmatig. 26 De Koninklijke marine heeft voor haar van belang zijnde ontwikkelingen op het gebied van marinevaartuigen (de hydrofoil, SWATH en SES) met belangstelling gevolgd. Daarbij is gebleken dat het SWATH concept in aanmerking komt voor verdere verkennende studies. De hydrofoil en SES passen niet in de operationele behoefte van de marine. Het SWATH-concept is, in samenwerking met enkele andere marines, zover uitgewerkt dat de grondslag voor een eventueel hydrodynamisch ontwerp is gelegd. 27 De liftcapaciteit voor de Brits/Nederlandse Amphibious Force heeft in het licht van crisisbeheersing een hoge prioriteit. Om die reden is in de plannen de verwerving van een amfibisch liftschip opgenomen. Zolang voor dit project geen verplichtingen zijn aangegaan, kan het daarvoor in de plannen gereserveerde geld op andere wijze worden besteed. Het opnemen van dit project in de planning beïnvloedt de planflexibiliteit dus niet. Op 9 december 1986 heeft de Britse minister van Defensie in het Lagerhuis aangekondigd dat Groot-Brittannië een amfibische liftcapaciteit zal behouden. Plannen om de levensduur van de bestaande twee amfibische liftschepen Fearless en Intrepid te verlengen zijn gereed. Studies over vervanging van deze schepen moeten eind 1988 zijn voltooid. Volgens het geldende Defensieplan is de bouw van het amfibisch liftschip gepland tussen 1992 en 1996 (zie ook Kamerstuk X, nr. 39 vraag 12 tabel 1 en Kamerstuk X, nr. 11 vraag 25, alsmede Kamerstuk X, nr. 13, de z.g. 1 december-brief). Het zal in 1996 operationeel kunnen zijn. Een en ander is afhankelijk van besluiten over het nieuwe Defensieplan. 28 In het verleden heeft de Koninklijke marine onder andere hulp verleend bij de Watersnoodramp van 1953 en bij de aardbeving in Agadir (Marokko, 1962). In situaties waarbij grote groepen mensen moeten worden geëvacueerd en behoefte bestaat aan een mobiele basis met commandofaciliteiten, technische ondersteuning en vooral ruimte, is het bezit van een amphibisch liftschip een groot voordeel. Zo zou de evacuatie van de Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 7
8 bemanning van het op drift geraakte boorplatform «Transocean» in 1982 veel sneller zijn verlopen, als daar een stabiel en groot helikopterplatform heen zou zijn gezonden. Zou de ramp met de veerboot «Herald of Free Enterprise» zich verder op zee hebben voltrokken, dan zou voor reddingswerkzaamheden de aanwezigheid van een soortgelijk platform zeer gewenst zijn geweest. Hoewel een amphibisch vaartuig bij calamiteiten nuttig is, heeft dat aspect niet meegespeeld bij de overwegingen rond de operationele behoeftestelling. 29 De Kamer zal in de tweede helft van 1988 over de resultaten van die studie worden ingelicht. 30 Er bestaan nu geen nieuwe behoeften, wel wordt voortdurend bezien hoe de reactietijd kan worden verbeterd. Zoals is aangekondigd in de Defensienota 1984 (blz. 102), zou de logistieke reactietijd verder moeten worden bekort. Daarmee zijn vergaande vorderingen gemaakt. Er moeten nu nog enige voorwaarts gelegen opslagplaatsen in de Bondsrepubliek Duitsland worden voltooid. Daarnaast wordt voortgegaan met maatregelen ter verbetering van het spoorwegvervoer. 31 De NSTT (Night-Sight-Tow-Trainer) kon op het geplande tijdstip niet worden aangeschaft omdat de leverancier de ontwikkeling tussentijds heeft gestaakt. Slechts tegen betaling van verdere kosten - ongeveer f 27 miljoen - zou de ontwikkeling, die nog enkele jaren vergt, kunnen worden voortgezet. De Koninklijke landmacht beschouwt nu ook enkele alternatieven. 32 Ja. De besluitvorming over verwerving van warmtebeeldapparatuur voor de Leopard-I-V en de levensduurverlenging van die tank is echter nog niet afgerond. Eén van de vraagstukken is of het wenselijk is de beslissingen over beide projecten te koppelen. In de aan de Kamer toegezegde informatie zal ook daarop worden ingegaan. 33 Op het geheel van de pantserbestrijding wordt momenteel gestudeerd. Aan de resultaten van die studie zullen conclusies worden verbonden met betrekking tot de operationele eisen die zullen moeten worden gesteld aan in de toekomst benodigde middelen voor de pantserbestrijding. Om die reden zal, in tegenstelling tot wat in de memorie van toelichting bij de begroting voor het jaar 1988 is vermeld, in dat jaar vermoedelijk nog geen vervanger voor de Law kunnen worden aangeschaft. Daarom is het project niet in de bestandsopname voor materieelprojecten van 1987 en 1988 opgenomen. 34 Binnen het legerkorps zullen verkenningstaken in de nabije toekomst voor een belangrijk deel met behulp van technische gevechtsveldbewakings- en doelopsporingsmiddelen worden uitgevoerd (bijvoorbeeld gevechtsveldbewakingsradar en drones). Bovendien zullen op brigadeen bataljonsniveau de (lichte) verkenningseenheden in dienst blijven. De definitieve organisatie van de beveiliging en verkenning is nog onderwerp van studie. Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 8
9 35 Neen. De vertraging in de drie vermelde projecten wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de leveranciers niet in staat bleken tijdig het gevraagde technologisch hoogwaardig materieel te leveren. 36 Voor het MLRS bestaat op dit ogenblik geen nucleaire munitie. 37 De Kamer heeft laten weten aan deze briefing geen behoefte meer te hebben. De Batterij Speciale Opdrachten (BSO) wordt tussen mei en december 1988 geformeerd. De «mission teams» van deze batterij worden ingezet in samenhang met de twee parate en twee mobilisabele afdelingen veldartillerie uitgerust met 203 mm geschut. Verdere gevolgen van invoering van «mission teams» voor het legerkorps zijn: - grotere beschikbaarheid van het 203 mm geschut voor conventionele taken, omdat geen van de met dat wapen uitgeruste eenheden uitsluitend een nucleaire taak heeft; - vermindering van de kwetsbaarheid van nucleaire inzetmiddelen, omdat die niet meer op voorhand worden aangewezen en daardoor minder herkenbaar zijn; - grotere flexibiliteit bij de keuze van het inzetmiddel omdat alle 203 mm geschut geschikt is voor de inzet van nucleaire projectielen. 