Naslagwerk Natura 2000

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Naslagwerk Natura 2000"

Transcriptie

1 Naslagwerk Natura 2000 Alle door de Regiegroep Natura 2000 vastgestelde stukken (2006 t/m 2010) gebundeld; aangevuld met andere relevante notities. In dit document zijn nagenoeg alle notities, handleidingen etc. die de Regiegroep Natura 2000 in de periode 2006 t/m 2010 heeft vastgesteld gebundeld. Niet alle stukken omdat bijvoorbeeld sommige stukken gedateerd zijn. De stukken zijn in 2010 door het Steunpunt bijgewerkt en up to date gemaakt. In dit naslagwerk zijn de stukken op een logische manier geordend, zijn herhalingen verwijderd en is de terminologie zo veel mogelijk eenduidig gemaakt. Er zijn geen nieuwe onderwerpen of inzichten toegevoegd. Regiebureau/Steunpunt Natura 2000 versie 2, april

2 Colofon Dit is een uitgave van het Regiebureau Natura Naslagwerk Natura 2000 versie 2 april 2011 Samengesteld door: Bas Roels (Ministerie van EL&I), Patricia Wegerif (Rijkswaterstaat), Bouke Bouwman (Provincie Zeeland), Marijke Andela-Jaarsma (Regiebureau Natura 2000) en Anne-Marie de Wee-Barnas (Regiebureau Natura 2000). 1

3 Leeswijzer Het Naslagwerk Natura 2000 is een product van het Steunpunt Natura Dit Steunpunt, dat valt onder het Regiebureau Natura 2000, is in december 2006 opgericht door de ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Verkeer & Waterstaat, Defensie en het Interprovinciaal Overleg (namens de 12 provincies) 1. Het is primair bedoeld om de Natura 2000-partners de huidige ministeries van EL&I en I&M, het ministerie van Defensie en de provincies optimaal te laten profiteren van elkaars kennis, informatie en ervaringen. De secundaire doelgroep zijn de belangenorganisaties en adviesbureaus die werken voor de Natura 2000-partners. De afgelopen jaren heeft het Steunpunt Natura 2000 een hele reeks producten opgesteld, met als doel om beheerplanopstellers en vergunningverleners meer duidelijkheid te geven over wettelijke begrippen en te volgen procedures. De adviezen van het Steunpunt geven oplossingsrichtingen aan, maar hebben geen juridische status. In 2010 heeft het Steunpunt besloten om de aanwezige Steunpunt producten te bundelen tot één handzaam document, aangepast aan de diverse wetswijzigingen die de afgelopen jaren zijn opgetreden en aangepast aan het voortschrijdend inzicht en praktijkervaringen. Bij het bundelen van de documenten is eventuele overlap verwijderd. Onderhavig Naslagwerk Natura 2000 is het eindresultaat en vervangt derhalve de eerder uitgebrachte Steunpunt-documenten. Het naslagwerk richt zich met name op betrokkenen bij de Natura beheerplanprocessen en betrokkenen bij de Natuurbeschermingswetvergunningverlening. Dit naslagwerk zal met enige regelmaat aangepast worden aan de actuele situatie. Het verdient de aanbeveling om op te controleren of u in het bezit bent van de meest actuele versie. In deel 1 van dit naslagwerk wordt een korte introductie gegeven op het juridische kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en de Nederlandse implementatie van deze richtlijnen in de Natuurbeschermingswet In deel 2 wordt uitgebreid ingegaan op het beschermingsregime van de Natuurbeschermingswet Tevens wordt nader ingegaan op enkele wettelijke begrippen die een belangrijke rol spelen bij Natura 2000-beheerplannen en de vergunningverlening, zoals de definities van bestaand gebruik, projecten, handelingen etc. Eveneens wordt uitleg gegeven over de habitattoets, die voorgeschreven wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn en ook vereist is vanuit de Natuurbeschermingswet Zowel bestaand gebruik, nieuw gebruik en plannen moeten getoetst worden. Begrippen als cumulatie, significantie en externe werking, die een belangrijke rol spelen bij deze toetsing, komen in deel 2 ook uitgebreid aan bod. Deel 3 gaat nader in op de beheerplannen die voor ieder Natura 2000-gebied worden opgesteld; welke functie hebben de beheerplannen, wie zijn de betrokkenen bij het beheerplanproces en welke eisen worden er aan het beheerplan(proces) gesteld? Daarnaast wordt in dit deel van het naslagwerk uitgebreid ingegaan op de (juridische) status van het beheerplan. De wegwijzer in deel 4 van dit naslagwerk beoogt betrokkenen meer wegwijs te maken in het web van Natura 2000-websites, artikelen en documenten met relevante informatie voor beheerplanopstellers en vergunningverleners. 1 Met het aantreden van een nieuw kabinet op 14 oktober 2010 is het Ministerie van LNV opgegaan in het nieuwe Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en het Ministerie van VenW in het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). 2

4 Inhoud 1 Deel 1 Inleiding Achtergrond Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn... 7 Implementatie in nationale wet- en regelgeving Deel 2 Toetsing Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel Reikwijdte beschermingsregime Plannen, projecten, handelingen, activiteiten en bestaand gebruik Bevoegd gezag vergunningverlening Habitattoets Effectenanalyse Significantie Cumulatie Externe werking Verrekenen van effecten Deel 3 - Beheerplan Doel en functie van het beheerplan Wie stelt het Natura 2000-beheerplan op en vast Hoe stel je het beheerplan op en wat staat er in Checklist beheerplannen Juridische status en doorwerking beheerplannen Juridische houdbaarheid Calamiteiten Omgang met evenementen Afwegingskader sociaal economische aspecten Stikstof Strategie Water en Natura Deel 4 Wegwijzer naar ander bronnen Achtergronden van Natura 2000 in Nederland Termen om doelen aan te duiden Inhoudelijke documenten Internet Communicatiemiddelen Bijlagen Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Bijlage 3: Beslisnotitie voortouwnemer Bijlage 4: Checklist beheerplannen Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Bijlage 9: Toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets Bijlage 12: Mitigatie en Natura Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Bijlage 16: Monitoring Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan

5 4 Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen Bijlage 20: Omgang met evenementen Bijlage 21: Afwegingskader sociaal economische aspecten Bijlage 22: Strategie Water en Natura

6 1 Deel 1 Inleiding In dit deel wordt een algemene inleiding gegeven op Natura 2000, de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet In de andere delen wordt verder op de in dit deel aangestipte onderwerpen ingegaan Deel 1 Inleiding... 5 Achtergrond Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Implementatie in nationale wet- en regelgeving Natuurbeschermingswet Aanwijzing van Nederlandse gebieden Doelensystematiek Instrumenten voor het bereiken van de doelen: beheerplan en vergunningverlening Deel 2 Toetsing Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel Reikwijdte beschermingsregime Plannen, projecten, handelingen, activiteiten en bestaand gebruik Bestaand gebruik Feitelijk gebruik versus vergund gebruik Autonome ontwikkeling Bevoegd gezag vergunningverlening Habitattoets Voortoets/Oriëntatiefase De verslechteringstoets De passende beoordeling en ADC-toets Prioritaire soorten of habitats Relatie passende beoordeling en milieueffectrapportage Effectenanalyse Wanneer is er sprake van (negatief) effect? Afname van de populaties van soorten of van habitattypen Wie voert de effectenanalyse uit? Kwaliteitsborging Uitwerking effectenanalyses Uitwerking globale effectenanalyse Uitwerking Nadere Effectenanalyse Toelichting op de kruistabellen Voorwaarden voor nadere effectenanalyse Autonome en overige ontwikkelingen? veranderingen in samenstelling / aantallen van flora en fauna Significantie Inleiding Belang van nadere uitwerking van het begrip significante gevolgen Het begrip significante gevolgen Instandhoudingsdoelstellingen: relevante aspecten en precieze inhoud Oppervlakte habitattypen en omvang leefgebied van soorten Populatieomvang soorten Kwaliteitsaspecten Specifieke bijzonderheden en milieukenmerken Hoe dient toetsing plaats te vinden als er nog geen definitief aanwijzingsbesluit is? Omgaan met onzekerheden Wat is het principe van 'hand aan de kraan'? Wie beoordeelt of er sprake is van mogelijke significante gevolgen? Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Doelformulering getijdenwateren Cumulatie

7 2.8.1 Doel Scope en reikwijdte van deze paragraaf Probleemdefiniering Cumulatie in het Natura 2000-beheerplan Uitgangspunten Cumulatietoets Beheerplannen Stappenplan Cumulatietoets Richtinggevend advies voor politiek-bestuurlijke prioritering Cumulatie en vergunningverlening Externe werking Inleiding Omschrijving Afbakening Bepalende factoren Stappenplan Wettelijke basis externe werking Voorbeelden Specifieke omstandigheden en locatie van leefgebieden en habitattypen Onzekerheidsmarges Mitigatie en begrenzing Mitigatie en Natura Verrekenen van effecten Inleiding Definities van de juridische begrippen natuurinclusief ontwerp, mitigerende maatregel, saldering, cumulatie en compenserende maatregel Definities van categorieën maatregelen in het natuurbeheer Schematische voorbeelden en uitleg Natuurinclusief ontwerp Mitigatie Saldering Cumulatie Compensatie Jurisprudentieoverzicht mitigatie Deel 3 - Beheerplan Doel en functie van het beheerplan Doel van het beheerplan Functies van een beheerplan Wie stelt het Natura 2000-beheerplan op en vast Rol van het bevoegde gezag Voortouwnemer De juridische aspecten van beheerplannen Hoe stel je het beheerplan op en wat staat er in Plan van Aanpak Kader voor het beheerplan: het Programma van Eisen Omgaan met (ecologische) onzekerheden Checklist beheerplannen Juridische status en doorwerking beheerplannen Quasi vrijstelling Beleidsregel Beleidsplan/uitvoeringsprogramma Verzekering doorwerking Via overeenstemming en bestuursovereenkomst Via dwangmiddelen Draagvlak Juridische houdbaarheid Onderbouwing Onzekerheden Andere aspecten Beroep tegen beheerplan

8 3.7 Calamiteiten Omgang met evenementen Afwegingskader sociaal economische aspecten Stikstof Strategie Water en Natura Deel 4 Wegwijzer naar ander bronnen Achtergronden van Natura 2000 in Nederland Termen om doelen aan te duiden Inhoudelijke documenten Internet Communicatiemiddelen Bijlagen Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Bijlage 4: Checklist beheerplannen Checklist beheerplannen Natura Inhoudsopgave Voorwoord Voorwoord Doel Zorgvuldigheid van het proces Betrokken partijen Risico-analyse Communicatie Zorgvuldigheid van de inhoud Instandhoudingsdoelstellingen Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen Bestaand gebruik en toetsing aan instandhoudingsdoelstellingen Maatregelen Bestaand beleid en regelgeving Monitoring Documenten nodig voor beheerplancheck: Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Introductie Karakteristiek van het Natura 2000-gebied Geografische en bestuurlijke kenmerken Begrenzing Natura 2000-gebied Eigendomssituatie Waarden van het gebied, ecologische samenhang en internationaal belang van het gebied Instandhoudingsdoelstellingen Huidige staat van instandhouding en trends in het gebied Maatschappelijke context: samenleving/gebruikers en overlegplatforms Gebruik in het Natura 2000-gebied en externe werking Inleiding 152 Waarom een beschrijving van het gebruik Beschrijven van het gebruik: in detail of globaal Relatie met andere relevante plannen en regelgeving Inleiding 154 Beleidsplannen van het rijk en andere overheden (Inter)nationale regelgeving Internationale afspraken Visie voor het Natura 2000-gebied Inleiding 158 Instandhoudingsdoelstellingen uitwerken in het beheerplan Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd (Ecologische) randvoorwaarden Knelpunten van het gebruik Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan

9 Wat zijn instandhoudingsmaatregelen? Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Monitoring Inleiding 165 Monitoring in hoofdlijnen: wat is de Europese verplichting en wat zijn de verantwoordelijkheden? 165 Hoe geeft het rijk invulling aan de Europese verplichting tot monitoring Wat dient het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan te regelen op het gebied van monitoring? Financiering van het opstellen en uitvoeren van een beheerplan Inleiding 169 Inzet van bestaande middelen Europese cofinanciering voor uitvoering van beheersmaatregelen in Natura 2000-gebieden Communicatie, educatie en voorlichting in het gebied Inleiding 171 Doel van communicatie, educatie en voorlichting in een Natura 2000-gebied Doelgroepen Communicatiemiddelen Organisatie Bijlagen bij het beheerplan Nadere toelichting op het proces voor het opstellen van een beheerplan Wie neemt het initiatief Keuzes bij het opstellen van het beheerplan De aanpak van het proces Wie worden betrokken bij het totstandkomings proces en op welke wijze Kennis 175 Toetsen artikel 19j Vaststellen beheerplan Geldigheidsduur Evaluatie 177 Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Bijlage 9: Toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets Bijlage 12: Mitigatie en Natura Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Bijlage 16: Monitoring Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen Bijlage 20: Omgang met evenementen Bijlage 21 Afwegingskader sociaal economische aspecten Uit Leemkuilen Bijlage 22 Strategie Water en Natura I Kader II Doel III Aanpak IV Prioritaire acties

10 1.1 Achtergrond De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. De Europese Unie (EU) heeft zich ten doel gesteld de achteruitgang van de biodiversiteit in 2010 te stoppen (Göteberg, 2003). De Vogelrichtlijn 2 en de Habitatrichtlijn 3 zijn de hoekstenen van de Europese wetgeving over de instandhouding van de natuur. De Vogelrichtlijn is in 1979 door de lidstaten van de EU goedgekeurd en heeft tot doel alle wilde vogels en hun belangrijkste habitats in de hele EU te beschermen. Met de richtlijn wordt een einde gemaakt aan praktijken zoals het houden en verkopen van inheemse wilde vogels en het niet-selectief doden, en wordt een wettelijk kader ingevoerd voor de regulering en duurzame uitoefening van andere activiteiten, zoals de jacht. De richtlijn verplicht de 27 lidstaten bovendien tot de bescherming van gebieden die uitermate belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten. Hierbij moet speciale aandacht worden besteed aan waterrijke gebieden van internationaal belang (Wetlands). In 1992 hebben de lidstaten van de EU de Habitatrichtlijn goedgekeurd. De maatregelen die krachtens deze richtlijn worden ingevoerd ter bescherming van de natuur in Europa, zijn vergelijkbaar met die van de Vogelrichtlijn, maar hebben betrekking op een veel groter aantal zeldzame, bedreigde of inheemse soorten, inclusief meer dan duizend dieren- en plantensoorten. Bovendien wordt voor het eerst doelgerichte bescherming gevraagd van ongeveer 230 zeldzame en bijzondere typen habitats. Beide richtlijnen samen vormen het meest ambitieuze en grootschalige initiatief dat ooit is genomen om het natuurlijke erfgoed in de hele EU in stand te houden. Naast de bescherming van specifieke flora en fauna, hebben beide natuurbeschermingsrichtlijnen eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. Dit wordt beoogd door de aanwijzing van beschermde gebieden, die tezamen het Europees ecologisch netwerk van beschermde natuurgebieden vormen: Natura Dit netwerk heeft als doelstelling het waarborgen van de biodiversiteit in Europa. In dit verband is de afspraak gemaakt dat de lidstaten van de EU alle maatregelen nemen die nodig zijn om een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitattypen van communautair belang te realiseren. Het betreft de habitattypen zoals opgenomen in bijlage I en de soorten zoals opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit geldt ook voor de vogelsoorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden zijn aangewezen. Voor Nederland gaat het om 51 habitattypen, 36 soorten en 95 vogelsoorten. Gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat: hiervan is sprake als het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van dat habitat binnen het gebied stabiel zijn of toenemen, én als de voor behoud op langere termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in afzienbare tijd vermoedelijk zullen blijven bestaan, én wanneer de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is. Gunstige staat van instandhouding van een soort: hiervan is sprake als uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt en dat vermoedelijk op de lange termijn zal blijven, én wanneer het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd kleiner lijkt te worden, én wanneer er voldoende grote habitat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Bron: Habitatrichtlijn, Europese Commissie. 2 richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand 3 richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna 9

11 Bij de vormgeving en de keuze van de maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden. Het is evident dat aan te nemen maatregelen in het kader van veiligheid een zwaar gewicht wordt toegekend. Volgens vaste jurisprudentie kunnen bij de selectie en de begrenzing van de gebieden echter alleen ecologische criteria worden gehanteerd. 1.2 Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn tweeledig van aard: enerzijds gaan deze richtlijnen over de bescherming van soorten en habitats door middel van het aanwijzen van beschermde gebieden, anderzijds kennen beide richtlijnen een deel dat gaat over algemene soortenbescherming (ongeacht waar deze voorkomen) (dit is geregeld in de Flora- en faunawet). Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op de rechtsgevolgen die beide richtlijnen met zich meebrengen ten aanzien van de bescherming van soorten en habitats in daarvoor aangewezen, beschermde gebieden. Ecologisch netwerk Natura 2000 Artikel 3 van de Habitatrichtlijn vormt de basis voor het Europese, ecologische netwerk Natura Dit netwerk moet volgens dit artikel bestaan uit gebieden met de habitats uit bijlage I en de soorten uit bijlage II van de richtlijn. Ingevolge dit artikel bestrijkt Natura 2000 ook de speciale beschermingszones die aangewezen zijn of worden conform de Vogelrichtlijn. Aanwijzing Speciale Beschermingszones Artikel 4 (lid 4) van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten een gebied dat door de Europese Commissie als gebied van communautair belang is verklaard, uiterlijk binnen zes jaar aan te wijzen als Speciale Beschermingszone (SBZ). De lidstaat dient daarbij prioriteiten vast te stellen, gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van de habitats en soorten uit de bijlagen I en II van de richtlijn, waarbij volgens artikel 11 van de richtlijn bijzondere aandacht geschonken dient te worden aan de in die bijlagen opgenomen prioritaire habitats en soorten. Daarnaast dient de lidstaat ook te letten op de bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging van het te beschermen gebied en de algemene coherentie van Natura Rechtsgevolgen aanwijzing Het is met name artikel 6 uit de Habitatrichtlijn die de bescherming en het behoud van de habitats en soorten in de Natura 2000-gebieden regelt. Dit artikel is van toepassing op de gebieden van communautair belang die op de (ontwerp)lijst staan van de Europese Commissie (artikel 4 lid 2 Habitatrichtlijn), alsmede de gebieden die door Nederland (voorlopig) zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Artikel 7 bepaalt vervolgens dat de rechtswerking van artikel 6 niet alleen van toepassing is op de gebieden die in het kader van de Habitatrichtlijn worden aangewezen, maar ook op gebieden die in het kader van de Vogelrichtlijn zijn aangemeld (artikel 4 lid 4 van de Vogelrichtlijn vervalt daarmee). Artikel 6 Habitatrichtlijn 1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen. 2. De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n 10

12 gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. 4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. 1.3 Implementatie in nationale wet- en regelgeving De internationale verplichtingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn die betrekking hebben op de bescherming van specifieke soorten, zijn in Nederland juridisch verankerd in de Flora- en faunawet. Het deel van beide richtlijnen dat gaat over de bescherming van habitats en soorten door middel van de aanwijzing van beschermde gebieden, is in Nederland verankerd in de Natuurbeschermingswet Deze twee nationale juridische instrumenten, die uitvoering geven aan Europese regelgeving op het gebied van natuur, kunnen niet los worden gezien van het nationale natuurbeleid dat reeds eerder in Nederland in gang is gezet; de vorming van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Dit netwerk van gebieden is door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) 4 in 1989 geïntroduceerd in het toenmalige Natuurbeleidsplan. De EHS betreft een netwerk van zowel grote als kleine gebieden in Nederland waar de natuur in feite voorrang heeft. De EHS is bedoeld om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden en bestaat uit: bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen; landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden); grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). In de EHS geldt het 'nee, tenzij' principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen die de wezenlijke waarden en kenmerken aantasten niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van een ingreep moeten worden gecompenseerd. De grote wateren alsmede ongeveer 45 procent van alle hectares EHS op het land, is inmiddels ook (in ontwerp) aangewezen als Natura 2000-gebied Natuurbeschermingswet 1998 De Natuurbeschermingswet 1998 regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten met gebieden die zijn aangewezen als Natura De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000-ontwerp- of conceptaanwijzingsbesluit. 4 Met het aantreden van een nieuw kabinet op 14 oktober 2010 is het Ministerie van LNV opgegaan in het nieuwe Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). 11

13 De Natuurbeschermingswet 1998 biedt het juridische kader voor de aanwijzing van de beschermde natuurgebieden, de vergunningverlening, de rol van het Bevoegd Gezag en de Natura beheerplannen. De Natuurbeschermingswet 1998 heeft de afgelopen jaren op diverse momenten wijzigingen ondergaan (o.a. als gevolg van de Crisis en Herstelwet op 31 maart 2010). In dit naslagwerk is uitgegaan van de wettekst op 26 juli De meest actuele, volledige wettekst is te vinden op Reikwijdte beschermingsregime Natuurbeschermingswet 1998 De reikwijdte van het beschermingsregime van de Natuurbeschermingswet 1998 is per 1 februari 2009 uitgebreid tot gebieden die al wel op de Europese lijst van gebieden van communautair belang staan, maar nationaal nog niet zijn aangewezen. Hiertoe is een definitiebepaling van Natura gebied opgenomen in de wet. Deze wijziging heeft tot gevolg dat het hele beschermingsregime, inclusief de vergunningplicht van artikel 19d en aanschrijvingsbevoegdheid, geldt in Habitatrichtlijngebieden die wel op de communautaire lijst staan maar nog niet nationaal zijn aangewezen. De Natuurbeschermingswet 1998 is op dit moment nog niet van toepassing op de exclusief economisch zone van de Noordzee (EEZ), hiervoor is een wetsvoorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998 op 3 juli 2009 bij de Tweede Kamer ingediend Aanwijzing van Nederlandse gebieden Nederland heeft de afgelopen jaren 166 gebieden aangemeld bij de EU, die deze gebieden op de officiële EU-lijst van Natura 2000-gebieden heeft geplaatst. Daarvan zijn vier gebieden in de Noordzee inmiddels ook in procedure gebracht, zodat deze binnenkort toegevoegd kunnen worden aan het Nederlandse deel van het Natura 2000-netwerk. Na plaatsing op de EU-lijst moeten alle Natura 2000-gebieden in Nederland officieel worden aangewezen. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. De al eerder aangewezen Vogelrichtlijngebieden worden daarbij opnieuw aangewezen. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is in 2007 begonnen. Ieder gebied wordt aangewezen door de Minister van EL&I met een aanwijzingsbesluit. Een aanwijzingsbesluit gaat over de selectie, begrenzing en natuurdoelen van het Natura 2000-gebied. De aanwijzing gaat gepaard met een inspraakprocedure. Alle informatie over de laatste stand van zaken en de inspraakprocedures is te vinden op de website van EL&I ( Uiterlijk december 2010 moesten alle gebieden zijn aangewezen. Op 31 december 2010 waren de definitieve aanwijzingsbesluiten voor 56 gebieden ondertekend. De actuele stand van zaken met betrekking tot de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden is te vinden op de website van EL&I ( De selectie en begrenzing van de gebieden en de doelstellingen gebeurt op basis van ecologische argumenten. Sociale en economische factoren mogen juridisch gezien bij de selectie en begrenzing van deze gebieden geen rol spelen. Daarentegen is bij de begrenzing van gebieden wel uitgegaan van een algemene exclaveringsformule dat bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofd(spoor)wegen geen deel uitmaken van het aangewezen gebied, tenzij het betreffende object wordt bedekt door een habitattype of een onderdeel is van het leefgebied van een beschermde soort Doelensystematiek In het Natura 2000-doelendocument (ministerie van EL&I) wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de doelensystematiek die gehanteerd is bij de totstandkoming van de instandhoudingsdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten. Hieronder volgt een verkorte weergave. 5 Tweede Kamer, 32002, nr. 1 en volgende. 12

14 De Natura 2000-doelen geven weer wat er nodig is voor een gunstige staat van instandhouding. Deze doelen zijn zowel op landelijk niveau als specifiek voor alle gebieden geformuleerd. Het totaal van al deze doelen laat zien welke bijdrage Nederland zal leveren aan het Europese netwerk van Natura 2000-gebieden. Hierbij zijn zowel op landelijk als op gebiedsniveau keuzes gemaakt. Deze keuzes zijn gebaseerd op acht hoofdlijnen voor de formulering van de Natura 2000-doelen, die hieronder verkort worden weergegeven: Maximaal aansluiten bij het nationale beleid, met name het realiseren van de ecologische hoofdstructuur. Haalbare en betaalbare doelstellingen, die zo min mogelijk inspanningen en gevolgen voor burgers en economische sectoren met zich meebrengen. Bestaande kwaliteit en omvang zowel landelijk als per gebied behouden en waar nodig verbeteren. Een hogere inzet nastreven voor soorten en habitattypen waar Nederland relatief belangrijker voor is of die sterk onder druk staan. Een minder hoge inzet nastreven waar verbetering redelijkerwijs niet te verwachten is. Anticiperen op natuurlijke dynamiek en klimaatverandering door doelstellingen robuust in de tijd te formuleren. Doelen dienen sturend te zijn voor bescherming en het beheer van de gebieden, met ruimte voor lokale concretisering. Bij het vaststellen van de doelen wordt uitgegaan van de bestaande budgetten voor beheer. De doelen uit het aanwijzingsbesluit dienen nader uitgewerkt te worden in het Natura beheerplan in omvang, ruimte en tijd. In deze beheerplannen wordt aangegeven waar precies en met welk tempo maatregelen genomen worden om doelen te bereiken. Uitgangspunt is en blijft dat de condities voor de habitattypen en soorten niet mogen verslechteren. Dit betekent ook dat in de Natura 2000-beheerplannen aangegeven wordt in welk tempo een behoud- of verbeterdoel gerealiseerd gaat worden. Ten behoeve van de hiervoor genoemde nadere uitwerking in omvang, ruimte en tijd, wordt met behulp van kernopgaven, behoud- of verbeterdoelen, sense of urgency en zogenoemde ten gunste formuleringen, voor zover nodig, nader richting gegeven. Kernopgaven Met de kernopgaven wordt aangegeven wat de belangrijkste bijdragen van een concreet gebied zijn aan Natura De kernopgaven geven daarnaast een beeld van de belangrijkste knoppen waaraan gedraaid zou moeten worden om de bijdrage te kunnen blijven leveren of op termijn te gaan leveren. De kernopgaven vormen een belangrijk hulpmiddel bij de focus en de eventueel noodzakelijke prioritering binnen de Natura 2000-beheerplannen. Behoud- en verbeterdoelen Er wordt richting gegeven door aan te geven of het doel alleen is gericht op behoud van de bestaande situatie of op verbetering van de situatie. Vanuit de Natura 2000-doelen op landelijk niveau en een beoordeling van de situatie in de concrete gebieden wordt aangegeven of de bijdrage van een concreet gebied voldoende is (behouddoel) of dat het gebied op termijn een grotere bijdrage (verbeterdoel) voor de realisering van het doel op landelijk niveau moet gaan leveren. Sence of Urgency Met sense of urgency wordt richting gegeven aan het tempo van realisering van de doelen (en aan de inzet van noodzakelijke maatregelen). Gezien de huidige staat van instandhouding op landelijk niveau en gezien de situatie in de concrete gebieden is aan een aantal kernopgaven deze sense of urgency toegekend. Van sense of urgency is sprake wanneer binnen nu en 10 jaar mogelijk een onherstelbare situatie ontstaat. Een sense of urgency kan een probleem met de watercondities of met het terreinbeheer betreffen. Ten gunste van In een beperkt aantal situaties is gewerkt met zogenoemde ten gunste -formuleringen. Dit betekent dat voor een bepaalde soort of habitattype enige afname is toegestaan ten gunste van een andere 13

15 soort of habitattype. Als binnen een concreet gebied onvoldoende ruimte is om beide doelen naast elkaar te realiseren, wordt de keuze gemaakt in de aanwijzingsbesluiten. Zo is bijvoorbeeld voor een aantal ganzensoorten aangegeven dat de omvang van het foerageergebied enigszins mag afnemen ten gunste van bijvoorbeeld vochtige alluviale bossen of stroomdalgraslanden. De ten gunste - formulering is zo terughoudend als mogelijk toegepast. Dit betekent dat voor de andere doelen bij de verdere uitwerking van de doelen in de beheerplannen voldoende ruimte in de gebieden is om de doelen in omvang, ruimte en tijd nader uit te werken. Complementaire doelen Voor een aantal habitattypen en soorten dragen de voorkomens buiten de Natura 2000-gebieden bij aan de realisering van het landelijk doel. Voor een beperkt aantal habitattypen en soorten is gekozen om zogenoemde complementaire doelen te formuleren. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor blauwgraslanden een doel is geformuleerd in een Vogelrichtlijngebied. Het betreft habitattypen en soorten waarvoor Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft en die onder druk staan. Eén van de redenen is om de opgave te focussen op de Natura 2000-gebieden. Tevens zijn in een beperkt aantal situaties doelen geformuleerd voor de ontwikkeling van nog niet aanwezige waarden, bijvoorbeeld voor actieve hoogvenen. De complementaire doelen zijn niet aangemeld bij de Europese Commissie en genieten een milder beschermingsregime dan de overige instandhoudingsdoelstellingen, te weten gelijk aan de Beschermde Natuurmonumenten die geen Natura 2000-gebied zijn Instrumenten voor het bereiken van de doelen: beheerplan en vergunningverlening Twee belangrijke instrumenten die het mogelijk moeten maken om in Nederland de Natura doelen te bereiken zijn de beheerplannen en het instrument van vergunningverlening. Beheerplannen Voor elk Natura 2000-gebied in Nederland moet volgens de Natuurbeschermingswet 1998 een Natura 2000-beheerplan worden opgesteld. Hierin staat wat er moet gebeuren om de natuurdoelen voor dat gebied te halen en wie dat gaat doen. Ook staat er in welke activiteiten in het gebied mogen plaatsvinden zonder dat daar een vergunning voor nodig is. In de meeste gevallen neemt de provincie het voortouw bij het opstellen van het beheerplan, voor de overige gebieden is dat het Rijk. Alle belanghebbenden worden bij de ontwikkeling van het beheerplan betrokken. De beheerplannen moeten uiterlijk drie jaar na definitieve aanwijzing van het gebied gereed zijn. Informatie over de beheerplannen en het beheerplanproces vindt u op Voordat het beheerplan definitief wordt vastgesteld, gaat het ontwerp-beheerplan de inspraak in en bestaat er voor belanghebbenden de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Tegen de definitieve versie van het beheerplan kan in beroep worden gegaan. In deel 3 wordt nader ingegaan op het beheerplan. Vergunningverlening Het ondernemen van activiteiten in en rondom een Natura 2000-gebied kan gevolgen hebben voor de natuur in dat gebied. In bepaalde gevallen is daarom een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig. Deze vergunningen worden meestal verleend door de provincies, maar in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld militaire activiteiten) door het ministerie van EL&I. Deel 2 gaat verder in op de vergunningverlening alsmede de habitattoets die doorlopen moet worden om te kunnen bepalen of projecten, plannen of andere handelingen vergunningplichtig zijn in het kader van de Natuurbeschermingswet. 14

16 15

17 2 Deel 2 Toetsing In dit deel wordt de toetsing behandeld. De Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet 1998 schrijven de habitattoets voor. Deze toets is bedoeld om te bepalen of er sprake kan zijn van mogelijke significante effecten die de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen. Zowel bestaand gebruik, in de beheerplannen, nieuw gebruik en plannen moeten getoetst worden. 1 Deel 1 Inleiding Achtergrond Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Implementatie in nationale wet- en regelgeving Natuurbeschermingswet Aanwijzing van Nederlandse gebieden Doelensystematiek Instrumenten voor het bereiken van de doelen: beheerplan en vergunningverlening Deel 2 Toetsing Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel Reikwijdte beschermingsregime Plannen, projecten, handelingen, activiteiten en bestaand gebruik Bestaand gebruik Feitelijk gebruik versus vergund gebruik Autonome ontwikkeling Bevoegd gezag vergunningverlening Habitattoets Voortoets/Oriëntatiefase De verslechteringstoets De passende beoordeling en ADC-toets Prioritaire soorten of habitats Relatie passende beoordeling en milieueffectrapportage Effectenanalyse Wanneer is er sprake van (negatief) effect? Afname van de populaties van soorten of van habitattypen Wie voert de effectenanalyse uit? Kwaliteitsborging Uitwerking effectenanalyses Uitwerking globale effectenanalyse Uitwerking Nadere Effectenanalyse Toelichting op de kruistabellen Voorwaarden voor nadere effectenanalyse Autonome en overige ontwikkelingen? veranderingen in samenstelling / aantallen van flora en fauna Significantie Inleiding Belang van nadere uitwerking van het begrip significante gevolgen Het begrip significante gevolgen Instandhoudingsdoelstellingen: relevante aspecten en precieze inhoud Oppervlakte habitattypen en omvang leefgebied van soorten Populatieomvang soorten Kwaliteitsaspecten Specifieke bijzonderheden en milieukenmerken Hoe dient toetsing plaats te vinden als er nog geen definitief aanwijzingsbesluit is? Omgaan met onzekerheden Wat is het principe van 'hand aan de kraan'? Wie beoordeelt of er sprake is van mogelijke significante gevolgen? Juridische achtergrond van de term significante gevolgen

18 Doelformulering getijdenwateren Cumulatie Doel Scope en reikwijdte van deze paragraaf Probleemdefiniering Cumulatie in het Natura 2000-beheerplan Uitgangspunten Cumulatietoets Beheerplannen Stappenplan Cumulatietoets Richtinggevend advies voor politiek-bestuurlijke prioritering Cumulatie en vergunningverlening Externe werking Inleiding Omschrijving Afbakening Bepalende factoren Stappenplan Wettelijke basis externe werking Voorbeelden Specifieke omstandigheden en locatie van leefgebieden en habitattypen Onzekerheidsmarges Mitigatie en begrenzing Mitigatie en Natura Verrekenen van effecten Inleiding Definities van de juridische begrippen natuurinclusief ontwerp, mitigerende maatregel, saldering, cumulatie en compenserende maatregel Definities van categorieën maatregelen in het natuurbeheer Schematische voorbeelden en uitleg Natuurinclusief ontwerp Mitigatie Saldering Cumulatie Compensatie Jurisprudentieoverzicht mitigatie Deel 3 - Beheerplan Doel en functie van het beheerplan Doel van het beheerplan Functies van een beheerplan Wie stelt het Natura 2000-beheerplan op en vast Rol van het bevoegde gezag Voortouwnemer De juridische aspecten van beheerplannen Hoe stel je het beheerplan op en wat staat er in Plan van Aanpak Kader voor het beheerplan: het Programma van Eisen Omgaan met (ecologische) onzekerheden Checklist beheerplannen Juridische status en doorwerking beheerplannen Quasi vrijstelling Beleidsregel Beleidsplan/uitvoeringsprogramma Verzekering doorwerking Via overeenstemming en bestuursovereenkomst Via dwangmiddelen Draagvlak Juridische houdbaarheid Onderbouwing Onzekerheden

19 3.6.3 Andere aspecten Beroep tegen beheerplan Calamiteiten Omgang met evenementen Afwegingskader sociaal economische aspecten Stikstof Strategie Water en Natura Deel 4 Wegwijzer naar ander bronnen Achtergronden van Natura 2000 in Nederland Termen om doelen aan te duiden Inhoudelijke documenten Internet Communicatiemiddelen Bijlagen Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Bijlage 4: Checklist beheerplannen Checklist beheerplannen Natura Inhoudsopgave Voorwoord Voorwoord Doel Zorgvuldigheid van het proces Betrokken partijen Risico-analyse Communicatie Zorgvuldigheid van de inhoud Instandhoudingsdoelstellingen Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen Bestaand gebruik en toetsing aan instandhoudingsdoelstellingen Maatregelen Bestaand beleid en regelgeving Monitoring Documenten nodig voor beheerplancheck: Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Introductie Karakteristiek van het Natura 2000-gebied Geografische en bestuurlijke kenmerken Begrenzing Natura 2000-gebied Eigendomssituatie Waarden van het gebied, ecologische samenhang en internationaal belang van het gebied Instandhoudingsdoelstellingen Huidige staat van instandhouding en trends in het gebied Maatschappelijke context: samenleving/gebruikers en overlegplatforms Gebruik in het Natura 2000-gebied en externe werking Inleiding 154 Waarom een beschrijving van het gebruik Beschrijven van het gebruik: in detail of globaal Relatie met andere relevante plannen en regelgeving Inleiding 156 Beleidsplannen van het rijk en andere overheden (Inter)nationale regelgeving Internationale afspraken Visie voor het Natura 2000-gebied Inleiding 160 Instandhoudingsdoelstellingen uitwerken in het beheerplan Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd (Ecologische) randvoorwaarden

20 Knelpunten van het gebruik Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Wat zijn instandhoudingsmaatregelen? Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Monitoring Inleiding 167 Monitoring in hoofdlijnen: wat is de Europese verplichting en wat zijn de verantwoordelijkheden? 167 Hoe geeft het rijk invulling aan de Europese verplichting tot monitoring Wat dient het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan te regelen op het gebied van monitoring? Financiering van het opstellen en uitvoeren van een beheerplan Inleiding 171 Inzet van bestaande middelen Europese cofinanciering voor uitvoering van beheersmaatregelen in Natura 2000-gebieden Communicatie, educatie en voorlichting in het gebied Inleiding 173 Doel van communicatie, educatie en voorlichting in een Natura 2000-gebied Doelgroepen Communicatiemiddelen Organisatie Bijlagen bij het beheerplan Nadere toelichting op het proces voor het opstellen van een beheerplan Wie neemt het initiatief Keuzes bij het opstellen van het beheerplan De aanpak van het proces Wie worden betrokken bij het totstandkomings proces en op welke wijze Kennis 177 Toetsen artikel 19j Vaststellen beheerplan Geldigheidsduur Evaluatie 179 Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Bijlage 9: Toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets Bijlage 12: Mitigatie en Natura Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Bijlage 16: Monitoring Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen Bijlage 20: Omgang met evenementen Bijlage 21 Afwegingskader sociaal economische aspecten Uit Leemkuilen Bijlage 22 Strategie Water en Natura I Kader II Doel III Aanpak IV Prioritaire acties

21 2.1 Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel Activiteiten waarvan niet op voorhand zeker is dat ze geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen leveren zijn vergunningplichtig. Een vergunning wordt pas verleend als zekerheid is verkregen dat er geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen dreigt. Mogelijk worden hierbij ook voorwaarden aan de uitvoering van de activiteit gesteld. Dit alles wordt bepaald in het kader van een zogenaamde habitattoets. Belangrijk hierbij is dat het voorzorgsbeginsel gehanteerd wordt. Toestemming wordt alleen verleend als op basis van de beste wetenschappelijke kennis maximale zekerheid kan worden verschaft dat de activiteit (zowel op zichzelf als in combinatie met andere activiteiten) de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt. Bij twijfel wordt geen toestemming verleend. Het is belangrijk om te constateren dat absolute zekerheid nooit te bieden is en met het voorzorgsbeginsel niet het onmogelijke gevraagd wordt. Bedoeld wordt dat alle redelijkerwijs te leveren zekerheid geboden wordt. De instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen houdt in dat de activiteit negatieve effecten veroorzaakt die het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen verhinderen of tegenwerken, er is dan sprake van zogenaamde significant-negatieve effecten of gevolgen (zie paragraaf 2.7) Ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen, denk aan geluidsverstoring of verdroging door wateronttrekking. Dit wordt externe werking genoemd (zie paragraaf 2.9). 2.2 Reikwijdte beschermingsregime De reikwijdte van het beschermingsregime van de Natuurbeschermingswet is per 1 februari 2009 uitgebreid tot gebieden die al wel op de Europese lijst van gebieden van communautair belang staan, maar nationaal nog niet zijn aangewezen. Hiertoe is een definitiebepaling van Natura 2000-gebied opgenomen in de wet. Deze wijziging heeft tot gevolg dat het hele beschermingsregime, inclusief de vergunningplicht van artikel 19d en aanschrijvingsbevoegdheid, gaat gelden in Habitatrichtlijngebieden die wel op de communautaire lijst staan maar nog niet nationaal zijn aangewezen. Het is relevant om in alle gevallen ook de meest recente informatie uit de ontwerp- of concept aanwijzingsbesluiten te betrekken in de beoordeling van de vergunningaanvraag. De Natuurbeschermingswet 1998 is op dit moment nog niet van toepassing op de exclusief economisch zone van de Noordzee (EEZ), hiervoor is een wetsvoorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998 op 3 juli 2009 bij de Tweede Kamer ingediend Plannen, projecten, handelingen, activiteiten en bestaand gebruik Belangrijk om te weten is welke activiteiten allemaal onder de vergunningplicht van de Natuurbeschermingswet 1998 vallen. De Habitatrichtlijn spreekt over projecten en de Natuurbeschermingswet 1998 over projecten en andere handelingen. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn geven echter geen duidelijke definities. De leidraad Beheer van Natura 2000-gebieden (Europese Commissie, 2000) gebruikt de definitie uit de MER-richtlijn, die het begrip activiteit omschrijft als: de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken en andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. Deze definitie wordt ook in de jurisprudentie gehanteerd. 6 Tweede Kamer, 32002, nr. 1 en volgende. 20

22 Door de ruime uitleg van het begrip activiteit valt hier bijna elke handeling onder en daarom wordt vaak gesproken over activiteiten. Het in de Natuurbeschermingswet 1998 gemaakte onderscheid tussen projecten en andere handelingen is daarmee van minder belang. Met het Kokkelvisserijarrest 7 is duidelijk geworden dat de werking van de richtlijnen zich niet alleen uitstrekken tot nieuw te starten activiteiten, maar ook tot activiteiten die al voor de inwerkingtreding van de richtlijnen plaatsvonden. Deze activiteiten worden bestaand gebruik genoemd, denk aan het houden van vee in een stal of waterwinning. Daarnaast vallen ook plannen onder de werking van de richtlijnen en Natuurbeschermingswet Ook plannen moeten in voorkomende gevallen getoetst worden. Deze toetsing gebeurt in de regel op een detailniveau dat zich verhoudt met het abstractieniveau van het plan Bestaand gebruik De Natuurbeschermingswet 1998 definieert bestaand gebruik als alle activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 (peildatum is 1 oktober 2005) in of rondom een Natura 2000-gebied plaatsvonden en sedertdien niet of niet in betekende mate zijn gewijzigd. Maar ook, iedere activiteit die na 1 oktober 2005 is begonnen en werd verricht op het moment van aanwijzing van het gebied als Beschermd Natuurmonument, aanwijzing als Vogelrichtlijngebied of aanmelding van het gebied bij de Europese Commissie als Habitatrichtlijngebied, en sindsdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd. Deze activiteiten zijn in principe vrijgesteld van de vergunningplicht. De precieze definitie van bestaand gebruik is dus van belang omdat het bepaalt voor welke activiteiten de vergunningplicht niet geldt. Overigens hebben de bevoegde gezagen voor de beheerplannen afgesproken (zie bijlage 1) om in de beheerplannen het bestaand gebruik zo veel mogelijk op te nemen en te toetsen. Dit geeft namelijk meer duidelijkheid en zekerheid. Onder de definitie van bestaand gebruik vallen met een activiteit betekent namelijk niet dat negatieve effecten toegestaan zijn. Het kan zo zijn dat bestaand gebruik negatieve effecten heeft die uiteindelijk onomkeerbare schade veroorzaken aan de instandhoudingsdoelstellingen. In dat geval moet de Minister ingrijpen door middel van de zogenaamde aanschrijvingsbevoegdheid. Een andere uitzondering vormt bestaand gebruik dat eigenlijk als nieuwe activiteit gezien moet worden omdat ze jaarlijks aanzienlijk wijzigt of waarbij de (natuurlijke) omstandigheden grote wijzigingen vertonen (bijvoorbeeld mosselzaadvisserij). Hetzelfde geldt voor activiteiten die nog niet geheel overzien kunnen worden, waarvan de details nog niet bekend zijn of die in betekende mate aan verandering onderhevig zijn. Bijlage 2 bevat het volledige document Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Dit document behandelt een aantal cruciale begrippen uit de Natuurbeschermingswet: bestaand gebruik, significantie, cumulatie en externe werking. Deze begrippen zijn leidend in de uitwerking van verschillende stappen in het Natura 2000-proces: opstellen beheerplannen en verlening van Nb-wet vergunningen. Het doel van het document is eenduidigheid in de toepassing van de begrippen aan te brengen. Het document is uitdrukkelijk bedoeld als praktisch hulpmiddel (werkdocument) en dient als aanvulling op de bestaande Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998 en de Handreiking Beheerplannen Natura 2000-gebieden. ( Feitelijk gebruik versus vergund gebruik Onder bestaand gebruik worden dus alle activiteiten verstaan die op het moment van inwerkingtreden van de Natuurbeschermingswet 1998 ( ) in of rondom een Natura 2000-gebied plaatsvonden en sedertdien niet of niet in betekende mate zijn gewijzigd. In het beheerplanproces zullen deze activiteiten getoetst worden. Soms is echter sprake van een verschil tussen feitelijk en vergund gebruik. Een waterwinbedrijf kan een vergunning hebben om een bepaalde hoeveelheid water op te pompen maar daar op dit moment maar de helft van benutten, dat is het feitelijke gebruik. 7 Europees Hof van Justitie, zaak C-127/02, 07 september

23 Bij de uitzondering van de vergunningplicht voor bestaand gebruik in het kader van het beheerplan gaat het om het feitelijk gebruik. Dit is in lijn met de Habitatrichtlijn waar het steeds gaat om feitelijke effecten. Het is niet relevant of voor het bestaand gebruik al een vergunning op grond van een andere wet is verleend of niet. Het is evenmin relevant of er een vergunning is verleend die meer toestaat dan wat feitelijk wordt gebruikt. Als een waterwinbedrijf een vergunning op grond van de Grondwaterwet heeft om een bepaalde hoeveelheid water op te pompen, maar daarvan op de peildatum 1 oktober 2005 een kleiner deel feitelijk gebruikte, is dat deel aan te merken als het bestaand gebruik. Bij de beoordeling van het feitelijk gebruik mag wel rekening gehouden worden met gebruikelijke fluctuaties. Als de omvang van het bestaand gebruik op de peildatum geringer is dan de gebruikelijke omvang in de rest van het jaar, kan dat de uitoefenaar van het bestaand gebruik niet worden tegengeworpen. Het vergund gebruik reguleren in het beheerplan is wel de bestuurlijke ambitie: daarom is het streven ook het vergund gebruik in het kader van de beheerplannen te toetsen en zoveel mogelijk te reguleren eventueel met mitigerende maatregelen. Bij het intensiveren van het gebruik is geen sprake meer van bestaand gebruik. Ook niet als de intensivering binnen de gebruiksruimte valt van bijvoorbeeld een milieuvergunning. Hierbij is het ook van belang dat bij de eventuele habitattoets van dit geïntensiveerde gebruik niet alleen de intensivering getoetst wordt maar het gehele gebruik Autonome ontwikkeling Er is sprake van autonome ontwikkelingen wanneer de aard en/of omvang van een activiteit of de omgeving verandert zonder dat sprake is van een activiteit zoals bedoelt in de Natuurbeschermingswet Hierbij wordt onderscheid gemaakt in natuurlijke fluctuaties en toename van het bestaand gebruik. Onder autonome ontwikkelingen vallen bijvoorbeeld: - klimaatsverandering; - veranderingen in bevolkingsomvang of leeftijdsopbouw; - veranderingen in samenstelling/aantallen van flora en fauna. De verkeerstoename op een weg zonder dat de inrichting van de weg wijzigt of er sprake is van een verbreding of andere wijziging is dus autonome ontwikkeling en niet aan te merken als een activiteit. Hier geldt geen vergunningplicht. Negatieve effecten van autonome ontwikkelingen moeten wel geneutraliseerd worden. 2.4 Bevoegd gezag vergunningverlening In de meeste gevallen bestaat het bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning onder de Natuurbeschermingswet 1998 uit de Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura gebied zich bevindt. Als het betreffende Natura 2000-gebied in meerdere provincies is gelegen en Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag is, heeft u te maken met meerdere provincies. Vraag in dat geval de provincie waarin uw activiteit ligt of zij met de andere provincie(s) contact willen opnemen en willen zorgen voor de coördinatie. In sommige gevallen, zoals bepaald in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, is het ministerie van EL&I het bevoegd gezag danwel het ministerie van I&M. 2.5 Habitattoets De Habitattoets is de naam voor verschillende procedures (toetsen) die met betrekking tot vergunningverlening onder de Natuurbeschermingswet 1998 vallen; dit zijn de verslechteringstoets en de passende beoordeling. Als er een kans bestaat dat uw activiteit verslechtering en/of significante verstoring met zich meebrengt, bestaat vergunningplicht en dient de habitattoets te worden uitgevoerd. Neem contact op met het bevoegd gezag voor meer informatie. 22

24 De habitattoets vindt zowel plaats in het kader van toetsing van nieuwe activiteiten bij de vergunningverlening als bij de toetsing van bestaand gebruik in beheerplannen en bij de vaststelling van andere plannen. De procedures en precieze vereisten zijn hierbij steeds iets anders. Hier wordt eerst op de vergunningverlening ingegaan en daarna op de beheerplannen. Als een activiteit mogelijk een negatief effect heeft op een instandhoudingsdoelstelling dan is er sprake van een vergunningplicht en moet een habitattoets gedaan worden. Met de habitattoets worden activiteiten getoetst op hun precieze invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (en onder welke voorwaarden) toestemming voor de activiteit kan worden verleend. Op de website ( is een interactieve checklist vergunningverlening te vinden die de hele habitattoets doorloopt en meer gedetailleerde informatie biedt dan dit naslagwerk. Zie ook bijlage 11 voor een schematische weergave van de habitattoets Voortoets/Oriëntatiefase De voortoets/oriëntatiefase houdt in dat in overleg met het bevoegd gezag een globale toetsing, voortoets, wordt gedaan waarmee een indicatie wordt verkregen over de mogelijke negatieve effecten en welke procedurele vervolgstappen nodig zijn. Als tijdens de voortoets/oriëntatiefase al duidelijk wordt dat er zeker geen negatieve effecten zijn dan is er geen vergunningplicht en hoeft de initiatiefnemer verder niets te doen. In het andere geval volgt een nadere toetsing. Deze fase helpt initiatiefnemers om in een vroeg stadium een overzicht te krijgen wat aan onderzoek en procedures (en daarmee tijd en kosten) noodzakelijk zal zijn. Dit kan helpen om in een vroeg stadium het succes op realisatie van de activiteit te toetsen en zo nodig de activiteit aan te passen. Om tijdens de voortoets/oriëntatiefase de vraag te kunnen beantwoorden of er sprake is van negatieve effecten is het relevant voor het bevoegd gezag om een informatieoverzicht van de activiteit te ontvangen. Er is geen limitatieve lijst van benodigde informatie. Een indicatie van de benodigde informatie kan aan het bevoegd gezag gevraagd worden. In ieder geval moet gedacht worden aan informatie over de locatie van de activiteit, de afstand tot Natura 2000-gebieden, de aard van de activiteit, afmetingen, onderdelen van uitvoering en duur, gebruik van apparatuur, tijdelijk en permanent, planning etc. Daarnaast is informatie over het Natura 2000-gebied nodig zoals een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen en een eerste inschatting van de mogelijke invloed van de activiteit op de verschillende instandhoudingsdoelstellingen. Dit is de effectanalyse, zie paragraaf 2.6 voor meer informatie. De initiatiefnemer draagt alle benodigde informatie over aan het bevoegd gezag. Hierbij dient er voor gezorgd te worden dat de informatie schriftelijk is vastgelegd en het geheel kort en overzichtelijk is en kaartmateriaal gebruikt wordt. De resultaten dienen onderbouwd te worden en informatiebronnen en methodiek vermeld. Alles moet controleerbaar zijn. Wanneer de gegevens voldoende worden geacht, beoordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van een mogelijk negatief effect op het Natura (deel)gebied. Als er geen sprake is van een negatief effect is er geen vergunning op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 nodig. Als er wel sprake is van een mogelijk negatief effect, is een vergunning noodzakelijk en dient de vergunningsprocedure te worden gestart en gaat de habitattoets verder. Als het om een mogelijk negatief effect gaat, dat zeker niet significant is, dan moet er een verslechteringstoets worden uitgevoerd en komt men in de fase verslechteringstoets. Gaat het om een mogelijk significant negatief effect dan is een passende beoordeling nodig en wordt verder gegaan met de fase passende beoordeling. Wanneer een effect significant is en wanneer niet wordt in paragraaf 2.7 uitgebreid behandeld. 23

25 Figuur 1. Schematische weergave voortoets/oriëntatiefase De verslechteringstoets De verslechteringstoets is een vervolg op de oriëntatiefase. Uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is dat de activiteit negatieve effecten (niet-significant) zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. In de verslechteringstoets wordt onderzocht of deze kans reëel is. Er wordt nagegaan of de activiteit een verslechtering van de natuurlijke habitats of habitats van soorten tot gevolg kan hebben. Het bevoegd gezag kan aangeven welke gegevens het verwacht, of er een gewenst format is, welke mate van gedetailleerdheid er wordt verwacht en wat het tijdspad van de procedure is. Het bevoegd gezag kan ook voorstellen om met een conceptaanvraag of conceptverzoek te werken. In principe worden dezelfde typen gegevens aangeleverd als in de oriëntatiefase. Een globaal onderzoek zoals in de oriëntatiefase volstaat niet meer maar die gegevens kunnen wel als uitgangspunt dienen. Dezelfde stappen worden doorlopen als in de oriëntatiefase; deze stappen worden nu bij voorkeur door experts uitgevoerd. Ook nu eindigt de toets met een effectanalyse. Als uit de effectanalyse blijkt dat er kans is op negatieve effecten kunnen nog mitigerende maatregelen worden toegepast om deze effecten te voorkomen of te verzachten. Het bevoegd gezag bekijkt of de informatie voldoende is om een beoordeling op te baseren. Als de informatie onvoldoende is, wordt verzocht om deze aan te vullen. Hierbij wordt wel rekening gehouden met de positie van de initiatiefnemer. Er wordt informatie gevraagd waar hij redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Als niet aan dit verzoek wordt voldaan, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Als uit de beschikbare informatie blijkt dat er geen negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied optreden door toedoen van de activiteit (of als de negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar zijn), wordt de vergunning afgegeven. Ook als dit de uitkomst is door de toepassing van mitigerende maatregelen. Er kunnen aan de vergunning wel voorwaarden of beperkingen vast zitten. De behandeling van de aanvraag duurt circa 13 weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmaal met 13 weken verlengen. 24

26 De meeste activiteiten kennen meerdere vergunningstrajecten en andere procedures. U kunt het bevoegd gezag vragen welke andere vergunningen, ontheffingen en besluiten noodzakelijk zijn. U kunt ook een schriftelijk verzoek indienen om coördinatie van besluitvorming. Als voor uw activiteit een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd, kunt u deze koppelen aan het onderzoek ten behoeve van vergunning voor de gewijzigde Natuurbeschermingswet Op 1 oktober 2010 is de Wet administratieve bepalingen omgevingsbeleid (Wabo) van kracht geworden. Deze wet stroomlijnt en coördineert verschillende vergunningenprocedures, waaronder die van de Natuurbeschermingswet Wanneer voor een activiteit bijvoorbeeld ook een aanlegvergunning is vereist dan kan bij de betreffende gemeenten ook de vergunningenprocedure voor de Natuurbeschermingswet 1998 worden aangegaan De passende beoordeling en ADC-toets Als uit de oriëntatiefase blijkt dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura gebied (dit betekent dat het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kan komen), dient een passende beoordeling te worden gemaakt alvorens een vergunning wordt aangevraagd. De passende beoordeling moet bepalen of de kans op significant negatieve effecten reëel is. De procedure is identiek aan de verslechteringstoets alleen weer wat gedetailleerder en uitgebreider. Voor het bepalen of een effect significant is biedt paragraaf 2.7 de relevante informatie. Indien blijkt dat er werkelijk sprake is van mogelijk significant negatieve effecten dan kan alleen toestemming voor de activiteit gegeven worden als er geen alternatieven voor de activiteit zijn, er dwingende redenen van groot openbaar belang mee gediend zijn en de negatieve gevolgen gecompenseerd worden (de ADC-toets) Alternatievenonderzoek Een alternatievenonderzoek betekent dat er nagegaan wordt of er alternatieve oplossingen zijn voor de activiteit die minder of geen negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat om alternatieven voor het bereiken van hetzelfde doel/oplossen van het probleem. De volgende opties dienen te worden onderzocht: - De nul-optie, analyse van de situatie wanneer de activiteit niet wordt uitgevoerd. - Aanpassing van de doelstelling van de activiteit. - Andere invulling van de activiteit (dit kan ook worden gezien als mitigerende maatregel). - Andere locaties (ook buiten de regio, soms buiten de landsgrenzen). - Andere oplossingen, waarbij het doel van de activiteit op een geheel andere wijze kan worden bereikt Dwingende redenen van groot openbaar belang Bij het ontbreken van alternatieve oplossingen, kan bij een activiteit met dwingende redenen van groot openbaar belang soms toch een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 worden verkregen. Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn gebaseerd op argumenten van sociaal-economische aard of argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid of de openbare veiligheid en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten hebben. Het gaat bij economische belangen om belangen voor de lange termijn. Deze uitzondering wordt in de praktijk alleen gemaakt bij grote overheids(gerelateerde) activiteiten. Individuen en afzonderlijke bedrijven krijgen in principe niet met deze situatie te maken. Er zijn echter geen echte maatstaven voor wat wel en niet onder dwingende redenen van groot openbaar belang valt. De motivatie is erg belangrijk. Indien nodig moet daar onderzoek voor worden uitgevoerd. In ieder geval dienen de volgende punten te worden aangetoond: - De activiteit streeft een Europees doel na en heeft voor Europa naar verwachting positieve effecten. Het maakt bijvoorbeeld deel uit van het Europese transportnetwerk. - Het gaat om een publiek belang. - Er is sprake van een langetermijnbelang bij sociaal economische belangen. 25

27 - Kwantitatieve onderbouwing, eventueel door middel van maatschappelijke kosten-batenanalyses en economische effectstudies. - Het belang moet opwegen tegen de betrokken natuurwaarden Compensatie Zie paragraaf Figuur 2. Schematische weergave passende beoordeling Prioritaire soorten of habitats Indien er sprake is van mogelijk significant-negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van prioritaire soorten of habitats kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten als dwingende reden van openbaar belang worden aangevoerd. Bij belangen op het vlak van sociaal-economische aard, moet eerst een advies aan de Europese Commissie worden gevraagd. De Minister van EL&I vraagt dit aan. Een reactie van de Commissie kan lang duren (enkele maanden tot een jaar) Relatie passende beoordeling en milieueffectrapportage Wanneer er voor een activiteit een milieueffectrapportage moet worden doorlopen dan kan de passende beoordeling daaraan gekoppeld worden. De informatie die voor de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, komt veelal overeen met de informatie die voor het natuuraspect in een milieueffectrapport nodig is. Het milieueffectrapport is echter breder van opzet en op het gebied van natuur minder specifiek dan de passende beoordeling. Bij een koppeling dient hier rekening mee te worden gehouden. Er zijn drie belangrijke verschillen tussen een algemeen milieueffectrapport en een passende beoordeling. Ten eerste gaat het milieueffectrapport uit van de doelstellingen van het project, terwijl de passende beoordeling uitgaat van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Daarnaast wordt bij een milieueffectrapport de meest actuele informatie geëist die beschikbaar is. Bij een passende beoordeling kan het voorkomen dat dit niet voldoende is en dat er nieuw onderzoek nodig is. Zowel bij een milieueffectrapport als bij een passende beoordeling moet er een alternatievenonderzoek plaatsvinden. Bij de passende beoordeling moet er echter naar alternatieve oplossingen voor het behalen van de doelstelling van het project worden gekeken en moet er breder naar andere mogelijke locaties worden gekeken, ook naar locaties buiten de grenzen van het grondgebied waarvoor het bevoegd gezag verantwoordelijk is. Dit kan zelfs betekenen dat er buiten de landsgrenzen moet worden gekeken. De vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 kan tijdens of na de milieueffectrapportage worden aangevraagd. Voordat de vergunning kan worden verleend, moet de milieueffectrapportage zijn doorlopen. De milieueffectrapportage neemt minstens een half jaar in beslag, maar duurt meestal langer. 26

28 2.6 Effectenanalyse In aanloop naar de beheerplannen Natura 2000 is de toetsing van het bestaand gebruik een belangrijk onderdeel. In een beheerplan wordt onder andere uitgewerkt wat er nodig is om aan de instandhoudingdoelstellingen te voldoen. Steeds moet beoordeeld worden wat het effect is van een bestaand gebruik of een ingreep op de staat van instandhouding. Het voorzorgbeginsel speelt hierbij een belangrijke rol: als het mogelijk is dat een activiteit het halen van de instandhoudingsdoelstellingen belemmert, zal de activiteit niet zonder meer kunnen plaatsvinden. Dit geldt niet alleen voor activiteiten ín een gebied, maar ook de activiteiten daarbuiten die effecten kunnen hebben op de doelen binnen het gebied (externe werking: zie paragraaf 2.9). Om dit bestaand gebruik op te kunnen nemen in beheerplannen zijn diverse stappen te maken (zie ook het stroomschema, figuur 3, met daarin de stappen genummerd), te weten: Stap 1 - Definitie en inventarisatie bestaand gebruik. Stap 2 - Globale effectenanalyse (vergelijkbaar met voortoets in vergunningprocedure). Stap 3 - Nadere effectenanalyse (alleen voor gebruik met mogelijke effecten uit stap 2). Stap 4 - Cumulatie-toets. Stap 5 - Mitigerende maatregelen. Stap 6 - Opname in het beheerplan. Stap 1: Voor de definitie van bestaand gebruik wordt verwezen naar het Begrippenkader Natuurbeschermingswet (Steunpunt Natura 2000, juni 2007). Stap 2: Een globale effectenanalyse brengt in beeld of al dan niet een verstoring of verslechtering mogelijk is als gevolg van het bestaand gebruik. Indien daarin valt uit te sluiten dat het bestaand gebruik negatieve effecten heeft in relatie tot de instandhoudingdoelstellingen, dan kan dit gebruik veelal in het beheerplan worden opgenomen (direct door naar stappen 4 en 5 en vervolgens 6). Indien meteen duidelijk is dat er significante effecten zijn, dan kan de globale effectenanalyse achterwege blijven (dus direct door naar stap 3, 4 en 5). Is het toepassen van mitigerende maatregelen niet voldoende om de negatieve effecten tegen te gaan, dan is dat bestaand gebruik vergunningplichtig. Als door middel van het toepassen van mitigerende maatregelen alsnog blijkt dat de significante effecten kunnen worden voorkomen dan door naar stap 6. Stap 3: Als uit stap 2 blijkt dat effecten mogelijk zijn, is een nadere effectenanalyse nodig. In die effectenanalyse wordt gekeken wat de mogelijke effecten zijn van verschillende vormen van bestaand gebruik op de habitattypen of de soorten die in de instandhoudingdoelstellingen zijn genoemd. Vervolgens moet worden beoordeeld of de effecten mogelijk bepalend zijn voor het al dan niet halen van de instandhoudingdoelen (significant). Stap 4: Bij het beoordelen of activiteiten het halen van instandhoudingsdoelen beïnvloeden, is het van belang om alle activiteiten in samenhang te beoordelen. Juist de combinatie van activiteiten (cumulatie) kan bepalend zijn voor de staat van instandhouding. Kortom, er dient een cumulatietoets te worden toegepast voor alle afzonderlijk vastgestelde effecten. Als blijkt dat de -cumulatieveeffecten significant te noemen zijn, is een vergunning voor het bestaand gebruik nodig, tenzij mitigatie mogelijk is (stap 5). Al de bestaande gebruiken die een invloed op de significante effecten hebben kunnen vergunningplichtig worden gesteld, tenzij ze gezamenlijk een oplossing uitwerken. Dit wordt dan vastgelegd in het beheerplan. Deze discussie moet bij de cumulatiebepaling plaats vinden. Stap 5: Als mitigatie mogelijk is, waarmee significantie wordt voorkomen, hoeft voor dit bestaand gebruik of al de bestaande gebruiken die bijdragen aan de significantie, geen vergunning te worden aangevraagd. De benodigde mitigatie dient dan wel opgenomen te worden in het beheerplan. Doorloop stappen 1-3 voor elke vorm van bestaand gebruik en ga dan pas naar stap 4. 27

29 Figuur 3. Schema effectenanalyse Wanneer is er sprake van (negatief) effect? Van een negatief effect is sprake als er gesproken kan worden van een verslechtering van een habitat of een significante verstoring van soorten. De Handreiking Natuurbeschermingswet stelt: Onder verslechtering wordt de fysische aantasting van de habitat verstaan. Hiervan is sprake als in een bepaald gebied van de habitat de oppervlakte afneemt of wanneer het met specifieke structuur en functies die voor de instandhouding van de habitat op de lange termijn noodzakelijk zijn, dan wel met de staat van instandhouding met de met deze habitat geassocieerde typische soorten, in dalende lijn gaat in vergelijking tot de instandhoudingsdoelstellingen. In tegenstelling tot kwaliteitsverslechtering heeft verstoring geen directe invloed op de fysische kenmerken van een gebied; een verstoring betreft soorten en is vaak in de tijd beperkt. Belangrijke parameters zijn derhalve intensiteit, de duur en de frequentie van verstoring. Significante verstoring 28

30 van een soort in een gebied treedt op wanneer uit populatiedynamische gegevens betreffende die soort in dat gebied blijkt dat de soort het gevaar loopt niet langer een levensvatbare component van de natuurlijke habitat te zullen zijn. Niet elke verstoring is significant Afname van de populaties van soorten of van habitattypen Hiervan is sprake als de instandhoudingdoelstellingen in gevaar komen, als gevolg van afname van aantallen en populaties van soorten of habitattypen. Het in beeld brengen hiervan kan op diverse wijzen plaatsvinden. Hiervoor zijn nog geen methodieken ontwikkeld. De combinatie van activiteiten of vormen van bestaand gebruik, de daarbij te onderscheiden verstoringcomponenten (zie paragraaf 2.3) en de kennis over de gevoeligheid van habitattypen of soorten met betrekking tot die verstoringcomponenten (op basis van een kennisdatabase, zoals de Effectenindicator op de website van EL&I (zie 8 kan op relatief simpele wijze in beeld brengen of sprake is van een mogelijke afname. Paragraaf 2.3 en 2.4 gaan hier nader op in. Overigens, hoewel de presentatie hiervan relatief simpel kan zijn, kan het opbouwen van de wetenschappelijke bewijslast ingewikkeld zijn. Daar moet rekening mee worden gehouden. Wanneer moet een afname dan als een negatief effect gezien worden? Het gebruik van een minimumoppervlakte of -afstand als grens, zoals bijvoorbeeld 1% van het oppervlak of bijv. 100 meter afstand, heeft een belangrijk nadeel. Een gering oppervlak of een kleine afstand kan tenslotte heel wezenlijk zijn voor een populatie en/of habitattype. Ervaringen in Engeland bevestigen dit. Rekening houdend met het voorzorgprincipe, kunnen bijvoorbeeld habitatverliezen van zeer kleine schaal, dus bijvoorbeeld verliezen van 0,1% of minder worden aangemerkt als een - significant - effect voor de aangewezen locatie/gebied. Zie ook paragraaf Wie voert de effectenanalyse uit? De effectenanalyse wordt door het bevoegd gezag uitgevoerd (zie notitie: Rollen en taken voortouwnemer in relatie tot andere bevoegde gezagen Beheerplannen Natura 2000 van het Steunpunt Natura 2000, april 2007 zie 18) Kwaliteitsborging Vanwege de grote gevolgen van de uitspraken omtrent het al of niet optreden van significante effecten is het van groot belang dat de gedane uitspraken zijn gebaseerd op: - gefundeerde (expert) beoordeling; - gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten en kennis (bijv. vastgelegd in goed onderbouwde dosis-effect relaties of goed gekalibreerde ecologische modellen); - steun vanuit experts. De uiteindelijke redenering achter de uitspraken omtrent de beoordeling moet goed worden vastgelegd door het bevoegd gezag. Als op basis van de beschikbare informatie geen gefundeerde uitspraak mogelijk is moet de activiteit via het vergunningenstelsel getoetst worden. Wanneer negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, is het altijd mogelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Dat kan bijvoorbeeld ook door een monitoringplicht in combinatie met een afspraak dat mitigerende maatregelen worden genomen zodra blijkt dat toch sprake is van schade. Aandachtspunten bij genoemde kwaliteitsborging: - de activiteit is voldoende en duidelijk omschreven (incl. aangegeven waar, met welke intensiteit, wanneer en in welke frequentie de activiteit precies plaatsvindt); - de keuze van de significantiegrens is goed onderbouwd (maatwerk!); 8 De effectenindicator geeft niet alle benodigde informatie, en heeft dus beperkingen. Het is daarom op dit moment niet voldoende bruikbaar om vormen van bestaand gebruik uit te sluiten in de globale effectenanalyse. Aanvullende deskundigenbeoordeling is nog noodzakelijk om daar uitsluitsel over te geven. 9 Het wordt aanbevolen om de effectenanalyse per gebied uit te voeren en te beoordelen! 29

31 - voldoende gegevens (bijv. alle activiteiten zijn meegenomen die tot cumulatieve effecten kunnen leiden); - duidelijk is waar de informatie vandaan komt (onderzoek, modellen, expert judgement 10, literatuur, veldgegevens over waar, hoeveel en welke natuurwaarden aanwezig zijn); - conclusie(s) zijn goed onderbouwd en dus gefundeerd (effecten zijn goed afgewogen); - rapportage dient van voldoende kwaliteit te zijn (goed leesbaar, een goede structuur, en geen sprake van veel herhalingen) Uitwerking effectenanalyses Een effectenanalyse is een analyse waarbij duidelijk wordt welke verstoringen en verslechteringen binnen het gehele gebied optreden door activiteiten die worden uitgevoerd door het bestaand gebruik. Simpel geformuleerd: mogelijk treden effecten op waar activiteiten plaatsvinden en/of waar soorten of habitats voorkomen die gevoelig zijn voor de verstorende componenten uit deze activiteit. Een effectenanalyse is niets anders dan een weergave van deze gevoeligheden en verstoringen. Het effect is gebaseerd op de mate van verstoring enerzijds en de mate van gevoeligheid anderzijds. De analyse geeft een duidelijk verband tussen de gevoeligheden en de mate van verstoring weer. De effectenanalyse uit het beheerplan is in 2 fasen te verdelen. In eerste instantie wordt een globale effectenanalyse uitgevoerd. In deze analyse is het van belang om een goede weergave te kunnen geven van de gevoeligheden die er voor de verschillende in het plangebied voorkomende soorten en habitats zijn. Naast deze weergave dient er een duidelijk beeld gemaakt te worden van de verschillende verstoringen die optreden bij het plaatsvinden van de activiteiten benoemd in het bestaand gebruik. Dit bestaand gebruik dient in verschillende verstoringscomponenten uitgesplitst te worden. Door deze beelden met elkaar te vergelijken worden onmiddellijk knelpunten duidelijk. Deze worden aan een globale effectenanalyse onderworpen. De activiteiten waarvan blijkt dat deze geen negatief effect veroorzaken, kunnen door naar de cumulatietoets. Voor die activiteiten waarvan dat niet zeker is volgt een nadere effectenanalyse. Door verder op de activiteiten in te zoomen en de relatie met de gevoeligheden verder te analyseren zal het mogelijke effect nader beschreven kunnen worden. De uitkomst dient het mogelijk te maken om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen of er mogelijk significante negatieve effecten kunnen optreden of niet Welke gegevens zijn nodig voor een effectenanalyse Om te kunnen komen tot een analyse van de effecten zijn gegevens nodig van diverse aard. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de volgende typen informatie of gegevens: - aanwezige natuurwaarden 11 ; - ruimtelijke weergave of verdeling van de natuurwaarden; - temporele of periodieke aanwezigheid van de natuurwaarden; - locaties bestemd voor uitbreidingsdoelen (dus: noodzakelijk potentieel leefgebied/groeiplaats); - vorm van bestaand gebruik of activiteit; - intensiteit van gebruik of activiteit; - categorie van bestaand gebruik; - te onderscheiden verstoringscomponenten; - periode van het jaar waarin gebruik of activiteit plaatsvindt; - temporele en ruimtelijke overlap tussen gebruik of activiteit en natuurwaarden. Per activiteit wordt in de globale effectenanalyse in het geval van temporele of ruimtelijke overlap getoetst of er kans is op effecten. Indien dat het geval is wordt de activiteit verder inhoudelijk getoetst 10 in Nederlands: deskundigenbeoordeling. Hiermee wordt bedoeld dat deskundigen of experts een zo objectief mogelijk oordeel geven over bijvoorbeeld de effecten van bestaand gebruik. Dat oordeel wordt gegeven op basis van de kennis en ervaring van de betrokken deskundigen. Dit wordt veelal gedaan als een andere objectieve beoordeling niet mogelijk is, bijvoorbeeld via een model of via een gevalideerde beoordelingsmethodiek waarbij gebruik wordt gemaakt van bepaalde criteria of normen. Voor veel ingrepen zijn geen kwantitatieve dosis-effect relaties bekend. Ook de bestuursrechter accepteert dan een deskundigenbeoordeling. 11 Diverse provincies hebben inventarisatiegegevens van VHR-waarden (zoals soorten) op internet gezet. Dat is naast Natuurloket, een openbare bron van informatie. 30

32 en worden de effecten indien mogelijk ook kwantitatief geschat. Dat is de nadere effectenanalyse. Voor de globale en de nadere effectenanalyse zijn verschillende vormen van informatie nodig. Bij de beschrijving hiervan wordt dit verder benoemd. Om de globale én nadere effectenanalyse te kunnen uitvoeren zijn de volgende gegevens nodig 12 : 1. Feitelijke gegevens: Voorbeelden hiervan zijn onder andere karteringsgegevens, factsheets, monitoringgegevens voor habitattypen en soorten, kwaliteitsgegevens, milieugegevens, etc. 2. Relaties: Voorbeelden hiervan zijn onder andere relatie fosfaatgehalte - doorzicht waterplantenbegroeiing en relatie waterplantenbegroeiing (als voedselbron) aantallen watervogels; 3. Onzekerheden en aannamen: Voorbeelden hiervan zijn onder andere veranderingen soortensamenstelling watervogels; veranderingen soortensamenstelling waterplantenbegroeiing en verstoringsbronnen (oppervlakte / plaats / intensiteit), zoals bijvoorbeeld effecten van kite-surfing. Ook zijn er nog onzekerheden over dosis-effect relaties en modellen. In algemene zin dient de beoordeling of er al dan niet sprake is van een significant negatief effect gebaseerd te worden op de best beschikbare informatie. Als sprake is van duidelijke kennislacunes moeten die benoemd worden en zal ten behoeve van de besluitvorming aanvullende gegevens ingewonnen moeten worden Beschrijving van de aangewezen gebieden Instandhoudingdoelstellingen De (concept)aanwijzingsbesluiten vormen hier de basis. Hierin zijn de instandhoudingdoelstellingen geformuleerd en de kaarten opgenomen. Beschrijving bestaand gebruik. Het bestaand gebruik binnen de betreffende gebieden kan worden samengevat in overzichtstabellen. Daarbij kan rekening worden gehouden met ruimtelijke en temporele verschillen. Ruimtelijke verschillen kunnen op kaart inzichtelijk worden gemaakt door bepaalde locaties op te nemen gekoppeld aan specifieke vormen van bestaand gebruik. Vormen van bestaand gebruik kunnen in verschillende categorieën worden onderverdeeld. Voorbeelden zijn: 1. (ontwikkeling van) natuur of natuurbeheer en herstel; 2. oevergebruik; 3. recreatie in brede zin; 4. agrarisch gebruik; 5. gebruik grond- en oppervlaktewater voor diverse doeleinden (drink-/proceswater, beregening, etc.) 6. industrie; 7. bewoning; 8. infrastructuur (gebruik ervan); 9. militaire activiteiten; 10. delfstofwinning; 11. (beroeps)scheepvaart; 12. visserij; 13. jacht; 14. regulier onderhoud aan winter- en zomerbed; 15. etc Effecten op instandhoudingdoelstellingen (IHD en) Voor de effectenanalyse van elk bestaand gebruik op elk van de voor een betreffend gebied geldende habitattypen en soorten wordt gebruik gemaakt van: - deskundigenbeoordeling; - modellen en rekenregels. 12 De genoemde voorbeelden zijn sterk gericht op de rijkswateren en verdienen uitbreiding in meer generieke zin. 31

33 Huidige toestand instandhoudingsdoelstellingen De uitwerking van de effectenanalyse is alleen mogelijk als de huidige toestand van de instandhoudingdoelen in beeld is gebracht. De uitwerking van die huidige toestand is afhankelijk van de aanwezige kennis van een aangewezen gebied. Waar voldoende kennis aanwezig is, wordt dit uitgewerkt in het vóórkomen van doelen in ruimte (welke deelgebieden), tijd (jaarrond of periodiek, overdag of s nachts) en trend (dalend, stijgend, neutraal, onbekend). Waar onvoldoende kennis aanwezig is, wordt dit uitgewerkt door een vergelijking te maken met de landelijke staat -of trend- van instandhouding. Al het bestaand gebruik wordt gelegd tegen de verschillende instandhoudingdoelen. De effecten moeten zoveel mogelijk kwantitatief of kwalitatief worden gescoord. Dit kan het beste worden opgezet in een kruistabel. Doorvertaling naar de kruistabel Door te werken met een kruistabel (zie figuur 4) met bijvoorbeeld alle variabelen voor de instandhoudingdoelen in kolommen en al het bestaand gebruik in rijen, kan in beeld worden gebracht in welke gevallen effecten te verwachten zijn van de verschillende vormen van bestaand gebruik. De eindscores voor afzonderlijke habitattypen of soorten worden vertaald in de volgende categorieën (en al of niet gemarkeerd met een kleur; zie figuur 4): - geen effect; - mogelijk effect; - waarschijnlijk effect; - onbekend door gebrek aan gegevens. Voor alle habitattypen en soorten waar een kwantitatieve score voor mogelijk is, wordt naast bovengenoemde categorie ook aangegeven wat het effect in kwantitatieve zin is. Als maat wordt daarvoor de procentuele toename of afname in resp. het oppervlak of het aantal habitattypen of soorten gebruikt. De tabellen worden per SBZ uitgewerkt of dat gebeurt op het niveau van deelgebieden van betreffende SBZ. De tabellen worden indien mogelijk met kaartbeelden ondersteund. Voor de verschillende vormen van bestaand gebruik en voor de verschillende habitattypen en de soorten kunnen of zullen de volgende situaties bepalend zijn voor die scores: - Bestaand gebruik: is stabiel; neemt toe of neemt af. - Habitattype: huidige toestand is onvoldoende; is voldoende maar kans op verslechtering; is voldoende en geen kans op verslechtering of neemt toe/gaat vooruit. - Soorten, huidige toestand is onvoldoende; is voldoende maar kans op verslechtering; is voldoende en geen kans op verslechtering; neemt toe/verbeterd of is onbekend evenals de kans op verslechtering. Aandachtspunten voor het vaststellen van de scores zijn (zie het begrippenkader in bijlage 2): - omgaan met het voorzorgsbeginsel; - omgaan met afname van de één ten gunste van andere toename; - omgaan met tijdelijke effecten. Dit dient gebied- en locatiespecifiek te worden afgewogen door de betreffende betrokken adviseurs of experts. In hoeverre de hiervoor genoemde situaties gebruikt worden, kan ook nog worden bepaald door uit te gaan van verschillende scenario s. Moet een nadere effectenanalyse volgen, dan is het raadzaam met de verschillende scenario s te werken. Dat zal vooral bruikbaar zijn als er onzekerheid bestaat over de toestand of de trend van ofwel de soorten of habitattypen ofwel de vormen van bestaand gebruik. Hierdoor kunnen de effecten van een activiteit op één en dezelfde soort /habitattype verschillend zijn. Door onderscheid te maken in verschillende scenario s kan dit in beeld worden gebracht. Voordeel hiervan is dat deze scores bijvoorbeeld vergeleken kunnen worden met de kosten van mitigerende maatregelen. Dat kan het maken van bestuurlijke- keuzes ondersteunen. Nadeel is dat hiermee het totaaloverzicht (al of niet in een tabel of in kaarten) complexer wordt. Tevens zal de cumulatie-toets dan in meervoud dienen te worden uitgevoerd. Kortom, dit levert meer werk op.binnen het gehele gebied optreden door activiteiten die worden uitgevoerd door het bestaand 32

34 gebruik. Simpel geformuleerd: mogelijk treden effecten op waar activiteiten plaatsvinden en/of waar soorten of habitats voorkomen die gevoelig zijn voor de verstorende componenten uit deze activiteit. Een effectenanalyse is niets anders dan een weergave van deze gevoeligheden en verstoringen. Het effect is gebaseerd op de mate van verstoring enerzijds en de mate van gevoeligheid anderzijds. De analyse geeft een duidelijk verband tussen de gevoeligheden en de mate van verstoring weer. De effectenanalyse uit het beheerplan is in 2 fasen te verdelen. In eerste instantie wordt een globale effectenanalyse uitgevoerd. In deze analyse is het van belang om een goede weergave te kunnen geven van de gevoeligheden die er voor de verschillende in het plangebied voorkomende soorten en habitats zijn. Naast deze weergave dient er een duidelijk beeld gemaakt te worden van de verschillende verstoringen die optreden bij het plaatsvinden van de activiteiten benoemd in het bestaand gebruik. Dit bestaand gebruik dient in verschillende verstoringscomponenten uitgesplitst te worden. Door deze beelden met elkaar te vergelijken worden onmiddellijk knelpunten duidelijk. Deze worden aan een globale effectenanalyse onderworpen. De activiteiten waarvan blijkt dat deze geen negatief effect veroorzaken, kunnen door naar de cumulatietoets. Voor die activiteiten waarvan dat niet zeker is volgt een nadere effectenanalyse. Door verder op de activiteiten in te zoomen en de relatie met de gevoeligheden verder te analyseren zal het mogelijke effect nader beschreven kunnen worden. De uitkomst dient het mogelijk te maken om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen of er mogelijk significante negatieve effecten kunnen optreden of niet. De tabellen worden per SBZ uitgewerkt of dat gebeurt op het niveau van deelgebieden van betreffende SBZ. De tabellen worden indien mogelijk met kaartbeelden ondersteund. Voor de verschillende vormen van bestaand gebruik en voor de verschillende habitattypen en de soorten kunnen of zullen de volgende situaties bepalend zijn voor die scores: - Bestaand gebruik: is stabiel; neemt toe of neemt af. - Habitattype: huidige toestand is onvoldoende; is voldoende maar kans op verslechtering; is voldoende en geen kans op verslechtering of neemt toe/gaat vooruit. - Soorten, huidige toestand is onvoldoende; is voldoende maar kans op verslechtering; is voldoende en geen kans op verslechtering; neemt toe/verbeterd of is onbekend evenals de kans op verslechtering. Aandachtspunten voor het vaststellen van de scores zijn (zie het begrippenkader): - omgaan met het voorzorgsbeginsel; - omgaan met afname van de één ten gunste van andere toename; - omgaan met tijdelijke effecten. Dit dient gebied- en locatiespecifiek te worden afgewogen door de betreffende betrokken adviseurs of experts. In hoeverre de hiervoor genoemde situaties gebruikt worden, kan ook nog worden bepaald door uit te gaan van verschillende scenario s. Moet een nadere effectenanalyse volgen, dan is het raadzaam met de verschillende scenario s te werken. Dat zal vooral bruikbaar zijn als er onzekerheid bestaat over de toestand of de trend van ofwel de soorten of habitattypen ofwel de vormen van bestaand gebruik. Hierdoor kunnen de effecten van een activiteit op één en dezelfde soort /habitattype verschillend zijn. Door onderscheid te maken in verschillende scenario s kan dit in beeld worden gebracht. Voordeel hiervan is dat deze scores bijvoorbeeld vergeleken kunnen worden met de kosten van mitigerende maatregelen. Dat kan het maken van bestuurlijke- keuzes ondersteunen. Nadeel is dat hiermee het totaaloverzicht (al of niet in een tabel of in kaarten) complexer wordt. Tevens zal de cumulatie-toets dan in meervoud dienen te worden uitgevoerd. Kortom, dit levert meer werk op Uitwerking globale effectenanalyse De globale effectenanalyse dient binnen korte tijd en op een simpele wijze duidelijk te maken welke activiteiten of vormen van bestaand gebruik mogelijk of waarschijnlijk significante effecten kunnen veroorzaken voor de instandhoudingdoelstellingen voor een specifiek aangewezen gebied. 33

35 Voor de globale effectenanalyse zijn de volgende aspecten van belang: - Wat zijn de instandhoudingdoelstellingen en wat is de huidige toestand daarvan? - Welke overige relevante gebiedsinformatie is beschikbaar? Bijvoorbeeld niet Natura beheerplannen; - Een overzicht van de activiteiten of de vormen van bestaand gebruik die schade of verslechtering kunnen veroorzaken. Voor de globale toets wordt het bestaand gebruik ook globaal beschreven. Deze beschrijving moet wel voldoende houvast geven voor een vergunningverlener om te kunnen beoordelen wat de activiteit is en of de globale effectenanalyse juist is. Bijvoorbeeld of een activiteit alleen in het broedseizoen plaatsvindt, tijdens de dag, de avond of is sprake van nachtgebruik of -toepassing, etc. Dus voldoende details in de beschrijving om de effecten globaal te kunnen inschatten. Daarbij is het noodzakelijk om vast te stellen of een activiteit gericht is op of van belang is voor de instandhoudingdoelen van het gebied. Op basis van de bovenstaande informatie dient te worden beoordeeld of er sprake is van mogelijke of waarschijnlijke significante effecten en daarom een nadere effectenanalyse nodig is of dat al aangegeven kan worden dat een passende beoordeling niet noodzakelijk is. Een passende beoordeling is niet noodzakelijk als boven iedere twijfel is dat geen enkel instandhoudingdoel op directe of indirecte wijze wordt beïnvloed Uitwerking Nadere Effectenanalyse Bij de nadere effectenanalyse wordt rekening gehouden met diverse aspecten die een diepgaander en dus nader beeld geven van de effecten. Enerzijds wordt -meer- rekening gehouden met temporele en ruimtelijke overlap van soorten of habitattypen en vormen van bestaand gebruik. Anderzijds wordt de oorzaak van effecten beter benoemd, waardoor specifieke -mitigerende- maatregelen mogelijk worden. De oorzaak van de effecten is in beeld te brengen door een combinatie te maken van categorieën van bestaand gebruik en de hierdoor optredende vormen van verstoring of verstoringcomponenten. Dit kan eveneens door middel van een kruistabel Vormen van bestaand gebruik en verstoringcomponenten Voordat de kruistabel van de nadere effectenanalyse goed gevuld kan worden is het noodzakelijk om per vorm van bestaand gebruik te werken met verschillende categorieën van gebruik en een doorvertaling hiervan naar verschillende verstoringcomponenten. Kortom, categorieën van bestaand gebruik kunnen worden vertaald naar verstoringcomponenten. Bijvoorbeeld bepaalde oefeningen met militairen in een opengesteld oefenterrein hebben hetzelfde effect als een wandelaar of recreant. Op deze wijze kan gewerkt worden met categorieën van bestaand gebruik zoals lopen, rijden, varen, etc. Per categorie zijn verstoringcomponenten te onderscheiden. Het is tenslotte essentieel om te weten wat de oorzaak is van het "effect". Per verstoringcomponent, bijvoorbeeld geluid, wordt dan gekeken welke soorten of habitattypen daar gevoelig voor zijn. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Effectenindicator (te vinden op de internetsite van LNV) 13. Dit levert een grove afweging op, maar wel bruikbaar voor de effectenanalyse. De effectenindicator van LNV geeft de gevoeligheid aan van soorten of habitattypen voor een beperkt aantal verstoringcomponenten. Het is een taak van de betrokken deskundigen om dit waar nodig aan te vullen. 13 De Effectenindicator geeft niet alle benodigde informatie, en heeft dus beperkingen. Het is daarom op dit moment niet voldoende bruikbaar om vormen van bestaand gebruik uit te sluiten in de globale effectenanalyse. Aanvullende deskundigenbeoordeling is nog noodzakelijk om daar uitsluitsel over te geven. 34

