Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
|
|
|
- Thijmen de Ridder
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 abcdefgh Rijkswaterstaat Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee 22 januari 2004
2 abcdefgh Rijkswaterstaat Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee 22 januari 2004
3 Colofon Uitgegeven door: Rijkswaterstaat directie Noordzee Informatie: Drs. A. Stolk of Drs. P.R. Seeger Telefoon: of Fax: Uitgevoerd door: Rijkswaterstaat directie Noordzee Opmaak: - Datum: 22 januari 2004 Status: Definitief Versienummer: - 3 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
4 Inhoudsopgave INLEIDING HOOFDDOELSTELLINGEN EN DOELSTELLINGEN VOOR ONTGRONDINGEN OP ZEE VAN RON NAAR RON STATUS, PLANPERIODE, PLANGEBIED EN INHOUD VAN HET RON PROBLEEMSTELLING EN DOELSTELLING ZAND HUIDIGE WINNING VAN OPHOOGZAND EN SUPPLETIEZAND INVENTARISATIE VAN DE BEHOEFTE AAN NOORDZEEZAND BETON- EN METSELZAND OVERIGE OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN GRIND ZWARE MINERALEN KLEI SCHELPEN MORFOLOGISCHE EN ECOLOGISCHE EFFECTEN ALGEMEEN LEEMTEN IN KENNIS BESTUURLIJK- JURIDISCH KADER VOOR WINNEN VAN OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN INLEIDING PRIMAIRE ONTGRONDINGEN SECUNDAIRE ONTGRONDINGEN PROEF/ONDERZOEK HANDHAVING VAN DE ONTGRONDINGSVERGUNNING OVERIGE WET- EN REGELGEVING STRUCTUURSCHEMA S EN NATIONALE BELEIDSPLANNEN VOORWAARDEN VOOR ONTGRONDINGEN OP DE NOORDZEE ALGEMENE VOORWAARDEN AANVULLENDE VOORWAARDEN BIJLAGE 1 VERKLARENDE WOORDENLIJST BIJLAGE 2 OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN BIJLAGE 3 UITVOERING BIJLAGE 4 EFFECTEN VAN WINNING OP HET MILIEU MORFOLOGISCHE EFFECTEN ECOLOGISCHE EFFECTEN Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
5 WINDIEPTE BIJLAGE 5 MILIEUTECHNISCHE EFFECTEN EISEN BIJLAGE 6 CULTUURHISTORISCHE- EN AARDKUNDIGE WAARDEN CULTUURHISTORISCHE WAARDEN AARDKUNDIGE WAARDEN BIJLAGE 7 FINANCIEEL ECONOMISCHE ASPECTEN BIJLAGE 8 WET- EN REGELGEVING INTERNATIONALE VERDRAGEN INTERNATIONALE RICHTLIJNEN NATIONALE WETGEVING PLANOLOGISCHE KERNBESLISSINGEN BIJLAGE 9 LITERATUUR Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
6 Samenvatting Kader Op de Noordzee vindt sinds jaar en dag winning van oppervlaktedelfstoffen plaats. Die winning is gebonden aan wettelijke regels en beleidsmatige voorwaarden, vastgelegd in nationale en regionale beleidsnota s. Het Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee 2 (RON 2) is de opvolger van het in 1993 verschenen Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee (RON). Het RON was gekoppeld aan een vrijwillig milieueffectrapport (MER). Samen staan ze bekend als het RON/MER. Het RON 2 beschrijft hoe Rijkswaterstaat anno 2004 wet- en regelgeving vertaalt naar de dagelijkse praktijk en hoe ze omgaat met de steeds belangrijker wordende maatschappelijke tendens tot verschuiving van het winnen van oppervlaktedelfstoffen van land naar rijkswateren, met name de Noordzee. Status, planperiode en plangebied Het RON 2 heeft, evenals het RON/MER van 1993, de status van regionale beleidsnota, en is geschreven voor een onbepaalde periode. Elke vijf jaar wordt het geëvalueerd. Indien noodzakelijk worden tussentijds aanpassingen doorgevoerd. Het plangebied van het RON 2 is de territoriale zee (tot 12 mijl uit de kust) en het zeewaarts daarvan gelegen Nederlands deel van het Continentale Plat (NCP). De doelstelling van het RON 2 Het RON 2 heeft tot doel om duidelijkheid te verschaffen aan de vergunningaanvrager en andere betrokkenen over waar ontgronding niet of onder voorwaarden plaats kan vinden. Er wordt dus geen gebied aangewezen waar winnen wel is toegestaan, zoals op het land soms het geval is. Achterliggende reden is dat zandwinning bijna overal op de Noordzee mogelijk is. Uitgangspunt is om aan de toenemende vraag naar oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee tegemoet te komen, rekening houdend met: een zo zuinig mogelijk en zo hoogwaardig mogelijk gebruik van oppervlaktedelfstoffen uit de bodem van de Noordzee; een zo goed mogelijke afstemming met de andere gebruiksfuncties van de Noordzee, zowel in ruimte als in tijd; een duurzaam functioneren van het watersysteem Noordzee, de aangrenzende wateren en de kustzone. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd voor reguliere winning, diepere winning van grovere zanden en/of grootschalige winning. Algemene- en aanvullende voorwaarden voor winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee a. Algemene voorwaarden Het winnen van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee is gebonden aan wettelijke procedures, beleidsuitspraken (hoofdstuk 6) en op de 6 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
7 uitvoering gerichte voorwaarden (hoofdstuk 7). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen reguliere ontgrondingen (ondiep en kleinschalig) en grootschalige en/of diepere ontgrondingen. Winning van oppervlaktedelfstoffen heeft negatieve effecten op de morfologie en ecologie, en op gebruiksfuncties. Om deze effecten te voorkomen of te minimaliseren, is de winning aan voorwaarden gebonden en zijn bepaalde gebieden van de Noordzee van winning uitgesloten. De doorgaande NAP -20 meter dieptelijn geldt als grens waarbinnen niet ontgrond mag worden. Door deze grens te stellen behoren de Waddenzee inclusief vrijwel de gehele beïnvloedingszone van drie mijl, vrijwel de gehele Voordelta en vrijwel alle Vogelrichtlijngebieden niet tot het wingebied van het RON 2. Uitzonderingen hierop vormen zandwinning uit vaargeulen, het aanleggen van overslagputten, zandwinning waarbij het verwijderen van zand uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging en schelpenwinning. Het aanleggen van tijdelijke of permanente overslagputten in de Voordelta, het Waddengebied en in Vogel- en Habitatrichtlijngebieden is, gezien de bijzondere status van deze gebieden, slechts mogelijk na een zorgvuldige afweging, rekening houdend met de beschermingsformules van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Milieuonderzoek of milieueffect rapport Voor ontgronding van een gebied dat groter is dan 500 hectare en/of waar meer dan 10 miljoen m³ zand gewonnen gaat worden, dient volgens het Besluit m.e.r. een MER gemaakt te worden. Dit geldt ook voor meerdere kleine winningen in die in elkaars nabijheid liggen (zgn. cumulatieve effecten). Voor een winning die kleiner is dan 500 hectare, maar een ontgrondingsdiepte heeft van meer dan 2 meter, zal voorafgaand aan de vergunningsaanvraag een milieuonderzoek uitgevoerd moeten worden (tabel 1). Tabel 1 Vereist onderzoek bij ontgronding op zee Hoeveelheid oppervlak windiepte onderzoek < 10 miljoen m3 < 500 ha 2 m maximaal - < 10 miljoen m3 < 500 ha > 2m milieuonderzoek > 10 miljoen m3 < 500 ha > 2 m MER > 10 miljoen m3 > 500 ha 2 m maximaal MER > 10 miljoen m3 > 500 ha > 2 m MER Afbakening van het wingebied Het belangrijkste uitsluitinggebied voor ontgrondingen (exclusief schelpenwinning) op de Noordzee is het kustgebied tot de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. Deze ondiepe kustzone is van belang voor de kustverdediging en de ecologie. Omdat ook in de toekomst kleinschalige ondiepe zandwinning relatief dicht bij de kust mogelijk moet blijven, wordt een zone van 2 kilometer vanaf de doorgaande NAP 20 meter dieptelijn uitgesloten van grootschalige winning. 7 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
8 Voor schelpenwinning zijn in de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning specifieke wingebieden genoemd welke wel binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn liggen. In militaire gebieden is ontgronding mogelijk in overleg met het ministerie van Defensie met inachtneming van de coördinatieprocedures. Overige wettelijke (w) en bestuurlijke (b) uitsluitingsgebieden voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen hangen samen met de gebruiksfuncties olie- en gaswinning en telecommunicatie. Gebruiksfuncties kustverdediging (b) ecologie (b) olie- en gaswinning (w) olie- en gaswinning (w) telecommunicatie (w) windmolenparken Uitsluitingsgebied landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn * landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn * 500 meter rond platform # 500 meter aan weerszijden van pijpleiding # 500 meter aan weerszijden van kabel # ^ 500 meter rondom het park * Een uitzondering hierop vormen: - zandwinning uit de vaargeulen; - het aanleggen van overslagputten; - winning waarbij het verwijderen van oppervlaktedelfstoffen op juist die locatie bijdraagt aan de kustverdediging; - het in oorspronkelijke staat terug brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden Schelpenwinning is toegestaan zeewaarts van de NAP 5 meter dieptelijn. # Bij 2 meter ontgronden. ^ Bij verlaten telecommunicatiekabels geldt geen uitsluitingsgebied. b. Aanvullende voorwaarden Kleinschalige winning Onder kleinschalige winning wordt eenmalige winning van minder dan 10 miljoen m³ oppervlaktedelfstof per vergunningaanvraag verstaan. Op grond van het bij het eerste Regionale Ontgrondingenplan opgestelde MER (RON/MER, 1993) geldt een maximale windiepte van 2 meter (in vaargeulen 5 meter). Deze winningen worden ook wel reguliere winningen genoemd. Voor kleinschalige (reguliere) winning gelden de volgende aanvullende voorwaarden: de zeebodem mag maximaal 2 meter verdiept worden (in vaargeulen 5 meter); herhaalde reguliere winning op dezelfde winlocatie welke al eens 2 meter is verdiept is toegestaan, maar wordt beschouwd als een diepe winning (zie hieronder); er bestaat een voorkeur voor 8 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
9 zandwinning in combinatie met het onderhoud van de Euro/Maasgeul en de IJgeul; bij ontgronding tot 2 meter beneden de zeebodem bestaat een voorkeur voor aaneengesloten winning met behulp van sleephopperzuigers; ontgronding kan het hele jaar plaatsvinden met eventueel restricties op grond van de ligging van de winlocatie; ontgronding binnen militaire oefengebieden is onder voorwaarden mogelijk; schelpenwinning wordt zowel buiten als binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn toegestaan. Winning binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn moet passen in het beleid verwoord in de beleidsnota s over schelpenwinning. Daar waar zich buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn ondiepere gedeelten bevinden (bijvoorbeeld zandbanken), kunnen, afhankelijk van de locatie, op grond van morfologische en ecologische effecten nadere voorwaarden aan een ontgronding gesteld worden. Grootschalige en/of diepe winning: Om een besluit te kunnen nemen over het al dan niet toestaan van diepe winning in het RON 2 heeft de overheid gepoogd de effecten op het milieu in kaart te brengen door een milieueffectrapport te laten opstellen (MER voor de winning van beton- en metselzand op de Noordzee, RIKZ/ ). In haar toetsingsadvies over het MER (nr van 13 december 2002) is de Commissie voor de milieueffectrapportage echter van oordeel dat uit het MER blijkt dat er nog belangrijke leemten in kennis blijken te bestaan rond de effecten van diepe putten op de ecologie en morfologie. Deze behoeven invulling, volgens de Commissie. Monitoringsverplichting Het bevoegd gezag is tot de conclusie gekomen dat de door de Commissie m.e.r. geconstateerde leemten in kennis werkende weg ingevuld moeten worden door in de vergunning een monitoringsverplichting op te leggen. Totdat meer bekend is zal het bevoegd gezag terughoudend zijn met het verstrekken van vergunningen voor grootschalige diepere winning. Windiepte Gelet op de grote verschillen in lokale omstandigheden (stroomsnelheid, golfklimaat, sedimentsamenstelling en ecologie) kan in het RON 2 geen algemene maximaal toegestane windiepte worden aangegeven buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. Uit onderzoek in het kader van een op de locatie toegespitst MER of milieuonderzoek moet blijken wat de maximaal toelaatbare windiepte voor het winnen van grof zand of voor een grootschalige ontgronding is. Criteria bij het vaststellen van de windiepte zijn onder meer: de nieuwe oppervlaktesedimenten mogen niet teveel verschillen van de oorspronkelijke, 9 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
10 aan de bodem van de put mag geen verminderde wateruitwisseling met de omgeving optreden, waardoor zuurstoftekort zou kunnen ontstaan, ecologisch herstel van het zandwingebied moet in belangrijke mate mogelijk zijn binnen afzienbare tijd (bijvoorbeeld tien jaar), het effect op andere gebruiksfuncties moet minimaal zijn. Overslagputten a. Tijdelijke overslagputten Uit onderzoek is gebleken dat binnen zes jaar na het definitief opvullen van een tijdelijke put herstel van het ecosysteem optreedt. Daarom mogen kustsuppleties (behalve in de onder algemene voorwaarden voor winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee genoemde gebieden) uitgevoerd worden met tijdelijke putten buiten de doorgaande NAP -7 meter dieptelijn en binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. Deze overslagputten moeten na gebruik in het winterseizoen binnen 1 maand en in het zomerseizoen binnen 2 maanden opgevuld worden met zand uit de vaargeulen of van buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. b. Permanente putten Om het winnen van beton- en metselzand op de Noordzee economisch aantrekkelijker te maken worden overslagputten voor langduriger gebruik binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn niet bij voorbaat uitgesloten. Voordat een permanente overslagput aangelegd mag worden zal het bevoegd gezag om milieuonderzoek vragen, al dan niet in de vorm van een MER. Via in de vergunning opgelegde monitoring worden de morfologische en ecologische effecten onderzocht. Totdat gebleken is dat de effecten bij het gebruik van de put beperkt zijn, stelt het bevoegd gezag zich terughoudend op bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe overslagputten. Nieuwe ontwikkelingen Waarschijnlijk zullen zich in de komende jaren nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee voordoen. Het kan gaan om het toepassen van nieuwe technieken maar ook om andere niet in dit RON 2 voorziene ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zullen steeds per geval in de beoordeling van de vergunningsaanvraag meegenomen worden, waarbij tenminste aandacht geschonken wordt aan de effecten van de activiteit in samenhang met: ecologie morfologie kustverdediging gebruiksfuncties (inter)nationale regelgeving archeologische-, cultuurhistorische en aardkundige waarden relatie met andere projecten op de Noordzee gevoelige gebieden, zoals de Voordelta, de Waddenzee en Vogelen Habitatrichtlijngebieden Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
11 Leeswijzer Om misverstanden te voorkomen zijn de definities van een aantal belangrijke, steeds in dit document terugkomende woorden, opgenomen. Ondiep of diep ontgronden: Tot (eenmalig) 2 meter beneden de zeebodem ontgronden wordt een ondiepe ontgronding genoemd. Meer dan 2 meter ontgronden, of ontgronden op een plaats waar al eerder ontgrond is, wordt een diepe ontgronding. genoemd Kleinschalig of grootschalig ontgronden: De grens tussen kleinschalige en grootschalige winning is vastgesteld op 10 miljoen kubieke meter per vergunningaanvraag. Deze hoeveelheid komt overeen met een oppervlakte van 500 hectare (5 km²) bij een ontgronding tot 2 meter. Kleinschalige winning mag alleen ondiep plaatsvinden. Regulier ontgronden: In het RON/MER van 1993 wordt de term Regulier ontgronden gebruikt. Daarmee wordt bedoeld kleinschalig ondiep ontgronden. In hoofdstuk 1 komen de hoofddoelstellingen voor ontgrondingen op de Noordzee en de wijzigingen ten opzichte van het RON/MER aan de orde. Tevens wordt de status, de planperiode en het plangebied van het RON 2 beschreven. Hoofdstuk 2 betreft de probleem- en doelstelling van het RON 2. In hoofdstuk 3 wordt zandwinning op zee beschreven, met de nadruk op beton- en metselzand. Hoofdstuk 4 gaat in op de overige oppervlaktedelfstoffen. In hoofdstuk 5 worden de gevolgen voor het marien milieu van het winnen van oppervlaktedelfstoffen beschreven. Het bestuurlijk- juridisch kader voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen, wettelijke procedures voor vergunningverlening, financiële lasten (leges en domeinvergoeding), handhaving, overige relevante wet- en regelgeving en het nationaal beleidskader staan beschreven in Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 gaat over de algemene en specifieke beleidsvoorwaarden voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee. Tevens wordt de afbakening van wingebieden belicht. Tenslotte bevat het RON2 bijlagen, te weten: bijlage 1 verklarende woordenlijst bijlage 2 oppervlaktedelfstoffen bijlage 3 uitvoering bijlage 4 effecten van winning op het milieu bijlage 5 milieutechnische effecten bijlage 6 cultuurhistorische- en aardkundige waarden, 11 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
12 bijlage 7 bijlage 8 bijlage 9 financieel-economische aspecten wet- en regelgeving literatuur Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
13 1 Inleiding Hoofddoelstellingen en doelstellingen voor ontgrondingen op zee Hoofddoelstellingen De visie dat het beleid gericht op een verruiming van de toepassing van oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee met kracht dient te worden voortgezet, is opgenomen in het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen (SOD) deel 4 (1996). In diverse bestuurlijke afspraken tussen de minister van Verkeer en Waterstaat en het Interprovinciaal Overleg is dit nog eens onderstreept en aangescherpt. Ook in het SOD 2 deel 1 is deze visie herhaald. Uitgangspunt is om aan de toenemende vraag naar oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee tegemoet te komen, rekening houdend met: een zo zuinig mogelijk en zo hoogwaardig mogelijk gebruik van oppervlaktedelfstoffen uit de bodem van de Noordzee; een zo goed mogelijke afstemming met de andere gebruiksfuncties van de Noordzee, zowel in ruimte als in tijd; een duurzaam functioneren van het watersysteem Noordzee, de aangrenzende wateren en de kustzone. Doelstellingen De Noordzee behoort tot één van de meest intensief gebruikte zeeën ter wereld. Dit betekent dat behalve met op ontgrondingen gerichte wet- en regelgeving ook met andere wetgeving en nota s rekening moet worden gehouden. De hoofddoelstelling uit de Vierde Nota Waterhuishouding voor het waterbeheer luidt: Het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het instandhouden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd Voor oppervlaktedelfstoffenwinning wordt in de toekomst een aantal ontwikkelingen voorzien waarmee rekening gehouden moet worden: ruimtelijke conflicten tussen de gebruikers van de Noordzee. Deze treden nu in beperkte mate op, maar zullen in de toekomst met name in de kustzone toenemen; een toenemende bedreiging van natuur, milieu en veiligheid als gevolg van de toename van het gebruik. Internationale verdragen en de Europese Richtlijnen voor Vogelgebieden en Habitatgebieden zijn van toepassing op de Noordzee. Hieronder vallen de in deze richtlijnen aangegeven soortenbescherming, de bescherming van aangewezen Vogel- en Habitatgebieden en de externe werking op deze gebieden. In het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) wordt de Noordzee aangewezen als kerngebied van de Ecologische Hoofdstructuur, 13 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
14 derhalve zijn de beschermingsformules van het SGR daar van toepassing. In het RON 2 wordt aangegeven hoe nationale en internationale weten regelgeving en beleid doorwerken in de voorwaarden voor ontgrondingen op de Noordzee. 1.2 Van RON naar RON 2 In het RON, dat bij brief van 20 april 1993 aan de Tweede Kamer door de minister van Verkeer en Waterstaat is vastgesteld (Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr.18), wordt het regionale beleid rond het winnen van oppervlaktedelfstoffen op het Nederlandse deel van de Noordzee beschreven. Het RON heeft de status van regionale beleidsnota. Onderdelen van het RON zijn overgenomen in het landelijk beleid voor de winning van oppervlaktedelfstoffen en vastgelegd in het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen (Tweede Kamer , , nr. 17 en 18). Bij de evaluatie van het RON in 1997 bleek dat zowel overheden als bedrijfsleven over het algemeen tevreden zijn over de wijze waarop het winnen van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee in de praktijk is geregeld. De belangrijkste uitspraken uit het RON zijn: (zand)winning dient zeewaarts van de NAP -20 meter dieptelijn of meer dan 20 kilometer uit de kust plaats te vinden; er mag maximaal 2 meter verdiept worden (in vaargeulen 5 meter); er bestaat een voorkeur voor zandwinning door overdimensionering van de Euro/Maasgeul en de IJgeul; er bestaat een voorkeur voor niet stationaire winning met behulp van sleephopperzuigers; winning kan het hele jaar plaatsvinden met eventueel restricties op grond van de ligging van de winlocatie; aanbevolen wordt om zand te winnen uit nog te storten baggerspecie. Slechts de laatste aanbeveling is minder relevant gebleken omdat het winnen van zand uit baggerspecie tot op heden economisch niet aantrekkelijk is en milieutechnische problemen oplevert met betrekking tot energiegebruik en emissies. Het RON 2, het nieuwe regionale beleidsdocument, gaat in op enkele ontwikkelingen die zich sinds 1991 hebben voorgedaan en die in het RON/MER (1993) waren uitgesloten. Deels gaat het om huidige praktijk, deels om ontwikkelingen in de nabije toekomst. De huidige praktijk behelst: winning van geconcentreerde dode schelpenvoorkomens (banken) vindt plaats binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn Gebleken is dat zich buiten de doorgaande NAP - 20 meter dieptelijn nagenoeg geen geconcentreerde schelpenvoorkomens bevinden. het gebruik van tijdelijke putten binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn voor kustsuppleties 14 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