38 De ontwikkeling van deze systemen blijkt meer tijd te kosten dan werd verwacht. Zie ook het antwoord op vraag De duur van de opleiding varieert, afhankelijk van de te bekleden functie, van vier maanden tot twee jaar. Uitsluitend voor de eenvoudige functies zal dienstplichtig personeel worden ingezet. 40 De herstructurering van het geneeskundig commando is gericht op verbetering van de kwaliteit en zal in beginsel budgettair neutraal worden uitgevoerd. Wat betreft de financiële gevolgen van de sluiting van het MHAM/ MHO wordt verwezen naar de brief van de staatssecretaris van 25 september De verbetering van de personele bezetting van de mobilisabele geneeskundige eenheden wordt vooral bereikt door het beroepspersoneel dat een mobilisatiebestemming bij deze eenheden heeft beter over het legerkorps en de territoriale sector te verdelen. Ook worden maatregelen genomen om dienstplichtig personeel beter op de oorlogsfuncties in te delen. 42 Het pantserinfanteriebataljon te Arnhem wordt momenteel uitgerust met het pantserrupsvoertuig YPR-765. Die vervangt de YP-408. Voor het onderhoud aan de YPR-765 rupsvoertuigen is een andere werkplaats nodig. De nieuwbouw van die werkplaats stuit op planologische bezwaren. Een oplossing kan worden gevonden door het gehele bataljon naar elders in de regio Arnhem te verplaatsen of de werkplaats op een locatie te bouwen die wel in het bestemmingsplan past. Beide mogelijkheden worden nagegaan. Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14 9
10 43 De ontwikkeling van onbemande vliegtuigen is vooral gericht op het verzamelen van gevechtsinlichtingen. Ook wordt nagegaan of die vliegtuigen geschikt zijn voor elektronische oorlogvoering. In de toekomst zullen onbemande vliegtuigen slechts ten dele taken kunnen overnemen die met bemande vliegtuigen worden uitgevoerd. 44 De vredesverliezen van de F-16 zijn veroorzaakt door menselijke fouten en technische storingen. Om het percentage vredesverliezen terug te dringen, zijn aanvullende vliegveiligheidsmaatregelen genomen en worden wijzigingen aan het vliegtuig aangebracht. De belangrijkste wijziging vormt de invoering van een combinatie van radarhoogtemeter en hoogtewaarschuwingssysteem. Daardoor wordt de vlieger tijdig gewaarschuwd bij een dreigende botsing met het aardoppervlak. Ook worden de F-16 vliegtuigen van de Koninklijke luchtmacht van een remparachute voorzien, waardoor de veiligheid bij starten en landen toeneemt. 45 en 47 De luchttransporttaak van de Koninklijke luchtmacht wordt nu uitgevoerd met 12 F-27 transportvliegtuigen en 4 Alouette-lll helikopters. In vredestijd wordt ook gebruik gemaakt van de helikopters van de Groep Lichte Vliegtuigen. Voor de ondersteuning van oefeningen in verafgelegen gebieden wordt een beroep gedaan op private ondernemingen en transportvliegtuigen van bondgenoten. Vervanging van het luchttransportmaterieel van de Koninklijke luchtmacht is onderwerp van studie. Daarbij wordt ook nagegaan of en in hoeverre mogelijkheden bestaan in bepaalde gevallen in de behoefte aan luchttransport al dan niet tijdelijk kan worden voorzien door huren, leasen, en dergelijke en het eventueel in tijden van spanning vorderen van de nodige vliegtuigen. Over de uitkomst van die studie zal de Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd. 46 Het gaat daarbij om vredes~ en oorlogsbehoeften. De belangrijkste aspecten zijn: - het voldoen aan de door de Navo gestelde paraatheidseisen in de Centrale Sector, wat inhoudt dat luchttransport nodig is om eenheden van de Koninklijke luchtmacht die ver van Nederland oefenen snel terug te kunnen laten keren; - logistieke ondersteuning voor het squadron van de Koninklijke luchtmacht dat kan worden ingezet in het verband van de «ACE Mobile Force»; ondersteuning van de vliegbases en geleide-wapen eenheden van de Koninklijke luchtmacht op personeel" en materieel-logistiek gebied zowel in oorlogs- als in vredestijd; - opsporings- en reddingstaken; - overige taken, zoals het uitvoeren van regeringsopdrachten en inzet ten behoeve van de Verenigde Naties. 47 Zie het antwoord op vraag Het «Combined Allied Defense Effort» (CADE) is een Amerikaans initiatief voor onderzoek naar specifieke ATBM technologieën en systemen. Defensie doet aan dat onderzoek niet mee en heeft op dat terrein geen behoefte geformuleerd. Een optie van Patriot-systemen in de toekomst te voorzien van een vermogen tot beperkte zelfbescherming tegen «Conventional Tactical Ballistic Missiles» (CTBM's) zal pas worden Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
11 overwogen als een door de bondgenoten gemeenschappelijk vastgestelde dreiging daartoe aanleiding geeft. Een Navo-standpunt wordt niet voor eind 1988 verwacht. 49 In verband met de voorgenomen verbetering van de conventionele luchtverdediging zullen extra infrarood en radargeleide lucht-lucht wapens alsmede identificatie-apparatuur voor de F-16 jachtvliegtuigen worden aangeschaft. Het plaatsen van Patriot-squadrons in Nederland heeft met de genoemde compensatie niets van doen. 50 en 83 Patriot- en Hawk-eenheden bestemd voor de luchtverdediging van het Nederlandse havengebied zullen worden gestationeerd op bestaande vliegbases en daar hun dagelijkse trainingsprogramma's uitvoeren. Pas als internationale spanningen daartoe aanleiding geven zullen deze eenheden in hun voorziene operatiegebied worden ingezet. Volgens het bestaande plan zullen voor de luchtverdediging van het havengebied bestemde eenheden vanaf 1991 gefaseerd operationeel worden. 