36 Voorbeelden vanuit de effectenindicator: Soorten/habitattypen Geluid Licht Menselijke Verdroging etc. etc. aanwezigheid Boomleeuwerik gevoelig niet gevoelig niet gevoelig nvt Nachtzwaluw gevoelig niet gevoelig gevoelig nvt Roodborsttapuit gevoelig niet gevoelig niet gevoelig nvt Wespendief gevoelig niet gevoelig zeer gevoelig nvt Zandverstuivingen nvt nvt gevoelig niet gevoelig Oude eikenbossen nvt nvt niet gevoelig gevoelig Toelichting op de kruistabellen Opzet effectenanalyse De globale en nadere effectenanalyse kunnen als volgt worden uitgewerkt: Werk per vorm van bestaand gebruik de genoemde verstoringcomponenten uit, onderverdeeld naar categorieën per vorm van bestaand gebruik. (zie figuur 2). Stel vast welke soort of welk habitattype gevoelig is voor welke verstoringcomponenten. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Effectenindicator van LNV (zie 14 of deskundigenbeoordeling/modellen. Stel vast of sprake is van mogelijke of waarschijnlijke effecten. Op basis hiervan wordt vervolgens in de kruistabel voor alle afzonderlijke cellen de scores naast elkaar gezet, en wordt kort geformuleerd waardoor een effect vanuit betreffende bepalende categorie van bestaand gebruik 15 én de te onderscheiden verstoringcomponenten mogelijk is voor betreffende instandhoudingsdoelstellingen. Aandachtspunt bij deze werkwijze: leg alle hierbij gemaakte aannames of het hiervoor gebruikte bewijsmateriaal (bijv. relevante literatuur) goed vast. In het hiernavolgende schema is dit uitgewerkt voor een tweetal fictieve voorbeelden ten behoeve van fauna en flora. In het schema wordt middels een kruisje ( x ) aangegeven dat sprake is van het betreffende effect. Voor de koppeling met de kruistabel dient te worden vastgesteld (door middel van deskundigenbeoordeling) of sprake is van een mogelijk of waarschijnlijk effect. Dat wordt dan opgenomen in een gecombineerde kruistabel, tezamen met de betreffende categorie van het bestaande gebruik dat hiervoor als oorzaak is aan te wijzen. Op deze wijze worden de aangegeven effecten en de onderliggende oorzaak-effect relaties onderbouwd en vastgelegd. 14 De effectenindicator geeft niet alle benodigde informatie, en heeft dus beperkingen. Het is daarom op dit moment niet voldoende bruikbaar om vormen van bestaand gebruik uit te sluiten in de globale effectenanalyse. Aanvullende deskundigenbeoordeling is nog noodzakelijk om daar uitsluitsel over te geven. 15 De bepalende categorie van bestaand gebruik wordt dus ook opgenomen in de kruistabel 35

37 Figuur 4: Kruistabel nadere effectenanalyse (fictief voorbeeld). Verstoringcomponent m.b.t. FAUNA X = mogelijk of waarschijnlijk effect leeg = geen effect Licht Geluid Trilling Warmte Menselijke aanwezigheid Luchtdruk Silhouet werking Oppervlaktev erlies Verontreiniging Bestaand Gebruik Militair gebruik Recreatief gebruik Categorieën: Rijden x x x x x x x x x Lopen (rennen/ sporten) x x x x x x Vliegen x x x x x x Varen x x x x x Graven x x x x x x x x Schieten x x x x x x x x x Fietsen x x x x Paardrijden x x x x x Stationaire activiteiten x x x x x x x x x Nader in te vullen: Natuurbeheer Operationeel beheer Gebruik buiten het gebied Mechanische effecten Barrièrewerking Versnippering Verstoringcomponent m.b.t. FLORA X = mogelijk of waarschijnlijk effect leeg = geen effect Bodemverdichting Bodemverstoring Warmte Oppervlakteverlies Verzuring Vermesting Verzoeting Verzilting Verontreiniging Verdroging Vernatting Mechanische effecten Bestaand Gebruik Militair gebruik Recreatief gebruik Categorieën: Rijden x x x x x Lopen (rennen/ sporten) x x x Vliegen x x Varen/landen x x Graven x x x x x x Schieten x x x x x Fietsen x x Paardrijden x x x x Stationaire activiteiten x x x x 36

38 Nader in te vullen: Natuurbeheer Operationeel beheer Gebruik buiten het gebied Vervolgopzet effectenanalyse In figuur 5 staan in de horizontale richting alle afzonderlijke instandhoudingdoelen (IHD en) vermeld, en in verticale richting alle vormen van bestaand gebruik. Hierbij is gebruik gemaakt van een fictieve invulling van beide voor een fictief Natura 2000-gebied. Voor alle IHD en wordt vervolgens aangegeven wat de huidige toestand is. Voor de vormen van bestaand gebruik wordt aangegeven wat de trend is gedurende de looptijd van het beheerplan. Op basis hiervan worden vervolgens in de kruistabel voor alle afzonderlijke cellen de scores naast elkaar gezet, en wordt kort geformuleerd of een effect vanuit betreffend bestaand gebruik mogelijk is voor betreffende IHD. Als dat het geval is, wordt dat aangegeven middels het kleuren van de cel. Een rood gekleurde cel betekent: effect is waarschijnlijk. Een geel gekleurde cel betekent: effect is mogelijk. Waar effecten worden uitgesloten wordt geen kleur gebruikt. In figuur 3 is het hiervoor genoemde toegepast. Deze beoordeling vindt plaats op basis van deskundigenbeoordeling. Voor alle vormen van bestaand gebruik en alle IHD en waarvoor geldt dat effecten waarschijnlijk of mogelijk zijn, wordt verder gegaan met de nadere effectenanalyse. In aanvullende tekst dient vastgelegd te worden hoe de score tot stand is gekomen. Deze achtergrondinformatie is relevant voor o.a. onderbouwing van de toetsing bestaand gebruik, voor de vergunningverlening en de handhaving en maakt overdracht van dossiers mogelijk. Deze zelfde methode geldt voor de uitvoering en beoordeling van de nadere effectenanalyse. Figuur 5: Kruistabel globale effectenanalyse (fictief voorbeeld). Instandhoudingsdoelstellingenen: inclusief huidige trend: + = toestand voldoet en trend is goed, - = toestand onvoldoende of 0 = toestand voldoet maar kans op afname Vormen van bestaand gebruik: inclusief trend gedurende looptijd beheerplan: + = toenemend, - =afnemend of 0 = stabiel Instandhouding doelen Vormen van bestaand gebruik Fonteinkruiden Scheepvaart Huidige trend: 0 0 \ + Huidige toestand: + Kuifeend Huidige toestand: 0 0 \ 0 Tafeleend Huidige toestand: 0 0 \ 0 Kleine Zwaan Huidige toestand: 0 0 \ 0 Grote karekiet Huidige toestand: - 0 \ - Zeil- en overige recreatievaart Huidige trend: + Geen effect + \ + Mogelijk effect (a.g.v. toename oppervlak dat gebruikt wordt en vraag naar maaiwerkzaamheden) Geen effect + \ 0 Waarschijn -lijk effect (a.g.v. toename oppervlak dat gebruikt wordt) Geen effect + \ 0 Waarschijn -lijk effect (zie hiervoor) Geen effect + \ 0 Waarschijn -lijk effect (zie hiervoor) Geen effect + \ - Geen effect 37

39 Surfen Huidige trend: - - \ + - \ \ 0 - \ 0 - \ - Kite-surfen Huidige trend: + + \ + Geen effect Mogelijk effect (ondanks afname, kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect (ondanks afname, kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect (ondanks afname, kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect (ondanks afname, kans op betreding rietkragen) + \ - Dagrecreatie aan oever Huidige trend: + Geen effect + \ + Sportvisserij Huidige trend: + + \ + Geen effect Waarschijn -lijk effect (kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect 2. (kans op verstori ng) + \ 0 Waarschijn -lijk effect (kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect (kans op verstoring) + \ 0 Waarschijn -lijk effect (kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect (kans op verstoring) + \ 0 Mogelijk effect (kans op betreding rietkragen) + \ - Waarschijn -lijk effect (kans op betreding rietkragen) + \ - Visserij Huidige trend: 0 0 \ + Geen effect Mogelijk effect (toename verstoring a.g.v. toename gebruik bootjes) 0 \ 0 Mogelijk effect (toename verstoring a.g.v. toename gebruik bootjes) 0 \ 0 Mogelijk effect (toename verstoring a.g.v. toename gebruik bootjes) 0 \ 0 Geen effect 0 \ - Geen effect Baggeren Huidige trend: 0 0 \ + Geen effect 0 \ 0 Geen effect 0 \ 0 Geen effect 0 \ 0 Geen effect 0 \ - Maaiwerkzaamheden oever Huidige trend: 0 Mogelijk effect (kans op - tijdelijkevertroebeling) 0 \ + Geen effect Mogelijk effect (kans op verstoring) 0 \ 0 Geen effect Mogelijk effect (kans op verstoring) 0 \ 0 Geen effect Mogelijk effect 0 \ 0 Geen effect Geen effect 0 \ - Mogelijk effect (kans op verstoring, kans op 38

40 maaien of branden in verkeerde periode) De hiervoor getoonde schema s worden gecombineerd. Zij worden dus niet los van elkaar gebruikt. De nadere effectenanalyse kan eveneens worden weergegeven in bijvoorbeeld een overzichtstabel. Daarnaast is in de nadere effectenanalyse ook mogelijk om de informatie te koppelen aan kaartmateriaal of kaartbestanden in de vorm van een GIS-analyse. Op deze wijze worden diverse lagen van informatie over elkaar heen gelegd, en kan op die wijze in beeld worden gebracht waar, welke effecten optreden of mogelijk zijn. Daarbij is het van belang goed aandacht te besteden aan de temporele aan- of afwezigheid van soorten of vormen van bestaand gebruik. Een voorbeeld van een model die dit in de praktijk brengt is het HABITAT-model van WL/Delft Hydraulics. 16 Er wordt onderscheid gemaakt in twee afzonderlijke stappen, te weten een kwalitatieve en een kwantitatieve nadere effectenanalyse Nadere effectenanalyse kwalitatief Ga voor deze stap verder met de vormen van bestaand gebruik die op grond van de globale effectenanalyse mogelijke of waarschijnlijke effecten lijken te hebben, en stel daarbij vast wat de invloed is van ruimtelijke en temporele/periodieke 17 aspecten i.r.t. de IHD en. Dat houdt in dat wordt vastgesteld of sprake is van overlap in ruimtelijk gebruik van de habitattypen of soorten en de betreffende vormen van bestaand gebruik. Daarnaast wordt vastgesteld of sprake is van overlap in de periode van het jaar waarin soorten én vormen van bestaand gebruik beide aanwezig zijn. Als sprake is van ruimtelijke én temporele of periodieke overlap, dan wordt dit in rood aangegeven 18. Als geen sprake is van overlap in ruimte en/of tijd, dan kunnen bepaalde vormen van bestaand gebruik afvallen. Voor de uitwerking van deze stap wordt gebruik gemaakt van deskundigenbeoordeling en waar mogelijk met behulp van bijv. dosis-effect relaties of modellen. Maak hiervoor opnieuw gebruik van een kruistabel, rekening houdend met de genoemde verstoringcomponenten. Fictief voorbeeld: Eén van de verstoringcomponenten van "rijden" is geluid. De standaard beschrijving van deze vorm van gebruik beschrijft alleen iets over het rijden over bestaande wegen en paden tijdens de dag- en de avondperiode. Als uit de effectenmatrix blijkt dat er een effect kan zijn, omdat bijvoorbeeld een boomleeuwerik gevoelig is voor geluid, dan volgt een nadere uitwerking van de activiteit rijden. Een verdere uitwerking in intensiteit, locatie en wellicht ook soort voertuig is dan mogelijk (zie kwantitatieve uitwerking van de nadere effectenanalyse). Daardoor kan blijken dat alleen het rijden op een bepaald moment op een specifieke locatie verstorend is. Het is dan nog de vraag in hoeverre het een negatief effect is, maar een eventuele mitigerende maatregel is nu specifiek te nemen Nadere effectenanalyse kwantitatief Ga voor deze stap verder met de vormen van bestaand gebruik die in de kwalitatieve stap (zie hiervoor) effecten hebben op/voor de IHD en en in ruimte én tijd overlap vertonen. Stel voor de overgebleven vormen van bestaand gebruik vast wat de kwantitatieve effecten zijn en stel daarbij vast welke vormen van bestaand gebruik significant negatieve effecten kunnen hebben en waarvoor passende beoordeling noodzakelijk is. Vormen van bestaand gebruik die significante effecten veroorzaken maar via mitigatie toch kunnen worden opgenomen in het beheerplan, dienen apart te worden benoemd. Gebruik voor deze stap deskundigenbeoordeling en waar mogelijk bijv. modellen. 16 Een dergelijke aanpak waarbij ruimtelijk inzicht ontstaat over een aangewezen gebied kan tegelijkertijd informatie opleveren die bruikbaar is voor het invullen van noodzakelijke of gewenste mitigatie. Hiermee wordt bedoeld dat uit de ruimtelijke informatie duidelijk kan worden waar de abiotische omstandigheden gunstig zijn voor bepaalde soorten of habitattypen waarvoor mitigatie gewenst is. Dat kan daarmee dus bijdragen aan het kiezen van locaties of deelgebieden t.b.v. die mitigatie. 17 Aandachtspunt: bepaalde activiteiten hebben meer effect op soorten wanneer ze s nachts plaatsvinden, dus rekening houden met het verschil tussen dag en nacht 18 Waar nodig dient ook rekening te worden gehouden met de intensiteit van het gebruik 39

41 Uitwerking hiervan zal door meerdere experts verricht dienen te worden, om een zo goed mogelijk resultaat te kunnen waarborgen. Maak hiervoor opnieuw gebruik van een kruistabel. Alleen effecten die als significant kunnen worden aangemerkt (ook na eventuele mitigatie) worden in rood aangegeven. Ook in deze kruistabel wordt gebruik gemaakt van de genoemde verstoringcomponenten. Hierbij kan aanvullende tekst opgenomen worden om aan te geven hoe groot het betreffende effect is. Deze score kan bijvoorbeeld gescoord worden als lichte, matige of grote verstoring. Dat kan d.m.v. een 1, 2 of 3 worden ingevuld, maar andere scores zijn uiteraard ook mogelijk, indien dat gewenst wordt. Op deze wijze worden de aangegeven effecten en de onderliggende oorzaak-effect relaties onderbouwd en vastgelegd. Per soort zal op zijn minst aangegeven dienen te worden wat de natuurlijke fluctuatie is èn zal moeten worden aangetoond dat een afname 1) valt binnen de natuurlijke fluctuatie en 2) niet zal leiden tot een gemiddeld lager populatieniveau op de langere termijn (oftewel: de afname zal opgevangen moeten kunnen worden binnen de natuurlijke bandbreedte). Als 1) of 2) niet kan worden onderbouwd, is sprake van een significant effect Eindscores Op de hiervoor beschreven wijze wordt dus stapsgewijs in beeld gebracht welke vormen van bestaand gebruik tot effecten kunnen leiden. Hiermee wordt ook duidelijk welke vormen van bestaand gebruik (en de te onderscheiden categorieën) relevant zijn voor de cumulatie-toets, welke vormen van bestaand gebruik al of niet voor mitigatie in aanmerking kunnen komen en welke uiteindelijk via het vergunningenstelsel dienen te lopen. De uiteindelijke score kan in beeld worden gebracht via een overzichtstabel. Dit geldt als totaalresultaat van de nadere effectenanalyse. Alle onderliggende gegevens en de kruistabellen zijn relevant voor de cumulatie-toetsing Voorwaarden voor nadere effectenanalyse De nadere effectenanalyse wordt vooral uitgevoerd en ingevuld aan de hand van beschikbare monitoringgegevens. Hierop wordt een analyse verricht door middel van deskundigenbeoordeling en waar mogelijk met behulp van modellen en rekenwerk/regels. De analyse dient een overzicht te leveren met daarin een beschrijving en waar mogelijk een berekening van de effecten van projecten of handelingen vallend onder bestaand gebruik. Daarbij wordt rekening gehouden met autonome ontwikkelingen en overige ontwikkelingen in vergelijking tot de instandhoudingdoelstellingen. Maatwerk bij het beoordelen van effecten van activiteiten dient mogelijk te zijn om reden van precisie of flexibiliteit. De kwaliteit of de betrouwbaarheid van gegevens is hierbij van groot belang Autonome en overige ontwikkelingen? Er kan ook nog sprake zijn van autonome en overige ontwikkelingen Autonome ontwikkelingen Hierbij wordt onderscheid gemaakt in natuurlijke fluctuaties en toename van het bestaand gebruik (zie begrippenkader). Onder autonome ontwikkelingen vallen bijvoorbeeld: - klimaatsverandering; - veranderingen in bevolkingsomvang of leeftijdsopbouw; - veranderingen in samenstelling / aantallen van flora en fauna Overige ontwikkelingen Naast het bestaand gebruik en de autonome ontwikkelingen kunnen ook nog andere ontwikkelingen een rol spelen. Die ontwikkelingen kunnen leiden tot veranderingen in het voorkomen en de kwaliteit van habitattypen of soorten. Bij deze ontwikkelingen wordt onderscheid gemaakt tussen: - projecten, plannen, activiteiten etc. waar besluitvorming over bestaat c.q. waarvoor in het verleden vergunningen zijn verleend en/of projecten die al geheel of gedeeltelijk zijn 40

42 uitgevoerd. Bijv. vergunde concessies voor zandwinning en vaargeulverbreding; - projecten, plannen, activiteiten etc. die het stadium van besluitvorming nog niet bereikt hebben. Deze zullen t.z.t. in het kader van besluitvorming hierover in samenhang met overige projecten in het gebied aan de Europese richtlijnen c.q. de Nbw moeten worden getoetst. Negatieve effecten van autonome en overige ontwikkelingen moeten geneutraliseerd worden (tenzij dat onmogelijk is; daarvoor is beargumentering richting Brussel nodig). Zie ook het Begrippenkader. 2.7 Significantie Inleiding Het begrip 'significante gevolgen' is zowel relevant voor de vaststelling van beheerplannen voor Natura 2000-gebieden als de verlening van vergunningen voor projecten in en rond Natura gebieden 19. Het begrip bepaalt voor beide instrumenten wanneer een zogenaamde passende beoordeling moet worden uitgevoerd, namelijk: indien significante gevolgen niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. In bijlage 2 bij deze notitie is nader op de specifieke artikelen van de wet ingegaan en is een relatie gelegd met de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn (waar de Natuurbeschermingswet de Nederlandse uitwerking van is). Hieruit blijkt dat het begrip een centrale rol speelt in zowel de vaststelling van het beheerplan als de verlening van vergunningen. Gezien deze centrale rol is er grote behoefte aan duidelijkheid omtrent de uitleg daarvan. Bij de invulling van het begrip spelen de instandhoudingsdoelstellingen uit de definitieve aanwijzingsbesluiten een centrale rol 20 : in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen moet worden bezien of (mogelijk) sprake is van significante gevolgen. In deze tekst wordt dan ook eerst ingegaan op de verwoording van de instandhoudingsdoelstellingen. Vervolgens wordt uitgelegd hoe de significantie kan worden bepaald voor kwantitatieve aspecten (oppervlakte habitattypen / omvang leefgebied soorten, en populatieomvang soorten). Daarna komt de kwaliteit aan bod (van habitattypen en leefgebied soorten). Vervolgens wordt ingegaan op specifieke kenmerken en milieuomstandigheden die ook van invloed zijn op de vraag of sprake is van significante effecten. De ontwerp-aanwijzingsbesluiten komen eveneens aan de orde. In bijlage 15 wordt ingegaan op hoe om te gaan met onzekerheden. Tot slot komt aan bod wie de significantie bepaalt en beoordeelt. Een samenvatting in de vorm van een stappenschema met voorbeelden is opgenomen als bijlage 10. Deze tekst omvat als vertrekpunt voor de beoordeling of sprake is van mogelijke significante gevolgen een algemene benaderingswijze. In de praktijk blijft de beoordeling van het al dan niet significant zijn van een activiteit altijd maatwerk vergen, waarbij met de specifieke kenmerken van het gebied en de activiteit rekening wordt gehouden. In aanvulling daarop moet worden bedacht dat met de algemene benaderingswijze een insteek wordt gekozen waarbij ervan wordt uitgegaan dat er voldoende inzicht bestaat in bijvoorbeeld het te behouden aantal hectares van een habitat, de voorgestane herstelopgave, dan wel het langjarige jaargemiddelde. Dit inzicht is lang niet altijd al aanwezig. Het proces via een definitief aanwijzingsbesluit naar een definitief beheerplan zal hier in voorzien. Ondanks het feit dat de tekst zich beperkt tot de hoofdlijnen, is de inhoud niet snel en eenvoudig te doorgronden. Dat wordt veroorzaakt door het feit dat er veel relevante aspecten zijn, zowel in ecologische als juridische zin. Om de tekst overzichtelijk te houden, zijn tekstherhalingen zoveel mogelijk vermeden en zijn veel (voor beheerplanopstellers en vergunningverleners relevante) details in voetnoten opgenomen. In bijlage 8 is een notitie opgenomen waarin de juridische achtergrond van de term significante gevolgen wordt behandeld. 19 Buiten Natura 2000-gebieden wordt dit begrip dus niet als zodanig toegepast op daar aanwezige habitattypen of soorten van de Habitat- of de Vogelrichtlijn. Wél kunnen ontwikkelingen buiten een Natura 2000-gebied relevant zijn voor de instandhouding van dat Natura 2000-gebied: middels de externe werking kan bijvoorbeeld de aantasting van een populatie buiten een Natura 200-gebied een significant gevolg hebben voor de populatie binnen dat Natura 2000-gebied. 20 Als er een definitief aanwijzingsbesluit is, hoeft er namelijk alleen maar getoetst te worden op waarden waarvoor een instandhoudingsdoelstelling is geformuleerd. Zie hoofdstuk 9 voor de situatie waarin er nog geen definitief aanwijzingsbesluit is. 41

43 2.7.2 Belang van nadere uitwerking van het begrip significante gevolgen In de voorgaande paragraaf is ingegaan op de centrale rol die het begrip significantie speelt bij zowel het vaststellen van Natura 2000-beheerplannen als bij de vergunningverlening. Het begrip significante gevolgen is evenwel niet gedefinieerd in de Habitatrichtlijn (wel de 'staat van instandhouding', waar het begrip betrekking op heeft). Voor de praktijk van met name beheerplannen en vergunningverlening is een verduidelijking noodzakelijk. Enerzijds om recht te doen aan de richtlijnen en de Natuurbeschermingswet 1998 en anderzijds om te voorkomen dat het begrip te strikt wordt toegepast. Hoewel algemene, objectieve kaders een bepaalde mate van duidelijkheid kunnen bieden, moet worden beseft dat de toepassing een gebiedsspecifiek karakter zal blijven houden: gekozen is immers voor een bescherming op het niveau van een Natura 2000-gebied. Er zal dus niet snel van een bepaalde ingreep gezegd kunnen worden dat die nooit een significant effect kan hebben. Aan de andere kant kan slechts van een deel van de mogelijke effecten gezegd worden dat ze altijd significant zullen zijn. Kortom: bij een effectbeoordeling moet worden gewerkt met generieke kennis en (voor zover voorhanden) generieke normen, maar het blijft gebiedsgericht maatwerk. Niet alleen in Nederland ziet men het belang van nadere uitwerking van het begrip significante gevolgen. Ook op Europees niveau is dit belang al eens onderkend (zie kader). Deze interpretaties zijn als vertrekpunt gebruikt voor onderhavige uitwerking van het begrip `significante gevolgen. Europese interpretatie De Europese Commissie 21 heeft in een interpretatiedocument het begrip significante gevolgen als volgt omschreven: Wat als een significant gevolg moet worden aangemerkt, is geen kwestie van willekeur. Ten eerste wordt de term in de richtlijn als een objectief begrip gehanteerd (d.w.z. dat de term niet op zodanige wijze wordt gekwalificeerd dat hij op een arbitraire wijze kan worden geïnterpreteerd). Ten tweede is een consequente interpretatie van significant noodzakelijk om te garanderen dat Natura 2000 als een coherent netwerk functioneert. Hoewel er duidelijk behoefte is aan een objectieve interpretatie van de term significant, betekent deze objectiviteit natuurlijk geenszins dat geen rekening moet worden gehouden met de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied waarop het plan of project betrekking heeft. In dit verband kunnen de instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied alsmede achtergrondgegevens en gegevens over de vroegere toestand, zeer nuttig zijn voor een precieze omschrijving van de meest delicate punten in verband met natuurbehoud. Een deel van deze informatie is vervat in de gegevens die bij het selectieproces overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 92/43/EEG worden gebruikt (zie punt 4.5.3). Ook beschikken de lidstaten soms over gedetailleerde beheersplannen ter instandhouding van een gebied, waarin de verschillen qua kwetsbaarheid tussen de diverse delen van een gebied worden beschreven. Een en ander maakt duidelijk dat wat in één gebied significant is, het niet per se hoeft te zijn in een ander (zie bijlage I, punt 8 22 ). Aan het begrip significant moet een objectieve inhoud worden gegeven. Tegelijk moet de significantie van effecten worden vastgesteld in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied waarop een plan of project betrekking heeft, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Het verlies van 100 m 2 habitat kan significant zijn in het geval van een kleine standplaats van zeldzame orchideeën, maar onbeduidend in het geval van een uitgestrekt steppegebied. Deze interpretatie is bevestigd door de uitspraak over kokkelvisserij van het Europese Hof van Justitie (zaak C-127/02, punt 48 van het arrest d.d. 7 september 2004), waarin is gesteld dat een plan of project dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied. In het kader van de inschatting van de effecten die dit plan of project kan hebben, moet de significantie van die gevolgen met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft. 21 Europese Commissie, 2000: Beheer van Natura 2000"-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). 22 Om te weten wat in de praktijk onder significant moet worden verstaan, is het nuttig om zich te baseren op de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, en met name zaak C-355/90, Commissie/Spanje, Jurispr. 1993, blz. I-4221 ( Moerassen van Santoña ). Hoewel bedoeld arrest niet werd geveld op basis van artikel 6, leden 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG (maar wel op basis van de beschermingsregeling voor SBZ-V uit hoofde van de eerdere Richtlijn 79/409/EEG), geeft het een idee van het soort activiteiten dat geacht kan worden significante gevolgen voor beschermde gebieden te hebben. 42

44 Wat onder verslechtering van een habitat of een verstoring van een soort moet worden verstaan, is in het interpretatiedocument nader uitgewerkt: Verslechtering van de kwaliteit van een habitat treedt op wanneer in een bepaald gebied de door dit habitat ingenomen oppervlakte afneemt of wanneer het met de specifieke structuur en functies die voor de instandhouding van het habitat op lange termijn noodzakelijk zijn, dan wel met de staat van instandhouding van de met dit habitat geassocieerde typische soorten, in dalende lijn gaat in vergelijking met de begintoestand. Deze evaluatie geschiedt in het licht van de bijdrage van het gebied tot de coherentie van het netwerk. Bij de beantwoording van de vraag of er mogelijk sprake is van significante effecten, moet dus getoetst worden aan deze drie aspecten (bij het leefgebied van een soort gaat het uiteraard alleen om de eerste twee aspecten). Daarmee is nog niet gezegd dat elke verslechtering van één van deze drie aspecten ook per definitie een significant effect is. Omdat verstoring van soorten geen direct effect heeft op de fysische aspecten van een gebied, moet (volgens genoemd document) bij de significantiebepaling van verstoring in een gebied getoetst worden of de verstoring de staat van instandhouding beïnvloedt: elke gebeurtenis die bijdraagt tot de afname op lange termijn van de populatieomvang van de betrokken soort in het gebied [of] ertoe bijdraagt dat het verspreidingsgebied van de soort in het gebied kleiner wordt of dreigt te worden [of] ertoe bijdraagt dat de omvang van het habitat van de soort in het gebied kleiner wordt, kan als een significante verstoring worden aangemerkt Het begrip significante gevolgen Veel aspecten behoeven nadere uitleg zoals ook het begrip significante gevolgen: Uitgangspunt voor de beoordeling of menselijk handelen 23 significante gevolgen (of een significant negatief effect) kan hebben, is of de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied gehaald zal worden. In de wet staat daarbij in de eerste plaats de mogelijkheid dat zich significante gevolgen kunnen voordoen centraal en brengt het feit dat er onvoldoende zekerheid bestaat om de kans daarop uit te sluiten met zich mee dat de betreffende verplichting, zoals een passende beoordeling, reeds van toepassing is. Inzet is om de kans op significante gevolgen redelijkerwijs te kunnen uitsluiten; blijft daar te grote onzekerheid over bestaan, dan kan niet zonder het doorlopen van de ADC-toets vergunning worden verleend. Zie ook bijlage 15. Om te kunnen vaststellen of deze kans op significante gevolgen aanwezig is, moet gelet worden op een aantal aspecten die in de volgende hoofdstukken nader worden toegelicht: - de relevante aspecten van de instandhoudingsdoelstellingen en hun precieze inhoud; - de mate van zekerheid over het optreden van het effect (aard, grootte) in relatie tot het natuurlijke functioneren van habitattypen, leefgebieden en soorten (met hun natuurlijke fluctuaties en eventuele trends); - ook zal uit die nadere toelichting blijken dat met de instandhoudingsdoelstellingen in feite langjarige gemiddelden worden bedoeld en dat een tijdelijk lager niveau dan dat van de doelstelling niet per definitie significant hoeft te zijn; - de beoordeling of al dan niet sprake is van (mogelijke) significante gevolgen blijft altijd maatwerk, hetgeen aan de hand van specifieke voorbeelden zal worden geïllustreerd. Het (relatieve) belang van het gebied voor bijvoorbeeld de regio of Nederland, is niet relevant bij de bepaling van significantie. opmerking is correct maar maakt hetgeen we hier proberen uit te leggen niet duidelijker daarom voorstel om het dan maar helemaal weg te laten! De reden hiervoor is dat het aanwijzingsbesluit de basis is voor het bepalen van een kans op een significant effect. In dat aanwijzingsbesluit is al rekening gehouden met het belang van het gebied binnen het Natura netwerk. 24 In de onderstaande paragrafen wordt niet ingegaan op de begrippen cumulatie en externe werking, maar bij een effectbeoordeling moet daarmee natuurlijk terdege rekening worden gehouden. Veel projecten vinden immers buiten Natura 2000-gebieden plaats, terwijl ze wel effect kunnen hebben op de natuurwaarden binnen die gebieden. En juist het gecumuleerde effect van een aantal projecten kan leiden tot een significant gevolg, terwijl de afzonderlijke effecten wellicht verwaarloosbaar zijn. Voor 23 Zie voor de betekenis hiervan de precieze bewoordingen van de wet, zoals opgenomen in bijlage Met het relatieve belang van het gebied kan wél rekening worden gehouden in de alternatievenafweging (onderdeel van de ADC-toets bij vergunningverlening). Het is overigens denkbaar dat een effect niet significant is ten opzichte van de instandhoudingsdoelstelling van het gebied, maar wél zal leiden tot het niet halen van een landelijke doelstelling. Ook in dat geval is er echter geen sprake van een significant gevolg in de zin van de wet. 43

45 cumulatie en externe werking wordt verwezen naar de documenten van het Steunpunt Natura 2000 die over deze begrippen gaan Instandhoudingsdoelstellingen: relevante aspecten en precieze inhoud Wat voor doelen zijn er? Met instandhoudingsdoelstelling wordt bedoeld: de in de nota van toelichting bij het betreffende aanwijzingsbesluit opgenomen 'instandhoudingsdoelstellingen', bestaande uit - algemene doelen 25, - doelen voor habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn, - doelen voor soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn, - doelen voor broedvogels van bijlage I van de Vogelrichtlijn en niet-broedvogels vanwege art. 4.2 van de Vogelrichtlijn. 26 De instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen 27 zijn beschreven in de volgende termen: - behoud of uitbreiding van de oppervlakte - behoud of verbetering van de kwaliteit In sommige gevallen is in de instandhoudingsdoelstelling opgenomen dat de oppervlakte mag afnemen ten gunste van het bereiken van het doel van een met name genoemd ander habitattype of een soort (de zogenoemde 'ten gunste van'-formulering). De instandhoudingsdoelstellingen voor soorten zijn beschreven in de volgende termen: - behoud of uitbreiding van de omvang van het leefgebied - behoud of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied - behoud of uitbreiding van de populatie Voor het leefgebied is soms ook een doel voor verspreiding van het leefgebied geformuleerd. De doelen voor leefgebied en populatieomvang zijn aan elkaar gekoppeld, bijvoorbeeld: "behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie". Bij veel soorten is het woord 'populatie' gespecificeerd met "bestaande uit ten minste...", en dan volgt bijvoorbeeld een sleutelpopulatie (of een 'duurzame populatie') met een bepaald aantal volwassen individuen Toetsing aan de instandhoudingsdoelstelling In Nederland is ervoor gekozen om de instandhoudingsdoelstellingen te formuleren in termen van behoud en uitbreiding/verbetering. Bij beantwoording van de vraag of iets een significant gevolg heeft gaat het om de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling. In de beheerplannen worden de instandhoudingsdoelstellingen per gebied uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd. Dit houdt in dat bij toetsing aan de instandhoudingsdoelstelling specifieke bijzonderheden en milieukenmerken kunnen worden meegewogen om te bepalen of al dan niet sprake is van (mogelijke) significante gevolgen. Daarbij moet bij de interpretatie van de instandhoudingsdoelstelling ook de Toelichting op het Doel worden betrokken. Zoals hierboven reeds is aangegeven, is het dus niet de bedoeling om steeds per geval een relatie te leggen tussen het effect van een ingreep en het belang van een soort of habitat in een gebied. Als het relatieve belang van een gebied groot is voor een bepaald(e) soort of habitattype, is er dus niet eerder sprake van een significant gevolg dan als het relatieve belang minder groot is. 25 De algemene doelen zijn geformuleerd in kwalitatieve termen en ze zijn voor elk Natura 2000-gebied identiek. In dit stuk wordt daarom verder geen aandacht aan deze doelen besteed. Ze zijn echter wel degelijk van belang bij een effectbepaling. De in deze tekst gepresenteerde methodiek zal dus - zij het op een daarbij passende, globalere wijze - ook toegepast moeten worden op deze doelen. 26 Tot de instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en (HR- en VR-)soorten behoren ook de zogenoemde complementaire doelen. De kernopgaven die gebiedsgewijs zijn toegedeeld in het Natura 2000 Doelendocument maken echter géén onderdeel uit van een aanwijzingsbesluit en daarom spelen ze geen rol bij de significantiebepaling. Wel wordt er in het aanwijzingsbesluit naar verwezen, omdat de kernopgaven belangrijk zijn voor het stellen van prioriteiten bij de bescherming en het nemen van maatregelen. 27 Onder habitattypen worden ook habitatsubtypen verstaan indien een habitattype in subtypen is verdeeld. De subtypen zijn dus niet onderling uitwisselbaar: nadrukkelijk zijn de doelen op het niveau van subtypen opgenomen in de toelichting van een aanwijzingsbesluit. 44

46 Evenmin moet rechtstreeks getoetst worden aan de staat van instandhouding. Voordat er aanwijzingsbesluiten waren, moest er wél getoetst worden aan de gunstige staat van instandhouding, maar inmiddels zijn de instandhoudingsdoelstellingen doorslaggevend. Die instandhoudingsdoelstellingen houden uiteraard wel rekening met de staat van instandhouding ten tijde van de aanwijzing, maar er is geen rechtstreekse relatie tussen beide. Instandhoudingsdoelstelling In beheerplan: uitwerking in omvang ruimte tijd Actuele situatie en autonome ontwikkeling Effect door ingreep In de aanwijzingsbesluiten is in een deel van de gevallen gekozen voor het doel behoud terwijl de staat van instandhouding in het gebied niet gunstig was (verbetering was in die gevallen onhaalbaar). In andere gevallen is er soms (vanwege de noodzakelijke bijdrage aan de landelijke doelstelling) voor gekozen om uit te breiden, terwijl de staat van instandhouding al gunstig was. In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de rol die bepaalde aspecten van de staat van instandhouding wél spelen, namelijk of de effecten afgezet tegen de actuele en verwachte oppervlakte of kwaliteit de instandhoudingsdoelstelling in gevaar (kunnen) brengen. Wanneer er bij een uitbreidingsdoelstelling geen getal staat (wat het geval is bij de habitattypen en een deel van de Habitatrichtlijn soorten) is uit het aanwijzingsbesluit niet op te maken wat het doel minimaal of maximaal is: er wordt alleen een richting gegeven. Bepaling van een kans op een significant effect betreft dan dus het beoordelen of een uitbreiding binnen redelijke termijn nog mogelijk is of niet. In het beheerplan zal echter (meestal) een nadere uitwerking aan de instandhoudingsdoelstellingen worden gegeven in omvang, ruimte en tijd. Hierbij wordt dan rekening gehouden met de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het gebied. Dat betekent dat de toetsing veel concreter gaat worden: er moet bijvoorbeeld bij een uitbreidingsdoelstelling getoetst worden of een ingreep een significant negatief effect heeft op de beoogde locatie en omvang van de uitbreiding of de snelheid waarmee die uitbreiding moet worden gerealiseerd. In de onderstaande tekst zal steeds gerefereerd worden aan het aanwijzingsbesluit, maar bedacht moet worden dat het beheerplan hieraan nadere invulling geeft, wat kan leiden tot zowel een kleinere als een grotere kans op significante effecten 28. In de wordt nader ingegaan op de significantiebepaling in het geval van doelen voor oppervlakte (habitattypen, leefgebied soorten), populatieomvang en kwaliteit (habitattypen, leefgebied soorten). De tekst is geschreven voor de situatie dat er een definitief aanwijzingsbesluit is. Omdat er op het moment van publiceren van deze tekst vaak nog geen definitieve aanwijzingsbesluiten zijn, wordt in paragraaf vermeld hoe getoetst moet worden bij ontwerp-aanwijzingsbesluiten Oppervlakte habitattypen en omvang leefgebied van soorten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de significantiebepaling ten aanzien van het aspect oppervlakte. Zowel bij habitattypen als bij het leefgebied van soorten is dit van belang. Omdat er geen principieel verschil is tussen beide, worden ze samen behandeld. 28 Kleiner: als bijvoorbeeld duidelijk is dat een bepaald habitattype niet voorkomt (en hoeft te komen) op een locatie die onder invloed staat van het project of de handeling. Groter: als het doel bijvoorbeeld een verdubbeling van de oppervlakte is, als uitwerking van het (niet-gekwantificeerde) doel 'uitbreiding' in het besluit. 29 Overigens kunnen ook de definitieve aanwijzingsbesluiten na verloop van tijd worden aangepast. Uiteraard kan bij een significantietoets nog niet vooruitgegrepen worden op het voornemen om een instandhoudingsdoelstelling te verlagen of te schrappen. 45

47 Wanneer wijkt de oppervlakte of de omvang significant af van de instandhoudingsdoelstelling? Om te kunnen bepalen of er bij de oppervlakte van een habitattype of de omvang van een leefgebied van een soort sprake zou kunnen zijn van een significant effect, moet eerst duidelijk zijn wat er onder de oppervlakte van een habitattype of omvang van een leefgebied valt en hoe precies dat kan worden vastgesteld, waarbij ook rekening gehouden moet worden met de van nature voorkomende fluctuaties van jaar tot jaar. Vervolgens moet de verwachte afname ten opzichte van de actuele oppervlakte worden vergeleken met de begintoestand (de oppervlakte die volgens de instandhoudingsdoelstelling moest worden behouden of uitgebreid). Daarbij kan rekening worden gehouden met veerkracht. Er moet worden bepaald of de beoogde oppervlakte van een habitattype of omvang leefgebied van een soort zoals bedoeld in het aanwijzingsbesluit of uitgewerkt in het beheerplan wordt gehaald of niet. Een afname van oppervlakte van een habitattype of leefgebied van een soort betekent niet per definitie dat er sprake is van een significant gevolg omdat dat altijd in de context van met name het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen moet worden gezien. Deze verschillende aspecten worden hieronder nader uitgewerkt Wat moet worden beoordeeld? Wat er bij de oppervlakte van een habitattype moet worden gemeten en beoordeeld, is alles wat valt onder de definitie van het habitat(sub)type zoals opgenomen in het Profielendocument (de definities zijn vooral vegetatiekundig van aard, maar soms geheel geomorfologisch). De actuele versie staat op de Natura 2000-website van LNV 30. Bij het leefgebied van soorten moet eveneens gebruik worden gemaakt van het Profielendocument, maar in dat document staan voor de leefgebieden geen scherpe definities. Bij dieren moet er op worden gelet dat het leefgebied kan bestaan uit deelgebieden met ieder een eigen functie, zoals slaapplaatsen en voedselgebieden in het geval van (trek)vogels, of voortplantingswateren naast overwinteringsplekken voor amfibieën. Hoewel de daadwerkelijke aanwezigheid van een soort geen vereiste is voor het vaststellen of een bepaalde plek tot het leefgebied behoort, kan de afwezigheid van de betreffende soort wel aanleiding zijn om na te gaan of een bepaalde plek wel echt tot het leefgebied van de betreffende soort moeten worden gerekend Precisie De precisie waarmee vastgesteld kan worden wat de oppervlakte is, hangt af van de definitie van het habitattype of het leefgebied. Voor de habitattypen is in de Leeswijzer bij het Profielendocument een minimum-oppervlakte opgenomen: vanaf die oppervlakte kan de aanwezigheid van een habitattype worden vastgesteld. Meestal is dat 1 are (voor alle bostypen geldt 10 are; in twee gevallen gaat het om 0,1 are). Het ligt voor de hand dat op een vergelijkbare wijze de omvang van het leefgebied van een soort kan worden vastgesteld, hoewel dat (gezien het gebrek aan precieze definiëringen) lastiger is dan bij habitattypen. Veranderingen die kleiner zijn dan de minimumoppervlakte worden beschouwd als zijnde niet meetbaar en daarmee per definitie niet significant Begintoestand De begintoestand is de oppervlakte zoals aanwezig op het moment van definitieve aanwijzing, want díe oppervlakte moet volgens de instandhoudingsdoelstelling worden behouden of uitgebreid. Omdat in de instandhoudingsdoelstellingen geen concreet getal voor de oppervlakte wordt genoemd, moet deze zo goed mogelijk worden afgeleid uit bestaande of nog uit te voeren karteringen, waarbij uiteraard zo goed mogelijk de situatie ten tijde van het aanwijzen moet worden weergegeven. Voor habitattypen zal naar verwachting eind 2010 in alle Natura 2000-gebieden een actuele kartering voorhanden zijn. Voor leefgebieden van soorten zal dat niet het geval zijn Bij het bepalen van die verandering moet uiteraard rekening worden gehouden met cumulatie. Indien er door de jaren heen meerdere niet-meetbare afnames hebben plaatsgevonden, kan er cumulatief toch sprake zijn van een wél meetbare afname. Maar er is pas sprake van een mogelijk significant gevolg indien er tegenover die afname geen minstens even grote toename heeft plaatsgevonden (door bijvoorbeeld natuurontwikkeling en -herstel of door natuurlijke successie): de actuele oppervlakte is immers de resultante van in de loop van de tijd ontstane lokale afnames én toenames. Voorts geldt de stelregel van de minimum-oppervlakte niet in die (uitzonderlijke) gevallen dat de totale oppervlakte in het Natura 2000-gebied nauwelijks groter is dan de minimum-oppervlakte: elke afname kan dan immers leiden tot het verdwijnen van het habitattype. 46

48 Actuele oppervlakte en autonome ontwikkeling De actuele oppervlakte is de oppervlakte op het moment van beoordeling; deze kan gelijk zijn aan de begintoestand, maar ook lager of hoger. Met de autonome ontwikkeling wordt de verandering in oppervlakte bedoeld die naar verwachting zal optreden indien de te beoordelen ingreep niet zal plaatsvinden Verwachte afname De verwachte afname als gevolg van de ingreep moet zo objectief mogelijk worden vastgesteld - het hangt van de aard van de ingreep of invloed af hoe precies en met wat voor mate van zekerheid die afname kan worden voorspeld (afname door bebouwing is 100% zeker en nauwkeurig te voorspellen, maar toename van erosie bij een kwelder veel minder en dat leidt tot een bandbreedte in de te verwachten effecten). Indien de verwachte afname een onzekerheidsmarge heeft, dan moet worden uitgegaan van de maximale afname ('worst case') Instandhoudingsdoelstelling In een instandhoudingsdoelstelling zijn in een aantal specifieke situaties behoudsdoelen geformuleerd. Of de instandhoudingsdoelstelling blijvend en onverminderd zal worden gehaald, kan worden bepaald door in het geval van een behoudsdoel na te gaan of het beoogde oppervlak, zoals geformuleerd in het aanwijzingsbesluit, wordt gegarandeerd << gaat hier om behoudsdoel, het is er dus al en moet er blijven, als iets bereikt moet worden is sprake van een hersteldoel>>.. Deze oppervlakte is voor zowel habitattypen als leefgebieden van soorten (in het algemeen) gelijk aan die zoals aanwezig ten tijde van de aanwijzing 32. In het geval van een uitbreidingsdoel moet tevens worden nagegaan of uitbreiding niet in de weg wordt gestaan. Het beheerplan zal over de mate en snelheid van de beoogde uitbreiding meer duidelijkheid geven (en dus meer mogelijkheden om concreet te toetsen). Als er nog geen beheerplan is, is het belangrijk om na te gaan of het gebied in het Natura 2000 Doelendocument (ministerie van LNV, 2006) een 'sense of urgency' heeft. Het gaat daarbij om hersteldoelen die binnen tien jaar (dat wil zeggen: uiterlijk in 2015) gerealiseerd moeten worden, omdat het anders geen zin meer heeft. Dat helpt dus bij het beoordelen van de significantie van een vertraging, want de vraag moet dan beantwoord worden: leidt die vertraging tot het niet halen van die tien jaar? Overigens kan een mogelijke urgentie ook door (andere) deskundigen worden vastgesteld. Uit het voorgaande blijkt dat een generieke toepassing van een maximaal toelaatbare landelijke norm voor afname van bijvoorbeeld 1% of 5% niet conform de bedoeling van de instandhoudingsdoelstellingen is. Wanneer de verwachte afname, als gevolg van de ingreep, ertoe zou leiden dat de toekomstige oppervlakte lager zal worden dan de oppervlakte zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kunnen in beginsel significante gevolgen niet op voorhand worden uitgesloten. Dit kan anders liggen wanneer: a. de afname minder is dan de minimum-oppervlakte van het habitattype (zie boven bij precisie ), er is dan per definitie geen sprake van een meetbare afname; b. het effect opgevangen kan worden in de natuurlijke fluctuaties en de daarmee samenhangende veerkracht van het gebied (zie volgende twee paragrafen). c. specifieke bijzonderheden en milieukenmerken worden meegewogen.dit alles kan tot de conclusie leiden dat ondanks de afname (mogelijke) significante gevolgen zijn uitgesloten. Zie hiervoor hoofdstuk Veerkracht De oppervlakte van een habitattype en de omvang van een leefgebied zijn ook onder natuurlijke omstandigheden nooit constant: er treden natuurlijke fluctuaties op. Die fluctuaties zijn in het 32 Enige uitzondering betreft ten gunste van -formuleringen. Het kan voorkomen dat de oppervlakte van een habitattype inmiddels is afgenomen ten gunste van een ander habitattype. Wanneer die omzetting reeds was opgenomen in het aanwijzingsbesluit door middel van een ten gunste van -formulering, kan in zo n geval niet meer getoetst worden aan de oppervlakte ten tijde van de aanwijzing, die inmiddels is afgenomen ten gunste van een ander habitattype. Wanneer die omzetting reeds was opgenomen in het aanwijzingsbesluit door middel van een ten gunste van -formulering, kan in zo n geval niet meer getoetst worden aan de oppervlakte ten tijde van de aanwijzing. 47

49 algemeen wel veel minder sterk dan bij de populatieomvang van soorten en ze treden vaak pas over meerdere jaren op (alleen pioniertypen en bijvoorbeeld zand- en slikplaten kunnen een jaarlijks fluctuerende omvang hebben die groter is dan de meetbare omvang). Voor zover fluctuaties toe te schrijven zijn aan concrete projecten (met uitzondering van het beheer dat gericht is op de instandhoudingsdoelstellingen), behoren ze niet tot natuurlijke fluctuaties. Zulke fluctuaties komen tenslotte niet voort uit de natuurlijke kenmerken van het gebied - waar het de Habitatrichtlijn juist om gaat 33. Hoe moet nu de instandhoudingsdoelstelling worden geïnterpreteerd? En hoe moet het verwachte effect daartegen worden afgezet? De instandhoudingsdoelstelling is afgeleid van de oppervlakte zoals die aanwezig was op het moment van definitieve aanwijzing. Bij behoud moet die oppervlakte worden behouden, bij uitbreiding moet die oppervlakte worden uitgebreid (het beheerplan geeft duidelijkheid over de mate waarin). Maar moet nu bij behoud élk jaar vanaf het moment van aanwijzing de bedoelde oppervlakte aanwezig zijn? Mag het nooit een beetje minder zijn? Gezien het feit dat er van nature fluctuaties optreden, zou die eis ingaan tegen de natuurlijke kenmerken van het gebied (die juist centraal staan in de Europese richtlijnen). In feite is de bedoeling van de instandhoudingsdoelstelling dat de oppervlakte gemiddeld over een langjarige periode niet mag afnemen. Het gaat om het langjarige gemiddelde (zie figuur). Natuurlijke fluctuatie Langjarig gemiddelde Welke periode daarvoor moet worden aangehouden, is afhankelijk van de soort of het habitattype. Bij vogels zijn de doelen gebaseerd op gemiddelden over een bepaalde periode; de lengte daarvan moet ook aangehouden worden bij de toetsing. In alle andere gevallen wordt in het aanwijzingsbesluit geen periode genoemd. Er kan dan het beste worden uitgegaan van een periode van vijf tot tien jaar. Met deze natuurlijke fluctuatie mag rekening worden gehouden bij het beantwoorden van de vraag of de verwachte afname ook echt zal leiden tot het niet halen van de instandhoudingsdoelstelling 34. De afname zal namelijk alleen dán significant zijn als het langjarig gemiddelde daardoor lager zal worden. Bij de berekening van het langjarig gemiddelde wordt het effect van de ingreep uiteraard niet meegenomen. Wanneer verwacht mag worden dat door natuurlijke fluctuaties een bepaalde afname zó kan worden opgevangen dat het langjarige gemiddelde niet onder de instandhoudingsdoelstelling zal zakken, is er geen sprake van een significant gevolg. Daarvan is onder andere sprake als er een bepaald mechanisme kan gaan optreden, waardoor de veroorzaakte additionele afname alleen tijdelijk is en gevolgd zal worden door een minstens even grote toename waarna het natuurlijke patroon zich weer 33 In zekere zin worden de meeste fluctuaties, ook die heel natuurlijk ogen, op één of andere manier door mensen beïnvloed: indirect of naijlend uit het verleden. Het onderscheiden van 'natuurlijke fluctuaties', ten opzichte van fluctuaties die toe te schrijven zijn aan concrete projecten, heeft dus tot op zekere hoogte een arbitrair karakter. Het is belangrijk om hierover consensus te bereiken in bijvoorbeeld een beheerplanproces. 34 Zie bijvoorbeeld uitspraak Raad van State inzake Gaswinning onder de Waddenzee d.d. 29 augustus 2007 (zaaknummer /1). De Afdeling is van oordeel dat de gunstige staat van instandhouding voor de wadplaten niet in het geding is omdat de tijdelijke afname beperkt is in verhouding tot de natuurlijke variatie en geen nadelige effecten heeft voor het bodemleven. 48

50 instelt. Dit wordt ook wel de veerkracht van een gebied genoemd. Om een voorbeeld te noemen: pioniervegetaties fluctueren van nature sterk in oppervlakte. Een ingreep zal niet snel leiden tot een significant gevolg. Een ingreep die leidt tot een tijdelijke afname is in dit geval dus mogelijk wel toegestaan maar een ingreep als permanente bebouwing niet. Het gaat in de instandhoudingsdoelstelling immers niet om behoud van herstelvermogen, maar om behoud van oppervlakte. In dat kader moet er ook op gelet worden dat de natuurlijke periodieke uitbreidingen fysiek mogelijk blijven, want anders zal het langjarige gemiddelde afnemen. Tegenover periodieke afnames moeten dus periodieke toenames kunnen staan. Jaarlijkse fluctuaties in oppervlakte en aantallen in de orde van grootte van tientallen procenten doen zich in de praktijk voor. Dit kan zijn oorzaak vinden in natuurlijke condities in het gebied zelf, maar ook buiten het gebied (bij populatie-omvang, zie hoofdstuk 6, kan dit zich uitstrekken tot buiten de landsgrenzen vanwege trekroutes). Dit betekent dus dat ook de instandhoudingsdoelstelling, zelfs als langjarig gemiddelde, in dit perspectief moet worden bezien. Dat geldt ook voor het beschouwen van de significantie van de effecten. Wanneer een effect in de orde van tienden van procenten zich voordoet tegen een spreiding van tientallen procenten per jaar zal minder gauw tot een oordeel significant gevolg gekomen worden dan wanneer er sprake is van een effect in de orde van de maximale natuurlijke fluctuatie. Evenmin kan echter worden gesteld dat een verwachte afname (bijvoorbeeld 5%) die geringer is dan de bandbreedte van de natuurlijke fluctuaties (bijvoorbeeld plus of min 10%) nooit een significant gevolg zal opleveren. Aangetoond zal moeten worden dat die 5% afname niet zal leiden tot een verlaging van het (toekomstige) langjarige gemiddelde, dus dat de veerkracht de afname kan opvangen. Veerkracht is niet als zodanig te meten: het is aan de onderzoeker om op basis van feiten en ecologische principes aan te tonen of er al of niet voldoende veerkracht is. In veel gevallen is er echter weinig bekend over de veerkracht in een concreet gebied. Vanwege het voorzorgsbeginsel zal daarom in een concrete situatie niet zomaar uitgegaan mogen worden van voldoende veerkracht. Als er de komende jaren wordt geïnvesteerd in meer monitoring en onderzoek, dan zal er naar verwachting in toenemende mate gebruik gemaakt kunnen worden van het principe van veerkracht om aan te tonen dat er geen sprake zal zijn van een significant gevolg. Bij gebrek aan bewijs, zal het in veel gevallen echter nog niet mogelijk zijn om er gebruik van te maken. Aan de andere kant hoeft niet altijd gewacht te worden op de uitkomsten van monitoring van natuurlijke fluctuaties: er mag best gebruik worden gemaakt van deskundigenoordeel, namelijk in die gevallen dat de deskundigen niet twijfelen over de uitkomst. Men moet extra voorzichtig zijn bij kleine oppervlakten van een habitattype of leefgebied. Ook door natuurlijke fluctuaties kan de duurzame instandhouding al in gevaar komen, bijvoorbeeld als in een jaar waarin de oppervlakte door periodieke afname zó klein is geworden dat de gevolgen van een zeer droge zomer niet meer kunnen worden opgevangen. De extra gevolgen van een ingreep kunnen een vergelijkbaar effect hebben als bijvoorbeeld zo n zeer droge zomer Verspreiding Voor sommige Habitatrichtlijnsoorten is in een aantal grote gebieden een instandhoudingsdoelstelling voor de verspreiding van het leefgebied geformuleerd. In feite is dat een nadere invulling van het doel voor omvang leefgebied. Het gaat er om dat die omvang in dezelfde mate verspreid blijft over het gebied (behoud) of verder verspreid wordt over het gebied (uitbreiding). Voor verspreiding (binnen een gebied) is nog geen duidelijke definitie voorhanden Conclusie Bovenstaande leidt tot de volgende conclusie: er kan sprake zijn van een significant gevolg wanneer de oppervlakte van een habitattype of de omvang van een leefgebied ten gevolge van menselijk handelen (met uitzondering van het beheer dat gericht is op de instandhoudingsdoelstellingen) in de toekomst, gemiddeld genomen, lager zal zijn dan bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling. Daarbij kan rekening worden gehouden met de veerkracht van het gebied. Vervolgens moet worden bepaald of de beoogde oppervlakte wordt gehaald of niet. Indien deze oppervlakte afneemt vormt dit een indicatie dat er sprake kan zijn van significante gevolgen. Verlagingen die kleiner zijn dan de minimum-oppervlakte van het habitattype of het leefgebied worden beschouwd als niet meetbaar. Om definitief een uitspraak te kunnen doen omtrent het al dan niet significant zijn van een effect moet ook in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied 49

51 waarop een plan of project effecten heeft, worden beoordeeld of de instandhoudingsdoelstelling vanwege de activiteit in het geding komt. Deze bijzonderheden en milieukenmerken kunnen maken dat ondanks een afname van de te behouden hoeveelheid habitat, geen sprake is van (mogelijke) significante gevolgen. Zie paragraaf voor specifieke bijzonderheden en milieukenmerken Populatieomvang soorten In principe geldt wat gezegd is over de oppervlakte van een habitattype en de omvang van een leefgebied ook voor populaties van soorten (dit wordt dus in dit hoofdstuk kortheidshalve niet allemaal herhaald; zie daarvoor bovenstaand hoofdstuk). Ook in dit geval moet eerst duidelijk zijn wat er onder 'de populatie' valt (voortplantende, respectievelijk foeragerende of slapende individuen; zie aanwijzingsbesluit) en hoe precies dat kan worden vastgesteld. Vervolgens moet de verwachte afname ten opzichte van de actuele populatie-omvang worden vergeleken met de begintoestand (de populatie-omvang die volgens de instandhoudingsdoelstelling moest worden behouden of uitgebreid). Daarbij kan rekening worden gehouden met veerkracht. Er kan dan worden bepaald of de beoogde populatie-omvang wordt gehaald of niet. Indien dit aantal afneemt vormt dit een indicatie dat er sprake kan zijn van significante gevolgen. Ten slotte moet in het licht van de specifieke bijzonderheden en kenmerken van de te beschermen soort waarop een plan of project effecten heeft, worden beoordeeld of de instandhoudingsdoelstelling vanwege de activiteit in het geding komt. Er zijn vier belangrijke aandachtspunten: - De precieze formulering van de instandhoudingsdoelstelling kan verschillen ( ten minste bij voortplantende soorten, seizoensmaximum, seizoensgemiddelde en midwinter-aantallen bij niet-broedvogels). Dat heeft gevolgen voor de significantiebepaling. - Het is voor veel soorten lastig om de omvang van de populatie vast te stellen; vaak wordt met steekproeven gewerkt, waarbij het niet altijd duidelijk is of de steekproef wel betrouwbaar en nauwkeurig is; - De fluctuaties zijn bijna altijd groter dan bij habitattypen, wat het belang van het bepalen van langjarige gemiddelden nog groter maakt Ook in het geval van de populaties van soorten kunnen de specifieke omstandigheden van de activiteit, dan wel het gebied maken dat ondanks een afname t.o.v. de instandhoudingsdoelstelling geen sprake is van significante gevolgen, zie hiervoor hoofdstuk Gebruik van een '1%-norm voor additionele sterfte' bij vogels De '1%-norm voor additionele sterfte' bij vogels houdt het volgende in. Voor een vogelsoort wordt eerst bepaald wat de gemiddelde jaarlijkse natuurlijke sterfte is in het te beschouwen gebied (dat kan een land zijn, een regio of een Natura 2000-gebied). Vervolgens wordt berekend of, als gevolg van een menselijke activiteit, de extra jaarlijkse sterfte gemiddeld meer dan 1% bedraagt van de natuurlijke sterfte 36. Deze norm is ontwikkeld door het ORNIScomité, een groep vogelexperts die door de Europese Commissie als gezaghebbend wordt gezien. De norm was bedoeld om mee te kunnen vaststellen of er bij 'verstandig gebruik' van een vogelsoort (met name jacht) meer dan 'kleine hoeveelheden' zouden sterven (Vogelrichtlijn artikel 9, lid 1, sub c). Als zodanig is hij overgenomen door het Europese Hof van Justitie. In de praktijk is deze norm in Nederland toegepast in twee situaties: a) voor het (in een voortoets of passende beoordeling) vaststellen of er überhaupt sprake is van een, door de mens veroorzaakt, effect bovenop de natuurlijke sterfte. Als de norm niet wordt overschreden, is er geen aantoonbaar effect op de populatieomvang van de soort, laat staan een significant negatief effect 37, en b) voor het bepalen van een significant negatief effect in het geval dat van vogels die door additionele sterfte worden getroffen buiten Natura 2000-gebieden, duidelijk is dát ze onder (een) instandhoudingsdoel(en) vallen, maar onduidelijk is onder wélke. Het gaat 35 Bij vogels wordt hierin voorzien door de rapportages van SOVON (populatieomvang en trends per gebied). 36 N.B.: het gaat dus niet om sterfte van meer dan 1% van de populatie, maar om meer dan 1% extra sterfte t.o.v. de natuurlijke sterfte. 37 Als er meer dan 1% additionele sterfte (ten opzichte van de natuurlijke sterfte) zal optreden, is er uiteraard niet automatisch sprake van een significant gevolg, want het effect op de populatieomvang zal eerst moeten worden vergeleken met de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied en de totale sterfte die reeds (ook door niet-natuurlijke oorzaken) plaatsvindt. 50

52 bijvoorbeeld om sterfte bij vogels op het moment dat ze van het ene naar het andere Natura 2000-gebied trekken. Deze vogels behoren met zekerheid tot een populatie waar in één of meer Natura 2000-gebieden een instandhoudingsdoelstelling voor geldt. Het is echter moeilijk om vast te stellen welk deel van de vogels aan welk gebied kan worden gekoppeld. Om toch te kunnen zorgen voor een adequate externe werking vanuit het Natura 2000-netwerk, wordt er van uitgegaan dat indien er van minder dan 1% additionele sterfte van de bezoekers van de locatie sprake is, er geen significant negatief effect optreedt. Dus m.a.w. wanneer alle vogels van een Natura 2000-gebied de locatie zouden bezoeken, dan is verzekerd dat er geen significant effect optreedt. Mocht hier een overschrijding plaatsvinden dan kan een nadere analyse noodzakelijk zijn om de relatie tussen afzonderlijke Natura 2000-gebieden en de locatie nader te duiden. Recent heeft de Raad van State 38 het gebruik van een 1% norm voor additionele sterfte geaccepteerd en geoordeeld dat dit criterium, bij het ontbreken van een ander wetenschappelijk onderbouwd criterium, gehanteerd kan worden als uitgangspunt om te bepalen of in het concrete geval de te verwachten aantallen vogelslachtoffers door de windturbines de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied aantasten of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten voor de instandhouding waarvoor het gebied is aangewezen. De frase ontbreken van een ander wetenschappelijk onderbouwd criterium, houdt bovendien in dat indien er een overschrijding van de 1% norm plaatsvindt het mogelijk blijft om aan de hand van een wetenschappelijke onderbouwing significantie uit te sluiten. De 1% norm is dus géén absoluut criterium die bij overschrijding altijd tot de conclusie van een significant effect zal moeten leiden (zie ook voetnoot 20). Soms is er verwarring over de rol die de populatieomvang moet spelen (en met name de concrete getallen die in de aanwijzingsbesluiten bij de meeste soorten worden genoemd 39 ). In het Natura 2000 Doelendocument staat dat de gehanteerde aantallen een indicatie vormen voor de gewenste draagkracht van het leefgebied en richtinggevend (een hulpmiddel) zijn bij het bepalen van de te nemen (beheer)maatregelen, de monitoring en de vergunningverlening. In de uitspraak 40 omtrent het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied Voordelta wordt dit ook expliciet door de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigd. Dit kan als volgt worden toegelicht. Als de gemeten aantallen hoger zijn dan in de instandhoudingsdoelstelling genoemd of daar aan gelijk zijn, dan weet je meteen dat er geen sprake is van een significant effect. Is dit echter niet het geval en komt het aantal tengevolge van een activiteit onder het in het aanwijzingsbesluit genoemde aantal, dan zou nagegaan moeten worden of de ecologische vereisten die noodzakelijk zijn voor het behoud van de populatie in het geding zijn. Als dat niet het geval is, dan is er geen sprake van significante gevolgen. Indien deze ecologische vereisten worden aangetast, dan kunnen significante gevolgen niet worden uitgesloten. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de omvang weliswaar indicatief is, maar de populatieomvang wel degelijk een onderdeel van het doel betreft en dat invloeden die rechtstreeks inwerken op een soort en niet op zijn leefgebied, relevant kunnen zijn. In de eerder geciteerde Europese handreiking staat immers dat ook getoetst moet worden aan de populatieomvang, wat logisch is, omdat het in beide Europese richtlijnen uiteindelijk vooral gaat om behoud van levensvatbare populaties (en niet alleen om leefgebieden). Dat in de formulering voor instandhoudingsdoelstellingen gekozen is voor een expliciete koppeling tussen leefgebied en populatieomvang, heeft zijn oorzaak in het feit dat een beheerder van een gebied in de regel alleen maatregelen neemt die invloed hebben op het leefgebied en via het leefgebied op de soort. De relatie tussen een beheermaatregel en de populatieomvang is dus indirect (behalve als planten of dieren worden geherintroduceerd). Dat betekent ook dat een eventuele afname van de populatie niet altijd te wijten is aan een verkeerd beheer, er kunnen ook externe factoren aan ten grondslag liggen (bijvoorbeeld verbetering of verslechtering van andere gebieden waar de populatie gebruik van maakt). Hetzelfde geldt voor andere activiteiten in en rond een Natura 2000-gebied. Deze uitleg laat onverlet dat er van een significant negatief effect sprake kan zijn als er ten gevolge van menselijk handelen een afname plaatsvindt, ook als die afname niet via aantasting van het leefgebied verloopt. 38 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 2009, nr /1/R2 39 Bij de niet-broedvogels is de interpretatie van de instandhoudingsdoelstelling (met seizoensgemiddelden en dergelijke) niet eenvoudig; uitleg hierover is op de website van het ministerie van LNV te vinden. 40 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2008, nr /1, alwaar de Afdeling het volgende daarover zegt: `Verder zijn de genoemde aantallen volgens het besluit geen streefaantallen, maar vormen zij slechts een indicatie voor de gewenste draagkracht van het gebied. 51

53 Conclusie Er kan sprake zijn van een significant gevolg wanneer de omvang van de populatie ten gevolge van menselijk handelen (met uitzondering van het beheer dat gericht is op de instandhoudingsdoelstellingen) in de toekomst, gemiddeld genomen, lager zal zijn dan bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling. Daarbij kan rekening worden gehouden met de veerkracht van het gebied. Vervolgens moet worden bepaald of het beoogde aantal wordt gehaald of niet. Indien dit aantal afneemt vormt dit een indicatie dat er sprake kan zijn van significante gevolgen. Om definitief een uitspraak te kunnen doen omtrent het al dan niet significant zijn van een effect moet in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied waarop een plan of project effecten heeft, worden beoordeeld of de instandhoudingsdoelstelling vanwege de activiteit in het geding komt. Deze bijzonderheden en milieukenmerken kunnen ook maken dat ondanks een afname van de populatie, geen sprake is van (mogelijke) significante gevolgen (zie paragraaf 2.7.8). Dat betekent overigens niet dat élke vermindering van de actuele populatieomvang significant is. Een vermindering van de uitbreiding van de populatie kan alleen een significant gevolg zijn bij een uitbreidingsdoel en hangt voorts af van de nadere uitwerking in het beheerplan Kwaliteitsaspecten Bij zowel habitattypen als leefgebieden van soorten speelt de kwaliteit een belangrijke rol. Bij ingrepen die potentieel schade kunnen toebrengen zal eerder sprake zijn van een effect op de kwaliteit dan op de oppervlakte. Wel kan het effect op de kwaliteit zó groot worden dat er van een habitattype of leefgebied ter plekke geen sprake meer is (bijvoorbeeld zware vergrassing als gevolg van ammoniak zodat Droge heide verdwijnt, of het kappen van alle oude bomen zodat er geen nestgelegenheid meer is voor de Zwarte specht). Maar veel vaker zal er sprake zijn van een minder sterke of diffusere invloed, die zich (alleen) uit in een vermindering van de kwaliteit. Ook bij kwaliteit moet eerst duidelijk zijn wat er onder 'de kwaliteit' valt en hoe precies dat kan worden vastgesteld. Vervolgens moet de verwachte afname ten opzichte van de actuele kwaliteit worden vergeleken met de begintoestand (de kwaliteit die volgens de instandhoudingsdoelstelling moest worden behouden of verbeterd). Daarbij kan rekening worden gehouden met veerkracht. Ten slotte moet worden bepaald of de instandhoudingsdoelstelling wordt gehaald of niet Wat moet worden beoordeeld? Wat er bij de kwaliteit van een habitattype moet worden gemeten en beoordeeld, zijn de kenmerken van het habitattype zelf behalve zijn oppervlakte. In het Profielendocument (zie de Natura website van LNV) worden daarvoor de volgende aspecten genoemd: - de definitietabel, waarbij per vegetatietype wordt aangegeven of het bijdraagt aan een goede of matige kwaliteit; - de abiotische randvoorwaarden, zoals de noodzakelijke zuurgraad, voedselrijkdom en vochthuishouding van de bodem, uitgedrukt in klassen en verdeeld over een kernbereik (optimale ontwikkeling) en een aanvullend bereik (suboptimale ontwikkeling); - de typische soorten: een lijst van kenmerkende en/of constante soorten, waarvan de (mate van) aanwezigheid mede een graadmeter is voor de kwaliteit van het habitattype; - overige kenmerken van structuur en functie: aspecten als de optimale functionele omvang of de (minimale of maximale) bedekking van struiken. Bij de kwaliteit van het leefgebied van een soort gaat het om de in het Profielendocument genoemde ecologische vereisten (inclusief de aspecten voedsel en rust). Deze zijn niet in vaste termen uitgewerkt, zoals bij de habitattypen, maar per soort(groep) verschillend. Hoewel tot de kwaliteit van een habitattype of leefgebied niet de kwaliteit van de omgeving behoort, is die omgevingskwaliteit natuurlijk wel indirect van belang. Als essentiële kenmerken van de omgevingskwaliteit (bijvoorbeeld het stromen van grondwater naar een Natura 2000-gebied) worden aangetast, zal dat op korte of langere termijn ook effect hebben op de kwaliteit van het habitattype (in het voorbeeld: de zuurgraad en de vochthuishouding). Voor een uitspraak over de mogelijke gevolgen van een ingreep op de kwaliteit van een habitattype, kan het dus ook noodzakelijk zijn om uitspraken te doen over de gevolgen voor de omgevingskwaliteit. Dit valt onder de externe werking, zie notitie van het Steunpunt. 52

54 Precisie De precisie waarmee vastgesteld kan worden wat de kwaliteit is, hangt af van de termen die voor de verschillende kenmerken worden gebruikt in het Profielendocument. Zo wordt de optimale zuurgraad voor een habitattype in klassen weergegeven en niet nauwkeuriger. Een meetbare kwaliteitsvermindering kan dus ook niet preciezer zijn dan een vermindering met één klasse (uiteraard kan er wel preciezer worden gemeten, maar dat is dus niet relevant om verandering in kwaliteit mee aan te geven). Zie hiervoor de Leeswijzer van het Profielendocument Begintoestand De begintoestand is de kwaliteit zoals die aanwezig was op het moment van definitieve aanwijzing. Als die situatie niet is vastgelegd, kan deze zo goed mogelijk worden afgeleid uit bestaande of nog uit te voeren metingen Actuele kwaliteit en autonome ontwikkeling De actuele kwaliteit is de kwaliteit op het moment van beoordeling; deze kan gelijk zijn aan de begintoestand, maar ook lager of hoger. Met de autonome ontwikkeling wordt de verandering in kwaliteit bedoeld die naar verwachting zal optreden indien de te beoordelen ingreep niet zal plaatsvinden Verwachte verslechtering De verwachte verslechtering moet zo objectief mogelijk worden vastgesteld - het hangt van de aard van de ingreep of invloed af hoe precies die verslechtering kan worden vastgesteld. Indien de verwachte verslechtering een onzekerheidsmarge heeft, dan moet worden uitgegaan van de maximale verslechtering ('worst case') Generieke benaderingen Generieke benaderingen zijn voor de kwaliteitsaspecten van habitattypen en leefgebieden van soorten toepasbaar, in tegenstelling tot voor oppervlakte of populatie-afname zolang de normen maar (ecologisch) onderbouwd kunnen worden. Bijvoorbeeld een norm voor geluidsbelasting op specifieke soorten of soortgroepen of stikstofbelasting op specifieke habitattypen. Dit kan ook verder gespecificeerd worden voor specifieke activiteiten. Hierbij wordt wel voorbijgegaan aan het maatwerk dat op gebiedsniveau mogelijk is en er zal dus een veilige bovengrens in de normering gehanteerd moeten worden. Als vuistregel om een eerste schifting te maken tussen activiteiten die een kans op significante gevolgen hebben of niet is dat evenwel goed bruikbaar. Een andere optie is gebiedsspecifieke normering met ecologische onderbouwing Veerkracht Net als bij oppervlakte (omvang) is het wenselijk om ook rekening te houden met de veerkracht. De natuurlijke fluctuaties kunnen betrekking hebben op alle kenmerken van de kwaliteit, hoewel het ene kenmerk veel vaker of sterker zal fluctueren dan het andere. Zie voor het gebruik maken van langjarige gemiddelden de tekst over oppervlakte (hoofdstuk 5). Het vaststellen van natuurlijke fluctuaties in kwaliteit kan alleen indien er frequent en op relatief veel punten gemeten wordt, iets wat in de praktijk niet zo vaak gebeurt Instandhoudingsdoelstelling Het halen van de instandhoudingsdoelstelling moet worden bepaald door in het geval van een behoudsdoel na te gaan of het behoud van de kwaliteit, zoals die aanwezig was in de begintoestand, gegarandeerd is. In het geval van een verbeterdoel moet tevens worden nagegaan of verbetering niet in de weg wordt gestaan. Het beheerplan zal over de beoogde verbetering meer duidelijkheid geven (en dus meer mogelijkheden om concreet te toetsen). Als er nog geen beheerplan is, is het belangrijk om na te gaan of het gebied in het Natura 2000 Doelendocument (ministerie van LNV, 2006) een 'sense of urgency' heeft. Het gaat daarbij om hersteldoelen die binnen tien jaar (dat wil zeggen: uiterlijk in 2015) gerealiseerd moeten worden, omdat het anders geen zin meer heeft. Dat helpt dus bij het beoordelen van de significantie van een vertraging, want de vraag moet dan beantwoord worden: leidt die vertraging tot het niet halen van die tien jaar? Zie ook de paragraaf 'Afromen in hoofdstuk 8. 53

55 Conclusie Bovenstaande leidt tot de volgende conclusie: er kan sprake zijn van een significant gevolg wanneer de kwaliteit van een habitattype of leefgebied ten gevolge van menselijk handelen (met uitzondering van het beheer dat gericht is op de instandhoudingsdoelstellingen) in de toekomst, gemiddeld genomen, lager zal zijn dan bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling. Daarbij kan rekening worden gehouden met de veerkracht van het gebied. Vervolgens moet worden bepaald of de beoogde kwaliteit wordt gehaald of niet. Indien de kwaliteit afneemt vormt dit een indicatie dat er sprake kan zijn van significante gevolgen. Verlagingen die kleiner zijn dan de eenheden waarin de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied is uitgedrukt, worden beschouwd als niet meetbaar. Om definitief een uitspraak te kunnen doen omtrent het al dan niet significant zijn van een effect moet in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied waarop een plan of project effecten heeft, worden beoordeeld of de instandhoudingsdoelstelling vanwege de activiteit in het geding komt. Deze bijzonderheden en milieukenmerken kunnen maken dat ondanks een afname van de te behouden kwaliteit, geen sprake is van (mogelijke) significante gevolgen. Een (verwachte) vermindering van de verbetering van de kwaliteit kan alleen een significant gevolg zijn bij een verbeterdoel en hangt voorts af van de nadere uitwerking in het beheerplan Specifieke bijzonderheden en milieukenmerken In de praktijk zal de beoordeling of al dan niet sprake is van (mogelijke) significante gevolgen maatwerk vragen. De specifieke kenmerken van de te toetsen activiteit, dan wel de specifieke situatie in het betreffende gebied, kunnen maken dat ondanks de hierboven beschreven algemene uitgangspunten tot een andere conclusie wordt gekomen omtrent de beoordeling of sprake is van (mogelijke) significante gevolgen. Hieronder volgt een niet-limitatief overzicht van specifieke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de vraag of (mogelijk) sprake is van significante gevolgen: Trends in ontwikkeling Het kan voorkomen dat zich al een positieve trend richting verbetering heeft ingezet of met bepaalde maatregelen daarin is voorzien. Het tempo van verbetering wordt door de wet en richtlijnen echter niet voorgeschreven. Activiteiten die een vertragend effect op de verbetering hebben zijn niet per definitie activiteiten met significante gevolgen, zolang er maar verbetering is en blijft en het halen van de instandhoudingsdoelstellingen binnen redelijke termijn niet in de weg wordt gestaan. Veelal zal de verbetering afhankelijk zijn van abiotische randvoorwaarden en verstoringsparameters en in eerste instantie inwerken op de kwaliteitsaspecten, zie hoofdstuk 7. De instandhoudingsdoelstellingen worden in het beheerplan in omvang, ruimte en tijd uitgewerkt en die uitwerking is bepalend of hier sprake is van significante gevolgen of niet. Dit is mede ook afhankelijk van de eventuele onderhandelingen over de uitvoering en financiering van maatregelen en de borging daarvan Andere meer beperkende activiteit of factor Mogelijk is een negatieve trend of het ontbreken van een positieve trend het gevolg van een andere activiteit of invloed. Een activiteit die daar een invloed aan toevoegt die op zichzelf negatieve gevolgen zou kunnen hebben maar die zolang die andere invloed geldt niet tot uitdrukking komt in de trend of ontwikkeling, hoeft niet per definitie significante gevolgen te hebben. Wanneer deze situatie wijzigt en de invloed van de activiteit wel tot uitdrukking komt ontstaat een andere situatie. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het negatieve gevolg van de andere activiteit wordt weggenomen. De beoordeling van de negatieve gevolgen van de nieuwe invloed, bij afwezigheid van de negatieve trend tengevolge van een andere activiteit of invloed waarvoor verbetering gerealiseerd moet worden, kan in sommige vallen als niet significant beoordeeld worden. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor strikt tijdelijke effecten, maar ook voor effecten op lokale vogelpopulaties die beneden de 1% norm van additionele sterfte blijven. In het laatste geval is er sprake van een relatieve norm, die gebaseerd is op het ecologische uitgangspunt dat een effect van minder dan 1% van de additionele sterfte door de populatie opgevangen kan worden. Analoge redeneringen voor andere gevallen kunnen ook gemaakt worden. De redeneringen zijn echter niet geldig wanneer in de actuele situatie, tengevolge van het plan en project, dus met inbegrip van de negatieve trend, herstel in het licht van de doelstellingen niet meer mogelijk is, of zoveel vertraagd wordt dat er geen zicht meer bestaat op herstel binnen de beleidsmatig vastgestelde termijnen (bijvoorbeeld tengevolge van het bereiken van een minimale populatieomvang of een minimaal oppervlakte leefgebied benodigd voor herstel). 54

56 Effectgerichte maatregelen Met effectgerichte maatregelen kan het systeem minder gevoelig gemaakt worden voor een bepaalde verstoring of verslechtering in bijvoorbeeld het abiotische milieu. Het wegnemen van verstorende of verslechterende effecten kan daarmee gestimuleerd worden zodat significante effecten minder snel optreden. Het ten behoeve van realisatie van een project (mee)nemen van maatregelen die de effecten van het project verzachten, dan wel teniet doen, laat het doorlopen van de vereiste procedurele stappen op grond van de wet onverlet. De positieve effecten kunnen om die reden veelal pas in het kader van de passende beoordeling worden meegewogen. Het Steunpunt onderzoekt mede n.a.v. recente jurisprudentie welke mogelijkheden er zijn om positieve effecten wel als integraal onderdeel van het plan of project te beschouwen ( natuurinclusief ontwerpen ) Beperkte afname van het leefgebied van een soort Er kan bij de beoordeling van de effecten van een plan of project sprake zijn van verlies van oppervlakte of kwaliteit van het leefgebied van een beschermde soort. In zo n geval dient de beoordeling van het effect op het leefgebied in het licht van de ecologische vereisten die desbetreffende soort aan het leefgebied stelt (waaronder oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied) plaats te vinden. Dus in het geval dat er voor een soort een deel van het potentieel geschikt leefgebied aangetast wordt of verdwijnt, terwijl de aantasting of het verdwijnen van dit deel van het leefgebied geen invloed heeft op het realiseren van de instandhoudingdoelstelling van de soort, is er geen sprake van een significant effect Lokaliseren van verbeteropgave In het beheerplan worden de instandhoudingsdoelstellingen uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd. In het geval van een verbeterdoelstelling wordt daarbij bepaald waar de eventuele uitbreiding van oppervlakte plaats zou moeten vinden. Hierbijkunnen maatschappelijke en economische aspecten meegewogen worden. De effecten van bepaalde activiteiten op een deel van het gebied kunnen dan een overweging zijn om dat deel van het gebied als minder kansrijk voor realisatie van de betreffende verbeteropgave te bestempelen en andere locaties te kiezen. Vooruitlopend op de realisatie van het beheerplan zou in het kader van de vergunningverlening deze afweging ook in de beoordeling betrokken kunnen worden Afromen van oppervlakte boven de doelstelling. Het kan voorkomen dat na verloop van tijd een toename van de oppervlakte (ten opzichte van de begintoestand) heeft plaatsgevonden, terwijl behoud het doel was. Dat kan het geval zijn bij een spontane uitbreiding, maar ook bij een bewust geplande uitbreiding met het oog op een voorziene ingreep die tot oppervlakteverlies zal leiden (dit kan ook worden toegepast ten aanzien van het aspect kwaliteit) 41. Als de verbetering teniet wordt gedaan door een schadelijke activiteit, waardoor slechts het behoud van de oppervlakte zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling resteert, dan is er geen sprake van een significant negatief effect. Want behoud was het doel, niet uitbreiding. Hetzelfde geldt voor een grotere toename dan in het beheerplan is opgenomen. Dit wordt ook wel 'afromen' genoemd. Daarbij moet uiteraard wel vaststaan dat er geen risico is op een verdere afname ('door het behoudsniveau heen zakken'). De instandhoudingsdoelstelling mag immers niet in gevaar komen Hoe dient toetsing plaats te vinden als er nog geen definitief aanwijzingsbesluit is? De basis voor de beoordeling vormen de instandhoudingsdoelstellingen die bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden vastgesteld. Voor de beheerplannen moet getoetst worden aan de instandhoudingsdoelstellingen die in de aanwijzingsbesluiten zijn vastgesteld. Voor vergunningverlening zijn in de periode dat de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten en - beheerplannen nog niet definitief zijn, twee situaties te onderscheiden bij de toetsing: 1) Als het gebied al eerder is aangewezen als Vogelrichtlijngebied, dan geldt voor de vogeldoelen nog steeds dat aanwijzingsbesluit (tot het moment dat er een nieuw besluit is). 2) In alle andere gevallen moet - tot het moment van definitieve aanwijzing - getoetst worden aan de 41 Met deze 'gebruiksruimte boven de instandhoudingsdoelstelling' kan bijgedragen worden aan de door velen gewenste flexibiliteit rond Natura Deze werkwijze is nadrukkelijk alleen toepasbaar binnen een Natura 2000-gebied. De term 'habitat-banking' is minder geschikt, omdat die term van oorsprong slaat op het van tevoren ontwikkelen van een habitat buiten het betreffende gebied. 55

57 waarden waarvoor het gebied op de lijst met gebieden van communautair belang is geplaatst. De situatie van eind 2004 is dus de begintoestand. Het is echter wel verplicht om in alle gevallen ook de meest recente informatie uit de ontwerpaanwijzingsbesluiten te betrekken in de beoordeling van de vergunningaanvraag. Daar kunnen namelijk meer Natura 2000-waarden in worden genoemd dan die in 2004 bekend waren of die in het vigerende aanwijzingsbesluit voor het Vogelrichtlijngebied zijn opgenomen. Op het voorgenomen schrappen van te beschermen waarden mag echter nog geen voorschot worden genomen Omgaan met onzekerheden Bij het toepassen van de wet gaat het om het "uitsluiten van significante gevolgen". Dat brengt met zich mee dat moet worden bepaald hoe om te gaan met onzekerheden. In het rapport 'Het bepalen van significante effecten: omgaan met onzekerheden' (Broekmeijer e.a., 2008) 42 worden drie vormen van onzekerheid onderscheiden. Ze zijn aan te duiden met de begrippen onduidelijkheid, structurele onbekendheid en kennislacunes. De eerste vorm van onzekerheid is de onduidelijkheid van de instandhoudingsdoelstellingen zelf. Dit speelt met name ten aanzien van oppervlakte/omvang, populatie (indien geen getal wordt genoemd) en kwaliteit. Beheerplannen zullen hierover in het algemeen meer duidelijkheid bieden, maar naar verwachting zullen er t.b.v. vergunningverlening toch vaak preciezere gegevens nodig zijn. De tweede vorm van onzekerheid is structurele onbekendheid. Ecosystemen zijn van nature complexe systemen. Ze zijn afhankelijk van vele onzekere, variabele factoren zoals weersinvloeden, ziekten, predatie. Er bestaat een complexe interactie en feedback tussen de sturende factoren (bijvoorbeeld verdroging kan leiden tot zowel vermesting als versnippering) waar nog zeer veel over onbekend is. Dat deze vorm van onzekerheid nooit wetenschappelijk afdoende is op te lossen, moet worden geaccepteerd. De derde vorm van onzekerheid betreft kennislacunes, oftewel het gebrek aan kennis in een concreet geval. Te denken valt aan wat hierboven al is gemeld over wat de huidige omvang en kwaliteit is, en met name wat de jaarlijkse fluctuaties zijn. Daarnaast is er vaak een gebrek aan kennis over de aard en de omvang van de effecten van een activiteit. In principe zijn die allemaal goed te onderzoeken (tenzij het gaat om structurele onbekendheid, zie boven), maar dat kan veel tijd en geld kosten. Hier moet dus met het 'gezonde verstand' van de onderzoeker een keuze gemaakt worden: ergens moet een optimum gevonden worden tussen enerzijds eindeloos blijven onderzoeken en anderzijds negeren. Aandachtspunten - er moet een kans op significante effecten worden uitgesloten; dat brengt met zich mee dat de statistische betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van meetresultaten relevant zijn, zowel in het geval ze afkomstig zijn uit het betreffende gebied zelf als wanneer ze van een vergelijkbaar gebied komen. De bandbreedtes van de cijfers en de maximale precisie waarmee de cijfers mogen worden toegepast moeten dus in de beschouwing worden meegenomen, iets wat vaak vergeten wordt. - de mate van een effect en de kans waarmee het effect kan optreden moeten goed onderscheiden worden. Vaak is de aandacht op het eerste geconcentreerd, terwijl het tweede net zo goed relevant is. Dit punt moet nog verder uitgewerkt worden, waarbij geleerd kan worden van de (juridische) praktijk van de milieubescherming. Met name speelt de vraag: wanneer is een kans onaanvaardbaar hoog? En hoe verhoudt zich dat tot het effect? Kunnen beide bijvoorbeeld vermenigvuldigd worden, zodat een kans van 100% op een klein effect (het bouwen van een huis in een bosrand) even significant is als een kleine kans op een groot effect (het volledig wegvallen van rivierkwel in een nat bos als gevolg van een beperkte dijkverzwaring)? Overigens moet een 'kleine kans' goed onderscheiden worden van een calamiteit, dat wil zeggen: een negatief effect dat bij normale uitvoering van een project of activiteit nooit zal optreden. Om calamiteiten te voorkómen, zijn natuurlijk wel voorzorgsmaatregelen nodig. - bij tijdelijke activiteiten moet rekening worden gehouden met de duur van het effect, inclusief naijleffecten, de mogelijkheden voor herstel en de duur van het hersteltraject. Tijdelijke activiteiten kunnen dus significante gevolgen hebben, maar daar staat tegenover dat ze vaak gemakkelijker op te vangen zijn door de natuurlijke fluctuaties dan het geval is bij permanente activiteiten. - het extrapoleren van onderzoeks- of meetresultaten uit een ander gebied naar de situatie in het gebied waar een uitspraak over moet komen, is vaak noodzakelijk, maar kan niet zomaar. Zijn de omstandigheden wel 42 Dit rapport geeft verdere ecologische achtergronden en is in die zin goed bruikbaar. Ten aanzien van de juridische aspecten is het rapport niet altijd betrouwbaar; bij discrepanties moet de onderhavige tekst gevolgd worden en niet het rapport. 56