15 P Nota Uit proeven met tijdelijke putten voor strandsuppleties binnen de NAP 10 m dieptelijn blijkt dat gebruik van tijdelijke putten zonder bezwaar voor de kustverdediging mogelijk is, mits de put tijdig opgevuld wordt. Uit ecologische monitoring is gebleken dat de bodemfauna op de locatie van de put na zes jaar hersteld is. het gebruiken van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn als grens waarbinnen niet regulier gewonnen mag worden in plaats van de grillige werkelijke NAP -20 meter dieptelijn Deze lijn is voor het eerst gehanteerd in het Beleidsplan Voordelta e (1993). Inmiddels is deze lijn in de 5 P ruimtelijke Ordening (deel 3) voor de gehele Nederlandse kust aangegeven als landwaartse grens voor de zeezandwinning. winning binnen militaire oefengebieden Met het Ministerie van Defensie is afgesproken dat onder voorwaarden, per geval op te stellen door Defensie, binnen militaire oefengebieden ontgrond mag worden. winning verder op zee Het RON/MER (1993) ging uit van winning van oppervlaktedelfstoffen in een strook van 50 km buiten de kust. Gebleken is dat incidenteel ook winning nodig is verder op zee, voornamelijk ten behoeve van pijpleidingen. Deze winningen zijn onder dezelfde voorwaarden uitgevoerd als winningen in het 50 km gebied. gecombineerde vaargeulverdieping en zandwinning Bij het om nautische redenen verdiepen of onderhouden van een vaargeul komt zand vrij (secundaire winning). Door afzet van dit zand op de markt dalen de kosten van het onderhoudswerk. De reguliere zandwinning vindt thans plaats, met inachtneming van bovenstaande punten, op grond van het bij het eerste Regionale Ontgrondingenplan opgestelde MER (RON/MER, 1993). Toekomstige ontwikkelingen In de nabije toekomst worden veranderingen verwacht in de zandwinning op zee. Voor landaanwinningswerken, zoals een Tweede Maasvlakte zijn zeer grote hoeveelheden ophoogzand nodig (in de orde van honderden miljoenen kubieke meters). Voor de winning van betonen metselzand op zee zijn diepe putten (tot enkele tientallen meters) nodig, omdat zand van deze kwaliteit in winbare hoeveelheden niet boven de 5 tot 10 meter beneden de zeebodem aanwezig is. Het RON 2 gaat voornamelijk over het winnen van zand, onderverdeeld in ophoogzand, betonzand en metselzand. De Noordzeebodem bevat zeer grote hoeveelheden zand. Daarnaast zijn grind, klei en schelpen in relatief kleinere hoeveelheden aanwezig. Zand is meestal gekwalificeerd als ophoogzand. Soms is het zand grover, waardoor geschikte fracties gebruikt kunnen worden als metselzand of betonzand. Tot in lengte van jaren is voldoende ophoogzand winbaar uit de Noordzee. In de toekomst wordt een toename van de behoefte aan grover zand voorzien. Ontgronding op het land van dit zand wordt steeds moeilijker vanwege ruimtelijke problemen en de toenemende maatschappelijke weerstand tegen ontgrondingen. Indien (economisch) mogelijk heeft het maatschappelijk 15 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
16 de voorkeur om beton- en metselzand uit de Noordzeebodem te halen. Grof zand komt in enkele geologische formaties voor. Het aantreffen van een dergelijke formatie betekent echter niet automatisch dat er zich op die plaats altijd daadwerkelijk grof zand bevindt. Bovendien liggen de betreffende formaties vaak een aantal meters of meer onder de zeebodem. Dit maakt het onderzoek naar voorkomens ter plaatse moeizaam en duur. Voor het winnen van beton- en metselzand in een voor grof zand geologisch relatief kansrijk gebied op de Noordzee is een MER gemaakt. In haar toetsingsadvies over het MER (nr van 13 december 2002) geeft de Commissie voor de milieueffect rapportage als oordeel dat uit het MER blijkt dat er nog belangrijke leemten in kennis bestaan rond de effecten van diepe putten op de ecologie en morfologie. Het bevoegd gezag heeft afgewogen hoe omgegaan wordt met het advies van de Commissie. Ze is tot de conclusie gekomen dat de leemten in kennis werkende weg ingevuld moeten worden door in de vergunning een monitoringsverplichting op te leggen. Totdat meer bekend is zal het bevoegd gezag terughoudend zijn met het verstrekken van vergunningen voor grootschalige diepe winning. Op de Klaverbank komt grof zand en grind voor. Een onderzoek naar de milieuaspecten van de winning heeft aangetoond dat in een deelgebied van de Klaverbank winning van een beperkte hoeveelheid (10 20 miljoen m³) onder voorwaarden mogelijk is. Winning in dit gebied is alleen toegestaan met behoud van ecologische waarden. De overheid acht deze hoeveelheid te gering om zelf een m.e.r.-procedure te doorlopen om de winning van betonzand op de Klaverbank te faciliteren. Schelpen worden gewonnen in de Waddenzee, in de buitendelta s en zeegaten in het waddengebied, in de Westerschelde, in de Voordelta en in de overige Noordzee. In de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (1998) en de Partiële herziening Landelijke beleidsnota schelpenwinning (2001) zijn per wingebied maximaal toegestane winhoeveelheden vastgesteld. Klei wordt niet op zee gewonnen. Aan grootschalige zandwinning voor projecten van nationaal belang (bijvoorbeeld Tweede Maasvlakte, vliegveld in zee en kustlocatie) wordt in het RON 2 slechts op hoofdlijnen aandacht besteed. De reden hiervoor is dat de effecten van grootschalige winning zonder het maken van een MER niet zijn te voorspellen. Daardoor zijn er alleen richtinggevende uitspraken te doen over randvoorwaarden bij grootschalige winning. Langs de kust zijn er te grote verschillen in ecologische en morfologische kenmerken. Mogelijke effecten van grootschalige ontgrondingen op deze kenmerken zijn niet zonder meer vast te stellen. 16 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
17 1.3 Status, planperiode, plangebied en inhoud van het RON 2 Vanaf de vaststelling door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is het Regionaal Ontgrondingenplan 2 (RON 2) van kracht. Dit document bouwt grotendeels voort op het RON. Het RON 2 heeft, evenals het RON, de status van beleidsnota voor de oppervlaktedelfstoffenwinning voor de regio Noordzee. Het RON 2 is geschreven voor onbepaalde periode. Het zal elke vijf jaar geëvalueerd worden. Op basis van de resultaten van deze evaluatie zal het RON 2 zo nodig (partieel) worden herzien. Tot het plangebied van het RON 2 behoren de territoriale zee (de 12 mijlszone) en het zeewaarts daarvan gelegen Nederlands deel van het Continentale Plat (NCP). De landwaartse begrenzing van het plangebied van het RON 2 is de Basislijn (laaglaagwaterlijn). Relatie met uitgevoerde milieueffectraportages Voor het RON is in 1993 een MER opgesteld. Het beschouwde gebied loopt langs de gehele Nederlandse kust en beslaat het gebied tot 50 kilometer zeewaarts vanaf de kust. Sinds die tijd is, voor het opstellen van de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning, in een apart milieueffectrapport gekeken naar milieuaspecten bij het winnen van schelpen. Parallel aan het opstellen van het RON 2 is een milieueffectrapport geschreven dat specifiek kijkt naar de milieueffecten van het dieper winnen dan 2 meter beneden de zeebodem van betonen metselzand in een gedefinieerd deel van de Noordzee. Hierbij kwamen leemten in kennis naar voren die het opstellen van een (inrichtings-)mer voor elke grootschalige en/of diepe winning noodzakelijk maken. Bovengenoemde MER studies vormen tezamen met wetenschappelijke onderzoeken naar de morfologische en ecologische effecten van zeezandwinning een belangrijke basis voor de in het RON2 gestelde voorwaarden aan zeezandwinning. 17 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
18 2 Probleemstelling en doelstelling Probleemstelling Wanneer op de Noordzee oppervlaktedelfstoffen gewonnen worden, is de overheid ervoor verantwoordelijk dat dat op maatschappelijk verantwoorde wijze gebeurd. Dit leidt tot de volgende probleemstelling: Op welke wijze kan de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee zoveel mogelijk bijdragen aan de nationale behoeftevoorziening, rekening houdend met: een zo zuinig en zo hoogwaardig mogelijk gebruik van oppervlaktedelfstoffen uit de bodem van de Noordzee; een zo goed mogelijke afstemming met de andere gebruiksfuncties van de Noordzee, zowel in ruimte als in tijd; een duurzaam functioneren van het watersysteem Noordzee, de aangrenzende wateren en de kustzone. Doelstelling Het RON 2 heeft tot doel de bestuurlijk-juridische en de beleidsmatige aspecten, noodzakelijk voor de vergunningverlening in het kader van de Ontgrondingenwet, aan te geven. Het RON 2 verschaft als kader duidelijkheid over algemene randvoorwaarden bij ontgrondingen op de Noordzee aan de vergunningsaanvrager, de vergunningverlener en andere betrokkenen. 18 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
19 3 Zand Huidige winning van ophoogzand en suppletiezand De zandwinning in het Nederlands deel van de Noordzee kan onderverdeeld worden naar gebruik en plaats van winning van het zeezand. Uit zee gewonnen zand wordt voornamelijk gebruikt als ophoogzand op land en voor kustsuppletie. Een klein deel van het als ophoogzand aangevoerde zand vindt zijn weg naar de beton- en metselmortelindustrie als bijmengzand. Ook asfaltzand en kalkzandsteenzand valt hieronder. Daarnaast wordt er incidenteel zand gewonnen om pijpleidingen en kabels af te dekken. Ten aanzien van de winlocatie is onderscheid te maken tussen winning in de vaargeulen (Euro/Maasgeul en IJgeul) en de rest van het NCP buiten de NAP-20 meter dieptelijn. In tabel 2 en figuur 1 wordt een overzicht gegeven van de gewonnen hoeveelheid zeezand sinds Tabel 2. Overzicht van gewonnen hoeveelheden zeezand (in m³) in de periode , uitgesplitst naar gebruik en winlocaties. Jaar totaal totaal totaal totaal rest totaal Totaal zandhandel suppleties vaargeulen NCP afdekking Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
20 Na de sterke toename van de zeezandwinning eind tachtiger jaren stabiliseerde de winning in de eerste helft van de jaren negentig op een jaarlijkse hoeveelheid van circa 13 miljoen m³. Eind jaren negentig is de hoeveelheid toegenomen tot circa 23 miljoen m³ per jaar. Na 2000 trad een sterke toename op tot circa 35 miljoen m³ per jaar. Hiervan wordt circa 20 miljoen m³ aangevoerd voor ophoogzand op land en circa 15 miljoen m³ voor kustsuppletie. Het winnen van zand in vaargeulen is kosteneffectief voor zowel de partij die vaargeulonderhoud moet plegen (het zand brengt geld op waardoor het onderhoud van de geul goedkoper wordt) als voor degene die het zand in de vaargeul wint. (deze hoeft minder ver te varen voor het zand en krijgt en vergoeding voor het onderhoud van de geul). Historic patterns of marine aggregate extraction from 1974 out of the Dutch part of the North Sea IJ-Channel + Maas-/Euro-Channel Dutch Continental Shelf Total m³ year Figuur 1: Overzicht van op zee gewonnen hoeveelheid zeezand in de periode Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
21 3.2 Inventarisatie van de behoefte aan Noordzeezand Inleiding Op dit moment vindt een aanzienlijk deel van de reguliere zandwinning in de Noordzee plaats (met name ophoogzand). Het is de verwachting dat in de nabije toekomst de behoefte aan zand uit de Noordzee nog zal toenemen. Deels komt dit door het steeds minder voorhanden zijn of ter beschikking komen van winlocaties op het land. Daarnaast worden grote infrastructurele werken voorzien, waarbij grote hoeveelheden zand nodig zullen zijn. In een in augustus 1997 afgeronde verkenning van de behoefte aan Noordzeezand voor de periode (literatuur W-DWW ) zijn er scenario's voor de toekomstige behoefte aan Noordzeezand opgesteld. Voor ophoogzand en beton- en metselzand zijn afzonderlijke scenario's ontwikkeld. Gezien de onzekerheden in de toekomstige ontwikkelingen zijn er drie basisscenario s uitgewerkt: een minimum-, midden- en maximumscenario. Deze basisscenario's zijn gebaseerd op economische groei, beleidsontwikkelingen en technologische ontwikkeling. Ophoog- en suppletiezand Negentig procent van het uit de Noordzee aangevoerde ophoogzand wordt toegepast in de regio s Centraal-Holland en Rijnmond, en in mindere mate in de regio Den Helder. Uit de resultaten van de scenario-analyse blijkt dat in alle drie de scenario's de behoefte aan Noordzeezand op lange termijn toeneemt (tabel 3) Er wordt een toename verwacht van de hoeveelheid benodigd suppletiezand. Afhankelijk van de te verwachten zeespiegelstijging zijn een minimum-, midden- en maximumscenario uitgewerkt (tabel4). Tabel 3: Totale behoefte aan ophoogzand (excl. grote projecten en suppleties) uit de Noordzee per scenario per periode cumulatief in mln m³ en gemiddeld (mln m3/j) (naar Verdonkschot et al., 1997) Scenario s minimum midden maximum ( 9,3) 173 (11,5) 268 (17,9) (10,5) 365 (14,6) 604 (24,2) (12,6) 589 (16,8) 1015 (29,0) Tabel 4: Totale behoefte aan suppletiezand per scenario per periode uit de Noordzee cumulatief in mln m³ en gemiddeld (mln m3/j) (naar Verdonkschot et al., 1997) Scenario s Minimum midden maximum ( 9,8) 166 (11,1) 185 (12,3) (10,4) 299 (12,0) 337 (13,5) (10,7) 432 (12,3) 489 (14,0) 21 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
22 Beton- en metselzand De bruikbaarheid van de in de Noordzee voorkomende zandkwaliteiten is afhankelijk van de beoogde toepassing. Op dit moment worden jaarlijks enkele honderdduizenden tonnen Noordzeezand als bijmenging bij zeer grof zand gebruikt in de betonindustrie. De vraag naar betonen metselzand uit de Noordzee is zo sterk afhankelijk van beleidsontwikkelingen, technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen in de markt, dat een inschatting voor de komende decennia niet is te geven. Grote projecten Grote infrastructurele projecten kunnen de vraag naar Noordzeezand sterk doen toenemen. In 2003 is een vergunning verleend voor de winning van 20 miljoen m3 zand voor de Westerschelde Containerterminal in Vlissingen. Voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte is waarschijnlijk 400 miljoen m3 zeezand nodig. Conclusie Duidelijk is dat de berekeningen een marge aangeven waarbinnen de behoefte aan Noordzeezand zich zal ontwikkelen. Deze marge varieert per tijdsperiode. In alle gevallen neemt de behoefte aan Noordzeezand toe. De werkelijke gemiddelde winning van ophoogzand in de periode ligt dicht bij het maximum scenario van de verwachte behoefte voor De werkelijke gemiddelde winning van suppletie in de periode ligt dicht bij het minimum scenario van de verwachte behoefte voor Gezien de structurele toename van de winning van suppletiezand sinds 2001 zal in 2010 vermoedelijk het midden scenario bereikt worden. 3.3 Beton- en metselzand Inleiding Volgens het SOD (PKB deel 4,1996) dient het beleid dat gericht is op een verruiming van de toepassing van bodemmaterialen uit de Noordzee met kracht te worden voortgezet. De minister van Verkeer en Waterstaat en het Interprovinciaal Overleg (IPO) hebben sinds 1997 diverse malen in bestuurlijk overleg gesproken over het beleid en de inspanningen om beton- en metselzandwinning uit primaire ontgrondingen binnen de kustlijn (op land) te beperken. Dit is, onder andere, mogelijk door beton- en metselzand te winnen in het Nederlands deel van de Noordzee Voorkomen Het zand dat in de bouw gebruikt wordt als beton- en metselzand moet voldoen aan specifieke kwaliteitseisen. Beton- en metselzand komt niet kant en klaar voor in de Noordzee, maar kan door klasseren en ontzilten worden samengesteld uit zanden die daarvoor geschikt zijn. Zeezand dat bruikbaar is voor de vervaardiging van beton- en 22 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
23 metselzand moet een voldoende percentage van verschillende, met name grove, fracties bevatten (zie bijlage 2). Uit de informatie over de geologische voorkomens van grof zand en grind dat bruikbaar is voor de vervaardiging van beton- en metselzand blijkt dat dit materiaal op het Nederlands deel van de Noordzee slechts op enkele plaatsen voorkomt: De grootste voorkomens worden aangetroffen voor de kust van Zuid- Holland in de Formatie van Kreftenheye enkele meters beneden de zeebodem. Globaal betreft dit het gebied ten zuiden van de Eurogeul tot de grens van de Belgische EEZ. Geologisch onderzoek in het kader van de werkgroep PIA-zeezand heeft aangetoond dat hier enkele tientallen miljoenen m³ betonzand te verwachten zijn, uitgaande van lagen met een dikte van 5 meter die meer dan 30 procent betonzand bevatten. De kosten van winning van dit zand zijn 2 tot 3 maal hoger dan de marktprijs van betonzand van landlocaties (prijspeil 2003). Zie voor beschrijving van het onderzoek bijlage 2. Op de Klaverbank is een mengel van grof zand en grind aanwezig op de zeebodem. In de onderzochte gebieden is 10 tot 20 miljoen m³ meter van dit mengsel winbaar met behoud van ecologische waarden. Ten noord-westen van Texel komt in het gebied Texelse stenen grof zand en grind voor aan het zeebodemoppervlak. De hoeveelheden zijn gering Winning van betonzand en metselzand Grof zand, waaruit beton- en metselzand kan worden samengesteld, komt, vooral gemengd met fijner zand of grind, voor op de Noordzee. Meestal ligt het niet op de zeebodem, maar een aantal meters daaronder. Voor het winnen van beton- en metselzand zullen eerst de bovenlagen verwijderd en afgevoerd moeten worden. Deze bovenlagen kunnen worden gebruikt als ophoogzand of tijdelijk of definitief elders gestort worden. Tevens zal de het in bulk gewonnen grof zand, met een verhouding van bijvoorbeeld 1 deel betonzand op 3 delen ophoogzand, naar de wal gebracht moeten worden. In de praktijk betekent dit dat zeer veel ophoogzand vrijkomt bij het winnen van betonzand (bijvoorbeeld een verhouding betonzand: ophoogzand van 1:5 tot 1:8). Betonzandproductie gebeurt in de praktijk door klasseren van gewonnen grof zand. Het klasseren geschiedt op land in een nabij de winput gebouwde installatie of in een drijvende aan het zandwinwerktuig gekoppelde installatie. De mogelijkheden van voorscheiding op zee zijn onderzocht in het kader van de werkgroep PIA-zeezand. Gezien de in genoemde kosten en de hoeveelheid vrijkomend ophoogzand is het winnen van betonzand uit dieper gelegen zeezand in de praktijk alleen economisch haalbaar als zowel het bovenliggende als het uit de menglaag afkomstige ophoogzand kan worden afgezet. Het gaat hierbij om zeer grote hoeveelheden. Gelijktijdig met het ophoogzand zou ook metselzand geproduceerd kunnen worden, maar 23 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
24 de markt daarvoor is echter relatief beperkt. Een deel van het ophoogzand zou toegepast kunnen worden als suppletiezand voor de kustverdediging (zie bijlage 3). Van aanvragers voor een ontgrondingsvergunning voor grootschalige ophoogzandwinning kan geëist worden dat zij vooraf onderzoek doen naar de mogelijkheid om de ophoogzandwinning te koppelen aan betonzandwinning. Als uit dergelijk onderzoek blijkt dat dit realistisch is, zal dit als voorwaarde in de ontgrondingsvergunning kunnen worden opgenomen. 24 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
25 4 Overige oppervlaktedelfstoffen Grind Momenteel vindt geen grindwinning plaats in het Nederlands deel van de Noordzee. De enige locatie waar grind in winbare hoeveelheden, gemengd met beton- en metselzand, voorkomt is op de Klaverbank. In de praktijk zal hier altijd gelijktijdige winning van het grind en het beton- en metselzand aan de orde zijn. 4.2 Zware mineralen Het grootste deel van het zand in de Noordzeebodem bestaat uit lichte mineralen zoals kwarts en veldspaat. In geringe mate komen zware mineralen voor zoals zirkoon en granaat. Zware mineralen zijn belangrijke delfstoffen voor de vervaardiging van keramische en elektronische producten. Vooralsnog zijn zware mineralen niet in winbare concentraties aangetroffen in de Noordzee. Als zware mineralen in winbare concentraties aangetroffen worden zullen ze beschouwd worden als een hoogwaardige grondstof. Indien meer dan incidentele belangstelling zou blijken voor winning van zware mineralen zal het RON 2 daarop worden herzien. 4.3 Klei Er wordt geen klei gewonnen uit de Noordzeebodem. Er wordt ook niet verwacht dat dit in de toekomst zal gebeuren. Voor de eventuele winning wordt klei gelijk gesteld aan zand, zij het dat aanvullende voorwaarden aan de wijze en periode van winning kunnen worden gesteld. 4.4 Schelpen Schelpen worden gewonnen in de Waddenzee, in de buitendelta s en zeegaten in het Waddengebied, de Westerschelde, de Voordelta en de overige Noordzee. Het beleid ten aanzien van schelpenwinning is vastgesteld in de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (1998) en de Partiële herziening Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (2001). Het RON2 neemt de conclusies daaruit over. De evaluatie van de landelijke Beleidsnota Schelpenwinning wordt medio 2004 afgerond. Schelpenwinning op de Noordzee is onder voorwaarden toegestaan op basis van de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning. In overleg met de kustdirecties van Rijkswaterstaat geeft de directie Noordzee vergunningen af voor de winning van schelpen in het gebied vanaf de 3 mijlsgrens tot 50 km in het gebied ten noorden van de 25 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