51 In de situatierapporten over de vervanging van het Nike-luchtverdedigingssysteem is onder andere vermeld dat de vier Nederlandse Patriotsquadrons in de Bondsrepubliek Duitsland voorlopig elk met vijf in plaats van met acht afvuurinrichtingen zullen worden uitgerust. Daarbij werd toen rekening gehouden met destijds bestaande plannen voor verbetering van het luchtverdedigingsstelsel in de Bondsrepubliek en met nationale operationele en financiële afwegingen. Uitbreiding van het aantal afvuurinrichtingen tot acht was niet voor het begin van de jaren negentig voorzien. In de plannen is echter altijd rekening gehouden met het op peil brengen van de vuurkracht van de Nederlandse Patriot-eenheden overeenkomstig de verlangens van de Navo (Tweede Kamer, X, nr. 39 antwoord op vraag 12). 52 Zoals in de memorie van toelichting is vermeld, zijn voor een goede luchtverdediging van het Nederlandse havengebied vier Patriot- en vier Hawk-systemen nodig. Indien de luchtverdediging van het Nederlandse havengebied niet zo zou worden ingericht, maar volgens de plannen uit de Defensienota-1984 met twee Patriot- en acht Hawk-systemen, dan zou daarvoor in de planperiode miljoen gulden meer moeten worden uitgetrokken. Die meerkosten zijn als volgt te becijferen: Investeringen: Kosten voor het op het vereiste operationele peil houden van vier te handhaven Hawk-systemen f 610 miljoen Aanschaf van twee Patriots in plaats van vier van die systemen f 580 miljoen Exploitatie: Meerkosten materieel f 40 miljoen Meerkosten personeel f 95 miljoen Totaal f 165 miljoen Wachten met de aanschaf van twee Patriot-systemen tot het einde van de levensduur van de Hawk is dan ook niet kosteneffectief. Overigens zal in het kader van het nieuw op te stellen Defensieplan de wijze van luchtverdediging van het Nederlandse havengebied nog eens worden bezien. Over de uitkomsten van die nadere afweging zal de Kamer nader worden ingelicht. Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
12 De kosten voor inschakeling van de Nederlandse industrie bedragen f 61 miljoen (prijspeil 1983) en maken deel uit van de in de memorie van toelichting (bladzijde 92) genoemde totale projectkosten van f 953 miljoen (prijspeil 1987). Deze meerkosten volgen uit de in 1984 gemaakte keuze met betrekking tot de wijze van compensatie voor de aanschaf van de Patriot. Daarover is op 2 februari 1984 met de Vaste Commissie voor Defensie overleg gevoerd. (Kamerstuk , X, nr. 22) 53 Overeenkomstig de doelstelling van de afslankingsoperatie zullen in bezette formatieplaatsen zijn vervallen. Naar het zich nu laat aanzien, zullen in 1990 nog niet alle personeelsleden waarvan de functie is komen te vervallen zijn herplaatst. Voor een beperkt aantal personeelsleden, waarvoor een duidelijk perspectief op herplaatsing bestaat in de jaren 1991 en 1992 zal, uit een oogpunt van een verantwoord sociaal beleid en ter vermijding van hogere wachtgeldkosten, de inspanning tot herplaatsing twee jaar worden voortgezet. 54 In de tweede helft van 1985 is een Voorlopig voorschrift Arbowet bij Defensie onder het defensiepersoneel verspreid. Dat voorschrift is bedoeld als handleiding voor commandanten, diensthoofden, onderdeelsoverlegorganen en dienstcommissies bij de uitvoering van de eerste fase van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit Defensie. Op dit moment is een Voorschrift Arbowet Defensie in voorbereiding. Het personeel dat in dienst komt, krijgt algemene voorlichting over bedrijfsveiligheid. Daarbij wordt aandacht besteed aan veiligheidsvoorschriften en procedures. Ook wordt instructie gegeven in het gebruik van persoonlijke en collectieve beschermingsmiddelen. Bij plaatsing krijgt het personeel onderricht in bedrijfsveiligheid. Thans functioneren twee «deskundige diensten»: de bedrijfsgezondheidszorg en - vooruitlopend op de invoering van de tweede fase van de Arbowet - de bedrijfsveiligheidsdiensten. De bedrijfsgezondheidszorg is geïntegreerd in de militair geneeskundige diensten. Binnen die diensten moet de bedrijfsgezondheidszorg nog wel zo worden gestructureerd dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ze kan erkennen. Pas dan kunnen de personele en financiële gevolgen van een en ander worden aangegeven. 55 In overleg met de belangenorganisaties van militair- en burgerpersoneel wordt een gedragslijn ontwikkeld om te bepalen welke functies voor militairen of voor burgers zullen zijn bestemd. Zoals uit de brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 11 juni 1987 (Tweede Kamer , nr. 16) blijkt, wordt met integratie van burgerpersoneel in de krijgsmacht iets anders bedoeld. Daarmee wordt beoogd het lijnmanagement meer bevoegdheden te geven, zodat een doelmatig en op de bedrijfscultuur afgestemd personeelsbeleid kan worden gevoerd. 56 De informatie contacten tussen het Coördinatieteam vernieuwing personeelsbeleid militair personeel en de Projectgroep Personeelsbeleid van het Samenwerkingsorgaan Belangenverenigingen van Militairen kennen geen vaste regelmaat. Wanneer een maatregel of pakket van met elkaar samenhangende maatregelen in het coördinatieteam voldoende is besproken, worden voorlopige voorstellen daarover voor informele bespreking aan de belangenverenigingen aangeboden. Dat overleg is informeel, omdat geen besluiten worden genomen, maar open van gedachten wordt gewisseld. Daarbij leveren de belangenverenigingen een bijdrage aan de totstandkoming van een definitief voorstel Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