58 voldoende vergelijkbaar? Daarbij moet bijvoorbeeld worden gelet op interactie van stressfactoren: een versnipperd gebied is in het algemeen gevoeliger voor vermesting en verdroging dan een onversnipperd gebied, etc.. De omstandigheden kunnen zó onvergelijkbaar zijn, dat toepassing van elders opgedane kennis in een concreet geval niet verantwoord is en dat dus nader onderzoek in het gebied zelf gedaan moet worden. - er mag niet te snel geconcludeerd worden dat het wel mee zal vallen met de effecten op grote afstand van de activiteit. Het hangt maar net af van de functionele relaties die er kunnen bestaan met het gebied. In verouderde jurisprudentie is hier (bij gebrek aan door ecologen verschafte duidelijkheid) van veel te simpele aannames uitgegaan 43 ; inmiddels is dit punt door nieuwe uitspraken onderschreven 44. Bovenstaande zou, in combinatie met het grote aantal aspecten dat in de andere hoofdstukken al is genoemd, de indruk kunnen wekken dat het altijd heel ingewikkeld is om een significant negatief effect te kunnen uitsluiten. Die indruk is echter niet terecht. Het is te verwachten dat bij allerlei, met name kleine of tijdelijke, projecten rond Natura 2000-gebieden al heel snel duidelijk is dat er vanwege de aard van het project geen effect te verwachten is op de natuurwaarden, laat staan een significant effect. Zelfs als niet alles grondig is onderzocht. Dat kan echter alleen geconstateerd worden door deskundigen die zich goed bewust zijn van de in deze tekst genoemde relevante aspecten Wat is het principe van 'hand aan de kraan'? Als één van de mogelijkheden om uit het dilemma van 100% zekerheid te komen, wordt wel het principe van 'hand aan de kraan' genoemd. De term slaat op de oplossing die gevonden is voor het verantwoord kunnen boren naar Waddengas. Die oplossing komt hierop neer dat de gaswinning zal worden verminderd als uit monitoring van de effecten blijkt dat er onverhoopt toch een significant negatief effect zal optreden (of dreigt op te treden) op de instandhoudingsdoelstellingen. Deze mogelijkheid werd geboden omdat de eventuele effecten die mogelijk zouden kunnen optreden (bodemdaling) vanuit het voorzorgsbeginsel al werden voorkómen/gemitigeerd door extra zandsuppletie. Verder werd in deze situatie geoordeeld dat al het mogelijke is gedaan om kennis te verzamelen om tot een nadere uitspraak over de effecten te komen. Tevens was het volgens de wetenschappers redelijkerwijs ook niet te verwachten dat met het verrichten van nieuw onderzoek, gegeven de lange tijdschalen waarop morfologische processen plaatsvinden, wezenlijk nieuwe informatie verkregen kon worden, anders dan door het project uit te voeren. Zo is een uitweg gevonden voor het probleem dat er wetenschappelijk gezien niet altijd voor 100% zekerheid geboden kan worden over de effecten. Het zou te ver voeren om in dit geval te zeggen: significante gevolgen kunnen niet worden uitgesloten. In redelijkheid kan gesteld worden dat er geen significante gevolgen zijn, maar mochten die onverhoopt toch optreden, dan kan het effect alsnog worden tegengegaan. Daarvoor is het dus nodig om goede metingen te verrichten en daar consequenties aan te verbinden: de hand moet aan de kraan blijven om in te grijpen als het nodig is. Dit zal dan ook in de vergunningvoorschriften moeten worden opgenomen. Samengevat moet er bij toepassing van het 'hand aan de kraan'-principe voldaan worden aan de volgende criteria 45 : - de mogelijke effecten die onderzocht kúnnen worden, zíjn ook onderzocht; - uit dat onderzoek blijkt dat er, voor zover bekend, geen significante gevolgen zullen zijn; - er blijven echter relevante kennislacunes over, maar nieuw onderzoek zal niet binnen afzienbare tijd de gewenste duidelijkheid geven; - er zijn voldoende waarborgen om, bij uitvoering van het plan of het project, onomkeerbare effecten te voorkómen; - er moet afdoende gemonitord worden om vroegtijdig effecten waar te nemen die significante gevolgen zouden kunnen hebben; daartoe moeten de monitoringsgegevens door onafhankelijke deskundigen worden beoordeeld en de resultaten moeten openbaar zijn. 43 Zie F. Kistenkas e.a. (2006): Significantie in de rechtspraktijk: de Achilleshiel van de habitattoets? In: Journaal Flora en Fauna december 2006, nr. 8: Zie bijvoorbeeld uitspraak Raad van State inzake PKB Maasvlakte 2 d.d. 26 januari 2005 (zaaknummer /1). 45 Het hand-aan-de-kraan -principe is tot nu toe door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State alleen geaccepteerd in het genoemde geval van de vergunning voor het boren naar gas in het Waddengebied. Het is echter de verwachting dat het ook in toekomstige gevallen geaccepteerd zal worden indien aan de criteria wordt voldaan. 57

59 Aandachtspunten Er moet een kans op significante effecten worden uitgesloten; dat brengt met zich mee dat de statistische betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van meetresultaten relevant zijn, zowel in het geval ze afkomstig zijn uit het betreffende gebied zelf als wanneer ze van een vergelijkbaar gebied komen. De bandbreedtes van de cijfers en de maximale precisie waarmee de cijfers mogen worden toegepast moeten dus in de beschouwing worden meegenomen, iets wat vaak vergeten wordt. De mate van een effect en de kans waarmee het effect kan optreden moeten goed onderscheiden worden. Vaak is de aandacht op het eerste geconcentreerd, terwijl het tweede net zo goed relevant is. Dit punt moet nog verder uitgewerkt worden, waarbij geleerd kan worden van de (juridische) praktijk van de milieubescherming. Met name speelt de vraag: wanneer is een kans onaanvaardbaar hoog? En hoe verhoudt zich dat tot het effect? Kunnen beide bijvoorbeeld vermenigvuldigd worden, zodat een kans van 100% op een klein effect (het bouwen van een huis in een bosrand) even significant is als een kleine kans op een groot effect (het volledig wegvallen van rivierkwel in een nat bos als gevolg van een beperkte dijkverzwaring)? Overigens moet een 'kleine kans' goed onderscheiden worden van een calamiteit, dat wil zeggen: een negatief effect dat bij normale uitvoering van een activiteit nooit zal optreden. Om calamiteiten te voorkómen, zijn natuurlijk wel voorzorgsmaatregelen nodig. Bij tijdelijke activiteiten moet rekening worden gehouden met de duur van het effect, inclusief naijleffecten, de mogelijkheden voor herstel en de duur van het hersteltraject. Tijdelijke activiteiten kunnen dus significante gevolgen hebben, maar daar staat tegenover dat ze vaak gemakkelijker op te vangen zijn door de natuurlijke fluctuaties dan het geval is bij permanente activiteiten. Het extrapoleren van onderzoeks- of meetresultaten uit een ander gebied naar de situatie in het gebied waar een uitspraak over moet komen, is vaak noodzakelijk, maar kan niet zomaar. Zijn de omstandigheden wel voldoende vergelijkbaar? Daarbij moet bijvoorbeeld worden gelet op interactie van stressfactoren: een versnipperd gebied is in het algemeen gevoeliger voor vermesting en verdroging dan een onversnipperd gebied, etc.. De omstandigheden kunnen zó onvergelijkbaar zijn, dat toepassing van elders opgedane kennis in een concreet geval niet verantwoord is en dat dus nader onderzoek in het gebied zelf gedaan moet worden. Er mag niet te snel geconcludeerd worden dat het wel mee zal vallen met de effecten op grote afstand van de activiteit. Het hangt maar net af van de functionele relaties die er kunnen bestaan met het gebied. In verouderde jurisprudentie is hier (bij gebrek aan door ecologen verschafte duidelijkheid) van veel te simpele aannames uitgegaan 46 ; inmiddels is dit punt door nieuwe uitspraken onderschreven Zie F. Kistenkas e.a. (2006): Significantie in de rechtspraktijk: de Achilleshiel van de habitattoets? In: Journaal Flora en Fauna december 2006, nr. 8: Zie bijvoorbeeld uitspraak Raad van State inzake PKB Maasvlakte 2 d.d. 26 januari 2005 (zaaknummer /1). 58

60 Wie beoordeelt of er sprake is van mogelijke significante gevolgen? In onderstaande figuur is vereenvoudigd weergegeven hoe de significantievraag wordt beantwoord. In de linkse box staan de stappen behorend bij een effectstudie; in de rechtse box de stappen die onderdeel zijn van de significantietoets. In bijlage 10 is een uitgebreider doorloopschema opgenomen. Activiteit Beschermde natuurwaarden N2000- gebied Effect natuurwaarden Significant effect Doelstelling Natura 2000-gebied Figuur 6 Effectstudie en significantietoets als aparte stappen. In de wet staat dat de initiatiefnemer een passende beoordeling maakt. In principe moet de initiatiefnemer in de effectstudie (voortoets of globale effectanalyse) nagaan of er significant negatieve effecten kunnen optreden tengevolge van de activiteit. Als significante gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet de initiatiefnemer een passende beoordeling (laten) uitvoeren. Overigens kan ook gelijk een passende beoordeling worden uitgevoerd; in ieder geval moet worden voorkómen dat in een voortoets te gemakkelijk wordt geconcludeerd dat er geen kans is op significante gevolgen. De initiatiefnemer moet dus, met redenen omkleed, aangeven of naar zijn inzicht sprake is van (een kans op) een significant negatief effect of niet. Het bevoegd gezag moet hier echter een oordeel over vellen, en mag uiteraard afwijken van de mening van de initiatiefnemer. Op grond van de beoordeling door het bevoegd gezag van de resultaten van de passende beoordeling beslist het bevoegde gezag (meestal GS) of een Nbwetvergunning verleend kan worden (Handreiking Bestemmingsplan en Natuurwetgeving, Ministerie van LNV, ). Tot slot: als een vergunning verleend is op grond van de overtuiging dat er geen significante gevolgen zullen zijn, maar er in de praktijk tóch een significant negatief effect optreedt of dreigt op te treden, dan dient het bevoegd gezag (op grond van art. 43, lid 2, van de wet) de verleende vergunning te herzien, door de voorschriften aan te scherpen, dan wel de vergunning in te trekken indien blijkt dat mitigatie (door het stellen van strengere voorschriften) onvoldoende mogelijk is Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Het begrip 'significante gevolgen' is relevant voor beheerplannen en vergunningverlening, omdat het voorkomt in een aantal artikelen van de Natuurbeschermingswet 1998, met name in art. 19f, lid 1: "Voor [vergunningplichtige, voor het beheer niet noodzakelijke] projecten [...] die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer [...] een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied." De genoemde passage moet begrepen worden in het licht van art. 19d, lid 1: "Het is verboden zonder vergunning [...] projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten [...] kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten." 59

61 In art. 19g, lid 2, staat dat een vergunning als bedoeld in art. 19d, lid 1, alleen kan worden verleend als er geen alternatieven zijn en alleen vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang. Volgens art. 19h moeten er bij vergunningverlening op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang compenserende maatregelen worden getroffen. Het resultaat van deze maatregelen moet zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen zich voordoen (tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen). In art. 19c, lid 1, staat: In de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden draagt Onze Minister ervoor zorg dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In het tweede lid komt een vergelijkbare zin voor. Lid 3 luidt: Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Het begrip 'significante gevolgen' wordt verder nog gebruikt in art. 19f, lid 3, en art. 19h, lid 4. Bovendien bepaalt volgens art. 19a en -b dit begrip mede de bovengrens voor activiteiten die in het beheerplan kunnen worden meegenomen. Het begrip 'significante gevolgen' wordt weliswaar niet letterlijk genoemd, maar dat is blijkens de memorie van toelichting wel waar op wordt geduid in de zinsnede "tevens kan het beheerplan beschrijven welke handeligen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten [...] het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen [...]". Bovenstaande citaten zijn een uitwerking van de Habitatrichtlijn, die in artikel 6, lid 2, spreekt van een significant effect (verwerkt in art. 19c en art. 19d van de wet) en in artikel 6, lid 3, spreekt van significante gevolgen (verwerkt in art. 19c en art. 19f van de wet). In de Vogelrichtlijn komt het begrip zo niet voor, maar wel het begrip wezenlijke invloed (artikel 4, lid 4). In art. 7 van de Habitatrichtlijn staat echter dat het regime van art. 6 van de Habitatrichtlijn het regime van art. 4, lid 4, van de Vogelrichtlijn vervangt. De hierboven geciteerde artikelen van de wet gelden dus ook voor vogels Doelformulering getijdenwateren Voornemen is om de profielen van de habitattypen van de getijdenwateren (de zogenoemde serie, met uitzondering van riffen; met name Waddengebied, Oosterschelde, Westerschelde) aan te passen. Deze aanpassing geeft meer ontwikkelingsruimte in de getijdengebieden. Rijkswaterstaat en waterschappen kunnen dan zonder ingewikkelde procedures kleine ingrepen plegen die nodig zijn voor bijvoorbeeld het onderhoud en de versterking van waterkeringen. Aanleiding voor de aanpassing is de afspraak in de Regiegroep Natura 2000 om daarvoor zo mogelijk een oplossing te bieden. Het Profielendocument zal op dit onderdeel dit najaar worden herzien. Aanleiding Medio 2009 is door de Regiegroep Natura 2000 de Leidraad bepaling significantie vastgesteld. Deze leidraad omvat een standaardmethode om te bepalen of een project of handeling kan leiden tot significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Op aandringen van I&M en provincie Zeeland is bij de vaststelling een voorbehoud gemaakt: er moet een oplossing gevonden worden voor de specifieke situatie bij de zogenaamde getijdengebieden, waarbij het gehele gebied bedekt is met beschermde natuurlijke habitats en waar zich extra het probleem voordoet dat per definitie ook bij relatief kleine ingrepen (meer dan 1 are) sprake kan zijn van een significant effect. 60

62 EL&I heeft vorig jaar in de Regiegroep onderschreven dat de significantiebepaling in getijdengebieden onnodig streng geformuleerd is. Samen met andere bevoegde gezagen is gezocht naar een oplossing die past binnen de algemene uitgangspunten van de Leidraad en van de Natuurbeschermingswet. Voorstel voor beleidslijn: Het voorstel is om de volgende beleidslijn aan te houden voor versoepeling van de bepaling van significant negatieve effecten in getijdenwateren, toe te passen in concrete gebieden: - Component 1: creëer eerst ruimte in het gebied door vast te stellen waar, op basis van nader onderzoek, geen habitattype aanwezig is volgens een (door LNV vast te stellen) kwaliteitsondergrens, en - Component 2: hanteer voor alleen dat gedeelte waar het habitattype wel zit een (door LNV vast te stellen) cumulatieve oppervlaktegrenswaarde van 10 ha per habitattype (i.p.v. 1 are, dus x groter). Tot aan die grenswaarde is er geen significant gevolg voor de oppervlakte van het habitattype in een gebied (dat laat onverlet dat er nog wel een significant effect op de kwaliteit kan zijn; dit moet per locatie worden beoordeeld). Beide wijzigingen worden ecologisch onderbouwd in het Profielendocument. Het afgelopen jaar zijn ook andere opties overwogen. Die bleken echter niet te voldoen: - zoeken naar een oplossing per gebied: dat zou al gauw ingewikkeld gaan worden, een verschil in behandeling van de gebieden suggereren en mogelijk op gespannen voet staan met de Leidraad. Een generieke oplossing verdient de voorkeur; - specifieke significantieafspraken maken in de beheerplannen: dat biedt geen soelaas, omdat die afspraken binnen de vigerende kaders van de Leidraad moeten blijven en de aanwijzingsbesluiten niet buiten werking kunnen stellen. Check op mogelijk ongewenste gevolgen De gevolgen van de nauwere definitie van de habitattypen in combinatie met een hogere significantiedrempel zijn gecheckt voor de volgende aspecten: - onderbouwing buitengrenzen: deze onderbouwing loopt geen gevaar, omdat het (als gevolg van herdefiniëring) zal gaan om een relatief bescheiden vermindering van oppervlak aan habitattypen en de daadwerkelijke locatie van die habitattypen in de loop der jaren ook kunnen verschuiven; - reeds verleende vergunningen (verleend op basis van de bestaande profielen): deze lopen geen gevaar als er een nieuwe lijn wordt vastgesteld; - vaargeulverdieping in en uitbreiding van de Westerschelde: bij de kwalitatieve herdefiniëring van Estuaria (H1130) zal ervoor gezorgd worden dat vaargeulverdieping niet zal leiden tot het ter plekke niet meer kwalificeren als habitattype (want anders zou sprake zijn van significante oppervlakteafname). Voorts is met de ecologisch onderbouwde grenswaarde van 10 ha geborgd dat het ingezette natuurherstel (van ruim 600 hectare) niet ondergraven wordt. Praktische implementatie De voorgestelde lijn wordt primair vormgegeven door het aanpassen van de relevante profielteksten (Natura 2000 Profielendocument). In dat kader worden ecologen van IMARES, provincies en RWS betrokken bij de verdere uitwerking van de ecologische onderbouwing van de kwalitatieve en kwantitatieve ondergrens. Daartoe wordt een geactualiseerd Profielendocument gepubliceerd begin Er is vervolgens wel een wijzigingsbesluit nodig van reeds genomen definitieve Aanwijzingsbesluiten, in de vorm van het verwijzen naar het nieuwe Profielendocument. Daarvoor geldt de AWB-procedure. Voorgesteld wordt om dit op een logisch moment te doen, bijvoorbeeld bij publicatie van een nieuwe groep Aanwijzingsbesluiten. Bij nog te nemen definitieve besluiten wordt direct verwezen naar het nieuwe Profielendocument. Conclusie De voorgestelde beleidslijn is uitvoerbaar en kan op draagvlak rekenen. De resultaten van de uitwerking, waarvoor in de toelichting een aanpak wordt geschetst, kunnen in het najaar beschikbaar zijn. Uiteraard zal het voorstel per gebied en habitattype verschillend uitpakken. 61

63 In bijlage 9 treft u de toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren aan. 2.8 Cumulatie Door rekening te houden met cumulatie van effecten wordt beoogd te voorkomen dat een opeenstapeling van op zich kleine effecten uiteindelijk leidt tot significante negatieve effecten. Vaak zijn het juist combinaties van activiteiten die de instandhoudingsdoelstellingen bedreigen (en niet de afzonderlijke activiteiten). Vandaar dat de effecten van activiteiten moeten worden beoordeeld in combinatie met andere projecten of handelingen van bijvoorbeeld reeds plaatsvindende of te verwachten, (nagenoeg) reeds vergunde activiteiten (zgn. cumulatieve effecten). In het beheerplan wordt cumulatie op het beheerplanniveau getoetst, dat wil zeggen dat de som van alle effecten ten gevolge van activiteiten, effecten van al vergund gebruik en voorgenomen maatregelen niet zullen mogen leiden tot een kwaliteitsverslechtering dan wel oppervlakte-afname van habitattypen of de habitats van soorten en of significant storende factoren op deze soorten Doel Doel van het stappenplan cumulatietoets is een hulpmiddel aan te reiken: aangeven WANNEER en HOE een cumulatietoets in het kader van een beheerplan uitgevoerd dient te worden. Voor de cumulatietoets in het kader van de vergunningverlening zal een afzonderlijke notitie door het Steunpunt worden opgesteld. Dit stappenplan heeft een nauwe relatie met het Begrippenkader Natuurbeschermingswet en de Uitwerking Effectanalyse (beide Steunpunt Natura 2000, 2007). De Cumulatietoets is onderdeel van de algehele effectbeschrijving voor de Natura 2000-beheerplannen en volgt op de globale effectanalyse en de nadere effectanalyse. Uitgangspunt voor dit stappenplan is de Natuurbeschermingswet Scope en reikwijdte van deze paragraaf De opstellers van de Natura 2000-beheerplannen dienen te beseffen dat voorliggend Stappenplan niet meer is dan een hulpmiddel voor het uitvoeren van de cumulatietoets. Uitvoering van de toets volgens dit stappenplan geeft geen juridische garanties. Dit stappenplan is wel een goed hulpmiddel om op eenduidige en eenvormige wijze een navolgbare cumulatietoets uit te voeren. Deze notitie gaat in op het proces om te komen tot een cumulatietoets Probleemdefiniering Natura 2000-beheerplannen In het Natura 2000-beheerplan zal bestaand gebruik worden getoetst en kan het in het beheerplan worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Daarnaast biedt de Nbwet de mogelijkheid om ook nieuw gebruik in het beheerplan op te nemen. Zolang de effecten niet significant zijn, kan het desbetreffende bestaand, dan wel nieuw gebruik in principe in het Natura 2000-beheerplan worden opgenomen. Indien ook na mitigatie - hetgeen in het kader van een passende beoordeling dient te geschieden 48 - nog sprake zal zijn van significante gevolgen en derhalve toetsing aan de ADC-criteria aan de orde is, kan het gebruik alleen in het beheerplan worden opgenomen als een passende beoordeling heeft uitgewezen dat er geen significante gevolgen zullen zijn danwel de ADC-toets succesvol is doorlopen. Bij het bepalen of een bepaald gebruik significante gevolgen heeft moet niet alleen naar de effecten van het afzonderlijke gebruik worden gekeken, maar ook naar het gebruik in onderlinge samenhang: gebruik met (kleine) effecten dat samengevoegd (in cumulatie) wel significante gevolgen heeft voor de desbetreffende Natura 2000-waarden. Oftewel vele kleintjes maken één grote. Tot op heden ontbreekt 48 Bij het bepalen of sprake is van een project met mogelijke significante gevolgen mag nog geen rekening worden gehouden met eventuele mitigerende maatregelen. In het kader van de passende beoordeling mag pas rekening worden gehouden met die mitigerende maatregelen en kan eventueel alsnog worden geconcludeerd dat geen sprake is van significante gevolgen. 62

64 een hulpmiddel om deze complexe en omvangrijke cumulatieve toetsing in praktijk te kunnen uitvoeren. Hierin wordt met dit stappenplan voorzien. Daarnaast wordt een handvat gegeven hoe kan worden omgegaan met situaties waarin uit de cumulatie toetsing blijkt dat bestaand gebruik, ook na het nemen van (generieke) mitigerende maatregelen, toch significante effecten zal hebben en men dat gebruik toch zoveel mogelijk in het beheerplan wil opnemen Cumulatie in het Natura 2000-beheerplan In het Natura 2000-beheerplan wordt cumulatie op het beheerplanniveau getoetst. Dat wil zeggen dat in beginsel wordt gekeken naar de som van: 1. effecten ten gevolge van bestaand gebruik, 2. effecten van al vergund gebruik en 3. effecten van voorgenomen maatregelen die in het Natura 2000-beheerplan zullen worden opgenomen De drie bovengenoemde effecten zullen, zelfstandig of gecumuleerd, niet mogen leiden tot significante gevolgen (uitleg van het begrip significante gevolgen wordt gegeven in de Leidraad Bepaling Significantie Steunpunt 2009). Als dus na opname van het bestaand gebruik, al vergund gebruik en voorgenomen maatregelen instandhoudingsdoelstellingen niet bereikt zullen gaan worden, dan heeft men mogelijk te maken met cumulatieve effecten. In het beheerplan zal de cumulatiemethodiek (en het stappenplan zoals dat op blz. 6 staat) kunnen worden opgenomen. Hierdoor worden de processtappen navolgbaar vastgelegd, ook voor de belanghebbenden die in het beheerplanproces worden betrokken. Een beheerplan bindt derden niet, maar omdat derden bij het opstellen van het beheerplan zijn betrokken wordt draagvlak verkregen voor het stappenplan Uitgangspunten Cumulatietoets Beheerplannen Bij de cumulatietoets worden de volgende uitgangspunten aangehouden: - de Instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van de Natura 2000-gebieden en de bijbehorende (a)biotische randvoorwaarden en de effecten daarop van de activiteiten; - de notitie Uitwerking Effectanalyse, Steunpunt Natura 2000, versie 1 november 2007; - de bestuurlijke ambitie is om al het bestaand gebruik (voor zover mogelijk en eventueel met mitigerende maatregelen) op te nemen in het Natura 2000-beheerplan; - in de cumulatietoets worden alle effecten van bestaand gebruik meegenomen, ook als deze effecten op zichzelf niet significant zijn, via de top-down-methode; - de eenheid waarin de effecten van het bestaand gebruik worden beschreven komt overeen met de eenheid waarin de IHD in het aanwijzingsbesluit is beschreven. Met andere woorden: als het IHD is beschreven in aantal broedparen dan zal de beschrijving van de (gecumuleerde) effecten ook in aantal broedparen opgenomen moeten worden; - er wordt altijd een cumulatietoets uitgevoerd, soms kan dit simpel en globaal, soms zal er dieper op in moeten worden gegaan; - de activiteiten die reeds zijn vergund in het kader van de Nb-wet en bestaand gebruik en mogelijk vergunde ruimte dat men in het beheerplan wil reguleren, moeten in de toets betrokken worden (zie voor definitie van bestaand gebruik de Notitie Bestaand-, vergund- en feitelijk gebruik, Steunpunt N2000, 2008, ( - bij vergund gebruik dienen minimaal de effecten van het feitelijk gebruik te worden beschreven en in de cumulatietoets te worden meegenomen. Daarnaast wordt zeer sterk aangeraden, bij verschil tussen het feitelijke gebruik en het vergunde gebruik (nog niet geconsumeerde gebruiksruimte), ook de gebruiksruimte in het beheerplan op te nemen. Deze moet dan ook worden getoetst via de normale beheerplantoets (globale effectanalyse -> nadere effectanalyse -> cumulatietoets); - de opstellers van het beheerplan en de cumulatietoets zijn verantwoordelijk voor het beschrijven van de effecten en de cumulatieve effecten via de globale effectanalyse en de nadere effectanalyse. Bij mogelijke significante negatieve effecten zal in het kader van een passende beoordeling bezien moeten worden of daadwerkelijk sprake is van significante gevolgen en zo ja of deze effecten gemitigeerd kunnen worden. Indien hierbij sprake is significante effecten die niet door een afzonderlijke activiteit, maar door de effecten van meerdere activiteiten gezamenlijk (dus 63

65 na cumulatie) dan moet op politiek bestuurlijk niveau een beslissing worden genomen hoe om te gaan met de te nemen mitigerende maatregelen en in het bijzonder wie welk deel van de bekostiging daarvan voor zijn rekening neemt. - naast mitigatie voor de op zichzelf staande effecten van bestaand gebruik kan er ook generiek worden gemitigeerd, na de cumulatietoets (in de praktijk volgens een iteratief proces); - Indien mitigerende maatregelen geen uitkomst bieden in een situatie waarbij sprake is van significante gevolgen door de effecten van meerdere activiteiten gezamenlijk (dus na cumulatie) dan moet op politiek bestuurlijk niveau een beslissing worden genomen hoe om te gaan met het bestaand gebruik, welk bestaand gebruik wel en welk niet in het beheerplan zal worden opgenomen of welke maatregelen (en eventueel voor wiens kosten) moeten worden genomen of niet. Bestaand gebruik kan immers alleen in het beheerplan worden opgenomen voor zover het afzonderlijk noch in cumulatie met andere activiteiten geen significante gevolgen heeft en derhalve niet aan de ADC-criteria hoeft te worden getoetst; - reeds gerealiseerde en onder bepaalde omstandigheden ook nog te realiseren positieve effecten mogen worden meegerekend; hierbij gaat het dan om bijvoorbeeld beheer- en inrichtingsmaatregelen met positieve effecten op de natuur. Er mag alleen gesaldeerd worden inzoverre daardoor de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar komt en binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden; - de activiteiten in het Natura 2000-beheerplan moeten, zoveel als de doelstellingen van de Habitaten de Vogelrichtlijn dat toelaten, in overeenstemming zijn met het vigerende beleid- en regelgeving Stappenplan Cumulatietoets Wat moet allemaal in de cumulatietoets worden meegenomen? Zoals bij de uitgangspunten is beschreven, is de bestuurlijke ambitie om zoveel mogelijk het bestaand gebruik in het beheerplan op te nemen, voor zover dit binnen de kaders van de Natuurbeschermingswet 1998 kan. Er zijn verschillende vormen van bestaand gebruik: 1) onbeoordeeld gebruik (gebruik waar eigenlijk nog niemand ooit naar heeft gekeken, bijvoorbeeld bramen plukken in de duinen) 2) niet vergunningplichtig verklaard gebruik 3) vergunningplichtig gebruik a. vergunningplichtig gebruik waarbij het feitelijke gebruik het vergunde gebruik is (de vergunning wordt volledig gebruikt); b. vergunningplichtig gebruik waarbij het vergunde gebruik niet het feitelijke gebruik is, dus waarbij een vergunning is verleend voor een groter gebruik dan het huidige feitelijke gebruik (deels nog gebruiksruimte) 4) gedoogd/illegaal gebruik Bij het vergunningplichtig gebruik kan sprake zijn van gebruik waarvoor nog geen Nb-wet vergunning is aangevraagd, maar waar wel een vergunning is vanuit een ander wetskader (bijvoorbeeld visserij, Wvo). Dit gebruik zal dan alsnog moeten worden getoetst in het Natura 2000-beheerplan volgens de normale beheerplansystematiek. De laatste vorm van bestaand gebruik (illegaal gebruik) moet wel worden gesignaleerd, maar wordt niet meegenomen in de cumulatietoets. 49 Meenemen in de cumulatietoets zou de schijn opwekken dat dit gebruik gedoogd wordt. Dit gebruik zal moeten worden beëindigd. Mocht uit de effectanalyse blijken dat illegaal gebruik tot significant negatief effect kan leiden dan dient dit als extra aandachtspunt te gelden voor het bevoegd gezag met betrekking tot de handhaving. 49 Dit kan alleen dan anders liggen indien duidelijk is dat het betreffende gebruik zal worden gelegaliseerd. 64

66 Stappenplan cumulatietoets Aan de hand van onderstaand schema wordt het stappenplan nader toegelicht. 0a) Globale effectanalyse conform Uitwerking Effectanalyse (Steunpunt Natura 2000, 2007) 0b) Nadere effectanalyse conform Uitwerking Effectanalyse (Steunpunt Natura 2000, 2007) 1) Neem de lijst met IHD van het Natura 2000-gebied 2) Neem het geactualiseerd overzicht van het bestaand gebruik 3) Neem uit de effectanalyse de matrix waarin het bestaand gebruik en de IHD tegenover elkaar zijn gezet. Hierin worden de verstoringscomponenten aan de desbetreffende IHD gekoppeld. Bepaal het aantal hits en de mate van ernst van de hits Bij de hits (=IHD zal niet worden bereikt): 4) Neem per bestaand gebruik-activiteit de trend (afname, toename of gelijkblijvend) 5) Per IHD de behoud/verbeterdoelstelling en de trend van de natuurwaarde 6) Per IHD optellen van effecten om tot een algemeen oordeel te komen, verwerken in tabel stap 10) Geen hits: desbetreffend bestaand gebruik levert voor de desbetreffende IHD geen effect op en hoeft niet mee te lopen in de cumulatietoets (want effect is nul). Direct 7a) Significant? Mitigerende maatregelen opstellen. 7b) Niet significant? Effecten per IHD opnemen in tabel van stap 10). 8a) Gecumuleerd na mitigatie nog steeds significant? 8b) Na Mitigatie niet significant? Effecten per IHD met mitigatie opnemen in tabel stap 10) 9) Is generieke mitigatie op beheerplaniveau mogelijk? Neem deze op in tabel stap 10) 9) Is generieke mitigatie op beheerplaniveau niet mogelijk? Ga na stap 10 naar stap 12 10) Stel een tabel op met per IHD: - Bestaand gebruik zonder effecten - Bestaand gebruik met effecten an sich (uit de Nadere Effectanalyse), ook externe werking meenemen - Bestaand gebruik met effecten an sich met mitigatie (indien van toepassing) (uit de Nadere Effectanalyse), ook externe werking meenemen - Bestaand gebruik met de effecten gecumuleerd voor IHD die niet worden bereikt, zowel in ruimte als tijd - Bestaand gebruik met de effecten gecumuleerd met mitigatie (indien van toepassing) voor IHD die niet worden bereikt, zowel in ruimte als tijd - Mogelijke generieke mitigatie over gehele lijst met bestaand gebruik - Bestaand gebruik afzonderlijk of gecumuleerd waarvan de effecten niet gemitigeerd kunnen worden. 11) Voeg aan de tabel per mitigerende maatregel een kolom toe met daarin de handtekening van de partij die de mitigerende maatregel gaat realiseren. Tik vervolgens de tabel uit stap 10) af met alle bestuurlijke partijen. Zijn er geen significante negatieve effecten dan kan de tabel in het Beheerplan opgenomen worden. Zijn er significante negatieve 12) Afgetikte tabel gaat het politiek bestuurlijke traject in. Op bestuurlijk niveau wordt voor bestaand gebruik dat gecumuleerd significante gevolgen heeft bepaald welk bestaand gebruik wel, onder welke voorwaarden of niet door mag gaan. Hiermee wordt gekomen tot een pakket aan bestaand gebruik dat gecumuleerd geen significante negatieve effecten oplevert. De bestuurders kunnen aan de opstellers van het beheerplan een richtinggevend advies vragen adhv vooraf aangegeven 65 criteria. De bestuurders dienen echter de prioritering te maken.

67 Stap 0, 1, 2 en 3 De basis voor de cumulatietoets is de globale en nadere effectanalyse. In de globale effectanalyse wordt gekeken naar de instandhoudingsdoelstellingen (stap 1) en al het bestaand gebruik (stap 2). Elk IHD wordt afzonderlijk bekeken. Uit de nadere effectanalyse komt of de instandhoudingsdoelstelling wordt bereikt met het pakket aan bestaand gebruik en (mitigerende) maatregelen. Is dit niet het geval dan wordt een matrix opgesteld (of overgenomen uit de effectanalyse) waarin de IHD die niet wordt bereikt op verstoringscomponenten-niveau wordt gekoppeld aan het bestaand gebruik (stap 3). Bijvoorbeeld: recreatie geeft geluidsverstoring op broedvogels, maar wegverkeer kan ook verstorend werken. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt welk bestaand gebruik kan worden weggestreept en welk bestaand gebruik door gaat naar de cumulatietoets. Bijvoorbeeld: er is geluidsverstoring, maar er zijn alleen habitattypen en/of plantensoorten aangewezen in het desbetreffende Natura 2000-gebied dan zal het bestaand gebruik met geluidsverstoring geen effect hebben. De ernst van de hits is in de nadere effectanalyse bepaald. Het bestaand gebruik dat geen effect veroorzaakt kan gelijk worden doorgeschoven naar stap 10, waar het gebruik met effect is nul in de uiteindelijke tabel kan worden opgenomen. Dit geldt ook voor bestaand gebruik waar een globale effectanalyse volstaat. Let bij de bepaling van het bestaand gebruik ook op de externe werking en het vergunde gebruik. Bij dit vergunde gebruik kan sprake zijn van vergund gebruik vanuit een ander wetskader waarvoor nog geen Nb-wet vergunning is. Dit vergunde gebruik moet nog worden getoetst. Daarnaast kan er sprake zijn van een verschil tussen feitelijk en vergund gebruik. Stap 4 en 5: Analyse bestaand gebruik en IHD In de vervolgstappen wordt bij de IHD die mogelijk niet bereikt worden, het bestaand gebruik waarbij hits zijn geanalyseerd. Ook de desbetreffende IHD wordt geanalyseerd. Het gaat dan om het noteren van de trend van het bestaand gebruik (afnemend, gelijkblijvend of toenemend) en de behouds- of verbeterdoelstelling en de trend van de desbetreffende instandhoudingsdoelstelling. Dit levert in het algemeen geen extra werk op, maar kan eenvoudig uit de effectanalyse worden overgenomen. Hier mist nog wat duiding wat relevantie is van bekijken trend van ISHD, dat is een stukje effectanalyse Let er bij de analyse van bestaand gebruik op dat dit ook door herhaling in tijd een cumulatief effect kan veroorzaken. Stap 6, 7, 8, 9, en 10: Opstellen en vullen cumulatietabel Vanuit de effectanalyse wordt de tabel gevuld. Hierbij wordt telkens per stap gekeken of het bestaand gebruik geen effecten (uit de globale effectanalyse), negatieve effecten dan wel significante negatieve effecten heeft (uit de nadere effectanalyse). Ook worden de effecten van eventuele mitigerende maatregelen opgenomen. Om volledig te zijn wordt in de tabel van stap 10 ook het bekende gebruik zonder effect opgenomen. Deze tabel kan dan als goede basis dienen voor een cumulatieboekhouding. Bij de analyse van de effecten zal ook een analyse van de mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. De vraag hierbij is: Kan worden gemitigeerd? a. Nee: bestaand gebruik en effecten gaan rechtstreeks naar de cumulatie. b. Ja: analyse of de maatregelen ook daadwerkelijk gaan worden uitgevoerd en hoe deze worden geborgd. NB In de praktijk zijn er partijen die niet erkennen dat er effecten zijn door toedoen van het eigen bestaand gebruik. Deze partijen moet men al in stap 1 t/m 9 meenemen om te komen tot een gedeelde probleemerkenning. Dan kan ook de mitigatie ter sprake komen, en o.a. de haalbaarheid, effectiviteit en kosten. In de cumulatietabel worden vanuit de nadere effectanalyse per IHD en bestaand gebruik de volgende kolommen gevuld: - Bestaand gebruik zonder effecten (komt uit de globale effectanalyse). 66

68 - Bestaand gebruik met effecten an sich (uit de nadere effectanalyse), ook externe werking meenemen. - Bestaand gebruik met effecten an sich met mitigatie (indien van toepassing) (uit de nadere effectanalyse), ook externe werking meenemen. - Bestaand gebruik met de effecten gecumuleerd voor de IHD die mogelijk niet bereikt gaan worden, zowel in ruimte als tijd. - Bestaand gebruik met de effecten gecumuleerd met mitigatie (indien van toepassing) voor de IHD die mogelijk niet bereikt gaan worden, zowel in ruimte als tijd. - Mogelijke generieke mitigatie over gehele lijst met bestaand gebruik. - Bestaand gebruik afzonderlijk of gecumuleerd waarvan de effecten niet gemitigeerd kunnen worden. Alleen de mitigerende maatregelen die (bestuurlijk) zijn gewaarborgd, mogen worden opgenomen in de tabel. De mitigerende maatregelen moeten namelijk wel écht worden uitgevoerd. Let wel op: Het Natura 2000-beheerplan als zodanig is niet bindend voor andere partijen dan het bevoegd gezag c.q. de bevoegde gezagen die het hebben vastgesteld. Eventueel is wel handhaving op de uitvoering mogelijk in strafrechterlijke of bestuursrechterlijke zin. Bij de cumulatietoets zullen zowel de gecumuleerde effecten van verschillende activiteiten in de ruimte (geluidsverstoring door recreatie, geluidsverstoring door luchtvaartverkeer in hetzelfde gebied), als in de tijd (jaarlijks maaibeheer) moeten worden opgenomen, waarbij ook de hersteltijd in beschouwing moet worden genomen (bijvoorbeeld hersteltijd van schelpdierbanken). Bij de cumulatie van de effecten van meerdere projecten dienen ook de effecten van bestaand gebruik buiten het gebied meegenomen te worden voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling (externe werking). Stap 11: Aftikken tabel Aan de tabel wordt bij het bestaand gebruik met mitigerende maatregelen een kolom toegevoegd waarin de (bestuurlijke) afspraken over de mitigerende maatregelen kunnen worden geaccordeerd. Let op dat alleen gewaarborgde mitigerende maatregelen worden opgenomen. Zoals eerder gezegd kan het Natura 2000-beheerplan derden niet dwingen (mitigerende) maatregelen die in het beheerplan staan uit te voeren. Er moeten hierover dan (bestuurlijke) afspraken worden gemaakt. De tabel zal door alle partijen die aan het beheerplan meewerken en naar aanleiding van het beheerplan maatregelen moeten uitvoeren, worden vastgesteld. Dit voorkomt achteraf wijzigingen in de lijst met het bestaand gebruik en/of de mitigerende maatregelen. Het is dan voor iedereen duidelijk met welke lijst aan bestaand gebruik met bijbehorende effecten verder wordt gegaan. Het is mogelijk dat bepaalde partijen de tabel niet willen vaststellen. Dit is een gegeven en zal als zodanig in het Beheerplan moeten worden opgenomen. Als er geen significante negatieve effecten (meer) zijn dan kan de tabel in het Natura 2000-beheerplan worden opgenomen. Het bestaand gebruik dat in de tabel staat is dan in het Natura 2000-beheerplan opgenomen. Als er na eventuele (generieke) mitigatie nog significante negatieve effecten resteren, dan gaat de afgetikte tabel het politiek bestuurlijke traject in. De afgetikte tabel is de basis voor de cumulatieboekhouding. Stap 12: Politiek bestuurlijke prioritering Het zou kunnen zijn dat er na cumulatie significante gevolgen zijn, maar dat men de activiteiten/bestaand gebruik die dit veroorzaken toch zoveel mogelijk in het Natura 2000-beheerplan wil opnemen. Hierover zal dan op politiek bestuurlijk niveau een beslissing moeten worden genomen: welk gebruik wordt dan wel opgenomen en onder welke mitigerende maatregelen en welk gebruik wordt niet opgenomen, binnen de randvoorwaarde dat niet langer sprake is van significante gevolgen. Daar kan men met inachtneming van reacties van belanghebbenden en belangenpartijen bepalen welk bestaand gebruik doorgang kan vinden en welk niet, of bepalen dat een andere oplossing zal moeten worden gevonden. Het politiek bestuurlijke niveau kan aan de opstellers van het beheerplan richtinggevend advies vragen. Zie hiervoor de paragraaf Richtinggevend advies voor politiek-bestuurlijke prioritering. 67

69 2.8.7 Richtinggevend advies voor politiek-bestuurlijke prioritering Als blijkt dat bepaalde IHD mogelijk niet worden bereikt, en uit de cumulatietoets blijkt dat daar bepaalde vormen van bestaand gebruik aan ten grondslag liggen die men vanuit politiek bestuurlijk niveau toch zoveel mogelijk door wil laten gaan, dan kan het politiek bestuurlijk niveau aan de schrijvers van het beheerplan vragen per bestaand gebruik een aantal zaken op een rij te zetten. Dit zou men prioriteringscriteria kunnen noemen. Het is echter niet de bedoeling dat de schrijvers van het beheerplan een prioritering/beoordeling gaan maken. Dit dient op politiek-bestuurlijk niveau te gebeuren. Per bestaand gebruik activiteit kunnen de volgende punten op een rij worden gezet: Mitigatie: o het wel of niet technisch kunnen mitigeren van de effecten van bestaand gebruik; o effectiviteit van de mitigerende maatregelen. Mogelijk kan een activiteit met grote effecten wel goed mitigeerbaar zijn, terwijl een andere activiteit kleinere effecten kent, die moeilijker mitigeerbaar zijn; o realiseerbaarheid van de mitigerende maatregel, bijvoorbeeld als deze door derden moet gaan worden uitgevoerd. Het beheerplan als zodanig is immers niet bindend voor andere partijen dan het bevoegde gezag cq de bevoegde gezagen. Een ander punt hierbij is de kostenverdeling. Inspraak van belanghebbenden. Uit het officiële inspraakcircuit kunnen nog relevante geluiden uit de maatschappij naar voren komen met betrekking tot de prioritering van het bestaand gebruik. Nationaal belang/veiligheid (of een andere nadere invulling van een dwingende reden van groot openbaar belang ). Socio-economische overwegingen overeenkomstig het vigerende beleid en visie voor dat gebied. Bronaanpak versus end-of-pipe. Planschade, of bijvoorbeeld uitkoopbaar of niet. Het bestaand gebruik past wel of niet in het vigerende beleid, wet- en regelgeving De status van het bestaand gebruik; bijvoorbeeld vergund feitelijk gebruik of oud bestaand gebruik heeft een andere (zwaardere) status dan zogenaamd nieuw bestaand gebruik of gebruik in de vergunde ruimte die nog niet benut is Cumulatie en vergunningverlening Bij de vergunningverlening zal een initiatiefnemer die een nieuwe activiteit wil gaan uitvoeren hiervoor de effecten en eventueel de cumulatieve effecten op de Natura 2000-waarden moeten bepalen. Het Natura 2000-beheerplan kan de basis (T 0 ) voor de het bepalen van de cumulatie zijn. Hoe bij de vergunningverlening nu precies invulling moet worden gegeven aan de cumulatieverplichting, zal in een afzonderlijke notitie van het Steunpunt Natura 2000 worden uitgewerkt. 2.9 Externe werking Inleiding Deze paragraaf geeft een overzicht van de stand van zaken van het begrip externe werking op basis van recente jurisprudentie en beleidsontwikkelingen. De onderzochte jurisprudentie heeft echter slechts betrekking op projecten en niet op beoordeling van bestaand gebruik in het licht van de beheerplannen. Deze paragraaf heeft tot doel een hulpmiddel te zijn voor beheerplanopstellers en vergunningverleners Natuurbeschermingswet Het betreft een technisch-inhoudelijke uitleg van het begrip externe werking ten behoeve van de toetsing van effecten van activiteiten aan de instandhoudingsdoelstellingen in het kader van de Natuurbeschermingswet De notitie geeft geen richtlijnen over hoe externe werking in concrete gevallen kwantitatief moet worden ingevuld. Uit jurisprudentie is gebleken dat een generieke aanpak tot problemen kan leiden voor de juridische houdbaarheid, zoals bijvoorbeeld bij het toetsingskader ammoniak. 68

70 Echter, het voorbeeld van het vliegveld Eelde laat zien dat een generieke aanpak mits goed onderbouwd, soms wel mogelijk is. Dit blijft dus maatwerk per (type) activiteit Omschrijving De wet bevat geen definitie van externe werking. Het wordt in het spraakgebruik gehanteerd om aan te geven dat ook projecten of andere handelingen buiten een Natura 2000-gebied kunnen leiden tot verslechtering van de natuurlijke kwaliteit van habitats van soorten, of significante verstoring veroorzaken van soorten waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Wettelijke basis externe werking Het begrip externe werking komt als zodanig niet voor in de Natuurbeschermingswet 1998, maar wordt tot uitdrukking gebracht in meerdere artikelen van die wet: - Artikel 16, vierde lid: vergunningsplicht op grond van 16, lid 1: voor handelingen die buiten een Natuurmonument plaatsvinden; in het vijfde lid is geregeld dat deze handelingen ook in een beheerplan kunnen worden geregeld; er geldt dan geen vergunningsplicht; - Artikel 19a, eerste lid: in het beheerplan kan ook rekening worden gehouden met nieuwe activiteiten en autonome ontwikkelingen die buiten het Natura 2000-gebied tot verslechtering of significante verstoring kunnen leiden; - Artikel 19a, derde lid: het beheerplan moet voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling rekening houden met bestaand gebruik buiten het Natura 2000-gebied; Alhoewel niet expliciet tot uitdrukking gebracht, is externe werking ook aan de orde bij: - Overgangsregime voor bestaand gebruik op grond van artikel 19c: al het bestaand gebruik met negatieve effecten en dus ook buiten een Natura 2000-gebied valt hieronder; - Vergunningplicht voor projecten of andere handelingen op grond van artikel 19d: alle projecten of handelingen met negatieve effecten en dus ook buiten een Natura 2000-gebied vallen hieronder; - Passende beoordeling op grond van artikel 19f; - Regime voor plannen op grond van artikel 19j. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloedsgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedsgebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Figuur 7 geeft de invloedsgebieden en het effectgebied van externe werking sterk versimpelt weer. INVLOEDSGEBIED ACTIVITEIT A C B instandhoudingsdoel activiteit INVLOEDSGEBIED instandhoudingsdoel EFFECTGEBIED (=EXTERNE WERKING) Figuur 7 Weergave van de begrippen van belang bij externe werking Aan de hand van een voorbeeld worden deze gebieden nader toegelicht. 69

71 Invloedsgebied instandhoudingsdoelstelling (B) Een invloedsgebied van een instandhoudingsdoelstelling wordt bepaald door de ecologische randvoorwaarden die nodig zijn om de beschermde soorten of habitattypen in stand te houden. Ecologische randvoorwaarden geven bijvoorbeeld aan onder welke zuurgraad, voedselrijkdom, grondwaterregime enz. een habitattype zich goed kan ontwikkelen. Van veel habitattypen en soorten zijn ecologische randvoorwaarden, gevoeligheden en milieucondities bekend (zie Profielendocument en Effectenindicator op de website van EL&I). De gevoeligheid laat zich in ruimtelijke zin vertalen in een specifiek invloedsgebied. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van volgend voorbeeld: Als een vegetatietype afhankelijk is van kalkrijke kwel zal het invloedsgebied van dit vegetatietype niet alleen beperkt zijn tot de standplaats, maar ook afhangen van het inzijggebied (hoeveelheid water) en het transportgebied (kalkoplossing uit de bodem) dat nodig is om voldoende kwelwater in het uittredingsgebied (kwelwaterzone; zie figuur 8) te garanderen. kwelwater regenwater Transportgebied water Kwelwaterzone Met kwelgebonden vegetatie inzijggebied bodemwater Grens invloedsgebied Figuur 8. Sterk vereenvoudigde weergave van een invloedsgebied Invloedsgebied activiteit (A) Het invloedsgebied van de activiteit wordt bepaald door de aard en omvang van de effecten waardoor de instandhoudingsdoelstelling (negatief) wordt beïnvloed. Het onttrekken van grondwater (aard) kan van invloed zijn op de kweldruk van de uit het vorige voorbeeld genoemde vegetatie. Afhankelijk van de hoeveelheid water die wordt onttrokken, zal ook het ruimtelijk gebied waar nog sprake is van een merkbaar effect op het water (grondwaterstanddaling), groter of kleiner zijn (omvang). In figuur 9 is dit weergegeven voor verschillende winhoeveelheden. winning grondwater bodemwater Figuur 9. Sterk vereenvoudigde weergave van een invloedgebied Grens invloedsgebied 500 m3/dg Grens invloedsgebied 1000 m3/dg 70

72 Ook effecten van activiteiten laten zich, evenals de gevoeligheden van instandhoudingsdoelstellingen in ruimtelijke zin, vertalen in een specifiek invloedsgebied. De locatie, aard en omvang van effecten (en dus invloedsgebieden) van een activiteit kunnen erg verschillen. Het gedurende een beperkte tijd in een beperkt gebied laagvliegen of de organisatie van een tweedaags evenement is van een andere orde dan het onomkeerbaar ontgraven van grondlagen ten behoeve van zandwinning of het gedurende een lange periode exploiteren van gasvelden. De afstand waarover zich effecten kunnen voordoen hangt van een aantal factoren af, maar kan zeer ver reiken. Bijvoorbeeld bij de toetsing ten behoeve van de aanleg van de tweede Maasvlakte werden effecten verondersteld op het Waddengebied, doordat de aanleg een verstoring van de transportbaan van vislarven en slib langs de Noordzeekust naar de Waddenzee zou veroorzaken. Uit de passende beoordeling bleek echter dat er geen sprake was van significante effecten. Effectgebied (C) Als invloedsgebieden van instandhoudingsdoelstellingen en activiteiten elkaar (deels) overlappen, is mogelijk sprake van een effectgebied. Er is echter pas sprake van een effectgebied (en dus externe werking) als er een causaal verband bestaat tussen het effect van de activiteit en de gevoeligheid hiervoor van het habitattype of de soort (effectrelatie). Zoals in eerder voorbeeld is aangegeven, is het causaal verband het verband tussen de hoeveelheid kwel in het Natura 2000-gebied en de hoeveelheid grondwateronttrekking buiten het Natura 2000-gebied (de hoeveelheid kwelwater vermindert door onttrekking voor de winning van grondwater, geïllustreerd door de dunnere pijl naar de kwelzone in figuur 10). Hier is dus sprake van een effectgebied (de overlap). Dit is in figuur 10 nog eens weergegeven. Indien het causaal verband ontbreekt, kan geen sprake zijn van het ontstaan van effectgebieden. Bijvoorbeeld ook bij de toetsing van vliegbewegingen in de nabijheid van de Drentse Aa (Habitatrichtlijn), bleek dat de instandhoudingsdoelstellingen betrekking hadden op vegetaties, vissen en amfibieën. Deze soorten zijn niet aan te merken als gevoelig voor verstoring van vliegtuigen. Het bepalen van invloedsgebieden is dan ook niet relevant. kwelwater regenwater winning grondwater situatie fig. 2 kwelwaterzone met kwelgebonden vegetatie situatie fig. 3 inzijggebied oppompen Figuur 10. Sterk vereenvoudigde weergave van een effectgebied Grenzen Met de definitieve aanwijzing van de Natura 2000-gebieden is de formele begrenzing van rechtswege vastgelegd. Een beschermd gebied is natuurlijk niet een tweedimensionaal vlak op een kaart, maar bestaat ook uit het luchtruim erboven, en het (grond)water en de bodem eronder. Hiervoor zijn vanuit de Natuurbeschermingswet 1998 echter geen ruimtelijk harde grenzen vastgelegd. Het wordt dan lastig om aan te geven of sprake is van externe werking. Er moet immers kunnen worden vastgesteld of een activiteit buiten de begrenzing plaatsvindt. Hoewel invloedsgebieden (A en B; figuur 7 en 12) en effectgebieden (C; figuur 7 en 12) zowel binnen als buiten het beschermde gebied kunnen voorkomen, spreekt men van externe werking als de activiteit die op de instandhoudingsdoelstelling aangrijpt, buiten het Natura 2000-gebied plaatsvindt. 71

73 Een activiteit vindt buiten het gebied plaats, indien deze is gelegen buiten de kolom, met als grens de projectie van de formeel vastgelegde grens in het aanwijzingsbesluit (zie figuur 11). Deze verticale grens heeft geen juridische betekenis, maar moet worden gezien als hulpmiddel. grens grens luchtruim projectie vastgelegde grens aanwijzingsbesluit activiteit bodem/water Figuur 11. Begrenzing NATURA 2000-gebieden in relatie tot driedimensionale vlak De formele grens is echter niet bepalend in het oordeel of zich ongeoorloofde negatieve gevolgen voordoen in het kader van de Natuurbeschermingswet Er kunnen zich bijvoorbeeld (in beginsel) negatieve gevolgen van activiteiten voordoen, binnen de grens van een gebied zonder dat deze wezenlijke invloed hebben op de beschermde natuurwaarden waarvoor het gebied is aangewezen (zie voorbeeld Duinrell) Afbakening Het effectgebied van externe werking is begrensd: door een groter wordende afstand kunnen de effecten van een activiteit of de gevoeligheid van de instandhoudingsdoelstelling (zie figuur12) zodanig afnemen dat geen sprake meer is van een merkbare onderlinge beïnvloeding. Binnen deze gebieden is externe werking uitgesloten (A en B). De mate van overlap bepaalt de afbakening van het effectgebied (C). Indien sprake is van een effectgebied (C) is vaak sprake van verslechtering of verstoring voor de ecologische randvoorwaarde(n) waarvoor het habitattype of de soort gevoelig is (causaal verband is aanwezig). Ook kan het wel voor positieve relaties zorgen, denk bijvoorbeeld aan voedselgebieden voor ganzen die binnen de Natura 2000-gebieden slapen en erbuiten foerageren. Het effectgebied is de locatie waar het effect in een gebied aangrijpt op de omstandigheden die ecologische randvoorwaarden van de instandhoudingsdoelstelling garanderen. Of de effecten zodanig zijn dat sprake is van significante gevolgen, dient vervolgens nader onderzocht te worden. (zie paragraaf 2.7) Significantie) Indien geen sprake is van overlap van de invloedsgebieden, kan externe werking worden uitgesloten. zeker geen significante gevolgen A C B zeker geen significante gevolgen EXTERNE WERKING Figuur 12. Reikwijdte externe werking 72

74 Habitats en soorten De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op natuurlijke habitats (zoals in het eerdere voorbeeld van de kwelvegetatie) en habitats/populaties van soorten. Beide groepen stellen eisen aan hun omgeving en hebben ieder hun specifieke invloedsgebieden. Het gaat dan om invloedsgebieden die randvoorwaardelijk zijn voor het voortbestaan, zoals aangegeven als instandhoudingsdoelselling in het aanwijzingsbesluit. Dit kan gaan om: - behoud of uitbreiding van oppervlakte en/of kwaliteit van de habitat; - behoud of uitbreiding van de omvang en/of kwaliteit van het leefgebied van een soort - behoud of uitbreiding van de populatie van een soort De locaties en dus de invloedsgebieden voor habitats hangen samen met de abiotische gebiedsomstandigheden en zijn redelijk plaatsvast (zie voorbeeld kwelafhankelijke vegetaties in H2) De leefgebieden en dus invloedsgebieden voor soorten kunnen dynamisch zijn, zeker met betrekking tot mobiele soorten als vogels en vissen. Populaties van soorten reageren op veranderende gebiedsomstandigheden. Dit bemoeilijkt het vaststellen van de locatie van de instandhoudingsdoelstelling en dus de invloedsgebieden. Bij het vaststellen van externe werking kan het in specifieke gevallen nodig zijn om ook rekening te houden met de effecten op invloedsgebieden die van essentieel belang zijn voor de instandhoudingsdoelen, maar buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen. Er moet hierbij dan sprake zijn van een sterke relatie, bijvoorbeeld een foerageerrelatie, zoals blijkt uit het voorbeeld Augustapolder. Hierbij waren gebieden buiten het Natura 2000-gebied belangrijker dan de gebieden er binnen Bepalende factoren Nadat is bepaald dat er een effectrelatie (causaal verband) aanwezig kan zijn tussen de instandhoudingsdoelstelling en de activiteit, dient onderzocht te worden wat de ruimte is die nodig is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en wat de betekenis is van de effecten die daar op ingrijpen (de invloedsgebieden). Ecologische randvoorwaarden laten zich niet eenvoudig vertalen in generieke ruimtelijke grenzen of contouren (zoals in figuur 12 is weergegeven) van invloedsgebieden, terwijl dat voor initiatiefnemers wel het meest duidelijk zou zijn. (zoals bijvoorbeeld in de Wet Ammoniak en Veehouderij, waarin een wettelijke vastgestelde zone van 250 m. rond ammoniakgevoelige gebieden wordt aangehouden) Voor het vaststellen van externe werking dienen de grenzen van de relevante invloedsgebieden zo nauwkeurig mogelijk te worden bepaald. Dit is niet altijd even makkelijk. In sommige gevallen zijn ze bekend, maar vaak moet hier nog nader onderzoek naar worden gedaan. Bij het onderzoeken en vaststellen van grenzen van invloedsgebieden, moet dan ook met een aantal zaken rekening worden gehouden Specifieke lokale omstandigheden Specifieke lokale omstandigheden kunnen bepalend zijn voor het invloedsgebied. In het voorbeeld van figuur 8 kunnen dit bijvoorbeeld specifieke bodemeigenschappen zijn (lokale aanwezigheid van ondoorlatende lagen in de bodem), waardoor het sterk vereenvoudigd weergegeven transportgebied van het water in werkelijkheid kleiner of juist groter is, of lokaal sterk afwijkt. Hoe specifieker deze informatie wordt vastgesteld, hoe beter kan worden beoordeeld tot op welke afstand de kalkrijke kwel op de standplaats van het habitattype wordt beïnvloed door activiteiten elders. Hierdoor kan dus ook beter worden beoordeeld of een activiteit die mogelijk ingrijpt op de keten die de kweldruk in stand houdt, dit ruimtelijk gezien ook werkelijk doet. Het kwelafhankelijke vegetatietype uit het voorbeeld zal bijvoorbeeld verdwijnen als er onvoldoende kwelwater van voldoende kwaliteit haar standplaats bereikt. Het kan in sommige gevallen ook voorkomen dat de huidige lokale omstandigheden binnen een Natura 2000-gebied niet voldoende de randvoorwaarden voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen waarborgen (zie voorbeeld Augustapolder). In die gevallen betekent dit dat de gebieden buiten het Natura 2000-gebied die wel deze randvoorwaarden waarborgen, tot het invloedsgebied moeten worden gerekend. Uitgangspunt is echter dat de habitats en populaties van soorten voor de instandhoudingsdoelstelling binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied zijn gesitueerd. 73

75 Cumulatie Er kan ook sprake zijn van meerdere invloedsgebieden en dus meerdere effectrelaties. Dit is het geval als verschillende activiteiten aangrijpen op dezelfde gevoeligheid van een instandhoudingsdoelstelling, bijvoorbeeld als grondwater wordt onttrokken én er wordt gedraineerd binnen het invloedsgebied van een grondwaterafhankelijke vegetatie als hoogveen. Dan is er sprake van meerdere invloedsgebieden van activiteiten die overlappen met het invloedsgebied water van deze vegetatie. Omgekeerd kan sprake zijn van meerdere gevoeligheden van een instandhoudingsdoelstelling. Hoogveen is bijvoorbeeld ook gevoelig voor ammoniak. Er is dan bij deze instandhoudingsdoelstelling naast het invloedsgebied water ook sprake van het invloedsgebied ammoniak. Er is in deze gevallen sprake van een cumulatie van effecten. Hierbij moet rekening worden gehouden met meerdere effecten die ieder op zichzelf niet hoeven te leiden tot een significant gevolg, maar dat bij deze effecten tezamen dit wel het geval kan zijn Beschikbare kennis en informatie Bij de bepaling van invloedsgebieden wordt gebruik gemaakt van (wetenschappelijke) kennis en informatie. De kennis en informatie zijn niet altijd volledig en waterdicht. Hierdoor kan vaak geen volledige zekerheid worden gegeven over absolute grenzen van invloeds- (en dus effect)gebieden. Aan het einde van deze paragraaf worden verschillende voorbeelden gegeven uit de jurisprudentie waaruit blijkt hoe je met (tekortkomingen in) kennis en informatie kunt omgaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om effectafstanden voor verstoring van soorten voor bepaalde activiteiten (wetenschappelijk) of de invloed van lokale omstandigheden (gebiedsgericht). Bij de bepaling van grenzen moet sterk worden gelet op de toepasbaarheid van wetenschappelijke gegevens die niet gaan over het specifieke geval. Dit kan van invloed zijn op de onzekerheidsmarges die zich vaak manifesteren rond de bepaling van een grens. De mate van toepasbaarheid kan de aan te houden onzekerheidsmarges rond grenzen verkleinen of vergroten, en moet in ieder geval worden onderbouwd. Dit geldt ook voor gebiedsspecifieke gegevens. Hoe meer er bekend (gemeten) is, des te kleiner is de onzekerheidsmarge. Hierdoor worden de grenzen van het invloedsgebied specifieker Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen kunnen het invloedsgebied van een activiteit verkleinen. De mitigeerbaarheid hangt af van de mate waarin een veroorzaker in staat is de effecten van zijn handelen op te heffen of te verminderen. Dit kan door wijziging van activiteiten, een slimme locatiekeuze, inrichting of ontwerp, of technische maatregelen Stappenplan Voor de bepaling of sprake is van externe werking is hier een mogelijk toe te passen stappenplan gepresenteerd dat rekening houdt met de aandachtspunten die hiervoor van belang zijn. 1. Ga na, aan de hand van het aanwijzingsbesluit, wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn van het Natura 2000-gebied. Bepaal nauwkeurig de locatie en omvang (begrensd) van de leefgebieden/standplaatsen die de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied moeten waarborgen. Dit kunnen in sommige gevallen ook gebieden zijn buiten het Natura gebied, indien de instandhoudingsdoelstellingen niet kunnen worden gewaarborgd binnen het gebied: Let er daarbij op dat de functionele gebieden (rustgebied, slaapgebied, foerageergebied) buiten het Natura 2000-gebied die nodig zijn voor realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen zo goed mogelijk zijn vastgelegd. Bovendien moet worden beseft dat voor bijvoorbeeld broedsucces ook foerageren van belang is. Verder dient voor gebieden buiten het Natura gebied een duidelijk causaal verband te worden aangetoond met de instandhoudingsdoelstellingen. 2. Bepaal de eisen die de habitattypen en soorten (en mogelijke waarden van natuurmonumenten (BNM) 50 ) stellen. (Profielendocument op website EL&I) Het gaat er hierbij in eerste instantie om vast te stellen om welke gevoeligheid het gaat (randvoorwaarden). 50. Met het inwerkingtreden van de Crisis en Herstelwet zal het beschermingsregime van Natura 2000 niet meer van toepassing zijn op de beschermde natuurmonument waarden (BNM-waarden). 74

76 3. Bepaal de aard en locatie van de activiteiten rondom het Natura 2000-gebied, die in kunnen grijpen op deze randvoorwaarden (mogelijke effectrelatie: zie ook de Effectenindicator op de website van EL&I) en kunnen leiden tot effecten (causaal verband). 4. Bepaal het invloedsgebied van de instandhoudingsdoelstellingen op basis waarvan significante gevolgen (niet) uit te sluiten zijn. Houdt er hierbij rekening mee dat voor soorten leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied een duidelijke afhankelijkheidsrelatie kunnen hebben met de instandhoudingsdoelstelling, op basis waarvan een causaal verband kan ontstaan. Doe dit aan de hand van: bekende, toepasbare, wetenschappelijke informatie met betrekking tot de ecologische randvoorwaarden (bijvoorbeeld vastgestelde kritische depositiewaarden van stikstof, grondwaterregime, verstoringsafstanden voor vogels of de mate van verwachte bodemdaling in gevoelig getijdengebied). Maak daarbij, indien aanwezig, zoveel mogelijk gebruik van bruikbare contouren als hulpmiddel of construeer deze op basis van literatuur, meetgegevens of modelberekeningen. In het uiterste geval kan ook expert judgement de best beschikbare wetenschappelijke kennis zijn. Echter, hoe beter onderbouwd, des te beter de contouren ook juridisch stand houden. Houdt hierbij rekening met onzekerheidsmarges die de beschikbare gegevens aangeven en kies de meest veilige contour. Probeer zo veel mogelijk bestaande kennisleemten beredeneerd (op basis van de beste beschikbare gegevens) in te vullen. 5. Bepaal per activiteit het invloedsgebied dat effecten kan veroorzaken. Doe dit met behulp van feitelijke (gebiedsspecifieke) metingen, vastgestelde waarden of berekeningen van de omvang van de gevolgen van bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld gemeten of berekende stikstofbelasting of vastgestelde vlieghoogten. Maak daarbij, indien aanwezig, zoveel mogelijk gebruik van bruikbare contouren als hulpmiddel of construeer deze op basis van literatuur, meetgegevens of modelberekeningen. Houdt hierbij rekening met onzekerheidsmarges die de beschikbare gegevens aangeven en kies de meest veilige contour. Probeer zo veel mogelijk bestaande kennisleemten beredeneerd (op basis van de beste beschikbare gegevens) in te vullen. 6. Als de invloedsgebieden van de instandhoudingsdoelstellingen en de activiteiten elkaar overlappen is er sprake van externe werking. Beoordeel dan of externe werking kan leiden tot significant negatieve gevolgen. 7. Bepaal of mitigerende maatregelen mogelijk zijn om de significante effecten weg te nemen Wettelijke basis externe werking Het begrip externe werking komt als zodanig niet voor in de Natuurbeschermingswet 1998, maar wordt tot uitdrukking gebracht in meerdere artikelen van die wet: - Artikel 16, vierde lid: vergunningsplicht op grond van 16, lid 1: voor handelingen die buiten een Natuurmonument plaatsvinden; in het vijfde lid is geregeld dat deze handelingen ook in een beheerplan kunnen worden geregeld; er geldt dan geen vergunningsplicht; - Artikel 19a, eerste lid: in het beheerplan kan ook rekening worden gehouden met nieuwe activiteiten en autonome ontwikkelingen die buiten het Natura 2000-gebied tot verslechtering of significante verstoring kunnen leiden; - Artikel 19a, derde lid: het beheerplan moet voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling rekening houden met bestaand gebruik buiten het Natura gebied; Alhoewel niet expliciet tot uitdrukking gebracht, is externe werking ook aan de orde bij: - Overgangsregime voor bestaand gebruik op grond van artikel 19c: al het bestaand gebruik met negatieve effecten en dus ook buiten een Natura 2000-gebied valt hieronder; - Vergunningplicht voor projecten of andere handelingen op grond van artikel 19d: alle projecten of handelingen met negatieve effecten en dus ook buiten een Natura 2000-gebied vallen hieronder; - Passende beoordeling op grond van artikel 19f; - Regime voor plannen op grond van artikel 19j. 75

77 2.9.7 Voorbeelden Uitbreiding van een attractiepark (Duinrell) en camping (ABRvS 7 mei /1) Deze uitbreiding bevindt zich in de nabijheid van Habitatrichtlijngebied Meijendel en Berkheide. In dit geval was aangetoond dat externe effecten niet waren te verwachten, omdat er geen waarnemingen in dit gedeelte van het Natura 2000-gebied bekend zijn van de kwalificerende soorten Nauwe Korfslak en Meervleermuis, noch van de aanwezigheid van wezenlijke biotopen voor deze soorten. In figuur 13 is dit sterk vereenvoudigd weergegeven. Een effectgebied kan in dit geval binnen de begrenzing ontstaan, indien het invloedsgebied Duinrell & camping het leefgebied van de Meervleermuis overlapt. (potentieel) Leefgebied Meervleermuis Invloedsgebied Duinrell & camping Meijendel & Berkheide (HR) Figuur 13: reikwijdte externe werking in relatie tot ligging leefgebied binnen het Natura 2000-gebied Voorgenomen inrichting Augustapolder (ABRvS 23 januari /1) Dit voorbeeld toont aan dat de invloed van de beschermde natuurwaarden reiken tot buiten de grens van het Natura 2000-gebied. Bij de voorgenomen inrichting van de Augustapolder als woonwijk nabij het Vogelrichtlijngebied Markiezaat, moest worden aangetoond dat verlies van een foerageergebied voor grauwe ganzen in de Augustapolder (geen Natura 2000-gebied), opgevangen kon worden door foerageergronden binnen het Natura 2000-gebied. Als dit niet het geval is, kunnen ook buiten het Natura 2000-gebied foerageergebieden bescherming genieten, om het tekort binnen het Natura gebied op te vangen. In figuur 14 is dit vereenvoudigd weergegeven. Een effectgebied kan in dit geval buiten de begrenzing ontstaan, als het invloedsgebied van de woonwijk het foerageergebied van de Grauwe gans overlapt. invloedsgebied woonwijk Augustapolder Markiezaatsmeer (VR) Foerageergebied aanwezig foerageergebied ganzen berekend tekort foerageergebied Figuur 14: reikwijdte externe werking in relatie tot begrenzing van Natura 2000-gebied. 76

78 2.9.8 Specifieke omstandigheden en locatie van leefgebieden en habitattypen Specifieke lokale omstandigheden kunnen maatgevend zijn voor de mate waarin externe effecten zich voordoen. Voorgenomen aanleg beregeningsput nabij gebied De Bult (ABRvS 20 februari /1) Het gebied De Bult is onderdeel van het beschermd gebied de Deurnese Peel. Uit onderzoek bleek dat rondom De Bult geen slecht doorlatende deklaag aanwezig was, zodat de hydrologische beschermingszone van 1500 tot 2000 m. die rond de Deurnese Peel en Mariapeel wordt aangehouden, niet voor De Bult hoefde te worden aangehouden. De berekende effectafstand was slechts 480 meter, terwijl de put op 1385 meter afstand werd aangelegd. Ontgronding groeve SIGRANO l (ABRvS 12 augustus 2008, /1 Ook het geval van de ontgronding nabij de Brunsummerheide, is een voorbeeld waarbij lokale omstandigheden (in dit geval eveneens bodemeigenschappen) sterk bepalend waren voor de toegestane ontgrondingsdiepte. Uitbreiding van een pelsdier- en rundveehouderij nabij Kampina en Oisterwijkse vennen (ABRvS 26 maart 2008, /1 In het geval van de toetsing van de uitbreiding van een pelsdier- en rundveehouderij in de nabijheid van Kampina en Oisterwijkse vennen was onderbouwing ten aanzien van effecten van ammoniak onvoldoende gegeven. Hier kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat de kritische depositiewaarde van ammoniak niet zou worden overschreden. In het rapport van Alterra waarop het toetsingskader was gebaseerd, was aangegeven dat langs de randen van een natuurgebied op sommige plekken de piekbelasting 5 tot 10 keer zo groot is als de gemiddelde depositiewaarde. Het toetsingskader ammoniak bleek niet specifiek genoeg om per definitie van uit te kunnen gaan bij het nemen van besluiten. Er was dus onvoldoende rekening gehouden met lokale omstandigheden. De locatie van leefgebieden van soorten en habitattypen kan zeer bepalend zijn voor de reikwijdte van externe werking. Uitbreiding nertsenhouderij nabij Westerschelde (ABRvS 2 april 2008, /1 Bij de uitbreiding van een nertsenhouderij op 700 meter van Natura 2000-gebied Westerschelde speelde de effecten van stikstofdepositie op stikstofgevoelige vegetaties. Het bleek dat bij de berekening van de stikstofdepositie niet moest worden uitgegaan van de rand van het gebied (700 meter), zoals betoogd door tegenstanders, maar de locatie van de stikstofgevoelige vegetaties op meter. Hierdoor was de marge voor belasting groter dan werd verondersteld. Bestemmingsplan Rustenburg nabij Neder-Rijn (ABRvS 14 juni /1) Bij het onderzoek ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan Rustenburg was juist wel sprake van effecten vanwege de aanwezigheid (van leefgebieden) van soorten. In de nabijheid van de Natura 2000-gebied Neder-Rijn was hoogbouw gepland die boven een dijk uit stak, en waar sprake was van de aanwezigheid van gevelverlichting. Het plangebied lag 400 meter van moerasgebied Bovenste Polder. Juist dit deel van het Natura 2000-gebied herbergt een van de belangrijkste broedgebieden in Nederland voor de Kwartelkoning. Deze nachtactieve soort is zeer gevoelig voor licht Onzekerheidsmarges Uit de jurisprudentie blijkt dat bij toetsingen externe werking vaak op basis van de beste wetenschappelijke kennis voldoende zekerheid moet worden gegeven dat significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Dit wordt meestal bepaald door vast te stellen wat de invloedsgebieden zijn van de instandhoudingsdoelstelling en van de activiteit. Er wordt dan bepaald of invloedsgebieden elkaar (kunnen) overlappen (zie H3). Als er overlap is, dan wordt bepaald wat de zekerheidsmarge is ten opzichte van de meest hard veronderstelde (bekende) grens van het ecologische invloedsgebied op basis waarvan (mogelijk) significante gevolgen met voldoende zekerheid zijn uit te sluiten. Hierbij 77

79 wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van kaders (vastgelegde contouren of berekende grenswaarden) en wetenschappelijk vastgestelde ecologische randvoorwaarden op basis waarvan duidelijk te maken valt of en in hoeverre invloedsgebieden reiken (zowel vanuit ecologisch als vanuit gebruiksperspectief). Voor ingrepen in de waterhuishouding in de nabijheid van gebieden met grondwatergevoelige vegetaties (zoals het Drents-Friese Wold, Groote Peel, Mariapeel en Deurnese Peel) zijn wel grenzen bekend. Soms worden deze grenzen van rechtswege vastgelegd (al dan niet met behulp van contouren op kaart). Bij het Drents-Friese Wold is dit gebeurd door in het bestemmingsplan een zone te koppelen aan een aanlegvergunningenstelsel (Vaststelling Bestemmingsplan buitengebied Oostellingerwerf) (ABRvS 20 februari /1). Bij de Groote Peel is dit vastgelegd in het oude aanwijzingsbesluit als Staatsnatuurmonument (Aanwijzingsbesluit Groote Peel Natuurbeschermingswet, ministerie van LNV, 13 november 1990). Bij de uitbreiding van vliegveld Eelde (ABRvS 11 juni /1) waren op voorhand de grenzen nog onbekend en zijn deze bepaald voor geluids- en visuele verstoring voor vogels door vliegactiviteiten. Soms komen vastgelegde begrenzingen (contouren) voor van een gebruiksruimte van activiteiten. Hierbij moet worden gedacht aan laagvlieggebieden van Defensie boven of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden ( Laagvliegoefening Frisian Flag, ABRvS 3 oktober 2005, 05/1648 en Structuurschema militaire terreinen II), de gebruiksruimte zoals gedefinieerd bij de gaswinning in en in de nabijheid van de Waddenzee (ABRvS 29 augustus 2007, /1) of een geluidscontour vanuit de Wet Milieubeheer. Deze grenzen geven vaak niet het volledige invloedsgebied van de activiteiten weer, maar geven vaak wel een goede indicatie van de te verwachten reikwijdte van effecten van bepaalde activiteiten. Hieronder staan een aantal voorbeelden uit jurisprudentie die illustreren hoe hiermee tot nu toe wordt omgegaan. - Bij de uitbreiding van een nertsenfokkerij nabij de Westerschelde moest bij het bepalen van de waarde van de achtergronddepositie van stikstof rekening worden gehouden met een onzekerheidsmarge van 75%. Er werd uitgegaan van een getal dat werd berekend door de maximale marge van 75% bovenop de gemeten waarde van de achtergronddepositie te tellen. Vervolgens werd dit getal vergeleken met de laagste kritische depositiewaarde (met een range van 1400 tot 2400 mol) voor dat natuurdoeltype. De marge van 75% werd gebruikt om zeker te zijn dat geen kritische waarde werd overschreden (ABRvS 2 april 2008, /1). - Bij een ontgronding in de nabijheid van Brunsummerheide werd nauwkeurig bepaald dat de ontgravingsdiepte altijd op 70 cm. van het grondwaterpeil moest blijven, omdat binnen deze marge geen zekerheid kon worden gegeven dat niet alsnog invloed zou ontstaan op het grondwaterregime. (verdamping van capillair water) (ABRvS 12 augustus 2008, /1) - In het geval van de uitbreiding van een pelsdier- en rundveehouderij in de nabijheid van Kampina en Oisterwijkse vennen, werd te weinig rekening gehouden met marges omdat lokaal de waarde van stikstofdepositie 5 tot 10 keer hoger kon zijn dan de gemiddelde drempelwaarde i, die was vastgesteld voor het gebied. Met deze generieke grens kon niet worden uitgesloten dat deze lokale afwijkingen geen significante gevolgen kunnen hebben voor het IHD (ABRvS 26 maart 2008, /1). - In het geval van de wijziging van het gebruik van vliegveld Eelde werd eerst gekeken (op basis van wetenschappelijke gegevens bekend uit literatuur) op welke afstand effecten uit te sluiten zijn. Er werd geconcludeerd dat binnen een afstand van meter en een hoogte van ft van passerende vliegtuigen verstoringen te verwachten zijn. Uit literatuurstudies bleek dat tot een vlieghoogte van ft vrijwel iedere passage van een vliegtuig tot verstoring leidt. Bij een vlieghoogte tussen ft en ft kon sprake zijn van matige verstoring en boven een hoogte van ft was er voornamelijk sprake van lichte verstoring. Bij vlieghoogten van ft of hoger waren nauwelijks of geen effecten meer te verwachten. De vliegbewegingen boven het Fochteloërveen en het Zuidlaardermeergebied (Vogelrichtlijngebieden) kwamen in de buurt van deze kritische grens. Vervolgens is per gebied onderbouwd (op basis van het lokaal voorkomen van gevoelige soorten), dat wel enige verstoring mag worden verwacht, maar dat dit niet als significant is aan te merken. (ABRvS 11 juni /1) 78

80 - Bij een toetsing bij de aanleg van de kolencentrale op de Maasvlakte in de nabijheid van Natura 2000-gebied Voordelta, werd voor geluid de bestaande contour gebruikt om het invloedsgebied te duiden, en uit te sluiten dat nieuwe geluidsbelasting groter zou zijn dan het bestaande achtergrondgeluid. Hierbij werd aangetoond dat het geluidsniveau van het boren van funderingspalen niet zelfstandig hoorbaar was boven het achtergrondgeluid veroorzaakt door bestaande industrie op de Maasvlakte ( ABRvS 13 augustus /1). - In het geval van een toetsing van de geluidsbelasting van een zandwinning in de nabijheid van het Vogelrichtlijngebied Waal werd een zelfde lijn gevolgd. Op basis van de geluidscontour kon worden vastgesteld dat de geluidsbelasting niet boven het referentieniveau van omgevingsgeluid uitkwam. Mede op basis van de afstand van het plangebied tot de Waal (825 m) en de aanwezigheid van een drukke provinciale weg in de nabijheid van het plangebied, kon worden gesteld dat het geluidsniveau niet boven het achtergrondgeluid van de omgeving zou uitkomen en dus verwaarloosbaar zou zijn. (Streekplan Gelderland, partiele herziening, ABRvS 14 maart /1) Kennisleemten kunnen van invloed zijn op de onzekerheidsmarges. Ze hoeven bij toetsingen echter niet beperkend te zijn. In het eerder genoemde geval Eelde, werd gesteld dat er leemten van kennis bestonden over dosis-effectrelaties. Door het beredeneert toetsen van groot vliegverkeer, gebruikmakend van gegevens die betrekking hebben op de kleine burgerluchtvaart, kon een reële inschatting worden gemaakt die voldoende zekerheid gaf. Zoals hierboven weergegeven worden de marges zo nauwkeurig mogelijk bepaald door middel van: - bekende toepasbare, wetenschappelijke informatie, met betrekking tot gevoeligheden van instandhoudingsdoelen. Bijvoorbeeld vastgestelde kritische depositiewaarden van stikstof voor vegetaties, verstoringsafstanden voor vogels of de mate van verwachte bodemdaling in gevoelig getijdengebied. Vaak zijn deze waarden voor een gebied bepaald aan de hand van modelberekeningen. - indien mogelijk (afhankelijk van technische toepasbaarheid), feitelijke gebiedsspecifieke metingen of vastgestelde of berekende waarden van de omvang van de gevolgen van bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld: gemeten stikstofbelasting, bodemdaling of vastgestelde vlieghoogten Mitigatie en begrenzing Mitigatie betekent het verder beperken van (negatieve) gevolgen van een bepaalde handeling. De mitigeerbaarheid van een bepaald negatief effect kan in belangrijke mate van invloed zijn op de reikwijdte van externe werking. Immers, indien het invloedsgebied van een bepaalde activiteit geheel of gedeeltelijk kan worden weggenomen, zal dit de kans verkleinen dat sprake is van het overschrijden van ecologisch kritische waarden. De mitigeerbaarheid hangt af van de mate waarin een veroorzaker in staat is de effecten van zijn handelen op te heffen of te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door een slimme locatiekeuze, inrichting of ontwerp (Let op! Uit de uitspraak Zuiderklip, ABRvS /1 is duidelijk geworden dat mitigatie niet zonder passende beoordeling mag worden aangewend om mogelijk significant negatieve effecten uit te sluiten). Bijvoorbeeld in het voorbeeld van het bestemmingsplan Rustenburg. Hier werd op basis van een nadere rapportage (aangemerkt als passende beoordeling) bepaald, dat indien het ontwerp van verlichting enerzijds en het aanplanten van lichtdempende groenstroken anderzijds, bij de aan te vragen vergunning zou worden betrokken, de geplande bebouwing/verlichting toch kon worden uitgevoerd. De mogelijkheid tot ingrijpen op activiteiten is mede bepalend voor hoe met de ingeschatte effecten kan worden omgegaan en de activiteiten doorgang kunnen blijven vinden. Ook technische oplossingen om effecten te beperken tijdens de uitvoering van werkzaamheden, bieden vaak mogelijkheden. Zoals bijvoorbeeld het gebruiken van boortechniek in plaats van het lawaaiige heien van funderingspalen, zoals toegepast bij de aanleg van een kolen/biomassagestookte centrale op de 2 e Maasvlakte. (ABRvS 13 augustus /1) Zoals hierboven aangegeven, zijn effecten te mitigeren door de veroorzaker. Er zijn echter vaak situaties waarin sprake is van effecten waarop een initiatiefnemer geen invloed kan uitoefenen, zoals de achtergronddepositie van stikstof of achtergrondgeluid. Vaak zijn deze effecten ook niet 79

81 herleidbaar naar specifieke veroorzakers. Bij het bepalen of een effect significant is, of kan zijn, dient hier echter wel rekening mee te worden gehouden (Revisievergunning nertshouderij nabij habitatrichtlijngebied Westerschelde, ABRvS 2 april 2008, /1). Mitigatie hiervan zal in de meeste gevallen via generiek beleid moeten plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld in geval van ammoniakbelasting via het Besluit mestbassins, de Meststoffenwet, Wet ammoniak en veehouderijen, en de Europese IPPC-richtlijn (Integreted Pollution Prevention and Control). Voor een nadere uitleg hierover zie ook Alterra-rapport 1698, hoofdstuk 6. Ook bestaat de mogelijkheid van salderen van effecten zoals bij stikstofbelasting in toenemende mate wordt toegepast. (zie Handreiking beoordeling activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden, Min. LNV 2008) Het verdient de voorkeur om mitigatie zo veel mogelijk bij de bron aan te pakken en pas daarna effecten op het gebied te verminderen. Zie ook Advies Verrekenen van effecten van de Juridische Adviesraad Natura 2000 (JAN!) (Naslagwerk - paragraaf 2.10). Deze benadering past ook op de Mitigatie-hierarchie Europese Commissie 2001: Assessments of plans and projects significantly affecting Natura Mitigatie en Natura 2000 Bij het uitvoeren van een activiteit moeten de effecten op Natura 2000-gebieden zoveel mogelijk worden beperkt. Dit kan o.a. door het toepassen van mitigerende maatregelen.door het nemen van maatregelen (bijvoorbeeld een activiteit buiten het broedseizoen uitvoeren) kunnen schadelijke effecten op natuurwaarden worden opgeheven of op zijn minst verminderd. Bij het zoeken naar mitigerende maatregelen is het aan te raden onderstaande volgorde te gebruiken: 1) Vermijden van effecten bij de bron 2) Verminderen van effecten bij de bron 3) Bestrijden van effecten op beschermde soort(en), hun leefgebieden of habitattypen De Regiegroep heeft op 8 september 2009 de notitie Mitigatie en Natura 2000 goedgekeurd (bijlage 12). In de notitie is antwoord gegeven op de vraag wanneer deze mitigerende maatregelen mogen worden meegerekend bij het bepalen van de uiteindelijke effecten Verrekenen van effecten Inleiding Dit stuk is ontstaan als resultaat van de input van een aantal leden van de juridische adviesgroep Natura 2000 (JAN!). Aan de hand van verschillende discussies over een ingediende vraag werd duidelijk dat er bij verschillende organen verschillende definities bestaan voor de maatregelen die ingezet worden voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen en voor het voorkómen of verminderen van negatieve effecten. De bedoeling is om met dit stuk duidelijkheid te geven over de definities van maatregelen en de mogelijkheden om deze maatregelen op verschillende manieren voor het verrekenen van effecten in te zetten. Daarbij is gepoogd om een brug te slaan tussen de begrippen die in de juridische sfeer gebruikelijk zijn en de begrippen die in de praktijk van het natuurbeheer gebruikelijk zijn. Er is gebruik gemaakt van jurisprudentie en toelichtende teksten afkomstig van de Europese Commissie, het Ministerie van LNV en het Steunpunt Natura Voor de toepassing is het noodzakelijk om gebruik te maken van de Leidraad Bepaling Significantie (Steunpunt Natura 2000, 2009 zie dit Naslagwerk paragraaf 2.7). De tekst is vastgesteld in het JAN!-overleg van 6 mei In paragraaf worden definities gegeven van de juridische begrippen natuurinclusief ontwerp, mitigerende maatregel, saldering, cumulatie en compenserende maatregel. Dit zijn begrippen die bij het beoordelen van ruimtelijke plannen en initiatieven worden gebruikt. In paragraaf worden definities gegeven van categorieën maatregelen die gebruikelijk zijn in het natuurbeheer. Deze termen worden gebruikt in het kader van Natura 2000 bij de operationele beheerplannen. Het gaat hierbij om keuzes die procesmatig en in tijd gevolgen hebben. In paragraaf worden de juridische begrippen verder toegelicht in schema's met processtappen; in de bijbehorende tekstuele uitleg wordt de interpretatie en volgorde van de verschillende stappen aangegeven, waarbij ook een relatie wordt gelegd met de begrippen uit paragraaf In de paragraaf wordt ten aanzien van mitigatie een overzicht gegeven van jurisprudentie. 80