26 waddeneilanden. Voor de ander gebieden worden de vergunningen afgegeven door de kustdirecties van Rijkswaterstaat. Voor de Noorden Zuid-Hollandse en Zeeuwse kust is dit vanaf de 5 meter dieptelijn tot aan de 50 km grens. In de Voordelta is de te winnen hoeveelheid gelimiteerd tot m³/j. In de overige Noordzee is vooralsnog geen contingent vastgesteld. De verwachting is dat geen grote hoeveelheden in de overige Noordzee aangetroffen zullen worden. Mocht dit alsnog het geval zijn, dan worden specifieke wingebieden in coördinaten vastgelegd. 26 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
27 5 Morfologische en ecologische effecten Algemeen Het winnen van oppervlaktedelfstoffen van de zeebodem heeft effecten op de vorm van de zeebodem en op het bodemleven. Het lokaal verdiepen van de zeebodem kan leiden tot veranderingen in het zandtransport waardoor ander gebruik van de zee gehinderd kan worden of de kusterosie wordt versterkt. Daarom wordt winning binnen de doorgaande NAP 20 meter dieptelijn, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. Ook is een uitsluitingzone van 500 meter vastgesteld bij kabels, pijpleidingen en platforms. Het winnen leidt tot lokale vernietiging van het bodemleven, dat zich vooral in de bovenste 30 cm van de zeebodem bevindt. Er kan een verandering van samenstelling van de bodem ontstaan, waardoor herstel van het bodemleven bemoeilijkt wordt. Bij het winnen in slibrijke locaties kan zoveel slib vrijkomen dat het hinder oplevert voor het planten- en dierenleven in het water. Nationaal en internationaal is naar deze effecten onderzoek gedaan. Gebleken is dat winning tot een diepte van 2 meter onder de zeebodem buiten de doorgaande NAP 20 meter dieptelijn geen problemen oplevert. Het bodemleven herstelt zich binnen 6 jaar na de ontgronding. Echter, bij de winning van zeer grote hoeveelheden zal ook zeer veel bodemleven vernietigd worden. Daarom is het zinnig om bij grote ontgrondingen te overwegen of er niet beter dieper dan 2 meter ontgrond kan worden. Bij diepe winning kunnen echter problemen optreden zoals sterk veranderd zandtransport, verandering van de samenstelling van de zeebodem, een zuurstoftekort aan de bodem en een sterke toename van slib in het systeem. Bij grote ontgrondingen dient daarom een afweging gemaakt te worden tussen diep en ondiep ontgronden. Soms is diep ontgronden nodig omdat het gezochte materiaal (bijvoorbeeld betonzand) alleen op grotere diepte aanwezig is. In Bijlage 4 wordt nader ingegaan op het onderzoek naar de effecten van het winnen van oppervlaktedelfstoffen in zee. 5.2 leemten in kennis Er blijven nog essentiële leemten in de kennis van de effecten bij grootschalige diepe winning bestaan: de ecologische effecten in relatie tot de diepte van de zandwinputten (vanaf welke diepte kan stratificatie en/of zuurstofloosheid optreden en hoe lang blijven deze effecten aanwezig; de ecologische herstelduur in relatie tot de diepte, de putvorm en de oriëntatie en afstand ten opzichte van de kust); 27 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
28 de lange termijn effecten van veranderende slibgehalten (op de winplaatsen en langs de kust) op de algensamenstelling, ontwikkeling van viseieren en larven, de primaire en secundaire productie, de bodemdierensamenstelling en op zicht jagende vissen en vogels ten gevolge van de toenemende zandwinningen op de Noordzee; de lange termijn effecten van diepe winning versus ondiepe winning op het bodemecosysteem; de feitelijke effecten van een diepe grootschalige zandwinput op de zandbalans van de kustnabije zone; (onzekerheden en beperkte nauwkeurigheid van) de berekeningsmodellen ten aanzien van: mate en effect van sedimentatie van slib in een diepe zandwinput; de invloed van de putvorm en putdiepte op de morfologische effecten; de invloed van (vooral zomer) stormen op het slibgehalte. Door een concrete grootschalige diepe zandwinning te benaderen als een pilotproject, omgeven met een uitgebreide monitoringsverplichting (onder meer van morfologie put, sedimentsamenstelling, vrijkomend slib, zuurstofgehalte, herstel bodemdieren en vissen), kan een (groot) deel van deze onzekerheden en leemten in de kennis worden ingevuld en door monitoring en evaluatie beter worden opgelost. Ook kunnen de gedane voorspellingen van veranderingen in abiotische en biotische processen en in soortensamenstelling, met nu nog een grote bandbreedte in onnauwkeurigheid, in de praktijksituatie worden geverifieerd en met de resultaten daarvan de betreffende modellen worden verbeterd. 28 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
29 6 Bestuurlijk- juridisch kader voor winnen van oppervlaktedelfstoffen Inleiding In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de bestuurlijk juridische component van de winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee. De onderwerpen vergunningverlening, procedures en de betrokken bestuursorganen komen aan de orde. Het bestuurlijk juridische kader verschilt per type ontgronding en waar deze plaatsvindt. De volgende indeling wordt gebruikt : A. primaire ontgrondingen B. secundaire ontgrondingen Daarnaast kan er ook sprake zijn van proeven/onderzoek/uittesten materieel. Deze activiteiten worden niet als een ontgronding of een winning aangemerkt. Doel van dit hoofdstuk is inzicht te verschaffen wettelijke regelingen, die van toepassing zijn, en de voorwaarden waaronder op de Noordzee gewonnen mag worden. De verlener van de ontgrondingsvergunning zal, waar nodig, verwijzen naar overige vergunningverlenende instanties. 6.2 Primaire ontgrondingen Met primaire ontgronding wordt bedoeld de ontgronding die gericht is op het winnen van oppervlaktedelfstoffen met het specifieke doel deze op de markt af te zetten. Voor het primair winnen van oppervlaktedelfstoffen (zand, grind, schelpen etc.) in de territoriale zee en sinds 1 januari 1997 ook op het Nederlandse deel van het continentale plat, is een vergunning vereist. Hiervoor geldt een procedure conform de Ontgrondingenwet (Ow), het Rijksreglement Ontgrondingen (RRO) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de vergunningverlening vindt een afweging plaats van alle bij een ontgronding betrokken belangen. Ter bescherming van deze belangen kunnen aan een ontgrondingsvergunning voorschriften worden verbonden of kan een vergunning worden geweigerd.. Procedure voor vergunningverlening Verkorte procedure De verkorte procedure wordt gevolgd als het gaat om primaire ontgrondingen buiten de NAP -20 meter dieptelijn die vallen binnen de randvoorwaarden zoals vastgelegd in het kader van het RON/MER (1993). Het gaat dan om reguliere kleinschalige ontgrondingen tot maximaal 2 meter beneden de zeebodem. In artikel 10 van de Ontgrondingenwet (Ow) staat de procedure beschreven die bij de verlening van een vergunning voor 29 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
30 ontgrondingen moet worden gevolgd. Hoofdregel is dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.5) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gevolgd. In artikel 10, zesde lid van de Ow staat de uitzondering op deze hoofdregel, namelijk dat met betrekking tot ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat stappen van de uitgebreide procedure, genoemd in artikel 10, mogen worden overgeslagen. Deze regeling is verder uitgewerkt in artikel 6 van het Rijksreglement Ontgrondingen (RRO). In het RON/MER van 1993 zijn alle belangen bekeken die spelen bij ontgrondingen op de Noordzee. Dit RON/MER heeft ter inzage gelegen en belanghebbenden hebben de mogelijkheid gehad om bedenkingen in te dienen. Er zijn geen bedenkingen tegen het beleid geuit. Tevens is op basis van het verrichte onderzoek uit het RON/MER gebleken dat buiten de NAP -20 meter dieptelijn andere belangen niet of nauwelijks bij de ontgronding betrokken zijn. Het gebied buiten de NAP -20 meter dieptelijn wordt in het RON aangewezen voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen in de Noordzee. Te onderscheiden zijn grootschalige- en diepere ontgrondingen en reguliere ontgrondingen. Alleen de reguliere ontgrondingen kunnen worden gekwalificeerd als ontgrondingen van eenvoudige aard want ze zijn ondiep en kleinschalig en de winmethode is eenvoudig. Geconcluderend kan worden dat vergunningen voor reguliere ontgrondingen kunnen worden verleend volgens de verkorte procedure van artikel 10, zesde lid, van de OW juncto artikel 6 RRO daar zij van eenvoudige aard zijn en plaatsvinden in een gebied waar andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken. Door de thans lopende wijzigingsprocedure van de Awb kan hier verandering in komen. De verkorte procedure kent de volgende stappen: 1. indiening van de aanvraag; 2. opstelling en publicatie van de vergunning (maximaal 8 weken); 3. beroepstermijn (6 weken). Voor een vergunning die verleend wordt o.g.v. de verkorte procedure wordt leges geheven, op grond van artikel 7, achtste lid van het RRO. Voor de behandeling van een door of vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat ingediende aanvraag of wijziging van een vergunning wordt geen recht geheven (zie bijlage 7). Uitgebreide procedure Voor alle ontgrondingen waarvoor géén verkorte procedure gevolgd kan worden, is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. Het gaat dan om ontgrondingen die niet eenvoudig zijn, die worden uitgevoerd binnen de NAP -20 meter dieptelijn of waar andere belangen spelen, welke dus niet zijn meegenomen in het onderzoek van het RON/MER. Tevens gaat het om toepassingsmogelijkheden die niet vermeld staan in het RON/MER (1993). Bij de uitgebreide procedure zijn afd t/m en van de Awb van toepassing. Deze procedure kent de volgende stappen: 30 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
31 1. indiening van de aanvraag; 2. opstelling van de ontwerp-vergunning en toezending ontwerpvergunning aan aanvrager en betrokken andere bestuursorganen (12 weken); 3. mededeling door ter inzagelegging en publicatie (2 weken); 4. termijn voor het indienen van advies en bedenkingen tegen de ontwerp-vergunning (4 weken); 5. definitief besluit en bekendmaking (uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag); 6. mededeling door publicatie (uiterlijk twee weken na de bekendmaking); 7. beroepstermijn (ca. 6 weken). Bij spoedeisende gevallen, kan na de ter visie legging van de ontwerpvergunning, dus voordat op de aanvraag onherroepelijk is beschikt, machtiging worden verleend om o.g.v. artikel 12 OW met de ontgronding aan te vangen. Belanghebbenden De Awb verstaat onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het begrip belanghebbende speelt in de Awb en dus bij ontgrondingen een grote rol. Alleen aan belanghebbenden is namelijk het recht toegekend bedenkingen te maken of beroep in te stellen bij het verlenen van een vergunning op basis van de OW. Belanghebbenden bij ontgrondingen zijn de overheid, de instanties die zich bezighouden met het winnen van oppervlaktedelfstoffen (onder meer zandwinners) en derden (bijvoorbeeld milieuorganisaties). Door de multifunctionaliteit van de Noordzee kunnen andere gebruikers, die door een ontgronding direct in hun gebruiksbelang getroffen worden, ook belanghebbenden zijn. De overheid verleent de vergunningen, maar in bepaalde gevallen vraagt de overheid ook zelf vergunningen aan. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij ontgrondingen ten behoeve van zandsuppletie op de kust. Overeenkomst Domeinen Naast een vergunning van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, is voor ontgrondingen een overeenkomst met de Dienst der Domeinen, onderdeel van het ministerie van Financiën, vereist. De overeenkomst houdt met name in dat de ontgronder aan de Staat der Nederlanden een financiële vergoeding (domeinvergoeding) verschuldigd is voor het in eigendom verkrijgen van het gewonnen bodemmateriaal (zie ook bijlage 7 en 8). 6.3 Secundaire ontgrondingen Met secundaire ontgrondingen worden de ontgrondingen bedoeld die gericht zijn op bodemverlaging maar niet op het winnen en daarna op de markt brengen van vrijkomende oppervlaktedelfstoffen. In de praktijk is dit meestal het geval bij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden aan zogenaamde waterstaatswerken (onder andere het op diepte houden van vaargeulen en havens). Een 31 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
32 vergunning op grond van de OW en het RRO is voor deze gevallen niet vereist omdat het vrijkomen van de oppervlaktedelfstoffen een bijkomstigheid is en niet het doel van de ontgronding. Dit is geregeld in artikel 2 van het RRO. Voor deze activiteiten worden contracten afgesloten met directie Noordzee van Rijkswaterstaat en de aannemer die de baggerwerkzaamheden uitvoert. Suppleties De overheid laat zand winnen voor kustsuppleties. Suppleties zijn nodig om de veiligheid van de kust te kunnen blijven garanderen. Zand uit zee wordt gebruikt voor ophoging van het strand (strandsuppleties) of om meer zand in het kustsysteem te brengen (onderwatersuppleties). Het betreft ontgronden voor het onderhoud van een rijkswaterstaatwerk. Overeenkomst Domeinen Voor het laten uitvoeren van suppleties door de overheid is geen overeenkomst met de dienst der Domeinen van het ministerie van Financiën nodig. 6.4 Proef/onderzoek Tenslotte kunnen dan nog die activiteiten genoemd worden die niet onder de noemer van primaire ontgronding en secundaire ontgronding of suppleties vallen. Dat zijn dan kleinschalige activiteiten zoals het uittesten van (bagger)materieel en het onderzoek naar winbare hoeveelheden van bepaalde soorten oppervlaktedelfstoffen in kansrijke gebieden. Bij het uittesten van het materieel wordt de gewonnen oppervlaktedelfstof veelal weer teruggestort. Bij het onderzoeken naar winvoorkomens wordt per geval bekeken of de gewonnen oppervlaktedelfstof voor eigen gebruik kan worden aangewend, zonder dat daarbij een commercieel belang in overwegende mate gediend wordt. Omdat de hoeveelheid oppervlaktedelfstoffen die bij dit soort activiteiten kan vrijkomen relatief gering van omvang is en het bevoegd gezag van mening is dat de aard van de activiteiten (onderzoek) buiten de reikwijdte van de OW ligt, worden deze niet als een ontgronding beschouwd, en is de OW derhalve niet van toepassing. Dit is in overeenstemming met hetgeen staat vermeld in de memorie van toelichting bij de OW: De wet geeft echter geen definitie van het begrip ontgrondingen. Het is derhalve de taak van de toepassers en handhavers van de wet inhoud aan dit begrip te geven. Daarbij is niet alleen de omvang (het aantal kubieke meters grond) maar ook de aard van de betrokken handeling van belang. Afhankelijk van het te onderzoeken gebied wordt voor dit soort activiteiten een maximum van 10 reizen aangehouden, waarbij de totaal aangelande hoeveelheid de m³ niet mag overschrijden. Dit geldt voor alle oppervlaktedelfstoffen, behalve schelpen. 32 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
33 Overeenkomst Domeinen Voor een proef of onderzoek wordt een overeenkomst met de dienst der Domeinen, onderdeel van het ministerie van Financiën, gesloten. Deze overeenkomst houdt in dat degene die het onderzoek uitvoert aan de Staat der Nederlanden een financiële vergoeding (domeinvergoeding) verschuldigd is. Tevens zijn in de overeenkomst enkele beheersvoorwaarden, te stellen door het bevoegd gezag (RWS directie Noordzee), opgenomen, waaraan degene die de proef of het onderzoek uitvoert zich moet houden. Zo n voorwaarde is bijvoorbeeld de plicht om te melden wanneer de contractant begint met zijn proef of onderzoek. Indien wordt besloten om een oppervlaktedelfstof voor eigen gebruik aan te wenden, dan worden ook hierover domeinvergoedingen geheven (zie ook bijlage 8). 6.5 Handhaving van de ontgrondingsvergunning Aan een vergunning worden voorwaarden verbonden die nageleefd moeten worden. Een belangrijk middel hierbij is de black box aan boord van schepen die oppervlaktedelfstoffen winnen. Deze registreert locatie, tijd en status (winnen, varen, lossen of stilliggen) tijdens een reis. Wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd en de ontgronding niet overeenkomstig het bepaalde in de vergunning wordt uitgevoerd, kan de overheid daartegen optreden. Haar staan meerdere handhavingsinstrumenten (uit het bestuursrecht en het strafrecht) ten dienste als een overtreding plaatsvindt of dreigt plaats te vinden. Bestuurlijke handhaving De minst ingrijpende, bestuurlijke optie om een (dreigende) onrechtmatige situatie te beëindigen is overleg. Met de (potentiële) overtreder wordt besproken wat voor overtreding hij heeft begaan of dreigt te begaan. In overleg wordt afgesproken dat er een einde zal komen aan de illegale situatie. Wanneer blijkt dat deze methode geen effect sorteert en dat de ongewenste situatie voortduurt, dan volgt er een bestuurlijke waarschuwing. Als deze waarschuwing ook niet het gewenste effect heeft - namelijk het beëindigen van de overtreding - kan het bestuursorgaan besluiten tot het nemen van meer ingrijpende maatregelen. Er bestaat dan een keuze tussen twee maatregelen, te weten bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb is sprake wanneer de overheid zelf een einde maakt aan de onrechtmatige situatie. Zij doet dat dan op kosten van de overtreder. De overheid kan ook besluiten om een dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 lid 1 Awb op te leggen aan de overtreder. Dat wil zeggen dat zij de overtreder een boete oplegt voor elke dag dat de overtreding voortduurt. De overheid kan ook besluiten eenmalig een bedrag te vorderen of een bedrag per geconstateerde overtreding. Hoewel de overheid een keuze heeft tussen beide dwangmiddelen geniet in de praktijk de dwangsom vaak de voorkeur. De middelen bestuursdwang en dwangsom mogen nooit tegelijkertijd voor eenzelfde overtreding worden toegepast. 33 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
34 Strafrechtelijke handhaving Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk optreden tegen onrechtmatige ontgrondingen. Een overtreding van de artikelen 3 (eerste en tweede lid), 7 (derde lid), 12 (eerste en tweede lid), en 16 (tweede lid) Ontgrondingenwet levert een strafbaar feit op in de zin van de Wet Economische Delicten (WED). De overtreder kan dan veroordeeld worden tot geldboetes en gevangenisstraf overeenkomstig het vijfde en zesde artikel van deze wet. Tevens kan de rechter maatregelen nemen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de WED. Handhaving van de overeenkomst met de dienst der Domeinen Privaatrechtelijke handhaving Wanneer de financiële vergoeding die aan de dienst der Domeinen verschuldigd is op basis van de overeenkomst niet wordt betaald, is er sprake van wanprestatie ingevolge artikel 7:74 van het Burgerlijk Wetboek. De overheid (Domeinen) kan op grond van haar eigendomsrecht de ontgronder verbieden om op basis van die overeenkomst nog oppervlaktedelfstoffen te winnen. Een belangrijk controlemiddel hierbij zijn de (via de black box) geregistreerde reizen. 6.6 Overige wet- en regelgeving Wet- en regelgeving met betrekking tot ontgronden blijft niet uitsluitend beperkt tot de bovengenoemde wetten en documenten. De multifunctionaliteit van de Noordzee heeft als gevolg dat er met betrekking tot vele gebruiksfuncties wet- en regelgeving is waar rekening mee moet worden gehouden bij het ontgronden. Veel wetgeving die voor ontgronden op de Noordzee eveneens relevant is, is van kracht tot de grens van het territoriale grondgebied (12 mijl uit de kust). Tot de meest relevante wetgeving behoren Europese Richtlijnen: de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn de Wet milieubeheer de Natuurbeschermingswet de Wet beheer rijkswaterstaatswerken de Exclusieve Economische Zone (EEZ) Een overzicht, inclusief de internationale verdragen, is opgenomen in bijlage 8. Europese richtlijnen Europese richtlijnen zijn altijd gericht tot één of meerdere lidstaten. In een richtlijn wordt de staat opgedragen om een bepaald resultaat te verwezenlijken. Voor ontgrondingen belangrijke Europese richtlijnen zijn de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling (1997, 97/11/EG), de Habitat-richtlijn (1992, 92/43/EEG) en de Vogelrichtlijn (1979, 79/409/EEG). De Europese richtlijn milieueffectbeoordeling is verankerd in het Besluit m.e.r. (AmvB). In de Habitat-richtlijn worden gebieden aangewezen die bescherming genieten, gezien de zeldzame habitats (leefgemeenschappen) en de daarin levende planten- en dierensoorten (met uitzondering van vogels). In de Vogelrichtlijn 34 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