13 dat vervolgens onderwerp van formeel overleg vormt in het Centraal Georganiseerd Overleg Militairen. 57 Loopbaanmogelijkheden worden in algemene termen beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke functies moeten worden vervuld voordat iemand voor een volgende functie in aanmerking kan komen. Deze mogelijkheden vormen met de functie-eisen de grondslag voor individuele loopbaanmogelijkheden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de kwaliteiten en wensen van de individuele militair, zoals (voor)opleiding, ervaring, wijze van functie-vervulling en belangstelling. 58 Dat is nog niet het geval. Het doorbreken van het automatisme bij de toekenning van periodieke salarisverhogingen is, onder andere wat betreft de uitvoering, nu nog onderwerp van intern beraad. Voor het burgerlijk rijksoverheidspersoneel heeft de minister van Binnenlandse Zaken al voorstellen gedaan aan de Centrale Commissie Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken. Het onderwerp zal aan de hand van deze voorstellen op korte termijn onderwerp van overleg zijn met de Centrale Commissie Georganiseerd Overleg Militairen. 59 Zie het antwoord op vraag De in de beleidsnota Vrouw in de Krijgsmacht vermelde integratiebevorderende maatregelen worden uitgevoerd. Het betreft onder meer de mogelijkheid vrouwen aan te stellen voor de duur van twee a drie jaar met een beroepswedde en een premie na beëindiging van de diensttijd. Ook gaat het om een gedifferentieerde keurings- en selectiemethode en in het bijzonder op vrouwen gerichte wervingsacties. De begeleiding en coördinatie zijn in handen van de Stuurgroep Integratie van de Vrouw in de Krijgsmacht. 61 Over het onderwerp rij-, werk- en rusttijden van militaire chauffeurs, ook tijdens oefeningen, wordt met de belangenverenigingen overleg gevoerd. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de door de AVNM genoemde oververmoeidheidsverschijnselen van chauffeurs tijdens oefeningen. Uit ongevallen-registratie bleek bij de onlangs gehouden oefening Certain Strike de gemiddelde niet-onderbroken slaaptijd voor chauffeurs die bij ongevallen waren betrokken, 6,7 uur te bedragen. In het verkeers ongevallen-rapport wordt de activiteit binnen de 24 uren direct voor het ongeval door de chauffeurs zelf gemeld. Daaruit kan het volgende overzicht worden afgeleid (de aangegeven tijden zijn gewogen gemiddelden): Inzet als chauffeurs (werkelijke rijtijd) 6 uur Overige werkzaamheden : 7 uur Beschikbaar voor rust/slaap : 11 uur 24 uur Uit de beschikbare gegevens valt op te maken dat er bij de ongevallen tijdens de oefeningen Certain Strike geen sprake was van een gevaarlijke tot levensgevaarlijke verhouding tussen rij- en rusttijden. Aan de oefening ging voorlichting vooraf over de verkeersveiligheid. Comman- Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
14 danten werden erop gewezen er alles aan te doen de chauffeurs zo mogelijk te laten rusten. Aan chauffeurs werd een informatieboekje verstrekt, waarin werd gewezen op de noodzaak voldoende rust te nemen en op de verplichting zich bij het keren van hun auto of bij achter uitrijden te laten gidsen. Uit de registratie bleek een groot aantal ongevallen toch te zijn veroorzaakt door het niet gidsen bij achteruit rijden. De resultaten van de registratie tijdens Certain Strike zullen worden betrokken bij het overleg met de belangenorganisaties over rij- en rusttijden. 62 Inmiddels hebben ongeveer 1600 buitengewoon dienstplichtigen gereageerd op de actie. Daarvan bleek 55% werkloos te zijn. Tot nu toe konden ongeveer 400 voormalige buitengewoon dienstplichtigen in een lichtingsploeg worden ingedeeld. De actie strekt zich uit tot alle buitengewoon dienstplichtigen, voor zover die vóór 1986 tot buitengewoon dienstplichtigen zijn bestemd en nog niet de leeftijd van 35 jaar hebben bereikt. 63 Ja, na beëindiging van de eerste opleiding gebeurt dit zoveel mogelijk. Voorwaarde is dat geruime tijd voor opkomst een door de sportbond onderschreven verzoek moet zijn ingediend. 64 Dat blijkt uit het toenemend gebruik van aanwezige faciliteiten. Bovendien neemt het aantal verzoeken (van belangenverenigingen en individuele militairen) om meer en betere faciliteiten voor sportbeoefening toe. 65 Uit een oogpunt van goed sociaal beleid heeft het vermijden van gedwongen ontslagen bij de afslankingsoperatie prioriteit. Daarom zullen - rekening houdend met de capaciteiten van het te herplaatsen personeel - soms concessies moeten worden gedaan aan kwaliteitseisen bij het vervullen van vacatures. Ook zullen als gevolg van herplaatsingen binnen de organisatie belangrijke personele verschuivingen optreden. Dit leidt ertoe dat tijdelijk de flexibiliteit en inzetbaarheid van het personeel niet op hetzelfde niveau kunnen worden gehandhaafd. Voor een belangrijk deel wordt bij de afslanking overigens gezocht naar structurele aanpassingen die op langere termijn de kwaliteit van de organisatie zullen verbeteren. Zoals is aangegeven in de brief van 29 juni 1987 (Kamerstuk , nr. 55) zijn bovendien, los van de afslanking, in meer algemene zin activiteiten gaande gericht op het beter doen functioneren van de defensie-organisatie. 66 Ja. 67 Ja. Wordt voor 1990 een andere passende functie gevonden dan is uiteraard geen herplaatsingsinspanning meer nodig. Diegene die na 1990 op betrekkelijk korte termijn uitzicht heeft op een passende functie, kan in afwachting daarvan tijdelijk met andere werkzaamheden worden belast. Voor degenen die eind 1990 nog niet definitief zijn herplaatst en voor wie in de jaren 1991 of 1992 ook geen reële herplaatsingsmogelijkheid is te verwachten, zal tegen die tijd in overleg met de Bijzondere Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
15 Commissie voor Burgerpersoneel bij Defensie afzonderlijk beleid worden ontwikkeld. Hoewel bij de ontwikkeling van dat beleid het voorkómen van gedwongen ontslagen evenzeer voorop blijft staan, zijn ontslagen niet in alle gevallen op voorhand uit te sluiten. 68 Op grond van de financiële taakstelling en de begrote kosten voor flankerend beleid ontstaat voor de jaren 1988 tot en met 1990 voor Defensie het volgende beeld: A. Bruto opbrengst loonkosten B. Begrote besparing huisvestingskosten 1988: f 82,4 miljoen : f 133,7 miljoen : f 185,1 miljoen 1990 f 1,0 miljoen f 2,0 miljoen f 3,0 miljoen C. Totale kosten voor flankerend beleid met inbegrip van die voor uitbesteding/privatisering 1988: f 27,1 miljoen (waarvan 11,2 miljoen voor kosten uitbesteding/privatisering zie pag. 44 memorie van toelichting) 1989: f 69,1 miljoen (waarvan 22,4 miljoen voor kosten uitbesteding/privatisering) 1990: f 105,4 miljoen (waarvan 37,4 miljoen voor kosten uitbesteding/privatisering) D. Door kabinet beschikbaar gesteld Saldo van A t/m D voor flankerend beleid f 4,3 miljoen 1988 f 6,0 miljoen 1989 f 6,9 miljoen 1990 f 60,6 milioen f 72,6 miljoen f 89,6 miljoen 69 In het kabinet is besloten bij onderuitputting van het budget voor flankerend beleid de mogelijkheid te scheppen het resterende deel van het budget over te boeken naar een volgend begrotingsjaar. 