82 Definities van de juridische begrippen natuurinclusief ontwerp, mitigerende maatregel, saldering, cumulatie en compenserende maatregel Natuurinclusief ontwerp 51 Een natuurinclusief ontwerp is een plan of een project waarin door initiatiefnemers natuurdoelstellingen en doelstellingen op het gebied van socio-economische ontwikkeling zijn geïntegreerd. In het natuurinclusief ontwerp zijn de volgende onderdelen onlosmakelijk met elkaar verbonden: - elementen die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het gebied, - maatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstelling te bereiken voor soorten en habitats voor welke het gebied is aangewezen. Een natuurinclusief ontwerp kan worden vergund indien er geen significante gevolgen zullen zijn. Dat moet blijken uit een voortoets, waaruit op voorhand blijkt (op grond van objectieve gegevens) dat significante gevolgen als gevolg van het plan of project (afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten) kunnen worden uitgesloten 52. Bij goedkeuring van een natuurinclusief ontwerp is een noodzakelijke voorwaarde dat alle onderdelen worden uitgevoerd als voorzien en dat zodra dit niet langer gegarandeerd is, ieder onderdeel alsnog apart getoetst dient te worden. Daarnaast dient er door middel van toezicht gecontroleerd te worden dat alle onderdelen in de juiste volgorde worden uitgevoerd. Aan de hand van de reguliere monitoring in het kader van het beheerplan kan controle plaatsvinden op de effecten van het project. Na goedkeuring hoeven de onderdelen dus niet meer beoordeeld te worden in een latere fase, mits deze onderdelen voldoende in detail werden getoetst in het kader van het plan of project en ze ook daadwerkelijk en precies zoals getoetst worden gerealiseerd. Indien daarentegen binnen deze werkwijze significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is een passende beoordeling noodzakelijk waaruit de zekerheid dient te worden verkregen dat het plan geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied; dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn. Maatregelen ter voorkoming van significante gevolgen vallen in deze situatie onder mitigerende maatregelen of een verbijzondering daarvan: saldering; zie daarvoor later in dit hoofdstuk Mitigerende maatregel Een mitigerende maatregel is een maatregel die door het bevoegd gezag wordt opgelegd om significante verstorende of verslechterende effecten van een plan of project te verminderen of te voorkomen, dan wel om er voor te zorgen dat mogelijke significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Nadat binnen het kader van een passende beoordeling de negatieve effecten van een project nader beschreven zijn, kunnen mitigerende maatregelen in de passende beoordeling worden opgenomen. 53 Het bevoegd gezag dient de mitigerende maatregelen als voorwaarde in de voorschriften van de vergunning op te nemen, nadat een vergunning is aangevraagd en vaststaat dat het project geen significante gevolgen heeft. Om te bepalen of een maatregel in juridische zin mitigerend is, moet nagegaan worden wat de situatie is waarin de maatregel door de aanvrager wordt toegepast en door het bevoegde gezag wordt opgelegd. Er dient een onderscheid in vier situaties te worden gemaakt, waarbij alleen in situatie 2 en 3 sprake is van een mitigerende maatregel in juridische zin: 51 Ontleend aan de brief van de Europese Commissie van 8 april 2009 inzake Markermeer en IJmeer (betreft een niet-juridisch verbindend standpunt). 52 HvJEG, Kokkelvisserijarrest, 7 september 2004 in zaak C-127/02 (AB 2004, 365), ABRvS, Polderwijk, Zeewolde, Bestemmingsplan Kustzone Polderwijk, 29 april 2009, /1. 53 ABRvS, Bestemmingsplan "De Zuiderklip, /1, 7 mei

83 1. De situatie voorafgaand aan vergunningverlening, waarin blijkt dat er geen vergunning nodig is: er treedt geen verslechtering of significante verstoring op (mitigatie is dus ook niet nodig). 2. De situatie waarin blijkt dat er enkel op basis van een verslechteringstoets een vergunning nodig is: dit kan alleen indien het niet gaat om mogelijk significante verslechtering. In het kader van de gekoppelde belangenafweging (art. 19e Nbw) bestaat de mogelijkheid om maatregelen voor te schrijven die de effecten verminderen of voorkómen, bijvoorbeeld om voldoende gebruiksruimte ten behoeve van andere (voorgenomen) projecten te behouden. 3. De situatie waarin blijkt dat er een vergunning nodig is op basis van een passende beoordeling: de effecten van het project zijn nader onderzocht en hieruit is gebleken dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken van het gebied 54 óf dat er maatregelen nodig zijn om er voor zorg te dragen dat deze schadelijke gevolgen uitblijven. 4. De situatie waarin blijkt dat er een vergunning nodig is op basis van een passende beoordeling en na met goed gevolg doorlopen van de ADC-toets: de effecten van het project zijn nader onderzocht en ondanks mitigerende maatregelen (uit situatie 3) is sprake van mogelijke schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van het gebied (zie noot 4). Dit leidt dan tot maatregelen die compenserend zijn. In de uitvoering bestaan er dus allerhande maatregelen om effecten te verminderen of te voorkomen. Een mitigerende maatregel is echter juridisch gezien qua inhoud en uitvoering niet vormvrij maar nadrukkelijk bepaald door de effecten die verwacht worden en vastgelegd via de voorschriften van een vergunning Saldering Saldering is een vorm van mitigatie. Van oorsprong wordt bij mitigatie gedacht aan het verzachten van effecten door bijvoorbeeld het op een minder schadelijke manier uitvoeren van een plan of project. Bij saldering gaat het echter om het voorkómen van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen door middel van het nemen van een maatregel die zodanig positief uitwerkt op de betreffende natuurwaarde(n) dat het significante negatieve effect van het plan of het project per saldo niet zal optreden. Saldering kan plaatsvinden als uit een voortoets blijkt dat significante gevolgen van een plan of project niet kunnen worden uitgesloten. In het kader van de passende beoordeling worden maatregelen bedacht die de veerkracht van het habitattype of van de soort verhogen ('veerkracht-verhogende maatregelen'). Deze maatregelen kunnen variëren van het intrekken van een milieuvergunning tot het treffen van actieve herstelmaatregelen t.b.v. het habitattype of de soort waarvoor de significante gevolgen spelen en die deze mogelijke significante gevolgen voorkómen. Het betreft in ieder geval positieve ontwikkelingen die niet reeds autonoom (zullen) plaatsvinden. Toestemming voor het project kan worden verleend op voorwaarde dat deze veerkracht-verhogende maatregelen zijn uitgevoerd alvorens de negatieve effecten van het project zich voordoen. Het verschil met een natuurinclusief ontwerp is dat deze (positieve) maatregel alleen procedureel een onlosmakelijk onderdeel is van het plan of het project, maar geen integraal onderdeel van het project zelf uitmaakt Cumulatie Het begrip cumulatie wordt van oorsprong gebruikt voor het bepalen van significant negatieve effecten: "meerdere effecten waarvan de omvang afzonderlijk genomen bescheiden is, kunnen gezamenlijk een significant effect opleveren. (Handreiking Beheer van Natura 2000-gebieden van de Europese Commissie, 2000). Het meewegen van positieve effecten van andere projecten en plannen wordt hier dus niet genoemd, maar ook niet expliciet uitgesloten. 54 Er is geen sprake van schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van het gebied wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn (HvJEG C-127/02, 7 september 2004). Dat is hetzelfde als wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen significant negatieve effecten zullen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen (zie de in de Inleiding genoemde Leidraad Bepaling Significantie). 82

84 Uit een recente uitspraak van de Raad van State 55 kan worden afgeleid dat bij de cumulatieve beoordeling van effecten zowel de positieve effecten van maatregelen voortvloeiend uit het beheerplan, als de negatieve effecten van bestaand gebruik / verwachte autonome ontwikkelingen meegenomen mogen worden. Deze maatregelen zijn concreet voorgesteld, maar nog niet uitgevoerd ten tijde van de vaststelling van het plan. Dat leidt tot de conclusie dat het mogelijk is om positieve en negatieve effecten van plannen en projecten, die in principe los staan van elkaar, 'bij elkaar op te tellen'. Dat deze plannen en projecten los staan van elkaar, vormt het verschil met salderen (paragraaf 4.3). Een ander verschil is dat positieve effecten alleen mogen worden meegerekend in zoverre ze een verbetering hebben opgeleverd of met juridische geborgde zekerheid zullen opleveren die uitstijgt boven de instandhoudingsdoelstelling. Dit staat ook vermeld in het Stappenplan Cumulatietoets (Steunpunt Natura 2000, 28 januari 2009, maar nog niet vastgesteld door Regiegroep Natura 2000). Cumulatie van projecten met positieve effecten kan worden toegepast bij zowel de voortoets als de passende beoordeling Compenserende maatregel De compenserende maatregelen maken geen onderdeel uit van een potentieel schade veroorzakend project, - met inbegrip van daarmee verbonden mitigerende maatregelen (die kennelijk ontoereikend zijn) -, maar zijn procedureel wel onlosmakelijk verbonden. Compenserende maatregelen komen pas in beeld als er voor het desbetreffende project geen alternatieven beschikbaar zijn en het project een dwingende reden van groot openbaar belang dient (de zogenoemde ADC-toets). De Handreiking Beheer van Natura 2000-gebieden van de Europese Commissie (2000) omschrijft compensatie als volgt: Compenserende maatregelen zijn plan- of projectspecifieke maatregelen die worden genomen naast de normale uitvoeringsmaatregelen voor de natuurbehoudsrichtlijnen. Zij zijn bedoeld om de negatieve gevolgen van een project te neutraliseren en een exacte compensatie te bieden voor de negatieve effecten op de betrokken habitats of soorten. Compenserende maatregelen zijn een laatste redmiddel. Zij worden alleen toegepast wanneer de andere voorzorgsmaatregelen waarin de richtlijn voorziet, ondoeltreffend blijken en wanneer het besluit werd genomen om een project of plan dat ongunstige gevolgen heeft voor een Natura gebied in voorkomend geval toch uit te voeren. Maatregelen die vereist zijn voor de normale tenuitvoerlegging van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn gelden niet als compensatie voor een tot schade leidend project. De uitvoering van een beheersplan of het voorstellen of aanwijzen als nieuwe SBZ-H van een gebied dat reeds op de lijst van gebieden van communautair belang was geplaatst, zijn normale maatregelen voor een lidstaat. Compenserende maatregelen zijn altijd extra maatregelen, boven en behalve de correcte tenuitvoerlegging van de richtlijn als zodanig. Compenserende maatregelen dienen te worden overwogen nadat de negatieve gevolgen van een plan of project voor de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied precies zijn omschreven. Het van tevoren voorstellen van compenserende maatregelen ontslaat de lidstaat in geen geval van de verplichting om eerst de diverse procedurestappen van artikel 6 te doorlopen, en met name alternatieven te bestuderen en een afweging te maken van het belang van het plan of project in verhouding tot de natuurwaarde van het gebied. Dit laatste betekent dus ook dat er sprake moet zijn van een dwingende reden van groot openbaar belang. Compensatie is dus steeds sluitstuk van een planvormingtraject, waarbij de veronderstelling is dat overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijnen eerder al is getracht de schade aan de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk te voorkomen door mitigerende maatregelen Uitspraak ABRvS, beheerplan Voordelta, 16 december 2009, /1/R2: " Niet is gebleken dat het bestaand gebruik in de Voordelta, na uitvoering van de maatregelen in het beheerplan, significant negatieve effecten zal hebben op de voor de aalscholver vastgestelde behoudsdoelstelling.". 56 HvJEG 7 september 2004, C-127/02 (AB 2004, 365): "een plan kan zonder passende beoordeling worden vastgesteld, wanneer op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied." 57 Zie ook HvJEG, C-239/04 EC versus Portugal r.o.3.5 AG: "aan de instandhouding van het bestaande natuurlijke erfgoed dient namelijk de voorkeur gegeven te worden boven compenserende maatregelen, omdat het succes daarvan zelden met zekerheid kan worden voorspeld." 83

85 Het resultaat dat d.m.v. de compenserende maatregelen wordt beoogd, moet bereikt zijn op het tijdstip waarop de significante gevolgen zich voordoen, tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen (art. 19h, lid 4, Nbw) Definities van categorieën maatregelen in het natuurbeheer In de praktijk van het natuurbeheer zijn meerdere termen in gebruik die te maken hebben met het instandhouden, verbeteren of ontwikkelen van natuurwaarden. In dit hoofdstuk worden de praktische maatregelen (dat wat in het veld gebeurt) geordend op basis van uitgangssituatie en doel. Het consequent hanteren van deze termen kan behulpzaam zijn bij het opstellen van Natura beheerplannen. De termen komen terug in het volgende hoofdstuk. Om de vier begrippen van deze tekst te kunnen plaatsen, moeten de volgende vragen ten aanzien van de uitgangssituatie en het natuurdoel worden beantwoord: 1. worden natuurwaarden nagestreefd terwijl er al natuurwaarden aanwezig zijn? Zo nee: zie Natuurontwikkeling. Zo ja: ga naar Blijft de aanwezige natuurwaarde het doel? Zo nee (het doel betreft een andere natuurwaarde): zie Omvormingsmaatregel. Zo ja: ga naar Is de aanwezige natuurwaarde zodanig afgenomen (in kwaliteit en/of oppervlak) dat herstel noodzakelijk is? Zo nee: zie Beheermaatregel. Zo ja: zie Herstelmaatregel Beheermaatregel Een beheermaatregel is een reguliere maatregel die de beheerder van een gebied neemt om een bepaalde natuurwaarde 58, die een voldoende oppervlakte en kwaliteit heeft, in stand te houden. Toelichting: - Tot de reguliere beheermaatregelen behoren o.a. beweiding (en andere vormen van regulering van begrazing), maaien, plaggen, uitbaggeren, kappen, maar ook bewust niets-doen (met rust laten). Dit betekent overigens niet dat zo n maatregel per definitie regulier is - dat is hij alleen als hij past bij de te behouden waarde én bij de lokale omstandigheid Door de commissie-verheijen is in 2009 vastgesteld welke maatregelen, met welke frequentie/intensiteit, redelijkerwijs tot de reguliere beheermaatregelen kunnen worden gerekend. Daartoe werden ook maatregelen gerekend die verslechtering (als gevolge van externe factoren, zoals verdroging en vermesting) moeten voorkómen. De huidige reguliere maatregelen zijn tegenwoordig dus in de meeste gebieden (vanwege de niet-optimale milieuomstandigheden) intensiever dan eigen is aan het habitattype of het leefgebied. - Een reguliere beheermaatregel kán leiden tot toename van oppervlakte of verbetering van kwaliteit, maar dat maakt zo n maatregel niet tot een herstelmaatregel (zie volgende definitie) Herstelmaatregel Een herstelmaatregel is een maatregel die de beheerder van een gebied neemt om de afname van oppervlakte en/of kwaliteit van een natuurwaarde zoveel mogelijk om te buigen in een toename. Toelichting: - Een herstelmaatregel kan het karakter hebben van a) het wegwerken van achterstallig onderhoud (te weinig of niet uitgevoerde beheermaatregelen) en b) het uitvoeren van effectgerichte maatregelen (bedoeld om de effecten van verzuring, vermesting en verdroging in het gebied zelf te verminderen). - Concreet kan het gaan om a) dezelfde maatregelen als (reguliere) beheermaatregelen, maar dan intensiever/frequenter dan normaal of in situaties waarin anders geen actief beheer noodzakelijk 58 Bij Natura 2000 gaat het om een habitattype of een leefgebied van een VR- of HR-soort. 59 Voorbeelden: plaggen van de heide is regulier als het eens per jaar wordt uitgevoerd (en niet frequenter), jaarlijks maaien is regulier in hooilanden maar niet in duingraslanden, kappen is regulier in hakhoutbos maar niet in natuurlijke bosgemeenschappen, waterpeilbeheer is regulier voor binnendijkse zilte graslanden maar niet voor buitendijkse zilte graslanden etc.. 84

86 is, of b) andersoortige maatregelen (zoals bekalken van verzuurde bodems, inlaat van gebufferd water in een verzuurd ven, maar ook ingrijpender maatregelen als inrichting 60 t.b.v. herstel van de waterhuishouding etc.) Omvormingsmaatregel Een omvormingsmaatregel is een maatregel die de beheerder van een gebied neemt om een bestaande natuurwaarde te vervangen door een andere. Toelichting: Concreet kan het gaan om de maatregelen die bij herstelmaatregelen zijn genoemd (inclusief bewust niets-doen, waardoor vegetatiesuccessie zal plaatsvinden) Natuurontwikkeling Natuurontwikkeling is een maatregel die de inrichter of de beheerder van een gebied neemt om op een in cultuur gebrachte plek de condities te scheppen voor een gewenste natuurwaarde. Toelichting: - Concreet kan het gaan om inrichting 61 (bijvoorbeeld aanbrengen van (natuurlijker) reliëf, een gewenste waterhuishouding, afgraven van grond), maar ook om tijdelijk intensief maai- of begrazingsbeheer (zie herstelmaatregel) totdat het gebied schraal is geworden en overgegaan kan worden op (reguliere) beheermaatregelen. - Ten onrechte wordt bijvoorbeeld de aanleg van een eilandje in een meer 'natuurontwikkeling' genoemd; omdat het meer al een natuurwaarde heeft, gaat het ter plekke om omvorming. Tot slot: normaal gesproken zal in geen van de vier gevallen méér worden gedaan dan noodzakelijk (al was het maar vanwege beperkte budgetten). In het geval van Natura 2000-doelstellingen kán er echter gekozen worden voor het verhogen van de ecologische veerkracht door meer te bereiken dan strikt noodzakelijk voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (uit het aanwijzingsbesluit, uitgewerkt in het beheerplan). Volgens de Leidraad Bepaling significantie kan dit meer afgeroomd worden voordat er sprake is van een significant gevolg Schematische voorbeelden en uitleg In dit hoofdstuk wordt de informatie uit de paragrafen en geïntegreerd gepresenteerd in de vorm van stappenschema's en een bijbehorende uitleg. In die uitleg worden de termen uit paragraaf met een * gemarkeerd. In de oriëntatiefase neemt de intiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag en beschrijft zijn plan of project. Het bevoegde gezag beoordeelt of,op basis van de aangeleverde gegevens van het plan of project, op voorhand kan worden uitgesloten dat het plan of project negatieve gevolgen kan hebben voor soorten en habitats van Natura 2000 gebieden. Is die zekerheid niet op voorhand aanwezig dan zijn er afhankelijk van het project (of plan) en de kenmerken van het Natura 2000 gebied een aantal keuzes die gemaakt kunnen worden die bepalen welke situatie van de vier, in paragraaf beschreven situaties, zich gaat voordoen. Steeds wordt een of meer vervolgfasen na de oriëntatiefase ingegaan met de wetenschap dat verrekenen van effecten nodig is. 60 Inrichting is (vergeleken met een beheermaatregel) een relatief ingrijpende en in principe eenmalige ingreep (het betreft bijvoorbeeld ontgronden, hermeanderen van beken, plaatsen van stuwen, dempen van sloten); deze term wordt ook bij natuurontwikkeling gebruikt. 61 Zie vorige voetnoot. 85

87 Voor het begrijpen van de schema's is de volgende legenda belangrijk: Legenda Proces, Actie Project beschrijving Beslismoment Besluit Neg. effect Beschreven negatief effect van een project of maatregel. Hierbij zijn zowel omvang van effect als kans op dit effect relevant. Positief effect Significantie Beschreven positief effect van een project of maatregel. Hierbij zijn zowel omvang van effect als kans op dit effect relevant. Dit blok geeft aan waar de grens voor geen significant negatief effect ligt. Boven deze grens kan een significant negatief effect niet worden uitgesloten. Voor de beschrijving van deze parameter zie de "leidraad significantie. 86

88 Natuurinclusief ontwerp De werkwijze bij Natuurinclusief ontwerp is als volgt. De initiatiefnemer beschrijft zijn project en neemt contact op met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bekijkt of het project op basis van de gegevens van het project mogelijk significante gevolgen zou kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Als dat zo is, moet er namelijk een passende beoordeling worden gemaakt. In dit geval zijn, bij de oorspronkelijke opzet van het project, mogelijke significante gevolgen niet uit te sluiten. Bijvoorbeeld doordat de kwaliteit van een habitattype of het leefgebied van een vogelsoort significant afneemt. Het bevoegd gezag treedt in overleg met de initiatiefnemer en doet de suggestie om nog geen vergunning aan te vragen, maar zijn project aan te passen. Concreet is de suggestie om het plan uit te breiden met een onderdeel waarin natuurwaarden worden verbeterd of uitgebreid (toevoegen groene component ). De initiatiefnemer maakt nu een tweede versie van dit plan. Hij let goed op dat het positieve effect ten minste even groot is als het significant negatieve effect van het oorspronkelijke plan. Daarvoor is het o.a. noodzakelijk dat het gaat om dezelfde waarde (habitattype, soort) en hetzelfde aspect (kwaliteit, oppervlakte). Omdat het om verbetering of uitbreiding van natuurwaarden gaat, zijn beheermaatregelen* niet relevant. Wel kan gedacht worden aan herstelmaatregelen* (in gebiedsdelen waar afgenomen natuurwaarden aanwezig zijn) en/of natuurontwikkeling* (in gebiedsdelen waar geen natuurwaarden zijn). Eventueel kan gedacht worden aan een omvormingsmaatregel*, waarbij een bestaande natuurwaarde wordt vervangen door de beoogde natuurwaarde. Dat heeft echter als nadeel dat de bestaande natuurwaarde waarschijnlijk elders in het gebied moet worden ontwikkeld (dat hangt af van andere beschermende voorschriften, voortvloeiend uit met name instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000, Flora en Faunawet en/of het nee, tenzij-regime voor de Ecologische hoofdstructuur). De tweede versie noemt de initiatiefnemer een natuurinclusief ontwerp. Dit wordt beoordeeld op mogelijke significante gevolgen door het bevoegd gezag. Omdat het een geval is van minnen en plussen, vraagt het bevoegd gezag om een voortoets. Daarin wordt duidelijk gemaakt dat het positief effect inderdaad ten minste even groot is als het negatieve effect én dat het zeker is dat het positieve effect daadwerkelijk en op tijd zal plaatsvinden. Het bevoegd gezag gaat akkoord met de voortoets: significante gevolgen zijn uitgesloten. De vergunning voor het complete (natuurinclusieve) project wordt verleend onder voorwaarden. Namelijk: dat alle onderdelen en in de juiste volgorde worden uitgevoerd, waarbij het cruciaal is dat het natuuronderdeel tot de vereiste natuurwaarde heeft geleid voordat het schadelijke effect van het andere projectonderdeel is opgetreden (netto geen verlies in de tijd). Reguliere monitoring in het kader van het beheerplan maakt het mogelijk om de effecten te kunnen evalueren. 87

89 Natuur Inclusief Ontwerp Project beschrijven Oriëntatiefase Pos. Effect Significantie Significantie Beoordelen project Neg. effect Neg. Effect Boven de grens van significantie is sprake van een significant negatief effect. Voor beschrijving van deze parameter zie de "leidraad significantie. Toevoegen en/of aanpassen van"groene component Pos. Effect Voortoets Significante gevolgen uitgesloten? Zowel omvang van het effect als de kans van slagen zijn relevant bij deze beoordeling ADC- toets Passende beoordeling JA Besluit Wel vergunning noodzakelijk. Reguliere monitoring op zowel positieve als negatieve effecten noodzakelijk. Vergunnen 88

90 Mitigatie In dit geval blijkt uit de voortoets dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten 62. Bijvoorbeeld doordat de kwaliteit van een habitattype of het leefgebied van een vogelsoort mogelijk significant afneemt. Een passende beoordeling is noodzakelijk. De initiatiefnemer wil graag een vergunning voor zijn project, dus is het belangrijk om na te gaan of het project zodanig aangepast (gemitigeerd) kan worden, dat er van significant negatieve effecten geen sprake meer zal zijn. Om dat goed in beeld te brengen, is het noodzakelijk om de effecten nader te onderzoeken. Want dan wordt ook duidelijk welke effecten precies gemitigeerd zouden moeten worden en in welke mate (etc.). Uit het onderzoek zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat de geplande grondwateronttrekking zal leiden tot verdroging van een blauwgrasland vanwege het feit dat de locatie zodanig dichtbij dat blauwgrasland ligt dat de voorjaarsgrondwaterstand te laag zal worden voor duurzaam behoud van de habitatkwaliteit. Uit de modelstudie blijkt dus tevens dat het probleem met name in het voorjaar speelt. Indien de onttrekking vooral in een ander deel van het jaar zou plaatsvinden, zou er wel een effect zijn op de hydrologische situatie ter plekke van het blauwgrasland, maar dat effect zou niet meer significant zijn. De initiatiefnemer laat nu een passende beoordeling maken van het project, waarbij als mitigerende maatregel wordt voorgesteld om alleen grondwater te onttrekken op momenten dat het niet zal leiden tot een zodanige verdroging van het blauwgrasland dat de kwaliteit significant zou afnemen. De vergunningverlener gaat na of uit de passende beoordeling blijkt dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn. Mocht er echter wél twijfel bestaan, dan moet de ADC-toets worden doorlopen. Indien de passende beoordeling overtuigend is, wordt de vergunning verleend. De mitigerende maatregel wordt nauwkeurig omschreven en als voorschrift in de vergunning opgenomen. 62 Het schema en het voorbeeld betreffen alleen de situatie dat een passende beoordeling nodig is (situatie 3 in paragraaf Mitigerende maatregel in hoofdstuk 2; uit die paragraaf blijkt dat ook situatie 2 kan voorkomen: mitigatie bij een niet-significante verslechtering). 89

91 Mitigatie Project Uitvoeren voortoets Voortoets met beschreven effecten Voortoets Significantie Neg. Effect Boven de grens van significantie is sprake van een significant negatief effect. Voor beschrijving van deze parameter zie de "leidraad significantie. Voortoets met beschreven effecten Significante gevolgen uitgesloten? Nee Nader onderzoeken effecten project Onderzoeksresultaat Passende beoordeling Onderzoeksresultaat Project Mitigerende maatregel Beschrijven mitigerende maatregel Passend beoordelen Maatregel die negatief effect aan bron vermindert Mitigerende maatregel Passende beoordeling Significantie Neg. Effect Neg. Effect Zekerheid dat ISHD niet in gevaar komen Nee Zie Compensatie Besluit JA Vergunnen, mitigatie vastgesteld 90

92 Saldering In dit geval blijkt uit de voortoets dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten. Bijvoorbeeld doordat de kwaliteit van een habitattype of het leefgebied van een vogelsoort mogelijk significant afneemt. Een passende beoordeling is noodzakelijk. De initiatiefnemer wil graag een vergunning voor zijn project, dus is het belangrijk om na te gaan of het project zodanig aangepast kan worden, dat er van significant negatieve effecten geen sprake meer zal zijn. Om dat goed in beeld te brengen, is het noodzakelijk om de effecten nader te onderzoeken. Want dan wordt ook duidelijk welke effecten precies gemitigeerd zouden moeten worden en in welke mate (etc.). Uit het onderzoek zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat de geplande grondwateronttrekking zal leiden tot verdroging van een blauwgrasland vanwege het feit dat de locatie zodanig dichtbij dat blauwgrasland ligt dat de voorjaarsgrondwaterstand te laag zal worden voor duurzaam behoud van de habitatkwaliteit. Uit de modelstudie blijkt dus tevens dat het probleem met name in het voorjaar speelt. Anders dan in het voorbeeld van 4.2 (mitigatie) blijkt het echter niet mogelijk te zijn om de onttrekking vooral in een ander deel van het jaar te laten plaatsvinden. Mitigeren 'aan de bron' is dus niet mogelijk. Het bevoegd gezag denkt echter mee met de initiatiefnemer en wijst erop dat mogelijkerwijs enkele eigenaren van landbouwpercelen, die tegen het blauwgrasland aanliggen, te interesseren zijn om hun sloten te dempen (tegen een vergoeding voor daardoor gederfde inkomsten). Daardoor zal de grondwaterstand in het voorjaar duidelijk worden verhoogd. Een andere mogelijkheid is dat met de beheerder van het blauwgrasland wordt afgesproken dat de toplaag van het blauwgrasland wordt afgeplagd, zodat in het voorjaar het grondwater tóch tot in het maaiveld komt. De kwaliteit is (voorafgaand aan de aanmelding van het gebied) namelijk al wat afgenomen en zo'n herstelmaatregel* is dan niet ongebruikelijk. Andere salderingsmaatregelen binnen het Natura gebied zouden kunnen zijn: het laten ontstaan van blauwgrasland door het kappen van bos op een locatie waar vrij recent nog blauwgrasland was (omvormingsmaatregel*) of het afgraven van een onlangs verworven weiland waar al eerder een blauwgrasland voorkwam (natuurontwikkeling*). Nadeel daarvan is echter dat met de grondwateronttrekking eerst gewacht moet worden tot op de andere locatie blauwgrasland aanwezig is, zodat de oppervlakte van voldoende goede kwaliteit blauwgrasland in het gebied in de loop van de tijd per saldo niet afneemt. De eerste twee mogelijkheden leiden veel sneller tot een goed resultaat. De initiatiefnemer laat vervolgens een passende beoordeling maken van het project, waarbij ook de 'veerkracht-verhogende maatregel'* wordt meegenomen. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat, mits de maatregel juist wordt uitgevoerd en het effect tegelijkertijd met de geplande grondwateronttrekking optreedt, er per saldo geen sprake zal zijn van een significant effect: de instandhoudingsdoelstelling 'behoud oppervlak en kwaliteit blauwgrasland' komt niet in gevaar. Het bevoegd gezag gaat akkoord met de passende beoordeling: er bestaat wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel dat er geen schadelijke gevolgen zijn. De ADC-toets hoeft niet te worden doorlopen. De vergunning voor het project wordt verleend onder voorwaarden dat de maatregel op correcte wijze wordt uitgevoerd alvorens het project kan worden uitgevoerd. In het genoemde voorbeeld betekent dit inhoudelijk gezien dat de veerkracht verhogende maatregel* zodanig wordt uitgevoerd dat de verbetering in de tijd en in omvang minimaal gelijke tred houdt met de verslechterende invloed van de nieuwe grondwateronttrekking. Juridisch gezien impliceert het dat de maatregel uit hoofde van ook andere regelgeving uitvoerbaar moet kunnen zijn. De initiatiefnemer moet ervoor zorg dragen dat hij over de eventuele andere benodigde toestemmingen beschikt (bijvoorbeeld bestemmingsplan aanpassing of vergunningen). Daarnaast sluit de initiatiefnemer een overeenkomst met degene die de veerkrachtverhogende maatregel* gaat nemen, zodat hij er privaatrechtelijk van verzekerd is dat hij die maatregel conform de vergunningvoorwaarde kan nemen. 91

93 Saldering Project Uitvoeren voortoets Voortoets met beschreven effecten Voortoets Significante gevolgen uitgesloten? Significantie Neg. Effect Boven de grens van significantie is sprake van een significant negatief effect. Voor beschrijving van deze parameter zie de "leidraad significantie. Voortoets met beschreven effecten Nee Maatregel voor veerkrachtverhoging beschrijven Veerkracht verhoging (niet autonoom) Positief effect Passende beoordeling Project Veerkracht verhoging (niet autonoom) Beoordelen projecten S ignificantie Neg. Effect Positief effect Beoordeling Zekerheid dat ISHD niet in gevaar komt Ja Besluit Vergunnen, veerkracht verhoging voorwaarde voor Project In de vergunning moet worden opgenomen dat voor de vergunningverlening voor Project noodzakelijk is dat de niet autonome veerkrachtverhoging, uitgevoerd is voordat project start. 92

94 Cumulatie In dit geval blijkt uit de voortoets dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten. Bijvoorbeeld doordat de kwaliteit van een habitattype of het leefgebied van een vogelsoort mogelijk significant afneemt. Een passende beoordeling is noodzakelijk. De initiatiefnemer wil graag een vergunning voor zijn project, dus is het belangrijk om na te gaan of het project zodanig aangepast kan worden, dat er van significant negatieve effecten geen sprake meer zal zijn. Om dat goed in beeld te brengen, is het noodzakelijk om de effecten nader te onderzoeken. Want dan wordt ook duidelijk welke effecten precies gemitigeerd zouden moeten worden en in welke mate (etc.). Uit het onderzoek zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat de geplande grondwateronttrekking zal leiden tot verdroging van een blauwgrasland vanwege het feit dat de locatie zodanig dichtbij dat blauwgrasland ligt dat de voorjaarsgrondwaterstand te laag zal worden voor duurzaam behoud van de habitatkwaliteit. Uit de modelstudie blijkt dus tevens dat het probleem met name in het voorjaar speelt. Anders dan in het voorbeeld van 4.2 (mitigatie) blijkt het echter niet mogelijk te zijn om de onttrekking vooral in een ander deel van het jaar te laten plaatsvinden. Mitigeren 'aan de bron' is dus niet mogelijk. Het bevoegd gezag denkt echter mee met de initiatiefnemer en wijst erop dat via het vastgestelde beheerplan juridisch is geborgd dat enkele eigenaren van landbouwpercelen, die tegen het blauwgrasland aanliggen, hun sloten zullen dempen (tegen een vergoeding voor daardoor gederfde inkomsten). Daardoor zal de grondwaterstand in het voorjaar duidelijk worden verhoogd. En daardoor zal de kwaliteit van het habitattype zelfs hoger worden dan strikt noodzakelijk voor de instandhoudingsdoelstelling. De initiatiefnemer laat vervolgens een passende beoordeling maken van het project, waarbij ook de effecten worden meegenomen van het in het beheerplan opgenomen slootdempingsproject, voorzover die effecten uitstijgen boven wat nodig is voor de instandhoudingsdoelstelling. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat, mits het slootdempingsproject juist wordt uitgevoerd en het effect tegelijkertijd met de geplande grondwateronttrekking optreedt, het gecumuleerde effect niet significant is. De instandhoudingsdoelstelling 'behoud oppervlak en kwaliteit blauwgrasland' komt niet in gevaar omdat het extra positieve effect wordt gecumuleerd met het negatieve effect van de grondwateronttrekking en er netto geen negatief effect zal optreden die de instandhoudingsdoelstelling in gevaar zal brengen. Het bevoegd gezag gaat akkoord met de passende beoordeling: er bestaat wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel dat er geen schadelijke gevolgen zijn. De ADC-toets hoeft niet te worden doorlopen. De vergunning voor het project wordt verleend onder voorwaarden dat de initiatiefnemer pas gebruik mag maken van de vergunning nadat het slootdempingsproject conform de wijze waarop bepaald in het beheerplan is uitgevoerd. In het genoemde voorbeeld betekent dit inhoudelijk gezien dat de slootdemping als vernattingsmaatregel zodanig wordt uitgevoerd dat de verbetering in de tijd en in omvang minimaal gelijke tred houdt met de verslechterende invloed van de nieuwe grondwateronttrekking. Juridisch gezien impliceert het dat het slootdempingsproject uit hoofde van ook andere regelgeving uitvoerbaar moet kunnen zijn. 93

95 Cumulatie Project I Uitvoeren voortoets Voortoets met beschreven effecten Voortoets Significante gevolgen uitgesloten? Significantie Neg. Effect Boven de grens van significantie is sprake van een significant negatief effect. Voor beschrijving van deze parameter zie de "leidraad significantie. Voortoets met beschreven effecten Nee Beschrijven project met positief effect op instand-houdingsdoel (ISHD) Project II Positief effect Passende beoordeling Project I Project II Beoordelen projecten; Cumulatietoets I Significantie Neg. Effect Positief effect II Positieve effecten mogen alleen worden meegerekend als ze een verbetering betekenen die uitstijgt boven het ISHD Beoordeling Zekerheid dat ISHD niet in gevaar komt Ja Besluit Beoordeling Vergunnen Project I, verband met Project II is juridisch geborgd Vergunning voor Project I mag worden verleend als uit passende beoordeling blijkt dat; 1. ISHD niet in gevaar komt 2. de te verwachten positieve ontwikkeling van Project II zijn juridisch gegarandeerd. 94

96 Compensatie De werkwijze bij Compensatie is als volgt. De initiatiefnemer uit het voorbeeld heeft van het bevoegd gezag te horen gekregen dat er toch twijfels blijven over de voorgenomen mitigatie (namelijk: het aanpassen van de grondwateronttrekking, zoals in het voorbeeld genoemd). Er moet rekening gehouden worden met het significant in kwaliteit afnemen van het blauwgrasland in het aangrenzende Natura 2000-gebied. De ADC-toets moet worden doorlopen. Een mogelijk alternatief (A) zou kunnen zijn dat de nieuwe grondwateronttrekking elders zou plaatsvinden. Als dat het geval is, wordt de vergunningaanvraag afgewezen. Als echter bijvoorbeeld blijkt dat er een grote behoefte is aan grondwater in de betreffende regio en er geen andere locaties beschikbaar zijn, dan is het vervolgens de vraag of er dwingende redenen van groot openbaar belang (D) zijn om de vergunning te verlenen. Het bevoegd gezag kan besluiten dat daar in dit geval inderdaad sprake van is. Als sluitstuk wordt besloten tot compensatie (C). De mogelijkheden daarvoor in het Natura gebied worden nagegaan. Het blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied geen mogelijkheden voor compensatie zijn, maar wel direkt aangrenzend aan dat gebied. Onder voorwaarden kan ook gecompenseerd worden buiten het betreffende Natura 2000-gebied 63, dus daar wordt in dit geval gebruik van gemaakt. Op een locatie waar vrij recent nog blauwgrasland was blijkt bos opgeslagen te zijn en dat zou gekapt kunnen worden (omvormingsmaatregel*). Ook is onlangs een weiland verworven waar al eerder een blauwgrasland voorkwam en dat zou afgegraven kunnen worden (natuurontwikkeling*). 64 De verwachting is dat het eerste eerder resultaat zal hebben dan het tweede én dat het resultaat met een grotere mate van zekerheid bereikt zal worden. Voor de eerste mogelijkheid wordt dus gekozen. De compenserende maatregel en eventuele - ontoereikende - mitigerende maatregelen worden nauwkeurig omschreven en als voorschrift in de vergunning opgenomen. De initiatiefnemer is als vergunningverkrijger er te allen tijde verantwoordelijk voor dat de compenserende maatregel zodanig zal worden uitgevoerd dat de ontwikkeling van het 'nieuwe' blauwgrasland in de tijd en in omvang minimaal gelijke tred houdt met de verslechterende invloed van de nieuwe grondwateronttrekking. Daartoe kan de initiatiefnemer bijvoorbeeld een overeenkomst sluiten met een uitvoerder die compenserende maatregel gaat nemen, zodat hij ervan verzekerd is dat die maatregel genomen gaat worden conform de vergunningvoorwaarde. Omdat de compensatie niet binnen het Natura 2000-gebied plaatsvindt, wordt de compensatielocatie alsnog binnen de begrenzing gebracht door wijziging van het aanwijzingsbesluit Zie paragraaf 5.4 van de handreiking Beheer van Natura 2000-gebieden (EC, 2000). 64 Zie ook paragraaf 4.3, waar dezelfde soort maatregelen worden genoemd. 65 In de genoemde handreiking staat hierover: Compenserende maatregelen kunnen de vorm aannemen van het creëren van nieuwe geschikte leefgebieden (grenzend aan de bestaande SBZ-H/V of in een ander gebied) die in Natura 2000 worden geïntegreerd. Dat integreren vergt een aanpassing van het aanwijzingsbesluit. 95

97 Compensatie Passende beoordeling Mitigatie Project incl. mitigerende maatregel Mogelijk signi - ficante gevolgen uitgesloten? Nee ADC toets Wel -A-? JA Afwijzen NEE Geen -A- wel -D- NEE Afwijzen JA ADC- toets Project Compenserende maatregel Beschrijven compenserende maatregel C-toets Compenserende maatregel Positief effect Positief effect Besluit Signi ficantie Neg. Effect Vergunnen, mitigatie en compensatie vastgelegd 96

98 Jurisprudentieoverzicht mitigatie Uit onderstaande uitspraken van afgelopen jaren zijn de volgende thema s gehaald: - vormen van mitigatie: naar tijd, ruimte en plaats (binnen en buiten Natura 2000) tegengaan van effecten, maar ook creëren van nieuw leefgebied / nieuw foerageergebied; - koppeling aan project: enerzijds onlosmakelijkheid (daarin het onderscheid met compensatie), anderzijds als niet primaire inrichtingsmaatregel; - effecten van mitigatie: eis van het zekerstellen van de effecten, bijvoorbeeld d.m.v. monitoring en direct ingrijpen; - geen effecten verwacht, dan ook geen mitigerende maatregelen nodig; - procedureel: effecten kunnen alleen meegenomen worden in een passende beoordeling. Gasboringen Waddenzee: BB2499, Raad van State, /1, 28 augustus 2007 Vogelbescherming stelt dat de extra zandsuppleties ten onrechte worden voorgesteld als mitigerende maatregel. Deze staan volgens haar geheel los van de gaswinning en moeten om die reden worden aangemerkt als compenserende maatregel. In de passende beoordeling worden randvoorwaarden gesteld die er toe moeten leiden dat mogelijk effect op habitattype en soorten voorkomen. (voorafgaand aan boring extra suppletie, koppelen aan reguliere suppletie, locatiekeuzen en moment van suppletie, bijsturing op basis van daadwerkelijk op te treden effecten) ABRvS: mitigerende maatregelen - zijn gericht op het tegengaan/neutraliseren van de effecten op de natuurlijke kenmerken van een SBZ want schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone Noordzeekustzone kunnen worden uitgesloten, mits in de uitvoering met die kenmerken rekening wordt gehouden - zijn onlosmakelijk verbonden aan de activiteit en onderscheiden zich daarin van compenserende maatregelen want De extra zandsuppleties zijn in dit verband een preventieve maatregel om de gevolgen te neutraliseren die zonder die extra suppleties voor de kustlijn van Ameland alsmede het Natura 2000-gebied Duinen Ameland zouden ontstaan. De suppleties zijn daarmee niet los te zien van het gaswinningsproject en dienen dan ook niet te worden aangemerkt als compenserende maatregel." Kap- en bouwvergunning ten behoeve van de bouw van een dependance van de Calsschool te Bussum, 2 december 2007, BE9587, Rechtbank Amsterdam, AWB 07/1612 WRO, AWB 07/1653 WRO, AWB 07/1675 WRO en AWB 07/1756 WRO (uitvoerbaarheidstoets) - mitigerende maatregelen kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied worden genomen; - mitigerende maatregelen voorafgaand aan de werkzaamheden en niet in het broedseizoen; - mitigerende maatregelen omvatten afschermingsmaatregelen (d.m.v. herplant) en licht t.b.v. bescherming vlieg- en jachtroute van vleermuizen. Bestemmingsplan "De Zuiderklip" vastgesteld. In een aantal aaneengesloten polders worden vijf dijkopeningen aangelegd t.b.v. het laten ontstaan van een dynamisch zoetwatergetijdensysteem en waterbergingsruimte, Biesbosch. BD1090, Raad van State, /1, 7 mei mitigerende maatregelen: eerst inrichting nieuwe leefgebieden en overplaatsing van dieren (modderkruipers) (N.B.:ABRvS gaat voorbij aan de vraag of nieuwe wel in een mitigerende maatregel past); - effecten van mitigerende maatregelen kunnen pas worden meegenomen in een passende beoordeling. 97

99 Appartementenhotel Nesbos, IJsselmeer, wijzigingsplan WRO, BD9967, Raad van State, /1, 13 augustus 2008 Effect betreft lichtuitstraling op kwalificerende vogelsoorten, - mitigerende maatregelen in de vorm van de uitvoering van een lichtplan; - effecten van mitigerende maatregelen kunnen pas worden meegenomen in een passende beoordeling. Almere Poort, bestemmingsplan, effecten op IJmeer, BF0984, Raad van State, /1, 17 september in passende beoordeling geen negatieve effecten verwacht, dus geen mitigerende maatregelen nodig; - wel een algemene aanbeveling voor het creëren van een extra rustgebied maar dit moet niet als een mitigerende maatregel worden opgevat: vervolgens wordt in de studie aangegeven dat de rustgebieden voor de Tafeleend en de Brilduiker in het algemeen in het IJmeer onder druk staan en wordt met het oog daarop voorgesteld elders een extra rustgebied te creëren dat niet toegankelijk is voor mensen. Deze voorgestelde maatregel is derhalve voor de beoordeling van de vraag of er als gevolg van dit plan significante effecten te verwachten zijn, niet meegenomen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat die maatregel enkel moet worden aangemerkt als een algemene aanbeveling voor het desbetreffende gebied. Waterfront Noord, bestemmingsplan, Hardewijk, Veluwerandmeren, BG1153, Raad van State, /1 en /1, 22 oktober mitigerende maatregel: inpassingszone ten westen en noorden van het nieuwe bedrijventerrein (pal tegen Veluwerandmeren aan) dient als mitigerende maatregel te worden aangemerkt, want is bedoeld als afschermingsmaatregel in de richting van het Natura 2000-gebied en is zodoende niet, althans niet primair, te zien als inrichtingsmaatregel (van het bedrijventerrein). - mitigerende maatregel: aanleg van natuurvriendelijke oevers - bevestiging Zuiderklip: mitigerende maatregelen kunnen pas worden betrokken bij een passende beoordeling. Polderwijk, Zeewolde, Bestemmingsplan Kustzone Polderwijk, 29 april 2009, /1 Opmerking vooraf over deze uitspraak: dit is een voorbeeld van natuurinclusief ontwerpen, m.a.w. hierbij is er geen sprake van mitigatie. Voor het plan is geen passende beoordeling uitgevoerd omdat al in de planfase een aantal elementen is ingebracht dat zal leiden tot het opheffen van negatieve gevolgen. Dit is in het kader van een voortoets onderzocht. - Het plan voorziet in de aanleg van stranden en een eiland met de daarbij behorende recreatieve voorzieningen ten noordoosten van Zeewolde. Een gedeelte van het eiland is bedoeld voor natuurontwikkeling. Door appellant is aangevoerd dat er ten onrechte geen passende beoordeling is opgesteld. - Het plangebied ligt geheel binnen de begrenzing van de SBZ. Niet in geschil is dat het plan de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dit gebied is aangewezen, zoals neergelegd in artikel 19j, eerste lid, van de Nbw ABRvS: Het college en de raad hebben zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan tevens een aantal gevolgen meebrengt die niet als negatief kunnen worden aangemerkt. Significante gevolgen kunnen uitgesloten worden geacht. Woonwijk IJburg, 2 e fase, BI4336, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/1259 WRO, 7 mei 2009, en BJ7155, Voorzitter Raad van State, /2/R2, 31 augustus 2009, IJmeer Mitigerende maatregelen: - de realisatie van 132 hectare (nieuwe) mosselbanken binnen het plangebied (om aan voedselbehoefte t.b.v. kwalificerende soorten te kunnen blijven voldoen), 98

100 - het land maken binnen ringdijken met retourwaterlozingen via bezinkingsvelden, - het treffen van inrichtingsmaatregelen aan de oevers van de eilanden, - het situeren van stranden aan de westkant van het Middeneiland en deels naar de oostkant van het Middeneiland en het Strandeiland waarbij de afstand van het strand op het Strandeiland 250 meter bedraagt, - het instellen van vaar- en aanlegverboden rond de eilanden van IJburg II, met uitzondering van de IJburgerbaai. ABRvS: Ook met de aanleg van de mosselbank mag rekening worden gehouden indien deze al niet als onderdeel van het project moet worden beschouwd. Verruiming Westerschelde, BJ4587,Voorzitter Raad van State, /3/R1, /2/R1, /2/R1, /2/R1 en /2/R1, 28 juli 2009 M.b.t. opgenomen aanvullende en mitigerende maatregelen: er moet voldoende zekerheid zijn over de effecten van de mitigerende maatregelen: - enerzijds is er sprake van onzekerheden met betrekking tot de effecten van de verruiming van de vaargeul, - anderzijds zijn er onzekerheden ten aanzien van de mogelijkheid om negatieve effecten te voorkomen door toepassing van de aangepaste stortstrategie en het systeem van flexibel storten; leidt tot het oordeel dat er niet met voldoende zekerheid de conclusie kon worden getrokken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Elektriciteitscentrale RWE, Eemshaven, Waddenzee, BJ4098,Voorzitter Raad van State, /2/R2, 28 juli 2009 Mitigerende maatregelen om de geluidsbelasting van de werkzaamheden zoveel mogelijk te reduceren zoals: - het toepassen van gedempt heien, - het gebruik van zo stil mogelijk materieel, - voor de buitendijkse werkzaamheden worden damwanden getrild, - toepassing van de methode van schroefpalen, Koppeling aan monitoringsvereiste: door middel van monitoring tijdens de werkzaamheden wordt vastgesteld of de getroffen mitigerende maatregelen afdoende zijn, waardoor de effecten achterwege blijven of verwaarloosbaar klein zijn. Indien uit de waarnemingen blijkt dat de effecten groter zijn dan verwacht kunnen maatregelen worden genomen. 99

101 3 Deel 3 - Beheerplan In dit deel wordt het Natura 2000-beheerplan behandeld. Het doel, de inhoud en het proces met betrekking tot beheerplannen komt aan bod. Hierbij wordt veel naar bijlagen verwezen waarin meer informatie te vinden is. 1 Deel 1 Inleiding Achtergrond... 9 Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Implementatie in nationale wet- en regelgeving Natuurbeschermingswet Aanwijzing van Nederlandse gebieden Doelensystematiek Instrumenten voor het bereiken van de doelen: beheerplan en vergunningverlening Deel 2 Toetsing Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel Reikwijdte beschermingsregime Plannen, projecten, handelingen, activiteiten en bestaand gebruik Bestaand gebruik Feitelijk gebruik versus vergund gebruik Autonome ontwikkeling Bevoegd gezag vergunningverlening Habitattoets Voortoets/Oriëntatiefase De verslechteringstoets De passende beoordeling en ADC-toets Prioritaire soorten of habitats Relatie passende beoordeling en milieueffectrapportage Effectenanalyse Wanneer is er sprake van (negatief) effect? Afname van de populaties van soorten of van habitattypen Wie voert de effectenanalyse uit? Kwaliteitsborging Uitwerking effectenanalyses Uitwerking globale effectenanalyse Uitwerking Nadere Effectenanalyse Toelichting op de kruistabellen Voorwaarden voor nadere effectenanalyse Autonome en overige ontwikkelingen? Significantie Inleiding Belang van nadere uitwerking van het begrip significante gevolgen Het begrip significante gevolgen Instandhoudingsdoelstellingen: relevante aspecten en precieze inhoud Oppervlakte habitattypen en omvang leefgebied van soorten Populatieomvang soorten Kwaliteitsaspecten Specifieke bijzonderheden en milieukenmerken Hoe dient toetsing plaats te vinden als er nog geen definitief aanwijzingsbesluit is? Omgaan met onzekerheden Wat is het principe van 'hand aan de kraan'? Wie beoordeelt of er sprake is van mogelijke significante gevolgen? Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Doelformulering getijdenwateren Cumulatie Doel Scope en reikwijdte van deze paragraaf

102 2.8.3 Probleemdefiniering Cumulatie in het Natura 2000-beheerplan Uitgangspunten Cumulatietoets Beheerplannen Stappenplan Cumulatietoets Richtinggevend advies voor politiek-bestuurlijke prioritering Cumulatie en vergunningverlening Externe werking Inleiding Omschrijving Afbakening Bepalende factoren Stappenplan Wettelijke basis externe werking Voorbeelden Specifieke omstandigheden en locatie van leefgebieden en habitattypen Onzekerheidsmarges Mitigatie en begrenzing Mitigatie en Natura Verrekenen van effecten Inleiding Definities van de juridische begrippen natuurinclusief ontwerp, mitigerende maatregel, saldering, cumulatie en compenserende maatregel Definities van categorieën maatregelen in het natuurbeheer Schematische voorbeelden en uitleg Natuurinclusief ontwerp Mitigatie Saldering Cumulatie Compensatie Jurisprudentieoverzicht mitigatie Deel 3 - Beheerplan Doel en functie van het beheerplan Doel van het beheerplan Functies van een beheerplan Wie stelt het Natura 2000-beheerplan op en vast Rol van het bevoegde gezag Voortouwnemer De juridische aspecten van beheerplannen Hoe stel je het beheerplan op en wat staat er in Plan van Aanpak Kader voor het beheerplan: het Programma van Eisen Omgaan met (ecologische) onzekerheden Checklist beheerplannen Juridische status en doorwerking beheerplannen Quasi vrijstelling Beleidsregel Beleidsplan/uitvoeringsprogramma Verzekering doorwerking Via overeenstemming en bestuursovereenkomst Via dwangmiddelen Draagvlak Juridische houdbaarheid Onderbouwing Onzekerheden Andere aspecten Beroep tegen beheerplan Calamiteiten Omgang met evenementen

103 3.9 Afwegingskader sociaal economische aspecten Stikstof Strategie Water en Natura Deel 4 Wegwijzer naar ander bronnen Achtergronden van Natura 2000 in Nederland Termen om doelen aan te duiden Inhoudelijke documenten Internet Communicatiemiddelen Bijlagen Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Bijlage 4: Checklist beheerplannen Checklist beheerplannen Natura Inhoudsopgave Voorwoord Voorwoord Doel Zorgvuldigheid van het proces Zorgvuldigheid van de inhoud Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Introductie Karakteristiek van het Natura 2000-gebied Gebruik in het Natura 2000-gebied en externe werking Relatie met andere relevante plannen en regelgeving Visie voor het Natura 2000-gebied Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Monitoring Financiering van het opstellen en uitvoeren van een beheerplan Communicatie, educatie en voorlichting in het gebied Bijlagen bij het beheerplan Nadere toelichting op het proces voor het opstellen van een beheerplan Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Bijlage 9: Toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets Bijlage 12: Mitigatie en Natura Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Bijlage 16: Monitoring Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen Bijlage 20: Omgang met evenementen Bijlage 21 Afwegingskader sociaal economische aspecten Uit Leemkuilen Bijlage 22 Strategie Water en Natura I Kader II Doel III Aanpak IV Prioritaire acties

104 3.1 Doel en functie van het beheerplan Doel van het beheerplan De Vogel- en Habitatrichtlijn verplichten Nederland de habitattypen en (vogel)soorten waar Nederland mede verantwoordelijkheid voor draagt in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Om dit te bereiken heeft Nederland daarvoor instandhoudingsdoelstellingen gedefinieerd, die zijn opgenomen in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden. In ons land is er voor gekozen om de uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied in omvang, ruimte en tijd plaats te laten vinden in het beheerplan, waarvan de opstelling is geregeld in de Natuurbeschermingswet Het beheerplan moet binnen drie jaar na aanwijzing van het gebied als Natura 2000-gebied zijn vastgesteld. Het Natura 2000-beheerplan beschrijft de resultaten die bereikt dienen te worden om het behoud of het herstel van de natuurlijke habitats en (vogel)soorten mogelijk te maken. Het beheerplan geeft daarnaast een overzicht op hoofdlijnen van instandhoudingsmaatregelen die in de planperiode genomen moeten worden om de beoogde resultaten te behalen. Tenslotte gaat het beheerplan in op bestaand gebruik en geeft inzicht hoe met externe werking omgegaan moet worden. Hiermee is het Natura 2000-beheerplan bij uitstek het middel om duidelijkheid te scheppen welke plannen uitgevoerd kunnen worden, welke activiteiten mogelijk zijn en welke beheermaatregelen genomen moeten worden. Beheerplannen hebben een looptijd van maximaal zes jaar Functies van een beheerplan Beheerplannen hebben in grote lijnen de volgende functies: 1. Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen: Het beheerplan beschrijft de huidige natuurwaarden in het Natura 2000-gebied en de ecologische vereisten die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelen te bereiken en/of te behouden. Daarnaast wordt aangegeven op welke locaties in het Natura 2000-gebied de doelen gerealiseerd zullen worden, hoe groot de oppervlakte van elk habitattype of leefgebied moet zijn en op welke termijn de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd kunnen zijn. Ook is aangegeven wat in de eerste beheerplanperiode aan oppervlak en kwaliteit wordt gerealiseerd. 2. Uitwerking van instandhoudingsmaatregelen (zie bijlage 13) Het beheerplan beschrijft de inrichtingsmaatregelen, beheermaatregelen en beleidsmaatregelen die nodig zijn om er voor te zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen duurzaam gerealiseerd worden. Ook wordt vastgelegd welke instanties verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de maatregelen en welke afspraken het bevoegd gezag hierover met de partijen in het gebied maakt. 3. Kader voor vergunningverlening: Het beheerplan beschrijft de bestaande activiteiten (ook wel bestaand gebruik genoemd, zie voor een uitgebreide definitie paragraaf 2.3.1), die momenteel in en om het Natura 2000-gebied 103

105 plaatsvinden, in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen. Bestaand gebruik dat het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt kan zonder vergunning van de Natuurbeschermingswet 1998 voortgezet worden. Voor overige activiteiten (bestaande activiteiten die de instandhoudingsdoelstellingen wél in gevaar kunnen brengen en toekomstige activiteiten) moet de vergunningprocedure (habitattoets) van de Natuurbeschermingswet 1998 gevolgd worden. Het beheerplan fungeert als kader voor het natuurbeleid in het Natura 2000-gebied, en is daarmee het toetsingskader voor de toepassing van de Natuurbeschermingswet Wie stelt het Natura 2000-beheerplan op en vast Rol van het bevoegde gezag Het bevoegd gezag stelt een beheerplan vast en is verantwoordelijk voor het opstellen daarvan. Het daadwerkelijk opstellen kan echter uitbesteed worden aan een ander bestuursorgaan of zelfs aan een particuliere organisatie of expertbureau. Het bevoegd gezag bepaalt wie het beheerplan opstelt. De Natuurbeschermingswet 1998 heeft als uitgangspunt dat Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag is dat het beheerplan vaststelt. Voor zover echter gronden binnen het Natura 2000-gebied in eigendom of in materieel beheer van het rijk zijn is het de minister die voor dat deel van het gebied het beheerplan vaststelt. Op dit moment zijn er vier ministers door wie of onder wiens verantwoordelijkheid het beheer van rijkseigendom in Natura 2000-gebieden plaatsvindt: de ministers van I&M (en Rijkswaterstaat), van Defensie, van Financiën (Domeinen) en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) 66. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer Staatsbosbeheer beheerder is van een gebied, de Minister van EL&I bevoegd is om het beheerplan vast te stellen. 66 Met het aantreden van een nieuw kabinet op 14 oktober 2010 is het Ministerie van LNV opgegaan in het nieuwe Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en het Ministerie van VenW in het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). 104

106 Samenhang instandhoudingsdoelstellingen, aanwijzingsbesluit en beheerplan Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen geven een concretisering van de hoofddoelstelling van het Natura netwerk voor Nederland. Deze concretisering gebeurt op landelijk niveau en op gebiedsniveau. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. De Natura 2000-doelen op landelijk en op gebiedsniveau zijn vastgelegd in het Natura 2000 doelendocument. Het Natura 2000 doelendocument omvat het landelijke kader van de Natura 2000-doelen, de bijdrage van Nederland aan het Natura 2000-netwerk én de bijdrage van concrete gebieden hieraan. De Natura 2000-doelen betreffen zowel behoud van bestaande waarden als ontwikkeling van waarden. De doelen op gebiedsniveau worden opgenomen in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden en verder uitgewerkt in de beheerplannen. Aanwijzingsbesluiten Het aanwijzingsbesluit definieert naast de instandhoudingsdoelstellingen de precieze omvang en begrenzing van het aangewezen gebied. Het is een formeel besluit en daarmee het instrument dat burgers, bedrijven en andere overheden direct bindt. Aanwijzingsbesluiten hebben in beginsel een onbepaalde looptijd en worden vastgesteld door de Minister van EL&I. Beheerplannen In de beheerplannen is aangegeven welke beleids- en beheermaatregelen nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en soorten in het betreffende gebied te realiseren en hoe een en ander zich verhoudt tot andere vormen van (bestaand) gebruik. In de beheerplannen worden de instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd nader uitgewerkt. In aanvulling op het aanwijzingsbesluit biedt het handvatten voor het toepassen van het afwegingskader voor de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet Met het beheerplan wordt duidelijkheid geboden aan beheerders, gebruikers en belanghebbenden ten aanzien van de vraag welke activiteiten in het Natura 2000-gebied in geen geval zijn toegestaan zonder dat deze eerst getoetst zijn aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (Habitattoets). Maar ook welke activiteiten op wettelijke gronden geen vergunning behoeven, omdat ze de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied niet in gevaar brengen. Het beheerplan is ook hét instrument waarmee invulling wordt gegeven aan de wettelijke vereiste om bij de keuze en vormgeving van maatregelen rekening te houden met economische, sociale en culturele belangen. Een beheerplan wordt vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten en/of een minister Voortouwnemer Omdat er in één Natura 2000-gebied meerdere bevoegde instanties (bv. GS en de minister van EL&I) kunnen zijn, is er een bestuurlijke afspraak gemaakt welke bevoegde instantie in dergelijke gevallen het voortouw neemt voor het opstellen van een beheerplan. Hierbij is leidend hoe groot het rijkseigendom in het gebied is. Is meer dan 50% van de gronden binnen het gebied rijkseigendom dan neemt de minister (EL&I, I&M, Defensie) het voortouw. Is er minder dan 50% rijkseigendom dan neemt GS het voortouw. Bij provinciegrensoverschrijdende gebieden heeft dat College van GS het voortouw waar het meeste niet-rijkseigendom ligt. Een notitie over de rol en taken van de voortouwnemer van een beheerplan is door de Regiegroep vastgesteld (zie bijlage 3). Bijlage 6 laat zien welke instanties in de Natura 2000-gebieden het voortouw nemen. Voor ieder beheerplan wordt een 'frontoffice' en een 'backoffice' ingericht. De frontoffice wordt gevormd door de voortouwnemer die het gezicht is naar de buitenwereld. In de backoffice zitten de overige vertegenwoordigers van de bevoegde gezagen voor het betreffende gebied. De voortouwnemer regisseert het proces, zorgt dat de afspraken tussen de partijen tot stand komen en bewaakt de uitvoering daarvan. In paragraaf 3.3 van dit naslagwerk wordt uitgebreid ingegaan op alle aspecten van het proces van totstandkoming van het beheerplan De juridische aspecten van beheerplannen Beheerplannen worden opgesteld na overleg met eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden, maar kunnen hen niet binden. Een beheerplan kan geen rechtens afdwingbare verplichtingen 105

107 opleggen. Het noodzakelijke beheer in de Natura 2000-gebieden zal in beginsel plaatsvinden op basis van vrijwillige medewerking met toepassing van bestaande (subsidie)regelingen. Er zijn enkele aspecten die goed in de gaten moeten worden gehouden bij het formuleren van de beheermaatregelen. Volgens de Europese regels mag alleen subsidie gegeven worden voor maatregelen die worden uitgevoerd op basis van vrijwilligheid en die uitgaan boven de normale bedrijfsvoering. Worden de beheermaatregelen verplicht voorgeschreven aan (agrarische) bedrijven dan kan Brussel de subsidie van de staat aanmerken als ongeoorloofde staatssteun. Wanneer het gaat om beheermaatregelen die door anderen dan bedrijven worden uitgevoerd dan speelt het staatssteunaspect niet. Ook hier geldt dat particulieren niet gedwongen kunnen worden te doen wat in het beheerplan staat. Een ander aspect waar rekening mee moet worden gehouden is cross compliance. Cross compliance houdt in het verbinden van voorwaarden op het gebied van milieu, dierenwelzijn, diergezondheid en arbeidsomstandigheden aan de betalingen die boeren ontvangen. Cross compliance moet ervoor zorgen dat boeren die inkomenstoeslagen krijgen voldoende rekening houden met natuur en milieu. Doen zij dat niet dan volgt een korting of volledige intrekking van de toeslagen. De lidstaten hebben de verantwoordelijkheid gekregen om in het kader van cross compliance minimum voorwaarden te formuleren voor goede landbouw- en milieuomstandigheden. Lidstaten zijn verplicht om op enkele onderwerpen waarop geen Europese wetgeving bestaat zelf normen te stellen waaraan boeren moeten voldoen. Eén van die onderwerpen is het minimaal onderhoud aan bestaande habitattypen of leefgebieden van soorten. 3.3 Hoe stel je het beheerplan op en wat staat er in Plan van Aanpak Door verschillende voortouwnemers is een Plan van Aanpak voor het opstellen van de Natura beheerplannen opgesteld. Dit Plan van Aanpak beschrijft de wijze waarop het beheerplan wordt opgesteld, met nadrukkelijk aandacht voor inhoud en organisatie. Als voorbeeld kan het Plan van Aanpak Provincie Overijssel dienen, zie Kader voor het beheerplan: het Programma van Eisen De gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 stelt aan de beheerplannen een aantal procedurele en inhoudelijke eisen. Deze eisen zijn uitgewerkt in een Programma van Eisen. Dit Programma van Eisen is in principe bedoeld als kader voor de eerste generatie beheerplannen. Bij diverse eisen wordt verwezen naar de betreffende wetsartikelen uit de gewijzigde Natuurbeschermingswet Eisen voor de inhoud Inventarisatie 1. Het beheerplan geeft allereerst een beschrijving van de natuurwaarden in het Natura gebied (de actuele situatie en trends, art. 19a, lid 3 onderdeel a). Daarnaast geeft het beheerplan een beschrijving van relevante (bestaande) activiteiten in of in de omgeving van het Natura 2000-gebied, voor zover deze activiteiten van invloed kunnen zijn op het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. 2. Het beheerplan legt een relatie met andere plannen en andere wet- en regelgeving (art. 19b, lid 2). Confrontatie en visie 3. Het beheerplan werkt de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied in omvang, ruimte en tijd verder uit (art. 19a lid 3, onderdelen a en b). Deze uitwerking bevat de visie van het bevoegd gezag op hoe deze doelstellingen voor het gebied te realiseren in samenhang met het bestaande gebruik. Daarbij geeft het bevoegd gezag aan welke resultaten op welke termijn nagestreefd worden. Ook geeft deze uitwerking aan welke kwaliteit van water, bodem en lucht binnen en buiten het gebied en welke ruimtelijke samenhang nodig zijn om de doelstellingen te realiseren. 106

108 4. Het beheerplan beschrijft (op hoofdlijnen) de maatregelen voor de periode die het beheerplan bestrijkt en de ecologische vereisten die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken en/of te handhaven (artikel 19a lid 3, onder b). 5. Het beheerplan geeft, naast de bovenstaande wettelijke eisen ten aanzien van de inhoud, ten minste aan welke bestaande activiteiten niet schadelijk zijn in relatie tot het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en welke bestaande activiteiten vergunningplichtig zijn. Ook wordt aangegeven van welke activiteiten ten tijde van het vaststellen van het beheerplan nog niet bepaald kan worden of deze schadelijke gevolgen hebben. Het bevoegd gezag kan er in overleg met belanghebbenden voor kiezen in het beheerplan aan te geven welke voorgenomen activiteiten zich in het gebied wel en niet kunnen ontwikkelen met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen (= opnemen ontwikkelruimte). Uitvoering 6. Het beheerplan maakt expliciet welke van de bevoegde instanties voor de uitvoering van concrete instandhoudingsmaatregelen in (delen van) het Natura 2000-gebied de verantwoordelijkheid draagt. Ieder bevoegd gezag maakt afspraken met partijen in het gebied over de uitvoering van de maatregelen. Bij veel instandhoudingsdoelstellingen in veel Natura 2000-gebieden speelt de problematiek van de (bestaande/toekomstige) stikstofdepositie in relatie tot gevoeligheid van habitattypen voor stikstof en de voor het realiseren van de doelstellingen noodzakelijke watercondities. Onder verantwoordelijkheid van het Regiebureau Natura 2000 zijn hier instrumenten voor ontwikkeld. De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is er in eerste instantie op gericht de vergunningverlening (Natuurbeschermingswet 1998) vlot te trekken door het per saldo geleidelijk maar onvermijdelijk omlaag brengen van de stikstofdepositie. Aangezien deze depositie het probleem is van meerdere overheidslagen en meerdere sectoren, wordt dat in gezamenlijkheid opgepakt. De essentie van de PAS is daarom verkennen en afspreken hoe op verschillende niveaus (generiek, provinciaal en gebiedsgericht) en vanuit verschillende sectoren (landbouw, industrie, verkeer en vervoer) wordt bijgedragen aan het aanpakken van het probleem. Het beheerplan is het instrument om op gebiedsniveau aan te geven hoe en in welk tijdsbestek de Natura 2000-doelstellingen gerealiseerd worden. In het beheerplan moet worden bepaald welke reductieopgave nodig is voor de in het gebied liggende natuurdoelen op basis van de ecologische onderbouwing zoals eerder bepaald. Ook de eventuele ontwikkelruimte komt in het beheerplan te staan. De optelsom van de reductieopgaven uit de beheerplannen vormt het onderwerp waarover in de PAS afspraken gemaakt worden. De opgave wordt gerealiseerd door generieke, provinciale/regionale en gebiedsgerichte maatregelen. Over deze opgave en de maatregelen worden in de PAS afspraken gemaakt. De gemaakte afspraken zullen uiteindelijk weer in het beheerplan terechtkomen en dienen ter onderbouwing van de realisatie van de noodzakelijke reductieopgave uit het beheerplan. Een aantal producten geeft duidelijkheid over inhoud en procedures rond de PAS: Hoofdlijnennotitie, Plan van Aanpak Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en Voorlopig programma stikstof. Deze producten zijn te vinden op In een groot deel van de Natura 2000-beheerplannen speelt water een vitale rol. Bij het opstellen van deze beheerplannen wordt duidelijk dat het realiseren van de vereiste watercondities een lastige opgave is, van dezelfde orde als het stikstofvraagstuk. Met de Strategie Water en Natura 2000 ( kan de waterparagraaf in de Natura beheerplannen worden opgesteld. 7. Het beheerplan geeft aan hoe de uitvoering van het beheerplan wordt gemonitord (wat, hoe en door wie), waarbij het uitgangspunt is aan te sluiten bij bestaande monitoringsprogramma's. De monitoring heeft als doel het bevoegd gezag de informatie te verschaffen om te kunnen beoordelen of de instandhoudingsmaatregelen effectief zijn en de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Zie voor de wijze waarop de monitoring in het beheerplan opgenomen dient te 107

109 worden de door de Regiegroep Natura 2000 vastgestelde documenten Programma van Eisen Gebiedsgerichte Monitoring (zie bijlage 14) en Monitoring Natura 2000 (zie bijlage 15). 8. Het beheerplan bevat een (globale) raming van de kosten voor de uitvoering van het beheerplan en geeft aan op welke wijze deze van dekking worden voorzien. 9. Ieder bevoegd gezag zorgt er binnen zijn invloedsfeer voor dat de inhoud van het beheerplan doorwerkt in andere relevante (beleids-)plannen en de vergunningverlening Eisen aan het proces A. Voor het opstellen van een beheerplan voor een concreet Natura 2000-gebied neemt één van de bevoegde instanties voor het opstellen en vaststellen van een beheerplan het voortouw om het proces te coördineren. Dit bevoegd gezag wordt aangeduid met de term 'initiërend bevoegd gezag'. B. Het initiërend bevoegd gezag stelt in overleg met andere bevoegde instanties vast of voor het Natura 2000-gebied één beheerplan wordt opgesteld of dat beheerplannen voor delen van het gebied worden opgesteld. Het is ook mogelijk voor meerdere Natura 2000-gebieden één beheerplan op te stellen, indien de ecologische samenhang van de gebieden of de bestuurlijke setting hierom vraagt. Zo wordt voor drie kreken in Zeeuws-Vlaanderen, het Groote Gat, Canisvliet en de Vogelkreek één beheerplan opgesteld omdat deze drie gebieden aangewezen worden voor één habitatsoort (Kruipend moerasscherm). C. Het initiërend bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beheerplan wordt opgesteld na overleg met eigenaren, beheerders, gebruikers en andere belanghebbenden en met besturen van waterschappen, gemeenten en provincies (art. 19a, leden 1 en 5, art 19b, leden 1 en 3). Het overleg moet tenminste tot doel hebben draagvlak te creëren voor de inhoud van het beheerplan bij de betrokkenen in het gebied. Vanuit de bevoegde gezagen zijn afspraken gemaakt met maatschappelijke organisaties over de betrokkenheid bij het opstellen van de beheerplannen. Deze afspraken zijn neergelegd in de Intentieverklaring Beheerplannen Natura 2000 (bijlage 1), welke door vele partijen is ondertekend. De intentieverklaring schept een gemeenschappelijk kader voor het overleg over de beheerplannen de komende jaren. D. Het bevoegd gezag van (delen van) een Natura 2000-gebied draagt er zorg voor dat voor het gebied waarvoor het verantwoordelijk is kennislacunes, onzekerheden en mogelijke negatieve gevolgen van maatregelen expliciet in beeld worden gebracht en waar redelijkerwijs mogelijk, worden verkleind. In de door de Regiegroep Natura 2000 vastgestelde notitie Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan (bijlage 16) is aangegeven hoe met gebrek aan kennis op ecologisch gebied in het beheerplanproces moet worden omgegaan. Te doorlopen stappen zijn beschreven en er is een voorbeeld opgenomen. E. Het bevoegd gezag draagt, voor zover op grond van wettelijke vereisten noodzakelijk, zorg voor de informatie die nodig zal zijn voor het toetsen van (onderdelen van) het beheerplan aan artikelen 19 e, f, g en h van de Natuurbeschermingswet F. Voor het vaststellen van een beheerplan wordt de openbare voorbereidingsprocedure conform de Algemene wet bestuursrecht gevolgd (afdeling 3.4). Elk bevoegd gezag in een Natura gebied stelt dat deel van het beheerplan vast dat gaat over het gebiedsdeel waarvoor het verantwoordelijk is. Door het Regiebureau Natura 2000 is een toolkit inspraakprocedure (zie ontwikkeld waarin voorbeeldproducten (bv. advertentietekst inspraakbijeenkomst, vaststellingbesluit bevoegd gezag) zijn opgenomen die bij voorafgaand en tijdens de inspraak en bij de vaststelling van het beheerplan gebruikt kunnen worden. Voor plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt, omdat zij significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, geldt een verplichting tot een strategische milieubeoordeling. De door de Regiegroep Natura 2000 vastgestelde Notitie plan- 108

110 MER (bijlage 17) gaat in op de criteria voor het opstellen van een plan-mer en het daaraan voldoen van het Natura 2000-beheerplan. G. Een beheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal 6 jaar. Het plan wordt steeds voor een periode van maximaal 6 jaar opnieuw vastgesteld (art. 19a, lid 2), na evaluatie van de uitvoering. Deze evaluatie gaat tenminste in op de mate van realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied en de realisatie van de instandhoudingsmaatregelen. De evaluatie is de onderbouwing voor de volgende generatie beheerplannen. Voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Natura 2000-gebied In de in 2005 verschenen Handreiking Beheerplannen - Natura 2000-gebieden is een voorbeeld inhoudsopgave voor een beheerplan gepresenteerd. Deze inhoudsopgave is bedoeld als hulpmiddel bij het opstellen van een beheerplan. Het kan fungeren als een checklist voor zowel de opsteller als de vaststeller van het beheerplan om na te gaan of alle relevante elementen conform het hiervoor genoemde Programma van Eisen in het beheerplan zijn opgenomen. Het doel van de voorbeeld inhoudsopgave is niet om eenvormige beheerplannen te verkrijgen. Het zal immers niet altijd mogelijk zijn de voorbeeld inhoudsopgave precies te volgen. Daarvoor zijn de verschillen tussen de gebieden te groot. Zo zijn er gebieden die maar voor één soort zijn aangewezen of gebieden die vanwege de aard van de activiteiten of het bestaande gebruik in het gebied heel complex zijn of juist relatief eenvoudig. Ook kan het voorkomen dat er één beheerplan voor twee of meer Natura 2000-gebieden kan worden opgesteld. Al deze verschillen kunnen leiden tot een afwijking van het voorbeeld. Inhoudsopgave Aan het begin van het beheerplan kan desgewenst een voorwoord, leeswijzer en/of verantwoording worden opgenomen. Inventarisatie 1. Natura 2000-gebied: karakteristiek van het gebied Een korte beschrijving van het gebied op basis van elementen uit het aanwijzingsbesluit aangevuld met belangrijkste gebiedskenmerken: a. Geografische en bestuurlijke kenmerken b. Begrenzing Natura 2000-gebied c. Eigendomssituatie d. Waarden van het gebied, ecologische samenhang en internationaal belang van het gebied e. Instandhoudingsdoelstellingen f. Huidige staat van instandhouding en trends in het gebied aan de hand van i. ecologische kenmerken en gegevens ii. fysisch-chemische kenmerken en gegevens iii. sociaal-economische gegevens g. Maatschappelijke context: samenleving/gebruikers en overlegplatforms 2. Gebruik in het Natura-2000 gebied en externe werking Beschrijving op hoofdlijnen van de uitgangssituatie m.b.t. (bestaand) gebruik en externe werking voor onder meer: a. Natuurbeheer en -herstel b. Agrarisch gebruik c. Hydrologie d. Industrie e. Bewoning f. Infrastructuur en het gebruik ervan g. Recreatie h. Militaire activiteiten i. Delfstoffenwinning j. Scheepvaart k. Visserij l. Overige 3. Relatie met andere relevante plannen en regelgeving a. (beleids)plannen van het rijk en andere overheden b. (inter)nationale regelgeving 109 c. (inter)nationale afspraken

111 Visie en confrontatie 4. Visie voor het Natura 2000-gebied a. Uitwerking instandhoudingsdoelstellingen (uit het aanwijzingsbesluit) in omvang, ruimte en tijd b. (Ecologische) randvoorwaarden c. Knelpunten van het gebruik d. Hoe worden de doelstellingen bereikt Uitvoering 5. Instandhoudingsmaatregelen Vanuit de visie en de confrontatie opstellen van natuurbeheersmaatregelen en benodigde mitigerende maatregelen in relatie tot vormen van gebruik zoals onder meer: a. Natuurbeheer en -herstel b. Agrarisch gebruik c. Hydrologie d. Industrie e. Bewoning f. Infrastructuur en het gebruik ervan g. Recreatie h. Militaire activiteiten i. Delfstoffenwinning j. Scheepvaart k. Visserij l. Overig 6. Monitoring a. Biotisch b. Abiotisch c. Realisatie van instandhoudingsmaatregelen (voortgang en effectiviteit) 7. Financiering van het beheerplan Bruikbare instrumenten 8. Communicatie, educatie en voorlichting in het gebied Hoewel geen voorwaarde uit het Programma van Eisen is het o.a. uit het oogpunt van verwerven van draagvlak van belang in het beheerplan aandacht te besteden aan communicatie, educatie en voorlichting. 9. Bijlagen bij het beheerplan Inmiddels zijn er door verschillende bevoegde gezagen die beheerplannen opstellen formats gemaakt voor inhoudsopgaven. Zo zijn er de Algemene inhoudsopgave (Ministerie van Defensie), Algemene inhoudsopgave (Rijkswaterstaat) en Format voor inhoudsopgave LNV-Beheerplannen, deze zijn allemaal te vinden op Omgaan met (ecologische) onzekerheden Als er op ecologisch gebied gebrek aan kennis is, hoe moet hier dan in het beheerplanproces mee worden omgegaan? Allereerst moet worden nagegaan of er daadwerkelijk een gebrek aan kennis is. Vaak is er namelijk meer kennis beschikbaar, dan in eerste instantie werd gedacht en kun je bijvoorbeeld door met een aantal experts door te redeneren ver komen in onderbouwing. Het is daarom van belang om na te gaan of alle beschikbare informatie is benut (zowel literatuur, onderzoek als experts) en welke 110

112 methodieken of scenario s zijn gebruikt (is er geen sprake van het opstapelen van onzekerheden: worst case op worst case zetten geeft geen realistische uitkomsten meer en is het worst case scenario de juiste). Vervolgens wordt in het beheerplan vermeld welke ecologische kennis gebruikt is en beschikbaar is. Daar waar sprake is van kennislacunes, wordt dit ook vermeld in het beheerplan, waarbij tevens wordt aangegeven wat de (mogelijke) consequenties van dit kennisgebrek zijn. Daarnaast wordt aangegeven hoe hier in de toekomst mee wordt omgegaan en op welke termijn eventueel nieuwe kennis beschikbaar is. Dit kan op verschillende manieren in het beheerplan worden opgenomen: 1. De kennis wordt opgedaan door het uitvoeren van onderzoek (tijdens het opstellen van het beheerplan of lopende de eerste beheerplanperiode); 2. De kennis wordt opgedaan door expertmeetings te organiseren (bijvoorbeeld met experts uit andere Europese landen, waar wellicht meer kennis van een specifiek terrein aanwezig is); 3. Er wordt een nieuw monitoringsprogramma opgezet; 4. In het kader van een lopend monitoringsprogramma wordt de ontwikkeling gevolgd. Ad. 4: Het volgen van de ontwikkeling is toepasbaar onder een aantal voorwaarden, waarbij het uitgangspunt is dat er geen verslechtering mag optreden op de natuurwaarden: - De activiteit moet te stoppen zijn als uit monitoring blijkt dat er toch significant (cumulatief) negatieve effecten optreden; - De mogelijke schade van de activiteit moet meetbaar zijn (bijvoorbeeld zichtbaar in het veld); - Het habitattype moet zodanig snel herstelbaar zijn dat het langjarig gemiddelde van oppervlak en kwaliteit niet afneemt (conform het verslechteringsverbod van artikel 6 lid 2 HR; zie ook de Leidraad bepaling Significantie). Bovenstaande stappen kunnen ertoe leiden dat aanpassingen nodig zijn in de maatregelen die in het beheerplan zijn opgenomen. Afhankelijk van de termijn waarop de aanvullende gegevens beschikbaar komen, worden aanpassingen in het huidige beheerplanproces meegenomen of in een volgende cyclus. De termijn waarop aanvullende kennis verwacht wordt en hoe hiermee zal worden omgegaan, wordt vermeld in het beheerplan. Een voorbeeld van hoe met ecologisch kennisgebrek kan worden omgegaan in het beheerplan is de werkwijze van de provincie Zeeland met betrekking tot het Kruipend moerasscherm: Het Kruipend moerasscherm is een plantje dat voorkomt in de Natura 2000-gebieden Canisvliet, Groote Gat en Vogelkreek in Zeeland. Er geldt voor deze soort een behoudsdoelstelling en voor de Vogelkreek een uitbreidingsdoelstelling, maar de huidige staat van instandhouding is zeer ongunstig. Er zullen dus maatregelen moeten worden getroffen om de instandhoudingsdoelstelling te behalen. Er is echter weinig bekend over de ecologie van de soort en daardoor is niet met zekerheid te bepalen welke maatregelen ingezet moeten worden om de instandhoudingsdoelstelling te behalen (vermindering stikstof, verbetering waterkwaliteit, verbetering waterkwantiteit, bodemsamenstelling, etc.). De provincie heeft daarom een expert meeting georganiseerd met Nederlandse en buitenlandse experts. Uit deze meeting blijkt dat er ook internationaal weinig bekend is over deze soort, maar er is wel een consensus bereikt over een maatregelen pakket dat mogelijk een positief effect kan hebben op het voorkomen van Kruipend moerassscherm. Het effect van de te nemen maatregelen zal nauwkeurig gevolgd moeten worden en dus zal het beheerplan de eerst planperiode vooral inzetten op het monitoren van de ontwikkeling van het plantje. Op basis van de monitoringsgegevens zal eventueel worden bijgestuurd. De gegevens die gedurende de 1 e beheerplanperiode beschikbaar komen, zullen worden gebruikt om de kennisleemtes in te vullen, zodat in een volgend beheerplan de maatregelen verder uitgewerkt kunnen worden. 3.4 Checklist beheerplannen De Checklist Beheerplannen (zie bijlage 4) is bedoeld als een intern werkdocument en geeft inzicht in wat nodig is om een gedegen Natura 2000-beheerplan op te stellen en uiteindelijk vast te stellen. De checklist bevat een 30-tal checkpunten waaraan een beheerplan qua proces en inhoud gecheckt kan 111

113 worden. Dit kan vooraf gebeuren (hoe richt ik het proces in en waar moet ik aandacht aan besteden) of achteraf (controle). 3.5 Juridische status en doorwerking beheerplannen Aan een beheerplan zijn verschillende juridische consequenties verbonden. In de eerste plaats fungeert het beheerplan als een kader voor het te voeren natuurbeleid in het gebied, en daarmee als toetsingskader voor de toepassing van de wet: - bij vergunningverlening: Wanneer handelingen met mogelijk verslechterende of significant verstorende gevolgen, niet in het beheerplan zijn opgenomen of niet worden verricht overeenkomstig de in het beheerplan opgenomen voorwaarden en beperkingen, is een vergunning vereist op grond van artikel 19d, eerste lid, van de wet. Bij het verlenen van een vergunning houdt het bevoegd gezag (provincie, soms het Rijk) rekening met het beheerplan (artikelen 19e en 19i van de wet). Het beheerplan geeft houvast aan vergunningaanvragers burgers, ondernemers en medeoverheden en aan het bevoegd gezag bij de toetsing van deze activiteiten. Zo worden de eventuele schadelijke effecten van deze activiteiten beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelstellingen, zoals die in het beheerplan verder zijn uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd. - bij de afweging over de inzet van andere maatregelen: Ook fungeert het beheerplan als toetsingskader voor het bevoegd gezag bij de besluitvorming over de vraag of maatregelen ter bescherming van het desbetreffende Natura 2000-gebied moeten worden getroffen: op grond van artikel 20 van de wet (toegangsbeperkingen), en/of op grond van artikel 21 van de wet (behoud- en herstelmaatregelen die moeten worden gedoogd door eigenaar en gebruiker) en/of op grond van andere wetten. - bij de invulling van de zorgplicht: Het beheerplan geeft voorts houvast bij de invulling van de zorgplicht van artikel 19l van de wet. Als in strijd wordt gehandeld met de inhoud van het beheerplan, kan dat een aanwijzing zijn dat de zorgplicht niet is nageleefd. Dat geldt in het bijzonder wanneer het gaat om personen of instanties die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het beheerplan. Van hen mag eerder bekend worden verondersteld wat de eventuele nadelige gevolgen kunnen zijn van hun handelen of nalaten in afwijking van het beheerplan Quasi vrijstelling Voor projecten en andere handelingen die zijn opgenomen in het beheerplan, en die overeenkomstig het beheerplan worden gerealiseerd of verricht, is geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vereist (artikel 19d, tweede lid, van de wet). Als wordt afgeweken van de voorwaarden en beperking die voor de handeling in het beheerplan zijn omschreven, geldt de vrijstelling niet en geldt de vergunningplicht; het verrichten van de handeling zonder vergunning is een strafbaar feit, zoals in het voorgaande is aangegeven. In zoverre is het beheerplan te vergelijken met een vrijstelling. Daarbij is niet relevant of het bevoegde gezag dat het beheerplan vaststelt (provincie, soms Rijk) tevens het bevoegde gezag is voor de vergunningverlening (provincie, soms Minister van EL&I): de provincie kan als bevoegd gezag voor het beheerplan ook vrijstelling verlenen van de verplichting tot het aanvragen van vergunningen waarvoor normaliter de Minister van EL&I bevoegd is. De minister kan overigens op grond van artikel 45 van de wet aanwijzingen geven ter zake van het beheerplan. Voortbouwend op de quasi vrijstelling: het is bijvoorbeeld denkbaar dat in een beheerplan een nadere invulling wordt opgenomen van het waterpeilbeheer. Zolang het waterpeilbeheer overeenkomstig het beheerplan plaatsvindt, is het niet vergunningplichtig. Ook zou in een beheerplan kunnen worden opgenomen dat veehouderijen nabij Natura 2000-gebied die voldoen aan bepaalde voorwaarden (zoals bijvoorbeeld een maximale ammoniakemissie, een bepaalde afstand tot het Natura 2000-gebied en toepassing van bepaalde technieken om de ammoniakemissie te reduceren die verder gaan dan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij vereist of bij uitbreiding toepassing van bepaalde vormen van saldering, bijvoorbeeld via een provinciale salderingsbank) kunnen worden geëxploiteerd zonder vergunning op grond van artikel 19d van de wet. Uiteraard moet 112