35 worden gebieden aangewezen die bescherming genieten wegens de aanwezigheid van bepaalde soorten (zeldzame) vogels. Als Vogel- en Habitatgebied zijn de Voordelta en de Waddenzee aangewezen. Als Vogelgebied is de kustzone ten noorden van Petten aangewezen. In deze gebieden is in principe alleen ontgronden toegestaan als natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en alternatieve oplossingen ontbreken. Als die wel worden aangetast mogen ontgrondingen alleen plaatsvinden als er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en wanneer alle nodige compenserende maatregelen worden getroffen. De richtlijnen zijn complementair. Er is een koppeling tussen de richtlijnen in die zin dat het beschermingsartikel van artikel 6 uit de Habitatrichtlijn tevens van kracht is voor de aangewezen gebieden op grond van de Vogelrichtlijn. Beide richtlijnen hebben ook externe werking (zie ook onder Nb-wet). Verder speelt ook een mondiale overeenkomst, de Conventie van Ramsar (of de Wetlandsconventie) een rol: op basis daarvan worden bepaalde waterrijke gebieden aangewezen ten behoeve van de bescherming van daar aanwezige watervogels. De overheid is gehouden om passende maatregelen te treffen om de kwaliteit van de natuur in die gebieden te waarborgen. De Wet milieubeheer In de Wet milieubeheer (Wm) (1992, Stb. 551) wordt onder het Inrichtingen en Vergunningenbesluit (IVB) aangegeven voor welke inrichtingen een milieuvergunning afgegeven dient te worden. Het winnen of overslaan van zand of grind wordt genoemd in het IVB onder categorie 11.1 onderdeel h. Een andere regeling gebaseerd op de Wm, die ook betrekking heeft op ontgrondingen, is het besluit m.e.r.. Dit besluit geeft aan in welke gevallen het opstellen van een milieu effect rapport (MER) verplicht is. In de laatste wijziging van het besluit staat dat er voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee (de territoriale zee en het NCP) een MER moet worden opgesteld, wanneer het gaat om 1. een winplaats van 500 hectare of meer dan wel het winnen van 10 miljoen m³ of meer of 2. een aantal winplaatsen, die tezamen 500 hectare of meer omvatten, dan wel 10 miljoen m³ of meer betreffen en die in elkaars nabijheid liggen. De Natuurbeschermingswet In bepaalde gevallen is een gebied aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet (Nb-wet). Een voorbeeld hiervan is het Waddengebied. Er is een reële mogelijkheid dat enkele gebieden in de kustzone (bijvoorbeeld onderdelen van de Voordelta) binnenkort ook als zeereservaat worden aangewezen. Bij het bepalen van een gebied waar een ontgronding mag plaatsvinden moet met de status van deze gebieden rekening worden gehouden. De Nb-wet kent ook een externe werking. 35 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
36 De Wet beheer rijkswaterstaatswerken De bodem van de Noordzee (tot de grens van het Nederlands deel van het continentaal plat) is een rijkswaterstaatswerk. Voor het in op of over deze bodem maken of behouden van een werk en voor het in, onder of op de bodem storten, plaatsen en laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen, is een vergunning nodig op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) (1996, Stb. 645 en de uitbreiding in de wet van 15 november 2000, houdende uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken tot de exclusieve economische zone). Op de Noordzee gaat het vooral om vergunningverlening voor werken, zoals kabels, leidingen en windturbines. Met de belangen van houders van vergunningen op grond van de Wbr moet rekening gehouden worden bij het verlenen van ontgrondingsvergunningen. De Exclusieve Economische Zone Nederland heeft in het voorjaar van 2000 een Exclusieve Economische Zone (EEZ) (wetsvoorstel TK , 2544) vastgesteld waarbinnen bepaalde rechten kunnen worden uitgeoefend. Deze rechten hebben betrekking op de bodem en ondergrond (is nu al het geval) en op de waterkolom. Tot 1 kilometer uit de kust is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van toepassing, hetgeen betekent dat binnen de 1- kilometerlijn de bestemmingsplan- en streekplanbevoegdheid van kracht is. Nu de EEZ onlangs bij wet is ingesteld, zal worden bezien welke weten regelgeving voorschriften van toepassing kunnen worden verklaard op het NCP. 6.7 Structuurschema s en nationale beleidsplannen. Het vigerend beleid van de overheid dat mede betrekking heeft op de winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee is vastgelegd in diverse Structuurschema s en beleidsnota s. Uiteraard is altijd de laatste versie van deze documenten van toepassing. Belangrijke nota s (niet limitatief) die genoemd kunnen worden zijn: Het ontwerp Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen 2 (SOD2) In deel 1 van het Ontwerp Tweede Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen (Planologische Kernbeslissing) is het rijksbeleid uiteengezet ten aanzien van het duurzaam voorzien in de behoefte aan bouwgrondstoffen in Nederland en de ruimtelijke aspecten van de winning van oppervlaktedelfstoffen. Inmiddels is besloten de procedure van vaststellen van de PKB te staken. In de Nota Ruimte zal een passage over oppervlaktedelfstoffen worden opgenomen. Vierde Nota Waterhuishouding (NW4) Bij de winning van oppervlaktedelfstoffen uit zee zal, onder andere, ook rekening gehouden moeten worden met de hoofddoelstelling uit de vierde nota Waterhuishouding (1999): Het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het instandhouden en versterken van gezond en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd. 36 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
37 Naast de bovengenoemde wetten en documenten is ook ander beleid relevant. Een overzicht van de overige voor oppervlaktedelfstoffenwinning op zee relevante beleidsdocumenten: het Structuurschema Buisleidingen (1984); het Structuurschema Militaire Oefenterreinen (1984); de Beleidsnota Scheepvaartverkeer Noordzee (1988); de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (1990); het Integraal Beleidsplan Voordelta (1993); de PKB Waddenzee (1994) de Derde Kustnota (2000); de Landelijke beleidsnota schelpenwinning (1998); de Partiële herziening Landelijke beleidsnota schelpenwinning (2001); de Beheersvisie Noordzee 2010 (1999). Met de inhoud van bovenstaande documenten is rekening gehouden bij het opstellen van het RON 2. Het RON 2 en de vergunningverlening zijn volgend bij de vaststelling van nieuw nationaal beleid. 37 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
38 7 Voorwaarden voor ontgrondingen op de Noordzee Definities Om misverstanden te voorkomen zijn de definities van een aantal belangrijke, steeds in dit hoofdstuk terugkomende woorden, opgenomen. Ondiep of diep ontgronden: Tot (eenmalig) 2 meter beneden de zeebodem ontgronden wordt een ondiepe ontgronding genoemd. Meer dan 2 meter ontgronden, of ontgronden op een plaats waar al eerder ontgrond is, wordt een diepe ontgronding. genoemd Kleinschalig of grootschalig ontgronden: De grens tussen kleinschalige en grootschalige winning is vastgesteld op 10 miljoen kubieke meter per vergunningaanvraag. Deze hoeveelheid komt overeen met een oppervlakte van 500 hectare (5 km²) bij een ontgronding tot 2 meter. Kleinschalige winning mag alleen ondiep plaatsvinden. Regulier ontgronden: In het RON/MER van 1993 wordt de term Regulier ontgronden gebruikt. Daarmee wordt bedoeld kleinschalig ondiep ontgronden. 7.1 Algemene voorwaarden De ontgrondingenwet (1997) biedt het kader voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee. Andere belangrijke wetten en beleidsdocumenten staan genoemd in hoofdstuk 6 en bijlage 8. Ontgrondingen op de Noordzee hebben effecten op morfologie en ecologie (zie hoofdstuk 5 en bijlage 4) en op andere gebruiksfuncties. Om deze effecten te voorkomen of te minimaliseren is de ontgronding aan voorwaarden gebonden en zijn bepaalde gebieden van het NCP wettelijk (Mijnbouwwet) of bestuurlijk van ontgronding uitgesloten (zie figuur 3). Het belangrijkste uitsluitinggebied voor ontgrondingen is het kustgebied tot de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn (zie figuur 2). De ondiepe kustzone is van groot belang voor de kustverdediging en de ecologie (zie bijlage 4). Door deze grens te stellen behoren de Waddenzee inclusief vrijwel de gehele beïnvloedingszone van drie mijl buiten de Waddeneilanden, vrijwel de gehele Voordelta en vrijwel alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden niet tot het wingebied van het RON 2. Ondiepere gedeelten buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn (bijvoorbeeld zandbanken), kunnen op grond van morfologische en ecologische effecten van winning worden uitgesloten of er kunnen nadere voorwaarden aan een ontgronding gesteld worden. Omdat ook in de toekomst kleinschalige ondiepe zandwinning relatief dicht bij de kust mogelijk moet blijven, wordt een zone van 2 kilometer 38 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
39 vanaf de doorgaande NAP 20 meter dieptelijn uitgesloten van grootschalige winning. In militaire gebieden is ontgronding mogelijk in overleg met het ministerie van Defensie met inachtneming van de coördinatieprocedures. Overige wettelijke (w) en bestuurlijke (b) uitsluitinggebieden voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen hangen samen met de gebruiksfuncties olie- en gaswinning en telecommunicatie (zie figuur 4 en onderstaande tabel). Gebruiksfuncties kustverdediging (b) ecologie (b) olie- en gaswinning (w) olie- en gaswinning (w) telecommunicatie (w) windmolenpark Uitsluitinggebied landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn * landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn * 500 meter rond platform # 500 meter aan weerszijden van pijpleiding # 500 meter aan weerszijden van kabel # ^ 500 meter rondom het park * Een uitzondering hierop vormen: - zandwinning uit de vaargeulen; - het aanleggen van overslagputten; - winning waarbij het verwijderen van oppervlaktedelfstoffen op juist die locatie bijdraagt aan de kustverdediging; - het in oorspronkelijke staat terug brengen van de zeebodem van voormalige stortplaatsen. Schelpenwinning is toegestaan zeewaarts van de NAP 5 meter dieptelijn. In de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning en de Partiële Herziening van de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning wingebieden en te winnen hoeveelheden schelpen binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn aangegeven. # Mijnbouwwet, Stb. 2002,542: Bij 2 meter ontgronden; indien dieper ontgrond wordt, wordt de afstand aangepast. ^ Bij verlaten telecommunicatiekabels geldt geen uitsluitinggebied. 39 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
40 Figuur 2. Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden in rijkswateren 40 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
41 Figuur 3. Gebruiksfuncties op de Noordzee 41 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
42 7.2 Aanvullende voorwaarden Onder kleinschalige winning wordt eenmalige winning van minder dan 10 miljoen m³ oppervlaktedelfstof per vergunningaanvraag verstaan. Op grond van het bij het eerste Regionale Ontgrondingenplan opgestelde MER (RON/MER, 1993) geldt een maximale windiepte van 2 meter (in vaargeulen 5 meter). Deze winningen worden ook wel reguliere winningen genoemd. Kleinschalige (reguliere) winning Voor kleinschalige (reguliere) winning gelden de volgende uitgangspunten: de zeebodem mag maximaal 2 meter verdiept worden (in vaargeulen 5 meter); herhaalde reguliere winning op dezelfde winlocatie welke al eens 2 meter is verdiept is toegestaan maar wordt beschouwd als een diepere winning (zie hieronder); er bestaat een voorkeur voor zandwinning in combinatie met het onderhoud van de Euro/Maasgeul en de IJgeul; bij ontgronding tot 2 meter beneden de zeebodem bestaat een voorkeur voor aaneengesloten winning met behulp van sleephopperzuigers; ontgronding kan het hele jaar plaatsvinden met eventueel restricties op grond van de ligging van de winlocatie; ontgronding binnen militaire oefengebieden is onder voorwaarden mogelijk; schelpenwinning wordt zowel buiten als binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn toegestaan. Winning binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn moet passen in het beleid verwoord in de beleidsnota s over schelpenwinning; Grootschalige en/of diepe winning Wanneer een vergunning wordt aangevraagd voor een gebied dat groter is dan 500 hectare en/of waar meer dan 10 miljoen m3 zand gewonnen gaat worden, dient volgens het Besluit m.e.r. een MER gemaakt te worden. Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met meerdere kleine winningen in elkaars nabijheid (zgn. cumulatieve effecten). Voor een winning die een kleiner oppervlak beslaat dan 500 hectare en/of een kleiner volume dan 10 miljoen m³, maar een ontgrondingsdiepte heeft van meer dan 2 meter, zal voorafgaand aan de vergunningsaanvraag een milieuonderzoek uitgevoerd moeten worden (zie tabel 1). Een winning in een gebied waar al eerder zandwinning heeft plaatsgevonden, wordt beschouwd als een winning met een ontgrondingsdiepte van meer dan 2 meter. 42 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
43 Tabel 1 Vereist onderzoek bij ontgronding op zee Hoeveelheid oppervlak windiepte onderzoek < 10 miljoen m3 < 500 ha 2 m maximaal - < 10 miljoen m3 < 500 ha > 2m milieuonderzoek > 10 miljoen m3 < 500 ha > 2 m MER > 10 miljoen m3 > 500 ha 2 m maximaal MER > 10 miljoen m3 > 500 ha > 2 m MER Afgezien van de zandwinning in de vaargeulen en de aanleg van verdiepte loswallen voor baggerspecieberging is tot nog toe op de Noordzee nooit dieper dan 2 meter beneden de zeebodem (op grootschalige wijze) zand gewonnen. Voor de besluitvorming inzake het toestaan van diepe winning in het RON 2 heeft de overheid gepoogd de effecten op het milieu in kaart te brengen door het laten opstellen van een milieueffect rapport (MER voor de winning van beton- en metselzand op de Noordzee, RIKZ/ ). In haar toetsingsadvies over het MER (nr van 13 december 2002) is de Commissie voor de milieueffect rapportage van oordeel dat uit het MER blijkt dat er nog belangrijke leemten in kennis blijken te bestaan rond de effecten van diepe putten op de ecologie en morfologie. Monitoringsverplichting en vergunningaanvraag Het bevoegd gezag heeft afgewogen hoe omgegaan zal worden met het advies van de Commissie. Ze is tot de conclusie gekomen dat de leemten in kennis werkende weg ingevuld moeten worden door in de vergunning een monitoringsverplichting op te leggen. Het monitoringsprogramma is gericht is op invulling van de door de Commissie voor de milieueffect rapportage geconstateerde de leemten in kennis. De zwaarte van de monitoringsverplichting is afhankelijk van de mate van onzekerheid van het optreden van de effecten op het milieu. Alle monitoringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer cq. vergunninghouder. Totdat meer bekend is zal het bevoegd gezag terughoudend zijn met het verstrekken van vergunningen voor grootschalige diepere winning. De vergunning geldt voor een beperkte periode en voor een beperkte hoeveelheid; afhankelijk van de uitkomst van de monitoring kan de vergunning worden aangepast of ingetrokken; Wanneer een ontgronder bij het bevoegd gezag een aanvraag voor een ontgrondingvergunning voor dieper winnen indient, moet ten minste de volgende informatie worden verstrekt: a. de resultaten van een onderzoek naar de verwachte milieugevolgen van de winning al dan niet in de vorm van een Milieueffect rapport conform het Besluit m.e.r.(zie hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7, tabel 1); b. een winplan met daarin minimaal vastgelegd: a. een beschrijving van de locatie; 43 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
44 b. het oppervlak en de exacte coördinaten van het gebied; c. het soort (ophoog- en/of beton- en metselzand) en de verwachte te winnen hoeveelheid zand; d. de verwachte hoeveelheid en soort van het eventuele bijproduct; e. de planning van de winning (totale hoeveelheid en hoeveelheid per jaar); f. de voorziene uitvoeringsmethode, gelet op de ecologische, morfologische en milieutechnische aspecten van de winning als resultaat van het MER of milieutechnisch onderzoek; g. een voorstel voor een eigen monitoringsprogramma (voor, tijdens en na de winning) ter plaatse; h. de verwachte eindtoestand van de put; i. een indicatie van de uit het milieuonderzoek of het MER voortvloeiende te nemen mitigerende maatregelen wanneer winnen om ecologische, morfologische en/of milieutechnische redenen minder gewenst is en de financiering daarvan; j. de verwachte hinder van de winning voor de andere gebruiksfuncties van de Noordzee; Wanneer ten minste bovenstaande informatie door het bevoegd gezag is ontvangen, kan de aanvraag ontvankelijk verklaard worden en worden beoordeeld ten behoeve van vergunningverlening. Windiepte Gelet op de lokale omstandigheden ten aanzien van stroomsnelheid, golfklimaat, sedimentsamenstelling en ecologie, kan in het RON 2 geen algemene toegestane maximum ontgrondingsdiepte worden aangegeven buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. Uit onderzoek in het kader van een op de locatie toegespitst MER of milieuonderzoek moet blijken wat de maximaal toelaatbare windiepte voor een grootschalige zandwinning is. Criteria bij het vaststellen van de windiepte zijn onder meer: de nieuwe oppervlaktesedimenten mogen niet teveel verschillen van de oorspronkelijke. De ecologische leefgemeenschappen blijven behouden; aan de bodem van de put mag geen verminderde wateruitwisseling met de omgeving optreden, waardoor zuurstoftekort zou kunnen ontstaan; ecologisch herstel van het zandwingebied moet mogelijk zijn binnen afzienbare tijd (bijvoorbeeld tien jaar); Het bevoegd gezag stelt per vergunning de maximaal toelaatbare windiepte vast. Overslagputten Uit onderzoek is gebleken dat binnen zes jaar na het definitief opvullen van een tijdelijke overslagput herstel van het ecosysteem optreedt. Daarom mogen kustsuppleties (behalve in de onder algemene voorwaarden voor winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee genoemde gebieden) uitgevoerd worden met tijdelijke putten binnen 44 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
45 de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn en buiten de doorgaande NAP -7 meter dieptelijn. Deze overslagputten moeten na gebruik in het winterseizoen binnen 1 maand en in het zomerseizoen binnen 2 maanden opgevuld worden met zand uit de vaargeulen of van buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn. Als de put langer open blijft liggen, moeten compenserende maatregelen getroffen worden, bijvoorbeeld door extra suppletie. Om het winnen van beton- en metselzand op de Noordzee economisch aantrekkelijker te maken, worden overslagputten voor langduriger gebruik binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn niet bij voorbaat uitgesloten. Omdat een overslagput - gelet op het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit 1993 (IVB Milieubeheer 1993 cat11 onderdeel h) - valt onder de aanwijzing van categorieën van inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, zijn de bepalingen van de Wet milieubeheer van toepassing. Voordat een dergelijke overslagput aangelegd mag worden zal het bevoegd gezag om milieuonderzoek vragen, al dan niet in de vorm van een MER. Tevens rust op een permanente overslagput een monitoringsverpichting. Na beëindiging van het gebruik zullen putten binnen de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn weer volledig opgevuld moeten worden. Totdat gebleken is dat de effecten bij het gebruik van de put beperkt zijn, stelt het bevoegd gezag zich terughoudend op bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe overslagputten. Het aanleggen van tijdelijke of permanente overslagputten in de Voordelta, het Waddengebied en in Vogelrichtlijngebieden is, gezien de bijzondere status van deze gebieden, slechts mogelijk na een zorgvuldige afweging, rekening houdend met de beschermingsformules van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen Waarschijnlijk zullen zich in de komende jaren nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee voordoen. Het kan gaan om het toepassen van nieuwe technieken maar ook om andere niet in dit RON 2 voorziene ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zullen steeds per geval in de beoordeling van de vergunningsaanvraag meegenomen worden, waarbij tenminste aandacht geschonken wordt aan de effecten van de activiteit in samenhang met: ecologie morfologie kustverdediging gebruiksfuncties (inter)nationale regelgeving archeologische-, cultuurhistorische en aardkundige waarden relatie met andere projecten op de Noordzee gevoelige gebieden, zoals de Voordelta, de Waddenzee en EU Vogel- en Habitatrichtlijngebieden 45 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
46 Bijlage 1 Verklarende woordenlijst Asfaltzand Betonzand Zand gebruikt voor de fabricage van bitumineuze mengsels (asfalt). Dit zand is een natuurlijk zand of een mengsel van natuurlijke zanden, dat men deels tot beton- en metselzand en deels tot ophoogzand kan rekenen. Natuurlijk grof zand en fijn grind, gebruikt voor de productie van betonwaren en betonmortel. In NEN 5905 wordt dit mengsel zand 0-4 mm genoemd en dient dit zand (NEN 5905/A1) 0% (V/V) op zeef C8 mm, 1-15% op zeef C4 mm, 15-70% op zeef 1 mm en % op zeef 250 m te bevatten. In de praktijk gangbaar betonzand bevat 2-10% op zeef C4 mm, 14-23% op zeef 2 mm, 25-35% op zeef 1 mm, 55-65% op zeef 500 µm, 85-95% op zeef 250 µm en % op zeef 125 µm. Beton- en metselzand Met de gangbare naam beton- en metselzand worden industriezanden bedoeld die voldoen aan eisen voor toepassingen in beton- en metselmortels, betonwaren en metselspecie. D 50 DNZ Grind Grof zand Mediane korrelgrootte van een monster, i.e. de korrelgrootte waarbij 50 gewichts % van het monster een kleinere korrelgrootte heeft en 50 gewichts % een grotere korrelgrootte heeft. Rijkswaterstaat, Directie Noordzee. Gesteente, van natuurlijke herkomst, met een korrelgrootte tussen de 2 en 64 mm en overwegend afgeronde vormen. Voor verdere definities zie bijlage 2. Zand met een mediane korrelgrootte (D50) tussen 0,5 en 2 mm. Grootschalige winning Winning met een totaal volume van meer dan 10 miljoen m3. Industriezand Industrieel geproduceerd zand, waarbij gewonnen natuurlijk zand wordt samengesteld tot mengsels die aan specifieke eisen voor 46 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