70 Zie het antwoord op vraag Zoals is toegezegd in de Uitgebreide Commissievergadering van de Vaste Commissie voor Defensie van 5 oktober jl. zal de Tweede Kamer op korte termijn daarover afzonderlijk worden bericht. 72 Het betreft de omzetting van functies voor beroepskorporaals bij de Koninklijke landmacht in functies voor dienstplichtigen. Deze omzetting is het gevolg van nadere kritische bezinning op de inhoud van de functies. 73 In totaal worden ongeveer 100 functies van de Koninklijke landmacht naar de Koninklijke marechaussee overgeheveld. Hierbij gaat het om ongeveer 35 functies (scheepsbemanningen) van 460 Geniegevechtsgroep. Tot dusver werden de scheepsbemanningen boven de organieke sterkte bij de Koninklijke marechaussee geplaatst; het personeel van de Koninklijke landmacht wordt nu in de organisatietabellen van de Koninklijke marechaussee opgenomen. De taak en plaats van tewerkstelling van de scheepsbemanningen wijzigen niet. Voorts worden door reorganisatie van Koninklijke marechaussee-eenheden in de Bondsrepubliek Duitsland en Limburg 65 functies overgeheveld. Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
16 74 Naar verwachting zal de Hawk te zijner tijd worden opgevolgd door een «Medium Surface to Air Missile» (MSAM). Zowel de Hawk als de MSAM zijn gericht tegen vliegtuigen. De lepg-landen voeren een gemeenschappelijke studie uit naar een Europese MSAM. Die zal op 1 oktober 1988 moeten zijn afgerond. Bij de studie wordt ook nagegaan of de MSAM een ATBM-capaciteit kan krijgen. Van een «Europees ATBMsysteem» is voorshands geen sprake. 75 en 76 - Met de Bondsrepubliek Duitsland, Canada, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten zijn overeenkomsten gesloten in het kader van «host nation support». Op grond van deze overeenkomsten heeft Nederland de verplichting de aankomst en doorvoer van eenheden van deze landen in crisis- of oorlogstijd zoveel mogelijk te ondersteunen. Die steun kan bestaan uit het gebruik van havens, vliegvelden, transportmiddelen, telecommunicatiemiddelen, geneeskundige voorzieningen en legeringsfaciliteiten, alsmede uit het leveren van goederen en diensten. 77 Zie het antwoord op vraag De voornaamste oorzaak van het structurele tekort aan goed geschoolde en ervaren automatiseringsmedewerkers - niet alleen bij Defensie maar binnen de gehele rijksoverheid - is de in verhouding tot de particuliere sector betrekkelijk lage bezoldiging die vooral ervaren medewerkers kan worden geboden. Bovendien is het aanbod van deze medewerkers op de arbeidsmarkt toch al gering. Inmiddels zijn maatregelen genomen die het probleem kunnen verkleinen. Zo worden zogenoemde bindingspremies uitgekeerd. 79 De geautomatiseerde gegevensverwerking van Defensie is voor het grootste deel geconcentreerd in het Duyverman Computer Centrum. Door calamiteiten, zowel in vredestijd als in tijden van oplopende spanning en bij een gewapend conflict, kan de verwerking van gegevens gevaar lopen. Om de kwetsbaarheid tot een aanvaardbaar niveau te verminderen, wordt onderzocht hoe de gegevensverwerking zoveel mogelijk kan worden gespreid. Er wordt naar gestreefd wezenlijke bedrijfsgegevens zoveel mogelijk te laten verwerken op de plaatsen waar de betreffende processen zich afspelen. Om de periode van nu tot aan de definitieve oplossing te overbruggen, wordt onderzocht of de geautomatiseerde gegevensverwerking in geval van calamiteiten in vredestijd eventueel buiten Defensie zou kunnen worden voortgezet. Daarbij gaat het dus om een voorlopige oplossing. 80 Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, is de aanpassing van de controletaken van de Accountantsdienst een groeiproces. Door het afstoten van oneigenlijke taken wordt ruimte geschapen voor meer doel matig heidscontroles. In de planning van de Accountantscontrole voor 1987 is ongeveer 18% van de capaciteit gereserveerd voor het voorbereiden en uitvoeren van controles op de doelmatigheid van het personeels- en materieelbeheer. Door het gefaseerd afstoten van oneigenlijke taken zal dit percentage in de komende jaren toenemen. Een vergelijking met vorige jaren is vrijwel onmogelijk. Het aantal uren dat aan doelmatigheidscontrole werd besteed, werd niet afzonderlijk Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
17 geregistreerd. Een vergelijking wordt bovendien bemoeilijkt omdat voor 1 januari 1985 twee registratiesystemen bestonden in verband met het toen nog naast elkaar bestaan van de Directie Interne Controle Krijgsmacht (DICK) en de Directie Accountantsdienst (DAC). 81 Ja. Al bij de behandeling van het Structuurschema Militaire Terreinen in de Tweede Kamer werd eind 1985 in antwoord op kamervragen schriftelijk geantwoord dat deze mogelijkheid bestaat, afhankelijk van ligging van de terreinen ten opzichte van de legering van de gebruikers. Het structuurschema (deel a. blz. 75; deel d. blz. 46) gaat al uit van de mogelijkheid van dubbelgebruik. 82 Neen. Schietterreinen kunnen tijdens schietoefeningen niet voor andere oefendoeleinden worden gebruikt. Dat geldt ook voor het schietterrein Kollumerwaard. Zou dit terrein in het COT Marnewaard worden opgenomen, dan zou het gebruik van dit COT ernstig worden beperkt tijdens de schietoefeningen. Daar komt bij dat op het schietterrein kwetsbare technische installaties zijn geplaatst. Zou het schietterrein worden opgenomen in het COT Marnewaard dan wordt de oefenmogelijkheid hierdoor toch beperkt. De beide structuurschema's verschillen niet in de visie op het gebied Lauwersmeer. Het structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud (deel a, blz. 107) geeft aan dat het militaire gebruik van natuurgebieden in hoofdlijnen in het Structuurschema Militaire Terreinen wordt vastgelegd. De gebieden in het Lauwersmeer die voor militair gebruik zijn aangegeven, zijn nadrukkelijk uitgesloten van de grote eenheid natuurgebied Lauwersmeer (zie deel a, blz. 102). Opschuiving van het schietterrein in oostelijke richting is niet mogelijk omdat onmiddellijk ten oosten van het schietterrein industrie is gevestigd. Voor het schietterrein Kollumerwaard wordt geen MER opgesteld. Volgens de MER-regeling is het besluit tot vaststelling van een inrichtingsplan voor oefenterreinen MER-plichtig. De beslissing over het inrichtingsplan van het schietterrein Kollumerwaard is al in 1985 genomen. Voor het schietterrein is dus nu geen MER nodig. 