114 - voor zover sprake is van een project met potentieel significant negatieve gevolgen - een passende beoordeling dan op voorhand zekerheid hebben gegeven dat onder deze voorwaarden geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied. In beide gevallen geldt, dat als niet (langer) wordt gehandeld overeenkomstig de voorwaarden en beperkingen die zijn neergelegd in het beheerplan, het verbod van artikel 19d, eerste lid, volledig van toepassing is: is sprake van een handeling met mogelijk verslechterende of significant verstorende effecten dan zal een vergunning moeten worden aangevraagd en dan zal via de voorwaarden en beperkingen verbonden aan de vergunning worden zeker gesteld dat de betrokken handeling in lijn komt met de instandhoudingsdoelstellingen voor het betrokken Natura 2000-gebied. Een vrijstelling kan in het beheerplan tot een bepaalde periode worden beperkt, die korter kan zijn dan de geldigheidsduur van het beheerplan (maximaal 6 jaar). Vanuit het hand-aan-de-kraan principe is ook denkbaar dat in het beheerplan wordt opgenomen dat de vrijstelling geldt tòt het moment dat het bevoegde gezag voor de vergunningverlening een vergunning aanzegt Beleidsregel Het beheerplan zou door het bevoegde gezag dat het beheerplan vaststelt ook kunnen worden gebruikt voor het neerleggen van het beleid voor het verlenen van vergunningen op grond van artikel 19d van de wet voor activiteiten in en rond het Natura 2000-gebied. In dat geval fungeert het beheerplan tevens als beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (AWB), waarover titel 4.3 van de AWB nadere regels bevat. Het beheerplan kan echter alleen (mede) als beleidsregel worden gebruikt als het bevoegde gezag voor het vaststellen van het beheerplan tevens bevoegd gezag is voor de verlening van de vergunningen: de Minister van EL&I (of andere minister) kan als bevoegd gezag voor een bepaald beheerplan geen beleidsregels vaststellen voor de vergunningverlening door provincies, en het omgekeerde kan ook niet. In veel gevallen zijn de Minister van EL&I en de provincie gezamenlijk bevoegd voor vaststelling van het beheerplan; dan is er dus geen bevoegdheidsprobleem. Uiteraard kunnen de beleidsregels voor vergunningverlening desgewenst ook buiten het beheerplan, separaat door het bevoegde gezag voor de vergunningverlening worden vastgesteld. Om zeker te stellen dat het vergunningbeleid aansluit bij de in het beheerplan vastgelegde uitgangspunten en doelen, kunnen beide bevoegde gezagen op voorhand over de inhoud van die beleidsregels overeenstemming bereiken, bijvoorbeeld in een bestuursovereenkomst. In het beheerplan wordt dan volstaan met het voorgenomen beleid op hoofdlijnen te beschrijven, bijvoorbeeld in termen van gebruikmaking van een salderingssysteem en het toepassen van technieken met een verdergaande reductie dan is vereist op grond van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. Aangezien het beheerplan in beginsel voor zes jaar wordt vastgesteld, kan het met het oog op de flexibiliteit sowieso verstandiger zijn om de precieze beleidsregels in alle gevallen separaat vast te stellen, zodat het beleid tijdig kan worden bijgesteld als jurisprudentie of nieuwe ontwikkelingen daartoe nopen. Op een wijziging van het beheerplan is namelijk de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing; dat geldt niet voor een wijziging van de beleidsregel. Hoe en waar de beleidsregels ook worden vastgelegd, het opstellen van beleidsregels over de gevallen waarin en de voorwaarden en beperkingen waaronder vergunningen voor belangrijke en op grotere schaal voorkomende activiteiten worden verleend tegelijk met het opstellen van het beheerplan is zonder meer wenselijk, om een goede operationalisering van de instandhoudingsdoelstellingen zoals deze in het beheerplan zijn uitgewerkt te verzekeren. Dat geldt bijvoorbeeld voor het aspect van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats bij uitbreiding of nieuwvestiging van veehouderijbedrijven. Als er een goede ecologische onderbouwing van de beleidsregel in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen is, dan behoeft vervolgens de individuele vergunningverlening voor zover die overeenkomstig de beleidsregel geschiedt geen uitvoerige onderbouwing meer: er kan goeddeels verwezen worden naar de beleidsregel. Dat scheelt aanzienlijke lasten voor vergunningaanvrager en vergunningverlener. Afwijking van de beleidsregel kan alleen in bijzondere gevallen: het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 AWB). Een dergelijke afwijking moet goed worden gemotiveerd. Een beleidsregel waarin vast beleid voor de vergunningverlening is verankerd kan worden aangemerkt als een plan waarvoor ingeval van potentieel significant negatieve effecten een passende beoordeling is vereist op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 19j van de Natuurbeschermingswet Als deze passende beoordeling voldoende is toegespitst op de gevolgen van individuele projecten die 113

115 overeenkomstig de beleidsregel worden vergund, kan daarop bij de individuele vergunningverlening worden teruggegrepen Beleidsplan/uitvoeringsprogramma Voor zover het beheerplan instandhoudingsmaatregelen beschrijft die los staan van de vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en die evenmin als concretisering van de zorgplichtbepaling kunnen worden beschouwd, heeft het buiten de functie van afwegingskader geen onmiddellijke juridische doorwerking. Het is niet meer en niet minder dan de weerslag van het op uitvoering gerichte beleid dat het bevoegd gezag dat het beheerplan heeft vastgesteld voor het betrokken gebied wenselijk acht en waaraan dat gezag zichzelf zal houden. In dat opzicht is het beheerplan enigszins vergelijkbaar met de structuurvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Het in het beheerplan omschreven beleid / uitvoeringsprogramma moet via andere instrumenten worden gerealiseerd en kan niet zonder meer met een beroep op het beheerplan worden afgedwongen. Voor zover andere bevoegde gezagen bevoegd zijn ten aanzien van die instrumenten zal derhalve de medewerking van die gezagen moeten worden verkregen Verzekering doorwerking Als andere bevoegde gezagen aan de lat staan voor het nemen van maatregelen die niet via het vergunningstelsel kunnen worden afgedwongen, geen uitvloeisel zijn van de zorgplichtbepaling en evenmin op grond van artikel 21 kunnen worden opgelegd (e.e.a. omdat geen sprake is van potentieel schadelijk handelen in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen, het aangrijpingspunt van de Natuurbeschermingswet 1998), dan wil dat niet zeggen dat het gezag dat het beheerplan vaststelt (provincie, soms het Rijk) met lege handen staat. Hierna wordt hier nader op ingegaan Via overeenstemming en bestuursovereenkomst Uitgangspunt is uiteraard dat alle bevoegde gezagen zodanig goed betrokken zijn bij het beheerplanproces en zich zodanig gecommitteerd voelen aan de inhoud daarvan, dat zij van harte meewerken aan de realisatie van het plan. Zonodig kan de overeenstemming die bestaat tussen partijen worden neergeslagen in een bestuursovereenkomst waarin de afspraken over de inzet van de verschillende partijen worden vastgelegd Via dwangmiddelen Met name waar het gaat om de planologische bescherming hebben provincie en Rijk op grond van de Wet ruimtelijke ordening ook wettelijke interventiemogelijkheden. Van belang is in het bijzonder de mogelijkheid om in te grijpen in de gemeentelijke bevoegdheid om een bestemmingsplan vast te stellen, door vaststelling van een provinciaal of rijksinpassingsplan. Daarin kan nauwkeurig worden bepaald welke functies aan het gebied toekomen en waar bijvoorbeeld bepaalde bedrijvigheid in welke omvang (bouwblokken) is toegestaan. De inzet van een inpassingsplan zou overigens ook met de betrokken gemeenten in en rond het Natura 2000-gebied kunnen worden afgesproken: het kan doelmatiger zijn om één inpassingsplan vast te stellen, waarmee in een later stadium de bestemmingsplannen in overeenstemming moeten worden gebracht, dan dat elke individuele gemeente zelf de bestemmingsplanprocedure in moet zetten. Verder valt waar provincies bevoegd gezag voor het beheerplan zijn of zich committeren aan de uitvoering daarvan te denken aan de instrumenten van de landinrichting overeenkomstig de Wet inrichting landelijk gebied of reconstructie overeenkomstig de Reconstructiewet concentratiegebieden. Instrumenten als wettelijke herverkaveling gekoppeld aan een inrichtings- of reconstructieplan ondersteunen de gewenste inrichting van het gebied waar het gaat om gebruik voor natuur, recreatie, landbouw en andere doelstellingen. Daarbij kunnen bestaande eigendomssituaties worden doorbroken. Het bevoegd gezag voor landinrichting en reconstructie is de provincie. Handelingen die contrair zijn aan het inrichtingsplan of reconstructieplan zijn verboden. Reconstructieplannen werken ook door in bestemmingsplannen, als voorbereidingsbesluit. Tot slot zijn er de generieke instrumenten van interbestuurlijk toezicht als neergelegd in de Provinciewet en de Gemeentewet. 114

116 3.5.7 Draagvlak Uiteraard is het, ongeacht de juridische status van het beheerplan, van belang dat er voor de uitvoering van het beheer van de Natura-2000-gebieden draagvlak bestaat. Een beheerplan wordt daarom opgesteld in goed overleg met eigenaren en gebruikers en andere overheden (artikel 19a, eerste lid, van de wet). Met het oog op inspraak door andere belanghebbenden wordt bovendien bij de totstandkoming van een beheerplan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen (artikel 19a, vierde lid, van de wet). Het proces dat wordt doorlopen moet ervoor zorgdragen dat er draagvlak bestaat voor de maatregelen uit het beheerplan. Het draagvlak wordt bovendien bevorderd door de inzet van de financiële middelen van het investeringsbudget landelijk gebied voor verwerving, inrichting en subsidiëring van beheer en andere financiële middelen voor flankerend beleid. 3.6 Juridische houdbaarheid Onderbouwing Met de beheerplannen wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en artikel 19a van de wet. Voor de juridische houdbaarheid van de beheerplannen is in het bijzonder de onderbouwing van groot belang. Waar het gaat om de verplichtingen van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn, is van belang dat goed wordt onderbouwd dat met het samenhangende pakket van maatregelen als beschreven in het beheerplan: 1. de instandhoudingsdoelstellingen voor het betrokken Natura 2000-gebied worden gerealiseerd en 2. verslechtering van de kwaliteit van de betrokken natuurlijke habitats en habitats van soorten en significante verstoring van soorten waarvoor het gebied is aangewezen worden voorkomen. De in het gebied te leveren inspanning zal qua omvang en tijdspanne gezien de gemeenschapstrouw (artikel 10 EG) reëel moeten zijn. Wat reëel is, wordt bepaald door het ecologisch potentieel van het betrokken gebied, dat zo goed mogelijk moet worden benut, maar ook door de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en door regionale en lokale bijzonderheden (artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn). Een belangrijk deel van de onderbouwing zal ecologisch van aard zijn. Als in het beheerplan projecten met mogelijk significant negatieve gevolgen worden opgenomen, is zoals in het voorgaande is aangegeven voor dat onderdeel van het beheerplan een passende beoordeling van de effecten op basis van de best beschikbare gegevens vereist (artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn). Ook hier gaat het vooral om een ecologische beoordeling. Voor de juridische houdbaarheid van het beheerplan op dit punt is essentieel, dat het project alleen wordt toegestaan als op basis van de passende beoordeling zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden geoordeeld dat geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken.12 Het verdient aanbeveling eenzelfde benadering te volgen voor in het beheerplan op te nemen bestaand gebruik met potentieel significant negatieve gevolgen. De verwachting is dat de onderbouwing van het toestaan van bestaand gebruik gemakkelijker zal zijn te leveren dan voor toekomstige projecten, al is dat laatste niet onmogelijk. Het vereist dat de projecten en de omstandigheden waarin zij zullen worden uitgevoerd voldoende zijn geconcretiseerd om een adequate beoordeling van hun ecologische effecten te kunnen uitvoeren. Overigens is duidelijk dat bij omvangrijke projecten in zeer gevoelige gebieden als de Waddenzee vereiste wetenschappelijk zekerheid moeilijker zal zijn te verkrijgen dan bij kleine projecten in minder kwetsbare gebieden Onzekerheden De onderbouwing mag, ook al wordt bij de toepassing van de artikelen 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn uitgegaan van het voorzorgsbeginsel, tot op zekere hoogte wel onzekerheden kennen. Deze onzekerheid moet zeker bij de passende beoordeling wel zoveel mogelijk zijn gereduceerd. De resterende onzekerheid moet worden benoemd en gekwantificeerd en er moet een wetenschappelijke inschatting worden gemaakt hoe groot het risico van deze onzekerheid is, 115

117 uitgaande van een worst case-scenario. Illustratief voor de wijze waarop de Raad van State met het voorzorgsbeginsel omgaat is de uitspraak over het Waddengas. In die kwestie had uitvoerig en herhaald onderzoek plaatsgevonden, waardoor de onzekerheden en risicomarges steeds verder waren verkleind, zodanig dat het bevoegde gezag zich op het standpunt kon stellen dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de gaswinning geen schadelijke gevolgen heeft voor de Waddenzee. In die zaak was ook niet onbelangrijk dat was voorzien in continue monitoring en dat onmiddellijk (en met onmiddellijk effect) kon worden ingegrepen, indien er onverhoopt toch schadelijke gevolgen voor de kwalificerende natuurwaarden van de Waddenzee zouden dreigen te ontstaan (hand-aan-de-kraan principe) Andere aspecten Behalve de onderbouwing zijn uiteraard ook andere aspecten van belang voor de juridische houdbaarheid van beheerplannen en de daarin opgenomen maatregelen, zoals de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, het rechtsgelijkheidsbeginsel en andere algemene rechtsbeginselen. Het is belangrijk om in de motivering van gemaakte keuzen hieraan aandacht te besteden. Voorts mogen plannen en maatregelen (ook overigens) niet in strijd komen met nationale en Europese wetgeving en internationale verdragen Beroep tegen beheerplan Tegen een besluit tot vaststelling van een beheerplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, althans voor zover het beheerplan besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht bevat die op rechtsgevolg zijn gericht. Het gaat dan in het bijzonder om de quasi vrijstelling van de vergunningplicht en daarbij aan de orde zijn voorwaarden en beperkingen. Is het beheerplan na verloop van de beroepstermijn en afhandeling van de beroepsprocedures onherroepelijk geworden, dan staan de in het beheerplan opgenomen quasi vrijstellingen van de vergunningplicht gedurende de beheerplanperiode in rechte vast. Voor zover er geen beroep tegen het beheerplan bij de bestuursrechter mogelijk is, is onder omstandigheden bij een vermeende onrechtmatige overheidsdaad ook een beroep op de burgerlijke rechter denkbaar. 3.7 Calamiteiten In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is opgenomen dat lidstaten alle passende maatregelen moeten treffen om er voor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen verstorende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. Op grond van de richtsnoeren van de Europese Commissie moet artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn zo worden uitgelegd dat de verplichting niet alleen van toepassing is op voorgenomen activiteiten. Ook gebeurtenissen die zich voordoen, zoals een overstroming, brand etc., vallen onder de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, voor zover deze gebeurtenissen voorspelbaar zijn. Artikel 6, tweede lid, is gericht tot de lidstaat. Ingeval van een calamiteit is de overheid daardoor gehouden om al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen verstorende factoren optreden voor soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Bij calamiteiten blijft het zorgen voor de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid natuurlijk voorop staan. Naast de hiervoor genoemde verplichting van de overheid, zijn burgers en bedrijven gebonden aan de zorgplicht van artikel 19l van de Natuurbeschermingswet Indien iemand weet of redelijkerwijs weet dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurwaarden waarvoor het gebied is aangewezen, is hij verplicht deze handelingen achterwege te laten dan wel alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te voorkomen. Burgers en bedrijven zullen er op grond van de algemene zorgplicht voor moeten zorgen dat hun handelen geen nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurwaarden. In de praktijk betekent dit dat bedrijven bijvoorbeeld 116

118 voor goed onderhoud van hun fabriek moeten zorgen om zo de kans op een calamiteit te verminderen. In diverse wetten zijn regelingen opgenomen over hoe gehandeld moet worden ingeval zich een ongewoon voorval voordoet. Vaak is de verplichting uit de wettelijke regeling ook nog eens opgenomen in vergunningvoorschriften. De regeling zoals die is beschreven in wet en vergunning komt er grofweg op neer, dat ingeval een ongewoon voorval zich voordoet, dit zo snel mogelijk ongedaan dient te worden gemaakt, dat schade zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat er melding gemaakt wordt van het ongewone voorval bij het bevoegd gezag. Op deze manier wordt ook met calamiteiten omgaan bij het toetsen van activiteiten aan de Natuurbeschermingswet. Een calamiteitenplan van een bedrijf kan niet worden aangemerkt als plan in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998 aangezien het niet gaat om een plan van de overheid. Bovendien is het geen activiteit, omdat een calamiteitenplan aangeeft wat er moet gebeuren in het geval van een calamiteit. Het plan op zich grijpt daardoor niet in in het natuurlijke landschap of milieu, dat doet de calamiteit of de maatregelen die concreet worden ingezet als een calamiteit zich voordoet. Dit leidt tot de conclusie dat er geen habitattoets vereist is voor calamiteitenplannen. In het beheerplan wordt bestaand gebruik meegenomen, alsmede toekomstige ontwikkelingen waarvan redelijkerwijs zeker is dat ze zich zullen realiseren. Ongewone voorvallen, waaronder calamiteiten begrepen worden, zijn naar hun aard niet te voorzien en kunnen daarom niet in het beheerplan worden beschreven. Het voegt ook niets toe om algemene voorwaarden op te nemen hoe gehandeld moet worden bij calamiteiten. Dat is immers elders al geregeld in regelingen en vergunningen. Bovendien bestaat het risico dat de beschrijving in het beheerplan net afwijkt van de beschrijving zoals die is opgenomen in een van de vele andere regelingen en vergunningen, waardoor onduidelijkheid (en rechtsonzekerheid) ontstaat. (Zie bijlage 18). 3.8 Omgang met evenementen De notitie Omgang met evenementen geeft in hoofdlijnen aan hoe (sport)evenementen een plek kunnen krijgen in het beheerplan. Dit is geïllustreerd met een aantal voorbeelden. Daarnaast is aangegeven welke mogelijkheden er zijn als een evenement niet in het beheerplan is opgenomen (bijlage 20). 3.9 Afwegingskader sociaal economische aspecten Bij het opstellen van (ontwerp)beheerplannen is het van belang dat deze kwalitatief goed en volledig zijn. Bovendien moeten de beheerplannen kunnen rekenen op een breed draagvlak. In de Intentieverklaring Beheerplannen Natura 2000 (september 2008), die door betrokken departementen, provincies en maatschappelijke organisaties is ondertekend, zijn de belangrijkste elementen daarvoor geformuleerd. In veel (concept-)beheerplannen is de sociaal-economische toetsing van de maatregelen niet, of onvoldoende meegenomen. Ook ontbreekt in veel gevallen een duidelijk toetsingskader of set van criteria waaraan toekomstige ontwikkelingen getoetst kunnen worden, zodat er inzicht ontstaat welke ontwikkelingen mogelijk zijn in en rondom een Natura 2000-gebied, en welke niet. Het Regiebureau Natura 2000 heeft het voortouw genomen om tezamen met de bevoegde gezagen en maatschappelijke organisaties een voorstel voor een toetsingskader op te stellen (bijlage 21) Stikstof Op de website staat alle informatie over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), de herstelstratgieën en andere tools, die worden gebruikt. 117

119 3.11 Strategie Water en Natura 2000 In een groot deel van de Natura 2000-beheerplannen speelt water een vitale rol. Bij het opstellen van deze beheerplannen werd duidelijk dat het realiseren van de vereiste watercondities een lastige opgave is, van dezelfde orde als het stikstofvraagstuk. Het Regiebureau heeft in samenwerking met de Voorbereidingsgroep Water en Natuur twee bijeenkomsten georganiseerd; een expertmeeting op 14 april 2010 waarvan de ervaringen en uitkomsten zijn verwerkt in de Strategie Water en Natura Met deze strategie kan de waterparagraaf in de Natura 2000-beheerplannen en de natuurparagraaf in de Waterbeheerplannen worden opgesteld. De strategie is ook van toepassing op de wateropgaven in de TOP-gebieden buiten de Natura 2000 gebieden. De strategie is allereerst bedoeld als ondersteuning voor al diegenen die met deze opgave in de praktijk bezig zijn. De urgentie van de opgave wordt breed gevoeld. Daarop zijn ook de prioritaire acties gericht. De strategie dient ook als antwoord van minister Verburg aan de Tweede Kamer, die op 18 februari 2010 verzocht om onder meer een afwegingskader water op te stellen. Het op orde krijgen van de watercondities is ook essentieel om ecosystemen robuuster te maken voor de gevolgen van klimaatverandering en voor het vlot trekken van de vergunningverlening van stikstofuitstotende activiteiten rond stikstofgevoelige gebieden. De strategie is tijdens het Bestuurlijk Overleg op 11 juni 2010 voorgelegd aan de maatschappelijke organisaties en op 16 juni 2010 geaccordeerd in het Bestuurlijk Overleg met de bevoegde gezagen (bijlage 22). 118

120 4 Deel 4 Wegwijzer naar ander bronnen 4.1 Achtergronden van Natura 2000 in Nederland In 2005 is de Natura 2000 contourennotitie verschenen. Hierin is het Europese kader vertaald naar de Nederlandse situatie. In de contourennotitie worden acht hoofdlijnen onderscheiden voor de formulering van de Natura 2000-doelen (o.a. aansluiten bij bestaand beleid zoals de EHS, haalbare en betaalbare doelen en doelen robuust in de tijd i.v.m. klimaatverandering en natuurlijke dynamiek). Daarnaast komen het principe van strategisch lokaliseren (letten op huidige kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden) en de balans tussen richting geven en richting laten aan bod (doelen sturen op gebiedsbescherming, maar laten ruimte voor invulling op lokaal niveau). In 2006 is het Natura 2000 doelendocument verschenen. Dit document geeft voor alle 162 Natura 2000-gebieden een toelichting op de instandhoudingsdoelstellingen en de daarbij gehanteerde systematiek. Het doelendocument vormt het kader voor de aanwijzingsbesluiten en geeft richting aan de beheerplannen. Bij de opzet van het doelendocument is gewerkt volgens twee proceslijnen: 1. habitattypen en soorten 2. gebieden In de eerste proceslijn is via een aantal stappen toegewerkt naar de formulering van doelen op landelijk niveau; in de tweede proceslijn is toegewerkt naar doelen op gebiedsniveau. Beide proceslijnen zijn in onderstaande figuren weergegeven. Figuur 15 Proceslijn 1: habitattypen en soorten. 119

121 Figuur 6. Proceslijn 2: gebieden. Nederland heeft een verantwoordelijkheid voor 51 habitattypen, 36 soorten en 95 vogelsoorten. Uit proceslijn 1 komt naar voren wat het relatieve belang van deze habitattypen en soorten is, hoe de staat van instandhouding op landelijk niveau is, wat de belangrijkste verbeteropgaven zijn en wat de landelijke doelen zijn. Uit proceslijn 2 komt per Natura 2000-landschap naar voren wat de kernopgaven zijn en worden de kernopgaven aan gebieden gekoppeld. Dit leidt tot globale gebiedsdoelen, die verder zijn uitgewerkt in de Natura 2000 gebiedendocumenten. In een gebiedendocument van een Natura 2000-gebied zijn de volgende onderdelen opgenomen: kenschets, gebiedsbeschrijving, begrenzing, Natura 2000-database, kernopgaven, instandhoudingsdoelstellingen, synopsis en verklarende woordenlijst. De gebiedendocumenten kunnen als voorloper worden beschouwd van de aanwijzingsbesluiten. Een belangrijk achtergronddocument bij het Natura 2000 doelendocument is het Natura 2000 profielendocument. Het profielendocument geeft op landelijk niveau een gedetailleerde beschrijving van alle habitattypen en soorten die in de aanwijzingsbesluiten zijn opgenomen (o.a. verspreiding, relatief belang, definitie habitattypen, ecologische vereisten, staat van instandhouding, bronnen). Het gaat hierbij om objectieve wetenschappelijke informatie op basis waarvan keuzes in het doelendocument en de aanwijzingsbesluiten zijn gemaakt. Het profielendocument is daarnaast van belang voor de aanwijzingsbesluiten en de beheerplannen. De samenhang tussen alle hierboven beschreven onderdelen van het Natura 2000-doelenbouwwerk kan in het onderstaande schema worden samengevat. Naast de verschillende niveaus waarop doelen worden beschreven (landelijk, gebied, beheerplan) kan ook onderscheid worden gemaakt in het juridische spoor (Vogel- en Habitatrichtlijn, Natuurbeschermingswet, gebiedendocument, aanwijzingsbesluit, beheerplan) en het beleidsmatige spoor (doelendocument, profielendocument). Een belangrijk document bij het aanwijzen van de Natura 2000-gebieden is de Nota van Antwoord. Naar aanleiding van de reacties op de eerste tranche aanwijzingsbesluiten heeft de minister dit document opgesteld. Hierin geeft de minister aan hoe zij met de inspraakreacties is omgegaan en ook is op hoofdlijnen beschreven welke uitgangspunten de minister hanteert bij het opstellen van de aanwijzingsbesluiten. 120

122 JURIDISCH BELEID Vogel- en Habitatrichtlijn Natuurbeschermingswet 1998 (streven naar gunstige staat van instandhouding, voorkomen van achteruitgang) Doelendocument Profielendocument (landelijke doelen in algemene termen, kernopgaven, sense of urgency, ecologische vereisten) Gebiedendocument Aanwijzingsbesluit (gebiedsdoelen in algemene termen) Beheerplan (gebiedsdoelen uitgewerkt in tijd, ruimte en omvang) Figuur 17. Proces van juridische en beleidsmatige verankering doeluitwerking. 4.2 Termen om doelen aan te duiden Nederland is een verplichting aangegaan om de soorten en habitattypen uit de Europese richtlijnen landelijk in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Hoe dit hele proces beleidsmatig en juridisch verankerd is te zien figuur 16. De staat van instandhouding wordt op landelijk niveau bepaald en vormt een beleidsdoel (een streven). De definitie van een gunstige staat van instandhouding is bepaald via een door de EU voorgeschreven systematiek. Nederland rapporteert aan de EU ook op landelijk niveau. Om aan deze doelstelling invulling te geven moeten echter maatregelen genomen worden waaronder bijvoorbeeld het aanwijzen van Natura 2000-gebieden. Elk gebied draagt zo voor bepaalde soorten en habitattypen bij aan een deel van de landelijke doelstelling. Hoeveel dat is, is vastgelegd in de instandhoudingsdoelstellingen die gelden op gebiedsniveau. Deze worden uitgewerkt in de beheerplannen en spelen een rol bij de vergunningverlening (regulering van menselijke activiteiten). Het aanwijzen van Natura 2000-gebieden kan in sommige gevallen niet voldoende zijn om een soort/habitattype in een gunstige staat van instandhouding te houden. De Nederlandse overheid moet dan om meer doen om een gunstige staat van instandhouding te bereiken. Hier is veelal al in voorzien via bijvoorbeeld de soortenbescherming, 121

123 de ecologische hoofdstructuur en ander beleid. Hiermee is bij de selectie van gebieden natuurlijk ook rekening gehouden. De instandhoudingsdoelstellingen kennen juridisch gezien geen deadline. De ondergrens is dat er geen verslechtering mag plaatsvinden ten opzichtte van de huidige situatie. Onder verslechtering moet ook worden verstaan het afnemen van perspectief op het op termijn realiseren van de doelstellingen. Beleidsmatig zijn er wel ambities met betrekking tot de termijn waarop doelen gerealiseerd moeten zijn. Vereisten vanuit de Kaderrichtlijn Water geven richting aan het tempo van doelrealisatie. Daarnaast is in het Natura 2000 doelendocument aan bepaalde doelen de kwalificatie sense of urgency toegekend, waarmee impliciet een deadline is gesteld. Met het vaststellen van kernopgaven is een prioritering aangebracht. 4.3 Inhoudelijke documenten De Vogelrichtlijn dateert uit 1979 en heeft als doel de bescherming van alle wilde vogels en hun habitats in Europa. De Habitatrichtlijn is van 1992 en richt zich op de bescherming van zeldzame dieren- en plantensoorten en bijzondere habitats. Beide richtlijnen geven hieraan invulling door het aanwijzen van beschermde gebieden. In Nederland worden de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden gecombineerd aangewezen als Natura 2000-gebieden. In 2003 heeft de Nederlandse regering 141 gebieden aangemeld bij de Europese Commissie in Brussel als speciale beschermingszone (ofwel: habitatrichtlijngebied). In 2009 zijn hier nog 4 gebieden op de Noordzee aan toegevoegd. Eerder waren al vogelrichtlijngebieden aangewezen en gecombineerd komt het totaal aantal Natura gebieden in Nederland hiermee op 166. De procedure om al deze gebieden definitief aan te wijzen moest eind 2010 zijn afgerond, maar per 31 december 2010 zijn 56 gebieden definitief aangewezen. De overige gebieden zullen in 2011 worden aangewezen. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 moet vervolgens binnen 3 jaar een beheerplan zijn opgesteld. Vanuit de Europese Commissie zijn diverse documenten verschenen over de Vogel- en Habitatrichtlijn: - Beheer van Natura 2000-gebieden (2000) => de bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn; - Interpretation Maunual of European Habitats (2007) => de officiële door het Habitat Comité vastgestelde interpretatie van alle habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn; - Atlantic Region, Reference list (2009) => habitattypen en soorten waarvoor de Lidstaten gelegen in de Atlantische regio gebieden dienen aan te wijzen. Deze lijst vormde het uitgangspunt voor de selectie van Habitatrichtlijngebieden en de beoordeling daarvan door de Europese Commissie. - Assessment of plans and projects significantly affecting Natura 2000 sites. Methodological guidance on the provisions of articles 6(3) and (4) of the Habitats Directive (2002); - Assessment, monitoring and reporting under Article 17 of the Habitats Directive: Explanatory notes and guidelines (2006) => beschrijft de wijze waarop uitvoering dient te worden gegeven aan de rapportageverplichting opgenomen in artikel 17 van de Habitatrichtlijn. Het beschrijft onder meer hoe de staat van instandhouding van habitattypen en soorten dient te worden beoordeeld. - Guidance document on article 6(4) of the Habitats Directive. Clarification of the concepts of: alternative solutions, imperative reasons of overriding public interest, compensatory measures, overall coherence, opinion of the Commission (2007); - Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive. Het Ministerie van EL&I heeft een aantal inhoudelijke documenten ontwikkeld die van belang zijn voor Natura 2000: - De Algemene handreiking Natuurbeschermingswet 1998 is een hulpmiddel voor alle bestuursorganen die te maken krijgen met activiteiten in of in de nabijheid van Natura gebieden of een Beschermd Natuurmonument en daarmee met de Natuurbeschermingswet De Handreiking beheerplannen Natura 2000-gebieden is vooral bedoeld voor bestuurders van de bevoegde instanties die een beheerplan moeten vaststellen en voor de opstellers van die beheerplannen. Daarnaast biedt de handreiking ook voor andere belanghebbenden, zoals eigenaren, gebruikers en terreinbeheerders, informatie over de inhoud van een beheerplan en het proces van totstandkoming. 122

124 - De Checklist vergunningverlening geeft een beeld van de stappen die een aanvrager kan verwachten als hij een vergunning aanvraagt in het kader van de Natuurbeschermingswet Op de website staan in de bibliotheek veel rapporten en andere stukken, zoals Factsheet commissie m.e.r., een rapport van Alterra over typische soorten en een literatuurlijst recreatie en natuur. 4.4 Internet De website van het Ministerie van EL&I is een goede ingang om informatie over Natura 2000 te vinden. Via de EL&I website ( is het dossier Natura 2000 te vinden met de volgende informatie: - Databases: - Gebiedendatabase met informatie over Nederlandse natuurgebieden - Habitattypendatabase met beschrijvingen van habitattypes en informatie over het voorkomen en abiotische randvoorwaarden - Soortendatabase met informatie over formele status en biologische informatie - Effectenindicator met informatie over welke activiteiten invloed hebben op welke soorten en habitats - Inhoudelijke documenten, zoals onder paragraaf 4.3 vermeld - Informatie over: het proces, de aanwijzing, de natuurbeschermingswet, de Vogel- en Habitatrichtlijn, beheerplannen, vergunningen, LIFE+, PAS en Kaderrichtlijn Water. - Links: website interbestuurlijk Regiebureau Natura 2000 ( en Natura 2000 in de Nederlandse Noordzee ( De Europese Commissie heeft een eigen startpagina Natuur en Biodiversiteit ( Verder is er een Europese database: de Natura 2000-viewer, een interactieve kaart van alle Natura 2000-gebieden in Europa met veel informatie en zoekmogelijkheden. De Europese website met teksten van de Vogel- en Habitatrichtlijn is Overige websites met informatie over Natura 2000 staat hieronder: - waar bevinden beschermde soorten in Nederland zich - jurisprudentie van de natuurbeschermingswet - tekst Natuurbeschermingswet website van Dienst Landelijk Gebied over de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden waar DLG aan werkt - www,pas.natura2000.nl: informatie over de (voortgang van) Programmatische Aanpak Stikstof 4.5 Communicatiemiddelen Het Regiebureau heeft twee publicaties beschikbaar: - De Wegwijzer Natura 2000 geeft globaal het proces en de processtappen van Natura 2000 weer, inclusief de rol die belanghebbenden daarin hebben. - Om het schrijven van artikelen voor regionale bladen te vergemakkelijken is een Basisartikel Natura 2000 geschreven dat als basis kan dienen voor artikelen in bijvoorbeeld Huis-aan-huis bladen, eventueel aangevuld met regionaal Natura 2000-nieuws. De Europese Commissie heeft verschillende publicaties uitgebracht: - De Europese natuur: ook voor u: algemene brochure over natuur in Europa en de werking van Natura Het behoud van ons natuurlijk erfgoed: algemene brochure over de kwetsbaarheid van ons natuurlijk erfgoed en de rol van Natura 2000 hierbij. - Samenwerken voor de natuur: brochure over de beheersimplicaties van Natura 2000 in de verschillende vormen van landgebruik en een verkenning van de beschikbare opties om in samenwerking met de verschillende belangengroepen Europa s rijke biodiversiteit duurzaam te handhaven. - Ontdek de natuur in Europa: Natura 2000-flyer voor scholen 123

125 - Natura 2000 in de bossfeer Uitdagingen en kansen : document om de rol van bossen en bosbouw in het ecologische netwerk Natura 2000 te verduidelijken, zodat exploitanten en beheerders gemakkelijker met de vereisten van Natura 2000 kunnen omgaan. In de Schrijfwijzer Natura 2000 is de juiste schrijfwijze van allerlei termen te vinden die te maken hebben met Natura

126 5 Bijlagen Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Bijlage 3: Beslisnotitie voortouwnemer... Bijlage 4: Checklist beheerplannen... Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan... Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden... Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden... Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen... Bijlage 9: Toelichting doelformulering getijdenwateren Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie... Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets... Bijlage 12: Mitigatie en Natura 2000 Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland... Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang... Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring... Bijlage 16: Monitoring... Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan... Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer... Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen... Bijlage 20: Omgang met evenementen Bijlage 21: Afwegingskader sociaal economische aspecten... Bijlage 22: Strategie Water en Natura

127 Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura 2000 Partijen: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de staatssecretaris van Defensie de staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat de voorzitter van de Adviescommissie Landelijk Gebied van het Interprovinciaal Overleg, in overleg met de portefeuillehouders Landelijk Gebied van de Provincies de directeur van de vereniging Natuurmonumenten de directeur van Vogelbescherming Nederland de voorzitter van het bestuur van De Landschappen de directeur van de Vereniging voor Waterbedrijven in Nederland de directeur van de Stichting Reinwater de voorzitter van de Nederlandse Wind Energie Associatie de voorzitter van de Regiegroep Recreatie & Toerisme in Natura 2000, namens RECRON, HISWA Vereniging, ANWB, Nederlands Platform voor Waterrecreatie, Koninklijke Sportvisserij Nederland en Koninklijk Horeca Nederland de voorzitter van het Netwerk Groene Bureaus de voorzitter van MKB-Nederland de voorzitter van het VNO-NCW de directeur van de Stichting Beheer en Natuur Landelijk Gebied de voorzitter van LTO Nederland de directeur van Staatsbosbeheer de directeur van de Federatie Particulier Grondbezit de algemeen directeur van NOC*NSF de directeur van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging Overwegende dat: het een maatschappelijk belang is de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen; het een maatschappelijk belang is in de beheerplannen (voor de rijkswateren het BPRW) zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over het medegebruik en bestaand gebruik in en nabij de Natura 2000-gebieden; het van belang is goede procedurele afspraken te maken over de betrokkenheid bij de totstandkoming van beheerplannen voor Natura 2000-gebieden; de vaststelling van de beheerplannen geschiedt na overleg met de eigenaren, gebruikers, andere belanghebbenden en de besturen van gemeenten en waterschappen; meerdere overheden samen bevoegd kunnen zijn een beheerplan vast te stellen. Spreken de intentie uit om: zich vanuit eigen verantwoordelijkheid in te zetten bij het opstellen van de beheerplannen waarbij de volgende doelen worden gesteld: 1. Het verkrijgen van representatieve participatie bij het opstellen van de Natura-2000 beheerplannen, zodat alle belangen goed kunnen worden afgewogen. 2. Het vergroten van het collectieve draagvlak voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in het kader van de beheerplannen, en aandacht voor sociaaleconomische en culturele activiteiten. 3. Het verkrijgen van maximale duidelijkheid op welke termijn, hoe en door wie de instandhoudingsdoelen verwezenlijkt worden. 4. Het verkrijgen van maximale duidelijkheid van de gevolgen van de Natura-2000 gebiedsaanwijzingen voor (bestaand) gebruik in en nabij de gebieden. Spreken af te werken aan: 1. een procesarchitectuur op gebiedsniveau, gebaseerd op een transparante werkwijze, die borgt dat alle relevante belangen voldoende worden meegewogen; 2. een open planproces op gebiedsniveau dat alle partijen stimuleert hun bijdrage aan de uitvoering van de Natura 2000 te maximaliseren en dat de samenwerking tussen partijen bevordert; 126

128 3. gebiedsgerichte planvorming met de (ontwerp) aanwijzingsbesluiten als uitgangspunt en als resultaat een breed gedragen maatregelenpakket; 4. de tijdige totstandkoming van beheerplannen. Hiertoe maken partijen procesafspraken die in de bijlage I van de intentieverklaring zijn opgenomen. Ondertekening door partijen laat onverlet de wettelijke rechten van ondertekenende partijen en de bij hun aangesloten leden. Bijlage bij Intentieverklaring De partijen werken samen aan het opstellen van de beheerplannen. Zij spannen zich in om alle belanghebbenden zo goed mogelijk te betrekken bij het opstellen van de beheerplannen (voor de rijkswateren het BPRW). De wettelijke verantwoordelijkheid voor het opstellen en het vaststellen van de beheerplannen ligt bij het bevoegd gezag, dat onder regie van de voortouwnemer de beheerplannen voorbereidt. Definities Partijen: alle ondertekenaars van deze intentieverklaring. Bevoegd gezag: het samenwerkende bevoegd gezag voor het vaststellen van een beheerplan: de ministeries van LNV en VenW, Defensie en de provincies. Voortouwnemer: bevoegd gezag dat procesverantwoordelijk is voor het opstellen van een beheerplan. Belanghebbenden: de afzonderlijke belanghebbenden bij het opstellen van een beheerplan. Belangenorganisaties: vertegenwoordigende organisaties die groepen belanghebbenden en/of eigenaren van Natura 2000-gebieden vertegenwoordigen en grote terreinbeherende organisaties. Proces 1. Het bevoegd gezag stelt een planning op voor alle beheerplannen en maakt deze openbaar. 2. Voor elk beheerplan heeft één bevoegd gezag het voortouw. Onder leiding van deze voortouwnemer, die het frontofficie vormt, stelt het bevoegd gezag het beheerplan op. De voortouwnemer is procesverantwoordelijk en organiseert de communicatie met belanghebbenden. Deze voortouwnemer is het aanspreekpunt voor alle belanghebbenden. 3. Elk beheerplanproces doorloopt de volgende stappen: 1). Bevoegd gezag werkt de instandhoudingdoelstellingen uit het (ontwerp) aanwijzingsbesluit in omvang, ruimte en tijd verder uit. 2). Bevoegd gezag beschrijft vervolgens de maatregelen. 3). Daarna toetsen zij dit maatregelenpakket op ecologisch doelbereik en sociaal economische gevolgen. Bij elk van deze drie stappen betrekken zij de belangenorganisaties voor advies. 4). Bevoegd gezag stelt vast of het maatregelenpakket voldoende effectief (haalbaar) en efficiënt (betaalbaar) is en besluit, wanneer dit niet het geval blijkt of een heroverweging noodzakelijk is. Betrokkenheid en samenwerking 1. De voortouwnemers dragen er zorg voor dat belanghebbenden, direct of via belangenorganisaties, inhoudelijk inbreng en advies kunnen leveren. Meestal zal hiertoe een overlegorgaan opgezet worden; de vorm daarvan wordt per gebied door de bevoegde gezagen bepaald. Waar mogelijk wordt aangesloten bij bestaande structuren, bijvoorbeeld een klankbordgroep voor de Kaderrichtlijn Water, een landinrichtingscommissie of een gebiedscommissie. 2. De voortouwnemers dragen er zorg voor dat alle belangenorganisaties op een zelfde niveau vertegenwoordigd zijn. 3. Partijen zorgen voor een structuur van vertegenwoordiging waardoor in een overlegorgaan een zo breed mogelijke maatschappelijk inbreng wordt gerealiseerd. Belangenorganisaties geven vooraf duidelijk aan hoe en door welke achterban zij zijn gemandateerd en hoe zij met de individuele belanghebbenden in de achterban communiceren. 4. De voortouwnemer draagt er zorg voor dat belanghebbenden tijdig de gelegenheid krijgen om inhoudelijke inbreng of advies te leveren. 5. Partijen inventariseren per gebied gezamenlijk de noodzakelijke kennisinbreng over ecologie, gebiedskenmerken, beheer en sociaal- economische activiteiten in en nabij de afzonderlijke Natura-2000 gebieden en maken hierover concrete werkafspraken. 6. Partijen kunnen door de voortouwnemer gevraagd worden om kennis/informatie ter beschikking te stellen voor het opstellen van het beheerplan. Het bevoegd gezag draagt zorg 127

129 voor een transparant proces door gebruikte informatie zo mogelijk op aanvraag aan partijen beschikbaar te stellen. De intentieverklaring is ondertekend door: G. Verburg, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Drs. J. de Vries, Staatssecretaris van Defensie J.C. Huizinga-Heringa, Staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat Drs. P.L.A. Rüpp, Voorzitter Adviescommissie Landelijke Gebied van het Interprovinciaal Overleg Drs. T.J. Wams, Directeur Natuurbeheer Vereniging Natuurmonumenten Ir. A.J.M. Wouters, Directeur Vogelbescherming Nederland Ing. B. Fokkens, Voorzitter van het Bestuur van De Landschappen Drs. Th.J.J Schmitz, Directeur Vereniging voor Waterbedrijven in Nederland Drs. J. van Dijk, Directeur Stichting Reinwater Mr. J. Warners, Voorzitter Nederlandse Wind Energie Associatie Drs. J.J.P.M. Thönissen, Voorzitter Regiegroep Recreatie & Toerisme in Natura 2000 Namens: RECRON, HISWA vereniging, ANWB, Nederlands Platform voor Waterrecreatie, Koninklijke Sportvisserij Nederland en Koninklijk Horeca Nederland Drs. H.W. Waardenburg, Voorzitter Netwerk Groene Bureaus Drs. L.M.L.H.A. Hermans, Voorzitter MKB-Nederland Mr. B.E.M. Wientjes, Voorzitter VNO-NCW Ir. W.G. de Raad, Directeur Stichting Beheer en Natuur Landelijk Gebied A.J. Maat, Voorzitter LTO Nederland P.M. Sangers, Plv. directeur Staatsbosbeheer Ing. G.R. van Woudenberg, Directeur Federatie Particulier Grondbezit Mr. Drs. Th. Fledderus, Algemeen Directeur NOC*NSF Mr. A.G. Dijkhuis, Directeur Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging 128

130 Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet 1998 Intern werkdocument toepassing begrippenkader Nb-wet versie Woord vooraf Voorliggend document is een product van het Steunpunt Natura Het is geschreven door én voor de bevoegde gezagen die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden en/of verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet De doelgroep bestaat uit degenen van het bevoegd gezag die in praktijk het beheerplan voor Natura 2000 (laten) opstellen, en/of vergunning verlenen in het kader van de Natuurbeschermingswet Dit document behandelt een aantal cruciale begrippen uit de Natuurbeschermingswet: bestaand gebruik, significantie, cumulatie en externe werking. Deze begrippen zijn leidend in de uitwerking van verschillende stappen in het Natura 2000-proces: opstellen beheerplannen en verlening van Nb-wet vergunningen. Uitgangspunt bij de toepassing van deze begrippen uit de Natuurbeschermingswet 1998 is dat Nederland niet op slot gaat en dat zoveel mogelijk bestaande activiteiten in en in de omgeving van Natura 2000 gebieden voortgezet kunnen worden. Doel Het doel van het document is eenduidigheid in de toepassing van de begrippen aan te brengen.voor het kunnen lezen en gebruiken van dit document wordt enige kennis van Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet verondersteld geacht. Er wordt dan ook geen uitgebreide inleiding op Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet 1998 gegeven. Het document is uitdrukkelijk bedoeld als praktisch hulpmiddel (werkdocument) voor diegenen voor wie deze materie dagelijkse kost is, en dient als aanvulling op de bestaande Algemene Handreiking Natuurberschermingswet 1998 en de Handreiking Beheerplannen Natura 2000-gebieden. Status Alle begripsomschrijvingen zijn opgesteld met de kennis en ervaringen van dit moment, afgestemd op de jurisprudentie van dit moment. Dit product heeft geen juridische status en moet gelezen worden als een intern werkdocument voor het bevoegd gezag. Betrokken bevoegde gezagen maken in de Regiegroep Natura 2000 de afspraak de begrippen in het kader van Natura 2000-beheerplannen en vergunningverlening Natuurbeschermingswet 1998 tot nadere order te zullen hanteren op de wijze zoals hierna omschreven. Hiermee wordt de eenduidigheid en duidelijkheid van bevoegd gezag naar initiatiefnemers en maatschappelijke organisaties bevorderd. Nieuwe inzichten of nieuwe jurisprudentie kan aanleiding geven tot wijzigingen in dit werkdocument. Indien dit het geval is zal een nieuwe versie van dit document uitgebracht worden, en verspreid via het Steunpunt Natura Vragen, opmerkingen of aanvullingen op dit document kunt u doorgeven aan het Steunpunt Natura Begrip bestaand gebruik 1. Belang van het begrip voor het beheerplan en de vergunningverlening De bestuurlijke insteek is het streven naar zo veel mogelijk ruimte voor continuering van bestaand gebruik binnen de voorwaarden die de instandhoudingsdoelen daaraan stellen. Bevoegde gezagen spreken af hoe zij bestaand gebruik in de beheerplannen zullen behandelen en reguleren. Met het Kokkelvisserijarrest1 is duidelijk geworden dat ook bestaand gebruik vergunningplichtig kan zijn op grond van de Natuurbeschermingswet Hierbij is het van belang om onderscheid te maken tussen het begrip bestaand gebruik en het begrip project (zie bijvoorbeeld de discussie en uitspraak rond de kokkelvisserij). In bijlage 1 is het begrip project nader geduid. Vanaf het moment van de uitspraak van het Europees Hof is er onduidelijkheid over de precieze interpretatie van het begrip bestaand gebruik. In zijn brief van 1 september 2006 heeft de minister van LNV de Tweede Kamer geïnformeerd hoe hij het bestaand gebruik benadert cq. Wil benaderen. Onder meer heeft hij op het punt van bestaand gebruik een wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 aangekondigd. Deze wetswijziging ligt thans ter behandeling bij de Tweede Kamer. Uitgangspunt wordt dat het bestaand 129

131 gebruik niet nu maar pas in de beheerplannen Natura 2000 geregeld/getoetst wordt. Bestaand gebruik dat betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura2000-gebied, maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura2000-gebied (art. 19d, lid 3 Natuurbeschermingswet 1998), zal niet gedoogd kunnen worden onder verwijzing naar de brief van de minister van LNV van 1 september In de beheerplannen zal worden aangegeven welke typen activiteiten vallend onder bestaand gebruik na toetsing zonder meer zijn toegestaan, welke typen activiteiten na toetsing onder voorwaarden kunnen worden voortgezet en voor welke typen activiteiten een vergunning nodig is. Voor bestaand gebruik dat al dan niet onder voorwaarden volgens het beheerplan kan worden voortgezet is geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig. Het is de bedoeling dat het bestaand gebruik grotendeels vergunningvrij (voor zover verantwoord) kan worden voortgezet na het opstellen van de beheerplannen, door het daarin op te nemen. Voordeel is dat dit zo min mogelijk onrust geeft bij de huidige gebruikers. Mogelijk risico van het zoveel mogelijk regelen in het beheerplan is dat dit extra reactie kan opleveren in het beheerplantraject en extra inspraakreacties op het uiteindelijke beheerplan. Het is echter de verwachting dat in een beperkt aantal gevallen er sprake is van negatieve gevolgen als gevolg van het bestaand gebruik. Dit geldt te meer voor de externe werking van bestaand gebruik, enkele uitzonderingen daargelaten (zoals ammoniakdepositie). 2. Begripsomschrijving bestand gebruik volgens de Natuurbeschermingswet 1998 In artikel 1 van de Natuurbeschermingswet 1998 worden een aantal begrippen nader geduid. Artikel 1, onder n, beschrijft het bestaande gebruik als volgt: n. bestaand gebruik: een activiteit, die al dan niet jaarlijks vergunning behoeft, en op het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument of ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43 bestond en sedertdien onafgebroken heeft plaatsgevonden. 1 Arrest d.d. 7 september 2004 van het Europese Zaak in zaak C-127/02. Bij de Tweede Kamer is een voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 ingediend (Kamerstukken II 2006/07, , nr. 2) dat onder meer voorziet in de wijziging van onderdeel n van artikel 1. Het voorstel is dit onderdeel als volgt te wijzigen: n. bestaande gebruik: 1. iedere handeling die op 1 oktober 2005 werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd, en; 2. iedere handeling die na oktober 2005 is aangevangen en werd verricht op het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument, op het moment van aanwijzing van een gebied ter uitvoering van artikel 4 van richtlijn 79/409/EEG of op het moment van aanmelding van een gebied bij de Europese Commissie ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG en die sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd. Als peildatum in het wetsvoorstel bestaand gebruik (ingediend mei 2007) wordt dus gekozen voor 1 oktober 2005, deze datum geldt ook voor de beschermde natuurmonumenten. Dit wetsvoorstel is echter nog niet aangenomen. Op grond van de huidige Natuurbeschermingswet (en jurisprudentie) wordt uitgegaan van het moment van aanwijzing. Voor zolang de wijziging van het wetsvoorstel nog niet is aangenomen, geldt voor de Vogelrichtlijngebieden die al waren aangewezen de oude aanwijzingsdatum. In bijlage 2 is het onderdeel definitie bestaand gebruik opgenomen uit de Memorie van toelichting behorend bij het voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet Hoewel er in de wet een begripsbepaling van het bestaande gebruik is opgenomen, moet geconstateerd worden dat hiermee nog niet volstrekt duidelijk is welke activiteiten vallend onder bestaand gebruik nu wel en welke niet getoetst moeten worden. Door díe activiteiten te beschrijven en te toetsen waarvan redelijkerwijs (bijvoorbeeld op basis van onderzoeksgegevens of expert judgement) aangenomen kan worden dat ze van invloed zijn op de wettelijk beschermde waarden van een gebied, wordt maximale duidelijkheid geboden. 3. Toepassing van het begrip bestaand gebruik Om bestaand gebruik als niet vergunningplichtig in het beheerplan op te nemen, moet een nhoudelijke toets aan de naar ruimte en tijd uitgewerkte instandhoudingsdoelstellingen hebben plaats gevonden. Naast de instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten dient hierbij ook rekening 130

132 gehouden te worden met de verbrede doelstellingen vanuit de oude natuurmonumenten. In een beheerplan mogen activiteiten behorend tot het bestaande gebruik die voldoen aan de volgende voorwaarde, niet vergunningplichtig verklaard worden onder de Natuurbeschermingswet 1998: van de activiteiten behorend tot het bestaande gebruik is toetsbaar dat zij, gedurende de looptijd van het beheerplan, niet de kwaliteit van habitattypen kunnen verslechteren of soorten significant kunnen verstoren, al dan niet na toepassing van mitigerende maatregelen Het kan zijn dat een activiteit alleen in combinatie met algemene mitigerende maatregelen geen schade toebrengt aan de instandhoudingsdoelstellingen. In dat geval moeten ook de mitigerende maatregelen in het beheerplan worden opgenomen. Hierbij moet bedacht worden dat een beheerplan geen dwingende maatregelen of voorwaarden aan derden kan opleggen. Gegarandeerd moet worden dat deze mitigerende maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door vastlegging middels een overeenkomst, een verordening of via andere plannen. Hiermee rekening houdend kan bestaand gebruik grofweg in de volgende vier categorieën worden ingedeeld: 1. In beheerplan zonder voorwaarden: dit betreft bestaande activiteiten waarvan wordt aangenomen dat ze geen negatieve effecten hebben op instandhoudingsdoelstellingen. Deze activiteiten kunnen in het beheerplan worden opgenomen. 2. In beheerplan met voorwaarden (mitigatie): Dit zijn bestaande activiteiten die leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de aangewezen habitattypen of de natuurlijke habitats van de aangewezen soorten, of een storende factor zijn voor de soorten waarvoor de Natura gebieden zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. Een verslechtering of verstoring kan worden gemitigeerd indien het activiteiten betreft die aan algemene voorwaarden kunnen worden verbonden (zoals tijdelijkheid, ruimtelijke zonering, seizoensperiode, vermindering intensiteit en dergelijke) waardoor deze activiteiten niet structureel zullen en kunnen inwerken op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Voorbeelden van categorie 1 en 2 zijn: a. beheer en onderhoudsactiviteiten ten behoeve van een instandhoudingsdoelstel, voor zover ze geen andere instandhoudingsdoelstelling negatief beinvloeden; b. activiteiten die met tussenpozen herhaald worden, waarvan vaststaat dat ze geen verslechterende of significant verstorende effecten hebben, ook als dat niet steeds op dezelfde wijze of locatie gebeurt, al dan niet met mitigatie; b. losse activiteiten, waarvan vaststaat dat ze geen verslechterende of significant verstorende werking hebben, al dan niet met mitigatie; c. ontwikkelingsruimte voor activiteiten gedurende de looptijd van het beheerplan (is groei nog mogelijk van het omschreven bestaande gebruik en zo ja, in welke mate, vergelijkbaar met geluidsruimte ) 3. Niet in beheerplan maar vergunningplichtig: Idem als 2 echter het betreft bestaande activiteiten waarbij negatieve effecten niet gemitigeerd kunnen worden. Dit is aan de orde wanneer in het voorbereidingsproces blijkt dat het gebruik niet in het beheerplan past, omdat het niet mogelijk is met algemene regels voorwaarden te formuleren voor voortzetting van het bestaand gebruik. Dat gebruik wordt dan buiten het beheerplan gehouden en kan alleen via een afzonderlijke vergunningprocedure alsnog onder voorwaarden (mitigatie) worden toegestaan. Het kan hierbij gaan om de volgende type acitiviteiten: a. activiteiten die mogelijk realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen of soorten) belemmeren ook na uitvoering van algemene mitigerende maatregelen; b. activiteiten die mogelijk de oorzaak zijn van achteruitgang van soorten of habitattypen in het verleden (dus ondanks dat de activiteit al plaatsvindt in het gebied, bijvoorbeeld mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee); c. uitbreiding of intensivering van bestaand gebruik groter dan de aangegeven ontwikkelingsruimte (of als er geen ontwikkelingsruimte is vastgesteld). 4. Niet in beheerplan en ook geen vergunning: tot deze groep behoren activiteiten waarvan de significante negatieve effecten vanwege bijzondere omstandigheden niet met algemene of bijzondere voorwaarden in een afzonderlijke vergunningprocedure zijn op te heffen. Deze activiteit zal in zo n (uitzonderlijk) geval niet kunnen worden voortgezet. 4. Aandachtspunten bij de toepassing van het begrip bestaand gebruik Vanuit de werksessies, die er op de door het Steunpunt Natura2000 georganiseerde bijeenkomst op 24 april jl. hebben plaats gevonden, zijn de volgende aandachtspunten naar voren gebracht: 1. Beschrijf het bestaande gebruik zo goed mogelijk naar omvang, ruimte en intensiteit 131

133 2. Beschrijf niet alleen reguliere (onderhouds)werken, maar zo mogelijk ook periodieke (onderhouds)werken (bijvoorbeeld zandsuppleties); 3. Toets het geïnventariseerde bestaande gebruik op zijn compleetheid en volledigheid door dit voor te leggen aan relevante (maatschappelijke) partijen en organisaties; 4. Borg de toetsing van het bestaande gebruik aan de instandhoudingsdoelstellingen en verbrede doelstellingen door deze voor te leggen aan relevante (maatschappelijke) partijen en organisaties; 5. Besteed in de voorlichting aandacht aan het belang dat een eigenaar/gebruiker kan hebben bij het opnemen van zijn bestaande gebruik in het beheerplan; 6. Neem, voor zover mogelijk, ontwikkelingsruimte voor bestaand gebruik mee bij de toetsing; 7. Monitor bestaand gebruik voor zover autonome ontwikkelingen niet stuurbaar zijn (bijvoorbeeld toename gebruik toeristisch-recreatieve infrastructuur) zodat op basis van (tussentijdse) evaluatie eventueel bijstelling kan plaats vinden; 8. Beperking van toegankelijkheid van gebieden als mitigerende maatregel vindt plaats middels een toegangsbeperkingsbesluit ex artikel 20 Natuurbeschermingswet Begrip Significantie 5. Belang van het begrip voor beheerplan en vergunningverlening Significant is een Europeesrechtelijk begrip dat is ontleend aan de Habitatrichtlijn. De nationale wetgever heeft maar beperkt ruimte voor nadere invulling of verduidelijking. Nederland kan dus niet zelf het begrip invullen. Echter, een belangrijk uitgangspunt voor Nederland bij het hanteren van het begrip significant is dat Nederland niet op slot gaat. Het uitgangspunt is duidelijkheid bieden, maar met voldoende ruimte voor een nadere (gebiedsspecifieke) invulling. Er moet hierbij worden benadrukt dat, hoewel vergaande algemene kaders duidelijkheid kunnen bieden, deze er ook toe kunnen leiden dat heel stringente keuzes gemaakt moeten worden om juridische risico s te voorkomen. Bij minder vergaande algemene kaders blijft er wellicht een bepaalde mate van onzekerheid bestaan, maar dat geeft aan de andere kant meer ruimte voor maatwerk op lokaal niveau. Niet onnodig streng zijn vraagt dus acceptatie van een zekere mate van onduidelijkheid rond de invulling van het begrip significant. De Leidraad van de Europese Commissie en jurisprudentie hebben al iets meer duidelijkheid verschaft. De toepassing in de praktijk en nieuwe jurisprudentie zullen de komende jaren steeds duidelijker maken hoe het begrip geïnterpreteerd moet worden. In de beoordeling van effecten op hun significantie staat de context centraal: hoe gaat het met een soort/habitattype, wat zijn natuurlijke fluctuaties, wat is de draagkracht van het milieu om deze soort/habitattype in stand te houden, wat zijn de doelstellingen (behoud/uitbreiding/verbetering). Binnen deze context is het mogelijk om ontwikkelingsruimte en mogelijkheden te bepalen, en niet elke beïnvloeding als significant te beoordelen. Een voorbeeld waarin deze ontwikkelingsruimte is bepaald is het Toetsingskader Ammoniak. In het beheerplan moeten de (bestaande en nieuwe) activiteiten aangegeven worden die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet belemmeren of zelfs verbeteren. Een activiteit (inclusief bestaand gebruik) kan echter niet zonder vergunning plaatsvinden als deze significant negatieve gevolgen kan hebben. Ook in vergunningaanvragen (voor activiteiten die niet in het beheerplan zijn opgenomen) moet getoetst worden aan het begrip significant. 6. Begripsomschrijving significantie volgens de Natuurbeschermingswet 1998/jurisprudentie In blauw gemarkeerd zijn de te verwachten wetswijzigingen aangegeven. Art. 19f, eerste lid: Voor projecten [...] die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer [...] een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. De genoemde passage moet begrepen worden in het licht van art. 19d, eerste lid: Het is verboden zonder vergunning [...] projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten [...] kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. 132

134 Deze wetsteksten sluiten aan bij de uitspraak over kokkelvisserij van het Europese Hof van Justitie (zaak C-127/02, punt 48 van het arrest d.d. 7 september 2004), waarin is gesteld dat een plan of project dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied. Het begrip kwaliteit zoals genoemd in artikel 19d, eerste lid, is overigens een samenvattend begrip van de verschillende aspecten die in instandhoudingsdoelstellingen zijn vermeld; er vallen dus ook onder omvang en verspreiding. 7. Toepassing van het begrip significantie De term significant is een plaats- en toestandgebonden begrip. Daarom is het slechts ten dele mogelijk daaraan een generiek toepasbare invulling aan te geven. (Er is wel generieke informatie beschikbaar die zeker bij toepassing op gebiedsniveau toegepast moet worden. Hierbij wordt gedoeld op de informatie uit het zogenaamde Profielendocument waarin de Habitattypen en soorten omschreven zijn inclusief ecologische vereisten en typische soorten.) De toetsingscriteria zijn de zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen die bij de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden worden vastgesteld. Voor de beheerplannen moet getoetst worden aan de instandhoudingsdoelstellingen die in de aanwijzingsbesluiten zijn vastgesteld. Voor vergunningverlening in de periode dat de aanwijzingsbesluiten en beheerplannen nog niet definitief zijn zijn er drie situaties te onderscheiden zijn in de toetsing: - Deels vallen de gebieden samen met gebieden die reeds zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn. Op die gebieden moet je toetsen aan de instandhoudingsdoelstellingen van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied. - Deels gaat het om gebieden die tevens zijn aangewezen als beschermd natuurmonument. Via richtlijnconforme intepretatie zijn de bepalingen van de Habitatrichtlijn op deze gebieden van toepassing. In dit geval wordt getoetst of activiteiten significante gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke kenmerken van het gebied, met het oog waarop het gebied op de door de Europese Commissie vastgestelde lijst is geplaatst (Afdeling Bestuursrechtspraak , nr /1). - Gebieden die niet overlappen met andere beschermde natuurgebieden, worden beschermd via rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. Ook hier moet je tot de definitieve aanwijzing toetsen aan de waarden waarvoor het gebied op de lijst met gebieden van communautair belang is geplaatst. Het is echter wel relevant om in alle gevallen ook de meest recente informatie uit de ontwerp aanwijzingsbesluiten te betrekken in de beoordeling van de vergunningaanvraag. De instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten zijn beschreven in de volgende termen: behoud of verbetering van kwaliteit, respectievelijk behoud of uitbreiding van oppervlakte (habitattypen) of behoud/uitbreiding van een populatie (soorten) of behoud/uitbreiding omvang leefgebied (soorten). Bij de soorten kan er ook nog vermeld worden dat de populatie moet bestaan uit ten minste een bepaald aantal volwassen individuen of (broed)paren; zo n getal kan gebruikt worden als richtinggevend bij behoud en bij uitbreiding (richtinggevend aangezien er natuurlijke fluctuaties kunnen bestaan, en het minstens zo belangrijk is goede condities voor een soort of habitattype te realiseren als exacte aantallen). Wanneer er bij uitbreiding geen getal staat (zoals bij de habitattypen) is het uit het Aanwijzingsbesluit niet op te maken wat het doel minimaal of maximaal is. In het beheerplan kan die duidelijkheid vervolgens wél gegeven worden. Voorgesteld wordt de volgende definitie te hanteren: Een significant negatief effect is een wezenlijke verslechtering van de kwaliteit en/of vermindering van de omvang van een habitattype zoals bedoeld in het instandhoudingsdoel ten gevolge van menselijk handelen, afhankelijk van de staat van instandhouding en de trends en natuurlijke fluctuaties in omvang/kwaliteit van habitattypen danwel in populatieomvang van soorten. - Bij de behoudsdoelstellingen betekent de definitie dat er geen wezenlijke vermindering van kwaliteit, oppervlakte, populatie of leefgebied mag plaatsvinden, al dan niet na toepassing van mitigerende maatregelen. Echter, niet elke vermindering is significant: Wat in het ene gebied als significant aangeduid wordt, betekent niet per definitie ook in een ander gebied significant: het verlies van 100 m2 habitat kan significant zijn in het geval van een kleine standplaats van 133

135 zeldzame orchideeën, maar onbeduidend in het geval van een uitgestrekt steppegebied (citaat Handleiding Beheer van Natura 2000-gebieden van de Europese Commissie). Tevens staat in sommige aanwijzingsbesluiten een ten gunste van -omschrijving: enige afname ten gunste van een verbetering van een bepaalde soort of habitat kan geaccepteerd worden. Bij de hersteldoelstellingen betekent de definitie dat de realisatie op termijn van de verbeterings- of uitbreidingsdoelstelling niet in gevaar mag komen. - Bij toepassing van het begrip dient rekening gehouden te worden met trends en natuurlijke fluctuaties. (zie ook 2.4). De indicatoren voor verstoring en verslechtering worden genoemd in de Leidraad van de Europese Commissie (2000): Verslechtering van de kwaliteit van een habitat treedt op wanneer in een bepaald gebied de door dit habitat ingenomen oppervlakte afneemt of wanneer het met de specifieke structuur en functies die voor de instandhouding van het habitat op langere termijn noodzakelijk zijn, dan wel met de staat van instandhouding van de met dit habitat geassocieerde typische soorten, in dalende lijn gaat in vergelijking met de begintoestand. Verstoring van een soort in een gebied treedt op wanneer uit populatiedynamische gegevens betreffende de soort in dat gebied blijkt dat de soort het gevaar loopt, in vergelijking met de begintoestand, niet langer een levensvatbare component van het natuurlijke habitat te zullen blijven. 8. Aandachtspunten bij toepassing van het begrip significant Vanuit de werksessies, die er op de door het Steunpunt Natura2000 georganiseerde bijeenkomst op 24 april jl. hebben plaats gevonden, zijn de volgende aandachtspunten bij toepassing van het begrip naar voren gebracht: 1. Als een vergunning verleend is, maar toch een significant negatief effect optreedt of dreigt op te treden, dan dient het bevoegd gezag de verleende vergunning te herzien. 2. Bij onduidelijkheid over het wel of niet significant zijn van een effect, ondanks het toepassen van de best beschikbare informatie, kan een verplichting aan de initiatiefnemer tot monitoring door het bevoegd gezag een (tijdelijke) oplossing zijn. Als blijkt uit de monitoring dat toch een significant effect dreigt op te treden, dient de verleende vergunning of opname in beheerplan te worden herzien (zie punt 1) Echter ook het voorzorgsbeginsel is van toepassing, zodat deze mogelijkheid met beleid moet worden toegepast. Juridisch minder riskant is het opnemen als vergunningvoorwaarde dat de activiteit moet stoppen dan wel verminderen als uit monitoring blijkt dat een significant effect dreigt op te treden (deze voorwaarde is al opgenomen in de vergunning voor winning van Waddengas). 3. Belangrijke context voor het bepalen of een effect significant is of niet is de natuurlijke fluctuatie.het ligt vanuit een ecologisch oogpunt voor de hand om behoud en uitbreiding zo te interpreteren dat het gaat om behoud respectievelijk uitbreiding ten opzichte van het gemiddelde van de voorafgaande jaren, mits dat gemiddelde is ontstaan als gevolg van natuurlijke fluctuaties en het gemiddelde geen (positieve of negatieve) trend vertoont (tenzij expliciet anders vermeld). Als de ingreep in de ontwikkelingen leidt tot een negatieve afwijking van het langjarig gemiddelde wat in het instandhoudingsdoel is bedoeld, dan moet die ingreep als significant negatief worden aangemerkt. 3. Begrip Cumulatie 3.1 Belang van het begrip voor beheerplan en vergunningverlening Door rekening te houden met cumulatie van effecten wordt beoogd te voorkomen dat een opeenstapeling van op zich kleine effecten uiteindelijk leidt tot significante negatieve effecten. Vaak zijn het juist combinaties van activiteiten die de instandhoudingsdoelstellingen bedreigen (en niet de afzonderlijke activiteiten). Vandaar dat de effecten van activiteiten moeten worden beoordeeld in combinatie met andere projecten of handelingen van bijvoorbeeld reeds plaatsvindende of te verwachten, (nagenoeg) reeds vergunde activiteiten (zgn. cumulatieve effecten). In het beheerplan wordt cumulatie op het beheerplanniveau getoetst, dat wil zeggen dat de som van alle effecten ten gevolge van activiteiten, effecten van al vergund gebruik en voorgenomen maatregelen niet zullen mogen leiden tot een kwaliteitsverslechtering dan wel oppervlakte-afname van habitattypen of de habitats van soorten en of significant storende factoren op deze soorten. 134

136 In de oriëntatiefase (waarin wordt bepaald of een vergunningplicht bestaat, en zo ja, of de vergunningaanvraag via de verstorings- en verslechteringstoets of via een passende beoordeling verloopt), wordt cumulatie altijd bij de beoordeling betrokken (zie blz. 23 Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet). In de vergunningverlening via een Verstorings- en Verslechteringstoets (van toepassing als uit de oriëntatiefase blijkt dat er kans is op een negatief effect, maar zeker geen significant negatief effect) is het bepalen van cumulatieve effecten formeel niet verplicht: zie blz. 27 Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet Bij het bepalen van de effecten en het wel of niet significant zijn, dient echter zekerheid over de effecten te zijn. De vraag is of men daar, ook als de effecten an sich niet significant zijn, wel voldoende zekerheid over kan krijgen als er niet naar de cumulatieve effecten wordt gekeken van het desbetreffende projecten in relatie tot andere projecten. In de vergunningverlening via een Passende Beoordeling (van toepassing als uit de oriëntatiefase blijkt dat er kans is op een significant negatief effect) is het bepalen van cumulatieve effecten als onderdeel van de Passende Beoordeling wel verplicht: zie blz. 29 Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet Begripsomschrijving cumulatie volgens de Natuurbeschermingswet 1998 In blauw gemarkeerd zijn de te verwachten wetswijzigingen aangegeven: Natuurbeschermingswet, Artikel 19f, lid 1... of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben... Voorgesteld wordt de volgende definitie voor het begrip cumulatie te hanteren: De effecten van de voorgestelde eigen activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in combinatie met de effecten van andere activiteiten en plannen. 3.3 Toepassing van het begrip cumulatie De effecten van de volgende typen activiteiten, plannen en projecten dienen in onderlinge cumulatie te worden bezien: - bestaand gebruik. In brede zin, niet alleen volgens de definitie van het op komst zijnde wetsvoorstel (=t.o.v. peildatum van 1 oktober 2005 ongewijzigd bestaand gebruik), maar inclusief het qua omvang of aard van het effect gewijzigd bestaand gebruik en de autonome ontwikkeling van bestaand gebruik. - de vanaf het moment van gebiedsaanwijzing tot nu in een formeel besluit toegestane en uitgevoerde/in uitvoering zijnde projecten (al dan niet met naijleffecten), zoals bijvoorbeeld verleende vergunning, ontheffing, bestemmingsplan of peilbesluit; - andere voorgenomen (indien voorzien is dat het voorgenomen plan of project zal worden vastgesteld) of al door Rijk of Provincie vastgestelde (maar nog niet uitgevoerde) plannen en projecten; - en vanzelfsprekend het eigen voorgenomen project. Effecten van dergelijke activiteiten, plannen en projecten buiten het Natura 2000-gebied dienen ook te worden meegenomen, voor zover er sprake is van externe werking. In het beheerplan geldt dat reeds gerealiseerde positieve effecten mogen worden meegerekend. Voor vergunningverlening geldt dat er op de grondslag van de aanvraag moet worden beslist. Als er positieve effecten zijn die binnen de aanvraag vallen mogen ze worden meegenomen. Voor nieuwe activiteiten zullen alle activiteiten en effecten beoordeeld moeten worden vanuit de vergunningverlening. Momenteel wordt door het Steunpunt gewerkt aan een voorstel voor een cumulatieboekhouding en een cumulatiemethodiek voor vergunningverlening en beheerplannen. Hier dienen de activiteiten ontleed te worden tot verstoringcomponenten, die ieder hun eigen effect hebben op de relevante Natura 2000 natuurlijke kenmerken. Verder zal het Steunpunt worden gevraagd na te gaan of bij de al geplande en openbaar vastgestelde plannen ook alle gemeentelijke plannen meegenomen moeten worden. De angst bestaat dat de administratieve druk hiermee te hoog wordt. Anderzijds pleit dat een belangrijke maatregel in het kader van het beheerplan is dat de vigerende bestemmingen opnieuw worden bezien in het licht van de Natura 2000 doelstellingen. In plaats van consolidatie van de bestaande ruimtelijke ordening zou daarbij sprake kunnen zijn van ontwikkelingsplanologie. Nieuwe bestemmingen die negatieve effecten kunnen hebben moeten niet meer worden toegelaten en bestaande met negatieve effecten op den duur vervangen door bestemmingen die wel aan de doelstellingen bijdragen. 135

137 Vraag is ook hoe autonome ontwikkelingen meegenomen moeten en kunnen worden in de bepaling van cumulatieve effecten, danwel het opsouperen van bepaalde ontwikkelingsruimte. 3.4 Aandachtspunten voor de omgang met het begrip cumulatie Vanuit de werksessies, die er op de door het Steunpunt Natura2000 georganiseerde bijeenkomst op 24 april jl. hebben plaats gevonden, zijn de volgende aandachtspunten naar voren gebracht: 1. Er dient rekening te worden gehouden met onderlinge wisselwerking tussen effecten, zoals onderlinge versterking of juist afzwakking: 1+1 hoeft niet te leiden tot een effect met grootte 2, maar het kan ook 3 zijn of juist anderhalf. 2. Om problemen bij de bestuursrechter te voorkomen, is het verstandig om veel mee te wegen in de cumulatie bij vergunningverlening. 3. Bij vergunningverlening geldt in principe Wie het eerst komt, het eerst maalt. Om dit gevecht om de eerste plek te voorkomen kan het opstellen van een raamplan voor te verwachten projecten zinvol zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een RO structuurvisie. Ook kan gewerkt worden met het bepalen van ontwikkelingsruimte waarbinnen activiteiten nog wel (of niet meer) toegestaan kunnen worden. 4. Bij de Beheerplannen dienen wel alle effecten cumulatief te worden bekeken, ook als deze niet significant zijn. 4. Begrip Externe werking 9. Belang van het begrip voor beheerplannen en vergunningverlening Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt externe werking genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Deze onbegrensdheid geeft maatschappelijk aanleiding tot zorgen en biedt veel ruimte tot interpretaties. Meer eenduidigheid is dan ook gewenst. De ambitie is dat externe werking de bestaande activiteiten zo weinig mogelijk hindert. Bedacht moet worden dat ook de externe werking van het bestaand gebruik getoetst dient te worden, wat plaats vindt bij het opstellen van de beheerplannen. Het begrip bestaand gebruik is hiervoor, in hoofdstuk 1, reeds uitgewerkt. 10. Begripsomschrijving externe werking volgens de Natuurbeschermingswet 1998/ jurisprudentie In de Natuurbeschermingswet 1998 zelf wordt het begrip externe werking als zodanig niet genoemd. In artikel 16, lid 4, wordt gesproken over handelingen die buiten een beschermd natuurmonument kunnen worden verricht. In de memorie van toelichting (TK 28771, nr. 3) wordt het begrip uitgebreider behandeld, waarbij ook een relatie met de artikelen 19d en 19f van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt gelegd: De plannen, projecten of andere handelingen als bedoeld in het voorgestelde artikel 19f, behoeven niet in het betreffende vogel- of habitatrichtlijngebied zelf te worden gerealiseerd. Het kan ook gaan om plannen, projecten of handelingen die elders, buiten het aangewezen vogel- of habitatrichtlijngebied, worden voorzien. Leidend voor het van toepassing zijn van de voorgestelde bepalingen zijn de gevolgen van de uitvoering voor het gebied. Deze zogenoemde externe werking is tot uitdrukking gebracht in het verbod, bedoeld in artikel 19d van het wetsvoorstel. Externe werking geldt ook voor beschermde natuurmonumenten ingevolge artikel 16 van de Natuurbeschermingswet [ ]. Concrete duiding van activiteiten die, verricht buiten de aangewezen vogel- of habitatrichtlijngebieden, negatieve gevolgen voor de natuurwaarden in die gebieden kunnen hebben, zijn niet ten algemene te geven. Dat zal steeds afhangen van zowel de aard van die activiteiten als die van de aard van het betreffende gebied. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient, wanneer een plan of project dat betrekking heeft op een gebied dat niet binnen een beschermd natuurmonument of Natura 2000-gebied is gelegen, maar wel significante gevolgen hiervoor kan hebben, aan een passende beoordeling te worden onderworpen: de zogenaamde externe werking. 136

138 11. Toepassing van het begrip externe werking Bij het hanteren van het begrip externe werking moeten we onderscheid maken tussen de toepassing daarvan in het kader van beheerplannen of in het kader van vergunningverlening. Als het gaat om beheerplannen zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied bepalend voor de begrenzing van de externe werking. Op basis daarvan moet worden aangegeven welke mogelijke externe invloeden van belang zijn voor de doelen van het Natura 2000-gebied. Het gaat daarbij dus concreet om aantoonbaar negatieve invloeden, voortvloeiend uit bestaand gebruik, van buiten het N2000-gebied naar binnen, op de condities voor de instandhoudingsdoelstellingen aldaar. Denk daarbij bijvoorbeeld aan beïnvloeding van de gewenste grond- of oppervlaktewaterkwaliteit of kwantiteit, of verstoring door geluid. De instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd in termen van draagkracht / geschiktheid van een gebied voor een bepaalde waarde. Zoals bij de uitwerking van het begrip bestaand gebruik reeds is aangegeven, is de verwachting dat slechts in een gering aantal gevallen er sprake is van negatieve gevolgen als gevolg van de externe werking van het huidig bestaand gebruik (bijvoorbeeld ammoniakdepositie). Voor het onderwerp vergunningverlening ligt de situatie iets anders. Hierbij kunnen we te maken hebben met de rol die het omringend gebied vervult binnen de levenscyclus van doelsoorten uit het Natura 2000-gebied. Daarbij is te denken aan fourageer-, rust- en pleisterplaatsen voor mobiele soorten, in relatie tot het betreffende Natura 2000-gebied. Voor de vergunningverlening betekent het dat ook voor activiteiten buiten het gebied een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig kan zijn en eventueel ook een passende beoordeling. Bij zowel het opnemen van de externe werking van bestaand gebuik in de beheerplannen als bij de vergunningverlening gaat het bij de toetsing om de vraag wat exact de mogelijke negatieve invloeden van het gebruik of de activiteit kunnen zijn, hoe groot deze invloed is, in hoeverre habitattypen en soorten gevoelig zijn voor deze invloeden en of door mitigerende maatregelen de invloeden beperkt kunnen zijn. Als voorbeeld kan dienen een (bestaande) activiteit met een hoge geluidsproductie in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dat is aangewezen vanwege het voorkomen van een plantensoort. Duidelijk is dat de geluidsproductie wel van negatieve invloed kan zijn op natuurwaarden, maar niet op de betreffende plantensoort. Bij het opstellen van de beheerplannen dient het bevoegd gezag de toets uit te voeren (e.e.a. met achtneming van de door de Regiegroep gemaakte afspraken met betrekking tot de opstelling van beheerplannen), bij vergunningverlening de initiatiefnemer. Om onnodige kosten voor initiatiefnemers te voorkomen zal in het vooroverleg met het bevoegd gezag, door dit bevoegde gezag zoveel mogelijk duidelijkheid rond de reikwijdte van de externe werking worden geboden. Daar waar externe werking naar het oordeel niet aan de orde is, is ook geen nader onderzoek nodig. Vanuit de bevoegde gezagen is het wenselijk nader te bezien of, zoals thans voor het Toetsingskader ammoniak is gedaan, voor bepaalde (bestaande) activiteiten met ander overheden of private partijen bindende afspraken te maken zijn, waarmee naast de ecologische ook een bestuurlijke grens aan de externe werking wordt gegeven. Het Steunpunt wordt gevraagd dit nader uit te werken, waarbij ook de juridische mogelijkheden worden verkend. BIJLAGE 1 bij Begrippenkader Hoe definieren wetgeving en jurisprudentie het projectbegrip? De Natuurbeschermingswet 1998 noch de Vogel- en Habitatrichtlijn geven definities van het projectbegrip uit art. 6 lid 3 HR en art. 19d Natuurbeschermingswet Het document Beheer van Natura 2000-gebieden van de Europese Commissie gebruikt de definitie uit de MER-richtlijn, die het projectbegrip omschrijft als: - de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken; 12. andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. Deze definitie wordt ook in de jurisprudentie gehanteerd. Het HvJEG heeft op basis van deze definitie geoordeeld dat mechanische kokkelvisserij een project is (in het beroemde Kokkelvisserijarrest, C-127/02). De ABRvS heeft op basis van deze definitie geoordeeld dat de voorgenomen voortzetting van het gebruik van de Eder- en Ginkelse Heide door de Luchtmobiele Brigade onder het begrip plan of project uit art. 6 lid 3 HR valt. 137

139 De Algemene handreiking Natuurbeschermingswet 1998 van het ministerie van LNV zegt over het projectbegrip het volgende: Door de ruime uitleg van project valt hier bijna elke handeling onder. Het in de wet gemaakte onderscheid tussen projecten en andere handelingen is daarmee van minder belang: bijvoorbeeld het aanleggen van een weg, het bouwen van een stal of de verwezenlijking van een kartbaan het zijn allemaal handelingen die eveneens een project zijn, omdat het om ingrepen gaat in het natuurlijke milieu of landschap. BIJLAGE 2 bij Begrippenkader Memorie van toelichting behorend bij het voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 Definitie bestaand gebruik Bestaand gebruik is in artikel 1, onderdeel n, opnieuw gedefinieerd (artikel I, onderdeel B). Er is voor gekozen om de peildatum te leggen bij het moment van inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195), 1 oktober Vanaf dat moment wist de initiatiefnemer dat hij een vergunning nodig had om te beginnen met potentieel schadelijke handelingen en projecten, althans had hij dat moeten weten. Wanneer wordt verwezen naar het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument of Natura 2000-gebied, zoals in de huidige wet, rijst de vraag welke van deze momenten doorslaggevend is op het moment dat een gebied eerst was aangewezen als beschermd natuurmonument voordat aanwijzing als Natura 2000-gebied volgde. De formulering en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd in plaats van en sedertdien onafgebroken heeft plaatsgevonden geeft uitdrukking aan het feit dat het ook kan gaan om een activiteit die niet het hele jaar door plaatsvindt maar bijvoorbeeld elk voor- en najaar of éénmaal in de vier jaar. Een wijziging in het gebruik van onbetekenende aard maakt niet dat de handeling niet langer kan worden aangemerkt als bestaand gebruik. Of een wijziging betekenend of onbetekenend is moet worden bepaald in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen. Zo blijft het verbouwen van aardappels in plaats van uien bestaand gebruik. De verkeerstoename op een weg zonder dat de inrichting van de weg wijzigt of er sprake is van een verbreding of andere wijziging (autonome ontwikkeling) is niet aan te merken als een handeling en evenmin als project, en valt dus buiten de reikwijdte van de artikelen 19c en 19d van de Natuurbeschermingswet Op dit moment bestaat er met uitzondering van gebieden in de exclusieve economische zone op de Noordzee geen voornemen om meer of andere gebieden aan te wijzen op grond van artikel 10a dan die waarvan de voorbereidingsprocedure al in gang gezet is dan wel die op de communautaire lijst staan. Het is echter mogelijk dat in de toekomst op basis van wetenschappelijk onderzoek blijkt dat andere gebieden geschikter zijn geworden voor de instandhouding van habitats en soorten en dan zullen die gebieden moeten worden aangewezen. Met betrekking tot die gebieden wordt de peildatum voor het bestaand gebruik gelegd op het moment van aanwijzing, voor zover het gaat om Vogelrichtlijngebieden, of op het moment van aanmelding van het gebied bij de Europese Commissie als het een Habitatrichtlijngebied betreft. Wanneer een gebied zowel kwalificeert onder de Vogelrichtlijn als onder de Habitatrichtlijn is het waarschijnlijk dat het moment van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en het moment van aanmelding als Habitatrichtlijngebied verschilt. In dat geval is het eerste moment waarop duidelijk is dat het gebied bescherming behoeft (aanmelding of aanwijzing) doorslaggevend. Bij verschillende discussies over de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998 is door maatschappelijke organisaties naar voren gebracht dat bestaand gebruik gerelateerd moet worden aan de aanwijzing als beschermd natuurmonument. Het is een misvatting te denken dat de keuze voor een referentiemoment om te bepalen wanneer sprake is van bestaand gebruik van belang is voor de vraag of de Habitatrichtlijn goed wordt nageleefd. Plannen en projecten die significante gevolgen kunnen hebben moeten passend beoordeeld worden voordat toestemming kan worden verleend. In relatie tot overige activiteiten geldt dat passende maatregelen genomen moeten worden om te voorkomen dat er gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een verslechtering van de kwaliteit van habitats of een significante verstoring optreedt. Er is geen enkele reden om de peildatum voor bestaand gebruik bij de aanwijzing van het gebied als vogel- of habitatrichtlijngebied te leggen of bij het moment waarop de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn omgezet had moeten zijn. Al vond Intern werkdocument toepassing begrippenkader Nb-wet versie van

140 een activiteit plaats voordat de Vogelrichtlijn in werking was getreden, als deze aangemerkt moet worden als project dat significante gevolgen kan hebben dan is vergunningverlening via een passende beoordeling verplicht. Het bekende voorbeeld van een activiteit die al jarenlang plaatsvond en toch moest worden aangemerkt als project is de Kokkelvisserij in de Waddenzee. De enige uitzondering hierop is wanneer de vergunning voor het project is aangevraagd vóórdat de Habitatrichtlijn omgezet had moeten zijn in nationaal recht (zie het arrest van het Hof van 23 maart 2006 in de zaak C-209/04). Omgekeerd geldt ook dat een project dat geen significante gevolgen kan hebben nooit passend beoordeeld hoeft te worden, ook al is dat project aangevangen na 1 oktober De bouw van een schuurtje naast een huis in een Natura 2000-gebied moet worden aangemerkt als een project. Het is echter onwaarschijnlijk dat er significante gevolgen verbonden zijn aan de bouw van dat schuurtje. De peildatum is relevant voor de vraag hoe in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vorm gegeven wordt aan de Europeesrechtelijke verplichting om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat handelingen een verslechtering of verstoring veroorzaken: via het beheerplan uit de artikelen 19a en 19b (hoewel in de omzettingstabel bij het wetsvoorstel deze artikelen niet genoemd zijn als omzetting van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kunnen in het beheerplan ook passende maatregelen opgenomen worden), de aanschrijving van artikel 19c, de vergunningplicht van artikel 19d, door de toegang tot het gebied te beperken op grond van artikel 20 of door het nemen van de noodzakelijke maatregelen in het gebied als bedoeld in artikel 21. Alleen bestaand gebruik valt onder de aanschrijvingsbevoegdheid. Handelingen die na 1 oktober 2005 aangevangen zijn vallen onder de vergunningplicht. Het beheerplan is behalve op beheermaatregelen ook primair gericht op bestaand gebruik. De overige instrumenten kunnen zowel voor bestaand gebruik als voor nieuwe handelingen ingezet worden. Zowel voor het antwoord op de vraag of een project significante gevolgen kan hebben als voor het antwoord op de vraag of passende maatregelen genomen moeten worden zijn de instandhoudingsdoelstellingen het referentiekader. 139