47 verschillende toepassingen voldoen (betonzand, metselzand, kalkzandsteenzand, zilverzand, asfaltzand, stucadoorzand etc.). IPO Interprovinciaal Overleg. Kleinschalige winning Winning met een totaal volume van minder dan 10 miljoen m3 M 63 MER (Besluit) m.e.r. Metselzand Geschatte gemiddelde korrelgrootte van de zandfractie van een monster. Milieueffect Rapport; een rapport waarin de resultaten worden neergelegd van het onderzoek naar de milieu effecten van een voorgenomen activiteit en van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven daarvoor. Het Besluit milieu-effectrapportage (1999); de wettelijk geregelde procedure voor milieueffectrapportage. Een hulpmiddel bij de besluitvorming, dat bestaat uit het maken, beoordelen en gebruiken van een milieueffectrapport (MER) en het evalueren achteraf van de gevolgen voor het milieu van de activiteit. Natuurlijk zand gebruikt voor de aanmaak van metselspecie. Volgens NEN 3835 dient dit zand 0-2% (V/V) op zeef C5,6 mm, 0-10% op zeef C4 mm, 0-30% op zeef 2 mm, 5-45% op zeef 1 mm, 20-70% op zeef 500 m, 60-90% op zeef 250 µm, % op zeef 125 µm en % op zeef 63 µm te bevatten. In de praktijk gangbaar metselzand bevat 0-2% op zeef C4 mm, 5-7% op zeef 2 mm, 16-25% op zeef 1 mm, 46-57% op zeef 500 µm, 85-90% op zeef 250 m, % op zeef 125 µm en % op zeef 63 µm. µm Micrometer (0,001 millimeter). NCP NEN Ontgrondings- Vergunning Nederlands deel van het Continentaal Plat. Het NCP omvat de zeebodem en de ondergrond daarvan, buiten de territoriale zee tot een maximale afstand van 200 zeemijl. Norm van het Nederlands Normalisatie Instituut. Vergunning op basis van de Ontgrondingenwet, afgegeven door het bevoegd gezag. 47 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
48 Ophoogzand Natuurlijk zand gebruikt voor ophoging en aanvulling in de weg- en waterbouw (ophoging van bouwterreinen etc). In het algemeen wordt de term ophoogzand alleen gebruikt voor fijn zand, met een M 63 van circa 100 µm tot 300 µm. Oppervlaktedelfstoffen Delfstoffen die voorkomen in de bodem (landen waterbodems) en die kunnen worden gewonnen zonder dat ondergrondse mijnbouw nodig is. PKB Planologische Kernbeslissing. Primaire grondstoffen Grondstoffen die als zodanig in de natuur voorkomen. Alle oppervlaktedelfstoffen zijn primaire grondstoffen. In een aantal gevallen is (enige) bewerking nodig voordat oppervlaktedelfstoffen kunnen worden toegepast als grondstof. Primaire ontgronding Ontgronding die initieel gericht is op winning van oppervlaktedelfstoffen. Reguliere zandwinning Ondiepe (< 2 meter) zandwinning van minder dan 10 miljoen m3 die, afhankelijk van de situatie op de markt, met enige regelmaat plaatsvindt. RON RON/MER RRO RWS Secundaire ontgronding SOD Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee (1993). Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee gecombineerd met de MER (1993). Het Rijks Reglement Ontgrondingen. Rijkswaterstaat. Ontgronding die niet gericht is op het winnen van oppervlaktedelfstoffen, maar waar wel oppervlaktedelfstoffen bij vrijkomen. Voorbeelden: het graven van een kanaal, de aanleg van een waterbekken, het verruimen van een vaarweg voor het scheepvaartverkeer. Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen (1996), Planologische Kernbeslissing. 48 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
49 Territoriale wateren De territoriale wateren strekken zich uit tot 12 zeemijl (circa 22 kilometer) gemeten vanaf de laagwaterlijn. Vergunningsinstanties Instanties die als bevoegd gezag vergunningen kunnen afgeven voor bijvoorbeeld een ontgronding (ontgrondingsvergunning). Het zijn de provincies en, voor de rijkswateren, het rijk (ministerie van Verkeer en Waterstaat/Rijkswaterstaat). V&W Vernieuwbare Grondstoffen VROM Winplaats Winzone Zand Het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Grondstoffen die in de natuur of door telen steeds weer opnieuw kunnen ontstaan. Voorbeelden zijn schelpen en hout. Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Plaats die bestemd is voor de winning van stoffen door ontgronding. Het is een term die voorkomt in de Ontgrondingenwet 1997 (art. 1c en art. 7 c t/m g.) Een gebied waarbinnen in één of meer deelgebieden daarvan ontgronden wordt toegestaan nadat één of meer winplaatsen zijn bepaald of één of meer ontgrondingsvergunningen zijn afgegeven. Het is een term die voorkomt in de Memorie van Toelichting op de Ontgrondingenwet 1997 (gedeelte dat handelt over het structuurschema Oppervlaktedelfstoffen). Een winzone zal doorgaans in een streekplan worden aangegeven, maar het is ook mogelijk dat dit in een structuurschema gebeurt. Grondstof die volgens de geologische definitie de fractie klastische deeltjes met een diameter van 63 µm tot 2000 µm omvat. Voor verdere definities zie bijlage Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
50 Bijlage 2 Oppervlaktedelfstoffen Indeling en definities Onder oppervlaktedelfstoffen verstaan we delfstoffen die voorkomen aan het oppervlak of in de ondiepe ondergrond van land- en waterbodems en die kunnen worden gewonnen zonder dat ondergrondse mijnbouw nodig is. De in Nederland gewonnen oppervlaktedelfstoffen zijn onder meer grind, zand, klei, keileem, veen en schelpen. Op de Noordzee speelt de winning van klei, keileem en veen geen rol. Voor de oppervlaktedelfstoffen worden verschillende definities gehanteerd. Voor de inventarisatie en kartering van de ondiepe ondergrond worden geologische definities gebruikt. Voor bouwtoepassingen worden definities gehanteerd die op het gebruik gericht zijn. De standaardclassificatie in Nederland voor onverharde grondmonsters zijn gedefinieerd volgens NEN Tabel 1. Grofheid van zand volgens NEN 5104 Zandmediaan (D50, in µm) Klasse uiterst grof zeer grof matig grof matig fijn zeer fijn uiterst fijn Tabel 2. Grofheid van grind volgens NEN 5104 grindmediaan (D50, in mm) Klasse zeer grof 5,6 16 matig grof 2 5,6 matig fijn UGeologische indeling Een in de geologische kartering veel gebruikte indeling is de classificatie van Wentworth. Hierin worden de fractiegrenzen van sedimenten aangegeven. 50 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
51 Tabel 3. Fractiegrenzen volgens Wentworth Korrelgrootte (in mm) Benaming fracties > 64 steen 4 64 grind grof 2 4 fijn 1 2 zeer grof 0,5 1 grof 0,25 0,5 zand midden 0,125 0,25 fijn 0,063 0,125 zeer fijn 0,004 0,063 silt < 0,004 klei De samenstelling van het bodemmateriaal in de verschillende grootteklassen kan variëren. De grindfractie bevat vaak schelpen of schelpfragmenten en stukjes hout. Het gewichtsaandeel van de schelpresten wordt het biogene kalkgehalte genoemd. Ook zand, met name de grovere fracties, bevat vaak schelpresten. Zand bestaat grotendeels uit lichte mineralen zoals kwarts en veldspaat. Een zeer klein deel van het zand bestaat uit zware mineralen, zoals granaat en zirkoon. Zware mineralen worden onder meer gebruikt in de keramische en elektronische industrie. Silt en klei worden samen slib genoemd. Ook kleine organische deeltjes (bijvoorbeeld algen) maken deel uit van het slib, zodat slib uit twee componenten bestaat: mineraaldeeltjes en organische stof. Definitie beton- en metselzand Bij de indeling van oppervlaktedelfstoffen voor industriële doeleinden wordt niet zozeer naar de grootte van de individuele korrels gekeken, als wel naar de totale samenstelling van het materiaal. Vooral de verdeling over de verschillende fracties, de korrelgrootteverdeling, is van belang. Beton- en metselzand komt niet kant en klaar voor in de Noordzee, maar wordt door klasseren en ontzilten samengesteld uit zanden die daarvoor geschikt zijn. Zeezand dat bruikbaar is voor de vervaardiging van beton- en metselzand moet voldoende grof zand bevatten en niet te goed gesorteerd zijn. Een belangrijke maat is de zeefrest: het gewicht van de korrels tussen een bepaalde zeefmaat waarop deze zijn blijven liggen en de eerstvolgende grotere zeefmaat. De cumulatieve zeefrest geeft dan het gewichtspercentage van het zandmonster dat een korrelgrootte heeft groter dan de grootte van de genoemde zeef. Het zand dat in de bouw gebruikt wordt als beton- en metselzand moet voldoen aan specifieke kwaliteitseisen. De eisen aan de korrelgrootteverdeling zijn vastgelegd in NEN-normen (voor betonzand NEN 5905, voor metselzand NEN 3835) (zie bijlage 1). In de praktijk 51 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
52 worden door afnemers vaak scherpere eisen gehanteerd. Bij de definities voor beton- en metselzand wordt fijn grind ook zand genoemd. 2. Geologie en bodemsamenstelling Algemeen In het dalende Noordzeegebied zijn in de loop van miljoenen jaren honderden meters dikke pakketten met van het land afkomstige zand en klei gevormd. De sedimenten die nu aan of net onder de zeebodem liggen zijn gedurende de laatste 2.5 miljoen jaar aangevoerd. Deze periode wordt gekenmerkt door een afwisseling van ijstijden, waarin de Noordzee droogviel en warmere tijden waarin de zee het gebied bedekte. In het zuidelijk deel van het NCP zijn de afzettingen voornamelijk fluviatiel, afkomstig van rivieren. In het noordelijk deel zijn ook veel glaciale sedimenten, vanuit Scandinavië of Groot-Brittannië aangevoerd door het landijs dat in de ijstijden delen van de Noordzee bedekte. De rivieren brachten zand, klei en grind naar het gebied. Het landijs bracht bovendien keileem en stenen. In de warme perioden werd het afgezette materiaal omgewerkt en getransporteerd door stromingen en golven en werden mariene zanden en kleien afgezet. Bij de beschrijving van de geologie van de ondergrond van de Noordzee worden de aardlagen ingedeeld in formaties. Formaties zijn aardlagen die onder bepaalde omstandigheden zijn afgezet en daardoor bepaalde kenmerken vertonen met betrekking tot hun samenstelling of verbreiding. Voor de oppervlaktedelfstoffenwinning in de Noordzee zijn de afzettingen vanaf de voorlaatste ijstijd, het Saalien van belang. Na het Saalien volgden het warmere Eemien, waarin het Noordzeegebied weer onder water stond en mariene afzettingen werden gevormd, het Weichselein, de laatste ijstijd, waarin de Noordzee droog viel en het Holoceen, de warme periode van de laatste jaar waarin het Noordzeegebied weer zee geworden is. Het Saalien, Eemien en Weichselien maken deel uit van de aan het Holoceen voorafgaande periode met ijstijden: het Pleistoceen. De belangrijkste formaties uit de periode vanaf het Saalien worden weergegeven in de tabel. De in de beschrijving genoemde sedimentsamenstelling en dikten gelden voor het gebied ten westen van Nederland. 52 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
53 Holocene Formaties: UBligh Bank Formatie periode: Atlanticum tot heden (vanaf ca jaar geleden) Voornamelijk geelbruin, matig fijn tot uiterst grof zand (150 tot 1000 µm) zand met hier en daar kleilaagjes en grindbandjes. De dikte varieert van < 1m tot > 10m. Het is een open mariene afzetting die zijn grootste dikte in de zandbanken en zandgolven bereikt. UBanjaard Formatie periode: Laat-Atlanticum tot heden (vanaf ca jaar geleden) In deze formatie worden twee members onderscheiden die lateraal in elkaar overgaan. Ze bestaan uit zandige en siltige eb-getijdedelta-afzettingen afkomstig uit het kustgebied. Raan Member Grijs tot lichtgrijs, matig fijn tot zeer grof ( µm) zand met kleilagen en - laminae en soms silthoudend. De dikte varieert van < 1m tot > 15m. Hompels Member Grijs, zeer fijn tot matig fijn ( µm) slibhoudend zand met kleilaagjes. De dikte varieert van < 1m tot >5m. UBuitenbanken Formatie periode: Boreaal tot Vroeg-Atlanticum (ca jaar geleden) Bruingeel, matig fijn tot uiterst grof ( µm) zand, vaak grindhoudend. De dikte varieert van < 1m tot > 8m. UElbow Formatie periode: Preboreaal tot Atlanticum (ca jaar geleden) Grijze tot lichtgrijze klei gelamineerd met matig fijn (slibhoudend zand of uiterst fijn tot zeer grof ( µm) zand (slibhoudend) met kleilagen en kleilaagjes. de sedimenten zijn afgezet in een wadden- of eb-getijdedeltamilieu. De dikte varieert van < 1m tot > 8m. Pleistocene formaties: UTwente Formatie periode: Vroeg- tot Laat-Weichselien Goed gesorteerd, fijnkorrelig periglaciaal zand met wat siltinschakelingen en een dikte tot meer dan een meter. UBruine Bank Formatie periode: Laat-Eemien tot Vroeg-Weichselien: Klei met enig fijn grind en weinig schelpresten. Dikte tot ca. 1m. UKreftenheye Formatie periode: Laat-Saalien tot Laat-Weichselien Voornamelijk matig tot zeer grof (maar met D50 waarden van 180 tot 800 µm), grind, schelpen en houtresten bevattend zand. Het is een fluviatiele afzetting van de rivieren Rijn en Maas. De dikte varieert van < 1m tot > 9m. UEem Formatie periode: Eemien Grijs, zeer fijn tot uiterst grof ( µm), licht tot sterk grind- en schelphoudend zand met plaatselijk kleilaagjes. Een belangrijk grindbestanddeel vormt vuursteen. De formatie is een fluviatiele, estuariene of kustnabije mariene afzetting. De dikte varieert van < 1m tot > 6m. 53 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
54 Figuur 4. Oppervlaktesediment Noordzeebodem 54 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
55 Door een intensief bemonsteringsprogramma van Rijkswaterstaat directie Noordzee en het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO gericht op de inventarisatie van oppervlaktedelfstoffen en geologische kartering is in de loop der jaren een steeds beter beeld verkregen van het voorkomen van oppervlaktedelfstoffen en de verschillen in zandkwaliteit. Het boorprogramma is met name gericht op een zone van 50 km breed langs de Nederlandse kust. Naast dit systematisch onderzoek is er onderzoek gedaan voor diverse projecten en voor zandwinning ten behoeve van bijvoorbeeld suppleties. Alle boorgegevens van het NCP en de territoriale zee zijn opgenomen in een digitaal bestand dat bruikbaar is voor GIS-toepassingen. Het inzicht in de aanwezigheid van oppervlaktedelfstoffen op basis van bestaande gegevens is daardoor verbeterd. Niettemin is de dichtheid van informatie over de sedimenten op en onder de zeebodem geringer dan op het land. Voor het vaststellen van de aanwezigheid van specifieke zandkwaliteiten is, met de bestaande kennis als achtergrond, aanvullend onderzoek nodig. De bodem van het NCP bestaat grotendeels uit zand, met hier en daar grind en klei of silt. Het algemene beeld is dat de korrelgrootte aan de oppervlakte (bovenste meter) van zuid naar noord afneemt (zie figuur 4). Duidelijk is echter dat de korrelgrootte van plaats tot plaats sterk kan verschillen. Dit geldt ook voor andere sedimenteigenschappen zoals sortering. In het noordelijk deel van het NCP komt door afzetting van slib veel klei en silt voor in de bodem. Lokaal, bijvoorbeeld bij de Klaverbank en de Texelse Stenen, ligt door landijs en smeltwater aangevoerd grind aan de oppervlakte. Deze grindvoorkomens zijn onderzocht met het oog op de winbaarheid. Op de Klaverbank komen 50 tot 200 cm dikke lagen met grof zand en grind voor, met een grindpercentage van gemiddeld 50 procent. In het gebied van de Texelse Stenen, noordwestelijk van Texel, is de dikte van de grindhoudende zandlaag 20 cm. In het grootste deel van dit gebied is het grindpercentage minder dan 2 procent. Slechts zeer lokaal komen hogere percentages voor (tot 50 procent). Het zand heeft een mediane korrelgrootte (D50) van 310 µm. Daarnaast is grof zand ( µm) aanwezig op de toppen van zandgolven. Grof materiaal komt ook voor in de fluviatiele (rivier) afzettingen van vlechtende rivieren die gedurende de ijstijden gevormd zijn. Zo n afzetting is de Formatie van Kreftenheye die in het kustgebied van Zuid-Holland en in het kustgebied van Noord-Holland op een diepte van 5 tot 30 meter onder de zeebodem voorkomt. Deze formatie bestaat uit rivierafzettingen gemengd met omgewerkte mariene afzettingen, die lokaal grove, grindhoudende zanden bevatten. De Formatie van Kreftenheye wordt gekenmerkt door een sterke afwisseling, zowel horizontaal als verticaal, van fijne en grove afzettingen. Dit maakt het lastig de potentiële wingebieden voor betonzand en metselzand te lokaliseren. 55 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
56 Formatie van Kreftenheye Uit informatie van het NITG (o.a. de kaartbladen Ostend 1: Kwartair en het kaartblad Buitenbanken 1: ) is bekend dat de Formatie van Kreftenheye mogelijk zand bevat dat geschikt is voor het samenstellen van beton- en metselzand. Ter hoogte van Zuid-Holland helt de top van de formatie van Kreftenheye van oost naar west van NAP -16 meter bij de kust tot NAP -30 meter op 20 km uit de kust. De dikte van de formatie varieert van 3 tot 9 meter. Dit impliceert, op basis van de huidige praktijk van zandwinning op de Noordzee, dat voordat het zand van de Formatie van Kreftenheye kan worden gewonnen eerst het bovenliggende pakket zand moet worden verwijderd. De korrelgrootte varieert binnen de formatie van Kreftenheye soms zeer sterk binnen korte afstanden. Over het algemeen valt de D50 binnen de fracties midden tot grof zand. De D50 is voor het samenstellen van beton- en metselzand echter geen goede maat, omdat in dit geval een goede korrelgrootteverdeling veel belangrijker is. Of de Formatie van Kreftenheye winbare hoeveelheden beton- en metselzand bevat, hangt van een aantal factoren af: de dikte van het pakket zand dat boven de Formatie van Krefentenheye ligt (het bovenliggend zandpakket) de dikte van de Formatie van Kreftenheye zelf het percentage beton- en metselzand in de Formatie van Kreftenheye de horizontale verspreiding van de laag met beton- en metselzand Naar de aanwezigheid van beton- en metselzand in de Formatie van Kreftenheye op de Noordzee is onderzoek gedaan in het kader van de werkgroep PIA-zeezand. In de periode medio 2000 tot eind 2002 zijn circa 500 boringen gezet voor de Hollandse en Zeeuwse kust. Vrijwel alle boringen bereikten een diepte van 20 meter beneden de zeebodem, zodat een goed beeld gevormd kon worden van de verticale opbouw van het gebied. Op grond van deze boringen heeft de werkgroep PIA-zeezand geconcludeerd dat in het onderzoeksgebied van bijna 2000 km², maar 21 km² als kansrijk gebied aangemerkt kan worden, waar lagen van minimaal 5 meter dikte met minimaal 30% gangbaar betonzand aanwezig zijn (zie figuur 5a en 5b). In het kansrijke gebied komt een geschatte winbare reserve voor van circa 50 miljoen m³ (80 miljoen ton) gangbaar betonzand. Bij gebruik van fijner zand in beton dan thans gangbaar kunnen de reserves geschat worden op de dubbele hoeveelheid. Deze winbare reserves zijn afgedekt met omvangrijke volumes deklaag van ophoogzand kwaliteit. Zonder de kosten van het verwijderen van de deklaag me te rekenen is de productie van betonzand uit zeezand uit dit gebied momenteel (begin 2004) anderhalf tot drie maal duurder dan de marktprijs. 56 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
57 Figuur 5a Kansrijke gebieden met winbaar betonzand Voornaamste randvoorwaarden: minimaal 30% theoretische opbrengst PIA betonzand over tenminste 5 meter en een oppervlak van 1 km 2 Detail uit Figuur 5.7 van dit rapport: rekening houdend met ruimtelijke en wintechnische beperkingen zijn er vijf kansrijke gebieden aan te merken met een geschatte winbare reserve van circa 50 miljoen m 3 PIA betonzand gemiddeld (gangbaar betonzand). Onderzoek naar het verwijderen van de deklaag door een combinatie van suppletiezand- en ophoogzandwinning heeft aangetoond dat het mogelijk is op deze wijze in 5 jaar tijd een put bloot te leggen waaruit 26 miljoen m³ grof zand is te winnen. Hieruit kan 8 miljoen m³ gangbaar betonzand geproduceeerd worden. De extra kosten van de blootlegging komen op 10, 5 miljoen euro (prijspeil 2003). 57 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
58 Figuur 5 b Formatie van Kreftenheye. De theoretische opbrengst is bepaald aan de hand van de cumulatieve zeefresten in de Formatie van Kreftenheye, waarvan per meter dikte een theoretisch opbrengstpercentage is berekend. Ter illustratie is de dikte van de afdekkende laag op het optimale 5-meter pakket weergegeven als apart raster (Van Heijst, 2004). 58 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
59 Schelpenvoorkomen Het voorkomen van schelpen is onderzocht buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn en in de IJ-geul. In beide gebieden zijn vooralsnog geen grote winbare hoeveelheden schelpen aangetroffen. Schelpen in voldoend hoge concentraties voor winning worden gevonden in de Waddenzee en de bijbehorende zeegaten en buitendelta s en in het Deltagebied in de zeegaten (o.a. Westerschelde) en de Voordelta. 59 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