83 Zie het antwoord op vraag Met gemeenten die in aanmerking kunnen komen voor vestiging van een tweede centraal munitiemagazijn zal pas worden overlegd als Defensie de aan het complex te stellen eisen heeft vastgesteld. Afhankelijk van die eisen zal worden bezien met welke gemeenten moet worden gesproken. 85 Neen. Voor een nieuwe heliluchthaven zal een MER worden opgesteld, niet omdat wettelijke regelingen daartoe verplichten, maar omdat vestiging van een helihaven een ingreep van voldoende gewicht is om een MER te rechtvaardigen. 86 Binnen Defensie berust het toezicht op naleving van de milieuvoorschriften voor onroerend goed bij de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen. Voor het toezicht op andere milieu-aspecten (onder andere het omgaan met en vervoer van gevaarlijke stoffen) zijn afzonderlijke controle-organen ingesteld. De opsporing van overtredingen van de milieu-voorschriften ligt in handen van de Koninklijke marechaussee. Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr. 14
18 87 De nota naar aanleiding van het verslag over de overeenkomst tussen de Nederlandse en Canadese regering inzake de opleiding van eenheden van de Nederlandse strijdkrachten in Canada zal zeer binnenkort aan de Tweede Kamer worden aangeboden. In die nota wordt ook ingegaan op de voorlopige toepassing van de overeenkomst tot het moment van goedkeuring. 88 Defensie doet mee aan alle grote operaties. 89 Zie het antwoord op vraag Afgeronde projecten: Centraal Filmbureau Krijgsmacht: Er is besloten het bureau te privatiseren door werk uit te besteden. Organisatie advieswerk: Afhankelijk van de problematiek wordt overgegaan tot uitbesteding of het in eigen beheer verrichten van deze taken. Werving en selectie: Op 20 augustus 1987 heeft de ministerraad over privatisering besloten. Privatisering van de selectie-instituten van de krijgsmacht wordt ondoelmatig geacht. Algemeen verzorgende functies: De defensiedrukkerij te Emmen komt op grond van een beslissing van de ministerraad niet voor verdere privatisering in aanmerking. Er wordt al 70% van het werk uitbesteed aan bedrijven in de regio. Projecten in uitwerkingsfase: Accountantscontrole: Op dit moment wordt de structuur van de Accountantsdienst geëvalueerd om op 1 januari 1988 tot een definitieve structuur te komen. Bij de evaluatie wordt ook de privatiserings- en de afslankingstaakstelling in beschouwing genomen. Projecten in onderzoeksfase: Algemeen verzorgende functies: Het is de bedoeling het klein onderhoud van gebouwen van het ministerie voor een groot deel uit te besteden. De bewakingsfunctie komt in beginsel niet voor uitbesteding in aanmerking. In hoeverre die functie van de centraal gehuisveste delen van het ministerie zal worden geprivatiseerd, wordt intern onderzocht. De schoonmaakwerkzaamheden worden vrijwel geheel uitbesteed. Rijks en departementale rekencentra: Door de interdepartementale werkgroep Privatisering Rekencentra is ook rapport uitgebracht over het Duyverman Computer Centrum (DCC). Het rapport is voor advies aan de Interdepartementale Begeleidingscommissie Privatisering (IBP) aangeboden. Defensiebedrijven (excl. Rijkswerf): Het rapport privatiseringsonderzoek Defensiebedrijven is nog in behandeling bij de IBP. Als aanvullende informatie zijn ook de rapporten van de Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
19 werkverbanden van de Stuurgroep Implementatie Studie Defensiebedrijven in de jaren 80 aan de IBP ter hand gesteld. In het rapport over hoger onderhoud van wiel- en rupsvoertuigen wordt uiteengezet dat om capaciteitsredenen het 5e echelonsonderhoud aan Wiel- en rupsvoertuigen in de toekomst kan - en ten dele ook moet - worden uitbesteed. Woning verwerving: Mogelijkheden tot privatisering worden onderzocht in het kader van de ontwikkeling en formulering van een samenhangend huisvestingsbeleid bij Defensie. De resultaten van dit onderzoek zullen in 1988 aan de IBP worden aangeboden. Sociaal wetenschappelijk onderzoek: Sociaal wetenschappelijk onderzoek wordt slechts intern uitgevoerd als doelmatigheid of vertrouwelijkheid dit gebieden of uitbesteding aanzienlijk duurder is. De sociaal wetenschappelijke onderzoekafdelingen met uitzondering van die bij de centrale organisatie blijven bestaan. De omvang zal ~ indien nodig - worden aangepast. Hydrografische activiteiten: Volgens het besluit van 21 maart 1986 van de Ministeriële Commissie voor Noordzee Aangelegenheden (Micona) zal de Interdepartementale Commissie Noordzee Aangelegenheden (Icona) een nadere studie uitvoeren naar de mogelijkheden van eventuele privatisering. 91 De stijging van de uitgaven voor de inschakeling van externe adviesbureaus zal op termijn door verbetering van de kwaliteit van de organisatie worden terugverdiend. 92 De structurele groei van de uitgaven voor het onderhoud en herstel van materieel wordt veroorzaakt door meer behoefte aan onderhoud. Dat ligt aan een aantal factoren, zoals de voortschrijdende mechanisering van de Koninklijke landmacht en de toenemende complexiteit van wapensystemen. De structurele groei van de uitgaven voor het onderhoud en herstel van gebouwen is een rechtstreeks gevolg van veroudering van een deel van de infrastructuur en de behoefte gebouwen meer aan te passen aan algemeen geldende maatschappelijke normen voor werk- en leefklimaat. 