141 Bijlage 3: Beslisnotitie voortouwnemer Door Regiegroep Natura 2000 vastgestelde nota d.d. 1 februari Doel Nota Deze nota heeft tot doel u een aantal besluiten voor te leggen over de nadere invulling van de rol en taken van de voortouwnemer in relatie tot rol en taken van de andere bevoegde gezagen bij het opstellen van beheerplannen Natura Deze nadere invulling is een aanvulling op dat wat in de handreiking Beheerplannen Natura 2000 is vastgelegd. Aanleiding Een belangrijke aanleiding is de aanloop naar de opstelling van een beheerplan Natura 2000 voor het Waddengebied, in combinatie met ervaringen in andere pilots. In deze aanloop blijkt dat er nog ruimte is voor interpretatie van de rol en taken van de verschillende bevoegde instanties, en dat er behoefte is aan duidelijker afspraken hierover. De projectgroep Waddengebied heeft haar verkenning voorgelegd aan de voorbereidingsgroep. De voorbereidinggroep Natura 2000 heeft mede op basis hiervan de verschillende opties en standpunten bediscussieerd en is tot een voorstel voor beslispunten gekomen. In deze nota leggen wij u deze beslispunten voor. Ter illustratie van deze beslispunten zijn deze toegepast op de casus Waddengebied. Bevoegd gezag In deze nota wordt met bevoegd gezag bedoeld: het gezag dat op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 bevoegd is tot het vaststellen van een (deel-)beheerplan Natura 2000, te weten LNV, VenW, Defensie, Financiën en de provincies/ipo. Beslispunten 13. De voortouwnemer is de front office voor het beheerplan. De voortouwnemer is hét aanspreekpunt voor het beheerplan voor de buitenwereld. Één aanspreekpunt voor het geheel (dus ook voor alle deelgebieden) schept duidelijkheid voor de buitenwereld. Vanuit haar positie als front office is de voortouwnemer verantwoordelijk voor het totale externe proces. In de casus van het Waddengebied wordt samengewerkt aan 1 beheerplan voor 7 Natura gebieden. Er zijn meerdere voortouwnemers: RWS voor de Waddenzee en Noordzeekustzone, LNV voor de eilanden m.u.v. Schiermonnikoog waarvoor de provincie aan de lat staat. Dit betekent voor de Waddenzee dat V&W front office is. 14. De voortouwnemer organiseert de inhoud van het beheerplan en regisseert het proces met de back office De back office wordt gevormd door alle bevoegde gezagen (dus V&W, LNV, Defensie, Financiën, provincies). Dit betekent dat alle bevoegde gezagen in principe samenwerken ook in gebieden waar ze geen materieel beheerder zijn maar wel activiteiten. De voortouwnemer voert in de back office de regie voor het interne proces en de inhoudelijke tot stand koming van het beheerplan voor het totale gebied. De voortouwnemer zorgt dat de afspraken tussen de partijen tot stand komen, en bewaakt de uitvoering daarvan. Zij regisseert daarmee een samenwerking op basis van gezamenlijke inzet tussen alle partijen. Back office bestaat uit LNV, V&W, Defensie en de Wadden-provincies. In het Regionaal College Waddengebied is besloten om voor 7 Natura 2000-gebieden één beheerplan te maken vanwege ecologische relaties tussen de gebieden. Thans werkt een kernteam met daarin de (hiervoor genoemde) bevoegde gezagen én de eilandgemeenten aan het opstellen van een projectplan voor één beheerplan Natura 2000 voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone en de eilanden. Dit kernteam is voor deze case de back office. 15. Alle bevoegde gezagen stellen zo volledig mogelijk informatie aan elkaar beschikbaar, ongeacht de status als bevoegd gezag. Elk bevoegd gezag uit de back office (RWS, LNV, Defensie, betreffende provincies) stelt haar eigen informatie over het gehele gebied ter beschikking aan alle bevoegde gezagen (zowel daar waar ze zelf bevoegd gezag zijn, als daar waar haar activiteiten plaatsvinden). Dit betekent dat bijvoorbeeld LNV ook beschikbare informatie aanlevert voor deelgebieden waarvoor zij geen formeel bevoegd 140

142 gezag is. Alle bevoegde gezagen zijn daarbij verantwoordelijk voor het zo volledig en juist mogelijk aanleveren van deze informatie en zijn ook aanspreekbaar op de inhoud ervan. Het is de verantwoordelijkheid van de voortouwnemer om deze gegevens te (laten) analyseren, maar daar waar een bevoegd gezag dat nodig acht, analyseert zij zelf haar eigen gegevens en/of stelt zelf een passende beoordeling op van haar activiteiten volgens een gezamenlijk afgesproken werkwijze. Een partij kan er dus voor kiezen het eigen bestaand gebruik zelf te inventariseren en te analyseren (passend beoordelen) en het resultaat hiervan in te brengen. De voortouwnemer kan bij het achterblijven van informatie het betreffend bevoegd gezag hierop aanspreken. Alle geleverde informatie wordt gezamenlijk beoordeeld op juistheid en volledigheid. Voor het Waddengebied levert bijvoorbeeld Defensie een passende beoordeling van al haar activiteiten, zowel waar zij bevoegd gezag is als bijvoorbeeld vliegbewegingen boven de Waddenzee waar RWS bevoegd gezag is. 16. De rijkspartners (LNV, V&W en Defensie) kunnen elkaar vragen om toetsing bestaand gebruik. LNV, V&W en Defensie kunnen in de rol van voortouwnemer aan elkaar vragen om toetsing van bestaand gebruik waarvoor het gevraagde departement beleidsverantwoordelijk is. Het gevraagde departement bepaalt of zij deze toetsing op zich neemt. Indien zij bepaalt deze toetsing niet uit te voeren, betekent dat dat dit gebruik buiten het beheerplan blijft. Provincies zijn in principe niet beschikbaar voor het beoordelen van bestaand gebruik in Natura gebieden waarvoor zij niet het voortouw hebben. 17. Gezamenlijk worden kennislacunes vastgesteld, in principe is voortouwnemer verantwoordelijk voor het invullen van de kennislacunes. De voortouwnemer is er voor verantwoordelijk dat de kennislacunes worden ingevuld. Zij zal de andere bevoegde gezagen in redelijkheid aanspreken om medewerking (zowel personeel als financieel) als het in het belang van het beleidsveld van betreffend bevoegd gezag is om dit aanvullend onderzoek zelf uit te laten voeren. Indien de kennislacunes onvoldoende worden ingevuld kunnen de bevoegde gezagen uit de back office besluiten dit bestaand gebruik buiten het beheerplan te laten (daarmee doorgeschoven naar vergunningverlening). In het geval in het Waddengebied gezamenlijk een kennislacune t.a.v. Defensie-activiteiten is geconstateerd, dan zal Defensie zelf deze invullen. 18. Onder regie van de voortouwnemer wordt in de back office gezamenlijk bepaalt wat de voortouwnemer naar buiten brengt, en hoe gecommuniceerd wordt met de buitenwereld/andere partijen. Het beheerplan voor het geheel is een gezamenlijk product, waar dan ook eenduidig over gecommuniceerd wordt met externen. De voortouwnemer is het gezicht naar buiten, maar bepaalt daar niet alleen in. De back office wordt daarin nadrukkelijk gekend. In de Waddenzee zal richting bijvoorbeeld een klankbordgroep RWS als voortouwnemer woordvoerder zijn, maar de inhoud zal altijd afgestemd zjin met de rest van de back office. 7. Bij conflicterende belangen stelt de voortouwnemer een onafhankelijke voorzitter van de projectgroep aan. 19. In principe geldt er één inspraak-ronde voor het gehele beheerplan. Uitzondering hierop zijn de pilot-beheerplannen van Defensie (zie volgend punt). Het beheerplan moet worden opgesteld in goed overleg met alle betrokkenen zoals ook de wet voorschrijft. Elk bevoegd gezag zal uiteindelijk voor haar eigen deelgebied het beheerplan vaststellen. Maar voor een helder en eenduidig geluid naar buiten zal in principe gestreefd worden naar één inspraakronde op het beheerplan voor het totale Natura 2000-gebied (waarin alle deelbeheerplannen herkenbaar zijn). Voor het Waddengebied wordt zelfs gestreefd naar één beheerplan voor 7 Natura 2000-gebieden. Het is de bedoeling dat in het beheerplan Waddengebied de te onderscheiden Natura 2000-gebieden herkenbaar blijven. 141

143 20. De 9 gebieden waarvoor Defensie op dit moment beheerplannen aan het opstellen is, doorlopen het gehele traject als pilot, dus tot en met de inspraak en vaststelling van het deelbeheerplan. Deze deelbeheerplannen zullen onderdeel gaan uitmaken van de nog op te stellen beheerplannen voor het gehele gebied. De pilots van Defensie betreffen een beheerplan voor een deel-gebied. Zij gaat deze in overeenstemming met de Minister van LNV - vaststellen (inclusief communicatie en inspraak), vooruitlopend op het opstellen van de beheerplannen voor de gehele gebieden. Het uitbrengen van de pilots doet Defensie gezamenlijk met de andere bevoegde gezagen om zo ook gezamenlijk de leerpunten te kunnen benutten. In principe verlenen de andere bevoegde gezagen commitment aan het proces. Defensie participeert tevens in het proces om te komen tot één beheerplan voor het gehele gebied. Dit kan leiden tot eventuele wijzigingen in de reeds vastgestelde deelbeheerplannen van Defensie t.a.v. primair de doelen en maatregelen. Uiteindelijk worden de deelbeheerplannen van Defensie onderdeel van het gehele beheerplan en gaan dan nogmaals de inspraakronde in en worden opnieuw vastgesteld. De risico s (bijv. n.a.v. onduidelijkheid over de samenhang met het geheel) van de inspraak op de deelbeheerplannen van Defensie worden door Defensie erkend en vallen onder de verantwoordelijkheid van Defensie. Voor de Waddenzee casus betekent dit dat Defensie binnenkort 2 beheerplannen voor deelgebieden zal afronden. Deze worden bestuurlijk besproken en gaan een eigen inspraakproces in met commitment van de andere bevoegde gezagen. De inspraak van deze pilots valt uiteraard onder de verantwoordelijkheid van Defensie. Defensie zal daarnaast blijven deelnemen aan het kernteam en gegevens over defensie-activiteiten aanleveren. Indien tijdens dit proces blijkt dat doelen en maatregelen in de (vastgestelde) beheerplannen voor de pilots gewijzigd moeten worden, dan zal dit verwerkt worden in het uiteindelijke beheerplan voor het geheel waar de 2 pilots een plek zullen krijgen. 142

144 Bijlage 4: Checklist beheerplannen S T E U N P U N T Checklist beheerplannen Natura 2000 Datum: 24 april 2009 update Auteurs: Steunpunt Natura 2000 Disclaimer Dit document is een intern werkdocument van en voor het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het opstellen van beheerplannen Natura 2000 en vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet Het is een levend document dat regelmatig een update zal kennen. Er kunnen geen enkele rechten aan de inhoud van dit document worden ontleend. Steunpunt Natura 2000 P/a Anne-Marie de Wee-Barnas [email protected] 143

145 Inhoudsopgave 1 Deel 1 Inleiding Achtergrond... 9 Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Implementatie in nationale wet- en regelgeving Natuurbeschermingswet Aanwijzing van Nederlandse gebieden Doelensystematiek Instrumenten voor het bereiken van de doelen: beheerplan en vergunningverlening Deel 2 Toetsing Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel Reikwijdte beschermingsregime Plannen, projecten, handelingen, activiteiten en bestaand gebruik Bestaand gebruik Feitelijk gebruik versus vergund gebruik Autonome ontwikkeling Bevoegd gezag vergunningverlening Habitattoets Voortoets/Oriëntatiefase De verslechteringstoets De passende beoordeling en ADC-toets Prioritaire soorten of habitats Relatie passende beoordeling en milieueffectrapportage Effectenanalyse Wanneer is er sprake van (negatief) effect? Afname van de populaties van soorten of van habitattypen Wie voert de effectenanalyse uit? Kwaliteitsborging Uitwerking effectenanalyses Uitwerking globale effectenanalyse Uitwerking Nadere Effectenanalyse Toelichting op de kruistabellen Voorwaarden voor nadere effectenanalyse Autonome en overige ontwikkelingen? veranderingen in samenstelling / aantallen van flora en fauna Significantie Inleiding Belang van nadere uitwerking van het begrip significante gevolgen Het begrip significante gevolgen Instandhoudingsdoelstellingen: relevante aspecten en precieze inhoud Oppervlakte habitattypen en omvang leefgebied van soorten Populatieomvang soorten Kwaliteitsaspecten Specifieke bijzonderheden en milieukenmerken Hoe dient toetsing plaats te vinden als er nog geen definitief aanwijzingsbesluit is? Omgaan met onzekerheden Wat is het principe van 'hand aan de kraan'? Wie beoordeelt of er sprake is van mogelijke significante gevolgen? Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Doelformulering getijdenwateren Cumulatie Doel

146 2.8.2 Scope en reikwijdte van deze paragraaf Probleemdefiniering Cumulatie in het Natura 2000-beheerplan Uitgangspunten Cumulatietoets Beheerplannen Stappenplan Cumulatietoets Richtinggevend advies voor politiek-bestuurlijke prioritering Cumulatie en vergunningverlening Externe werking Inleiding Omschrijving Afbakening Bepalende factoren Stappenplan Wettelijke basis externe werking Voorbeelden Specifieke omstandigheden en locatie van leefgebieden en habitattypen Onzekerheidsmarges Mitigatie en begrenzing Mitigatie en Natura Verrekenen van effecten Inleiding Definities van de juridische begrippen natuurinclusief ontwerp, mitigerende maatregel, saldering, cumulatie en compenserende maatregel Definities van categorieën maatregelen in het natuurbeheer Schematische voorbeelden en uitleg Natuurinclusief ontwerp Mitigatie Saldering Cumulatie Compensatie Jurisprudentieoverzicht mitigatie Deel 3 - Beheerplan Doel en functie van het beheerplan Doel van het beheerplan Functies van een beheerplan Wie stelt het Natura 2000-beheerplan op en vast Rol van het bevoegde gezag Voortouwnemer De juridische aspecten van beheerplannen Hoe stel je het beheerplan op en wat staat er in Plan van Aanpak Kader voor het beheerplan: het Programma van Eisen Omgaan met (ecologische) onzekerheden Checklist beheerplannen Juridische status en doorwerking beheerplannen Quasi vrijstelling Beleidsregel Beleidsplan/uitvoeringsprogramma Verzekering doorwerking Via overeenstemming en bestuursovereenkomst Via dwangmiddelen Draagvlak Juridische houdbaarheid Onderbouwing Onzekerheden Andere aspecten Beroep tegen beheerplan Calamiteiten

147 3.8 Omgang met evenementen Afwegingskader sociaal economische aspecten Stikstof Strategie Water en Natura Deel 4 Wegwijzer naar ander bronnen Achtergronden van Natura 2000 in Nederland Termen om doelen aan te duiden Inhoudelijke documenten Internet Communicatiemiddelen Bijlagen Bijlage 1: Intentieverklaring beheerplannen Natura Bijlage 2: Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet Bijlage 4: Checklist beheerplannen Checklist beheerplannen Natura Inhoudsopgave Voorwoord Voorwoord Doel Zorgvuldigheid van het proces Betrokken partijen Risico-analyse Communicatie Zorgvuldigheid van de inhoud Instandhoudingsdoelstellingen Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen Bestaand gebruik en toetsing aan instandhoudingsdoelstellingen Maatregelen Bestaand beleid en regelgeving Monitoring Documenten nodig voor beheerplancheck: Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Introductie Karakteristiek van het Natura 2000-gebied Geografische en bestuurlijke kenmerken Begrenzing Natura 2000-gebied Eigendomssituatie Waarden van het gebied, ecologische samenhang en internationaal belang van het gebied Instandhoudingsdoelstellingen Huidige staat van instandhouding en trends in het gebied Maatschappelijke context: samenleving/gebruikers en overlegplatforms Gebruik in het Natura 2000-gebied en externe werking Inleiding 160 Waarom een beschrijving van het gebruik Beschrijven van het gebruik: in detail of globaal Relatie met andere relevante plannen en regelgeving Inleiding 162 Beleidsplannen van het rijk en andere overheden (Inter)nationale regelgeving Internationale afspraken Visie voor het Natura 2000-gebied Inleiding 166 Instandhoudingsdoelstellingen uitwerken in het beheerplan Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd (Ecologische) randvoorwaarden Knelpunten van het gebruik Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Wat zijn instandhoudingsmaatregelen?

148 Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Monitoring Inleiding 173 Monitoring in hoofdlijnen: wat is de Europese verplichting en wat zijn de verantwoordelijkheden? 173 Hoe geeft het rijk invulling aan de Europese verplichting tot monitoring Wat dient het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan te regelen op het gebied van monitoring? Financiering van het opstellen en uitvoeren van een beheerplan Inleiding 177 Inzet van bestaande middelen Europese cofinanciering voor uitvoering van beheersmaatregelen in Natura 2000-gebieden Communicatie, educatie en voorlichting in het gebied Inleiding 179 Doel van communicatie, educatie en voorlichting in een Natura 2000-gebied Doelgroepen Communicatiemiddelen Organisatie Bijlagen bij het beheerplan Nadere toelichting op het proces voor het opstellen van een beheerplan Wie neemt het initiatief Keuzes bij het opstellen van het beheerplan De aanpak van het proces Wie worden betrokken bij het totstandkomings proces en op welke wijze Kennis 183 Toetsen artikel 19j Vaststellen beheerplan Geldigheidsduur Evaluatie 185 Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Bijlage 9: Toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets Bijlage 12: Mitigatie en Natura Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Bijlage 16: Monitoring Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen Bijlage 20: Omgang met evenementen Bijlage 21 Afwegingskader sociaal economische aspecten Uit Leemkuilen Bijlage 22 Strategie Water en Natura I Kader II Doel III Aanpak IV Prioritaire acties

149 148

150 Voorwoord De checklist beheerplannen Natura 2000 is een product van het Steunpunt Natura 2000 en heeft als doel vanuit alle bevoegde gezagen een uniforme kijk te geven op Natura 2000-beheerplannen. De checklist geeft inzicht in wat nodig is om een gedegen Natura 2000 beheerplan op te stellen en uiteindelijk vast te stellen. De handreiking beheerplannen (LNV 2005) heeft als basis gediend voor de inhoud van deze checklist. De checklist bevat 30 checkpunten waaraan een beheerplan qua proces en inhoud gecheckt kan worden. Beheerplanopstellers zullen deze checklist tijdens het proces van het opstellen van beheerplannen als leidraad gebruiken. Kwaliteitsborging! De tot stand koming van dit document is niet over één nacht ijs gegaan: diverse mensen hebben meegewerkt en meegesproken over (onderdelen van) de tekst. Relevant hierin te noemen: - medewerkers directie Regionale Zaken, LNV - medewerkers Steunpunt Natura projectleiders Beheerplannen Natura inbreng vanuit verbindingsofficieren van bevoegde gezagen in het Steunpunt Alle inhoudelijke opmerkingen zijn verwerkt en het document bevat geen juridische hangpunten. Ondanks alle zorgvuldigheid die betracht is, blijft de mogelijkheid dat nieuwe jurisprudentie aanleiding zal kunnen geven tot wijzigingen. Indien dat geval is zal een update van deze tekst plaatsvinden. De updates worden via de website bekend gemaakt. Voor de laatste versie van de checklist beheerplannen kunt u de volgende link gebruiken: Doel De checklist is vooral van belang tijdens het proces als leidraad bij het opstellen van beheerplannen en als basis voor voortgangsgesprekken met beheerplanopstellers. Het doel is het opleveren van volledige en juridisch houdbare beheerplannen, die zijn opgesteld met en gedragen door alle betrokken partijen uit de streek. Het bevoegd gezag wil de inhoudelijke check op de beheerplannen graag vooraf met de opsteller op afgesproken momenten uitvoeren. Voorgestelde drie momenten zijn: 1. Als de habitattypenkaart gereed is een check op gebruikte gegevens en methodiek. 2. Als het concept-beheerplan gereed is. Onder een concept-beheerplan wordt verstaan tot en met de maatregelen en nadat er vanuit de adviesgroep of klankbordgroep is gereageerd. 3. Het eindconcept-beheerplan inclusief de financiering, uitvoering en monitoring. 149

151 21. Zorgvuldigheid van het proces Zorgvuldigheid van het proces zal gedurende het hele beheerplantraject worden getoetst. Bij afwijkingen is contact met projectorganisatie mogelijk en indien nodig bestuurlijk agenderen. 22. Betrokken partijen Het beheerplan dient te worden opgesteld in overleg met eigenaren, gebruikers, en andere belanghebbenden en met waterschappen, gemeenten en provincies. Om na te gaan of juiste partijen betrokken zijn bij het opstellen van het beheerplan is het belangrijk het proces te checken op de volgende punten: Check: 1. Wordt het beheerplan opgesteld in overleg met eigenaren, beheerders, gebruikers en andere belanghebbenden en met besturen van waterschappen, gemeenten en provincies. 2. Zijn alle afspraken uit de Regiegroep gevolgd ten aanzien van frontoffice, backoffice en voortouwnemer. Zo niet, wat is hiervoor de reden. 3. Heeft de manier van samenwerking als doel draagvlak te creëren voor de inhoud van het beheerplan bij de betrokkenen in het gebied. 4. Check of kennislacunes, onzekerheden en mogelijke negatieve gevolgen van maatregelen voor gebruikers expliciet in beeld worden gebracht, waar deze gevolgen redelijkerwijs mogelijk kunnen worden verkleind en hoe hier de eerste beheerplanperiode invulling aan wordt gegeven. 5. Check of er consensus is bij betrokken partijen over het maatregelenpakket en de fasering hiervan. 6. Check of er bij de betrokken partijen instemming is over de volledigheid van de inventarisatie van het bestaand gebruik. 7. Check of voldoende is geborgd dat de noodzakelijke maatregelen om significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen uit te sluiten daadwerkelijk worden uitgevoerd (handhaafbaarheid en financiele basis). Advies: - Betrek partijen vanaf het begin van het proces (b.v. in een adviesgroep of klankbordgroep) en zorg dat partijen ook betrokken blijven. - Sluit aan bij bestaande overlegstructuren. - Aanstellen van een onafhankelijke voorzitter kan proces ten goede komen (geen partij in de discussie). - Werk eerst de instandhoudingsdoelstellingen zorgvuldig uit in tijd, ruimte en omvang voordat met de toetsing bestaand gebruik wordt begonnen. - LNV/JZ stelt een notitie op over de juridische doorwerking en handhaafbaarheid van een beheerplan ( Beheerplan: juridische status, doorwerking en houdbaarheid, te vinden op Risico-analyse Voor het proces van het beheerplan is het belangrijk om een beeld te hebben van onzekerheden en mogelijke hete hangijzers in het beheerplanproces. Dit heeft veelal betrekking op het maatregelenpakket. Signaleer: - Signaleer de lastige onderdelen qua inhoud en proces die het proces kunnen verstoren en mogelijk bestuurlijk moeten worden besproken. 150

152 - Signaleer of er activiteiten die een significant effect hebben in het beheerplan opgenomen worden (met als gevolg verplichte Plan-MER) of niet. Zo ja, check of er een Plan-MER is gemaakt. 24. Communicatie Communicatie is essentieel bij het goed doorlopen van een beheerplanproces. Het is daarom belangrijk om ook op dit onderwerp te checken. Het is bijvoorbeeld van belang dat betrokken partijen weten wanneer wat van hen wordt verwacht en wanneer ze kunnen reageren op tussenproducten. Het Steunpunt Natura 2000 heeft een synopsistabel opgesteld. Deze tabel is een format waarin de kern van het beheerplan staat. Dit format is door de Regiegroep vastgesteld en dient bij ieder beheerplan opgenomen en ingevuld te worden. Check: 8. Check of de synopsistabel in het beheerplan is opgenomen en ingevuld. Advies: - Stel aan het begin van het proces een communicatieplan/-paragraaf op. - Check op de website voor voorbeelden van Plan van Aanpak Beheerplan en beheerplanproces. 151

153 2. Zorgvuldigheid van de inhoud 25. Instandhoudingsdoelstellingen Bij het toetsen van beheerplannen zijn de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit de basis. In het aanwijzingsbesluit staan de waarden waarvoor het gebied is aangewezen en staan instandhoudingdoelstellingen op gebiedsniveau voor deze waarden geformuleerd. In het beheerplan worden deze instandhoudingsdoelstellingen uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd. In dit toetsingskader maken we onderscheid in de beschrijving van de natuurwaarden en de daadwerkelijke uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen. Beschrijving van de natuurwaarden Om te beoordelen of de beschrijving van de natuurwaarden in het beheerplan op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen is het van belang om na te gaan of de juiste kennis en informatie is gebruikt en of de informatie volledig is. Om activiteiten (zowel bestaande als toekomstige) op een juridisch houdbare manier te kunnen toetsen is een goede en volledige beschrijving nodig van de aanwezige Natura 2000-waarden (zowel in oppervlakte als kwaliteit van Natura 2000-habitattypen, aantallen van Natura 2000-soorten en oppervlakte en kwaliteit van hun leefgebied), én de ecologische processen die hieraan ten grondslag liggen. Check: 9. Check of alle instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit zijn overgenomen in het beheerplan, inclusief de complementaire en eventueel de bestaande NB-wet 67 doelen. 10. Check of de kernopgaven uit het Natura 2000-doelendocument zijn overgenomen. 11. Check of er een goede landschapsecologische beschrijving is gemaakt van het gebied die aangeeft van welke abiotische omstandigheden en processen de aangewezen natuurwaarden afhankelijk zijn, inclusief noodzakelijke omstandigheden en processen buiten het gebied Check of de actuele (en zo mogelijk historische) omvang van habitattypen (oppervlakte) is bepaald, alsmede de trend hierin en variatie hierin. 13. Check of de actuele (en zo mogelijk historische) kwaliteit van habitattypen is bepaald alsmede de variatie en trend hierin (oppervlakten van goede en matige kwaliteit, aanwezigheid van typische soorten, abiotische randvoorwaarden, overige kenmerken van structuur en functie) Check of de actuele en historische aantallen aangewezen soorten zijn bepaald en de omvang en kwaliteit van hun leefgebied Check of op kaart is aangegeven waar de habitattypen en soorten (met hun leefgebied binnen het Natura 2000-gebied) zich bevinden en of betrokken partijen instemmen met de kaart. Advies: - Voer bovenstaande en volgende checks uit met behulp van onderstaande documenten 67 Deze doelen zijn nu als bijlage bij het besluit gevoegd en kunnen facultatief in het beheerplan meegenomen worden. 68 Voorbeelden hiervan kunnen zijn: toevoer van grond- en oppervlaktewater, verstuiving, luchtkwaliteit, EHS-gebieden die noodzakelijk zijn voor een duurzame netwerkpopulatie. 69 Afhankelijk van beschikbare inventarisaties. Indien er onvoldoende informatie is zal dit in checkpunt 3 naar boven moeten komen 70 Afhankelijk van beschikbare inventarisaties. Indien er onvoldoende informatie is zal dit in checkpunt 3 naar boven moeten komen 152

154 Gereedschap: - profielen-documenten: o.a. omschrijving van wat een habitattype/soort is en wat deze nodig heeft (ecol. Randvoorwaarden) - doelendocumenten: beschrijft kernopgave - aanwijzingsbesluiten: beschrijft doelen - habitattypen-database: beschrijft veel details van habitattypen - soortendatabase: idem voor soorten - gebiedendatabase: beschrijft de details van aangemelde/gewezen gebieden, inclusief essentietabel met samenvatting van doelen en kernopgave - diverse achtergronddocumenten van aanwijzingsbesluiten met gegevens over soorten Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen Een zorgvuldige en complete uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen is van belang om de volgende redenen: - Maatregelen moeten direct gerelateerd kunnen worden aan de instandhoudingsdoelstellingen. Artikel 6.1 van de habitatrichtlijn stelt dat maatregelen moeten beantwoorden aan de ecologische vereisten (zie ook handreiking beheerplannen, 2005). - Het is voor vergunningverlening (na vaststelling van het beheerplan) van belang dat er een gedegen ecologische onderbouwing ligt gelet op de te nemen maatregelen en bestaande activiteiten in en om het Natura 2000-gebied. Instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte, tijd en kwaliteit Het bevoegd gezag heeft een verantwoordelijkheid om de internationale verplichting voor de landelijke instandhoudingsdoelstellingen te borgen. Uit het beheerplan moet blijken hoe en op welke termijn de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. De precieze bijdrage per gebied aan de landelijke uitbreidings- en verbeterdoelen is bewust niet altijd vooraf bepaald. Dit omdat op het niveau van de beheerplannen vaak het best bepaald kan worden waar, in welke omvang en in welk tempo de realisering van doelen kan plaatsvinden. In interactie met betrokken gebruikers en beheerders kunnen de potenties van een gebied maximaal worden benut op een effectieve (haalbare) en efficiënte (betaalbare) manier. Wel dient men in ieder gebied rekening te houden met de landelijke streefbeelden en de relatieve bijdrage die ieder gebied daaraan kan leveren zodat op lange termijn een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau wordt geborgd. Dit wordt op de volgende manier gecheckt: Check: 16. a. Check wat het landelijke streefbeeld 71 is (profielendocument) b. Check of nagegaan is wat de huidige relatieve bijdrage (combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve bijdrage) van een gebied aan de landelijke streefbeelden is (gebiedendocument of het definitieve aanwijzingsbesluit indien aanwezig). c. Check of a en b, samen met de potenties van het gebied, leiden tot een goed beredeneerde gebiedsbijdrage aan de landelijke streefbeelden. Zowel voor de uitbreidingsdoelen als voor de verbeterdoelstellingen moet aangegeven worden op welke termijn deze doelen gehaald gaan worden. 17. Check of de te behouden of uit te breiden oppervlakte van habitattypen: a. kwantitatief 72 is bepaald, voor de eerste beheerplanperiode en op lange termijn. b. minimaal voldoende is voor duurzaam behoud op lokaal niveau. 18. Check of de te behouden of te verbeteren kwaliteit van habitattypen: a. kwantitatief is bepaald, voor de eerste beheerplanperiode en op lange termijn. b. een uitwerking is van: i. abiotische randvoorwaarden op gebiedsniveau (zuurgraad, voedselrijkdom, vocht e.d.: het profielendocument), gerelateerd aan het profielendocument. ii. het aantal en verspreiding aanwezige typische soorten. 71 Deze streefbeelden zijn richtinggevend 72 In grootheden die te monitoren zijn 153

155 iii. oppervlaktes vegetatie van goede en matige kwaliteit. iv. overige kenmerken van goede structuur en functie (profielendocument). 19. Check of de ecologische vereisten buiten het gebied van de soorten en buiten de habitattypen 73 (profielendocument): a. kwantitatief zijn uitgewerkt voor de eerste beheerplanperiode en op lange termijn. b. gerelateerd zijn aan de vereisten in het profielendocument. 20. Check ten aanzien van de draagkracht van het leefgebied van soorten of het leefgebied voor de eerste beheerplanperiode en op lange termijn groot genoeg is en minimaal voldoende is voor duurzaam behoud op lokaal niveau 21. Check of bij behoudsdoelstellingen rekening is gehouden met een eventuele negatieve trend (ook voor behoud zijn soms maatregelen nodig). 22. Check of op kaart is aangegeven waar de verbetering / uitbreiding moet plaatsvinden? Advies: Stel je prioriteiten in de eerste beheerplanperiode op soorten en habitattypen als volgt: a. Ecologische vereisten van soorten en habitattypen die sterk onder druk staan eerst op orde brengen. b. Nadruk op het keren van eventuele negatieve trends. c. Focus op kritische succesfactoren. De leeswijzer Natura 2000 profielendocument geeft duidelijkheid over hoe de profielendocumenten geïnterpreteerd en gelezen moeten worden. Gereedschap: - leeswijzer Natura 2000 profielendocument - profielendocument 26. Bestaand gebruik en toetsing aan instandhoudingsdoelstellingen Een belangrijk onderdeel van het beheerplan is bestaand gebruik. Het beheerplan geeft duidelijkheid over welke activiteiten geen negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen en daarmee (indien nodig onder voorwaarden) vergunningvrij zijn toegestaan in en rondom het Natura 2000-gebied. Alle bevoegde gezagen streven er naar zoveel mogelijk bestaand gebruik op te nemen. Daarnaast geeft het beheerplan ook aan voor welke activiteiten een vergunning moet worden aangevraagd. Voor nieuwe activiteiten is het beheerplan het kader dat gebruikt wordt bij vergunningverlening als het gaat om de Natuurbeschermingswet Twee belangrijke aspecten als het gaat om bestaand gebruik zijn: - de inventarisatie van bestaand gebruik in en om het Natura 2000-gebied; - de ecologische toetsing van het bestaand gebruik met de instandhoudingsdoelstellingen. Het is van bijzonder belang om de beoordelingen of activiteiten vergunningplichtig of vrij zijn goed te onderbouwen: de uitspraak dat een bepaalde bestaande activiteit van de vergunningplicht wordt vrijgesteld is vatbaar voor bezwaar en beroep. Check: 23. Check of het beheerplan: a. aangeeft welke activiteiten worden vrijgesteld van vergunningplicht omdat ze van zodanige aard zijn dat er per definitie geen sprake is van een effect. Check of deze conclusie ook verdedigbaar is. b. aangeeft welke activiteiten die een effect hebben onder voorwaarden vrijgesteld worden van vergunningplicht. Check of de maatregelen voortkomend uit de voorwaarden juridisch geborgd zijn. c. aangeeft welke activiteiten met een kans op een significant effect worden vrijgesteld op basis van een passende beoordeling en daaruit te nemen mitigerende maatregelen. 73 Eisen die aan die omgeving gesteld worden opdat de habitats en soorten binnen het Natura 2000-gebied kunnen functioneren. 154

156 Check of de passende beoordeling van vrijgestelde activiteiten: 1. volledig is in de zin van de reikwijdte: is het gebruik getoetst in het licht van alle relevante instandhoudingsdoelstellingen (juiste aanwijzingsbesluit, oude Nbwetdoelen)? 2. volledig is in de zin van de inhoud: is op basis van de passende beoordeling zekerheid verkregen over het uitblijven van significante effecten (ook cumulatief)? d. aangeeft of de eventuele mitigerende maatregelen die op basis van de passende beoordeling genomen moeten worden juridisch geborgd zijn. e. verboden bevat? (NB Dat is zonder verdere juridische borging onmogelijk. Hooguit kan het beheerplan als beleid opnemen dat bepaalde vergunningen niet afgegeven zullen worden). f. afsluitingen van gebieden bevat of voorstelt en of deze conclusie verdedigbaar is. g. hoe het beheerplan omgaat met nieuwe ontwikkelingen. Signaleerpunt: Het beheerplan kan eventueel nieuw beleid bevatten m.b.t. vergunningverlening. Het is belangrijk dat alle bevoegde gezagen die het beheerplan vaststellen het hiermee eens zijn en dit wenselijk vinden. Let er op dat alle activiteiten tezamen geen significante gevolgen mogen opleveren voor de instandhoudingsdoelstellingen (a, b, c en d). Advies: Bij het inventariseren van het bestaand gebruik kan gebruik gemaakt worden van de door het Steunpunt Natura 2000 opgestelde sectornotities. Deze notities kunnen mogelijk ook een bijdrage leveren aan de beoordeling van bestaand gebruik. Zie hiervoor: /steunpunt/gereedschap Gereedschap: - quick scan bestaand gebruik: inclusief methodiek om te bepalen wanneer een activiteit gereguleerd kan worden in een beheerplan en wanneer niet (vergunningplicht van kracht) (SP) - stappenplan effectenanalyse (SP) - cumulatiemethodiek (SP) - leidraad bepaling significantie (SP) - Plan-Mer irt beheerplan (SP) - externe werking (SP) - bibliotheek literatuur effectenonderzoek (SP) 27. Ook kan verwezen worden naar de site van LNV met de effectenindicator Maatregelen Wat betreft de maatregelen uit het beheerplan is het belangrijk om na te gaan: - of de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de doelen (feitelijk juistheid); - waar de maatregelen genomen worden; - wanneer deze maatregelen genomen worden; - wat de kosten van de te nemen maatregelen zijn; - wie verantwoordelijk is voor de uitvoering en de kosten van de maatregelen; - of de maatregelen haalbaar en betaalbaar zijn; - hoe deze maatregelen worden gemonitord; - of geborgd is dat ze daadwerkelijk worden uitgevoerd. Advies: - Voor voorbeelden regulier beheer en beïnvloeding van natuurkwaliteit zie ook - LNV-notitie over juridische doorwerking van beheerplannen (te vinden op ww.natura2000.nl). 155

157 Om bovenstaande punten zo goed mogelijk te beoordelen is het belangrijk het beheerplan op de volgende punten te checken: Check: 24. a. Check of bij Sence of Urgency-gebieden prioriteit is gegeven aan het op orde brengen van de wateropgave en/of het beheer en de daarbij benodigde maatregelen. b. Check of overige maatregelen (naast benodigde maatregelen vanuit de Sense of Urgency) duidelijk in het beheerplan staan en of deze de noodzakelijke bijdrage leveren aan de instandhoudingsdoelstellingen. c. Check voor instandhoudingdoelstellingen waarvoor binnen de eerste beheerplanperiode niet alle nodige maatregelen getroffen kunnen worden of er een doorkijk naar volgende beheerplanperioden is gegeven. 25. Check of de maatregelen met bestaande middelen gerealiseerd kunnen worden en wie verantwoordelijk is voor de uitvoering. 28. Bestaand beleid en regelgeving Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen de relatie tussen bestaande plannen en wet- en regelgeving bij het opstellen van het beheerplan en de doorwerking van het uiteindelijke beheerplan (maatregelen) in andere relevante (beleids-)plannen en vergunningverlening. Hiervoor dient men te letten op: - de bijdrage van bestaande plannen/beleid bij het opstellen van het beheerplan. - welke manier nieuwe 74 maatregelen worden verankerd in (beleids-)plannen anders dan het beheerplan (b.v. reconstructieplan, Grond- en OppervlaktewaterRegime) Het is van belang maatregelen zo goed mogelijk in bestaande plannen/beleid te verankeren. Om te bepalen of de twee bovenstaande punten op een zorgvuldige manier zijn gebeurd dient men te checken op de volgende punten: Check: 26. Check of beheerplan duidelijkheid verschaft over de relatie met bestaande plannen/beleid. 27. Check of beheerplan duidelijkheid verschaft over de doorwerking van nieuwe maatregelen in regionale plannen en beleid. 29. Monitoring De EU-richtlijnen verplichten de lidstaten regelmatig te rapporteren over de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. Ze moeten ook rapporteren over de toepassing van genomen maatregelen (met name instandhoudingsmaatregelen) en de effecten van deze maatregelen op de staat van instandhouding van soorten en habitattypen, met speciale aandacht voor de prioritaire soorten. Het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan is verantwoordelijk voor het monitoren van de maatregelen (inclusief de effectiviteit ervan) en van veranderingen in het gebied en in het gebruik in en om het gebied. Naast deze verplichting zijn er nog enkele redenen waarom gebiedsgerichte monitoring noodzakelijk is. Het gaat hier om het bijhouden van voortgang van uitvoering van maatregelen en van het effect van deze maatregelen. Daarnaast zijn ook de voortgang in het doelbereik en de evaluatie ten behoeve van de volgende generatie beheerplannen redenen om gebiedsgericht te monitoren. Er wordt op dit moment aan een Programma van Eisen gebiedsgerichte monitoring gewerkt dat door de bevoegde gezagen samen wordt vastgesteld. Als dit gereed is, is het de bedoeling dat beheerplanopstellers dit ook gebruiken bij het opstellen van de monitoringsparagraaf. 74 Nieuwe maatregelen zijn maatregelen die nog niet in regionale plannen staan en die extra zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren 156

158 Check: 28. Is bij het opstellen van de monitoringsparagraaf het programma van eisen voor gebiedsgerichte monitoring gevolgd? Gereedschap: - programma van eisen voor gebiedsgerichte monitoring (LNV) Documenten nodig voor beheerplancheck: Plan van Aanpak beheerplannen per gebied of provincie (indien aanwezig) Aanwijzingsbesluit of gebiedendocument Profielendocument Doelendocument Sectornotities (= Quick scan bestaand gebruik) Essentietabel Synopsistabel Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Gereedschap Steunpunt - quick scan bestaand gebruik: inclusief methodiek om te bepalen wanneer een activiteit gereguleerd kan worden in een beheerplan en wanneer niet (vergunningplicht van kracht) (SP) - stappenplan effectenanalyse (SP) - cumulatiemethodiek (SP) - leidraad bepaling significantie (SP) - Plan-Mer irt beheerplan (SP) - externe werking (SP) - bibliotheek literatuur effectenonderzoek (SP) - Stappenplan om te komen tot een concept-beheerplan, en benodigde gegevens (SP) habitattypen-database: beschrijft veel details van habitattypen soortendatabase: idem voor soorten gebiedendatabase: beschrijft de details van aangemelde/gewezen gebieden, inclusief essentietabel met samenvatting van doelen en kernopgave diverse achtergronddocumenten van aanwijzingsbesluiten met gegevens over soorten 157

159 Bijlage 5: Nadere toelichting voorbeeld inhoudsopgave beheerplan Uit Handreiking beheerplannen van het Ministerie van LNV. 5.1 Introductie Per hoofdstuk uit de voorbeeld inhoudsopgave (zie paragraaf 3.3 van het naslagwerk) wordt nader toegelicht hoe het betreffende hoofdstuk in het beheerplan uitgewerkt kan worden. Tevens wordt over sommige onderwerpen nog enige achtergrondinformatie gegeven. Omdat deze nadere toelichting slechts beperkte informatie op dit punt kan geven, is er vaak een verwijzing opgenomen naar sites waar uitgebreidere informatie is te vinden voor wie meer wil weten. Voorbeelden In elk hoofdstuk zijn voorbeelden opgenomen ter illustratie of verduidelijking van wat er beschreven is in het hoofdstuk. Gestreefd is om een zo breed mogelijk spectrum van voorbeelden op te nemen. Dat wil zeggen dat er zowel voorbeelden zijn opgenomen waarbij provincie als rijk het voortouw hebben, dat de complexiteit in de voorbeelden verschillend is (van relatief overzichtelijk tot zeer complex) en dat verschillende landschapstypen aan bod komen. Belangrijk is dat een deel van de voorbeeldteksten een concept-status hebben, omdat de procedures voor het vaststellen van de betreffende beheerplannen nog niet (geheel) zijn doorlopen. Er kunnen dus geen rechten worden ontleend aan de opgenomen voorbeelden. Vanaf augustus 2010 zullen Natura 2000-beheerplannen worden vastgesteld. Deze kunnen worden geraadpleegd via In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de voorbeelden die door deze Handreiking heen zijn opgenomen. Overzicht van de voorbeelden Gebied Initiërend bevoegd gezag Nader in te vullen Nader in te vullen Nader in te vullen Nader in te vullen enz. Complexiteit beheerplan* Nader in te vullen Nader in te vullen Illustratief bij Nader in te vullen Nader in te vullen 30. Complexiteit beheerplan Categorie 1: een beheerplan voor een qua omvang klein gebied dat in een eenvoudig open planproces tot stand kan komen Categorie 2: een beheerplan voor een qua omvang klein gebied maar met een complex totstandkomingsproces Categorie 3: een beheerplan van een groot gebied dat in een eenvoudig proces tot stand kan komen Categorie 4: een beheerplan voor een groot gebied waarbij een complex totstandkomingsproces wordt voorzien. Zie verder bij de voortouwverdeling Natura 2000-gebieden (bijlage 3). 158

160 5.2 Karakteristiek van het Natura 2000-gebied Hieronder volgt een nadere toelichting op de verschillende aspecten die in het eerste hoofdstuk van het beheerplan aan de orde moeten komen. Het is niet de bedoeling in het beheerplan een uitputtende opsomming te geven over al deze onderwerpen. Het gaat erom die informatie op te nemen die relevant en nodig is voor de verdere uitwerking van het beheerplan. Geografische en bestuurlijke kenmerken De geografische kenmerken van een Natura 2000-gebied omvatten naast naam en nummer/code waaronder het gebied bekend is in Brussel als Habitatrichtlijn- en/of Vogelrichtlijngebied informatie over de ligging (coördinaten) en de grootte. Bij de beschrijving van de bestuurlijke gegevens moet onder meer gedacht worden aan zaken als: over welke provincie(s) het gebied zich uitstrekt, welke gemeente(s) in het gebied liggen, wie in welke delen het bevoegd gezag is, wie de beheerder(s) van het gebied is/zijn. Deze informatie is voor een deel te vinden in de Nota van Toelichting bij het Aanwijzingsbesluit. Begrenzing Natura 2000-gebied In de aanwijzingsbesluiten is uitgegaan van duidelijke én eenduidige begrenzingen van gebieden, zoveel mogelijk samenvallend met duidelijk in het terrein herkenbare grenzen, zodanig dat een duurzame staat van instandhouding nagestreefd kan worden, waarbij toch de externe werking minimaal is. Beschermde natuurmonumenten die samenvallen met Natura 2000-gebieden gaan op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 op in de Natura 2000-besluiten. Waar nodig vanuit ecologisch oogpunt is de begrenzing gelijkgetrokken met de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Gegevens voor de begrenzing zijn te vinden in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied. Hierin is een kaart opgenomen van het gebied met een korte beschrijving van de begrenzing in de Nota van Toelichting. In het beheerplan kan volstaan worden met een verwijzing naar het aanwijzingsbesluit, mits dit als bijlage bij het beheerplan gevoegd is. Eigendomssituatie In veel Natura 2000-gebieden zal het eigendom en/of beheer van het gebied in handen zijn van terreinbeherende (natuur)organisaties of rijkspartijen. Soms zijn er ook een aantal particuliere eigenaren in het gebied. In het eerste hoofdstuk van het beheerplan komt een overzicht van voor het opstellen en uitvoeren van het betreffende beheerplan relevante eigenaren en beheerders in het gebied. Een dergelijk overzicht is ook te gebruiken voor het interactieve proces dat bij de totstandkoming van het beheerplan noodzakelijk is. Waarden van het gebied, ecologische samenhang en internationaal belang van het gebied Bij het onderdeel Waarden van het gebied volgt een beschrijving van de aanwezige natuurwaarden in het gebied, die ertoe bijgedragen hebben dat het gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen en de ecologische relaties met de omgeving (bijvoorbeeld nabijgelegen natuurgebieden/natura gebieden). Voor zover relevant kan er iets gezegd worden over het internationale belang van het gebied in het kader van de Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Ook hier kan het aanwijzingsbesluit en de informatie uit het Natura 2000 doelendocument en de Natura 2000 profielendocumenten de benodigde gegevens voor de invulling van dit onderdeel van de handreiking aandragen. 159

161 Instandhoudingsdoelstellingen De paragraaf Instandhoudingsdoelstellingen beschrijft de specifieke doelstellingen voor het Natura 2000-gebied, zoals deze in het aanwijzingsbesluit zijn opgenomen. Op deze plaats in het beheerplan hoeven de instandhoudingsdoelstellingen alleen te worden vermeld; verdere uitwerking komt aan de orde in het vierde hoofdstuk van het beheerplan. Huidige staat van instandhouding en trends in het gebied De huidige staat van instandhouding kan beschreven worden aan de hand van ecologische gegevens, fysisch-chemische gegevens, socio-economische gegevens en overige gegevens. Hieronder worden per categorie kenmerken van het gebied genoemd, die hieronder kunnen vallen. De genoemde kenmerken moeten als voorbeeld gezien worden. Alle gegevens kunnen desgewenst verduidelijkt worden met kaartmateriaal. a. Ecologische gegevens. Hierbij valt te denken aan habitattype(s) inclusief kwaliteit. Ook kunnen lijsten toegevoegd worden met de soorten waarvoor het gebied is aangewezen en met andere relevante karakteristieke soorten, met voor planten hun standplaats, habitattype en areaal en voor dieren hun leefgebied, de omvang van de populaties, enz. Ook wordt aangegeven (indien mogelijk) hoe de soorten en habitats zich ontwikkelen in het gebied (trend voor- of achteruitgang of stabiel). Indien relevant kunnen hier ook de overige natuurwaarden (vegetaties, soorten, overgangen, etc.) genoemd worden. Deze vormen immers het cement in het gebied en kunnen bijdragen aan de instandhouding van de aangewezen waarden. b. Fysisch-chemische gegevens, die karakteristiek zijn voor (de verschillende delen van) het gebied, zoals geo(morfo)logische en hydro(morfo)logische kenmerken, de dynamiek van het gebied (geëxponeerd of beschut, de invloed van de wind, overstroming, enz.). Daarnaast kan een beschrijving gegeven worden van de fysisch-chemische gesteldheid van de bodem, zoals bodemsoort, zuurgraad (ph), voedselrijkdom (nutriënten; stikstof, fosfaat), vochtgraad, e.d. Ook over het oppervlaktewater in het Natura 2000-gebied kan informatie opgenomen worden, zoals zuurgraad (ph), doorzicht, gehalte aan nutriënten (stikstof, nitraat) en andere stoffen (Ca, Na, K, Mg, Cl), diepte. In geval van brakke en zoute wateren kan daar nog relevante informatie over zoutgehalte, getijamplitude enz. aan toegevoegd worden. c. Socio-economische gegevens met gegevens over recreatie, ligging (beschrijvend, bijvoorbeeld ten opzichte van stedelijke bebouwing, e.d.), het gebruik (bestaand gebruik in algemene termen in zoverre van belang voor de beschrijving van het gebied, met verwijzing naar de uitgebreide uitwerking in hoofdstuk 4). d. Overige gegevens: hierbij kunnen bijvoorbeeld cultuurhistorische gegevens aan de orde komen (archeologie en aardkundige waarden), zeker als deze expliciet onderdeel uitmaken van de doelen van een samenvallend beschermd natuurmonument. Maatschappelijke context: samenleving/gebruikers en overlegplatforms In een Natura 2000-gebied zullen in de regel meerdere partijen een gebruiksbelang hebben. Naast de groep van gebruikers die van het gebied leven, zoals bijvoorbeeld agrariërs, vissers, natuurbeheerders, recreatieondernemers en de mensen die in het gebied wonen, kan hier genoemd worden wie verder met welke activiteiten (bijvoorbeeld militaire activiteiten, recreatie, natuurbeheer e.d.) in het gebied actief zijn en welke maatschappelijke functie(s) het gebied heeft. Er moet echter geen dubbeling met de beschrijving van de eigendomssituatie ontstaan. Tevens kan hier worden aangegeven in hoeverre het beheerplan in overleg met de gebruikers of met de belangenverengingen, waarin zij vertegenwoordigd worden, is afgestemd. En welke (andere) bestaande overlegplatforms een rol gespeeld hebben bij de totstandkoming van het beheerplan. 5.3 Gebruik in het Natura 2000-gebied en externe werking Inleiding Dit hoofdstuk van de toelichting geeft uitleg over wat er ten aanzien van (bestaand) gebruik in hoofdstuk 2 van het beheerplan beschreven kan worden. Het geeft ook algemene uitleg over het 160

162 gebruik en de relatie tot het beheerplan. Wat het gebruik betekent in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen komt in hoofdstuk 4 van dit deel van de Handreiking aan de orde. Toetsing van het gebruik komt in deel 3, paragraaf 7 aan de orde. Waarom een beschrijving van het gebruik Het bestaand gebruik in het gebied dient in het beheerplan te worden beschreven en beoordeeld op schadelijkheid of profijtelijkheid voor de instandhoudingsdoelstellingen om daarmee rekening te kunnen houden bij de verdere uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen en het vaststellen van de instandhoudingsmaatregelen (zie hoofdstukken 4 en 5). Als er een kans bestaat dat gebruik wel een (significant) negatief effect heeft, of waarvan op basis van de beschikbare informatie geen conclusie kan worden getrokken omtrent de schadelijkheid, zal in het beheersplan opgenomen moeten worden dat dat gebruik verboden is zonder Natuurbeschermingswetvergunning. Het beheerplan dient in dergelijke gevallen inzicht te bieden in de planning en het proces van de vergunningaanvraag en beoordeling. Een beknopte uitleg over de toetsing is te vinden in deel 3, paragraaf 7 van deze Handreiking. Voor een meer uitgebreide toelichting op vergunningverlening in kader van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt verwezen naar de Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet Al het bestaand gebruik dat plaatsvindt binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied moet, zo concreet mogelijk, beschreven worden in het beheerplan. Dit biedt de zekerheid aan belanghebbenden dat hun belangen zijn meegewogen bij de uitwerking van instandhoudingsdoelstellingen en de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen. Bovendien krijgen de belanghebbenden op deze wijze inzicht in de schadelijkheid van het bestaand gebruik voor de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied en daarmee meer duidelijkheid over de vraag of de wijze waarop zij het gebied gebruiken, vanuit het natuurbelang gezien, doorgang kan blijven vinden. Ook gebruik buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied kan gevolgen hebben voor het gebied. Vanwege de zgn. externe werking moet extern gebruik buiten het gebied dat effect zou kunnen hebben op de kritische factoren en ecologische vereisten in het gebied ook beschreven en beoordeeld worden. Een en ander in relatie tot de voor het gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen. Beschrijven van het gebruik: in detail of globaal Bij het beschrijven van het (bestaand) gebruik kan de afweging gemaakt worden of het meer in detail of globaler zal worden beschreven. Wordt het meer in detail beschreven dan is hiermee de informatie voor de oriëntatiefase van de habitattoets meteen beschikbaar. Het gebruik kan globaler beschreven worden als onomstotelijk vaststaat dat de verwachte gevolgen van gebruik in welke intensiteit of vorm geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kan hebben. Dit samenspel tussen concreetheid van de beschrijving en verwachte schadelijkheid heeft te maken met de in de wet opgenomen bepaling dat handelingen en projecten die plaatsvinden overeenkomstig een beheerplan geen vergunning behoeven. Voorbeeld. Een gebied is aangewezen voor een soort die niet gevoelig is voor verstoring door geluid en afhankelijk is van mossels als voedsel. In het beheerplan kan dan als (toegestaan) bestaand gebruik opgenomen worden: vliegbewegingen boven het gebied. Er is geen reden om het aantal vliegbewegingen op te schrijven, of het soort vliegtuigen waarmee gevlogen wordt. De beoordeling zal immers niet anders uitpakken. Wanneer het echter gaat om mosselzaadvisserij is het wel van belang om te weten hoeveel mosselzaad opgevist wordt, waar en op welke manier. 161

163 5.4 Relatie met andere relevante plannen en regelgeving Inleiding Het opstellen van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied kan niet los worden gezien van andere plannen op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur, milieu en dergelijke die betrekking hebben op het Natura 2000-gebied of delen daarvan. Daarnaast vormt internationale en nationale regelgeving een belangrijk kader waarbinnen de instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan nader kunnen worden uitgewerkt. Dit hoofdstuk geeft een opsomming van de meest relevante plannen en regelgevingen voor de beheerplannen. Er wordt steeds kort op het doel van het betreffende plan of regelgeving ingegaan en op de relatie met het beheerplan. Bestaande plannen zijn een gegeven. Het beheerplan kan niet voorschrijven dat andere plannen moeten worden gewijzigd. Er mag ook geen tegenstrijdigheid zijn met iets wat dwingendrechtelijk is voorgeschreven in een ander plan. In het beheerplan kan wel worden aangegeven dat en in welke zin een wijziging gewenst zou zijn. Wanneer het beheerplan vastgesteld wordt door het bestuursorgaan dat ook bevoegd is om dat andere plan te wijzigen, kan dit bestuursorgaan zich wel committeren om het andere plan te wijzigen. De gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 biedt de mogelijkheid het beheerplan onderdeel te laten zijn van een bestaande planfiguur (zie deel 3). Er zijn geen juridische belemmeringen om bepaalde plannen samen te voegen. Of dat gebeurt is de keuze van het bevoegd gezag. Er geldt dan echter één belangrijk uitgangspunt: er moet altijd voldaan worden aan het Programma van Eisen voor beheerplannen Natura 2000-gebieden en de maatregelen, die nodig zijn om een duurzame staat van instandhouding te garanderen, moeten worden opgenomen. Beleidsplannen van het rijk en andere overheden Bij het opstellen van een beheerplan moet natuurlijk rekening worden gehouden met vigerende plannen. In deze paragraaf komen de Ecologische Hoofdstructuur en het daarop gerichte natuurgebiedsplan aan de orde, alsmede de Beheers- en Inrichtingsplannen voor nationale Parken, reconstructieplannen, stroomgebiedsplannen en de beheerplannen voor bepaalde rijkswateren. Ecologische Hoofdstructuur De Nederlandse Natura 2000-gebieden liggen nagenoeg geheel binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het beleid ten aanzien van de EHS en de beschikbare middelen hiervoor leveren daarmee een belangrijke bijdrage aan de bescherming van de Europese natuur. De EHS is door de rijksoverheid destijds aangewezen in het Structuurschema Groene Ruimte en moet in 2018 gerealiseerd zijn. De provincies hebben de gebieden nader begrensd en voor deze gebieden concrete plannen gemaakt. Voor elk gebied zijn natuurdoelstellingen geformuleerd in de vorm van natuurdoeltypen. Deze natuurdoeltypen zijn (worden) afgestemd op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura De EHS bestaat uit bestaande bos- en natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden, beheersgebieden en de grote wateren en de Noordzee. De nieuwe natuurgebieden zijn gebieden die nu vaak voor landbouw worden gebruikt en, al dan niet na ingrepen, zullen veranderen in natuurgebieden. Beheersgebieden zijn gebieden met de hoofdfunctie landbouw en een nevenfunctie natuur. Voor natuurgebieden in de EHS geldt een verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden en een planologische bescherming. Ontwikkelingen in en nabij deze gebieden, die schadelijk kunnen zijn voor de natuur, zijn niet toegestaan ( nee, tenzij-regime ). Alleen als er een zwaarwegend publiek belang mee wordt gediend en er geen alternatieven zijn, kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt. De schadelijke effecten van de ontwikkeling moet dan wel gecompenseerd worden. Natuurgebiedsplan 162

164 Deze provinciale plannen zijn een belangrijke bouwsteen voor de realisering van het natuur- en landschapsbeleid van rijk en provincie. Dat geldt in het bijzonder voor de totstandkoming van de EHS. In de EHS worden nieuwe en toekomstige natuurgebieden ontwikkeld en wordt de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden verbeterd. En er worden robuuste ecologische verbindingen aangelegd om de uitwisseling van planten en dieren tussen de natuurgebieden te verbeteren. In een natuurgebiedsplan worden zowel gebieden begrensd die al de hoofdfunctie natuur hebben (bestaande natuur), als landbouwgronden waar op termijn natuur kan worden ontwikkeld (nieuwe natuur). In een natuurgebiedsplan wordt door middel van natuurdoeltypen aangegeven welke doelen gewenst zijn in begrensde natuurgebieden. Met het begrenzen en het aangeven van natuurdoeltypen (mede op basis van de natuurdoeltypekaart) biedt het plan subsidiemogelijkheden in het kader van de Subsidieregeling natuurbeheer en de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (Programma Beheer). De plannen beschrijven welke subsidiepakketten in welke gebieden kunnen worden aangevraagd. Elke provincie heeft een andere aanpak en vormgeving voor de natuurgebiedsplannen. Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het desbetreffende gebied ligt, stellen de natuurgebiedsplannen vast 75. Natuurgebiedsplan en Beheerplan Natura 2000 Enkele punten die een rol kunnen spelen bij de afstemming tussen beide plannen met name op de onderwerpen begrenzing en doelen: Natura 2000-gebieden vallen grotendeels binnen de EHS; initiatiefnemer en bevoegd gezag voor de natuurgebiedsplannen is de provincie, geldt ook voor een deel van de Natura 2000-gebieden; veel provincies betrekken actoren in het gebied bij het opstellen van het natuurgebiedsplan, voor het Natura 2000-beheerplan is dat een vereiste; belangrijke bron van financiering van maatregelen in het natuurgebiedsplan en het Beheerplan Natura 2000 is Programma Beheer. Beheers- en Inrichtingsplan Nationale Parken (BINP) De Nationale Parken maken onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Kenmerkend voor deze parken is de meervoudige doelstelling: natuurbehoud en ontwikkeling in grote waardevolle natuurgebieden met mogelijkheden voor natuurgerichte recreatie, voorlichting en educatie, en wetenschappelijk onderzoek. Op deze manier worden grotere gebieden veilig gesteld en de natuurwaarden verder ontwikkeld. In elk Nationaal Park zijn de eigenaren/beheerders en de betrokken instanties (provincies en gemeenten) vertegenwoordigd in een overlegorgaan. De minister van LNV installeert zo n overlegorgaan bij de instelling van een Nationaal Park. Het overlegorgaan heeft tot taak het opstellen van een gemeenschappelijk Beheers- en Inrichtingsplan voor het parkgebied. In het Beheers- en Inrichtingsplan (BIP) zijn de doelstellingen van het Nationaal Park en de vertaling daarvan in een concreet activiteitenprogramma vastgelegd. Vormgeving verschilt per Nationaal Park. Het BIP is het toetsingskader voor de jaarlijkse verdeling door het overlegorgaan van de financiële middelen voor het uitvoeren van projecten. Als de minister zijn goedkeuring voor dit plan heeft gegeven, is het overlegorgaan verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Het plan fungeert als masterplan. In dit plan worden de bestaande plannen van eigenaren en beheerders wat betreft de aspecten van beheer en inrichting geïntegreerd dan wel zo veel mogelijk op elkaar afgestemd. Deze wisselwerking moet ook gelden voor plannen van publiekrechtelijke instanties zoals bestemmingsplannen, recreatieplannen, waterkwaliteitsplannen e.d. Beheers- en Inrichtingsplan (BIP) en het Beheerplan Natura 2000 Enkele punten die een rol kunnen spelen bij de afstemming tussen beide plannen: De minister van LNV stelt BIP vast. Daar waar een Nationaal Park tevens een Natura 2000-gebied is, is op dit punt een efficiencyslag te behalen. 75 Voor de goede orde zij opgemerkt dat na vaststelling van de Natura 2000 doelen nog bezien wordt voor welke gebieden de natuurdoelen(typen) nog aangepast moeten worden aan de doelen op basis van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. 163

165 Er is een vorm van betrokkenheid en binding van alle eigenaren/beheerders en overheidsinstanties bij het instandhouden van Nationale Parken, die ook in het Natura gebied bruikbaar is. Het BIP is een voorwaarde voor de subsidie aan een Nationaal Park. Er vindt jaarlijks verdeling van de financiële middelen voor de werkzaamheden plaats en er is een jaarlijkse rapportage. Middelen zijn beschikbaar op basis van de Subsidieregeling Nationale Parken. Financiering van maatregelen voor Natura 2000-gebieden kan o.a. uit Programma Beheer en Europese fondsen. Reconstructieplannen Op basis van de Reconstructiewet concentratiegebieden hebben de betrokken provincies voor de 12 aangewezen reconstructiegebieden in Oost- en Zuid- Nederland reconstructieplannen opgesteld. De plannen dragen bij aan een duurzame landbouw en betere kwaliteit van natuur, landschap, milieu en water. Er komt een sterkere scheiding van intensieve veehouderij en wonen en natuur. De reconstructie geeft een impuls aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en draagt bij aan waterberging, verdrogingsbestrijding en beekherstel door bijzondere aandacht te schenken aan milieu- en watermaatregelen. Het reconstructieplan is een plan met lange termijn doelstellingen. Operationele doelen voor een periode van vier jaar komen in het uitvoeringsprogramma voor het reconstructiegebied. Tevens staat daarin wat de financiële bijdrage zal zijn van het Rijk, de provincie, gemeente, waterschap en particulieren. Voor de financiële en capaciteitsplanning wordt het 4-jarige gebiedsprogramma nog opgeknipt in jaarprogramma s. Deze hebben een hoog detailniveau. Daar de reconstructieplannen al vastliggen, is het van belang bij het opstellen van beheerplannen Natura 2000 hiermee rekening te houden. Stroomgebiedbeheersplannen Vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten er door de gezamenlijke beheerders van het stroomgebied Stroomgebiedbeheersplannen (SGBP s) opgesteld worden. De SGBP s en de Natura 2000-beheerplannen moeten op elkaar afgestemd zijn, waarbij in de KRW is aangegeven dat de meest stringente doelen, in dit geval de Natura 2000-doelen, leidend zijn voor het realiseren van de waterkwaliteit en kwantiteit. Voor deze afstemming vindt er vanuit RWS en LNV een separaat traject plaats. De SGBP s worden voor zeer grote gebieden geschreven. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Eems en Schelde. In de SGBP s wordt een beschrijving van het watersysteem gegeven, het begrip goede toestand ingevuld, de goede toestand vergeleken met de huidige situatie en de benodigde maatregelen om de goede toestand te bereiken geschetst. De gedetailleerde uitwerking van de SGBP s vindt plaats op het niveau van waterlichamen door waterschappen en Rijkswaterstaat (RWS). Stroomgebiedsbeheersplan en Beheerplan Natura 2000 Enkele punten die een rol kunnen spelen in de afstemming tussen beide plannen: In de KRW staat dat de doelbereiking Natura-2000 leidend is voor de te realiseren waterkwaliteit en kwantiteit. In die zin is dus al in de koppeling tussen de SGBP s en de beheerplannen Natura 2000 voorzien. Verder moet voor zowel de SGBP s als de plannen op het niveau van de waterlichamen helder zijn met welke Natura 2000-gebieden er overlap is en wat de doelen van die gebieden zijn. Voor wat betreft het proces van de afstemming geldt dat beide trajecten in de tijd niet sporen. Het proces van totstandkomen beheerplannen Natura 2000 loopt naar alle waarschijnlijkheid voor de meeste Natura 2000-gebieden één jaar voor de SGBP s en de uitwerking daarvan uit. Specifieke beheerplannen voor bepaalde gebieden/rijkswateren Voor een aantal Rijkswateren bestaan nota s en/of (beleids)plannen die specifiek over een gebied gaan. Het bekendste voorbeeld hiervan is de pkb Waddenzee en het hierbij horende beheersplan. Een soortgelijk beleidsplan bestaat ook voor de grote wateren in het Deltagebied, zoals de Voordelta en de Westerschelde. Dit type plannen bestaat in het algemeen voornamelijk uit afspraken tussen de verschillende overheden hoe met een gebied wordt omgegaan. Andere plannen zijn: Beheersplan voor de rijkswateren (BPRW): het Beheersplan voor de rijkswateren is een openbaar beheesrplan waarin de hoofdlijnen van het beheer dat RWS in een planperiode van 4 jaar gaat 164

166 uitvoeren, staat beschreven. Het BPRW is hiermee tevens een stuurinstrument binnen RWS en speelt een rol in de budgettenverdeling binnen RWS. Instandhoudingsplannen (IHP): aangezien een beheerplan nat voor een regionale RWS-directie een overzicht biedt van de benodigde maatregelen, is hierin niet veel ruimte voor detailniveau. De onderbouwing op objectniveau (bijvoorbeeld een sluis of een stuk rivier) vindt plaats in de instandhoudingsplannen. In deze plannen is met name aandacht voor de uitwerking in maatregelen en de inspectieregimes die nodig zijn. Deze plannen zijn bedoeld voor interne kennisoverdracht en met name onderbouwing van de maatregelen en budgetten. Voor de overige watergangen in een gebied worden door Waterschappen stroomgebiedsbeheersplannen opgesteld. Deze plannen geven op gebiedsniveau veel inzicht in de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en zijn gecompleteerd met herstelprogramma s. Bestaande beheerplannen van terreinbeherende organisaties Een specifieke categorie beheerplannen die betrokken kunnen worden bij het opstellen van Natura 2000-beheerplannen zijn de plannen van terreinbeherende organisaties als Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de Landschappen etc. Deze zijn divers van opzet en inhoud, maar bevatten vaak veel informatie die bruikbaar is voor het Natura 2000-beheerplan. (Inter)nationale regelgeving Met diverse wetten en regels moet bij het opstellen van beheerplannen rekening worden gehouden. Hieronder zijn enkele belangrijke wetten nader uitgelicht. Er zijn echter nog meer wetten, met name op het gebied van milieu-effecten, zoals het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en de Wet ammoniak veehouderijen, die van belang zijn. Wet op de Ruimtelijke Ordening De Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is hét kader voor de ruimtelijke plannen in Nederland. Het rijk geeft in een planologische kernbeslissing (pkb) of structuurschema aan hoe de inrichting van Nederland vorm moet krijgen. In een pkb wordt op hoofdlijnen beschreven wat er in een bepaald gebied zou moeten gebeuren. Of er woningen worden gebouwd, wegen worden aangelegd, of het gebied gereserveerd is voor recreatie enzovoort. Provincies en gemeenten werken deze plannen verder uit. De provincie doet dit in een streek- of omgevingsplan dat beschrijft wat er in (een deel van) het gebied van de provincie mag gebeuren. De streekplannen en omgevingsplannen moeten passen binnen de plannen van het rijk. Gemeenten op hun beurt schrijven in een bestemmingsplan wat er in de gemeente mag gebeuren en welke bestemming er aan de verschillende delen van het grondgebied van de gemeente gegeven wordt. Ook hier geldt weer dat het bestemmingsplan moet passen binnen het provinciale streekplan of omgevingsplan. In de afgelopen jaren heeft de WRO zoveel wijzigingen ondergaan dat een fundamentele herziening van de wet noodzakelijk is geworden. Daaraan wordt momenteel gewerkt. Bij de aanpassing zal onder meer worden gestreefd naar een betere coördinatie tussen de ruimtelijke ordening en het milieu. Ook het aantal en de duur van de procedures zal worden bekort. Zodra de WRO is gewijzigd, zullen de consequenties daarvan voor de Natura 2000-beheerplannen in deze Handreiking worden aangegeven. Wet milieubeheer De Wet milieubeheer (Wm) is een raamwet met algemene regels voor de bescherming van het milieu. Belangrijke hoofdstukken uit de Wm zijn de milieuplannen en programma s, milieukwaliteitseisen, milieu-effectrapportage, inrichtingen, afvalstoffen en procedures. Een belangrijke basis voor de Wet milieubeheer is dat iedereen die weet of kan vermoeden dat zijn of haar gedrag nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken. Concrete maatregelen ter bescherming van het milieu zijn niet opgenomen in de Wet milieubeheer. Ze zijn wel te vinden in de voorschriften van de milieubeheervergunning of in uitvoeringsbesluiten (AmvB s). 165

167 Flora- en faunawet Deze wet biedt, uit het oogpunt van het natuurbehoud, bescherming aan alle in- en uitheemse planten- en diersoorten die in Nederland in het wild leven. Uitgangspunt van de wet is dat er geen schade aan beschermde dieren of planten mag worden toegebracht, tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan vanwege de omstandigheden. Hiervoor dient dan wel een ontheffing of vrijstelling te zijn verkregen. Provincies kunnen daarnaast plaatsen aanwijzen als beschermde leefomgeving. Het gaat hierbij om gebieden die van wezenlijke betekenis zijn als leefomgeving voor een beschermde inheemse soort. De provincies kunnen daar dan bepaalde handelingen verbieden of aan beperkingen onderhevig maken. Voorbeelden van beschermde leefomgevingen zijn een dassenburcht, een hamsterreservaat of een meertje met kamsalamanders. Onlangs is de uitvoering van de Flora- en faunawet vereenvoudigd. Sectoren kunnen zelf een gedragscode opstellen waarin ze aangeven hoe ze de soorten willen beschermen bij het uitvoeren van werkzaamheden. Als de gedragscode door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is goedgekeurd, is het telkens aanvragen van ontheffingen niet meer nodig. De gedragscode voor bosbeheer is inmiddels door de minister van LNV goedgekeurd. Relatie tussen de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 Beide wetten zijn een implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, waarbij de Flora- en faunawet ook aan niet-vogelrichtlijn en Habitatrichtlijnsoorten bescherming biedt. Na inwerkingtreding van de Natuurbeschermingwet 1998 is de gebiedsbescherming vastgelegd in de Nederlandse wetgeving; in de Flora- en faunawet is dit gebeurd voor de soortenbescherming. De Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet zijn complementair. Dit betekent dat in een concreet geval zowel een natuurbeschermingswetvergunning als een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet noodzakelijk is. Internationale afspraken Naast de genoemde plannen en regelgeving waarmee bij het opstellen van het beheerplan voor Natura 2000-gebieden rekening moet worden gehouden, zijn er in dit verband ook enkele relevante internationale inspanningsverplichtingen en afspraken 76. Deze hebben echter altijd een doorvertaling gekregen in de nationale afspraken en regelgeving, zoals de Natuurbeschermingswet 1998, het Scheidingsverdrag van 1839 dat bepaalde randvoorwaarden stelt aan bepaalde gebieden zoals de Westerschelde, enzovoort. 5.5 Visie voor het Natura 2000-gebied Inleiding Een belangrijk onderdeel van het beheerplan is het ontwikkelen van een visie voor het Natura gebied. Daarvoor geeft dit hoofdstuk van de handreiking een beschrijving van die elementen die nodig zijn om een visie voor het gebied te kunnen ontwikkelen. Het beheerplan is dé plek waar de verdere uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen in onder meer instandhoudingsmaatregelen plaats gaat vinden. Deze uitwerking kan op verschillende manieren, zowel in ruimte als tijd. Een nadere uitwerking heeft het voordeel dat het bevoegd gezag in interactie met gebruikers en beheerders beter kan bepalen waar precies en met welke middelen, in welke omvang en met welk tempo de realisering van de doelstellingen kan plaatsvinden. De volgende paragrafen beschrijven wat instandhoudingsdoelstellingen zijn en op grond waarvan verdere uitwerking mogelijk is, de manier waarop die uitwerking kan plaatsvinden (hoe, waar en wanneer doelen nastreven), waarmee daarbij rekening moet worden gehouden (ecologische randvoorwaarden) en hoe de confrontatie met gebruik en andere plannen plaats kan vinden. Instandhoudingsdoelstellingen uitwerken in het beheerplan Wat zijn instandhoudingsdoelstellingen 76 RAMSAR-verdrag, Verdrag van Bern, OSPAR-verdrag, Verdrag van Bonn, Europees Landschapsverdrag, Forest Focus enz. 166

168 Nederland is op grond van artikel 2 van de Habitatrichtlijn verplicht maatregelen te nemen die erop gericht zijn habitatitypen en soorten, waar het in Europees kader mede verantwoordelijkheid voor draagt, in gunstige staat van instandhouding te brengen. Tevens moet Nederland instandhoudingsdoelstellingen formuleren die gericht zijn op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van soorten en habitattypen op landelijk niveau. Op basis van een omschrijving van gunstige staat van instandhouding en op basis van de hoofdlijnen voor de formuleringen van de Natura 2000-doelen zoals opgenomen in de Natura 2000 contourennotitie, zijn landelijke Natura doelen geformuleerd. Deze landelijke doelen zijn doorvertaald naar de concrete gebieden. Daarbij is rekening gehouden met de huidige kwaliteiten in het gebied en de beste mogelijkheden om op termijn een duurzame situatie te behouden of te verkrijgen met een zo gering mogelijke inspanning. Niet alle gebieden hoeven of kunnen een even grote bijdrage leveren aan het bereiken van een (meer) gunstige staat van instandhouding van een soort of habitat op landelijk niveau. De grootste bijdrage voor een habitattype of soort komt in principe van een gebied waar de ecologische vereisten het best op orde zijn of op termijn met zo min mogelijk inspanningen op orde te brengen zijn. De instandhoudingsdoelstellingen zullen zijn afgestemd met de doelen voor de Kaderrichtlijn Water en zover als mogelijk op de provinciale natuurdoeltypenkaarten. Het aanwijzingsbesluit geconcretiseerd in het beheerplan In het aanwijzingsbesluit van een Natura 2000-gebied zijn (nu nog worden ) de instandhoudingsdoelstellingen voor een concreet gebied vastgelegd. Het aanwijzingsbesluit geeft daarmee aanwijzingen over de na te streven natuur in het betreffende Natura 2000-gebied. De doelen geven bijvoorbeeld aan dat het oppervlakte van een habitattype gelijk moet blijven en dat de kwaliteit verbeterd moet worden. De doelen zijn zo concreet mogelijk ingevuld, maar niet tot in het laatste detail. 77 Voorbeelden Instandhoudingsdoelstellingen in een Aanwijzingsbesluit H2170 Kruipwilgstruwelen Doel Behoud huidige oppervlakte en kwaliteit van de goed ontwikkelde vormen; waar het habitattype voorkomt in mozaïek met andere duinvalleibegroeiingen van habitattype 2190, mogen de kruipwilgbegroeiingen maximaal 25 % van de duinvallei-begroeiingen uitmaken. H7210 Galigaanmoeras Doel: Uitbreiding van huidige oppervlakte en verbetering van kwaliteit door middel van verjonging. H1364 Grijze zeehond Doel: Uitbreiding van leefgebied van de grijze zeehond in de duinen op de Vliehors H1903 Groenknolorchis Doel: Behoud huidige omvang van de populatie, gekoppeld aan kalkrijke vormen en jonge stadia van 2190 A034 Doel: Lepelaar (als trekvogel) Behoud van de populatie van Vijfjarig gemiddeld nazomeraantal dient ten minste 100 te bedragen. Uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd Lokaliseren van de belangrijkste waarden en potenties Over het algemeen is het niet zo dat elk deel van het gebied van belang is voor elk van de aanwezige habitattypen en soorten. In het aanwijzingsbesluit is slechts uitzonderingsgewijs aangegeven voor welk deel van het gebied een bepaald doel geldt. In het beheerplan kan nu aangegeven worden welk 77 Overigens kan worden opgemerkt dat op basis van evaluaties en tussentijds beschikbaar komende informatie zoals bijvoorbeeld de exacte hectares van habitattypen in de gebieden de gebiedsdoelen zoals opgenomen in het Natura 2000 doelendocument periodiek bijgesteld kunnen worden, opdat deze informatie beschikbaar komt bij het opstellen van de beheerplannen en het periodiek wijzigen hiervan. 167

169 habitattype in welk deel van het gebied ontwikkeld kan worden of al voorkomt, hoe de onderlinge samenhang en de overgang tussen de habitattypen moet zijn en op welke manier het cement (de ruimte tussen de aangemelde habitattypen) ingericht gaat worden. Handige hulpmiddelen hierbij zijn vegetatiekaarten en bodemkaarten. Algemene regel is dat de habitattypen en leefgebieden van de soorten niet in omvang en kwaliteit achteruit mogen gaan. De hierop mogelijke uitzonderingen zijn expliciet geduid in het Natura 2000 doelendocument en de aanwijzingsbesluiten. Het beheerplan is de plek bij uitstek om concreet te lokaliseren waar bijvoorbeeld duindoornstruweel omgezet wordt in duinbos (habitattype 2180). 78 Ook kan in het beheerplan aangegeven worden waar populaties van te beschermen soorten zich bevinden. Op die plaatsen kan het beheer dan specifiek op die soorten afgestemd worden (bijvoorbeeld poelenbeheer voor kamsalamander of geelbuikvuurpad). Deze ruimtelijke uitwerking kan bijvoorbeeld in kaarten weergegeven worden. Bepalen van termijn behalen doelstellingen Een belangrijk onderdeel van het uitwerken van de visie is het bepalen op welke termijn doelstellingen moeten zijn gerealiseerd: wat willen we tijdens de looptijd van het beheerplan (zes jaar) bereiken en in welke stappen? Het is mogelijk dat een doel voor een gebied niet binnen de looptijd van het beheerplan gerealiseerd kan worden, omdat de ontwikkeling van het habitattype langere tijd kost of omdat de randvoorwaarden nu nog niet op orde gebracht kunnen. Dit kan het geval zijn als er bijvoorbeeld trage (natuurlijke of bestuurlijke) processen spelen (bijvoorbeeld de ontwikkeling van levend hoogveen of het herstel van hydrodynamiek in een beekdal waar de beek nog vast ligt). In het beheerplan kan dan aangegeven worden op welke termijn en op welke wijze verwacht wordt dat het doel bereikt kan worden en eventueel in welke (mindere) kwaliteit het habitattype op de korte termijn aanwezig zal zijn. Is hier sprake van dan zal wel moeten worden aangegeven welke maatregelen genomen worden om er voor zorg te dragen dat de kwaliteit van de betreffende waarden niet verder achteruitgaat. In een aantal situaties kunnen beheer maatregelen uitkomst bieden, in andere situaties interne maatregelen om het peil hoog te houden. Sommige doelen, die bijvoorbeeld gericht zijn op behoud van oppervlakte en kwaliteit, behoeven vaak geen uitwerking in tijd. Dit laat onverlaat dat in het beheerplan aangegeven zal moeten worden welke instandhoudingsmaatregelen genomen worden voor de betreffende doelen. Veel informatie die nodig is voor het uitwerken van de visie is te vinden in diverse documenten Natura 2000 contourennotitie Natura 2000 doelendocument Beleidsdocument met kaders voor Natura 2000-doelen, besluiten en beheerplannen Beleidsdocument: overzicht van instandhoudingsdoelstellingen voor habitats, soorten en vogels op landelijk niveau, van belang voor de communicatie met de Europese Commissie. Natura 2000 profielendocument Wetenschappelijk document met per habitat of soort onder andere de definitie van het type dan wel het leefgebied, de ecologische randvoorwaarden, het huidige voorkomen, de betekenis van Nederland voor habitattype of soort, de definitie belangrijkste zijn Achtergronddocument Toelichting, achtergronden en verantwoording bij het tot stand komen van de instandhoudingsdoelstellingen Concreet en toetsbaar Aan de hand van lokalisering en fasering kunnen de doelen concreter weergegeven worden. Hoe gedetailleerd dat gebeurt, zal afhankelijk zijn van het habitattype of de soort. Een type dat grootschalig, heterogeen of dynamisch is, hoeft niet tot in detail vastgelegd te worden. Het werkelijke voorkomen zal immers kunnen wijzigen in de loop der tijd. Dit in tegenstelling tot kleine typen, zoals 78 Voor een aantal habitattypen is voor een concreet aantal gebieden aangegeven dat een habitattype (deels) omgezet kan worden in een ander habitattype. 168

170 vennen of rotsrandjes. Daarvan is dan ook afhankelijk of de doelen in vierkante meters of hectares, voor een deel van het gebied of voor het gehele gebied, geformuleerd moeten/kunnen worden. Soorten met een beperkte mobiliteit of een specifiek voortplantingshabitat zullen preciezer in kaart gebracht moeten worden, dan soorten die van het gehele gebied gebruik maken. Ontwikkelingen die pas over (tientallen) jaren worden verwacht hoeven niet in maanden weergegeven te worden. Waar mogelijk zijn jaartallen wel gewenst. De doelen moeten zoveel mogelijk kwantitatief worden geformuleerd (in grootheden die te monitoren zijn), zodat toetsing aan de hand van monitoring mogelijk is (zie hoofdstuk 6 Monitoring). Voorbeeld van een mogelijke verdere concretisering van Instandhoudingsdoelstellingen In het beheerplan: H2120 Witte Duinen Doel: Verstuiving toestaan langs gehele zeereep, over een breedte tot maximaal 250 meter met uitzondering van een strook van 500 meter aan weerszijden bij de opgang naar het dorp. Jaarlijks moet tussen ca 30 en 50 ha van het type aanwezig zijn. H7210 Galigaan moerassen Doel: Moerasje ten westen van de weg uitbreiden, zodat het totale oppervlak 0,1 ha bedraagt. Aan de zuidkant van de plas de oeverzone verbreden, zodat uitbreiding tot aan het pad mogelijk is. (Ecologische) randvoorwaarden Ook de ecologische randvoorwaarden zijn van belang Hoe verdere uitwerking plaats kan vinden hangt ook sterk af van de ecologische randvoorwaarden van de habitattypen en soorten in het gebied. Van belang hierbij te realiseren dat de gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor blauwgraslanden in duinen of beekdalen wezenlijk verschillen. Het ligt in de rede om voor de habitattypen en soorten die sterk onder druk staan met voorrang de gebiedsspecifieke ecologische vereisten op orde te brengen. Zeker als er sprake is van een situatie dat als het nu niet gebeurd het niet meer hoeft. Het in beeld brengen van de gebiedsspecifieke ecologische vereisten is van groot belang voor het bepalen van de noodzakelijke maatregelen én kan tevens helpen bij een eventuele fasering van deze maatregelen. Succesfactoren en stressfactoren voor een gunstige staat van instandhouding Om te kunnen bepalen wat er nodig is om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken en op welk vlak daarvoor eventueel ingegrepen moet worden, is het van belang te weten wat de kritische succesfactoren en de storende factoren zijn voor de diverse habitattypen en soorten. Hiermee worden randvoorwaarden bedoeld met betrekking tot voedselrijkdom, vocht, zuurgraad, zoutgehalte, rust, dynamiek, versnippering en dergelijke, die van essentieel belang zijn, respectievelijk beperkend zijn voor de gunstige staat van instandhouding van een habitat of soort. Deze informatie is onder meer te vinden in het Natura 2000 profielendocument. Een matrix met ecologische randvoorwaarden voor alle habitattypen en soorten Ten behoeve van de habitattoets is de informatie van het Natura 2000-profielendocument samengevat in een matrix met ecologische randvoorwaarden. Deze matrix is opgezet om gemakkelijk te kunnen achterhalen of activiteiten kunnen leiden tot negatieve effecten (schade) op de voorkomende habitattypen en soorten. Maar de matrix is uiteraard ook andersom te gebruiken: welke maatregelen moeten genomen worden om een meer duurzame staat van instandhouding voor de betreffende habitattypen en soorten in een concreet gebied te kunnen bereiken (zie hoofdstuk 5 Instandhoudingsmaatregelen). Knelpunten van het gebruik In het hoofdstuk Gebruik in het Natura 2000-gebied en externe werking van het beheerplan (hoofdstuk 2) wordt het bestaand gebruik in het gebied en voor zover relevant ook buiten het gebied beschreven. Door de gevolgen van dit gebruik te beoordelen in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied blijkt of de voortzetting van bepaalde vormen van bestaand gebruik kan conflicteren met het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de 169

171 habitattoets die uitgevoerd moet worden voor het beheerplan. In hoofdstuk 4 van het beheerplan worden de knelpunten expliciet benoemd. Gebruik dat geen (significant) negatief effect heeft op de natuurwaarden waarvoor een gebied is aangewezen, wordt als zodanig benoemd in het beheerplan. Hiervoor is geen Natuurbeschermingswetvergunning noodzakelijk. Als er een kans bestaat dat gebruik wel een (significant) negatief effect heeft, of waarvan op basis van de beschikbare informatie geen conclusie kan worden getrokken omtrent de schadelijkheid, zal in het beheerplan opgenomen moeten worden dat dat gebruik verboden is zonder Natuurbeschermingswetvergunning. Voor gebruik dat de kans heeft om een significant effect te hebben moet een passende beoordeling worden uitgevoerd; in andere gevallen volstaat de verslechterings- en verstoringstoets (zie Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998). Zeker voor de eerste generatie beheerplannen geldt dat de afweging met het bestaand gebruik een belangrijk onderdeel van het beheerplan is, omdat dit de eerste keer is dat dit gebruik vergunningplichtig kan zijn. Transparantie naar alle belanghebbenden is hierbij een vereiste, zowel inhoudelijk als procesmatig. Het verdient daarom de voorkeur dat het beheerplan voor activiteiten die vergunningplichtig zijn inzicht biedt in de planning en het proces van de vergunningaanvraag en beoordeling. Daarbij kan er voor worden gekozen om voor bepaalde vergunningplichtige activiteiten aan te geven onder welke voorschriften en beperkingen deze kunnen worden toegestaan. Dit vereist betrokkenheid van de vergunningverlenende instantie, ook als dit een ander bevoegd gezag is dan voor het opstellen van het beheerplan. Voordeel hiervan kan zijn dat dit de gebruikers een bepaalde mate van zekerheid biedt omtrent de toelaatbaarheid en continuïteit van activiteiten. Belangrijk daarbij is wel dat dit niet in de plaats kan treden van een vergunning; die zal nog steeds moeten worden verleend. Als bij voorbaat ingeschat kan worden dat bepaalde activiteiten, die mogelijk uitgevoerd gaan worden, zo schadelijk zijn dat de aanvraag van een vergunning kansloos is, kan dat voor de duidelijkheid ook aangegeven worden. Bij de overweging van schadelijkheid van activiteiten moet ook aandacht zijn voor cumulatieve effecten. Dit zijn effecten van de betreffende activiteiten in combinatie met effecten van andere activiteiten en plannen (zie verder de Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998). Bij het verlenen van de vergunning kan gekeken worden of voldaan is aan de voorwaarden waaronder toestemming kan worden verleend voor een activiteit waarvan niet zeker is dat die de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. 79 Het is mogelijk voorgenomen, toetsbare activiteiten te beoordelen in het kader van het beheerplan en deze activiteiten op dezelfde wijze vrij te stellen van de vergunningplicht als bestaand gebruik. Hiertoe zou met name aanleiding bestaan als er vergevorderde plannen zijn en het wenselijk is het beheer van het gebied hierop in te richten. Hoe worden de doelstellingen bereikt De confrontatie van de instandhoudingsdoelstellingen met de knelpunten in medegebruik en met andere bestaande plannen (zie hoofdstuk 3), waarbij rekening gehouden wordt met de ecologische randvoorwaarden/ gebiedsspecifieke ecologische vereisten, zal leiden tot een langetermijnvisie voor het gebied en de doelstelling voor de looptijd van het beheerplan. Deze langetermijnvisie beschrijft hoe de situatie in het gebied is wanneer de instandhoudingsdoelstelling gehaald is. Behalve overwegingen over het al dan niet toestaan van activiteiten, kan aan de hand van deze visie ook bepaald worden welk (aanvullend) beheer noodzakelijk is en welke maatregelen binnen en/of buiten het gebied genomen moeten worden om de doelstellingen te realiseren. Aan de hand van deze confrontatie kan ook die manier gekozen worden die het beste past wanneer ook andere belangen en functies van/in het gebied meegewogen worden. 79 Deze voorwaarden zijn: het ontbreken van alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en compensatie. Zie voor meer informatie de Algemene Handreiking. 170