60 Bijlage 3 Uitvoering Bij zandwinning op zee kunnen drie verschillende fasen in het zandwinproces onderscheiden worden. De fasen vormen samen de zandwincyclus: Winning. Het gaat hierbij om het losmaken en verwijderen van het bodemmateriaal. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de zogenaamde overvloei. Transport. Dit betreft het transporteren van het zand van de winlocatie naar de bestemming. Deponeren. Het deponeren van het zand op de bestemming. De bestemming kan een stortlocatie op zee, een tussenopslag locatie op het land of op zee, of een verwerkingsinstallatie op het land zijn. Bij iedere fase van de winning kunnen verschillende technieken ingezet worden, ieder met zijn eigen karakteristieken en effecten. Van iedere fase worden de methoden en technieken besproken met in het kort hun effecten op de omgeving. Zandwinmethoden en - technieken die op zee helemaal niet bruikbaar zijn worden niet behandeld. Winnen In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop het bodemmateriaal kan worden losgemaakt en verwijderd. Het optreden van overvloei heeft een sterke samenhang met het winproces. Dit aspect wordt in de volgende paragraaf toegelicht. Bij het winnen van zeezand zijn twee technieken te onderscheiden: Varend zuigen en stationair zuigen. Varend zuigen Varend zuigen gebeurt met een sleephopperzuiger (zie figuur 1). De sleephopperzuiger is een zelfvarend baggerwerktuig. Het werktuig is voorzien van één of meer laterale zuigbuizen, één of meer pompinstallaties en een eigen laadruim (beun of hopper genoemd). Figuur 1, Sleephopperzuiger (RWS, 1988) 60 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
61 Aan de zuigbuis is een sleepkop gemonteerd die veelal voorzien is van waterspuiten en/of messen en tanden. Deze dienen om het materiaal vóór de zuigmond te brengen. De sleepzuiger baggert langzaam varend met een snelheid van 1 à 2 m/s. Het baggermengsel wordt via een centrifugaalpomp in het laadruim geperst, waar het zand de gelegenheid krijgt te bezinken. Het overtollige water wordt via de zogenaamde overvloei terug naar zee gebracht. Wanneer het vaartuig vol is wordt het zuigen gestopt en vaart het geladen schip naar zijn bestemming om te lossen. De grootte van de sleepzuiger, die wordt aangeduid met de inhoud van het laadruim, varieert van circa 1500 tot circa m 3. Voor het buitengaats werken is een sleephopperzuiger uitermate geschikt, er kan namelijk tot een maximale golfhoogte van ongeveer 3 meter nog gewonnen worden. Bij winning met de sleephopperzuiger is het mogelijk om op verschillende manieren te winnen. In de eerste plaats kan er ondiep gewonnen worden door op één plaats slechts eenmaal te winnen. De zeebodem wordt dan gelijkmatig ontgrond over een groot oppervlak. In de tweede plaats kan er diep gewonnen worden in lange "smalle" putten, door langdurig in een gebied heen en weer te varen. Stationair zuigen Stationair zuigen kan op twee manieren: Zand opzuigen van de zeebodem zelf en zand opzuigen van ónder de zeebodem. Zand opzuigen van de zeebodem Stationair zand opzuigen van de zeebodem gebeurt met een winzuiger of een steekhopperzuiger. Een winzuiger is een drijvend baggerwerktuig. Het drijflichaam is een rechthoekig ponton. In een beun aan een der korte zijden is een zuigbuis aangebracht, die is opgehangen in een eenvoudige bokconstructie. In het algemeen bevindt de baggerpomp zich halverwege de zuigbuis. Het materiaal wordt opgezogen zonder verdere hulpmiddelen en wordt geperst in langszij liggende baggerbakken. Met een winzuiger die perst in een langszij liggende bak kan er gewerkt worden tot golven met een maximale hoogte van ongeveer 0,5 m. Met speciale werktuigen en bakken die nauwkeurig op hun plaats kunnen blijven liggen door een dynamic positioning systeem, kan tot grotere golfhoogten gewerkt worden. De tweede manier om stationair zand op te zuigen van de zeebodem is door middel van een steekhopperzuiger (zie figuur 2). Het zuigproces van een steekhopperzuiger is te vergelijken met dat van een winzuiger. Het verschil is dat de steekhopperzuiger net als een sleephopperzuiger in zijn eigen ruim laadt. In vergelijking met een sleephopperzuiger is dit vaartuigtype in het algemeen kleiner en daarom meestal niet echt zeewaardig. Er zijn echter ook grote zeewaardige sleephopperzuigers die te gebruiken zijn als steekhopperzuigers. De werkbaarheidsgrens van de steekhopperzuiger ligt echter lager dan van een sleephopperzuiger. Bij een maximale golfhoogte van 1,0 meter zal de 61 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
62 zandwinning tengevolge van de krachtwerking op de zuigbuis stagneren, tenzij speciale constructies zijn aangebracht. Bij een stationaire zuiger (winzuiger of steekhopperzuiger) kan beter dan bij een sleephopperzuiger zand van een specifieke plaats gewonnen worden. Daardoor kan selectiever alleen gewenst zand gewonnen worden. Een stationaire zuiger is zeer geschikt voor een klein oppervlak en grotere diepte van de winput. Er blijft echter een onregelmatige onderwaterbodem achter na het zuigproces. Figuur 2, Steekhopperzuiger (RWS, 1988) Zand opzuigen van onder de zeebodem Zand van onder de zeebodem wegzuigen wordt onderzuigen genoemd. Er wordt vanaf een platform of een ponton een zuigbuis tot op zekere diepte in de bodem gestoken. Door water (waterjet methode) of lucht (airlift methode) wordt het zand losgewoeld en naar boven gebracht. Het zand wordt lokaal weggehaald waardoor een holte ontstaat. Om een zandlaag te winnen moet de procedure regelmatig herhaald worden. Dit kan door het platform of ponton te verplaatsen. De methode kan alleen toegepast worden op plaatsen waar een dieper liggende zandlaag aanwezig is onder een afdekkende kleilaag. Bij niet te grote holten zakt de kleilaag schotelvormig in en blijft de bovenliggende zeebodem intact bij de verzakking. Bij grotere holtes breekt de kleilaag en blijft de zeebodem niet intact. Ontbreekt de afdekkende kleilaag dan zal het zandpakket dat boven de laag ligt die weggezogen wordt, direct naar beneden storten. Op deze wijze ontstaat alsnog een put in de zeebodem. Voordeel is wel dat gericht in een bepaalde laag gewonnen wordt. Onderzuigen is voor gebruik op de Noordzee om verschillende redenen nog niet operationeel: Deze techniek kan niet vanaf een schip toegepast worden. Er is een platform of ponton nodig dat voor elke boring verplaatst moet worden. Als het gewenste zand zich op veel verschillende locaties 62 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
63 bevindt, betekent dit dat deze werkzaamheden vaak herhaald moeten worden hetgeen veel tijd en kosten met zich meebrengt. Op de Noordzee is geen afdekkende kleilaag aanwezig. Bij gebruik van een sleephopperzuiger bewegen de zuigbuis en sleepkop door het water met een snelheid van 1 à 2 m/s. Samen met het losmaken van het sediment veroorzaakt dit troebelheid dicht bij de bodem. Sediment (zand en slib) kan, wanneer het zich in grote hoeveelheden in suspensie bevindt, door (re)sedimentatie een laag vormen op de bodem. Deze laagvorming is dodelijk voor bepaalde bodemdieren, die niet meer in staat zijn zich door de afgezette laag heen te werken. Overvloei Bij het winnen van zand wordt het opgezogen mengsel van sediment en water in het beun gebracht. Hier bezinkt het grootste gedeelte van het in het mengsel aanwezige zand. Het gedeelte dat niet bezinkt, de fijne fractie (fijn zand en slib), vloeit samen met het overtollige water door middel van overvloeipijpen weer terug in zee. Het deel dat de beun verlaat, wordt het overvloeiverlies genoemd. Aan het eind van het laadproces zal het overvloeiverlies toenemen. Vaak is het zo dat het overvloeiproces zorgt voor een verbetering van de kwaliteit van het opgezogen zand. De meest voorkomende overvloei-inrichting is een systeem van verstelbare overvloeikokers, waarbij de hoogte van de overvloei in de loop van het laadproces wordt aangepast. Er zijn verschillende maatregelen denkbaar om het optreden van overvloeiverliezen te beperken zodat de effecten van overvloei in de waterkolom verminderd kunnen worden. De eerste aanpak betreft het bijtijds (eerder) stoppen met laden. De tweede aanpak heeft tot doel het overvloeimengsel door het reguleren van de overvloei zo snel mogelijk naar de bodem te laten zakken. Dit kan op verschillende manieren worden ingevuld: Een methode om de aanwezigheid van overvloeiverliezen in het bovenste deel van de waterkolom te verminderen is te voorkomen dat er lucht wordt meegenomen met het overvloeiwater. Door het verminderen van de luchtinsluiting in het overvloeiwater zal het sediment eerder naar de bodem zakken. Door de uitlaat van de overvloei onder het vlak van het schip te plaatsen en door een voldoende grote waterhoogte boven de overvloei te houden zal er veel minder lucht worden meegenomen door het overvloeimengsel. Het is mogelijk een gedeelte van de overvloei door recirculatie te gebruiken als jetwater in de sleepkop. Het overvloeimengsel kan via een buis worden teruggevoerd naar de zeebodem. Effecten Tijdens het laden laat men het water, dat zich in het beun boven het "neergeslagen" zand bevindt met de overvloei weglopen. Dit water 63 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
64 bevat juist alle fijne deeltjes en organisch materiaal dat nog niet is bezonken en in grote mate verantwoordelijk is voor vertroebeling van de waterkolom. Het verhoogde gehalte aan zwevende stof heeft invloed op: de lichtinval / het doorzicht de primaire productie door fytoplankton de voedselvoorziening van dieren die van licht afhankelijk zijn bij het jagen op prooi. de voedselopname van dieren die hun voedsel uit het water filteren de kieuwademhaling van vissen, vissenlarven en ongewervelden de gaswisseling van vissen-eieren de bodemsamenstelling de concentratie van voedingsstoffen en organisch materiaal Transport In deze paragraaf wordt ingegaan op de manieren waarop het zand van de winlocatie naar de losplaats wordt getransporteerd. De losplaats kan een stortlocatie op zee zijn, een suppletiegebied, een stortput, een tussenopslagplaats of een verwerkingsinstallatie op land. Technieken Het transport van zand op zee kan plaatsvinden door middel van varend transport of door hydraulisch transport door een persleiding. Varend transport kan worden onderscheiden in transport met bakken en met zelfvarende schepen. Varend transport met bakken Bij gebruik van een winzuiger wordt het zand geladen in bakken met vaste bodem of bakken die via de bodem kunnen storten. Het koppelen van bakken aan winzuigers is op volle zee niet goed mogelijk. Wel kunnen bakken die voorzien zijn van dynamic positioning gebruikt worden. De bakken moeten hiervoor worden uitgerust met extra apparatuur en schroefvermogen. Varend transport met zelfvarende schepen Sleephopperzuigers en steekhopperzuigers zijn zelfvarende baggerwerktuigen Ze winnen zand en varen met het zand in het beun naar de losplaats. Hydraulisch transport Hydraulisch transport van bodemmateriaal vindt plaats via een persleiding, die enerzijds verbonden is aan een winzuiger en anderzijds uitkomt op de stortlocatie. Het storten van het mengsel kan zowel boven als onder water plaatsvinden. De aansluiting van de persleiding met het winwerktuig vindt plaats via een relatief korte drijvende persleiding verbonden aan een zinkerleiding. Het drijvende deel van de persleiding dient voor de bewegingsvrijheid van de zuiger. De aansluiting tussen het vrij stabiel liggende winwerktuig en de met de golfbeweging mee dobberende persleiding is kwetsbaar bij golfhoogten van meer dan 3 meter. 64 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
65 Bij hydraulisch transport zijn rechtstreekse pompafstanden mogelijk tot een afstand van 10 kilometer. De afstand waarover het transport plaatsvindt kan worden verlengd door het baggermengsel tussentijds extra op te jagen via zeegaande opjaagstations of boosterstations. Als gevolg van bovenstaande redenen geldt dat bij een transportafstand van meer dan 10 kilometer over de zeebodem het niet zinvol is om met een winzuiger met persleiding te werken. Deponeren In deze paragraaf wordt het deponeren van het zand op de bestemming beschreven. Hiervoor zijn verschillende technieken beschikbaar: Klappen en persen. De manier van deponeren is afhankelijk van waar de lading gelost dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld onder water, op het strand of in een waldepot zijn. Onafhankelijk van de manier van het deponeren wordt voor het lossen de lading weer in suspensie gebracht, omdat dit de loseigenschappen bevordert. Technieken 1. Klappen Een sleephopperzuiger of steekhopperzuiger heeft vaak meerdere mogelijkheden om het zand te lossen. Over het algemeen is een hopper voorzien van bodemkleppen of een splijtmechanisme. Hiermee kan het zand direct op een loslocatie onder water worden gestort. Deze manier van deponeren wordt klappen genoemd. Klappen is niet meer mogelijk als de waterdiepte als gevolg van de zandstortingen te sterk is afgenomen om nog te kunnen varen. 2. Persen Voor het deponeren kan ook gebruik gemaakt worden van een eigen walpersinstallatie. Bij het gebruik van de walpersinstallatie bestaan drie mogelijkheden: Rainbow-systeem of boomen. Hierbij wordt het zand vanaf het dek van de hopper door de lucht richting stortlocatie gespoten. Walpersen. Hierbij wordt een koppeling gemaakt met een reeds aanwezige persleiding. De persleiding mondt uit op de stortlocatie. Pijpstorten. Hierbij wordt het zand door de sleepkop op de stortlocatie gespoten. De stortlocatie is in dit geval dichtbij de zeebodem. Effecten Tijdens het klappen ontstaat troebelheid, die zich in de omgeving van de loslocatie kan verplaatsen. Bij rainbowen of boomen in een loslocatie op zee, kan tijdens de verplaatsing goede menging met lucht plaatsvinden. Hierdoor blijft het sediment lang drijven en kan dus veel invloed van golven en stroming ondervinden, waardoor de verspreiding groot is. Bij walpersen treedt geen vertroebeling op, mits het slib afgevangen wordt in een gesloten stort, waar het kan bezinken. Bij pijpstorten is het effect van vertroebeling minder. Er vindt wel transport van fijn materiaal over de bodem plaats. 65 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
66 Transport vanuit stortlocatie onder water Vanuit een stortlocatie onder water kan het zand verder getransporteerd worden door een stationaire zuiger, zoals een winzuiger of cutterzuiger. Ook is het mogelijk het zand verder te transporteren door een stationaire zuiger die in de stortlocatie onder water ligt en het zand naar de wal pompt. Een voorbeeld van een recent ontwikkelde stationaire zuiger is de "Punaise". De punaise is een onder water, in de bodem staand en met de verdieping meezakkend, hydraulisch baggerwerktuig (in de vorm van een punaise). De aandrijving is elektrisch en wordt van afstand gevoed en bestuurd. Hierbij kan bij ongunstige weersomstandigheden langer doorgewerkt worden. De door de "Punaise" gemaakte putten worden (regelmatig) door hoppers aangevuld met het verder op zee gewonnen zand. De "Punaise" kan het gewonnen zand tot ca. 2 km verpompen zonder tussenstation of booster. De capaciteit van de "Punaise" is 300 m³/h. 66 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
67 Bijlage 4 Effecten van winning op het milieu Inleiding Morfologische effecten zijn veranderingen in de zeebodem en het sedimenttransport. Daarvan kunnen andere gebruiksfuncties, bijvoorbeeld kustverdediging en pijpleidingen de gevolgen ondervinden. Ecologische effecten zijn de gevolgen die de zandwinning heeft voor het leven in zee of voor het ecosysteem als geheel. Vanaf 1996 is naar aanleiding van de eventuele grootschalige zandwinning voor kustuitbreiding en voor betonzand het onderzoek naar de effecten van zandwinning, met name van zandwinning dieper dan 2 meter, geïntensiveerd. Naar het morfologisch gedrag van zandwinputten is modelonderzoek gedaan. Daarbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van lodingsgegevens van bestaande (tijdelijke) zandwinputten en van de Maasgeul. Daarnaast zijn studies verricht naar de invloed van zandwinputten op het stromingspatroon in de put en in de omgeving van de put. De ecologische effecten van diepe zandwinning zijn onderzocht door literatuurstudies en modelberekeningen. Het herstel van bodemfauna na ondiepe zandwinning is bestudeerd door veldmetingen. In het kader van het OSPAR Verdrag zijn door ICES richtlijnen opgesteld voor zandwinning op zee om de morfologische en ecologische effecten vast te stellen en te beperken. Voor gedetailleerde informatie over morfologische en ecologische effecten wordt verwezen naar de literatuurlijst (bijlage 9). Morfologische effecten Het winnen van zand op zee kan op verschillende manieren effect hebben op de morfologie van de omgeving: door de ontgronding wordt de lokale bodemdiepte vergroot door de ontgronding kan de samenstelling van het bodemmateriaal veranderen of kan ander materiaal aan de oppervlakte komen door de ontgronding worden ter plaatse van de zandwinput de bodemvormen, zoals zandgolven en megaribbels, vernietigd de door de ontgronding onstane verdieping (put) kan zich verplaatsen en/of opgevuld worden met zand of slib uit de omgeving. Er zijn drie soorten van zandwinning aan de orde; - kleinschalige zandwinning uit ondiepe putten - kleinschalige zandwinning uit diepe putten dicht bij de kust (tijdelijk) - grootschalige zandwinning Kleinschalige zandwinning uit ondiepe putten Bij kleinschalige zandwinning wordt gedacht aan ontgrondingen tot 10 miljoen kubieke meter. Dergelijke putten veroorzaken nauwelijks tot geen morfologische effecten, mits ze aangelegd worden op een 67 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
68 waterdiepte van meer dan 20 meter en niet dieper zijn dan 2 meter. Bij Terschelling is een dergelijke put onderzocht. In 1993 werd hier 2,5 miljoen m3 zand gewonnen voor kustsuppletie. Voor en na de ontgronding is onderzoek verricht naar de bodemligging. Tot vier jaar na de zandwinning werden er geen veranderingen geconstateerd in de vorm van de put. Er werd geen opvulling waargenomen. Een kleinschalige ontgronding tot 2 meter buiten de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn resulteert in een put die lange tijd aanwezig blijft. Deze bodemverandering blijkt uit tot nu toe beschikbare gegevens geen effect te hebben op de natuurlijke processen van water en zandtransport. Kleinschalige zandwinning uit een tijdelijke diepe put dicht onder de kust Om na te gaan of kustsuppleties goedkoper uitgevoerd kunnen worden met gebruik van een tijdelijke overslagput dicht onder de kust, werden bij wijze van proef twee kustsuppleties op een dergelijke manier uitgevoerd. Bij Bloemendaal/Zandvoort aan Zee en bij Heemskerk/Wijk aan Zee. De putten zijn aangebracht op een waterdiepte van 7 à 8 meter, juist buiten de brandingszone. Aan de hand van modelberekeningen en waarnemingen aan de putten werd nagegaan wat het effect van de put is op het zandtransport en de morfologie van de omgeving, met name op de kustlijnligging. De resultaten uit deze onderzoeken zijn aangevuld met waarnemingen van de bodemligging van een ontgrondingsput voor de kust van Ameland. Bij de put bij Ameland trad zowel een langzame opvulling als een verplaatsing op. Een zandwinput in de nabije kustzone (landwaarts van de NAP -10 meter dieptelijn) beïnvloedt het zandtransport en de morfologie vooral via de verandering van het golfveld. Door de lokale verdieping van de bodem verliezen de golven minder energie. Daardoor kan landwaarts van de put een sterker golfgedreven transport optreden. Hierdoor wordt de zandbalans beïnvloed. Plaatselijk kan extra kusterosie optreden. Tijdens stormen neemt door de hogere golfenergie de duinafslag bij een dergelijke put toe. Bij de Hollandse kust en de centrale delen van de Waddeneilanden heeft een tijdelijke put met een beperkte oppervlakte (<10 ha) zeewaarts van de NAP -7 meter dieptelijn geen nadelige invloed op de kustveiligheid. De put heeft wel een nadelige invloed op de kustlijnligging. Daarom moet de put in het winterhalfjaar binnen 1 maand en in het zomerhalfjaar binnen 2 maanden opgevuld worden. Als de put langer open blijft liggen, moeten compenserende maatregelen getroffen worden, bijvoorbeeld door extra suppletie. Grootschalige zandwinning Bij grootschalige zandwinning zijn de fysische en morfologische effecten op de omgeving niet alleen groter dan bij kleinschalige winning, maar ook meer afhankelijk van locatie en uitvoering. Een grootschalige zandwinput heeft invloed op de (lokale) stroomsnelheid en het (lokale) golfveld. Afhankelijk van de oriëntatie van het zandwingebied ten opzichte van de maximale getijstroom kan de stroomsnelheid in de put groter of kleiner worden. Dit heeft invloed op het zandtransport ter plaatse en op de manier waarop opvulling of 68 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