93 Als onderdeel van het compensatiepakket voor de aanschaf van de Patriot is met de Amerikaanse overheid in 1984 overeengekomen (zie Tweede Kamer , X, nr. 22) dat Nederland voor ruim 33 miljoen dollar, gespreid over een aantal jaren, mankracht en diensten zal leveren als tegenprestatie voor het niet in rekening brengen van een zelfde bedrag voor onderzoeks- en ontwikkelingskosten (zgn. recoupment) van het Patriot-systeem. In dat verband zal Nederland in 1988 voor f 16 miljoen leveren. 94 Zoals uit de artikelsgewijze toelichting blijkt, is de stijging van de post «Onderhoud en Herstel» voor een deel toe te schrijven aan het boeken van geld voor logistieke ondersteuning van de F-16 (Follow on support) ten laste van die post. Dat geld werd in het verleden onder «Algemene en specifieke uitgaven» verantwoord. Ook is voor 1988 geld uitgetrokken voor uitbesteding van meer vliegtuigonderhoud bij de industrie. Dit hangt samen met een tekort aan onderhoudspersoneel bij de Koninklijke lucht- Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
20 macht. Zolang dat blijft bestaan, moet rekening worden gehouden met structurele extra uitgaven voor uitbesteding van onderhoud. 95 Het betreft de striktere toepassing van de geldende criteria voor het verlenen van uitstel of vrijstelling van vervulling van de militaire dienst plicht, zoals in het verband van de bestrijding van het verwachte opkomsttekort in 1986 is aangekondigd (Kamerstuk Hoofdstuk X, nr. 81). In het personeelsplan van 4 november 1986 (Kamerstuk , nr. 11) worden de verdere voornemens ten aanzien van het uitstel- en vrijstellingsbeleid nader omschreven. 96 De IGK heeft geconstateerd dat tal van gebouwen voor legering en werkplaatsen niet geheel voldoen aan de regels van de Arbowet of andere eisen ten aanzien van een gezond werk- en leefklimaat. De legeringsfaciliteiten bij enkele onderdelen van de Koninklijke landmacht in Seedorf, Harderwijk (opleidingscentrum infanterie), Oldenbroek, Eibergen en Schaersbergen en de werkplaatsen in Nieuw-Milligen, Eibergen, Ermelo en Hooghalen (429 infbevocie) laten te wensen over. Uit de notitie werk- en leefklimaat die op 14 september 1987 aan de Tweede Kamer is aangeboden, blijkt dat daar het nodige aan zal worden gedaan. Nog in 1987 zal met de uitvoering van een aantal werken worden begonnen. 97 Alle nieuwbouw, renovatie- en onderhoudswerkzaamheden worden uitbesteed aan aannemersbedrijven. Ook de voorbereiding van deze werkzaamheden wordt in toenemende mate (in 1987: 40%) uitbesteed. 98 De directeuren personeel van de krijgsmachtdelen zullen met ingang van 1 januari 1988 de beslissingsbevoegdheid krijgen tot het verlenen van vervroegd groot verlof aan dienstplichtigen in werkelijke dienst. 99 Onderzoek heeft uitgewezen dat met behulp van het VAB-systeem slechts met uiterste inspanning op de juiste wijze de militaire salarissen kunnen worden berekend en uitbetaald. Het systeem heeft de laatste jaren sterk ingeboet aan betrouwbaarheid en beheersbaarheid. Omdat, gelet op de opzet van dit in de jaren zeventig ontwikkelde systeem, mogelijkheden voor structurele verbetering ontbreken, is besloten een nieuw systeem op te zetten. Aan dit project, dat hoge prioriteit heeft, wordt binnenkort begonnen. Om gedurende de resterende tijd zo goed mogelijk met het VAB-systeem te kunnen werken, wordt bovendien op korte termijn een aantal maatregelen voorbereid. Deze zijn onder andere gericht op het wegwerken van de achterstand in het onderhoud van de programmatuur en op vermindering van het aantal bewerkingen met de hand door de met het beheer belaste afdeling. Ook is ten behoeve van de administraties bij de eenheden een zeer arbeidsbesparend software pakket ontwikkeld. Daarmee kunnen VAB-mutaties worden aangebracht. 100 De toelage buitenland is op 1 januari 1987 herzien. Daarbij is rekening gehouden met de door de IGK gesignaleerde klachten. De Ministervan Defensie, W. F. van Eekelen De Staatssecretaris van Defensie, J. van Houwelingen Tweede Kamer, vergaderjaar , hfdst. X, nr
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1986-1987 Rijksbegroting voor het jaar 1987 19700 Hoofdstuk X Ministerie van Defensie IMr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE Aan de Voorzitter van de
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2018
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2018 NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: De begrotingsstaat van het Ministerie
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2017 2018 34 775 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2018 Nr. 25 NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 17 november
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1993-1994 23 400 X Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk X (Ministerie van Defensie) voor het jaar 1994 Nr. 54 BRIEF
Besluit van houdende regels ter uitvoering van artikel 36 van de Politiewet 2012 (Besluit verdeling sterkte en middelen politie)
Besluit van houdende regels ter uitvoering van artikel 36 van de Politiewet 2012 (Besluit verdeling sterkte en middelen politie) Op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van * 2012, nummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1984-1985 Rijksbegroting voor het jaar 1985 18600 Hoofdstuk X Ministerie van Defensie Nr. 56 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE Aan de Voorzitter
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 30 800 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2007 Nr. 121 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1988-1989 19 455 Marinebasis Den Helder Nr. 6 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage,
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1987-1988 19 827 Afslanking Rijksoverheid 1988-1990 Nr. 62 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage,
Vervoer gevaarlijke stoffen
Vervoer gevaarlijke stoffen binnen Defensie Edwin van de Ven Inhoud Defensie Uitzonderingspositie Defensie Voorbereidingen (Gereedstelling) We vertrekken. We doen ons werk. We gaan weer naar huis.. 2 Defensie