172 5.6 Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Hieronder volgt een nadere toelichting en achtergrondinformatie om het hoofdstuk instandhoudingsmaatregelen te kunnen opstellen. Wat zijn instandhoudingsmaatregelen? Maatregelen voor het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen In het beheerplan worden de instandhoudingsdoelstellingen nader geconfronteerd met het bestaande beheer en gebruik, nieuwe plannen en projecten, de huidige gesteldheid van het gebied en de milieurandvoorwaarden van de habitattypen en soorten, de gebiedsspecifieke ecologische vereisten en de samenhang binnen het gebied (zie Hoofdstuk 4: Visie). Op basis hiervan moet vervolgens bepaald worden welk (aanvullend) beheer noodzakelijk is en welke maatregelen genomen moeten worden om ze te realiseren. Alle ingrepen die het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen tot doel hebben, worden samengevat met de term instandhoudingsmaatregelen. Let op: Omdat een beheerplan geen rechtens afdwingbare verplichtingen oplegt aan derden, moet een beheerplan soms beperkt worden tot de constatering dat een bepaalde instandhoudingsmaatregel gewenst zou zijn. Niet alleen beheermaatregelen Onder de instandhoudingsmaatregelen worden behalve maatregelen vanuit natuurbeheer (maaien, kappen,peilbeheer) ook bijvoorbeeld bestuurlijke, juridische of economische maatregelen verstaan. Het kan wenselijk zijn om bestaande plannen, afspraken of vergunningen te wijzigen om tot realisering van de instandhoudingsdoelstellingen te komen. Voorbeelden van Instandhoudingsmaatregelen: Interne maatregelen Maaien, hooien, begrazen, plaggen van vegetatie Onderhoud van bosranden. Openhouden van de vegetatie Aanleg van poelen. Aanleg van ecoducten Beperken visserij Beperken/voorschrijven landbouwmethodes Afsluiten van een weg voor doorgaand verkeer Externe maatregelen Aanpassing van het bestemmingsplan voor de juiste inrichting van het gebied. Veranderen van het waterregime door het waterschap voor de juiste vochttoestand of mate van overstroming in het gebied. Verwijderen van riooloverstorten voor de juiste waterkwaliteit in het gebied. Verplaatsen van (landbouw)bedrijven. Instandhoudingsmaatregelen in het beheerplan Maatregelen op hoofdlijnen Een vereiste aan het beheerplan is dat het van de benodigde maatregelen minimaal een beschrijving op hoofdlijnen moet bevatten. Het detailniveau van de beschrijving moet afgestemd zijn op de duidelijkheid die noodzakelijk is voor de gunstige staat van instandhouding en hetgeen binnen zes jaar is te bereiken. Welk beheer of welke maatregelen zijn ten minste noodzakelijk om tot een gunstige staat van instandhouding te komen, omschreven in globale termen. Het is dan ook niet noodzakelijk om per habitattype zeer gedetailleerde beheersmaatregelen te noemen. Niet zo: Vegetatie in habitattype X maaien en afvoeren Maar zo: Voor de instandhouding van het habitattype X is 171

173 half juni en eind augustus, door boer Harm, waarbij het maaisel >1dag moet blijven liggen. Tweejaarlijks in februari de opslag langs het deelgebied X/ ven/ stuifzand terugzetten tot 10 cm boven de grond, het ene jaar ten oosten van het pad, het andere jaar aan de westkant. het noodzakelijk dat de vegetatie kort gehouden wordt/ er regelmatig beheer/ afvoer van nutriënten plaats vindt, bij voorkeur door middel van hooien/ begrazing Dichtgroeien van het deelgebied X/ ven/ stuifzand voorkomen door regelmatig en gefaseerd terugzetten van bosopslag Maatregelen verdeeld over het gebied In het beheerplan kan aangegeven worden wat de ruimtelijke relaties tussen de habitattypen zijn en welke onderdelen van het gebied specifiek van belang zijn voor de instandhouding van bepaalde habitattypen en leefgebieden van soorten. Afhankelijk hiervan kunnen ook de (beheers)maatregelen in delen van het gebied verschillen. Zo kan er gestreefd worden naar statische of dynamische overgangen tussen verschillende typen (bijvoorbeeld door aanleg/onderhoud van houtwallen of integrale begrazing), kan op sommige delen extra ingezet worden op het beheer voor bepaalde habitattypen of soorten (bijvoorbeeld het open houden van een venoever of poelenbeheer voor kamsalamander of geelbuikvuurpad) of kunnen de maatregelen in het cement (de ruimte tussen de aangemelde habitattypen) juist in mindere mate uitgewerkt worden (bijvoorbeeld landbouwkundig gebruik). Maatregelen kunnen niet allemaal tegelijk uitgevoerd worden Het kan zijn dat, met name bij een herstelopgave, de maatregelen in verschillende fases uitgevoerd moeten worden: eerst moet bijvoorbeeld de verzuring of eutrofiering opgelost worden, moeten bosopslag, hekken of verharding verwijderd worden, moeten dammen, buffers of greppels aangelegd worden of moet het streek- of bestemmingsplan of het waterbeheer door het waterschap aangepast worden en is regulier onderhoud daarna pas zinvol. Deze opvolging van maatregelen is nuttig om aan te geven in het beheerplan. Afstemming tussen beheerders is daarbij van belang, bijvoorbeeld om afspraken te maken over de fasering van maatregelen. Maatregelen voor specifiek beheer Een aantal habitattypen en soorten zijn zodanig kritisch dat zeer specifiek beheer nodig is om het type, de soort of de gewenste milieuomstandigheden in stand te houden. Soms moeten groeiplaatsen of voortplantingsplaatsen apart beschermd worden (denk aan exclavering van begrazing, nestbescherming, afsluiten van een gebied) om te voorkomen dat het type of de soort verdwijnt. Maar vaak zijn er meer manieren mogelijk om het gewenste doel te bereiken. Dit kan gebeuren door beheersmaatregelen (zoals hooien of beweiden), maar ook door ingrepen elders in het gebied (zoals hydrologische verbeteringen). Het profielendocument bevat inspiratie voor beheersmaatregelen. Soms zijn ook maatregelen buiten het gebied noodzakelijk Instandhoudingsmaatregelen betreffen niet alleen beheersmaatregelen in het gebied zelf, maar het kunnen ook maatregelen buíten het Natura 2000-gebied zijn. Of dit soort maatregelen noodzakelijk zijn, moet blijken uit het hoofdstuk over externe werking (hoofdstuk 2 en 4), waar knelpunten met betrekking tot externe invloeden naar voren komen. Omdat de instandhoudingsmaatregelen buiten het gebied meestal grootschalige effecten zullen hebben, zal het niet altijd mogelijk zijn om de meest wenselijke ingrepen uit te voeren. Bij het aangeven van maatregelen buiten het gebied zal dan ook terdege afgewogen moeten worden of de grootte van de ingreep en de effecten op andere velden (werkgelegenheid, drinkwater- of energievoorziening, landbouwproductie, veiligheid, enz.) opwegen tegen en werkelijk noodzakelijk zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied. Bij maatregelen buiten het gebied kan gedacht worden aan ingrepen die effect hebben op: de hydrologie van het gebied de waterkwaliteit (grondwater of oppervlakte water) de aanvoer van verzurende of vermestende stoffen (via afstroming, overstroming, lokale grondwaterstromen of door de lucht) 172

174 de recreatiedruk verbinding met andere gebieden enzovoort Maatregelen die daarbij genoemd kunnen worden zijn dan bijvoorbeeld: stoppen/verminderen van grondwaterwinning in nabij gelegen gebieden verbeteren van waterkwaliteit van langs of door het gebied stromende beek of rivier door (bovenstroomse) maatregelen buiten het gebied stoppen, verminderen of juist herstel van aanvoer van gebiedsvreemd water extensiveren van landbouw rondom het gebied verplaatsen van recreatievoorzieningen het inrichting van een bufferzone rond het gebied de aanleg van corridors (via bijvoorbeeld landschapselementen, stapstenen, tunnels) naar andere gebieden enzovoort 5.7 Monitoring Inleiding Het hoofdstuk over Monitoring in deze versie van de Handreiking geeft slechts een eerste indicatie wat en hoe er gemonitord moet worden in het kader van het Natura 2000-beheerplan. Momenteel wordt nog uitgewerkt hoe zowel de Europese Unie de monitorverplichting wil concretiseren als hoe het rijk wil voorzien in de kern van de nationale monitoringbehoefte. Op termijn (in 2006) zullen tussen relevante betrokken partijen bij het opstellen van beheerplannen (onder meer bevoegde instanties, terreinbeherende organisaties) afspraken gemaakt moeten worden over de inhoud en het proces van de monitoring. Deze Handreiking gaat nu niet verder dan het geven van enige algemene achtergrondinformatie en een stand van zaken. Monitoring in hoofdlijnen: wat is de Europese verplichting en wat zijn de verantwoordelijkheden? De EU-richtlijnen verplichten de lidstaten regelmatig 80 te rapporteren over de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. Ze moeten ook rapporteren over de toepassing van genomen maatregelen (met name instandhoudingsmaatregelen) en de effecten van deze maatregelen op de staat van instandhouding van soorten en habitattypen, met speciale aandacht voor de prioritaire soorten. Dit vereist allereerst dat voor de soorten en habitattypen vastgesteld wordt wanneer deze in gunstige staat van instandhouding verkeren (referentie). Per soort en habitatype zal vervolgens moeten worden beoordeeld (landelijk en per gebied) wat de huidige staat van instandhouding is (de nulmeting). Bovendien moet worden bepaald met welke maatregelen de gunstige staat van instandhouding te behouden is (of in de toekomst te verbeteren is als de staat van instandhouding ongrunstig is). In hoofdlijnen geldt de volgende taakverdeling: - Het rijk is verantwoordelijk voor de monitoring van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. - Het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan is verantwoordelijk voor het monitoren van de maatregelen (inclusief de effectiviteit ervan) en van veranderingen in het gebied en in het gebruik in en om het gebied. 80 Over de Vogelrichtlijn moet om de drie jaar worden gerapporteerd; over de Habitatrichtlijn om de zes jaar. 173

175 Hoe geeft het rijk invulling aan de Europese verplichting tot monitoring De eerstvolgende periodieke algemene rapportage van de Habitatrichtlijn is in Nederland zal dan op basis van de beschikbare gegevens moeten rapporteren over de huidige staat van instandhouding van soorten en habitattypen (nulmeting). In 2013 dient opnieuw gerapporteerd te worden over de staat van instandhouding van soorten en habitattypen, maar dan op basis van gerichte monitoring. Er moet dan ook gerapporteerd worden over de effectiviteit van genomen maatregelen (periode ). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie en voor het monitoren van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. Voor het verkrijgen van de benodigde gegevens wil het ministerie zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande monitoringsprogramma s uitgevoerd door onder andere overheden (provincies), particuliere gegevensbeherende organisaties (PGO s), terreinbeherende instanties en kennisinstituten. Aangezien deze monitoringsprogramma s veelal voor andere doeleinden zijn opgezet dan monitoring in het kader van Natura 2000 zal er onderzocht moeten worden hoe de monitoring in de toekomst aangepast en/of uitgebreid kan worden (standaardisatie en harmonisatie), zodat het beter aansluit bij de eisen vanuit de Europese Unie. Dit vereist een nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen. Het ministerie van LNV heeft Wageningen Universiteit en Research Centre (WUR) de opdracht gegeven om in samenwerking met betrokken partijen in beeld te brengen welke gegevens momenteel door welke organisaties ingewonnen worden en te onderzoeken in hoeverre deze gegevens ook te gebruiken zijn voor Natura 2000-doeleinden. Dit gebeurt in een programma Wettelijke OnderzoeksTaak Informatievoorziening Natuur (WOT IN). Dit is begin 2005 van start gegaan. Het WOT IN-programma levert ook een bijdrage aan de nulmeting in het kader van de Habitatrichtlijn. Mede op basis van deze nulmeting komt er een advies aan LNV over gewenste aanpassingen en uitbreidingen in bestaande monitoringsactiviteiten. Eind 2005/begin 2006 zullen de eerste resultaten beschikbaar komen welke de basis vormen van nader te maken afspraken over monitoring op landelijke schaal. Nadere details: voorlopige uitwerking monitoringsverplichting op Europees niveau en mogelijke Nederlandse invulling Het Habitat Comité heeft een matrix voorgeschreven (stoplichtenmethode) aan de hand waarvan de staat van instandhouding van soorten en habitattypen op basis van verschillende aspecten beoordeeld moet worden (zie onderstaande tabellen). Deze matrix geeft nog onvoldoende handvat voor monitoring en zal daarom een verdere uitwerking krijgen in concrete en meetbare variabelen per aspect. Bovendien dienen er maatlatten (kritische waarden) vastgesteld te worden om te bepalen wanneer een bepaald aspect als gunstig, matig ongunstig of ongunstig beoordeeld moet worden. Dit wordt momenteel uitgewerkt in het kader van de WOT IN. De Natura 2000-profielen (zie Profielendocument) worden als uitgangspunt genomen. Van alle in desbetreffende profielen genoemde variabelen wordt onderzocht of deze meetbaar zijn, zo ja hoe (methodiek) en met welke beschikbare meetnetten (gegevens). De verwachting is dat eind 2005 de eerste resultaten hiervan opgeleverd worden. Hieronder wordt een korte toelichting gegeven waar in het kader van de WOT IN aan gedacht wordt. Matrix voor vaststellen staat van instandhouding soorten Staat van instandhouding Aspect Gunstig Matig ongunstig Ongunstig Onbekend Verspreiding Populatie Leefgebied Toekomstperspectief Beoordeling staat van Minstens 3 Minstens 1 of Een of meer Twee of meer 174

176 instandhouding gunstig meer matig ongunstig en geen enkele ongunstig ongunstig onbekend Matrix voor vaststellen staat van instandhouding habitattypen Aspect Verspreiding Oppervlakte Typische soorten Structuur en functie Toekomstperspectief Beoordeling staat van instandhouding Staat van instandhouding Gunstig Minstens 3 gunstig Matig ongunstig Minstens 1 of meer matig ongunstig en geen enkele ongunstig Ongunstig Een of meer ongunstig Onbekend Twee of meer onbekend Welke bestaande informatie in Nederland is wellicht bruikbaar Voor het verkrijgen van informatie over de verspreiding van soorten en habitattypen wordt gedacht aan een steekproef. Momenteel worden pilots uitgevoerd om aan de hand van de bestaande gegevens landelijke verspreidingsbeelden (per soort en habitattype) te generen, die gebruik maken van geo-statistische methoden. Uit deze pilots zullen conclusies getrokken worden welke aanpassingen en/of uitbreidingen van bestaande meetnetten van o.a. PGO s, provincies en terreinbeherende instanties gewenst zijn. Voor informatie over de populaties van soorten kunnen de trends in populatieomvang, die het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) momenteel oplevert, worden gebruikt. Mogelijk is uitbreiding van het NEM gewenst voor zowel selectie van soorten en als voor meetdichtheid (om op gebiedsniveau uitspraken te kunnen doen). Voor de nulmeting van het oppervlakte van habitattypen wordt gebruik gemaakt van bestaande vegetatiekarteringen van o.a. terreinbeherende instanties. De vegetatietypen worden met een vertaalsleutel vertaald naar habitattypen. Vervolgens wordt per Natura 2000-gebied en per habitattype de oppervlakte berekend. Wat de monitoring van oppervlakte van habitattype betreft dient nog een systeem ontworpen te worden. Dit onderdeel zal eind 2005 van start gaan. Ten aanzien van de typische soorten wordt voor de flora momenteel een methode getoetst waarmee uit bestaande vegetatiegegevens trends berekend worden in het voorkomen van typische soorten. Dit levert informatie op voor de nulmeting. Wat betreft fauna moet hier nog een methode voor worden bedacht. De typische soorten zijn door LNV nog niet vastgesteld, dus gaat het tot nu toe om een puur methodische studie. Ten aanzien van leefgebied, structuur en functie wordt gedacht aan het meten (monitoren) van zowel biotische als abiotische variabelen, waaronder landschaps- en vegetatiestructuur, indicatorsoorten (als indicatie voor milieucondities), standplaatscondities (trofie, zuurgraad, zoutgehalte en waterstand) en beheer. In 2005 worden enkele pilots uitgevoerd, waarbinnen op basis van bestaande gegevens van onder meer provincies, terreinbeherende instanties, PGO s en kennisinstituten (bijvoorbeeld RIVM, TNO) de ecologische condities van een selectie van soorten en habitattypen op gebiedsniveau vastgesteld zullen worden. Uit deze pilots worden conclusies getrokken welke aanpassingen en/of uitbreidingen gewenst zijn van bestaande meetnetten. 175

177 Bij het toekomstperspectief wordt ervan uitgegaan dat dit op basis van expert judgement plaats zal vinden. Een theoretisch kader wordt uitgewerkt hoe dit voor de soorten en habitattypen uit te voeren. Per soort/habitatype zal de monitoringsinspanning verschillend zijn, dit is afhankelijk van de zeldzaamheid van een soort/habitattype en de dynamiek (te verwachten veranderingen). Ook zijn niet voor alle soorten en habitattypen dezelfde variabelen van belang. Daarom zal per soort en habitattype een protocol uitgewerkt moeten worden aan de hand van welke variabelen de staat van instandhouding te beoordelen. Ook zullen kritische waarden moeten worden vastgesteld, waarbij een bepaald aspect als gunstig, matig gunstig of ongunstig beoordeeld dient te worden. Wat dient het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan te regelen op het gebied van monitoring? Bij de monitoring in het kader van het beheerplan van de Natura 2000-gebieden moeten in aanvulling op de rijkstaak voor het monitoren van de staat van instandhouding van soorten en habittattypen de volgende onderwerpen aan de orde komen: 1. Maatregelen 81 en activiteiten - Een overzicht van uitgevoerde maatregelen. - Een oordeel over de effectiviteit van uitgevoerde maatregelen (hebben maatregelen ook bijgedragen aan een verbetering van de staat van instandhouding van soorten en/of habitattypen; het doel waarvoor ze uitgevoerd zijn). - Een overzicht van wel geplande, maar niet uitgevoerde maatregelen met redenen waarom maatregelen niet zijn uitgevoerd. - De verwachtte effecten van het niet uitvoeren van maatregelen op de staat van instandhouding van soorten en/of habitattypen. - Een overzicht van activiteiten die uitgevoerd zijn en niet vergunningplichtig zijn volgens de Natuurbeschermingswet Een overzicht van activiteiten die uitgevoerd zijn en op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 wel vergunningplichtig zijn (met de wijze waarop een negatieve invloed op habitats en soorten zoveel mogelijk is voorkomen/gecompenseerd). 31. Beschrijving veranderingen in het terrein en de directe omgeving - Beschrijving van veranderingen (trends) in de ruimtelijke samenhang in het gebied en het effect daarvan op de staat van instandhouding van soorten en habitatttypen.beschrijving van veranderingen (trends) in de actuele situatie in het gebied (o.a. veranderingen in landgebruik) en het effect daarvan op de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. - Beschrijving van veranderingen (trends) in de actuele situatie in de directe omgeving van het gebied (voor zover van invloed op het gebied) en het effect daarvan op de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. - Beschrijving van veranderingen in (ruimtelijke) plannen en wet- en regelgeving van toepassing op het gebied en het effect daarvan op de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. De organisatie van de monitoring Beheerders kunnen bij het monitoren van het beheerplan gebruik maken van landelijk verzamelde informatie. In het kader van de WOT IN wordt een overzicht gegenereerd van bestaande kennis, informatie, gegevens en meetnetten 82. Ook wordt getoetst in hoeverre de beschikbare gegevens toereikend zijn om de huidige staat van instandhouding te bepalen. De WOT IN levert hiermee dus een bijdrage aan de nulmeting (periodieke algemene rapportage Habitatrichtlijn begin 2007), maar ook aan de opzet van een monitoringsysteem voor de volgende rapportage. 81 Het beschrijven van uit te voeren maatregelen, de wijze waarop ze daadwerkelijk uitgevoerd zijn en de bijdrage van de maatregelen aan het realiseren van de doelen zal nog verder gestandaardiseerd moeten worden. Dit om maatregelen optelbaar te maken, zodat over geaggregeerde maatregelen naar Brussel kan worden gerapporteerd. Binnen de WOT IN is hierin nog niet voorzien. Ook de EU heeft hier nog geen duidelijke voorschriften voor. 82 Deze informatie wordt toegankelijk gemaakt voor organisaties die aan de gang gaan met het monitoren van beheerplannen, dit via een webportaal ( Dit portaal wordt vanaf september 2005 gevuld met informatie. 176

178 Gegevens die op deze manier beschikbaar komen zijn in ieder geval: - Gegevens over de administratieve begrenzingen van de Natura 2000-gebieden, dit gekoppeld aan de Natura 2000-database (de database zoals die wordt aangeleverd aan Europese Commissie) en aangevuld met informatie over o.a. aanwijzingbesluiten. - Gegevens over de verspreiding en populatieomvang van soorten, dit in overleg met de besturen van de PGO s en/of de bronhouders - Gegevens over verspreiding, oppervlakte en kwaliteit (a.h.v. typische soorten) van habitatttypen, dit in overleg met de bronhouders - Gegevens over ecologische condities van de soorten en habitattypen (bodem, water, lucht etc.), dit in overleg met de besturen van de PGO s en/of de bronhouders De gegevens over de Natura 2000-gebieden zullen zo veel mogelijk per gebied bij elkaar worden gezet zodat degene die zich met het opstellen, monitoren en evalueren van het beheerplan bezig gaat houden in één oogopslag kan zien welke informatie over het gebied beschikbaar is. Beheerders van Natura 2000-gebieden en gegevensverzamelende organisaties (PGO s) vervullen een rol bij het vullen van een database per gebied. Zowel beheerders als PGO s profiteren van een dergelijke database. Beheerders hebben alle informatie over een Natura 2000-gebied overzichtelijk bij elkaar. PGO s kunnen de door hen verzamelde gegevens aanvullen met gegevens verzameld door terreinbeheerders. Financiering van de monitoring In het verlengde van het algemene uitgangspunt de Natura 2000 met huidige budgetten te implementeren geldt ook voor monitoring als uitgangspunt dat zo veel mogelijk moet worden aangesloten bij en gebruik moet worden gemaakt van bestaande monitoringsprogramma s. 5.8 Financiering van het opstellen en uitvoeren van een beheerplan Inleiding Eén van de randvoorwaarden bij het opstellen van beheerplannen is dat uitgegaan moet worden bestaande budgetten voor beheer en voor een groot deel ook voor monitoring (zie Natura 2000 contourennotitie, ministerie LNV, juli 2005). Dit hoofdstuk van de Handreiking geeft achtergrondinformatie over hoe binnen deze randvoorwaarden financiering van de uitvoering van het beheerplan kan worden aangepakt en wie daarvoor verantwoordelijk is. Inzet van bestaande middelen Veel terreinbeheerders, eigenaren en gebruikers maken voor de uitvoering van beheersmaatregelen op dit moment gebruik van (subsidie)regelingen die als doel hebben de ontwikkeling en verbetering van het landelijk gebied. De budgetten die bij deze regelingen horen kunnen worden benut voor de uitvoering van maatregelen uit het beheerplan, mits de kaders van deze regelingen dit toestaan. Hieronder volgt een niet uitputtende opsomming van meest relevante (subsidie)regelingen. Programma Beheer Programma Beheer is een subsidieregeling voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Vrijwel het gehele Natura 2000-areaal (circa 99%) valt onder de EHS. De regeling kent twee componenten: de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (SN) en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN). Aan deze regelingen zijn onder andere de volgende voorwaarden verbonden: - in aanmerking komen agrariërs (SAN) en terreinbeheerders (behalve SBB), particulieren en gemeenten (SN); - een subsidieaanvrager vraagt subsidie voor een bepaald beheerspakket uit SAN of SN dat volgens het gebiedsplan in dat gebied is opengesteld. - een subsidieaanvrager kiest met het beheerspakket o een beschrijving van het type natuur dat hij wil beheren en 177

179 o voor een bepaald type beheer dat daarbij hoort - een beheerspakket bevat o een omschrijving van de beheersdoelen (wat wil je bereiken/ in stand houden met beheer) o beheersvoorwaarden (wat moet je hebben om in aanmerking te komen voor subsidie en welk beheer moet je daar voor voeren) o het subsidiebedrag - een subsidieaanvrager krijgt een beschikking voor 6 jaar - Programma Beheer ontvangt cofinanciering uit Brussel (POP) en moet daarom voldoen aan eisen die Brussel stelt aan cofinanciering. Het reguliere beheer in Natura 2000-gebieden valt voor circa 5% onder de SAN, de overige vaste beheerskosten vallen o.a. onder SN. Met Programma Beheer zijn ook sommige inrichtingsmaatregelen te financieren, Subsidie Nationale Parken en grensoverschrijdende parken Op grond van het Beheers- en Inrichtingsplan (BIP) dat voor elk park is vastgesteld, zegt de Minister van LNV jaarlijks een bijdrage toe in de kosten van beheer, inrichting, educatie, voorlichting en onderzoek. Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuurterreinen Vanuit het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) is er een regeling Effectgerichte Maatregelen in bossen en natuurterreinen (EGM). Hiermee kan een terreinbeheerder of particuliere eigenaar een subsidie aanvragen voor de kosten van werkzaamheden in bossen of natuurterreinen. De werkzaamheden moeten dan wel gericht zijn op het verminderen of ongedaan maken van effecten van verzuring, vermesting en verdroging binnen natuurterreinen en bos (niet op landbouwgrond). De middelen kunnen alleen op grond van ingediende projecten worden toegekend. Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) Op dit moment komt de financiering van de maatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van het landelijk gebied uit veel verschillende rijksregelingen. Het rijk en de provincies hebben een grote vereenvoudiging in de sturing en financiering van de ontwikkeling in het landelijk gebied afgesproken. Veel van de bovengenoemde regelingen zullen in 2007 onder het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) gaan vallen. Het ILG moet provincies samen met gemeenten en waterschappen in staat stellen om, met de door het rijk beschikbaar gestelde middelen, op een effectieve manier de rijksdoelen (dus ook de instandhoudingsdoelstellingen) voor het landelijk gebied te realiseren. Tot 2007 vindt aan rijkszijde een bundeling en vereenvoudiging plaats. Ook van andere overheden die werken in het landelijk gebied wordt verwacht dat zij komen tot een vereenvoudiging van beleid, plannen, instrumenten en geldstromen. Alle hierboven genoemde regelingen zullen opgaan in het ILG. Europese cofinanciering voor uitvoering van beheersmaatregelen in Natura 2000-gebieden Op Europees niveau zijn er drie cofinancieringsmogelijkheden die interessant zouden kunnen zijn voor de financiering van maatregelen in de Natura 2000-gebieden. Het gaat om de Kaderverordening Plattelandsontwikkeling (POP), LIFE-Nature en Structuurfondsen. Op dit moment vindt in Brussel overleg plaats over de voortzetting of opvolging van deze regelingen vanaf 2007 en is nu nog niet aan te geven wat dit precies gaat betekenen. Voor de nieuwe Kaderverordening Plattelandsontwikkeling zal opnieuw een PlattelandsOntwikkelingsprogramma (POP2) moeten worden opgesteld, dat gaat lopen van 2007 tot Evenals de huidige POP zal POP2 waarschijnlijk gericht zal zijn op cofinanciering voor agrarisch natuurbeheer (SAN) en in zeer beperkte mate voor natuurbeheer (SN en SBB). Cofinanciering voor verwerving, zoals in het huidige POP mogelijk is, zal (grotendeels) vervallen. LIFE+ is de beoogde opvolger van LIFE Nature en geldt (waarschijnlijk) voor de jaren De regeling is bestemd voor cofinanciering voor Natura 2000, met name voor communicatie en kennisuitwisseling over milieu- en natuuronderwerpen. Er is een optie om er beheerplannen uit te cofinancieren, doch daarover moet nog besluitvorming plaatsvinden. 178

180 5.9 Communicatie, educatie en voorlichting in het gebied Inleiding Hoewel de Natuurbeschermingswet 1998 geen uitspraak doet over communicatie, educatie en voorlichting is het opstellen van een beheerplan een goede aanleiding om na te denken over de vraag wat er met communicatie over het Natura 2000-gebied bereikt kan worden. Dit hoofdstuk van de Handreiking gaat op hoofdlijnen in op mogelijkheden voor communicatie, educatie en voorlichting over het Natura 2000-gebied. Veel beheerders hebben zelf al uitgebreide ervaringen met communicatie, educatie en voorlichting en kunnen hieruit putten voor de invulling van dit hoofdstuk in het beheerplan. Dit hoofdstuk gaat niet over de communicatie met beheerders, eigenaren en andere belanghebbenden tijdens het proces van totstandkoming van het beheerplan. Hierover is informatie te vinden in deel 3 van deze Handreiking. Doel van communicatie, educatie en voorlichting in een Natura 2000-gebied Met het inzetten van instrumenten als communicatie, educatie en voorlichting kunnen verschillende doelen gediend worden.te denken valt aan het verkrijgen van draagvlak bij een groter publiek dan de eigenaren en beheerders, voor de instandhoudingsmaatregelen die in het gebied worden uitgevoerd; het geven van informatie over het belang van het gebied, de internationale waarde, de voorkomende natuurwaarden (soorten en habitats) in het gebied en wat je in het gebied op termijn wilt realiseren.en waarom. Waarom communicatie als instrument in te zetten en wat ermee te bereiken (vergroten kennis, gedragsverandering, etc.) of welke boodschap uit te dragen, is de eerste stap in het uitwerken van communicatie. De bevoegde instanties in een gebied kunnen overwegen om gezamenlijk de communicatie voor een gebied en de uitvoering van de communicatie ter hand te nemen. Doelgroepen De vervolgstap die er onmiddellijk op volgt is het identificeren van de verschillende doelgroepen waarop de communicatie wordt gericht. Het is bijna niet mogelijk of vaak niet wenselijk één en hetzelfde instrument of boodschap in te zetten voor alle doelgroepen. Het vraagt dus maatwerk om het juiste instrument of de juiste boodschap voor de juiste doelgroep te selecteren. Communicatiemiddelen De keuze voor de inzet van de communicatiemiddelen hangt samen met de uit te dragen boodschap en de doelgroep waarop de boodschap wordt gericht. Er zijn veel verschillende middelen te bedenken. Enkele voorbeelden - Als je wilt dat recreanten in het Natura 2000-gebied weten wat zij wel en niet in het gebied mogen, dan kun bijvoorbeeld bij de ingangen van het gebied informatieborden plaatsen met uitleg wat er wel en niet in het gebied mag en waarom dat zo is. - Wil je bijzondere aspecten van het Natura 2000-gebied onder de aandacht brengen bij geïnteresseerde burgers dan kun je bijvoorbeeld begeleide excursies en wandelingen organiseren of lezingen en voorlichtingsbijeenkomsten organiseren. - Wil je de boodschap in een educatieve vorm brengen dan zijn lesprogramma s en schoolexcursies mogelijkheden om de doelgroep jongeren te bereiken. - Algemeen toegankelijke informatie over het gebied kan op een website geplaatst worden. 179

181 Organisatie Het opzetten en uitvoeren van zaken rond communicatie, educatie en voorlichting vraagt tijd, geld, menskracht en deskundigheid. Dit zijn elementen die je in het beheerplan (of in een apart communicatieplan) moet uitwerken om ervoor te zorgen dat de doelen die op dit terrein gesteld zijn ook daadwerkelijk worden bereikt Bijlagen bij het beheerplan Ter completering van het beheerplan en als nadere toelichting bij de geschreven teksten kunnen kaarten, overzichten met gegevens, grafieken, literatuurgegevens, (delen van) onderbouwende rapporten e.d. als bijlage bijgevoegd worden. Te denken valt aan o.a. de volgende bijlagen: - (Delen van) het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied - Kaarten over bijvoorbeeld o Begrenzing Natura 2000-gebied o Eigendomssituatie o Het voorkomen van habitattypen en soorten - Grafieken of kaarten met o Waterkwaliteitsgegevens o Bodem en hydrologie o Overige relevante waarden (bijv. cultuurhistorie, archeologie, aardkunde) - (Delen uit het) relevante plannen, zoals o Natuurdoeltypenkaart o Gebiedsplan (met name gericht op EHS en Programma Beheerpakketten) o Kaderrichtlijn Water o Nationaal Park o Reconstructieplan o Oude beheerplannen (indien nuttig) - Onderzoeken, - Artikelen met aanvullende informatie of informatie waarop gegevens in het beheerplan zijn gebaseerd Nadere toelichting op het proces voor het opstellen van een beheerplan Dit deel van de Handreiking gaat in op de verschillende aspecten die bij de voorbereiding en tijdens het opstellen en vaststellen van het beheerplan aan de orde zijn. En het beschrijft de stappen die gezet zullen moeten worden om tot een goede voorbereiding van het opstellen van het beheerplan te komen en de juiste procedure te volgen bij het vaststellen ervan. Wie neemt het initiatief Omdat één Natura 2000-gebied in veel gevallen meerdere eigenaren kent (zowel rijkseigenaren als particulieren), zijn meerdere bestuursorganen bevoegd het beheerplan ieder voor het eigen gedeelte van het Natura 2000-gebied vast te stellen. Daarom is een gecoördineerde of afgestemde aanpak nodig. Er is een bestuursafspraak gemaakt over welk bevoegd gezag in een dergelijk geval het initiatief neemt bij het opstellen van het beheerplan voor het betreffende gebied. De verdeling is gebaseerd op het aandeel van het Natura 2000-gebied dat elk van de betrokkenen beheert. Bijlage A geeft een overzicht aan van deze indeling. Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft, en verder wordt aangeduid met initiërend bevoegd gezag, heeft een coördinerende rol. Het is verantwoordelijk voor het organiseren van het proces dat leidt tot het opstellen van het beheerplan en het tijdig en op de juiste wijze doorlopen van de door de wet voorgeschreven procedure voor het vaststellen van beheerplannen. Het initiërend bevoegd gezag is niet bevoegd zelfstandig beslissingen te nemen, die de andere bevoegde instanties (mede) zouden binden. 180

182 De andere betrokken bestuursorganen zijn gehouden hun medewerking aan dit proces te verlenen. Met het oog op de vaststelling van het beheerplan dient er tussen de bevoegde instanties overeenstemming te bestaan over de inhoud van het plan. Zoals in de inleiding van deze Handreiking aangegeven is, hoeft het initiërend bevoegd gezag niet zelf het beheerplan op te (gaan) stellen, maar ligt er wel een verantwoordelijkheid om te zorgen dat het plan opgesteld gaat worden. Het initiërend bevoegd gezag bepaalt, in samenspraak met de andere bevoegde instanties voor het gebied, door wie (bijvoorbeeld een adviesbureau, een ambtelijke werkgroep of iets dergelijks) het beheerplan wordt opgesteld, maar blijft wel zelf verantwoordelijk voor het proces en de inhoud. Keuzes bij het opstellen van het beheerplan Het Natura 2000-beheerplan en andere plannen De gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 biedt de mogelijkheid het beheerplan onderdeel te laten zijn van een bestaande planfiguur. Dit betekent dat voor die gebieden waarvoor nu al een of ander plan is ontwikkeld, bekeken kan worden of dit plan geheel of gedeeltelijk te gebruiken is als een Natura 2000-beheerplan in de zin van de Natuurbeschermingswet Het bevoegd gezag voor het Natura 2000-gebied is dé instantie die in een vroeg stadium bepaalt of en zo ja met welk ander plan het beheerplan kan samengaan, kan worden afgestemd of welk ander plan tevens als Natura 2000-beheerplan kan fungeren. Bij deze afweging is het van belang dat het andere plan moet voldoen aan alle vereisten uit het Programma van Eisen voor beheerplannen Natura 2000 en dat in het plan de maatregelen zijn opgenomen, die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren. Eén of meer beheerplannen In principe wordt voor elk Natura 2000-gebied één integraal beheerplan opgesteld. In de meeste gevallen is een afgestemd beheer noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen bereiken. In sommige gevallen kan overwogen worden één integraal beheerplan op te stellen voor meerdere gebieden. Dit kan in gevallen waar het gaat om aangrenzende gebieden met een zelfde problematiek of dicht bij elkaar in de buurt liggende afzonderlijke gebieden, die veel overeenkomsten vertonen of als er eenheid van beheer wordt nagestreefd. Om tot een gedegen beslissing te komen is het zinvol een analyse te maken van de voor- en nadelen van één beheerplan voor meer gebieden. De bevoegde instanties moeten onderling nog wel afspreken wie de voortouwrol gaat vervullen bij de totstandkoming van een dergelijk beheerplan, omdat dit niet voorzien is in de voortouwverdeling waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Er kunnen zich situaties voordoen dat het opstellen van één integraal beheerplan voor één Natura 2000-gebied niet mogelijk is. Bijvoorbeeld vanwege de omvang van het gebied of de complexiteit van de problematiek in het gebied of vanwege een ingewikkeld totstandkomingsproces, In dergelijke gevallen kunnen de bevoegde instanties in het gebied ervoor kiezen voor de verschillende delen van het gebied beheerplannen op te stellen. Er moet dan wel zorg worden gedragen voor samenhang tussen de verschillende beheerplannen. De aanpak van het proces Er is geen blauwdruk te geven voor de aanpak van het proces. De aanpak is van allerlei zaken afhankelijk, zoals de omvang van het gebied en de te beschermen waarden en functies binnen het Natura 2000-netwerk. In een klein gebied dat voor één soort is aangewezen en dat een beperkt aantal actoren kent kan het proces van het opstellen van een beheerplan eenvoudiger worden vormgegeven dan in een groot gebied met een gecompliceerde problematiek, waarbij veel partijen betrokken zijn. Voor alles geldt echter dat een zorgvuldig proces altijd noodzakelijk is en dat voldaan moet worden aan de proceseisen voor het opstellen van een beheerplan (zie Programma van Eisen) 181

183 Voor een efficiënt en effectief proces is het van belang dat voordat met het opstellen van een beheerplan gestart wordt, over een aantal zaken door het initiërend bevoegd gezag in overleg met de andere bevoegde instanties nadere keuzes worden gemaakt over de inrichting en organisatie van het proces en over de reikwijdte en het karakter van het beheerplan zelf. Daarbij valt onder meer te denken aan de volgende aspecten. Over de inrichting en organisatie van het proces 1. Wie moeten er worden betrokken bij het opstellen van het beheerplan, in welk stadium en op welke wijze? 2. Welke afspraken moeten er gemaakt worden, wanneer en hoe worden deze vastgelegd en gecommuniceerd? 3. Hoeveel tijd wordt er voor het opstellen van het beheerplan uitgetrokken (planning) en welke financiële middelen zijn beschikbaar voor het opstellen, vaststellen en publiceren van het beheerplan? 4. Wie of wat gaat het plan daadwerkelijk opstellen? Ten aanzien van het beheerplan zelf 1. Wat voor een beheerplan wordt er opgesteld? Bijvoorbeeld één beheerplan voor één gebied of voor twee of meer Natura 2000-gebieden. Kan het beheerplan samengaan met een andere planfiguur of kan het beheerplan onderdeel uitmaken van een bestaande plan in het gebied. 2. Is alle informatie beschikbaar die nodig is voor het opstellen van het beheerplan of zijn er kennishiaten? Is dat laatste het geval dan moet worden nagegaan op welke wijze de benodigde kennis en informatie alsnog kan worden verkregen. 3. Wat willen de bevoegde instanties in principe in dit gebied bereiken gegeven de instandhoudingsdoelstellingen. In de volgende paragrafen wordt op verschillende aspecten, die in deze vragen aan de orde komen, ingegaan. Wie worden betrokken bij het totstandkomings proces en op welke wijze De Natuurbeschermingswet 1998 stelt eisen aan de betrokkenheid van eigenaren, beheerders en gebruikers. Zij moeten op een actieve wijze worden betrokken bij het opstellen van het beheerplan. Op die manier is het onder meer mogelijk draagvlak te verkrijgen voor de te nemen instandhoudingsmaatregelen in en rondom het gebied. Het is een kwestie van maatwerk wie je in het proces betrekt en op welk moment. Als eerste stap in de voorbereiding zal bekeken moeten worden welke partijen bijvoorbeeld politiek/bestuurlijk een belangrijke rol spelen in gebied, wat de belangrijkste problematiek in het gebied is en welke partijen daarbij horen, welke partijen nodig zijn om de uitvoering vorm te geven etcetera. Op deze manier is te bepalen welke actoren van direct belang zijn in het voorbereidingsproces en er nauw bij betrokken moeten worden en welke actoren, niet zijnde eigenaren of gebruikers, meer op afstand een rol spelen. Hierbij zou het bijvoorbeeld kunnen volstaan ze regelmatig te informeren of beperkt overleg met hen te voeren. Om de direct betrokken actoren goed te kunnen betrekken in het proces is het van belang een of meer overlegstructuren te creëren. Je kunt daarbij denken aan bijvoorbeeld een Klankbordgroep van meest betrokken partijen, die reageert op en meedenkt bij de uitwerking van het beheerplan. Of een Stuurgroep waarin de bevoegde instanties zijn vertegenwoordigd. Of één of meer werkgroepen waar vanuit inhoudelijke expertise onderdelen van het beheerplan uitgewerkt gaan worden. De overlegstructuur moet in ieder geval altijd passen bij de rol die de belanghebbenden in het gebied hebben. Actoren die wat meer op afstand zijn betrokken bij het beheerplan kunnen via diverse communicatievormen worden geïnformeerd: informatiebijeenkomsten, informatiebulletins, berichtgeving in locale media e.d.. Hoe overlegstructuren vorm te geven staat vaak goed beschreven in boeken over projectmanagement. 182

184 Voorbeeld In het ene gebied zal bijvoorbeeld water een belangrijke functie vervullen, zodat het waterschap betrokken moeten worden bij het maken van een beheerplan. Sommige gebieden zijn afgesloten voor publiek, waardoor recreatieondernemers geen rol spelen in het gebied. Op andere plaatsen neemt recreatie in het gebied juist een belangrijke plek in, zodat de recreatieondernemers wel betrokken dienen te worden bij het beheerplan. Kennis Voordat het opstellen van het beheerplan van start kan gaan is een inventarisatie nodig of de benodigde kennis en informatie aanwezig is. Het bevoegd gezag gaat na of alle informatie die nodig is voor het opstellen van het beheerplan beschikbaar is..voor een deel zal het om gebiedsspecifieke kennis gaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan Kennis over de huidige staat van instandhouding Kennis over trends en ontwikkelingen in het gebied Kennis over bestaand gebruik en bestaande activiteiten in het gebied Kennis over wat er al in het gebied gemonitord wordt. Dergelijke informatie is vaak bekend bij terreinbeheerders en locale organisaties. Door bijvoorbeeld een kennisgroepje in te stellen of speciale kennissessies te beleggen kan de opsteller ervoor zorgen aan de juiste informatie te komen. Voor een ander deel zal meer specifieke, niet gebiedsgerelateerde kennis noodzakelijk zijn. Je kunt dan denken aan ecologische kennis noodzakelijk voor de uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen of om een goede afweging te kunnen maken voor de passende beoordeling. Ontbreekt er kennis dan is het de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag na te gaan op welke wijze de benodigde kennis en informatie alsnog kan worden verkregen. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld het inhuren van kennis of expertise, het laten doen van onderzoek, etc. Toetsen artikel 19j Door de gevolgen van gebruik te beoordelen in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied blijkt of de voortzetting van bepaalde vormen van bestaand gebruik kan conflicteren met het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen.. Gebruik dat geen (significant) negatief effect heeft op de natuurwaarden waarvoor een gebied is aangewezen, kan dan als zodanig worden benoemd in het beheerplan. Hiervoor is geen Natuurbeschermingswetvergunning noodzakelijk. Als er een kans bestaat dat gebruik wel een (significant) negatief effect heeft, of waarvan op basis van de beschikbare informatie geen conclusie kan worden getrokken omtrent de schadelijkheid, zal in het beheerplan opgenomen moeten worden dat het verboden is zonder Natuurbeschermingswetvergunning. Voor gebruik dat de kans heeft om een significant effect te hebben moet een passende beoordeling worden uitgevoerd; in andere gevallen volstaat de verslechterings- en verstoringstoets (zie Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998). Zeker voor de eerste generatie beheerplannen geldt dat de afweging met het bestaand gebruik een belangrijk onderdeel van het beheerplan is, omdat dit de eerste keer is dat di9t gebruik vergunningplichtig kan zijn. Transparantie naar alle belanghebbenden is hierbij een vereiste, zowel inhoudelijk als procesmatig. Het verdient daarom de voorkeur dat het beheerplan voor activiteiten die vergunningplichtig zijn inzicht biedt in de planning en het proces van de vergunningaanvraag en beoordeling. Daarbij kan er voor worden gekozen om voor bepaalde vergunningplichtige activiteiten aan te geven onder welke voorschriften en beperkingen deze kunnen worden toegestaan. Dit vereist betrokkenheid van de vergunningverlenende instantie, ook als dit een ander bevoegd gezag is dan voor het opstellen van het beheerplan. Voordeel hiervan kan zijn dat dit de gebruikers een bepaalde mate van zekerheid biedt omtrent de toelaatbaarheid en continuïteit van activiteiten. Belangrijk daarbij is wel dat dit niet in de plaats kan treden van een vergunning; die zal nog steeds moeten worden verleend. 183

185 Als bij voorbaat ingeschat kan worden dat bepaalde activiteiten, die mogelijk uitgevoerd gaan worden, zo schadelijk zijn dat de aanvraag van een vergunning kansloos is, kan dat voor de duidelijkheid ook aangegeven worden. Bij de overweging van schadelijkheid van activiteiten moet ook aandacht zijn voor cumulatieve effecten. Dit zijn effecten van de betreffende activiteiten in combinatie met effecten van andere activiteiten en plannen (zie verder de Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998). Bij het verlenen van de vergunning kan gekeken worden of voldaan is aan de voorwaarden waaronder toestemming kan worden verleend voor een activiteit waarvan niet zeker is dat die de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. 83 Het is mogelijk voorgenomen, toetsbare activiteiten te beoordelen in het kader van het beheerplan en deze activiteiten op dezelfde wijze vrij te stellen van de vergunningplicht als bestaand gebruik. Hiertoe zou met name aanleiding bestaan als er vergevorderde plannen zijn en het wenselijk is het beheer van het gebied hierop in te richten. Artikel 19j, derde lid van de Natuurbeschermingswet 1998 bepaalt dat voor plannen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, een passende beoordeling gemaakt moet worden als deze plannen op zichzelf of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben. Beheerplannen behoeven op grond van artikel 19j, vierde lid, geen goedkeuring van de minister van LNV maar het blijft wel nodig een passende beoordeling te maken wanneer het beheerplan significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied. In de oriëntatiefase wordt de vraag beantwoord of het plan op zichzelf of in combinatie met andere activiteiten en plannen significante negatieve gevolgen kan hebben. Dit is het geval wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het plan de instandhoudingsdoelstelling (significant) in gevaar kan brengen. Een passende beoordeling houdt in dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van de activiteit die op zichzelf of in combinatie van andere activiteiten of plannen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. 84 Voor een beheerplan betekent dit dat met name onderzocht moet worden wat de gevolgen zijn van het niet aan het beheer gerelateerde gebruik. Het kan voorkomen dat instandhoudingsmaatregelen in één gebied gevolgen kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een ander gebied. In dat geval moeten de oriëntatiefase, de verstorings- en /of verslechteringstoets of de eventuele passende beoordeling betrekking hebben op de gevolgen van de maatregel van het andere gebied. De uitkomsten van de oriëntatiefase/passende beoordeling moeten vertaald worden in het beheerplan. Bij de toetsing kan met de specifieke omstandigheden waarin het gebruik plaatsvindt rekening worden gehouden. Zie voor meer informatie over het uitvoeren van de voortoets en de passende beoordeling de Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet Vaststellen beheerplan Voor gebieden met meerdere bevoegde instanties geldt dat iedere bevoegde instantie het beheerplan vaststelt voor dat deel van het Natura 2000-gebied, waarvoor deze instantie verantwoordelijk is. Wie stelt het beheerplan vast De Ministers van LNV, V&W, Defensie of Financiën (Domeinen) stellen beheerplannen vast voor gebieden die onder hun verantwoordelijkheid beheerd worden. De Ministers van V&W, Financiën of Defensie doen dit in overeenstemming met de Minister van LNV. Voor gebieden die niet onder de verantwoordelijkheid van een van deze Ministers vallen geldt dat Gedeputeerde Staten van de provincie het beheerplan voor het Natura 2000-gebied vaststellen. 83 Deze voorwaarden zijn: het ontbreken van alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en compensatie. Zie voor meer informatie de Algemene Handreiking. 84 Hof van Justitie Europese Gemeenschap, 7 september 2004, C-127/

186 Procedure bij het vaststellen van het beheerplan Het vaststellen van een beheerplan verloopt volgens een vaste procedure, die gebaseerd is op afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en op de artikelen 19a en b van de Natuurbeschermingswet Hieronder is stapsgewijs de procedure voor de vaststelling van een beheerplan uiteen gezet. Ter inzage legging Het beheerplan is in concept gereed. Vanaf dit moment gaat er een besluitvormingstraject lopen dat er toe moet leiden dat het beheerplan wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten of door de verantwoordelijke minister. De trajecten verschillen op onderdelen enigszins. - Wordt het beheerplan door Gedeputeerde Staten vastgesteld dan komt er een openbare kennisgeving in dag-, nieuws- en huis-aan-huisbladen van de zakelijke inhoud van het ontwerp beheerplan. Is het ontwerp beheerplan van V&W, Financiën, Defensie of LNV afkomstig, dan wordt daarvan ook in de Staatscourant kennis gegeven. In beide gevallen wordt bij de kennisgeving vermeld: waar en wanneer de stukken ter inzage liggen, wie zijn zienswijze daarop mag geven, hoe dat kan gebeuren en de termijn waarbinnen het besluit wordt genomen - De termijn voor het geven van een zienswijze is zes weken. De termijn vangt aan op de dag waarop het ontwerp ter inzage wordt gelegd. - Belanghebbenden kunnen hun zienswijze schriftelijk of mondeling (in een gesprek of bijeenkomst) naar voren brengen. Van wat mondeling naar voren wordt gebracht, wordt verslag gemaakt. Door het bevoegd gezag kan worden bepaald dat ook anderen dan de belanghebbenden hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Procedure vaststellen beheerplannen - Gedeputeerde Staten stellen beheerplannen vast na overleg met besturen van gemeenten en waterschappen op wiens grondgebied de beheerplannen betrekking hebben. De bevoegde Minister stelt beheerplannen vast na overleg met besturen van provincies, gemeenten en waterschappen op wiens grondgebied de beheerplannen betrekking hebben. - Het beheerplan wordt uiterlijk drie jaar naar de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 vastgesteld, dan wel uiterlijk 3 jaar na publicatie van het aanwijzingsbesluit voor het gebied. Overige procedurele vereisten - Ieder die een zienswijze heeft ingediend, ontvangt bericht dat het besluit (beheerplan) is vastgesteld. Dit kan bijvoorbeeld door toezending van het definitieve beheerplan.toezending kan achterwege blijven als het gaat om meer dan 250 personen. - Een mededeling dat het beheerplan is vastgesteld aan diegenen die geen zienswijze hebben ingediend kan via dag-nieuws-huis-aan-huis bladen en/of Staatscourant. - Belanghebbenden kunnen beroep aantekenen tegen het besluit (beheerplan) bij de Raad van State. Een beroep heeft geen schorsende werking. Geldigheidsduur Het beheerplan heeft een maximale geldigheidsduur van 6 jaar. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid na deze zes jaar de geldigheid van het beheerplan met zes jaar te verlengen. Er moet dan wel een evaluatie hebben plaatsgevonden waaruit blijkt dat een verlenging gerechtvaardigd is en het opstellen van een nieuw beheerplan niet noodzakelijk is. Evaluatie Het bevoegd gezag evalueert tegen het einde van de geldigheidstermijn van het beheerplan het plan om te bepalen of het voor een volgende periode nog wel of niet voldoet. Daarnaast zal er een meer algemene evaluatie zijn waarvoor de minister van LNV verantwoordelijk is. Aan de hand van deze evaluatie zal de minister in overleg met de Europese Commissie en betrokken bevoegde instanties bezien welke aanpassingen voor de instandhoudingsdoelstellingen en/of maatregelen nodig zijn met het oog op de volgende generatie beheerplannen. Over de uitvoering van deze evaluaties zullen in de komende periode afspraken gemaakt gaan worden. 185

187 Bijlage 6: Lijst Natura 2000-gebieden nmr. Natura 2000-gebied Opp.ha. Voortouw 1 Waddenzee GR/FR/NH VR+HR I&M 2 Duinen en Lage Land Texel NH VR+HR EL&I 3 Duinen Vlieland FR VR+HR EL&I 4 Duinen Terschelling FR VR+HR EL&I 5 Duinen Ameland FR VR+HR EL&I 6 Duinen Schiermonnikoog FR VR+HR Provincie 7 Noordzeekustzone GR/FR/NH VR+HR I&M 8 Lauwersmeer GR/FR VR EL&I 9 Groote Wielen FR VR+HR 608 Provincie 10 Oudegaasterbrekken, Fluessen en VR+HR Provincie omgeving FR 11 Witte en Zwarte Brekken FR VR 434 EL&I 12 Sneekermeergebied FR VR EL&I 13 Alde Feanen FR VR+HR Provincie 14 De Deelen FR VR 514 EL&I 15 Van Oordt s Mersken FR VR+HR 864 Provincie 16 Wijnjeterper Schar FR HR 147 EL&I 17 Bakkeveense Duinen FR HR 263 Provincie 18 Rottige Meenthe & Brandermeer FR HR EL&I 19 Leekstermeergebied GR/DR VR Provincie 20 Zuidlaardermeergebied GR/DR VR Provincie 21 Lieftinghsbroek GR HR 20 Provincie 22 Norgerholt DR HR 27 Provincie 23 Fochteloërveen FR/DR VR+HR Provincie 24 Witterveld DR HR 467 Defensie 25 Drentsche Aa gebied DR HR EL&I 26 Drouwenerzand DR HR 223 Provincie 27 Drents-Friese Wold & Leggelderveld DR/FR VR+HR EL&I 28 Elperstroomgebied DR HR 130 EL&I 29 Havelte-Oost DR HR Provincie 30 Dwingelderveld DR VR+HR Provincie 31 Mantingerbos DR HR 47 Provincie 32 Mantingerzand DR HR 810 Provincie 33 Bargerveen DR VR+HR EL&I 34 Weerribben OV VR+HR EL&I 35 Wieden OV VR+HR Provincie 36 Uiterwaarden Zwarte water en Vecht OV VR+HR Provincie 37 Olde Maten & Veerslootlanden OV HR 993 Provincie 38 Uiterwaarden Ijssel OV/GLD VR+HR Provincie 39 Vecht en Beneden-Reggegebied OV HR Provincie 40 Engbertsdijksvenen OV VR+HR EL&I 41 Boetelerveld OV HR 173 Provincie 42 Sallandse Heuvelrug OV VR+HR EL&I 43 Wierdense Veld OV HR 420 Provincie 44 Borkeld OV HR 513 EL&I 45 Springendal & Dal van de Mosbeek OV HR Provincie 46 Bergvennen & Brecklenkampse Veld OV HR 110 Provincie 47 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek OV HR 306 EL&I 48 Lemselermaten OV HR 55 Provincie 49 Dinkelland OV HR 990 Provincie 50 Landgoederen Oldenzaal OV HR 521 Provincie 186

188 nmr. Natura 2000-gebied Opp.ha. Voortouw 51 Lonnekermeer OV HR 103 Provincie 52 Boddenbroek OV HR 5 Provincie 53 Buurserzand & Haaksbergerveen OV HR Provincie 54 Witte Veen OV HR 294 Provincie 55 Aamsveen OV HR 146 Provincie 56 Arkemheen GLD VR Provincie 57 Veluwe GLD VR+HR Provincie 58 Landgoederen Brummen GLD HR 698 Provincie 59 Teeselinkven GLD HR 20 Provincie 60 Stelkampsveld GLD HR 90 EL&I 61 Korenburgerveen GLD HR 509 Provincie 62 Willinks Weust GLD HR 39 EL&I 63 Bekendelle GLD HR 93 Provincie 64 Wooldse Veen GLD HR 57 Provincie 65 Bennekomse Meent GLD HR 49 EL&I 66 Uiterwaarden Neder-Rijn GLD/UT VR+HR Provincie 67 Gelderse Poort GLD VR+HR Provincie 68 Uiterwaarden Waal GLD VR+HR Provincie 69 Bruuk GLD HR 89 EL&I 70 Zuider Lingedijk & Diefdijk-Zuid GLD/ZH HR 483 EL&I 71 Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem GLD/NB HR 720 Provincie 72 Ijsselmeer FR/NH/FL VR+HR I&M 73 Markermeer & Ijmeer NH/FL VR+HR I&M 74 Zwarte Meer OV/FL VR+HR I&M 75 Ketelmeer & Vossemeer FL VR I&M 76 Veluwerandmeren FL/GLD/OV VR+HR I&M 77 Eemmeer & Gooimeer Zuidoever NH/UT/FL VR I&M 78 Oostvaardersplassen FL VR EL&I 79 Lepelaarplassen FL VR 358 Provincie 80 Groot Zandbrink UT HR 10 EL&I 81 Kolland & Overlangbroek UT HR 179 Provincie 82 Uiterwaarden Lek ZH/UT HR 103 Provincie 83 Botshol UT HR 215 Provincie 84 Duinen Den Helder Callantsoog NH HR 698 Provincie 85 Zwanenwater & Pettemerduinen NH VR+HR 779 Provincie 86 Schoorlse Duinen NH HR EL&I 87 Noordhollands Duinreservaat NH HR Provincie 88 Kennemerland-Zuid NH/ZH HR Provincie 89 Eilandspolder NH VR+HR Provincie 90 Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder NH VR+HR Provincie 91 Polder Westzaan NH HR Provincie 92 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & VR+HR Provincie Twiske FL/FR/NH 93 Zeevang NH VR Provincie 94 Naardermeer NH VR+HR Provincie 95 Oostelijke Vechtplassen NH/UT VR+HR Provincie 96 Coepelduynen ZH HR 198 EL&I 97 Meijendel & Berkheide ZH HR Provincie 98 Westduinpark & Wapendal ZH HR 246 Provincie 99 Solleveld ZH HR 348 Provincie 100 Voornes Duin ZH VR+HR Provincie 101 Duinen Goeree & Kwade Hoek ZH VR+HR Provincie 102 De Wilck ZH VR 116 EL&I 103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ZH/UT VR+HR Provincie 187

189 nmr. Natura 2000-gebied Opp.ha. Voortouw 104 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ZH VR+HR 711 Provincie 105 Zouweboezem ZH VR+HR 258 Provincie 106 Boezems Kinderdijk ZH VR 340 Provincie 107 Donkse Laagten ZH VR 203 EL&I 108 Oude Maas ZH HR 349 I&M 109 Haringvliet ZH VR+HR I&M 110 Oudeland van Strijen ZH VR Provincie 111 Hollands Diep NB VR+HR I&M 112 Biesbosch NB/ZH VR+HR EL&I 113 Voordelta ZH/Z VR+HR I&M 114 Krammer-Volkerak ZH/NB/Z VR+HR I&M 115 Grevelingen ZH/Z VR+HR I&M 116 Kop van Schouwen Z HR Provincie 117 Manteling van Walcheren Z HR 717 Provincie 118 Oosterschelde Z VR+HR I&M 119 Veerse Meer Z VR I&M 120 Zoommeer Z/NB VR I&M 121 Yerseke en Kapelse Moer Z VR+HR 485 Provincie 122 Westerschelde & Saeftinghe Z VR+HR I&M 123 Zwin & Kievittepolder Z VR+HR 143 Provincie 124 Groote Gat Z HR 78 Provincie 125 Canisvlietse Kreek Z HR 143 Provincie 126 Vogelkreek Z HR 100 Provincie 127 Markiezaat NB/Z VR Provincie 128 Brabantse Wal NB VR+HR Provincie 129 Ulvenhoutse Bos NB HR 112 EL&I 130 Langstraat NB HR 488 Provincie 131 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen NB HR Provincie 132 Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek NB HR Provincie 133 Kampina & Oisterwijkse Vennen NB VR+HR Provincie 134 Regte Heide & Riels Laag NB HR 521 Provincie 135 Kempenland West NB HR Provincie 136 Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux NB VR+HR EL&I 137 Strabrechtse Heide & Beuven NB HR EL&I 138 Weerter- en Budelerbergen & Ringselven NB/L VR+HR Provincie 139 Deurnsche Peel & Mariapeel NB/L VR+HR EL&I 140 Groote Peel NB/L VR+HR EL&I 141 Oeffelter Meent NB HR 103 EL&I 142 Sint Jansberg GLD/L HR 225 Provincie 143 Zeldersche Driessen L HR 53 EL&I 144 Boschhuizerbergen L HR 298 Provincie 145 Maasduinen L VR+HR Provincie 146 Sarsven en De Banen L HR 141 Provincie 147 Leudal L HR 315 EL&I 148 Swalmdal L HR 130 Provincie 149 Meinweg L VR+HR Provincie 150 Roerdal L HR 767 Provincie 151 Abdij Lilbosch en voormalig Klooster HR 14 Provincie Mariahoop L 152 Grensmaas L HR 301 I&M 153 Bunder- en Elsloërbos L HR 189 EL&I 154 Geleenbeekdal L HR 226 Provincie 155 Brunssummerheide L HR 538 Provincie 156 Bemelerberg & Schiepersberg L HR 171 Provincie 188

190 nmr. Natura 2000-gebied Opp.ha. Voortouw 157 Geuldal L HR Provincie 158 Kunderberg L HR 95 EL&I 159 Sint Pietersberg & Jekerdal L HR 221 Provincie 160 Savelsbos L HR 211 EL&I 161 Noordbeemden & Hoogbos L HR 43 Provincie 162 Abtskolk NH VR Provincie 163 klaverbank HR I&M 164 friese front VR I&M 165 doggersbank HR I&M 166 vlakte van de raan HR I&M 167 noordzeekustzone 2 VR+HR I&M 189

191 Bijlage 7: Kaart Natura 2000-gebieden De kaart met alle Natura 2000-gebieden is via de volgende link te openen: Deze kaart geeft een grafisch overzicht van de voortgang van Natura

192 Bijlage 8: Juridische achtergrond van de term significante gevolgen Het begrip significante gevolgen is relevant voor beheerplannen en vergunningverlening, omdat het voorkomt in een aantal artikelen van de Natuurbeschermingswet 1998, met name in art. 19f, lid 1: Voor [vergunningplichtige, voor het beheer niet noodzakelijke] projecten [...] die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer [...] een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. De genoemde passage moet begrepen worden in het licht van art. 19d, lid 1: Het is verboden zonder vergunning [...] projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten [...] kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. In art. 19g, lid 2, staat dat een vergunning als bedoeld in art. 19d, lid 1, alleen kan worden verleend als er geen alternatieven zijn en alleen vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang. Volgens art. 19h moeten er bij vergunningverlening op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang compenserende maatregelen worden getroffen. Het resultaat van deze maatregelen moet zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen zich voordoen (tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen). In art. 19c, lid 1, staat: In de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden draagt Onze Minister ervoor zorg dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In het tweede lid komt een vergelijkbare zin voor. Lid 3 luidt: Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid, behoudens indien dat gebruik een activiteit is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Het begrip significante gevolgen wordt verder nog gebruikt in art. 19f, lid 3, en art. 19h, lid 4. Bovendien bepaalt volgens art. 19a en b dit begrip mede de bovengrens voor activiteiten die in het beheerplan kunnen worden meegenomen. Het begrip significante gevolgen wordt weliswaar niet letterlijk genoemd, maar dat is blijkens de memorie van toelichting wel waar op wordt geduid in de zinsnede tevens kan het beheerplan beschrijven welke handeligen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten [...] het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen [...]. Bovenstaande citaten zijn een uitwerking van de Habitatrichtlijn, die in artikel 6, lid 2, spreekt van een significant effect (verwerkt in art. 19c en art. 19d van de wet) en in artikel 6, lid 3, spreekt van significante gevolgen (verwerkt in art. 19c en art. 19f van de wet). In de Vogelrichtlijn komt het begrip zo niet voor, maar wel het begrip wezenlijke invloed (artikel 4, lid 4). In art. 7 van de Habitatrichtlijn staat echter dat het regime van art. 6 van de Habitatrichtlijn het regime van art. 4, lid 4, van de Vogelrichtlijn vervangt. De hierboven geciteerde artikelen van de wet gelden dus ook voor vogels. 191

193 Bijlage 9: Toelichting op de probleemstelling doelformulering getijdenwateren Gebieden als de Waddenzee en de Westerschelde worden (vrijwel) geheel bedekt door één of meer habitattypen; er is dus vrijwel geen onbenutte ruimte binnen de Natura 2000-begrenzing. Deze habitattypen hebben een behouds- of hersteldoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit. De Habitatrichtlijn verbiedt in beginsel afname van oppervlak en kwaliteit van habitattypen. In de Leidraad bepaling significantie is uitgewerkt wat afname is, namelijk: een meetbare afname ter grootte van het minimumoppervlak van een habitattype (langjarig gemiddelde). Dat minimumoppervlak staat vermeld in het Profielendocument en is voor de meeste habitattypen 1 are. Een oppervlakteverlies groter dan deze oppervlaktedrempel kan significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen, zowel in het geval er een behoudsdoelstelling is als in het geval er een uitbreidingsdoelstelling is. Indien er inderdaad sprake is van significante gevolgen, dan kan toestemming voor alleen worden verleend als de projecten de ADC-toets doorstaan. Dat zijn grote projecten van dwingend openbaar belang (D) waar geen alternatief (A) voor is. Ook zal er gecompenseerd (C) moeten worden. Kleine ingrepen met een relatief bescheiden oppervlakteverlies, zoals aanleg van kribben en uitbreiding van havenhoofden, zijn geen dwingende reden van groot openbaar belang, tenzij wezenlijk voor de bescherming van het gebied (veiligheid), en zouden geen vergunning kunnen krijgen. Toelichting op de twee componenten van de beleidslijn Component 1: Vaststellen waar het habitattype wel en niet voorkomt Gezien de ervaring tot nu toe in de vergunningverleningpraktijk van habitatverlies (Waddenzee: energiecentrales Eemshaven) is het wenselijk om de randvoorwaarden voor het toestaan van gering verlies van aanwezig habitat zo scherp mogelijk te formuleren en bij voorkeur geflankeerd met kwaliteitsverbetering elders binnen het gebied. Daarom is (in elk Natura 2000-gebied) de eerste stap het bepalen waar wel en geen habitattype aanwezig is. Een beeldspraak hiervoor is het identificeren van cement (niet-kwalificerende gebiedsdelen) tussen de stenen (wél kwalificerende gebiedsdelen). Samen zorgen stenen en cement voor een robuust gebied, waarin dynamische processen kunnen plaatsvinden. Voor de buitengrens hoeft dit dus geen gevolgen te hebben. In de getijdengebieden biedt deze eerste stap tot op heden nauwelijks soelaas. Deze grote gebieden bestaan voor (vrijwel) 100% uit habitattypen. Dat wordt veroorzaakt door de ruime definitie van de habitattypen uit de 1100-serie. De Europese definitie van deze typen, waarvan de profielen een uitwerking zijn, is geomorfologisch van aard: aanwezigheid van getij en al dan niet droogvallen bepalen reeds of een bepaald habitattype aanwezig is. De soortenrijkdom is weliswaar een belangrijk kwaliteitscriterium, maar bepaalt niet de oppervlaktegrens. We zien echter mogelijkheden om binnen de getijdenhabitats alsnog onderscheid te gaan maken, zoals ook gebruikelijk is bij de andere (terrestrische) habitattypen. Daarmee perken we deze habitats dus in ten opzichte van wat volgens de letter van de Europese definitie beschermd moet worden, maar we doen dat wel in de geest van wat de Europese definitie heeft bedoeld. Concreet doen we dat door de betekenis voor de biodiversiteit mee te wegen. De Habitatrichtlijn is immers bedoeld voor het beschermen van biodiversiteit en het is gezien de problematiek van de 1100-serie plausibel om daar in de definitie van habitattypen iets mee te doen. Bijvoorbeeld wordt gedacht aan gedeelten met een onnatuurlijk lage soortenrijkdom of sterk afwijkende soortensamenstelling. Daarbij zal er op worden gelet dat de definitie niet zodanig sterk wordt beperkt dat vormen van medegebruik (zoals bevissing) direct zouden leiden tot vernietiging van een habitattype. Uiteraard zal de uitkomst van deze zoektocht per gebied en habitattype verschillend zijn. Zo mogen de verwachtingen ten aanzien van H1130 in de Westerschelde niet hoog zijn omdat binnen de Westerschelde al veel onderzoek is geweest naar alternatieven voor ontpolderingen. 192

194 In juridische zin gaat het om het onderscheid tussen (goede en) matige kwaliteit enerzijds en verwaarloosbare kwaliteit anderzijds. In Nederland hebben we ervoor gekozen om verwaarloosbare kwaliteit niet tot het habitattype te rekenen (want volgens de HR hoeft verwaarloosbare kwaliteit niet te worden beschermd). Met deze oplossing wordt het mogelijk om projecten ten uitvoer te brengen indien die zo gelokaliseerd zijn dat ter plekke geen habitattype verloren gaat. Gebeurt dat wel, dan is het mogelijk om de afname uit te ruilen met het ontwikkelen van habitat in het cement en vervolgens via een verslechteringstoets of passende beoordeling maar zonder ADC-toets een vergunning te verkrijgen. Het is niet de verwachting dat door deze herdefiniëring op basis van biodiversiteit grote oppervlakten niet meer tot een habitattype zullen behoren. Dat hoeft ook niet, want ook een klein percentage zou al tot een belangrijke oplossing leiden voor de ontstane uitvoeringsproblemen. Component 2: cumulatieve oppervlaktegrenswaarde 10 ha Het is mogelijk om voor de zeer grootschalige habitattypen een hogere, ecologisch goed te onderbouwen, drempelwaarde af te leiden dan de geldende 1 are, waaronder geen sprake kan zijn van significante schade als gevolg van oppervlakteverlies. Voor H1110 (Permanent overstroomde zandbanken), H1130 (Estuaria), H1140 (Slik- en zandplaten) en H1160 (Grote baaien) wordt de oppervlaktegrenswaarde van 1 are maal hoger: 10 hectare. Deze grenswaarde is tevens het oppervlak waar beneden deze habitattypen (juridisch gezien) slechts verwaarloosbaar aanwezig zijn. Volgens de HR hoeft een verwaarloosbare oppervlakte niet te worden beschermd. De lijn zal dus worden: bij een ingreep waarbij een oppervlakteverlies van minder dan 10 ha optreedt, is geen sprake van significante effecten, tenzij de ingreep leidt tot aantasting van het fysischecologisch functioneren van het ecosysteem. In het laatste geval dient altijd een passende beoordeling uitgevoerd te worden en eventueel ook de ADC-toets doorlopen te worden. In het andere geval is er nog wel een vergunning noodzakelijk via de verslechteringstoets. Met andere woorden: onder de 10 ha wordt alleen gekeken naar mogelijk significante effecten op kwaliteit. De kwaliteitstoets kan zich richten op essentiële voorkomens van typische soorten, waardoor kwaliteit op gebiedsniveau mogelijk in gevaar komt, of een ingreep ligt bijvoorbeeld op een ongelukkige lokatie zodat geomorfologische processen in de war worden gestuurd. Deze 10 ha vormt een maximum per habitattype per gebied, waar niet overheen gegaan mag worden, omdat een netto-vermindering van meer dan 10 ha ten opzichte van de instandhoudingsdoelstelling significant is. Hierbij zij opgemerkt dat de grootte van het Natura 2000-gebied dus op zich niet relevant is. Volgens de Leidraad hangt de significantie niet af van het percentage dat door een ingreep afneemt. Er moet een cumulatieboekhouding bijgehouden worden van zowel afnames als toenames per habitattype, zodat per beheerplanperiode kan worden geëvalueerd hoe het gaat met de instandhoudingsdoelstelling. De maximale afname van 10 ha geldt tot het moment dat er weer nieuwe ruimte in het gebied wordt gecreëerd bijvoorbeeld het uit gebruik nemen van een haventje. Dat biedt ruimte voor ontwikkeling van habitat. Als het boven de 10 ha gaat om gevallen van dwingend openbaar belang dan blijft de ADC-procedure altijd mogelijk. De nieuwe grens van 10 ha is goed ecologisch te onderbouwen, want hij is gebaseerd op het functioneren van de betreffende habitattypen en de eisen van de daarin voorkomende levensgemeenschap. Een hogere grens (bijvoorbeeld 100 ha) is ecologisch echter níet te onderbouwen. 193

195 Bijlage 10: Doorloopschema bepaling significantie In dit doorloopschema staan de benodigde stappen vermeld. Na het doorloopschema zijn een paar voorbeelden opgenomen met verschillende uitkomsten. Voorbeeld 1: aanleg windmolenpark langs een rietmoeras met purperreigers Wat wordt mogelijk aangetast? De omvang van de populatie van de Purperreiger in het gebied, doordat net buiten het gebied windturbines worden geplaatst. Purperreigers kunnen tegen een windturbine aan vliegen wanneer ze buiten het Natura 2000-gebied naar voedsel zoeken, met fatale gevolgen. Precisie De populatie-omvang purperreigers wordt gemeten in broedparen. Begintoestand 194

196 In het aanwijzingsbesluit staat als instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren. Actuele toestand Door verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is het aantal broedparen inmiddels gedaald tot 90; inclusief jonge vogels gaat het om 300 dieren. Verwachte afname Naar verwachting zal er eens per tien tot twintig jaar een Purperreiger sterven als gevolg van de te plaatsen windmolens, dat is 0,05 0,1 sterfgevallen per jaar. Kleiner of groter dan de minimum-oppervlakte/omvang? Van meetbare sterfte veroorzaakt door de activiteit ten opzichte van natuurlijke sterfte is pas sprake indien de extra sterfte meer dan 1% van de natuurlijke jaarlijkse sterfte is. Uit onderzoek blijkt dat er van de broedpopulatie in het gebied jaarlijks gemiddeld twintig purperreigers sterven. De drempel van 1% is dus 0,2 sterfgevallen per jaar. De verwachte additionele sterfte is maximaal 0,1. De drempel wordt niet overschreden, dus er is geen sprake van een meetbaar effect. Daarmee is ook een significant effect uitgesloten. Voorbeeld 2: bouw van een woonwijk naast een leefgebied van kamsalamanders. Wat wordt mogelijk aangetast? De kwaliteit van het leefgebied van de Kamsalamander, doordat als gevolg van de bouw van een woonwijk de gemiddelde regionale grondwaterspiegel permanent daalt, waardoor één van de drie voortplantingswateren droogvalt en niet meer beschikbaar is als leefgebied. Precisie Volgens de geraadpleegde deskundigen moet een poel minimaal 1 are groot zijn om te kunnen dienen als voortplantingswater voor kamsalamanders. Voor de mate van precisie wordt daarom de are gehanteerd. Begintoestand In het aanwijzingsbesluit staat als instandhoudingsdoelstelling: behoud oppervlakte leefgebied. Het leefgebied omvat (naast overwinterings- en foerageerhabitat) uit drie poelen waarin wordt voortgeplant, tezamen 5 are. Actuele toestand De actuele omvang van het leefgebied, onderdeel voortplantingswateren, is gelijk gebleven, dus 5 are. Verwachte afname Door de bouw van de woonwijk wordt één van de drie poelen niet meer met grondwater gevoed. Deze poel is 1 are groot; het leefgebied zal dus als gevolg van de ingreep afnamen met 1 are. Kleiner of groter dan de minimum-oppervlakte/omvang? De minimum-oppervlakte om van een voortplantingswater te spreken, is 1 are (zie Precisie). Deze drempel wordt precies gehaald, dus er is een meetbaar negatief effect. Daar komt bij dat het totale leefgebied (onderdeel voortplantingsgebied) slechts 5 are is, waarvan 1 are een substantieel deel is. Kan de verwachte afname ten opzichte van de actuele situatie leiden tot het niet halen van de instandhoudingsdoelstelling? De afname met 1 are zal leiden tot een resterende oppervlakte van 4 are, wat minder is dan bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling (5 are). Kan de afname worden opgevangen door de veerkracht? In het gebied ontstaan van nature niet zomaar nieuwe voortplantingswateren. Daardoor kan niet aannemelijk worden gemaakt dat de door de activiteit veroorzaakte afname kan worden opgevangen door de veerkracht van het leefgebied. Een significant negatief effect is dus zeer waarschijnlijk. Na deze significantiebepaling kan overigens in het kader van een passende beoordeling wel aannemelijk worden gemaakt dat tijdige aanleg van een nieuwe poel van minimaal 1 are, in een niet door de grondwaterverlaging aangetast deel van het gebied, zal leiden tot een netto niet afnemende oppervlakte leefgebied. Deze aanleg mitigeert het verwachte significante gevolg dus volledig. 195

197 Bijlage 11: Schematische weergave habitattoets 196

198 Bijlage 12: Mitigatie en Natura 2000 Accoord RG , versie In welke fase van de beoordeling van een activiteit moeten mitigerende maatregelen beoordeeld worden? De habitattoets bestaat uit verschillende stappen. De eerste stap is de voortoets. Bij deze toets wordt een inschatting gemaakt van de gevolgen die de voorgenomen activiteit zal hebben op de natuurwaarden van het gebied. In het geval er een kans op negatieve gevolgen is, maar deze gevolgen zeker niet significant zullen zijn, moet er een verslechteringstoets worden uitgevoerd. Als de kans op significant negatieve effecten niet is uit te sluiten, moet er een passende beoordeling worden gemaakt. De vraag die hier aan de orde is, is op welke wijze de activiteit in de voortoets en bij een passende beoordeling beoordeeld moet worden; met of zonder mitigerende maatregelen. Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die erop gericht zijn de negatieve gevolgen van een plan of project hetzij tijdens de uitvoering daarvan, hetzij achteraf, te beperken of zelfs te neutraliseren. De Europese Commissie is in haar richtsnoeren (Assessment of plans and projects significantly affecting Natura 2000 sites, EU Guidance) duidelijk over het antwoord op deze vraag. In paragraaf 32. is opgenomen dat om te bepalen wat de effecten zijn van een activiteit, de activiteit los van eventuele mitigerende maatregelen bekeken moet worden. Op deze manier kan duidelijk in beeld worden gebracht wat de effecten zijn en welk type mitigerende maatregelen eventueel getroffen moet worden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich in de Zuiderklip-uitspraak (zaaknummer /1) op hetzelfde standpunt gesteld als de Commissie. De Afdeling stelt dat bij het beoordelen of er sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen bezien moet worden of het plan als zodanig niet leidt tot significante negatieve gevolgen. Nadat de gevolgen zijn vastgesteld kunnen mitigerende maatregelen wel worden betrokken bij de beslissing of het project of plan kan worden goedgekeurd. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat mitigerende maatregelen pas bij de passende beoordeling betrokken mogen worden bij de beoordeling van de activiteit. 197

199 Bijlage 13: Prioritaire soorten en habitats in Nederland Prioritaire soorten: 1340 Noordse Woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) 1078 Spaanse vlag (Callimorpha quadripunctata) Prioritaire habitats: 2130 Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen) 2140 Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum 2150 Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea) 6110 Kalkminnend of basifiel grasland op rotsbodem behorend tot het Alysso-Sedion albi 6120 Kalkminnend grasland op dorre zandbodem 6210 Droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende facies op kalkhoudende bodems (Festuco- Brometalia) 6230 Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) 7110 Actief hoogveen 7210 Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae 7220 Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) 91D0 Veenbossen 91 E 0 Alluviale bossen met Alnus glutinosae en Fraxinus excelsior (Alno- Padion, Alnion incanae, Salicion albae) 198

200 Bijlage 14: Uitwerken instandhoudingsdoelstellingen in tijd, ruimte en omvang Deze notitie geeft in hoofdlijnen aan welke plek de instandhoudingsdoelstellingen binnen het beheerplan innemen en hoe de instandhoudingsdoelstellingen in het beheerplan in tijd, ruimte en omvang kunnen worden uitgewerkt. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit al opgestelde beheerplannen. Kader In de Intentieverklaring Beheerplannen Natura zijn de belangrijkste stappen opgenomen om te komen tot een kwalitatief goed en volledig beheerplan. Elk beheerplanproces doorloopt de volgende stappen, die afhankelijk van de complexiteit van het beheerplan in meer of mindere mate moeten worden uitgewerkt: 1) Bevoegd gezag werkt de instandhoudingdoelstellingen uit het (ontwerp) aanwijzingsbesluit in omvang, ruimte en tijd verder uit. 2) Bevoegd gezag beschrijft vervolgens de maatregelen. 3) Daarna toetsen zij dit maatregelenpakket op ecologisch doelbereik en sociaal economische gevolgen. Bij elk van deze drie stappen betrekken zij de belangenorganisaties voor advies. 4) Bevoegd gezag stelt vast of het maatregelenpakket voldoende effectief (haalbaar) en efficiënt (betaalbaar) is en besluit, wanneer dit niet het geval blijkt, of een heroverweging noodzakelijk is. Ad 3) Met betrekking tot de toetsing van sociaal economische gevolgen werkt het Regiebureau samen met een aantal maatschappelijke organisaties aan een notitie. In deze notitie worden voorbeelden opgenomen om te laten zien hoe ruimte voor sociaal economische ontwikkelingen in beheerplannen een plaats kan krijgen. Ad 4) Deze heroverweging kan inhouden dat bij de uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen wordt geschoven in oppervlakte, tijd of maatregelenpakketten. Vaak kan dit zonder het aanwijzingsbesluit te veranderen. Daarnaast zijn er een aantal momenten waarop de natuurdoelen in het aanwijzingsbesluit herijkt en zonodig bijgesteld kunnen worden 86 : - bij de definitieve aanwijzing gebaseerd op de zienswijzen en op evident nieuwe inzichten die volgen uit het beheerplanproces; - bij de geplande evaluatie in 2015, waarin ook de ervaringen van de eerste beheerplannen kunnen worden meegenomen; - in tussentijd kan de minister, waar nodig, met concrete voorbeelden naar Brussel gaan om draagvlak te krijgen voor aanpassingen of voorgestane oplossingen. Werkwijze In het aanwijzingsbesluit zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied opgenomen. Deze instandhoudingsdoelstellingen moeten in een beheerplan worden uitgewerkt in tijd (wanneer worden de doelen gerealiseerd), ruimte (waar in het gebied worden de doelen gerealiseerd) en omvang (welke oppervlakte of hoeveel aantallen van de doelen moeten worden gerealiseerd en met welke kwaliteit). De mate van detail van deze uitwerking moet passen bij de doelstellingen en karakteristieken van het betreffende Natura 2000-gebied. Om activiteiten (zowel bestaande als toekomstige) op een juridisch houdbare manier te kunnen toetsen is een goede en volledige beschrijving nodig van de aanwezige Natura 2000-waarden (zowel in oppervlakte als kwaliteit van Natura 2000-habitattypen, aantallen van Natura 2000-soorten en 85 De Intentieverklaring Beheerplannen Natura 2000 is op 8 mei 2008 ondertekend door de betrokken bevoegde gezagen en maatschappelijke organisaties. 86 Zie brief van minister Verburg (Stand van zaken Natura 2000) aan Tweede Kamer d.d. 26 januari

201 oppervlakte en kwaliteit van hun leefgebied), én de ecologische processen die hieraan ten grondslag liggen. In de Checklist Beheerplannen 87 zijn hiervoor aandachtspunten en hulpdocumenten genoemd. Uit het beheerplan moet blijken hoe en op welke termijn de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. De precieze bijdrage per gebied aan de landelijke uitbreidings- en verbeterdoelen is bewust niet altijd vooraf bepaald. Dit omdat op het niveau van de beheerplannen vaak het beste bepaald kan worden waar, in welke omvang en in welk tempo de realisering van doelen kan plaatsvinden. In interactie met betrokken gebruikers en beheerders kunnen de potenties van een gebied maximaal worden benut op een effectieve (haalbare) en efficiënte (betaalbare) manier. Wel dient men in ieder gebied rekening te houden met de landelijke streefbeelden en de relatieve bijdrage die ieder gebied daaraan kan leveren zodat op lange termijn een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau wordt geborgd. In de Checklist Beheerplannen zijn hiervoor aandachtspunten en hulpdocumenten genoemd. Beschikbare hulpmiddelen en literatuur: - Handreiking Beheerplannen Natura 2000-gebieden, Minister van LNV - Checklist beheerplannen Natura 2000, Steunpunt Natura 2000, 14 mei Natura 2000-beheerplannen: binnen Nederlandse kaders samenwerken aan Europese natuur (artikel in De Levende Natuur, jaargang 108, nummer 6) - Intentieverklaring Beheerplannen Natura 2000, 8 mei Beheerplannen Natura 2000: Sociaal economische gevolgen en ontwikkelingsruimte, Regiebureau en diverse maatschappelijke organisaties (in prep.) - Landschapsecologische systeemanalyse, OBN (in prep.) Voorbeelden Onderstaande voorbeelden zijn afkomstig uit op dit moment beschikbare beheerplannen. Per voorbeeld is aangegeven welk onderdeel goed is uitgewerkt en welke onderdelen nog ontbreken (indien relevant). Als op een later moment nieuwe voorbeelden beschikbaar komen, dan zullen deze worden toegevoegd. Voorbeeld Vlijmens Ven: uitwerking in ruimte en omvang In dit beheerplan worden de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen uitgewerkt in omvang en ruimte. Ook het tijdsapect is beschreven, maar dit is niet exact gekwantificeerd. Ook het aspect kwaliteit is niet uitgewerkt. Onderstaande tekstdelen zijn overgenomen uit het beheerplan [Beheerplan Natura 2000 Vlijmens ven, Moerputten en Bossche Broek (132), werkdocument versie 11 d.d. 24 april 2009, Royal Haskoning i.o.v. provincie Noord-Brabant]. Uitgangspunt voor de kwantificering is de situatie van In tabel 2.2 zijn de instandhoudingsdoelstellingen in ruimte en tijd gekwantificeerd. De oppervlaktes zijn gebaseerd op schattingen en afhankelijk van natuurlijke variatie en processen en detailuitwerking van de plannen. De fasering van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen wordt grotendeels gestuurd door grondverwerving zoals hierboven nader is beschreven. Tabel 2.2: De instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen in ruimte en tijd Code Nederlandse naam Deelgebied Huidig areaal* Toekomstig areaal** H3140 Kranswierwateren Bossche Broek 0 > 0? Vlijmens ven en 0,03 0,3 ha Moerputten H6410 Blauwgrasland Bossche Broek 11,0 34,0 Vlijmens ven en 17,0 172,0 Moerputten H6510AB Glanshaver- en Bossche Broek 38,5 133,0 Vossenstaarthooilanden Vlijmens ven en Moerputten 15,0 72,0 87 Checklist beheerplannen Natura 2000, Steunpunt Natura 2000, 14 mei