69 uitdieping van de put en verplaatsing van de put optreden. Vooral de ontwikkeling van de taluds van de put wordt hierdoor beïnvloed. Door verflauwing en verplaatsing van de taluds breidt het morfologisch invloedsgebied zich in de loop van de tijd uit. Op langere termijn (orde 50 jaar) strekt het morfologisch invloedsgebied zich tot enkele kilometers buiten het eigenlijke zandwingebied uit. Ecologische effecten Ten aanzien van de ecologische effecten van zandwinning is onderscheid te maken tussen effecten op de zeebodem en het bodemleven en effecten op de waterkolom en het leven daarin. Daarnaast is er een onderscheid naar effecten tijdens de winning en na de winning en een onderscheid naar effecten binnen het zandwingebied en daarbuiten. Bodem Effecten op de bodem en bodemfauna treden op gedurende en na de winning. In het zandwingebied wordt tijdens de winning de bodemfauna vernietigd. Daarbuiten kan door extra sedimentatie van zand en slib bodemfauna aangetast worden. De vernietiging van de bodemfauna heeft indirect effect op de dieren waarvoor de bodemfauna een voedselbron is. Na de winning duurt het enige tijd voor de bodemfauna zich hersteld heeft. De snelheid en mate van herstel hangt af van de veranderingen in abiotische factoren, zoals diepte van de zandwinput, waterbeweging en bodemsamenstelling, en biotische factoren, zoals de aanwezigheid van larven van bodemdieren. Onderzoek naar herstel van de bodemfauna bij een zandwinput bij Terschelling heeft aangetoond dat bij bijna gelijkblijvende abiotische factoren de bodemfauna na ongeveer vier jaar hersteld is. Bij grootschalige zandwinning kan bij grote ontgrondingsoppervlakken het herstel langer duren. De wijze van uitvoering kan gericht zijn op het bevorderen van herstel. Een zandwingebied kan ontgrond worden in de richting van de reststroom zodat het herstel in reeds ontgronde delen snel kan beginnen. Een manier om de vernietiging van grote oppervlakken te vermijden kan diepe winning zijn. Bij dieper winnen dan twee meter kan sterke verandering van abiotische factoren herstel in de weg staan. In extreme gevallen kan verminderde wateruitwisseling met de omgeving tot zuurstoftekort bij de bodem van de put leiden en het volledig herstel van bodemleven onmogelijk maken. Sedimentatie van slib in een put vertraagd het herstel of leidt tot een andere bodemfauna. Het is noodzakelijk een putvorm te kiezen waarbij de diepte en de hellingen van de taluds zodanig samenhangen dat het water bij de bodem deelneemt aan de waterbeweging erboven. Waterkolom Zandwinning heeft effecten op het leven in de waterkolom. Tijdens de winning door directe vertroebeling door zand en slib. Invloed na de winning kan optreden door opwerveling van extra in het systeem 69 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
70 gebracht slib. De toename van de vertroebeling heeft effect op de primaire productie door fytoplankton, op het jachtvermogen van zichtjagers en op de ontwikkeling van eitjes en larven van (commerciële) vissoorten. Bovendien kunnen door zandwinning aan het slib gehechte voedingsstoffen en contaminanten in het systeem komen. De effecten van de vertroebeling en de extra hoeveelheid slib in het systeem hangen af van de hoeveelheid slib die van nature in de waterkolom aanwezig is. Deze natuurlijke vertroebeling varieert met de afstand tot de kust. Voor kleinschalige zandwinningen is het effect van vertroebeling door de geringe omvang, intensiteit en duur van de winning minimaal. Voor grootschalige zandwinning, waarbij gedurende een aantal jaren intensief ontgrond wordt, moet met deze effecten wel rekening gehouden worden. Windiepte Noch uit morfologisch noch uit ecologisch onderzoek komt een algemene grens voor de windiepte naar voren. Wel wordt in beide gevallen benadrukt dat de effecten in grote mate bepaald worden door de locatie, de geometrie van de put (ligging ten opzichte van getijstroom, diepte van de put, hellingen van het talud) en de sedimentsamenstelling op de bodem. De locatie bepaalt bovendien welke gebruiksfuncties beïnvloed worden. Hieruit volgt dat algemene aanwijzingen voor de maximale diepte van winningen op zee moeilijk gegeven kunnen worden. Het is belangrijk voor elke concrete grootschalige diepe winning na te gaan hoe de effecten geminimaliseerd kunnen worden. Vaststellen van een maximale windiepte ter plaatse in combinatie met de verdere geometrie is dan mogelijk. Omdat de effecten groter zijn bij grotere windiepte betekent dit dat bij grotere windiepte zorgvuldiger met de aanleggeometrie en locatiekeuze moet worden omgegaan. 70 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
71 Bijlage 5 Milieutechnische effecten Eisen Sinds 1990 zijn aan het gebruik van (zee)zand verschillende eisen gesteld ten aanzien van de korrelgrootte en de concentraties van zouten en microverontreinigingen. Deze eisen zijn geformuleerd in de standaard RAW-bepalingen (CROW 1990), het Bouwstoffenbesluit en het beleidsstandpunt over de notitie "Milieukwaliteitdoelstellingen Bodem en Water" (MILBOWA; VROM 1991a). Het Bouwstoffenbesluit is per 1 januari 1999 in werking getreden. Het Bouwstoffenbesluit regelt onder welke voorwaarden steenachtige bouwstoffen (incl. grond) mogen worden gebruikt. Op basis van het Bouwstoffenbesluit dienen producenten van (steenachtige) bouwstoffen de kwaliteit aan te tonen, bijvoorbeeld door middel van erkende kwaliteitsverklaringen die vervolgens door gebruikers (bijv. het uitvoerend bouwbedrijf) overlegd dienen te worden aan de handhavende instanties (gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders). Partijen bouwstoffen zonder erkende kwaliteitsverklaringen moeten apart worden gekeurd (zogenaamde partijkeuring). Voor het verkrijgen van een door de overheid erkende kwaliteitsverklaring dient een producent zijn bouwstof in het kader van het Bouwstoffenbesluit te certificeren. Een kwaliteitsverklaring wordt verkregen door aan te tonen dat een bouwstof voldoet aan een door de Harmonisatie Commissie Bouw (HCB) voor die bouwstof aanvaarde Beoordelingsrichtlijn (BRL). De Toetsingscommissie Bouwstoffenbesluit adviseert de Stichting Bouwkwaliteit SBK) met betrekking tot de milieuhygiënische aspecten van de te aanvaarden BRLen door de HCB. Door aanvaarding van een BRL door de HCB wordt die BRL verheven tot Nationale BRL (NBRL). Zodra de NBRL beschikbaar is, kan voor een bouwstof een KOMO-kwaliteitsverklaring worden afgegeven. De Stichting Bouwkwaliteit adviseert vervolgens de rijksoverheid over de erkenning van af te geven kwaliteitsverklaringen. Uit eerder onderzoek (o.a. gerapporteerd in Bouwstoffen nader bekeken RIVM) is gebleken dat tot 200 mg Cl/kg d.s. ontzilt zeezand als schone grond kan worden aangeduid. Op basis van dit onderzoek heeft de Nederlandse Vereniging van zandwinners (NVZ), na overleg met VROM en Verkeer en Waterstaat, het initiatief genomen een beoordelingsrichtlijn op te stellen voor de certificatie van ophoogzand (inclusief zeezand) gewonnen in dynamische stroomgebieden, met als doel het zand met een erkend certificaat als schone grond te kunnen afleveren. De BRL 9313 is op 23 februari 2000 aanvaard door de HCB en derhalve beschikbaar als Nationale Beoordelingsrichtlijn. Op basis van de wijzigingsbladen van 1 juni 2000 en 20 april 2001is de BRL 9313 op een aantal onderdelen aangepast. 71 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
72 Een dynamisch wingebied is een gebied dat deel uit maakt van of in open verbinding staat met vaarwater. Omdat waterbodems van dynamische wingebieden doorgaans in beweging zijn, is de productiecontrole volgens de BRL gericht op de zandzuiger en de losplaats. De certificatie is onderverdeeld in twee gedeelten, het ene deel betreft de productie van zand (deelcertificaat A) en het tweede deel (deelcertificaat B) betreft de ontzilting van zout zand. Deze onderverdeling is tot stand gekomen, omdat ontzilting niet in alle gevallen noodzakelijk is. Er wordt ook zand uit zoete dynamische stroomgebieden gewonnen, in welk geval alleen deel-certificaat A nodig is. Ingeval het zand afkomstig is uit een zout dynamische stroomgebieden, zoals de Noordzee of de Waddenzee, zal het zand ontzilt moeten worden, in welk geval ook deelcertificaat B nodig is. De bemonsterings- en de verkorte analysemethoden die staan vermeld in de BRL zijn integraal opgenomen in het standaardbestek RAW2000. Verziltingsgevoelige gebieden Bij het opstellen van het Bouwstoffenbesluit is rekening gehouden met het zoutbezwaar dat het gebruik van niet ontzilt zeezand met zich mee zou brengen De algemene norm voor het chloridegehalte in zeezand voor de toepassing als schone grond is gesteld op 200 mg Cl/kg d.s. In brak of zout milieu vervalt deze eis. In verziltingsgevoelige gebieden kan het algemene beschermingsniveau dat het Bouwstoffenbesluit biedt t.a.v. chloride als onvoldoende worden ervaren. Hoewel in de nota van toelichting van het Bouwstoffenbesluit (BSB) staat vermeld dat via de provinciale milieuverordening (PMV) in onder andere verziltingsgevoelige gebieden strengere regels kunnen worden gesteld dan opgenomen in het BSB, blijkt deze weg geen juridisch sluitende mogelijkheid voor zowel de bodem als het oppervlaktewater te bieden. Besloten is om het Bouwstoffenbesluit zodanig te wijzigen dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan de toepassing van zeezand in verziltingsgevoelige gebieden. Met het oog op het stimuleringsbeleid t.a.v. het gebruik van zeezand zullen deze aangescherpte normen alleen aan die gebieden worden toegewezen waar dit strikt noodzakelijk is. Ook in dit verband zal een afweging van belangen (bescherming versus gebruiksbelang) worden gehanteerd voor het aanwijzen van (een zo beperkt mogelijk aantal) gebieden waar verder ontzilt moet worden dan het algemene beschermingsniveau. Ontzilting van zeezand In het algemeen geeft bij de toepassing van zeezand als ophoogzand op het land, een (te) hoog zoutgehalte problemen in het ontvangende watersysteem. Door het uittredende drainage water kan verzilting van het grondwater optreden. Bij toepassing van zeezand als beton en metselzand gelden nagenoeg dezelfde eisen omdat het zoutgehalte de constructieve kwaliteit van de metselwerken en (gewapend) beton beïnvloedt. 72 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
73 Afhankelijk van de locatie in relatie tot verziltingsgevoelige gebieden en de beoogde toepassing op het land, kan het op zee gewonnen zand tot nagenoeg elk gewenst niveau worden ontzilt. Ontzilten is het spoelen van zeezand met brak of zoet water teneinde het zoutgehalte, door verdringing van het tussen de zandkorrels aanwezige zoute water, te verlagen. Ontzilten van ophoogzand kan op de volgende manieren: De lading zilt zand wordt op zee in het beun van het schip met zoet water doorgespoeld. Het spoelwater wordt teruggevoerd in zee. De lading zilt zand wordt stroomopwaarts varend op een rivier of kanaal met (relatief) zoet oppervlaktewater doorgespoeld. Deze wijze van ontzilting is op een beperkt aantal rivieren of kanalen toegestaan. Het spoelwater wordt tijdens het varen op de rivier of het kanaal geloosd. De lading zilt zand wordt door middel van een ontziltingsinstallatie (verder) ontzilt tot het gewenste nivo. Het spoelwater wordt met een WVO-vergunning op het oppervlaktewater geloosd. In het algemeen wordt voor ophoogzand de norm van 200 mg Cl per kg droge stof gehanteerd. Deze eis is vastgelegd in Bouwstoffenbesluit en geeft de mogelijkheid om ontzilt zand toe te passen als schone grond (categorie 1). Naast bovenstaande manieren van ontzilten bij ophoogzand kan gewonnen zeezand voor de toepassing als beton- en metselzand ontzilt worden door natuurlijke ontzilting. Hierbij wordt het op de wal aangevoerde zand door de regen ontzilt. Het drainage water wordt op het oppervlaktewater geloosd. Voor dit laatste is een WVOvergunning nodig. spoelen. Het zand wordt tijdens het zeven met zoet (grond- of industrie-) water over de zeefinstallatie gevoerd. Het spoelwater wordt op het oppervlaktewater geloosd. Voor dit laatste is een WVO-vergunning nodig. Voor beton- en metselzand zijn normen voorgeschreven welke zijn vastgelegd in NEN 5905, NEN 5950 en NEN Voor toepassing in beton zijn de maximaal toelaatbare gehalten chloriden bijvoorbeeld als volgt: Soort beton beton zonder corrosie gevoelige materialen beton met corrosiegevoelige materialen en voorgespannen beton met nagerekt voorspanstaal voorgespannen beton met voorgerekt voorspanstaal maximaal toelaatbaar gehalte (Cl ) in beton uitgedrukt in % (m/m) van de hoeveelheid cement 1,0 0,4 0,2 73 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
74 Voor metselspecie geldt een chloride-gehalte kleiner dan 0,1 procent ten opzichte van het droge toeslagmateriaal. Voor bovenstaande ontziltingsmethoden geldt in het algemeen hoe droger de lading zeezand wordt aangevoerd, hoe minder energie en zoet water behoeft te worden aangewend. Bij de ontziltingsmethode waarbij de lading op het schip met zoet water wordt doorgespoeld, worden deze normen waarschijnlijk niet gehaald, zodat aanvullende maatregelen nodig zijn. Beleidskader voor de overslag en/of ontzilting van oppervlaktedelfstoffen afkomstig van zee In verband met de toename van het gebruik van Noordzeezand ontwikkelen de diverse overheden steeds meer beleid t.a.v. de mogelijkheden en beperkingen van overslaglocaties. Op basis de diverse nota s, plannen etc. wordt aangegeven waar en onder welke voorwaarden overslaglocaties mogen worden gerealiseerd en/of waar mag worden ontzilt. In dit kader zijn bijvoorbeeld de volgende nota s verschenen: Zeezand zonder zorgen van Rijkswaterstaat / directie Zuid-Holland (1995) Het ontzilten van zeezand op het Noordzeekanaal van Rijkswaterstaat / directie Noord-Holland (1999) Verkenning voor toepassing van zeezand in Zeeland i.o.v. Provincie Zeeland, Dienst Milieu en Water (1998/1999) 74 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
75 Bijlage 6 Cultuurhistorische- en aardkundige waarden Cultuurhistorische waarden Gebieden of objecten die van cultuurhistorisch of archeologisch belang zijn worden cultuurhistorische waarden genoemd. Cultuurhistorische waarden moeten bij ingrepen in de zeebodem zo veel mogelijk ontzien worden. In het Verdrag van Malta is vastgelegd dat archeologische vondsten die tijdens ingrepen aangetroffen worden behouden dienen te blijven. Deze verplichting wordt in de vergunning voor zandwinning opgenomen. In de Noordzee moet bij cultuurhistorische waarden vooral gedacht worden aan scheepswrakken en archeologische vindplaatsen. Voor het Nederlandse Noordzeegebied is een archeologische kaart opgesteld waaruit de kans op het aantreffen van belangrijke cultuurhistorische waarden valt af te lezen. Aardkundige waarden Aardkundige waarden zijn geomorfologische of geologische verschijnselen die bijzondere bescherming verdienen omdat ze kenmerkend zijn voor de ontstaanswijze van een gebied. Voor de Noordzee zijn zowel locaties van belang waar specifieke geologische informatie opgeslagen ligt onder de zeebodem (bodemarchief) in de vorm van diepere structuren of afzettingen als locaties waar de vorm van de zeebodem specifieke kenmerken vertoont van huidige of vroegere geomorfologische processen. In het eerste geval kan gedacht worden aan afzettingen die naar voren komen in boringen of aan structuren die naar voren komen bij seismisch onderzoek. In het tweede geval kan gedacht worden aan plaatsen waar kenmerkende of zeldzame vormen aanwezig zijn, die het gevolg zijn van recente of actuele processen, zoals zandgolven en zandbanken. Voor het Nederlandse Noordzeegebied wordt een aardkundige waardenkaart opgesteld. 75 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
76 Bijlage 7 Financieel economische aspecten Bij de financieel-economische aspecten van het winnen van oppervlaktedelfstoffen op zee kan in principe een onderscheid gemaakt worden tussen: a. de financieel-economische aspecten van de winning van oppervlaktedelfstoffen op zich; b. de financieel-economische effecten van de winning van oppervlaktedelfstoffen op andere gebruiksfuncties; c. de financieel-economische gevolgen van de toepassing van zand afkomstig van zee op het land. In het MER behorend bij het RON/MER is in 1991 ingegaan op a. en b. Sindsdien hebben zich niet veel veranderingen voorgedaan in deze financieel-economische aspecten. Het gestelde in hoofdstuk 11 en 12 van het Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee, Milieu-effectrapport Deel B, Nota van Toelichting (1 september 1991), is daarom nog bruikbaar. Nog steeds kan in het algemeen worden gesteld dat de kosten van de winning van oppervlaktedelfstoffen voornamelijk bepaald worden door: 1. de winkosten (waterdiepte en diepte waarop de gezochte oppervlaktedelfstoffen zich bevinden); 2. vaarkosten (afstand van de winlocatie tot een depot c.q. aanvoerhaven); 3. de bewerkingskosten (zeven en ontzilten) 4. de depot- en overslagkosten (op binnenvaartschip); 5. de transportkosten over binnenwateren of over land; 6. exploitatiekosten (winst en risico) 7. kosten bankgarantie Daarnaast spelen domeingelden, legeskosten bij de vergunning onder de Ontgrondingenwet, loodsgelden en havengelden een rol. In onderstaande tabel is aangegeven met welke kosten in welk geval rekening moet worden gehouden. legeskosten domeinverg. domeinverg. per bankgarantie aanvraag activiteit gewonnen m³ primaire winning X - X - secundaire winning - - X X proefwinning - X X - (onderwater) suppletie Als uitgangspunt voor berekeningen kunnen als indicatieve kentallen gehanteerd worden: transportkosten zee 0,045 per m³ per kilometer transportkosten land: binnenvaartschip 0,04 per m³ per kilometer vrachtauto 0,18 per m³ per kilometer ontziltingskosten 0,15-0,25 per m³ 76 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
77 wachttijd ontzilten p.m. domeinvergoeding zeezand 0,63 per m³ (in 2004) domeinvergoeding zeegrind 0,85 per m³ (in 2004) domeinvergoeding schelpen 0,83 per m³ (in 2004) depot kosten p.m. (afhankelijk van inschrijving) legeskosten 2268,90 per (verkorte) procedure tot maximaal ,40 per uitgebreide procedure havengelden 0,785 per m³ (Rotterdam, in 2004) loodsgelden (meestal) vrijstelling De kentallen zijn aan verandering onderhevig. Als omrekeningsfactor voor dichtheden worden gehanteerd: ophoogzand gemiddeld 1,6 ton/m³ beton en metselzand gemiddeld 1,7 ton/m³ grind gemiddeld 1,8 ton/m³ schone schelpen 0,65 ton/m³ kleischelpen 0,78 ton/m³ Wanneer grote hoeveelheden ophoogzand vrijkomen bij het winnen van grove zanden kan dit leiden tot verstoringen in de afzetmarkt voor ophoogzand. Doordat op grof zand relatief een grotere marge zit kan het meegeproduceerde ophoogzand tegen lagere kosten op de markt worden afgezet. Het is echter de vraag of dit effect zich in de werkelijkheid zal voordoen. Indirect verkleint het namelijk de marge op het grove zand. Indien door het uitvoeren van een grootschalig project een grote behoefte aan ophoogzand ontstaat, verandert de marktbehoefte aan ophoogzand. Op dat moment kan het bijproduct ophoogzand tegen marktprijzen worden afgezet, waardoor geen marktverstoring zal optreden.het grove zand kan dan zonder bijkomende kosten op de markt gebracht worden. 77 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
78 Bijlage 8 Wet- en regelgeving Hieronder wordt een overzicht van de belangrijkste internationale verdragen, internationale Richtlijnen, Wetten, Planologische Kernbeslissingen en nota s die betrekking hebben op de Noordzee gegeven. Internationale verdragen - Verdrag van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee, 10 december 1982, in werking 16 november 1994, Nederlandse vertaling Trb. 1984, 55; - Verdrag inzake de Bescherming van de Noordoost Atlantische Oceaan (OSPAR- verdrag), 22 september 1992, in werking 25 maart 1998, Trb. 1993,16, Nederlandse vertaling Trb. 1993, 114; - Biodiversiteitsverdrag, 4 juni 1992, in werking voor Nederland 10 oktober 1994, Trb. 164, Nederlandse vertaling Trb. 1993, 54; - Verdrag omtrent milieueffectrapportage in gevallen van grensoverschrijdende milieugevolgen (Espoo-verdag), 25 februari 1991, Nederlandse vertaling Trb. 1991,174; - Verdrag van Malta inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed(herzien), Raad van Europa, Valletta (Malta), 16 januari 1992, Trb. 1992, nr. 97. Internationale Richtlijnen - Vogelrichtlijn, 79/409/EEG; - Habitatrichtlijn, 92/43/EG; - Richtlijn Milieueffectrapportage, 85/337/EEG. Nationale wetgeving - Wet van 27 oktober 1965, houdende regelen omtrent de ontgrondingen (Ontgrondingenwet), laatstelijk gewijzigd Stb. 2002,542; - Wet van 5 juni 1975, houdende voorschriften tot voorkoming van verontreiniging van de zee (Wet verontreiniging zeewater), laatstelijk gewijzigde, Stb. 2001, 346; - Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet), Stb. 2002, 617; - Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, 14 november 1996, Stb. 645; - Wet van 15 november 2000, houdende uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken tot de exclusieve economische zone, Stb. 2000, 510; - Wet van 14 december 1983, houdende regelen ter voorkoming van verontreiniging door schepen (wet voorkoming verontreiniging door schepen), laatstelijk gewijzigd, Stb. 2000,192; - Wet van 7 juli 1988, houdende algemene regeling met betrekking tot het scheepvaartverkeer op de binnenwateren en 78 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