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN. Artikel 1
WET van 27 mei 1996, houdende regelen met betrekking tot de inrichting, taakomschrijving en organisatie van het Nationaal Leger (Wet Nationaal Leger) (S.B. 1996 no. 27). HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1987-1988 Rijksbegroting voor het jaar 1988 20200 Hoofdstuk X Ministerie van Defensie Nr. 52 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE 1 Aan de Voorzitter
TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJKDERNEDER LAN DEN. JAARGANG 1951 No. 4 Overgelegd aan de Staten-Generaal door de Minister van Buitenlandse Zaken
3 (1950) No. 1 TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJKDERNEDER LAN DEN JAARGANG 1951 No. 4 Overgelegd aan de Staten-Generaal door de Minister van Buitenlandse Zaken A. TITEL UNIEZAKEN Memorandum houdende een
ONTWERP DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,
WET van..., houdende regels inzake de financiële verhouding tussen de Staat en de districten (Wet Financiële Verhoudingen) ONTWERP DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, In overweging genomen hebbende,
Regeerakkoord Gevolgen voor Defensie
Regeerakkoord 2011-2015 Gevolgen voor Defensie 8 april 2011 Wat ik u kan meedelen Niet Gevolgen voor u persoonlijk Gedetailleerde consequenties van de maatregelen Wel Genomen maatregelen Planning om tot
CONCEPT. De Minister van Veiligheid en Justitie, Gelet op artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie: Besluit:
directoraat-generaal Veiligheid Personeel & Materieel CONCEPT Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van DGV Politie/Personeel en Materieel, houdende invoering van de Tijdelijke regeling functieonderhoud
Het betreft hier met name de toepassing van: c. het Voorschrift Vreemdelingen - VV (Stcrt. 1966, 188).
A 1 Inleiding 3 1 Algemeen De Vreemdelingencirculaire 1982, vastgesteld bij beschikking van de staatssecretaris van Justitie van 26 oktober 1982, vormt het geheel van algemene aanwijzingen aan de ambtenaren
S Instandhoudingsprogramma Walrusklasse onderzeeboten
Postbus 20701 2500 ES Den Haag Telefoon (070) 318 81 88 Fax (070) 318 78 88 Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Plein 2 2511 CR Den Haag Afschrift aan de Voorzitter van de Eerste
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2012 208 Wet van 26 april 2012, houdende tijdelijke bepalingen over de ambulancezorg (Tijdelijke wet ambulancezorg) 0 Wij Beatrix, bij de gratie Gods,
Reorganisatiecode Universiteit Leiden
Reorganisatiecode Universiteit Leiden 1. Voorbereidingsfase 2. Aankondiging 3. Uitwerkingsfase 4. Centraal overleg 5. Uitvoeringsfase 1. Voorbereidingsfase De voorgenomen reorganisatie wordt door de decentrale
VERTROUWELIJK. 2. De dienst bezit generlei executieve bevoegdheden.
VERTROUWELIJK No. 51 BESLUIT van 8 augustus 1949, zoals sedert gewijzigd, houdende nadere regelen met betrekking tot de organisatie, de werkwijze, de taak en de samenwerking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
g. Reünieregister: een register waarin de reünieverenigingen zijn opgenomen die in aanmerking komen voor de faciliteiten van deze regeling.
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Regeling wordt verstaan onder: a. Veteranen: gewezen militairen van de Nederlandse krijgsmacht dan wel van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, alsmede degenen
MER militaire luchthaven Volkel Samenvatting
MER militaire luchthaven Volkel Samenvatting Maart 2013 Langenboom Zeeland Mill Uden Wilbertoord Wanroij Volkel Odiliapeel Figuur 1: Ligging Luchthaven Volkel Samenvatting MER Volkel Aanleiding Initiatiefnemer
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG
1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2017 2018 27 859 Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) Nr. 117 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 14 november
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 600 X Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 1998 Nr. 55 BRIEF VAN
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 34 010 Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet medezeggenschap op scholen en de Wet voortgezet onderwijs
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2002 415 Besluit van 13 juli 2002, houdende de aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de Comptabiliteitswet 2001 Wij Beatrix,
Afspraken inzake arbeidsongeschikten met een arbeidsongeschiktheidspercentage lager dan 35% Bekendmaking beleid
Onderdeel DGMOS/POI Rijk/PR Inlichtingen M.F.Q. Oudshoorn/W. Hagg T 070-426 6389/7663 F 1 van 6 Aan Onderwerp Doelstelling Juridische grondslag De Ministers Afspraken inzake arbeidsongeschikten met een
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 1987
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 1987 Wet van 3 december 1987, Stb. 635, houdende regels betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten Zoals deze is gewijzigd bij de wetten van 02-12-1993(Stb.759)
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2012 279 Besluit van 18 juni 2012, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES in verband met de invoering van een nieuwe studiefaciliteitenregeling
GEDRAGSLIJN INZAKE DE TER BESCHIKKING STELLING VAN RIJKSOBJECTEN VOOR HET PLAATSEN VAN ANTENNE-INSTALLATIES (GEDRAGSLIJN ANTENNES OP RIJKSOBJECTEN)
GEDRAGSLIJN INZAKE DE TER BESCHIKKING STELLING VAN RIJKSOBJECTEN VOOR HET PLAATSEN VAN ANTENNE-INSTALLATIES (GEDRAGSLIJN ANTENNES OP RIJKSOBJECTEN) BIJLAGE: ALGEMENE PLAATSINGSVOORWAARDEN I Inleiding Status
Commissie voor de Juridische Beoordeling van nieuwe wapens en nieuwe middelen of methodes van oorlogvoering. Tf Redactionele overheid DG Jur
DEFENSIE Blz. 1 / 9 ALGEMENE DIRECTIE JURIDISCHE STEUN SPECIFIEKE PROCEDURE Commissie voor de Juridische Beoordeling van nieuwe wapens en nieuwe middelen of methodes van Tf Redactionele overheid DG Jur