79 op de zee (Scheepvaartverkeerswet), laatstelijk gewijzigd Stb. 2001, 180; - Wet Milieubeheer, 1992, Stb Wetsvoorstellen, ontwerpbesluiten en interimbesluiten - Exclusieve economische zone, wetsvoorstel TK , 25444, vastgesteld voorjaar 2000; - Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit milieueffectrapportage 1994, Stcrt. 14, januari 2003, nr. 9, p. 12; - Interim-besluit van 20 september 1999 over vergunningsplicht installaties ter zee, waarbij een aantal voorschriften uit de Wet beheer rijkswaterstaatswerken van toepassing wordt verklaard, Stb. 2000,510. Beleidsregels - beleidsregels inzake toepassing Wet beheer Rijkswaterstaatswerken met betrekking tot installaties in de exclusieve economische zone, Stcrt. Nr. 85, 6 mei 2002 Planologische Kernbeslissingen - Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen 1, pkb deel 1 t/m 4, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1996; - Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen 2, deel 1, beleidsvoornemen, TK , 27890, nr. 1; - Structuurschema Groene Ruimte, Het landelijk gebied de moeite waard, deel 4, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1995; - Tweede Structuurschema Groene Ruimte, deel 1, beleidsvoornemen, TK , 28182, nr. 1; - Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening , Ruimte maken, ruimte delen, pkb deel 1, vastgesteld op 15 december 2000, pkb deel 3, TK , 27578, nr.5; - Structuurschema Militaire terreinen, pkb deel 3, TK , 16666, nrs ; - Tweede Structuurschema Militaire terreinen, pkb deel 1, beleidsvoornemen, TK , 27890, nr. 1 - Natuur voor mensen, mensen voor natuur, Nota natuur, bos en landschap in de 21-e eeuw, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag, 2000 (TK , 27235, nr.1) 79 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
80 Bijlage 9 Literatuur * AERTS, L.A.M. (red.) (2003) Zand- en grindwinning Klaverbankgebied. Onderzoek naar milieugevolgen. Royalhaskoning, Nijmegen, 190 p. * BOYD, S.E., D.S. LIMPENNY, H.L. REES, K.M. COOPER, S. CAMPBELL (2003) Preliminary observations of the effects of dredging intensity on the recolonisation of dredged sediments off the southeast coast of England (Area 222). Estuarine, Coastal and Shelf Science 57, pp * DALFSEN, J.A. van (1999) Long-term effects of subaqueous sand extraction north of the island of Terschelling. Rapport RIKZ , Rijkswaterstaat, Rijksinstituut voor Kust en Zee/RIKZ, Den Haag, 40 p. * DALFSEN, J.A. van, O.W.M. DUIJTS, B. STORM (1999) PUNAISE 2. Effecten op de bodemfauna van het gebruik van een tijdelijke zandwin/overslagput in de kustzone ter hoogte van Heemskerk. Rapport 99-13, Koeman en Bijkerk B.V., Haren, 34 p. * DALFSEN, J.A. van (2000) Ecologische effecten van zandwinning op zee. Rapport , Koeman en Bijkerk B.V., Haren, 59 p. * DALFSEN, J.A. van, W.E. LEWIS (2001) PUNAISE*3. Lange-termijn effecten op de bodemfauna van een tijdelijke zandwin/overslagput in de kustzone ter hoogte van Heemskerk (NH). TNO-rapport TNO-MEP-R 2001/494, TNO-MEP, Apeldoorn, 38 p. HEIJST, M.W.I.M. van (red.) (2004) Beton- en metselzand uit de Noordzee? Eindrapport van de PIA Subwerkgroep Zeezand met de resultaten van de haalbaarheidsstudie naar beton- en metselzandwinning voor de Hollandse en Zeeuwse kust. Publicatiereeks Grondstoffen 2004/001. Rijkswaterstaat, Dienst Wegen Waterbouwkunde, Delft, 108 p. * HEINIS, F., J.A. van DALFSEN (2001) Ecological effects of large scale dredging in relation to extraction depth. Report , HWE Consultancy (Bussum) and Argo Consultancy (Delft), 47 p. * HOOGEWONING, S.E., M. Boers (2001) 80 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
81 Fysische effecten van zeezandwinning. Rapport RIKZ / Rijkswaterstaat, Rijksinstituut voor Kust en Zee / RIKZ, Den Haag, 95 p. * ICES-WGEXT (2001) Effects of Extraction of Marine Sediments on the Marine Ecosystem. ICES Cooperative Research Report No.247. International Council for the Exploration of the Sea, Copenhagen, 80 p. * ICES-WGEXT (yearly) Annual Report. Working group on the effects of extraction of marine sediments on the marine ecosystem. ICES CM year/2e07, Ref.: ACME, International Council for the Exploration of the Sea, Copenhagen. * JOHN, S.A., S.L. CHALLINOR, M. SIMPSON, T.N. BURT, J. SPEARMAN (2000) Scoping the assessment of sediment plumes from dredging. Report CIRIA C547, CIRIA, Londen. KOOPMANS, T.P.F., M.W.I.M. van HEIJST (2003) Koppeling van beton- en metselzandwinning met winning van suppletie- en opghoogzand. Publicatiereeks Grondstoffen 2003/12. Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft, 71 p. LABAN, C. (2000) Onderzoek naar zandvoorkomens op het NCP voor toepassing in beton en metselzand. TNO-rapport NITG A, Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen-TNO, Utrecht, 35 p. MEULEN, M. van der, F. de LANG, D. MALJERS, W. DUBELAAR, W. WESTERHOF (2002) Grondstoffen en delfstoffen bij naam. Woordenboek van Nederlandse grondsoorten en gesteenten, en daarvan vervaardigde grondstoffen. Publicatiereeks Grondstoffen 2002/21. Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft, 96 p. MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ (1995) Structuurschema Groene Ruimte. Het landelijk gebied de moeite waard. Deel 4 Planologische kernbeslissing. Ministerie van Landbouw en Visserij, Den Haag, 84 p. * MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT (1991/1993) Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee / Milieueffect rapport. Deel A Beleidsnota, Rijkswaterstaat, Directie Noordzee, Rijswijk, 82 p. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT, MINISTERIE VAN VROM (1996) Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen. Deel 4 Planologische Kernbeslissing 81 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
82 Sdu Uitgevers, Den Haag, 49 p. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT (1998) Evaluatie Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee. Rijkswaterstaat, Directie Noordzee, Rijswijk, 27 p. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT (1998) Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning. Rijkswaterstaat, Hoofdkantoor van de Waterstaat, Den Haag, 31 p. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT (2001) Partiële herziening Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning. Rijkswaterstaat, Hoofdkantoor van de Waterstaat, Den Haag, 16 p. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT (2000) 3 e Kustnota. Traditie, Trends en Toekomst. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Den Haag, 119 p. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT (2001) Tweede Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen. Landelijk beleid voor de bouwgrondstoffenvoorziening. Deel 1 Ontwerp planologische kernbeslissing. Rijkswaterstaat, hoofdkantoor van de waterstaat, Den Haag, 278 p. * MOORSEL, G.W.N.M. van (1994) The Klaverbank (North Sea), geomorphology, macrobenthic ecology and the effect of gravel extraction. Report 94.24, Bureau Waardenburg B.V. (Culemborg) and Ministry of Transport, Public Works and Water Management, North Sea Directorate (Rijswijk), 92 p * PONSIOEN, J. (1997) Zeezandwinning. Baggertechnologie en ecologische effecten. Rijkswaterstaat, Directie Noordzee / Universiteit Twente, 36 p. * RIKZ (1999) Milieu-effectrapport voor de Winning van Beton- en Metselzand op de Noordzee. Een studie naar die effecten in het zeegebied ten westen van Zuid- Holland. Rapport RIKZ , Rijkswaterstaat, Rijksinstituut voor Kust en Zee/RIKZ, Den Haag, 222 p. * RIJN, L. Van VELLEKOOP (2002) Toetsingsadvies over het milieurapport Winning van beton- en metselzand op de Noordzee. Commissi voor de milieueffectrapportage nr , Utrecht, 24 p. RIJSDIJK, K.F., P.J. FRANTSEN (2000) Inventarisatie Formatie van Kreftenheye, Verbreiding, dikte, diepte en korrelgrootte karakteristieken. 82 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
83 TNO-rapport NITG C, Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen-TNO, Utrecht, 21 p ROB (2000) Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), Globale Archeologische Kaart van het Continentale Plat, Archeologische Monumentenkaart. CD-ROM, Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. STUURGROEP BEHEERSVISIE NOORDZEE (2000) Beheersvisie Noordzee Rijkswaterstaat directie Noordzee, Rijswijk, 63 p. VERDONKSCHOT, S.E. BROERS, J.W., T.H.M. BUCX (1997) Verkenning behoefte Noordzeezand Rapport W-DWW , Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde,Delft, 80 p. WOERDEN, J.A. van (2002) Syntheserapport Grootschalig Diep Zandwinnen. TNO-rapport DIS-RPT TNO-TPD, Delft, 27 p. In de met * gemerkte literatuur wordt onderzoek naar de morfologische en ecologische effecten van zandwinning beschreven. 83 Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee
Zandwinning op de Noordzee
Zandwinning op de Noordzee Startnotitie milieueffectrapportage Stichting La Mer april 2006 Zandwinning op de Noordzee Startnotitie milieueffectrapportage dossier : X3276-01.001 registratienummer : MD-WR20060126
AANVRAAG VERGUNNINGEN ONTGRONDINGEN ZANDWINNING
AANVRAAG VERGUNNINGEN ONTGRONDINGEN ZANDWINNING HOOGHEEMRAADSCHAP VAN RIJNLAND 15 maart 2013 076993162:0.2 Definitief C03021.000106.0100 Inhoud 1 Inleiding... 3 2 Gegevens vergunningaanvraag... 5 2.1
Gebruiksfuncties van de Noordzee, 2005/2009
Indicator 5 januari 2010 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Het Nederlands Continentaal Plat
BEHEREN MET BELEID Ad Stolk
Stolk, A. (2002). Beheren met beleid. In : V. Van Lancker et al. (eds.). Colloquium 'Kustzonebeheer vanuit geo-ecologische en 1 -. -. -. - - -- -. BEHEREN MET BELEID Ad Stolk Rijkswaterstaat, Directie
Bijlage 1: Bestemmingsplan begrippen, regels en toelichting
Bijlage 1: Bestemmingsplan begrippen, regels en toelichting In deze bijlage zijn voorbeeld planregels met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie opgenomen voor nieuwe bestemmingsplannen in de gemeente
Winning van grof zand uit de Noordzee heeft een duwtje nodig
Broekzijdestraat 6 NL 6986 CK ANGERLO tel 0313-482 972 fax 0313-482 592 direct 0653-14 60 14 email office@cubicsquarenl wwwcubicsquarenl 17 juni 2003 Aanleiding In een informeel overleg van ambtelijk en
MER winning ophoogzand Noordzee 2008 t/m 2017
MER winning ophoogzand Noordzee 08 t/m 17 Hoofdrapport Definitief Stichting La Mer Grontmij Nederland bv Houten, 21 februari 08 Verantwoording Titel : MER winning ophoogzand Noordzee 08 t/m 17 Subtitel
Nieuwe hoogspanningsverbinding vanuit Borssele. Zuid West
Zuid West Nieuwe hoogspanningsverbinding vanuit Borssele De ministeries van Economische Zaken en VROM werken samen met TenneT TSO B.V. aan de Zuid-West 380 kv-verbinding. De landelijk netbeheerder TenneT
Quickscan Haalbaarheidsstudie windparken binnen 12-mijlszone
Quickscan Haalbaarheidsstudie windparken binnen 12-mijlszone Juni 2013 Inhoudsopgave 1 Aanleiding Haalbaarheidsstudie... 3 2 Uitgangspunten... 3 3 Aanpak quickscan... 4 4 Uitkomsten quickscan... 4 5 Hoe
Winning en verbruik van oppervlaktedelfstoffen,
Indicator 16 januari 2018 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Veel bouwgrondstoffen als grind,
Beschikking Ontgrondingenwet
Postbus 8035 5601 KA Eindhoven T: 088-369 03 69 I: www.odzob.nl Beschikking Ontgrondingenwet Onderwerp Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 6 juni 2017 een aanvraag ontvangen van Zandexploitatie
UITBREIDING ZANDWINNING BEMMELSE WAARD
FUGRO GEOSERVICES B.V. Briefrapport betreffende UITBREIDING ZANDWINNING BEMMELSE WAARD Opdrachtnummer: 6011-0069-003 Projectleider Opgesteld door : ir. W.H.J. van der Velden Hoofd : ir. J.H.M. Vloemans
MONITORING OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN 2017
13 september 2018-2 - MONITORING In opdracht van Provincie Noord-Brabant Opgesteld door Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven Auteur Anine Verbeek Antonet van den Berg Ron Verest
Bijlage 1.3 Bodemdaling in het Eems-Dollardgebied in relatie tot de morfologische ontwikkeling
Bijlage 1.3 Bodemdaling in het Eems-Dollardgebied in relatie tot de morfologische ontwikkeling........................................................................................ H. Mulder, RIKZ, juni
Opgesteld door ing. A.M. Rodenbach, Recreatie Noord-Holland NV, d.d. 21 januari 2013
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING, BEHOREND BIJ DE AANGEVRAAGDE VERGUNNING OMG-12-181 Voor de inrichting en het gebruik van een evenemententerrein in deelgebied De Druppels, tegenover Wagenweg 22/24 te Oudkarspel
beschikking Rijkswaterstaat Ministerie van Inftastructuur en Waterstaat
Rijkswaterstaat Ministerie van Inftastructuur en Waterstaat beschikking Postbus Rijkswaterstaat Zee en 2232 3500 GE Utrecht T 070 336 66 00 www, riikswatertsa t. ni Nummer RWS-2018/26253 Datum 3juli2018
Meten om te weten: 2,5 jaar Zandmotor
: 2,5 jaar Carola van Gelder-Maas Projectmanager WVL Rijkswaterstaat 31 maart 2014 Hoe zat het ook alweer? Eroderende kustlijn NL kust 12 Mm³ zandsuppleties per jaar Zeespiegelstijging Zwakke schakels
1 Inleiding 1. 2 Verwerking van gegevens 2 2.1 Aangeleverde gegevens 2 2.2 Verwerking gegevens 3
Herberekening behoefte aan zandsuppletie ter compensatie van bodemdaling door gaswinning uit Waddenzee velden vanaf de mijnbouwlocaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen Z.B. Wang Deltares, 2009 Inhoud
Ruimtelijke onderbouwing. Aanleg carpoolvoorziening Noorderhogeweg Drachten
Ruimtelijke onderbouwing Aanleg carpoolvoorziening Noorderhogeweg Drachten 1. Inleiding 1.1. Aanleiding Op 2 september 2013 is een omgevingsvergunning aangevraagd door de provincie Fryslân voor de aanleg
Ontgrondingenwet. Vergunning voor het winnen van zand in de Noordzee.
ONTWERP Onderwerp Ontgrondingenwet. Vergunning voor het winnen van zand in de Noordzee. DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU AANHEF Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier te Heerhugowaard heeft
DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Ministerie van Verkeer en Waterstaat Datum ONTWERPBESCHIKKING Nummer Onderwerp Ontgrondingenwet; Vergunning voor het winnen van zand in de Noordzee tbv de aanleg van Maasvlakte 2. DE STAATSSECRETARIS VAN
Project Mainportontwikkeling Rotterdam Procedurewijzer
Project Mainportontwikkeling Rotterdam Procedurewijzer meer ruimte voor haven verbetering kwaliteit leefomgeving 2 Projecten voor haven en leefomgeving procedures voor de uitvoering Het Project Mainportontwikkeling
LESBRIEF ONDERBOUW VOORTGEZET ONDERWIJS - HAVO - AARDRIJKSKUNDE ANTWOORDEN
ZAND BOVEN WATER LESBRIEF ONDERBOUW VOORTGEZET ONDERWIJS - HAVO - AARDRIJKSKUNDE Rotterdam is de belangrijkste haven van Europa. Steeds meer containers, grondstoffen en andere spullen worden via Rotterdam
Case Noorder IJplas. Workshop Zon op Water 23 mei 2019
Case Noorder IJplas Workshop Zon op Water 23 mei 2019 Case Noorder IJplas Noorder IJplas - initiatief van bedrijfsleven - Noorder IJplas moet een ecopark worden - kansen - maatschappelijk belang - Vergunningverlening:
Referentienummer Datum Kenmerk GM-0055696 16 februari 2012 313182
Notitie Referentienummer Datum Kenmerk GM-0055696 16 februari 2012 313182 Betreft Actualisatie locatieonderzoek natuurwaarden 1 Aanleiding In 2007 is door Grontmij het Locatieonderzoek natuurwaarden Projectlocatiegebied
Blad 2. Beoordeling verzoek
Ruimtelijke onderbouwing voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het dempen van een kadesloot en verbreden van watergangen in de Wergeastermarpolder Door het Wetterskip Fryslân is een
GEDRAGSLIJN INZAKE DE TER BESCHIKKING STELLING VAN RIJKSOBJECTEN VOOR HET PLAATSEN VAN ANTENNE-INSTALLATIES (GEDRAGSLIJN ANTENNES OP RIJKSOBJECTEN)
GEDRAGSLIJN INZAKE DE TER BESCHIKKING STELLING VAN RIJKSOBJECTEN VOOR HET PLAATSEN VAN ANTENNE-INSTALLATIES (GEDRAGSLIJN ANTENNES OP RIJKSOBJECTEN) BIJLAGE: ALGEMENE PLAATSINGSVOORWAARDEN I Inleiding Status
Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq. Zonewateren. 28 juli 2004
Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq Zonewateren 28 juli 2004 Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq Zonewateren 28 juli 2004 Inhoudsopgave........................................................................................
Ruimtelijke onderbouwing kleinschalige uitbreiding olfantenstal Heiderschoor 24 te Mierlo Luchtfoto perceel Heiderschoor 24
Pagina 1 van 5 Ruimtelijke onderbouwing kleinschalige uitbreiding olfantenstal Heiderschoor 24 te Mierlo Luchtfoto perceel Heiderschoor 24 Pagina 2 van 5 Inleiding Op donderdag 3 april 2014 is door Dierenrijk
Beoogde uitbreiding zandwinning Netterden. Datum: woensdag 23 oktober 2013. Netterden Zand en Grind BV. Inleiding
Onderwerp: Beoogde uitbreiding zandwinning Netterden Datum: woensdag 23 oktober 2013 Van: Inleiding Netterden Zand en Grind BV Voorliggende notitie vormt een uitwerking van de kennismaking van de raden
Inhoudelijke overwegingen Zandwinning en zandsuppletie voor de kust van Texel Zuid West
www.rijksoverheid.nl/eleni Bijlage nummer 1 Horend bij Vergunning Nb-wet 1998 Contactpersoon Inhoudelijke overwegingen Zandwinning en zandsuppletie voor de kust van Texel Zuid West Bijlagen - DE AANVRAAG
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2008 158 Besluit van 29 april 2008, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug
Notitie Contactpersoon Gosewien van Eck Datum 14 november 2013 Kenmerk N001-1220333GGV-evp-V01-NL Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug 1 Inleiding De gemeente
Tussenresultaten De Zandmotor: Aanjager van innovatief kustonderhoud
Tussenresultaten 2011-2015 De Zandmotor: Aanjager van innovatief kustonderhoud De Zandmotor In 2011 is voor de kust van Ter Heijde en Kijkduin De Zandmotor aangelegd: een grote kunstmatige zandbank in
... Hoe ziet een Rijke Noordzee eruit?
... Hoe ziet een Rijke Noordzee eruit? Samen voor een gezonde zee!... Stichting De Noordzee is de onafhankelijke natuur- en milieuorganisatie die zich inzet voor een duurzaam gebruik van de Noordzee en
Inhoudelijke overwegingen Zandwinning en zandsuppletie voor de kust van Texel Midden (Noord-Holland)
Inhoudelijke overwegingen Zandwinning en zandsuppletie voor de kust van Texel Midden (Noord-Holland) Herman Gorterstraat 55 3511 EW UTRECHT Postbus 19143 3501 DC UTRECHT www.minlnv.nl T 070 888 32 00 F
Winning van aardgas in de velden Spijkenisse West, Spijkenisse Oost en Hekelingen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport
Winning van aardgas in de velden Spijkenisse West, Spijkenisse Oost en Hekelingen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 6 oktober 2004 / rapportnummer 1385-107 de Minister van Economische Zaken
Herziening PIP Greenportlane: Uitwerking nadere inzichten inzake nationale buisleidingenstrook Rotterdam - Ruhrgebied.
Herziening PIP Greenportlane: Uitwerking nadere inzichten inzake nationale buisleidingenstrook Rotterdam - Ruhrgebied. 1. Inleiding Deze Toelichting baseert zich op het inpassingsplan Greenportlane, zoals
Remote sensing in perspectief. Van kenniscyclus naar beleidscyclus. Roeland Allewijn. Rijksinstituut voor Kust en Zee
Remote sensing in perspectief Van kenniscyclus naar beleidscyclus Roeland Allewijn Rijksinstituut voor Kust en Zee Van jonge onderzoeker naar iets oudere manager De informatie- en kenniscyclus Van RS data
13.26085 Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu
II 13.26085 Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu > Retouradres Postbus 5807 2280 HV Rijswijk (ZH) Hoogheemraadschap Rijnland tav de heer Pieter de Booij Postbus 156 2300 AD LEIDEN RWS
Bijgaand doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen gesteld door de leden Jacobi en Cegerek (beiden PvdA) over waterveiligheid in het kustgebied.
> Retouradres Postbus 20901 2500 EX Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG Plesmanweg 1-6 2597 JG Den Haag Postbus 20901 2500 EX Den Haag T 070-456
MONITORING OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN 2014
MONITORING OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN 2014 Provincie Noord-Brabant MONITORING OPPERVLAKTEDELFSTOFFEN PROVINCIE NOORD-BRABANT VERSLAGJAAR 2014 In opdracht van Opgesteld door Auteurs provincie Noord-Brabant
Notitie bijvangst koolwaterstoffen bij aardwarmte
Notitie bijvangst koolwaterstoffen bij aardwarmte Aanleiding In bijna alle van de tot op heden in Nederland geboorde aardwarmteputten is naast warm water ook opgelost gas en in een enkel geval olie aangetroffen.
DE ZANDMOTOR SAMENVATTING MER
DE ZANDMOTOR SAMENVATTING MER FEBRUARI 2010 PILOTPROJECT ZANDMOTOR Het klimaat verandert en de druk van de zee op de Nederlandse kust neemt toe. Daarnaast is in de Zuidvleugel van de Randstad grote behoefte
Toenemende druk van de Zeespiegelstijging
Break-out Sessie Scheldemonding Toenemende druk van de Zeespiegelstijging Youri Meersschaut (VO-MOW) en Gert-Jan Liek (RWS) Kennis vroegere onderzoeksagenda s Toename getijslag belangrijk onderwerp in
Minimum VerwerkingsStandaard (MVS) voor baggerspecie
Minimum VerwerkingsStandaard (MVS) voor baggerspecie Handreiking voor vastlegging in vergunningen Wet milieubeheer 29 juli 2004 sikb/stukken/04.3392 1 Inleiding De MVS voor baggerspecie houdt in dat baggerspecie
Wijziging van de Mijnbouwwet (aanpassing van het vergunningsstelsel voor opsporen en winnen van aardwarmte)
Wijziging van de Mijnbouwwet (aanpassing van het vergunningsstelsel voor opsporen en winnen van aardwarmte) VOORSTEL VAN WET 8-6-2010 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
Risico-inventarisatie Gebiedsontwikkeling Poelkampen Zandwinlocatie
Risico-inventarisatie Gebiedsontwikkeling Poelkampen Zandwinlocatie Externe veiligheid Definitief In opdracht van: Vos Zand en Grind BV Grontmij Nederland B.V. De Bilt, 20 juli 2012 Inhoudsopgave 1 Inleiding...
OMGEVINGSVERGUNNING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN ZEELAND
OMGEVINGSVERGUNNING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN ZEELAND Aan: Yara Sluiskil B.V. Postbus 2 4540 AA Sluiskil Kenmerk: Afdeling: Vergunningverlening Datum: 26 juli 2017 Onderwerp: Omgevingsvergunning op grond