202 Overige bestaande natuurwaarden Overige nieuwe natuurwaarden (graslanden, moeras, etc.) 294,7 Totaal 931 *: Bepaald aan de hand van de habitattypenkaart uit het gebiedsproces **: Bepaald aan de hand van de kaarten uit DLG (2008) en Buskens & Segers (2008) Ten aanzien van alle instandhoudingsdoelstellingen zal onderstaand kort ingegaan worden op de doelen uit deze visie en de kwantificering in tijd en ruimte. Kranswierwateren Deze komen thans sporadisch en kortdurend voor. In ongeveer 22 kilometer nieuwe en bestaande sloten in de kwelgebieden van Vlijmens Ven en de Maij zal het beheer deels gericht zijn op het geschikt maken en behouden van kranswiervegetaties. Deze 22 kilometer omvatten ongeveer 3 hectare slootbodem. Hiervan zal na de eerste beheerplanperiode naar verwachting gemiddeld 10% voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor kranswierwateren. Binnen deze 22 kilometer zullen continue nieuwe delen geschikt gemaakt worden, terwijl door successie elders de vegetaties weer verdwijnen. Al aan het einde van de eerste beheerplanperiode wordt verwacht de instandhoudingsdoelstelling van 3000 m2 kranswierwateren in sloten in het gebied bereikt te hebben. Dit is ongeveer een vertienvoudiging van het huidige oppervlak. Blauwgrasland De huidige percelen blauwgrasland bestaan vaak al vele jaren en zullen behouden blijven. Soms door ingrepen in de hydrologie en altijd door gericht beheer. Door generiek beleid zal de depositie van stikstof afnemen. Hierdoor zal de kwaliteit van de blauwgraslanden toenemen. Door afplaggen en ingrepen in de hydrologie zullen grote nieuwe delen geschikt worden voor blauwgrasland. Tijdens de eerste beheerplanperiode zullen deze gronden deels nog verworden en grotendeels nog ingericht moeten worden. De hydrologie zal naar verwachting pas aan het einde van de eerste beheerplanperiode op orde zijn omdat hiervoor eerst alle gronden verworven moeten zijn. De voornaamste toename van de blauwgraslanden zal daarom vooral in de tweede beheerplanperiode, vanaf 2018 plaats vinden. In de eerste beheerplanperiode zijn maatregelen vooral gericht op behoud van bestaande blauwgraslanden en ontwikkelen van blauwgraslanden op percelen waar herinrichting al heeft plaatsgevonden of de komende paar jaar zal plaatsvinden. Op langere termijn zal het oppervlakte blauwgrasland van ongeveer 28 hectare naar ruim 200 hectare gaan. Dit betreft dan deels mozaïeken waarbij blauwgrasland de belangrijkste component zal zijn. Voorbeeld Elperstroomgebied: uitwerking in tijd en ruimte In dit beheerplan worden de instandhoudingsdoelstellingen in de tijd (korte en lange termijn) en in de ruimte (lokalisering van hectares) duidelijk uitgewerkt. Onderstaande tekstdelen en kaarten zijn overgenomen uit het beheerplan [Beheerplan Elperstroom Natura 2000, Ontwerp versie 0.7 d.d. 5 november 2009, Staatsbosbeheer en Dienst Landelijk Gebied]. Het beheerplan voor het Natura 2000-gebied Elperstroom geeft informatie over de plaats (waar in gebied), omvang (hoeveel, oppervlak) en tijd (wanneer doel realiseren) van de instandhoudingsdoelen. In deze paragraaf wordt een en ander uitgewerkt. In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelen in omvang en tijd weergegeven. Wat betreft tijd is er onderscheid gemaakt in realisatie van de doelen voor de komende beheersplanperiode (6 jaar; korte termijn) en de lange termijn (>6 jaar). De ruimtelijke uitwerking van de doelen is weergegeven op de kaarten 5.1 en

203 Vochtige heiden op hogere zandgronden (H4010_A) Huidige situatie In de huidige situatie is een klein areaal met habitattype vochtige heiden aanwezig (kaart 5.1). Doelstelling korte termijn Op korte termijn kunnen binnen de huidige reservaatsgrenzen lokaal kleine arealen vochtige heiden gerealiseerd worden (circa 1 hectare). Doelstelling lange termijn Er zijn goede mogelijkheden om dit habitattype uit te breiden, met name op de oostflank van het beekdal. Deze uitbreiding kan plaatsvinden in mozaïeken met het habitattype heischrale graslanden. Op kaart 5.2 is aangegeven waar het habitattype vochtige heide gerealiseerd kan worden. Er kan circa 40 hectare vochtige heide met een goede kwaliteit worden ontwikkeld. Het habitattype Vochtige heide betreft de plantengemeenschap de associatie van gewone dophei en daarvan met name de typische subassociatie en in mindere mate (circa 5%) de subassociatie met veenmos. Voor realisatie van de verbeterdoelstelling is een verhoging van de grondwaterstand door herstel van de waterhuishouding noodzakelijk. Ook dient de voedselrijkdom van de bodem sterk verlaagd te worden. Verwacht wordt dat de verbeteropgave voor Vochtige heide vooral gerealiseerd kan worden op de lange termijn (>6 jaar) waarvan een groot deel (40%) binnen 20 jaar. Grauwe klauwier (A338) Huidige situatie In de huidige situatie zijn er jaarlijks maximaal drie broedparen aanwezig. Doelstelling korte termijn Voor de korte termijn wordt gestreefd om dit aantal te behouden. Doelstelling lange termijn Voor de lange termijn wordt gestreefd naar minimaal vijf broedparen. In de huidige situatie is het voedselaanbod mogelijk een beperkende factor. Voor de realisatie van de verbeterdoelstelling wordt de kwaliteit van het leefgebied verbeterd, vooral door een grotere variatie aan te brengen in het leefgebied en door het lokaal aanpassen van het maaibeheer. Daarnaast lift de vogel mee met de 202

204 maatregelen voor de habitattypen Blauwgrasland, Kalkmoeras, Natte heiden en Heischraal grasland. Verwacht wordt dat het verbeterdoel voor de grauwe klauwier voor de lange termijn (>6 jaar) kan worden gerealiseerd. De populatie in het Elperstroomgebied is afhankelijk van instroom van vogels van elders. De instroom is ondermeer afhankelijk van de situatie in andere broedgebieden (o.a. Bargerveen, Noord-Duitsland). Dit betekent dat de realisering van het instandhoudingsdoel (een geschikt leefgebied voor ten minste vijf broedparen) factoren meespelen die buiten het gebied en derhalve buiten de invloedsfeer van dit beheerplan liggen. 203

205 Voorbeeld Grensmaas: uitwerking omvang en tijd In dit beheerplan zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Grensmaas goed gekoppeld aan de omstandigheden in het gebied. De uitwerking van de omvang is een combinatie van oppervlakte- en kwaliteitseisen die worden gesteld. Ook het aspect tijd is gespecificeerd. Onderstaande tekstdelen zijn overgenomen uit het beheerplan [Beheerplan Natura 2000 Grensmaas , Rijkswaterstaat Limburg, ontwerp/beheerplan, definitief, 21 januari 2009]. 204

206 Samenvattend In tabel 8.2 zijn per soort en habitattype de gekwantificeerde (voor zover mogelijk) doelstellingen weergegeven. Tabel 8.2 Doelstellingen voor de beschermde habitats en soorten Eur. Nr. H3260 B Habitatype/soort Beken en rivieren met waterplanten Huidige situatie 27 ha potentieel habitat (<0,5 ha reëel habitat). 6 halve km-vakken H6430 A Ruigten en zomen 0,5 ha behoud oppervlakte, behoud kwaliteit H91E0 Vochtige alluviale 15 ha behoud oppervlakte, behoud A bossen kwaliteit H3270 Slikkige 142 ha behoud oppervlakte, rivieroevers slechte kwaliteit verbetering kwaliteit H1337 Bever 3 territoria uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied, uitbreiding populatie H1163 Rivierdonderpad (Cottus rhenanus) H1106 Zalm H1099 Rivierprik komt niet voor 27 ha potentieel habitat vrije doortrek, soms onderschrijding Zalmnorm vrije doortrek, soms onderschrijding Zalmnorm instandhoudingsdoelstelling Vertaling lokale doelstelling voor 2009 t/m 2014 uitbreiding oppervlakte, minimaal 18 halve km-vakken als behoud kwaliteit meerjarig gemiddelde 45 ha potentieel habitat behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied, behoud (vestiging) populatie behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied, uitbreiding populatie behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied, uitbreiding populatie H1037 Gaffellibel komt niet voor behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied, uitbreiding populatie 0,5 ha continuering beheer 15 ha, continuering beheer gevarieerdere samenstelling substraat door uitvoering van het Grensmaasproject en eventueel grindsuppletie Vermindering sliblast door vermindering effluent (buitenland). Vermindering dagelijkse waterstandschommelingen bij zomerafvoeren 6 territoria vestiging kleine populatie 45 ha potentieel habitat vrije doortrek, voldoende waterkwaliteit (Zalmnorm) vrije doortrek, voldoende waterkwaliteit (Zalmnorm) aantoonbare opgroei van Rivierprik populatie van minimaal 150 ex. H3260B Stromende beken en rivieren met waterplanten, subtype B (variant met Vlottende waterranonkel) Lokale doelstelling Grensmaas: Om de landelijke doelstelling te halen moet het huidige areaal aan ondiep, stromend water met een gevarieerde grindsortering toenemen. Per saldo moet dit resulteren in meer en betere vestigingsplekken voor karakteristieke soorten van dit habitattype als Vlottende waterranonkel en bijbehorende macrofauna (o.a. Gaffellibel). Dit habitattype is hierbij geformuleerd als ondiep stromend water met een waterdiepte van 0 tot 80 cm en een stroomsnelheid van 0,3 tot 1 m/s bij q10 (afvoer van 10 m 3 /s). Bij dit habitattype moet echter onderscheid worden gemaakt tussen het potentiële areaal en reële areaal. Het huidige potentiële 205

207 areaal aan ondiep, stromend water bedraagt bij een afvoer van 10 m 3 /s, 27 ha (modelberekening Ecodyn, INBO). Het reële areaal is echter veel lager omdat de huidige standplaatsen niet optimaal zijn, vooral door het ontbreken van fijne grindfracties, de extreme hoogwaterdynamiek en hoge sliblast. Deze factoren vormen dan ook belangrijke knelpunten voor dit habitattype. Door uitvoering van het Grensmaasproject (zonder aanleg van drempels) kan dit potentiële areaal toenemen tot maximaal 45 ha. Binnen de 27 ha potentieel habitat kwamen in 2006 slechts circa 10 standplaatsen van Vlottende waterranonkel voor. Vanwege de moeilijkheid om het reële areaal in harde hectares weer te geven wordt de kwantitatieve doelstelling in dit beheerplan als volgt geformuleerd: Op termijn moet Vlottende waterranonkel als meerjarig gemiddelde in minimaal 18 halve kilometerhokken (methode Verbeek e.a., 1996) terugkeren. Naar verwachting komt deze doelstelling redelijk overeen met een areaal van 45 ha stromend ondiep water ( diep, 0,3-1 m/s bij q=10 m3/s) dat voor het grootste deel (>50%) bestaat uit fijnere grindfracties (0,2-3 cm). 18 halve kilometerhokken komen overeen met het voorkomen van de soort in thans zeer goede jaren, met weinig waterstandschommelingen, zoals 1996 (in 2006 was slechts sprake van voorkomen in 6 halve-kilometerhokken). Dit doel kan mogelijk alleen gehaald worden als verbreding van het huidige rivierbed heeft plaatsgevonden in het kader van het Grensmaasproject. Daarmee kan het halen van de doelstelling buiten de looptijd van dit beheerplan vallen (tot 2015). Voor dit habitattype worden in dit beheerplan de volgende doelstellingen beschreven: Uitbreiding van potentieel areaal met van 0 tot 80 cm en een stroomsnelheid van 0,3 tot 1 m/s bij q10 van 27 naar 45 ha. Uitbreiding van het reële areaal door kwaliteitsverbetering van de huidige 6 halve-kilometervakken naar 18 als meerjarig gemiddelde. Voorbeeld uitwerking kwaliteit Een voorbeeld waarin de instandhoudingsdoelstellingen in kwalitatieve zin duidelijk zijn uitgewerkt is op dit moment niet beschikbaar. Er zijn wel goede beschrijvingen van de kwaliteiten in de huidige situatie (zie bijvoorbeeld het Conceptbeheerplan Oeffelter Meent), maar dit onderdeel is nog niet goed uitgewerkt in de instandhoudingsdoelstellingen. 206

208 Bijlage 15: Programma van eisen gebiedsgerichte monitoring Door Regiegroep Natura 2000 vastgestelde nota d.d. juli Algemeen Natura 2000 heeft als hoofddoelstelling het waarborgen van biodiversiteit in Europa. Belangrijke instrumenten hiervoor zijn de Vogel-en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen beogen de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. Om verdere achteruitgang van de biodiversiteit te voorkomen worden gebieden met kwetsbare soorten en habitattypen aangewezen als speciale beschermingszone. Deze Natura 2000-gebieden zijn geschikt om het voortbestaan van kwetsbare soorten en habitattypen in grote mate te verzekeren. Daarom zal in en rondom de Natura 2000-gebieden rekening moeten worden gehouden met de randvoorwaarden voor het voortbestaan van de soorten en/of habitattypen waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Op landelijk niveau wordt over de staat van instandhouding van de kwetsbare soorten en habitattypen door Nederland (de lidstaten) aan Brussel gerapporteerd (Habitatrichtlijn art.17). De aanmelding van de gebieden heeft plaatsgevonden door middel van het Standaard Gegevensformulier (Standard Data Form SDF), in Nederland ook bekend als de Natura 2000-database. De SDF s worden ook gebruikt om de Europese Commissie op de hoogte te brengen van veranderingen in de gebieden. Daarnaast moeten de SDF s parallel met de artikel 17 rapportage van de Habitatrichtlijn bijgehouden worden. Waar voor het rapporteren volgens art. 17 van de Habitatrichtlijn de eis geldt dat de informatie gebaseerd moet zijn op vaste meetsystemen geldt dat niet voor het invullen van het standaardgegevensformulier. Het invullen van dit formulier mag bij gebrek aan gegevens op basis van expert judgement. Om de landelijke staat van instandhouding te verbeteren en de landelijke instandhoudingsdoelstellingen te halen wordt per gebied een beheerplan opgesteld. Daarom zullen, behalve voor de Natura 2000-database, op gebiedsniveau gegevens nodig zijn voor de evaluatie van de beheermaatregelen (instandhoudingsmaatregelen) uit het beheerplan. Het resultaat van het beheer van de gebieden zal uiteindelijk moeten leiden tot een gunstige landelijke staat van de instandhouding van soorten en habitattypen.(hr 3.1,4.1) Gebiedsgerichte monitoring In de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten zijn per gebied instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Deze moeten in een beheerplan worden uitgewerkt. Door middel van monitoring moet worden gevolgd of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste resultaat ten aanzien van de gestelde doelen opleveren en of veranderingen in het gebied of het gebruik in en om het gebied effect hebben op het behalen of behouden van de gewenste doelstelling. Per beheerplanperiode moet hier een uitspraak over worden gedaan. De doelstelling van de gebiedsgerichte monitoring is tweeledig: 33. Monitoring ter evaluatie van het (kwantitatieve) doelbereik: Zijn de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied behaald? 34. Monitoring ter evaluatie van het gebruik en de instandhoudingsmaatregelen in en om het gebied. Dit is nodig voor het kunnen opstellen van een volgend beheerplan en voor het bepalen van de gebiedsbijdrage aan de totale landelijke instandhoudingsdoelstelling van een soort en/of habitattype. Daarnaast zijn de gegevens die de monitoring oplevert van groot belang voor de vergunningverlening. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de inhoud van het programma van eisen gebiedsgerichte monitoring een hulpmiddel kan zijn i.h.k.v. vergunningverlening, maar het is in principe gericht/van toepassing op eisen aan de monitoring(paragraaf) in het beheerplan. De gebiedsgerichte monitoring is vooral maatwerk maar kent een aantal basis eisen. 207

209 Hieronder worden eerst de monitoringsvereisten benoemd. Dan de algemene uitgangspunten. Vervolgens wordt ingegaan op de aspecten van de monitoring. 1.A. Monitoring ten behoeve van doelbereik 1.B. Monitoring van gebruik en maatregelen 2. Uitgangspunten van de monitoring 3.A.Uitwerking aspecten van de monitoring voor doelbereik 3.B.Uitwerking monitoring maatregelen en gebruik 4. Aansluiting bij bestaande monitoring 5. Opslag ecologische data 6. Verantwoordelijkheden 7. De monitoringsparagraaf in het beheerplan. 1.A. Monitoring ten behoeve van doelbereik De monitoring betreft die Habitattypen van Bijlage I en die Soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn en die soorten van de Vogelrichtlijn waarvoor het gebied is aangewezen, inclusief de complementaire doelen, en waarvoor het gebied een instandhoudingsdoelstelling heeft. Dit betreft in totaal: 51 habitattypen, 36 Habitatrichtlijn soorten, 96 Vogelrichtlijnsoorten. a. De bovengenoemde soorten worden gevolgd aan de hand de aspecten omvang populatie en omvang, kwaliteit en draagkracht leefgebied; b. de monitoring van habitattypen richt zich op de omvang oppervlakte en de kwaliteit kan worden gevolgd aan de hand van de kenmerken: vegetatietypen, abiotische randvoorwaarden, typische soorten en overige kenmerken van een goede structuur en functie (Natura 2000 profielendocument). 1.B. Monitoring van gebruik en maatregelen - De effectiviteit van (instandhoudings-) maatregelen moet worden gevolgd om vast te stellen in hoeverre deze hebben bijgedragen aan doelrealisatie. - De effecten van regulier beheer moeten geëvalueerd worden als blijkt uit de bij 1A genoemde monitoring dat het huidige beheer niet het gewenste resultaat heeft. - De invulling van de monitoring van gebruik is zeer gebiedsspecifiek. Insteek is dat er voldoende informatie wordt verzameld om het volgende beheerplan te kunnen schrijven. In het geval van kennisleemte of onzekerheden kan het voor bestaand gebruik nodig zijn om met monitoring en onderzoek zekerheid te verkrijgen. Daarbij is het zinvol om af te wegen of de beschikbare informatie voldoende is als onderbouwing voor vergunningaanvragen. 35. Uitgangspunten van de gebiedsgerichte monitoring - De monitoring dient primair om uitspraken te kunnen doen over het behouden cq bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen over een beheerperiode van zes jaar. - De monitoring is gericht op soorten en habitattypen waarvoor in het Natura 2000-gebied krachtens het definitieve aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen gelden (ook complementaire doelen vallen hieronder). Andere soorten en habitattypen van communautair belang die van belang zijn voor de nationale rapportage over de staat van instandhouding, worden niet actief gemonitord (Het gaat hierbij primair om habitattypen van Annex I en soorten van Annex II van de Habitatrichtlijn en soorten van Annex I van de Vogelrichtlijn). Wel is het wenselijk de hier bedoelde soorten en habitattypen (waarvoor geen gebiedsdoelen gelden), indien deze worden gesignaleerd, te registreren en te melden (i.v.m. mogelijke toekomstige doelbijstelling). - De monitoring is gebiedsspecifiek en vergt maatwerk. - Er wordt maximaal aangesloten bij de huidige meetprogramma s. 208

210 - De inhoudelijke uitwerking van benodigde parameters wordt gebaseerd op de inhoud van het beheerplan en op het Natura 2000-profielendocument. Daarbij mag de inhoud van het beheerplan leidend zijn (i.v.m. maatwerk), mits dit niet in tegenstrijd is met het Natura profielendocument. - De huidige staat van instandhouding en de gebiedsdoelen, de gebiedstrend en de bijdrage van het gebied aan de landelijke doelstelllingen zijn richtinggevend voor de intensiteit en de omvang van de monitoring. Hierbij wordt aangeraden de meetinspanning te richten op het middengebied van de staat van instandhouding omdat daar vandaan het beste gevolgd kan worden of het doel wel of niet bereikt gaat worden. Met dit middenpunt wordt het omslag punt bedoeld waarvandaan een toestand naar gunstig of ongunstig kan omslaan. - Indien deskundigenoordeel expert judgement is toegestaan wil dit niet zeggen dat in deze gevallen altijd uitsluitend gebruik wordt gemaakt van deskundigenoordeel. Uiteindelijk gaat het erom dat er een goede uitspraak kan worden gedaan over de kwantitatieve en kwalitatieve instandhoudingsdoelstellingen. - Voor de evaluatie van instandhoudingsdoelstellingen dienen de kwantitatieve aspecten (zie onder) fysiek gemonitord te worden. Van de kwalitatieve (deel-)aspecten (zie onder) mag (onderbouwd) een keuze worden gemaakt wat, en met welke intensiteit, relevant is om te volgen. Zo wordt aangeraden de kwalitatieve aspecten zwaarder mee te wegen als het gaat om soorten en habitattypen in het middengebied van de staat van instandhouding (zie boven) en/of de (situatie van) de belangrijkste knelpunten of randvoorwaarden niet goed bekend zijn. - De evaluatie van effecten van maatregelen en gebruik mag gebaseerd zijn op fysieke metingen of op deskundigenoordeel. Uiteraard vormt de monitoring van de instandhoudingsdoelstelling een belangrijke basis hiervoor. 3.A. Aspecten van de gebiedsgerichte monitoring voor het doelbereik a. Soorten Omvang populatie (kwantiteit) Uitgangspunt bij het aspect omvang populatie zijn de eenheden zoals vermeld in de aanwijzingsbesluiten. Aan het eind van de beheerperiode moet hier een uitspraak over worden gedaan. Leefgebied van een soort (kwaliteit) Op dit moment is er nog geen eenduidige invulling van het begrip leefgebied en draagkracht van het leefgebied, die tot een uniforme aanpak kan leiden. De soortspecifieke eigenschappen vragen bovendien om een benadering per soort. Uit pragmatische overwegingen is daarom gekozen om voor de huidige beheerplannen aan te sluiten bij de ecologische vereisten voor het actuele leefgebied zoals vastgesteld in het Natura 2000-Profielendocument (2008). Het betreft dan de aspecten omvang van het actuele leefgebied van een soort in het Natura 2000-gebied, mate van geschiktheid van het biotoop voor de soort, fourageermogelijkheden en rust cq aanwezige slaapplaatsen. Dit aspect kan gevolgd worden door middel van expert judgement. Het meest praktisch is om per soort een checklist van terreineisen te maken en per km2 in het gebied (als dat een praktische maat is) af te vinken. 36. Habitattypen Oppervlakte Habitattypen (kwantiteit) Voor het Standaardgegevensformulier moet per gebied het percentage habitattype worden aangegeven. Op dit moment wordt er in Brussel over gesproken om dit te vervangen voor een aanduiding in hectares. Voor de evaluatie van het beheerplan is dit aspect van belang voor het bepalen van de doelstelling voor het oppervlak van het habitattype (behoud of uitbreiding). Op gebiedsniveau zal vooral vegetatiekartering het middel zijn om dit vast te stellen. Voor de vegetatieloze habitattypen in het mariene milieu geldt dit niet. Met RWS zal bekeken worden hoe dit het beste aangepakt kan worden. Op dit moment wordt, op verzoek van LNV, door Arcadis gewerkt aan een landelijke kaart met habitattypen. Deze kaart zal gelden als de nulsituatie van de huidige beheerplanperiode. Voor de habitattypen zijn de vier volgende kwaliteitsaspecten benoemd: 209

211 b.1. Vegetatietypen Een habitattype bestaat uit een aantal vegetatietypen. Het Natura 2000-Profielendocument (2008) geeft een overzicht van de vegetatietypen per habitattype. Ook wordt daarbij aangegeven welke vegetatietypen duiden op een de goede kwaliteit van een habitattype. Om een goede uitspraak te kunnen doen over een beheerperiode van zes jaar zal binnen deze periode een goede vegetatiekartering moeten plaatsvinden. b.2. Abiotische randvoorwaarden In het Profielendocument zijn de abiotische randvoorwaarden benoemd in de vorm van de volgende aspecten en klassen: - Zuurgraad: acht klassen - Vochttoestand: tien klassen - Zoutgehalte: zes klassen (alleen kustgebied) - Voedselrijkdom: zeven klassen - Overstromingstolerantie: vijf klassen - Gemiddeld Laagste Grondwaterstand: acht klassen Deze aspecten bepalen mede de kwaliteit van een habitattype en kunnen afhankelijk van het gebied, de instandhoudingsdoelstellingen en de gewenste sturing in meer of mindere mate gevolgd worden. Bijvoorbeeld: in gebieden in het binnenland is het zoutgehalte niet van belang maar in de kustprovincies kan dit aspect van groot belang zijn voor bepaalde waarden waarvoor het gebied aangewezen is. Bij gebieden met zeer diepe grondwaterstanden en zonder waterafhankelijk natuur, hoeft de grondwaterstand niet nauwkeurig gevolgd te worden, maar in natte natuurgebieden juist weer wel. Ook hier geldt dat in principe aangesloten wordt bij de provinciale en/of landelijke meetnetten. Mocht er extra inspanning nodig zijn dan moet dat in het beheerplan worden aangegeven. b.3-typische soorten Typische soorten behoren bij een habitattype. Het vaststellen van de aanwezigheid van typische soorten is een indicator voor een goede kwaliteit. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om deze op dezelfde wijze te monitoren als de bovengenoemde kwalificerende soorten. De monitoringsinspanning geldt het waarnemen van de aan- of afwezigheid van typische soorten over een beheerperiode per habitattype. Ook zou moeten worden gekeken naar de verspreiding over het habitattype. Dit kan echter arbeidsintensief zijn en in sommige gevallen een oneveredige meetinspanning vragen. Het is belangrijk dat in het beheerplan wordt aangeven of deze soorten in de huidige meetnetten in het gebied worden meegenomen en bij welke soorten wordt volstaan met expert judgement. Het aspect typische soorten wordt in dit verband gezien als een geheel van aanwezige typische soorten : de soorten kunnen onderling uitwisselbaar zijn. Veel typische soorten zijn plantensoorten. Een goede vegetatiekartering, met aandacht voor soorten, zal afdoende zijn om deze te volgen. In het eerste beheerplan moet ook worden aangegeven wat op dit moment bekend is van de aanwezigheid van de typische soorten. Dus een nulsituatie. b.4-overige kenmerken van structuur en functie Een goede vegetatiekartering zal inzicht geven in de aanwezige vegetatiestructuren in een gebied. Expertkennis is dan nodig om te kijken of de condities voor de gewenste instandhoudingsdoelstellingen aanwezig zijn. Voor vegetatieloze mariene habitattypen zal in overleg met RWS worden bekeken hoe dit uitgewerkt kan worden. Daarnaast kunnen ook andere niet benoemde factoren een rol spelen bij het behalen van kwaliteit. Het is belangrijk dat in het beheerplan een zo compleet mogelijk beeld wordt weergegeven. 3.B. Gebiedsgerichte monitoring voor maatregelen en gebruik Om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de instandhoudingsmaatregelen is het volgende nodig: -Een overzicht van de uitgevoerde maatregelen. -Een oordeel over de effectiviteit van uitgevoerde maatregelen (hebben maatregelen ook bijgedragen aan een verbetering van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen; het doel waarvoor ze uitgevoerd zijn). 210

212 Ten aanzien van gebruik is het wenselijk om inzicht te krijgen in hoeverre gebruik en of activiteiten een factor is/zijn in het bereiken van de gewenste instandhoudingsdoelstellingen. Daartoe is het nodig dat de volgende informatie wordt verkregen: -Inzicht in gebruik en/of activiteiten in relatie tot de staat van instandhouding. 37. Aansluiting bij de bestaande monitoring Het algemene uitgangspunt is dat er waar mogelijk wordt aangesloten bij andere meetprogramma s. De volgende programma s zijn hierbij relevant: - Bij het ILG (EHS) traject Waarborgen Natuurkwaliteit bestaat de voorgestelde basismonitoring onder andere uit een vegetatiekartering over een periode van 12 jaar. - Voor de beheerperiode van Natura 2000-beheerplannen geldt dat er een uitspraak gedaan moet worden over een periode van zes jaar. Dit betekent dat voor een beperkt aantal gebieden de frequentie van de kartering omhoog moet. Dit vraagt dus om een extra inspannning voor een klein deel van de EHS. - -Bij de monitoring van vogels wordt ofwel gebruik gemaakt van bestaande protocollen in het NEM - (watervogel- en broedvogeltellingen) ofwel kan gebruik worden gemaakt van een protocol dat nog - wordt ontwikkeld binnen WNK. Uiteraard moet het protocol voorzien in het verzamelen van de gegevens van de voor het gebied kwalificerende vogelsoorten. Voor de HR bijlage II soorten wordt - zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande protocollen van het NEM dan wel het verspreidingsonderzoek. - De Wadden monitoring wordt al een aantal jaren uitgevoerd in het kader van TMAP (Trilateral - Monitoring and Assessment Program) Deze informatie is goed te gebruiken voor Natura Het MWTL van Rijkswaterstaat. - Diverse provinciale programma s - Overige meetnetten van water- en terreinbeherende organisaties, zoals bijv. van de STOWA. 38. Opslag en levering Data Op dit moment wordt gewerkt aan het opnemen van soortgegevens van het NEM en andere partijen in de NDFF (Nationale Database Flora en Fauna). Daarmee zullen al voor veel soorten relevante gegevens voorhanden zijn per gebied. Voor veel gebied x soortcombinaties worden bovendien al trends berekend in het NEM die ook beschikbaar zijn voor beheerders. De bedoeling is dat de beheerders deze informatie gaan benutten en waar nodig aanvullen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een beheerder gegevens gaat verzamelen die al in een ander kader voorhanden zijn. Voor de habitattypen is op dit moment nauwelijks informatie in de NDFF. Om straks alle vegetatie informatie ook te kunnen benutten voor het landelijke beeld is het relevant dat deze informatie ook in de NDFF wordt opgenomen. De Gegevensautoriteit Natuur zal deze database straks gaan beheren en onderhouden en zorgen voor de beschikbaarstelling van de gegevens. Voor het totaal van de gebiedsgerichte informatie biotisch- en abiotisch zal worden aangesloten bij het traject dat voor dataopslag onder het project Waarborgen Natuurkwaliteit wordt ontwikkeld. Vooralsnog zijn er geen afspraken over het centraal opslaan van gegevens over maatregelen en gebruik (PM). 39. Verantwoordelijkheden Het Rijk (Minister van LNV) is verantwoordelijk voor de rapportages aan EC en Tweede Kamer. De bevoegde gezagen (provincies en Ministeries van Defensie, RWS en LNV) zijn verantwoordelijk voor beheerplannen. Maar water-en terreinbeherende instanties en deels ook private partijen voeren in principe het beheer uit, dus spelen een cruciale rol in de monitoring de beheerplannen moeten in overleg met deze partijen worden opgesteld. Van de bevoegde gezagen zijn de provincies verantwoordelijk voor vergunningverlening in kader van Natuurbeschermingswet. Directie Regionale Zaken, Dienst Landelijk Gebied zijn verantwoordelijk voor de ontheffingverlening in het kader van de Flora- en Faunawet. Ten aanzien van de monitoring geldt de volgende taakverdeling: 211

213 - Het rijk is verantwoordelijk voor de monitoring van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen. - Het bevoegd gezag voor het opstellen van het beheerplan is verantwoordelijk voor het monitoren van de maatregelen (inclusief de effectiviteit ervan) en van veranderingen in het gebied en in het gebruik in en om het gebied. De voortouwnemer is verantwoordelijk voor de regie op het interne proces en maakt als verantwoordelijke afspraken met betrokken partijen over de uit te voeren monitoring en zorgt voor opname in het beheerplan. Ook bewaakt de voortouwnemer de uitvoering van deze afspraken. De uit te voeren monitoring van (instandhoudings-) maatregelen is primair de verantwoordelijkheid van de partij die de maatregel neemt. Diegene die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van een maatregel is daarmee ook verantwoordelijk voor het uit (laten) voeren van de bijbehorende monitoring en de daarbij behorende kosten. Wel is het verstandig, en kostenefficiënt, om hier pragmatisch mee om te gaan en allereerst te kijken in hoeverre bestaande monitoring benut kan worden. 40. De monitoringsparagraaf in het beheerplan Monitoring staat niet op zichzelf maar heeft een directe relatie met het doel waarvoor wordt gemonitord. De volgende stappen worden daarbij gevolgd: - Analyseer het instandhoudingsdoel en bepaal de stappen die nodig zijn om aan het eind van de beheerperiode een uitspraak te doen over het doelbereik; - Bepaal welke kwaliteitsaspecten relevant zijn en hoe deze gevolgd gaan worden; - Weet welke meetprogramma s er in het gebied lopen en stel vast wat daarvan gebruikt kan worden; - Maak een onderscheid tussen wat gemeten kan worden en waar kan worden volstaan met expert judgement; - Analyseer en beschrijf de risico s in het geval de huidige meetinspanning niet voldoende is; 212

214 Bijlage 16: Monitoring Werkdocument Regiegroep Natura 2000 augustus Inleiding In juli 2009 is het Programma van Eisen gebiedsgerichte monitoring vastgesteld in de Regiegroep. Daarin staat wat er verwacht wordt van de monitoring in beheerplannen. In beheerplanprocessen blijken nog vragen te zijn over de monitoring van Natura 2000, en over de rol van de monitoringsparagraaf. Deze notitie is bedoeld om onduidelijkheden over monitoring van Natura 2000 zo veel mogelijk weg te nemen en beheerplanschrijvers te helpen om tot een afgewogen monitoringsparagraaf te komen. Voorliggende notitie beschrijft daartoe de context (landelijke monitoring, gebiedsmonitoring, Europese rapportages) en de filosofie bij de monitoringsparagraaf van het beheerplan (pragmatisch insteken op basis van bestaande monitoring). In bijlage 1 worden veelgestelde vragen over de monitoringsparagraaf van het beheerplan beantwoord. In het rapport Voorbeeld uitwerking Monitoringsparagraaf voor Natura 2000-beheerplannen (Altenburg en Wymenga in prep.) staat een concreet stappenplan met voorbeelduitwerkingen. Het PvE gebiedsgerichte monitoring blijft geldend, deze notitie geeft toelichting en context. Samenvatting Er moet landelijke en gebiedsmonitoring plaatsvinden. De landelijke monitoring is o.a. voor rapportage aan Brussel en is de verantwoordelijkheid van LNV. De landelijke monitoring wordt gedekt met bestaande meetnetten en monitoring, inclusief het recent uitgebreide NEM. Ook de binnen het nieuwe subsidiestelsel natuur en landschap (SNL) gemaakte en te maken afspraken over monitoring zijn in deze relevant, de conclusies daaromtrent in deze notitie lopen daarop vooruit. De gebiedsmonitoring is primair bedoeld om het beheerplan, de daarin opgenomen maatregelen en het doelbereik te kunnen evalueren. De inhoud van het beheerplannen is dus erg bepalend voor wat nodig is aan gebiedsmonitoring. Omdat dat de enige eis is kan voor ene pragmatische invullingen van de gebiedsmonitoring gekozen worden. Er hoeft niet gestreefd te worden naar een zo gedetailleerd mogelijke en hoog frequente monitoring. Expert judgement zal in sommige gevallen ook kunnen volstaan. Veelal zullen bestaande meetnetten en monitoring ook hier dus afdoende zijn. Zo zullen de vegetatiekarteringen in het kader van het SNL voldoende moeten zijn voor de gebiedsmonitoring. Daarnaast kan de gebiedsmonitoring van belang zijn voor vergunningverlening of het vrijstellen van activiteiten van een vergunningplicht (bijvoorbeeld wanneer het hand aan de kraan principe wordt gebruikt). Deze situaties stellen mogelijk weer andere en zwaardere eisen aan de monitoring. Deze notitie gaat hier verder niet op in. Landelijke monitoring Er wordt aan Europa gerapporteerd over hoe de beschermde soorten en habitattypen er op landelijk niveau voor staan (6 jaarlijkse rapportage over de landelijke staat van instandhouding). Het Rijk is hiervoor verantwoordelijk, het Ministerie van LNV verzorgt deze zogeheten artikel 17-rapportage. Informatie over beschermde soorten wordt o.a. gehaald uit het landelijke monitoringsnetwerk (NEM) dat voornamelijk door LNV wordt gefinancierd en aangestuurd, het MWTL, van Rijkswaterstaat, en het regionale Wadden meetnet TMAP dat voor de Natura 2000-aspecten ook door LNV wordt gefinancierd en aangestuurd. Met een extra investering van zo n 1 miljoen euro van LNV is het NEM uitgebreid en aangepast om de landelijke rapportage afdoende te kunnen bedienen. Voor informatie over de habitattypen zal de monitoring van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) moeten worden benut. De periodieke vegetatiekartering en beoordelingen van de kwaliteit van de EHS zijn hiervoor de belangrijkste elementen. Deze monitoring wordt uitgewerkt in het project natuurkwaliteit en monitoring van de EHS. De financiering van deze monitoring is gekoppeld aan het Subsidiestelsel Natuur en Landschap en is onderdeel van de bestuurlijke afspraken tussen Rijk en provincies over natuurkwaliteit. Met de hierboven genoemde monitoring wordt de landelijke rapportage bediend. Hiervoor wordt dus geen bijdrage gevraagd uit de beheerplannen. 213

215 Gebiedsmonitoring Er zal op gebiedsniveau monitoring moeten plaatsvinden ten behoeve van het beheerplan. De gebiedsmonitoring is gericht op het monitoren van het doelbereik en van het effect van maatregelen nodig om de voortgang en resultaten van het beheerplan te evalueren en na 6 jaar een nieuw beheerplan te kunnen opstellen. Zo nodig moeten ontwikkelingen van activiteiten in en om het gebied worden gevolgd. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij zelf wat daarvoor nodig is. Bij de gebiedsgerichte monitoring wordt er van uitgegaan dat in een normale beheersituatie al monitoring plaatsvindt om een gebied adequaat te kunnen beheren. Terreinbeheerders doen dit al in het kader van goed beheer en bijvoorbeeld subsidievereisten. De informatiebehoefte op gebiedsniveau hangt af van het beheerplan. Hieraan worden slechts globale eisen gesteld: de monitoring moet gericht zijn op de instandhoudingsdoelstellingen (aansluitend bij profielendocument) en instandhoudingsmaatregelen (aansluitend bij beheerplan). Daarnaast moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de bestaande monitoring. In Nederland wordt heel veel gemonitord, voorkomen moet worden dat zaken dubbel worden gedaan. Bijlage 2 geeft een overzicht van bestaande landelijke programma s en bijlage 3 geeft een overzicht van gegevensbronnen die relevant kunnen zijn voor een gebied. Er is veel ruimte om op gebiedsniveau prioriteiten te stellen over de intensiteit en frequentie van de gebiedsmonitoring. Zo kan het in het ene gebied nodig zijn om de populatie van een bedreigde soort goed te volgen, terwijl in een ander gebied een periodieke gebiedsschouw voldoende is. Niet alles hoeft intensief en vlakdekkend te worden gemeten door gespecialiseerde bureaus, ook de kennis en expert judgement van een terreinbeheerder kan soms al voldoende zijn. De voortouwnemer is verantwoordelijk voor het beheerplanproces, maar zal in samenspraak met de andere betrokken bevoegde gezagen, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties tot een adequate invulling van de monitoringsopgave opstellen. Daarbij zullen ook afspraken gemaakt moeten worden over de inzet en organisatie van de monitoring voor en door de verschillende betrokken partijen. Uiteindelijk moet dit voldoende zijn om het beheerplan na 6 jaar te kunnen evalueren. Aansluiten bij bestaande programma s Hoewel de invulling van de monitoringsparagraaf zeer gebiedsspecifiek is, zou voor het aansluiten bij bestaande programma s gedacht kunnen worden aan de volgende hoofdlijnen: - voor monitoring van habitattypen aansluiten bij de periodieke monitoring van natuurkwaliteit in de EHS (SNL) - voor broedvogels en wintergasten aansluiten bij NEM meetnetten - zo mogelijk bij habitatrichtlijnsoorten aansluiten bij NEM meetnetten - voor monitoring van omgevingscondities aansluiten bij EHS monitoring en reguliere monitoring bij beheeringrepen. Gebiedsinformatie voor Europa De Europese Commissie zal door het Rijk (i.c. LNV) ook op de hoogte gehouden moeten worden over veranderingen in het gebied. Het format voor deze informatielevering, het Standaard Gegevensformulier, wordt naar verwachting eind 2010 opnieuw vastgesteld. Voor de verstrekking van informatie per gebied is door de EU geen monitoringsprogramma verplicht gesteld. Waar gegevens ontbreken mag worden volstaan met expert-oordeel. De terminologie van het aanwijzingsbesluit en de profielendocumenten sluit aan bij die van het Standaardgegevensformulier. Omdat de monitoringsparagraaf in het beheerplan gericht is op de instandhoudingsdoelstelling uit het aanwijzingsbesluit, met de elementen zoals geduid in het profielendocument (zie PvE gebiedsgerichte monitoring), levert dit ook voldoende informatie om de Europese Commissie op de hoogte te houden over het gebied. Er worden daarom (buiten het programma van Eisen gebiedsgerichte monitoring) geen eisen gesteld aan de monitoringsparagraaf ten behoeve van Europese rapportages. 214

216 Veelgestelde vragen over de monitoringsparagraaf van het beheerplan Waar dient de monitoringsparagraaf voor? De monitoringsparagraaf in het beheerplan beschrijft hoe de uitvoering van het beheerplan wordt gemonitord (hoe wat door wie) en heeft als doel om het bevoegd gezag informatie te verschaffen over het doelbereik en de effectiviteit van maatregelen. De monitoringsparagraaf is dus gericht op evaluatie van het beheerplan zelf, en niet op monitoring voor Europese rapportages. De monitoringsparagraaf in het beheerplan geeft inzicht in welke monitoring er in het gebied zal plaatsvinden gedurende de beheerplanperiode, welke gegevens dit oplevert voor evaluatie van het doelbereik en maatregelen en wie de verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering en kostendekking van de monitoring. Wat zijn de eisen aan de monitoring? Omdat de gebiedsmonitoring bedoeld is ter evaluatie van het beheerplan, is de monitoringsbehoefte per gebied verschillend. De gebiedsmonitoring is afhankelijk van de doelen, de beheer (instandhoudings-)maatregelen en prioriteiten in het beheerplan. Dit vraagt maatwerk en wordt niet top-down voorgeschreven. Wel zijn er een aantal algemene vereisten: - de monitoring moet zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande programma s om dubbel werk te voorkomen - de monitoring moet zich richten op de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit en de aspecten die daarbij horen zoals geduid in het profielendocument. Dit betekent: o Voor soorten: omvang en kwaliteit van het leefgebied, draagkracht en populatie. o Voor habitattypen: oppervlakte en kwaliteit aan de hand van de aspecten vegetatietypen, abiotische randvoorwaarden, typische soorten en overige kenmerken van goede structuur en functie. Niet elk aspect hiervan hoeft echter altijd intensief te worden gevolgd (maatwerk). - op basis van de monitoring moet waar nodig de effectiviteit van de maatregelen kunnen worden beoordeeld. De gegevens over het doelbereik kunnen hiervoor een belangrijke basis zijn. Ook moet zo nodig de ontwikkeling in het gebruik worden gevolgd. Het Programma van Eisen gebiedsgerichte monitoring gaat hier uitgebreider op in. Dit PvE is leidend en is te vinden op de website van het Regiebureau ( Hoe intensief moet er worden gemonitord? Er zijn geen voorschriften over aantallen meetpunten, frequentie of methode van monitoring op gebiedsniveau. De uitgewerkte gebiedsdoelen en de gekozen maatregelen in het beheerplan bepalen de monitoringsbehoefte. Daarbij kan de intensiteit variëren. Van bijvoorbeeld geen kartering bij een langzaam veranderend en onbedreigd habitattype tot een zeer frequente soortmeting bij bepaalde hydrologische maatregelen. Voor sommige aspecten kan het voldoende zijn om elke 3 jaar een gebiedsschouw te doen met een groep deskundigen of af te spreken dat een terreinbeheerder bij zijn reguliere veldbezoeken bepaalde soorten waarneemt. Uitgangspunt is het aansluiten bij bestaande monitoring en daar slim regie op voeren, bijvoorbeeld door de timing aan te passen aan de beheerplanperiode (bijvoorbeeld 1x per 12 jaar een kartering met tussentijdse soortwaarnemingen en gebiedsschouw). Op basis van de doelstellingen en maatregelen in het beheerplan moeten prioriteiten worden gesteld en kosteneffectiviteitsafwegingen worden gemaakt. Welke monitoring is er al? In Nederland vindt al veel monitoring plaats. Er zijn landelijke meetnetten (o.a. NEM, MWTL), provinciale meetnetten (bijvoorbeeld het bodemmeetnet verzuring Utrecht) en initiatieven voor regionale of gebiedswaarnemingen (bijvoorbeeld een lokale monitoringswerkgroep van het IVN). Terreinbeheerders monitoren geregeld, bijvoorbeeld voorafgaand, gedurende of na een beheeringreep, en soms vinden inventarisaties plaats voor vergunningverlening. In bijlage 2 staat een overzicht van landelijke meetnetten. Op de website van het natuurcompendium zal een overzicht verschijnen van de gebieden waarin monitoring plaatsvindt vanuit de landelijke NEM-meetnetten, evenals de daaruit berekende trends per gebied. Voor 85% van de soort-gebiedscombinaties zijn trends per gebied af te leiden uit de landelijke NEM-meetnetten. Bijlage 3 geeft een overzicht van mogelijke gegevensbronnen. Deze overzichten kunnen een startpunt zijn voor de inventarisatie van bestaande monitoring. Omdat de variatie aan bestaande monitoring zeer groot is, is het op landelijk niveau niet mogelijk om een overzicht te geven van alle monitoring die in een concreet Natura gebied plaatsvindt. Het is aan de voortouwnemer van beheerplanproces om, samen met de 215

217 gebiedsbetrokkenen, de bestaande monitoring te inventariseren. Vaak weet bijvoorbeeld een terreinbeheerder goed welke monitoring in zijn gebied plaatsvindt. Daarnaast kan de Gegevensauthoriteit Natuur (GaN) worden benaderd om bestaande gegevens op te vragen. De inventarisatie van bestaande monitoring is een belangrijke stap om te komen tot een monitoringsparagraaf (de andere stappen zijn: bepalen van gegevensbehoefte, indicatoren, plan en borging). Zie ook het stappenplan in het rapport Voorbeeld uitwerking Monitoringsparagraaf voor Natura 2000-beheerplannen (Altenburg en Wymenga in prep.). Daarnaast kan het betrekken van lokale partijen bij de monitoring het draagvlak voor het beheerplan versterken. Wie is waarvoor verantwoordelijk? Het Ministerie van LNV is verantwoordelijk voor de monitoring van de landelijke staat van instandhouding van soorten en habitattypen en de rapportage daarover naar Europa. Deze verantwoordelijkheid wordt ingevuld met de landelijke meetnetten en de monitoring van de EHS. De gegevens daaruit zijn tevens geschikt voor een groot deel van de gebiedsmonitoring, maar de behoefte aan gebiedsmonitoring is afhankelijk van het beheerplan. De voortouwnemer voert de regie op het proces en maakt afspraken met betrokken partijen over de uit te voeren monitoring en het moment waarop deze monitoring plaatsvindt. Het bevoegd gezag voor het vaststellen van het beheerplan (Provincie, LNV, VenW, Defensie) is verantwoordelijk voor het monitoren van veranderingen in het gebied (mate van bereiken van de gebiedsdoelstellingen), monitoren van de (effectiviteit van) maatregelen en mogelijk in enkele gevallen ook van het gebruik in en om het gebied. Daarnaast ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de andere betrokken organisaties zoals terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Met betrekking tot het monitoren van gebruik in en om het betreffende gebied ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de gebruiker. Overigens hebben beheerders van natuurgebieden (ook zonder Natura 2000) een verantwoordelijkheid om in het oog te houden hoe het in het gebied gaat (good housekeeping). Wie betaalt wat? Het Ministerie van LNV financiert grotendeels de monitoring van de landelijke staat van instandhouding via de landelijke meetnetten en via de monitoring van de EHS (gedecentraliseerd naar provincies via het ILG). Met betrekking tot de gebiedsgerichte monitoring worden in het beheerplan afspraken gemaakt. Afgesproken is om vooral uit te gaan van de bestaande monitoring. In samenspraak met alle betrokken organisatie wordt geanalyseerd of de bestaande monitoring toereikend is. Dit kan kunnen zowel gegevens uit de beheerspraktijk zijn, als het benutten van gegevens uit landelijke meetnetten of regionale initiatieven. Mogelijk moet de bestaande monitoring meer worden gefocust op Natura 2000, om passend te zijn voor het beheerplan. Omdat de doelen en prioriteiten per gebied verschillen, is de monitoringsbehoefte afhankelijk van het beheerplan dat gezamenlijk met gebiedsbetrokkenen wordt opgesteld. Wanneer uit het beheerplanproces aanvullende monitoringskosten volgen (bovenop de bestaande monitoring of de aanpassing daarvan) zullen daar ook in het beheerplan gezamenlijke afspraken over moeten worden gemaakt. De monitoring van het beheerplan verschilt in die zin niet van andere maatregelen die in het beheerplan worden afgesproken. In de Regiegroep Natura 2000 is afgesproken dat de betrokken partijen voor het beheerplan een oplossing zoekt voor (kleine) aanvullende kosten. Bij grote bedragen zal er landelijk overleg moeten plaatsvinden. Hoe omgaan met gebrek aan monitoringsgegevens? Hoewel er veel wordt gemonitord, zal niet elke soort of habitattype in elke gebied aandachtig worden gevolgd in een bestaand programma. Dat is ook niet altijd nodig. Expert oordeel kan voldoende zijn als systematische gegevens ontbreken. Ook kunnen prioriteiten worden gesteld, bijvoorbeeld door de focus te leggen op natuurwaarden waar veranderingen zijn te verwachten, of door kosteneffectiviteitsafwegingen te maken (bijvoorbeeld kiezen zeer moeilijk meetbare soorten zoals bijvoorbeeld het Vliegend Hert niet te volgen). Niet elke soort of habitattype hoeft intensief te worden gevolgd, in het beheerplan kunnen hier onderbouwde keuzes worden gemaakt. Een terreinbeheerder heeft altijd de verantwoordelijkheid om zicht te houden op ontwikkelingen in het gebied (met Natura 2000 zijn er nu, anders dan voorheen ecologische doelen bepaald). Bovendien is het goed gebruik dat voorafgaand aan beheeringrepen monitoring plaatsvindt. Er is dus (als het goed is) altijd kennis over een gebied. Een gebrek aan gegevens zal blijken uit analyse van de bestaande monitoring en de gewenste monitoring die blijkt uit het beheerplan. Bij duidelijke lacunes moet in het 216

218 beheerplanproces een oplossing worden gevonden (vergelijkbaar met maatregelen) en kan zo nodig contact worden opgenomen met het steunpunt Natura Hoe kan de monitoring natuurkwaliteit EHS benut worden voor het beheerplanproces? Er is een nieuw sturingsinstrument voor de kwaliteit van de EHS in ontwikkeling waarin ook afspraken worden gemaakt over monitoring. Besluitvorming over deze monitoring is pas dit najaar te verwachten. Daarna zal eerst het systeem getest worden. Het is dus moeilijk om in het beheerplan hierop vooruit te lopen. In het beheerplan moet in elk geval de huidige monitoring inzichtelijk worden gemaakt. Als het kwaliteitssysteem in de huidige vorm gaat werken dan kan van de nieuwe EHS-voor de uitspraken over omvang habitattypen en de kwaliteitsaspecten vegetatietypen en structuur en functie. Ook zal de monitoring van de kwaliteitsaspecten a-biotiek en mogelijk de monitoring van een aantal (typische) soorten benut kunnen worden. In de monitoringsparagraaf kan een driedeling worden gemaakt: gewenste monitoring, invulling daarvan met huidige monitoring, mogelijk invulling daarvan met EHS monitoring. Wanneer wordt er voldoende gemonitord en wie beoordeelt dat? De monitoringsparagraaf is voldoende als deze erin voorziet dat de gegevens worden verzameld die nodig zijn om na zes jaar het beheerplan te evalueren (in hoeverre zijn de instandhoudingsdoelstellingen bereikt? In hoeverre zijn knelpunten verminderd? Hebben de maatregelen resultaat gehad?) en om een nieuw beheerplan op te stellen (welke maatregelen zijn effectief? Wat zijn de ontwikkelingen in gebruik?). Daarnaast moet de monitoring gericht zijn op de instandhoudingsdoelstellingen met de (kwaliteits-)aspecten die daarbij horen, zoals geduid in het profielendocument en uitgewerkt in het beheerplan. Daarmee is de monitoring ook voldoende om Europa te informeren over de gebieden. Soms is monitoring van effecten of gebruik noodzakelijk om het beheerplan juridisch voldoende zeker te maken. De voortouwnemer zal met de betrokken partijen i beoordelen of de monitoringsparagraaf voldoende is. Zijn er kwaliteitsmaatlatten voor habitattypen op gebiedsniveau? Nee. Voor een beheerplan zijn kwaliteitsmaatlatten niet nodig. Een beheerplan voor Natura 2000 is (onder meer) gericht op verbetering of behoud van de kwaliteit van habitattypen. Na zes jaar moet een uitspraak kunnen worden gedaan of de kwaliteit is verbeterd of behouden en of de doelstelling uit het beheerplan is bereikt. Omdat het hierbij gaat om het vaststellen van vooruitgang, is een kwaliteitsmaatlat op gebiedsniveau (in termen van goed/matig/slecht) niet nodig. Onafhankelijk van het stempel goed /matig/slecht kan immers worden bekeken of de abiotische omstandigheden zijn verbeterd, of de vegetatiekwaliteit is toegenomen, of er meer typische soorten voorkomen en of er beter wordt voldaan aan kenmerken van goede structuur en functie. De aspecten uit het profielendocument zijn hierbij leidend. Wanneer moet het gebruik in en om het gebied worden gemonitord? Voor het opstellen van beheerplanproces wordt het gebruik in en om het gebied geïnventariseerd. Bij de uitvoering van het beheerplan kan het wenselijk zijn om ook ontwikkelingen in het gebruik te volgen. Zodoende wordt gezorgd voor voldoende informatie om na zes jaar een nieuw beheerplan te kunnen opstellen met adequate maatregelen (inzicht in knelpunten tussen activiteiten, ontwikkelingen en natuurdoelen). Het gaat dus om ontwikkelingen waarvan de verwachting bestaat dat ze het behalen van de gewenste doelen kunnen beïnvloeden. Welke ontwikkelingen dat zijn, moet uit het beheerplan blijken. Wat moet er worden gemonitord voor Europese rapportages? Er zijn twee Europese rapportages: 1) de zogenoemde artikel 17-rapportage over de landelijke staat van instandhouding van soorten en habitats en 2) de informatie over de afzonderlijke Natura gebieden middels het Standaard Gegevensformulier. De artikel 17-rapportage moet worden gebaseerd op een vastgesteld monitoringsprogramma. Dit is voornamelijk de NEM monitoring, het MWTL en (voor habitattypen) de monitoring van de EHS. Voor de gebiedsgerichte informatie wordt het Europese format nog aangepast. De monitoring van de instandhoudingsdoelstellingen (met bijbehorende elementen uit het profielendocument), wordt geregeld in het beheerplan en is naar verwachting afdoende. Daarom worden er buiten het PvE gebiedsgerichte monitoring, geen eisen gesteld aan de monitoringsparagraaf van de eerste generatie beheerplannen ten behoeve van Europese rapportages. 217

219 Naar verwachting zal de gebiedsrapportage in moeten gaan op dezelfde aspecten als die van de gebiedsdoelen uit het aanwijzingsbesluit (omvang en kwaliteit van een habitattype zoals geduid in het profielendocument, populaties van (vogel)soorten en kwaliteit van hun leefgebied). De vereiste monitoringsinspanning is niet intensief en mag waar nodig gebaseerd worden op expert oordeel. De gebiedsrapportage zal te zijner tijd door LNV worden ingevuld. De monitoringsparagraaf hoeft in de eerste generatie beheerplannen niet op te worden gericht op een Europese rapportage, het PvE gebiedsgerichte monitoring is leidend. Hoe om te gaan met de financiering van de monitoring van particuliere natuurterreinen die buiten SNL vallen maar binnen Natura Is er binnen SNL/ILG iets geregeld qua afspraken over wie er dan betaalt? Voor SNL-terreinen is de financiering voor de monitoring geregeld via het ILG. Daarnaast financiert het rijk monitoring door SBB rechtstreeks. Voor de overige EHS-gebieden (waaronder voor particulieren) is de financiering niet geregeld. Er is dus ook geen budget voor. Vraag is of deze situatie veel voorkomt mogelijk betreft het slechts een beperkte oppervlakte. Overzicht van landelijke meetnetten Relevante NEM Meetnetten: - Meetnet Vleermuizen (zolder- en winterverblijven) - Meetnet Weidevogels, - Meetnet Watervogels - Meetnet Broedvogels - Meetnet Nestkaarten - Meetnet Korstmossen en geel schorpioenmos - Landelijk Milieumeetnet Flora - Meetnet Dagvlinders - Meetnet Reptielen - Meetnet Amfibieën - Meetnet Paddenstoelen - Meetnet Libellen - Meetnet beek- en poldervissen (wordt opgezet) - Meetnet Slaapplaatsen van vogels Andere relevante meetnetten: - Meetnet Functievervulling bos (2 i.o) - Meetnet waterstaatkundige toestand des Lands (MWTL) Relevante landelijke databases en gegevens: - Nationale Database flora en Fauna (NDFF) via Gegevensautoriteit Natuur - Landelijke vegetatie Databank (Alterra) via - Soorten-Atlassen, Atlassen van plantengemeenschappen - Lymnodata Overzicht van relevante organisaties en gegevensbronnen voor informatie over Natura soorten en habitattypen. 1. Gegevensautoriteit Natuur (GaN) 2. NEM (CBS-PGO s) vanaf september Andere gegevensbronnen (uit: Alterra rapport 1633) 218

220 Bijlage 17: Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan Door Regiegroep Natura 2000 vastgestelde nota d.d. 15 juni Omgaan met ecologische onzekerheden in het beheerplan Tijdens het bezoek van het Regiebureau aan de natuurorganisaties op 18 februari 2010 is eenvraag gesteld over het omgaan met kennisgebrek, met name op ecologisch gebied. De vraag: Als er op ecologisch gebied gebrek aan kennis is, hoe moet hier dan in het beheerplanproces mee worden omgegaan? Het antwoord: Allereerst moet worden nagegaan of er daadwerkelijk een gebrek aan kennis is. Vaak is er namelijk meer kennis beschikbaar, dan in eerste instantie werd gedacht en kun je bijvoorbeeld door met een aantal experts door te redeneren ver komen in onderbouwing. Het is daarom van belang om na te gaan of alle beschikbare informatie is benut (zowel literatuur, onderzoek als experts) en welke methodieken of scenario s zijn gebruikt (is er geen sprake van het opstapelen van onzekerheden: worst case op worst case zetten geeft geen realistische uitkomsten meer en is het worst case scenario de juiste). Vervolgens wordt in het beheerplan vermeld welke ecologische kennis gebruikt is en beschikbaar is. Daar waar sprake is van kennislacunes, wordt dit ook vermeld in het beheerplan, waarbij tevens wordt aangegeven wat de (mogelijke) consequenties van dit kennisgebrek zijn. Daarnaast wordt aangegeven hoe hier in de toekomst mee wordt omgegaan en op welke termijn eventueel nieuwe kennis beschikbaar is. Dit kan op verschillende manieren in het beheerplan worden opgenomen: 1. De kennis wordt opgedaan door het uitvoeren van onderzoek (tijdens het opstellen van het beheerplan of lopende de eerste beheerplanperiode); 2. De kennis wordt opgedaan door expertmeetings te organiseren (bijvoorbeeld met experts uit andere Europese landen, waar wellicht meer kennis van een specifiek terrein aanwezig is); 3. Er wordt een nieuw monitoringsprogramma opgezet; 4. In het kader van een lopend monitoringsprogramma wordt de ontwikkeling gevolgd. Ad. 4: Het volgen van de ontwikkeling is toepasbaar onder een aantal voorwaarden, waarbij het uitgangspunt is dat er geen verslechtering mag optreden op de natuurwaarden: - De activiteit moet te stoppen zijn als uit monitoring blijkt dat er toch significant (cumulatief) negatieve effecten optreden; - De mogelijke schade van de activiteit moet meetbaar zijn (bijvoorbeeld zichtbaar in het veld); - Het habitattype moet zodanig snel herstelbaar zijn dat het langjarig gemiddelde van oppervlak en kwaliteit niet afneemt (conform het verslechteringsverbod van artikel 6 lid 2 HR; zie ook de Leidraad bepaling Significantie). Bovenstaande stappen kunnen ertoe leiden dat aanpassingen nodig zijn in de maatregelen die in het beheerplan zijn opgenomen. Afhankelijk van de termijn waarop de aanvullende gegevens beschikbaar komen, worden aanpassingen in het huidige beheerplanproces meegenomen of in een volgende cyclus. De termijn waarop aanvullende kennis verwacht wordt en hoe hiermee zal worden omgegaan, wordt vermeld in het beheerplan. Een voorbeeld van hoe met ecologisch kennisgebrek kan worden omgegaan in het beheerplan is de werkwijze van de provincie Zeeland met betrekking tot het Kruipend moerasscherm: Het Kruipend moerasscherm is een plantje dat voorkomt in de Natura 2000-gebieden Canisvliet, Groote Gat en Vogelkreek in Zeeland. Er geldt voor deze soort een behoudsdoelstelling en voor de Vogelkreek een uitbreidingsdoelstelling, maar de huidige staat van instandhouding is zeer ongunstig. 219

221 Er zullen dus maatregelen moeten worden getroffen om de instandhoudingsdoelstelling te behalen. Er is echter weinig bekend over de ecologie van de soort en daardoor is niet met zekerheid te bepalen welke maatregelen ingezet moeten worden om de instandhoudingsdoelstelling te behalen (vermindering stikstof, verbetering waterkwaliteit, verbetering waterkwantiteit, bodemsamenstelling, etc.). De provincie heeft daarom een expert meeting georganiseerd met Nederlandse en buitenlandse experts. Uit deze meeting blijkt dat er ook internationaal weinig bekend is over deze soort, maar er is wel een consensus bereikt over een maatregelen pakket dat mogelijk een positief effect kan hebben op het voorkomen van Kruipend moerassscherm. Het effect van de te nemen maatregelen zal nauwkeurig gevolgd moeten worden en dus zal het beheerplan de eerst planperiode vooral inzetten op het monitoren van de ontwikkeling van het plantje. Op basis van de monitoringsgegevens zal eventueel worden bijgestuurd. De gegevens die gedurende de 1 e beheerplanperiode beschikbaar komen, zullen worden gebruikt om de kennisleemtes in te vullen, zodat in een volgend beheerplan de maatregelen verder uitgewerkt kunnen worden. 220

222 Bijlage 18: Natura 2000-beheerplannen, passende beoordeling en de plan-mer Door Regiegroep Natura 2000 vastgestelde nota d.d. 12 oktober Bij opstellers van beheerplannen zijn de volgende vragen naar voren gekomen: 1: Moet een beheerplan passend beoordeeld worden? 2: Is er een verplichting tot het opstellen van een plan-mer bij het opstellen van een beheerplan? Toepasselijke regelgeving De Habitatrichtlijn, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet milieubeheer. 41. Moet een beheerplan passend beoordeeld worden? Plicht tot passende beoordeling Naast een mogelijke plicht tot het uitvoeren van een passende beoordeling voor concrete projecten op grond van artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, bevat deze wet in artikel 19j een equivalent daarvan voor plannen. Dit ter uitvoering van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het tweede lid van artikel 19j bepaalt dat het bestuursorgaan, alvorens een plan vast te stellen dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat fzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling maakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Voor een plan moet een passende beoordeling worden gemaakt wanneer niet op voorhand op grond van objectieve gegevens, met inachtneming van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied, kan worden uitgesloten dat het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied. In een passende beoordeling moet vervolgens op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake worden beoordeeld of het plan op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingdoelstellingen van het gebied in gevaar kunnen brengen. Het bestuursorgaan kan behalve als alternatieven ontbreken, sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en in adequate natuurcompensatie is voorzien (ADC) het plan alleen vaststellen wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn 88. In zijn beoordeling van het plan of project kan het bevoegd gezag betrekken dat mitigerende maatregelen worden voorzien. Het feit dat mitigerende maatregelen worden voorzien doet niet af aan de noodzaak van de passende beoordeling 89. Beheerplannen waarin geen projecten zijn opgenomen Het beheerplan Natura 2000 is een plan dat verband houdt met en nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Het tweede lid van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 brengt dan ook met zich dat voor vaststelling van het beheerplan als zodanig geen passende beoordeling hoeft plaats te vinden. Dit laat evenwel onverlet dat ingeval in het beheerplan ook projecten worden opgenomen die los staan van het beheer van het Natura 2000-gebied er een verplichting kan bestaan voor het uitvoeren van een passende beoordeling voor deze projecten (zie hierna). Beheerplan waarin projecten zijn opgenomen In het beheerplan kunnen handelingen en ontwikkelingen binnen en buiten het Natura 2000-gebied worden beschreven die de instandhoudingsdoelen niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen (artikel 19a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998). Dit geldt ook voor projecten met mogelijk significant negatieve 88 Zie het Kokkelvisserijarrest, HvJEG 7 september 2004, zaak C-127/ Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 7 mei 2008, , Zuiderklip. 221

223 gevolgen 90. Projecten of andere handelingen die worden uitgevoerd overeenkomstig het beheerplan, zijn ingevolge artikel 19d, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 vrijgesteld van de vergunningplicht, neergelegd in het eerste lid van dat artikel. Voorwaarde voor opname van een project met mogelijk significant negatieve gevolgen in het beheerplan is, dat het project eerst aan een passende beoordeling is onderworpen en dat daaruit op voorhand zekerheid is verkregen eventueel na toepassing van mitigerende maatregelen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. De voorwaarde van een passende beoordeling blijkt uit de Leidraad van de Europese Commissie, die expliciet aangeeft dat niet op natuurbehoud gerichte componenten van een plan in voorkomende gevallen beoordeeld moeten worden 91. Ook de Raad van State acht het denkbaar dat in een beheerplan projecten met potentieel significant negatieve effecten in het beheerplan worden opgenomen, mits voorafgaande aan de vaststelling van het beheerplan voor de daarin op te nemen projecten een passende beoordeling is uitgevoerd, waaruit zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast 92. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is dit met de Crisis en herstelwet expliciet in een nieuw tiende lid van artikel 19a van de Natuurbeschermingswet 1998 bepaald. Doorslaggevend voor de daadwerkelijke mogelijkheid tot opname van een dergelijk project in het beheerplan is of het ook in de praktijk mogelijk is om een project zodanig nauwkeurig te beschrijven, inclusief eventuele nadere voorwaarden en beperkingen, dat rekening houdend met eventuele cumulatieve effecten op basis van een passende beoordeling sluitende conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de effecten voor de instandhoudingdoelen, en dat een adequate en sluitende wijze van vastlegging in het beheerplan kan plaatsvinden. Bij meer complexe projecten zal dit wellicht moeilijk blijken te zijn. Voor verder in de toekomst gelegen projecten lijkt dit nog moeilijker; om te kunnen beoordelen wat de gevolgen zijn moet immers al goed uitgekristalliseerd zijn wat precies de omvang, locatie en andere bijzonderheden van het project zijn. Is een project met mogelijk significant negatieve gevolgen niet opgenomen in een beheerplan, geldt de vergunningplicht van artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 onverkort. Dat is ook het geval als het project niet volgens de in het beheerplan opgenomen voorwaarden en beperkingen wordt uitgevoerd. Conclusie en aanbeveling Een beheerplan als zodanig hoeft niet passend beoordeeld te worden. Dat is anders voor in het beheerplan opgenomen individuele projecten met mogelijk significant negatieve effecten. Daarvoor geldt ingevolge artikel 19a, tiende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling onverkort. Het voorgaande laat onverlet dat het voor de juridische houdbaarheid van het beheerplan van belang is om een integrale ecologische toets van het totale beheerplan, inclusief de daarin opgenomen projecten en andere handelingen uit te voeren, om de gecumuleerde positieve en negatieve effecten van de beheersmaatregelen en projecten en andere handelingen in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen inzichtelijk te maken en te onderbouwen dat de instandhoudingsdoelen voor het gebied worden gehaald. Een dergelijke ecologische toets is te onderscheiden van de passende beoordeling in de strikte betekenis van het woord. Voor zover deze ecologische toets tevens heeft te gelden als een passende beoordeling voor in het beheerplan opgenomen projecten, is het verstandig om in de inleiding van de integrale ecologische toets te verduidelijken voor welke projecten deze toets tevens is aan te merken als passende beoordeling. 90 Het begrip project heeft daarbij primair betrekking op nieuwe activiteiten, maar kan ook betrekking hebben op een wijziging van bestaand gebruik of op herhaald gebruik dat steeds als afzonderlijke ingreep moet worden beschouwd. Zie ook: arrest HvJ van 14 januari 2010 in zaak C-226/08 (Stadt Papenburg). 91 Zie paragraaf 4.3 van de in 2000 uitgebrachte Leidraad van de Europese Commissie Beheer van Natura 2000-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). 92 Advies Raad van State d.d. 7 september 2009, W /1, bijlage 1, pag

224 42. Is er een verplichting tot het opstellen van een plan-mer bij het opstellen van een beheerplan? Per 1 juli 2010 is een wijziging van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (hierna Wm) in werking getreden 93. Op grond daarvan is artikel 7.2a Wm als volgt komen te luiden: 1. Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, waarop de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport, als bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is. 3. Tot een activiteit als bedoeld in het eerste lid behoort een activiteit als bedoeld in dat lid die plaatsvindt in de exclusieve economische zone. Zoals aangegeven onder 1, hoeft op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 geen passende beoordeling gemaakt te worden voor een beheerplan. Alleen voor de daarin op te nemen individuele projecten met mogelijk significant negatieve gevolgen moet een passende beoordeling worden gemaakt. Deze verplichting vloeit echter niet voort uit artikel 19j, tweede lid, maar uit artikel 19a, tiende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft alleen betrekking op in het beheerplan op te nemen projecten en niet het beheerplan alszodanig. Op grond van het gewijzigde artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm hoeft voor een beheerplan dus geen plan-mer te worden gemaakt. Het conform de aanbeveling bij vraag 1 uitvoeren van een integrale ecologische toets van het beheerplan, leidt evenmin tot een plan-mer plicht: het gaat hier niet om een verplichting op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998; voor zover de toets voor individuele projecten mede het karakter van een passende beoordeling heeft, vloeit deze voort uit artikel 19a, tiende lid, van de Natuurbeschermingswet Het voorgaande laat onverlet dat het op grond van artikel 7.2, eerste lid, sub b, van de Wm aangewezen kan zijn voor individuele in het beheerplan opgenomen projecten een project-mer op te stellen. Dat is echter nadrukkelijk iets anders dan een plan-mer. Er is dan bovendien geen wettelijke verplichting om de passende beoordeling van het project met de project-mer te integreren. Conclusie Op gro Bijlage 18: Notitie Calamiteiten in beheerplannengeen plicht om een plan-mer te maken voor een beheerplan, aangezien deze verplichting is gekoppeld aan artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet Op grond van dat laatste artikellid behoeft geen passende beoordeling voor een beheerplan te worden uitgevoerd. De eventuele plicht tot het opstellen van een passende beoordeling geldt hooguit voor individuele projecten, maar vloeit dan voort uit artikel 19a, tiende lid, en niet uit artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet Voor deze projecten kan een project-mer verplicht zijn. 93 Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving (Stb. 2010, 20). 223

225 Bijlage 19: Notitie Calamiteiten in beheerplannen Accoord Regiegroep 27 april 2010 Calamiteiten in beheerplannen Aanleiding Calamiteiten kunnen invloed hebben op Natura 2000 gebieden. Er is op dit moment geen overzicht van calamiteiten die in Natura 2000 gebieden kunnen voorkomen, de invloed die zij (mogelijk) hebben en de wijze waarop hiermee in het beheerplan kan worden omgegaan. Voordat dit verder wordt uitgewerkt, moeten eerst de volgende vragen beantwoord worden: 1. Kunnen calamiteiten in het beheerplan opgenomen worden? 2. Is het zinvol een algemene paragraaf op te nemen in het beheerplan? In het beheerplan wordt bestaand gebruik meegenomen, alsmede toekomstige ontwikkelingen waarvan redelijkerwijs zeker is dat ze zich zullen realiseren. Ongewone voorvallen (waaronder calamiteiten begrepen worden) zijn naar hun aard niet te voorzien en kunnen daarom niet in het beheerplan worden beschreven. Het antwoord is op de vraag is dan ook : Neen. Calamiteiten niet opnemen in het beheerplan. Ongewone voorvallen (waaronder calamiteiten begrepen worden) zijn zeer divers. Bovendien zijn in diverse wetten regelingen opgenomen over hoe gehandeld moet worden ingeval zich een ongewoon voorval voordoet (zie bijlage A voor een overzicht). Vaak is de verplichting uit de wettelijke regeling ook nog eens opgenomen in vergunningvoorschriften. De regeling zoals die is beschreven in wet en vergunning komt er grofweg op neer, dat ingeval een ongewoon voorval zich voordoet, dit zo snel mogelijk ongedaan dient te worden gemaakt, dat schade zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat er melding gemaakt wordt van het ongewone voorval bij het bevoegd gezag. Het voegt niets toe om dit ook in het beheerplan op te nemen, want het is elders al geregeld. Bovendien bestaat het risico dat de beschrijving in het beheerplan net afwijkt van de beschrijving zoals die is opgenomen een van de vele andere regelingen en vergunningen, waardoor onduidelijkheid (en rechtsonzekerheid) ontstaat. Het antwoord is: Neen. Geen algemene paragraaf opnemen in het beheerplan. Conclusie over calamiteiten in beheerplannen Ongewone voorvallen (waaronder calamiteiten) krijgen geen plek in het beheerplan. BIJLAGE A Achtergrondinformatie De Wet milieubeheer; jurisprudentie ongewoon voorval-calamiteit De Wet milieubeheer (Wm) heeft het begrip ongewoon voorval niet gedefinieerd. In de jurisprudentie wordt de volgende uitleg eraan gegeven: Onder ongewoon voorval moet worden verstaan elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak ervan, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten; dit begrip behelst zowel storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen van de inrichting als ongelukken en calamiteiten. (zie ABRS 12 juli 2006 nr /1 en ook ABRS 2 juni 2004 nr /1). De Wm voorziet in een meldingsregeling in hoofdstuk 17. Voor de toepasselijkheid van de meldingsplicht van artikel 17.2 Wm is vereist dat door het ongewone voorval nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan. Wat onder afwijken van de normale bedrijfsactiviteiten wordt begrepen, moet steeds in concreto worden vastgesteld. De gegevens die de aanvrager van een vergunning heeft verstrekt, kunnen daarbij een hulpmiddel zijn. De Wet bodembescherming In de Wet bodembescherming (Wbb) zijn eveneens bepalingen opgenomen met betrekking tot een ongewoon voorval (artikel 13 Wbb en artikel 30 Wbb) en de wetgever geeft een ruime uitleg aan het begrip. Aan het begrip ongewoon voorval moet een ruime betekenis worden toegekend. Het gaat om een gebeurtenis die bij een normale gang van zaken niet zou hebben plaatsgevonden. Daarbij kan worden gedacht aan het kantelen van een tankwagen of het stuktrekken van een leiding. Er kan echter ook sprake zijn van een ongewoon voorval wanneer, bijvoorbeeld uit een tank die in slechte staat verkeert, verontreinigende stoffen ontsnappen die in de boden (dreigen te) geraken (kamerstukken II 1989/ nr. 3 p. 43). 224

226 Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet De Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998) regelt de bescherming van gebieden als bedoeld in de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn en de bescherming van beschermde natuurmonumenten. Het is verboden om zonder vergunning of in strijd met de voorwaarden van een vergunning projecten of andere handelingen te verrichten die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De Flora- en faunawet (Ffw) regelt de bescherming van planten- en diersoorten en bevat een aantal verbodsbepalingen (verbod om te plukken, te doden, etc.).van deze verboden kan ontheffing of vrijstelling worden verleend. Andere wetgeving die relevant kan zijn voor het regelen van het voorkomen en beperken van schade (naast Wm, Wbb en Nbw 1998; niet limitatief): - Wet verontreiniging oppervlaktewateren (later Waterwet): mogelijk in vergunning maatregelen bij ongewone voorvallen; - Waterwet: verplichting vaststellen calamiteitenplan; - Burgerlijk Wetboek schadevergoedingsactie onder andere door burgers; - Besluit financiële zekerheid verplichting in vergunning tot stellen financiële zekerheid; - Wet rampen en zware ongevallen rampenplan, verdeling taken, bevoegdheden en - verantwoordelijkheden bij rampen; - Besluit rampen en zware ongevallen verplichtingen voor overheid en bedrijven m.b.t. procedures - borging veiligheid; - Besluit externe veiligheid inrichtingen: risiconormen voor externe veiligheid. 225

227 Bijlage 20: Omgang met evenementen Accoord Regiegroep 27 april 2010 Deze notitie geeft in hoofdlijnen aan hoe (sport)evenementen een plek kunnen krijgen in het beheerplan. Dit is geïllustreerd met een aantal voorbeelden. Daarnaast is aangegeven welke mogelijkheden er zijn als een evenement niet in het beheerplan is opgenomen. Bij de beschrijving van het bestaande gebruik van een Natura 2000 gebied kan worden vermeld welke (sport)evenementen in het gebied plaatsvinden. De gevolgen van dit gebruik worden vervolgens beoordeeld in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied om te bepalen of het gebruik hier al dan niet mee conflicteert. Deze habitattoets kan verschillende uitkomsten hebben: - de activiteit heeft zeker geen (significant) negatief effect op de natuurwaarden en is daarmee toegestaan en vrijgesteld van vergunningplicht; - de activiteit heeft kans op een negatief effect (verslechtering), maar dit effect is zeker niet significant. Uit de verslechteringstoets moet blijken wat het negatieve effect is en of een vergunning kan worden verleend (al dan niet onder voorwaarden) of moet worden geweigerd. - de activiteit heeft kans op een (significant) negatief effect. Uit de passende beoordeling en zonodig de ADC toets, moet blijken wat het significant negatieve effect is en of een vergunning kan worden verleend (al dan niet onder voorwaarden) of moet worden geweigerd. Het feit dat een activiteit is vrijgesteld van vergunningplicht en is toegestaan, kan worden vastgelegd in het beheerplan. Een voorbeeld hiervan is te vinden in het beheerplan voor het Drents-Friese Wold, waarin lijsten zijn opgenomen van activiteiten die al dan niet zijn vrijgesteld van vergunningplicht (zie bijlage A). Ook voorwaarden die aan een activiteit worden gesteld, kunnen worden opgenomen in het beheerplan (voorbeeld: Beheerplan Voordelta). Ook activiteiten met mogelijk verslechtering tot gevolg of significante gevolgen kunnen in het beheerplan worden opgenomen. Er moet dan wel een verslechteringstoets of passende beoordeling doorlopen worden met positieve uitkomst. De Quick Scan Bestaand Gebruik & Natura 2000 geeft een eerste inzicht in de activiteiten die in een Natura 2000 gebied kunnen plaatsvinden, in welke mate zij effecten kunnen hebben en of dit leidt tot opname in het beheerplan of een vergunningprocedure (evenementen vallen onder bijlage 4: sectornotitie recreatie, toerisme en sport). Ondanks dat het aantal (sport)evenementen zeer divers is en ieder gebied zijn eigen karakteristieken en mogelijkheden heeft, is het toch mogelijk om een aantal algemene richtlijnen voor de beschrijving van (sport)evenementen in de beheerplannen te geven. Daarnaast blijft altijd maatwerk per gebied nodig. De projectleider van het beheerplan zal in samenspraak met de betrokkenen bij het gebiedsproces moeten bepalen welke mate van detail in dat gebied vereist is. (Sport)evenementen kenmerken zich door het feit dat ze incidenteel plaatsvinden: eens of enkele keren per jaar of eens per maand. Een beschrijving zou aandacht moeten besteden aan de volgende aspecten: hoe lang vindt een evenementen al plaats en wat is de variatie (of ontwikkeling) in voorkomen (denk aan: aantal deelnemers en ruimte die benut wordt voor het evenement); welke effecten veroorzaakt het evenement (denk aan: licht, geluid, verontreiniging, etc.) welke natuurwaarden worden door die effecten geraakt, rekening houdend met het tijdstip van het jaar (vanwege het incidentele karakter van het evenement). Op de volgende bladzijden zijn een aantal voorbeelden te vinden van de wijze waarop is omgegaan met evenementen in beheerplannen. 226

228 3. Voorbeeld 1: Voordelta 4. In het Beheerplan Voordelta zijn evenementen op of grenzend aan de stranden niet specifiek 5. opgenomen. Om duidelijkheid te geven aan alle betrokkenen heeft de provincie Zeeland opdracht 6. gegeven om een voortoets uit te voeren voor de bekende en door de betrokken gemeenten 7. geïnventariseerde evenementen die jaarlijks plaatsvinden op en grenzend aan de stranden van de Voordelta. Er zijn in dit kader 55 evenementen omschreven en beoordeeld ten opzichte van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Voordelta. De beschreven evenementen variëren van marathons en mountainbikeraces tot feesten en het rijden met 4x4 terreinwagens. Voor alle evenementen is omschreven waar (locatie) en wanneer (maand) ze plaatsvinden, welk type verstoring ze met zich meebrengen (beweging, geluid, licht) en welke trend het evenement kent (autonome ontwikkeling). Daarnaast zijn de natuurwaarden in beeld gebracht die gezien hun voorkomen verstoord kunnen worden. Vervolgens zijn de evenementen getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen. Het optreden van een negatief effect is afhankelijk van het type verstoring, de afstand tussen het evenement en de locatie met natuurwaarden en het tijdstip van het evenement. De effecten zijn per evenement in een tabel weergegeven. Daar waar sprake is van mogelijk negatieve effecten, heeft nadere toetsing plaatsgevonden. De conclusie uit deze voortoets is dat de beschreven evenementen geen negatieve effecten op de beschermde natuurwaarden van de Voordelta hebben. De aanvraag van een vergunning of het uitvoeren van vervolgonderzoek is voor deze evenementen niet noodzakelijk. Bron: Voortoets evenementen in/grenzend aan het Natura 2000 gebied Voordelta, Arcadis, 18 juni 2009 Voorbeeld 2: Vuurwerk in Noord-Brabant In opdracht van de provincie Noord-Brabant is een studie uitgevoerd om te bepalen op welke afstanden van een Vogelrichtlijngebied geen vergunningplicht in het kader van de Natuurbeschermingswet is vereist 1. Voor verschillende categorieën vuurwerk is een onderbouwing gegeven, zodat de provincie bij een vergunningaanvraag kan beoordelen of er wel of niet een verstorend effect kan optreden. Dit heeft geleid tot een procedure die de stappen geeft die een initiatiefnemer moet doorlopen en het biedt tevens een beoordelingskader voor de provincie. Het gaat om de kans dat verstoring optreedt in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000 gebied. Die kans is afhankelijk van wat bekend is over de precieze aantallen, de periode van aanwezigheid en de frequentie van aanwezigheid van de aangewezen vogelsoorten. Van groot belang is de afstand tussen het Natura 2000 gebied en de plaats van het evenement en de aard van het tussenliggende gebied (biedt dit voldoende afscherming biedt tegen licht en geluid of moet het worden beschouwd als open gebied). Het bevoegd gezag beoordeelt de vergunningaanvraag, maar de aanvrager moet inzichtelijk maken of zijn vuurwerkevenement wel of geen verstoring veroorzaakt. De resultaten zijn ook toepasbaar voor Natura 2000 gebieden buiten de provincie Noord-Brabant, mits het om dezelfde soorten gaat. De provincie Noord-Brabant zal in de beheerplannen naar deze studie verwijzen, als deze van toepassing is. Als op basis van de studie vuurwerk zonder vergunning mogelijk is, zal dit in het beheerplan worden vermeld. Bron: Vuurwerk & Vogels, Afwegingskader voor vergunningverlening ten aanzien van vuurwerkevenementen nabij Brabantse Vogelrichtlijngebieden, Alterra / WUR, 2008 Overige literatuur over vuurwerk: - Vuurwerk en natuur, effecten van professioneel vuurwerk op beschermde natuurwaarden in Zeeland, Alterra Wageningen UR, eindconcept Beleidsadvies ten behoeve van een afwegingskader inzake het afsteken van vuurwerk in/nabij speciale beschermingszones, SOVON-informatierapport , SOVON Vogelonderzoek Nederland LET OP: Deze studie van Alterra / WUR dateert van voor 1 februari Op deze datum is de Nb-wet gewijzigd, waardoor er in het vervolg sprake moet zijn van `significante` verstoring. 227

229 Voorbeeld 3: Schaatsen in Natura 2000 gebieden Na het verrijden van het Nederlands Kampioenschap Marathonschaatsen op natuurijs in het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen in 2009, is dit grote schaatskampioenschap dit jaar georganiseerd op het Zuidlaardermeer, onderdeel van het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer. Tijdens de informatieavonden in 2009 over het beheerplan Zuidlaardermeer bleek er in de streek flinke onrust te bestaan of er straks nog wel geschaatst zou kunnen worden. De beheerder en de provincie benadrukten toen dat er mits er maatregelen werden getroffen om de roerdompen in de rietkraag te ontzien geen belemmeringen zouden zijn om op het meer te schaatsen. Dagen voorbereiding zijn eraan voorafgegaan: de baan vegen, luidsprekers plaatsten, dranghekken branden in het ijs, partytent opbouwen, enzovoort. De Natura 2000-status heeft dit dus niet in de weg gestaan. In het beheerplan voor het Zuidlaardermeergebied is schaatsen (inclusief toertochten)opgenomen als bestaand gebruik. Vervolgens is deze activiteit geconfronteerd met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Geluid en optische verstoring zijn de verstorende effecten die schaatsen kan hebben. Bij een schaatsevenement binnen het Natura 2000 gebied komen hier als verstoringscomponenten licht en verontreiniging bij. Schaatsen kan in de winter verstorend werken op het leefgebied van de Roerdomp, die hier in de winterperiode extra gevoelig voor is. Deze verstoring kan worden gemitigeerd door een zonering van 150 meter rondom de bekende leefgebieden van de Roerdomp in te stellen. Indien schaatsroutes buiten deze zonering worden uitgezet en het publiek wordt gewezen op de leefgebieden van de roerdomp, dan is de kans op verstoring klein en hoeft het houden van schaatsevenementen niet vergunningplichtig te worden gesteld. De mitigerende maatregelen zijn in een tabel en op kaart in het beheerplan opgenomen. Bron: Natura 2000 beheerplan Zuidlaardermeergebied, A&W-rapport [1228], Werkdocument V6, 10 augustus 2009, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek Voorbeeld 4: Sail Kampen Sail Kampen is een watersportevenement dat tweejaarlijks wordt georganiseerd en dat de start van het nieuwe watersportseizoen inluidt. Het evenement duurt vier dagen en er vinden diverse activiteiten plaats, zoals een verlichte vlootschouw, helicoptervluchten, live-muziek en vuurwerk. In opdracht van de provincie Overijssel is onderzocht wat de mogelijke effecten van dit evenement op de omliggende Natura 2000 gebieden zijn. Per activiteit is op basis van bestaande literatuur bepaald of ze kunnen leiden tot verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000 gebieden. Belangrijke aspecten hierbij zijn de afstand tussen de activiteit en het Natura 2000 gebied, het type verstoring (licht of geluid), het tijdstip (zowel de maand als ook het tijdstip van de dag) en de beschermde soorten. Voor de helicoptervluchten wordt een passende beoordeling voorgeschreven. Het is daarbij mogelijk dat significant negatieve effecten op grond van de aangeleverde informatie en door het uitvoeren van mitigerende maatregelen (zoals: aanpassen vlieghoogte, vliegroute, timing, beperking vliegduur) alsnog zijn uit te sluiten. In dat geval kan worden volstaan met een verstorings- en verslechteringstoets. De IJssel bij Kampen maakt deel uit van het Beheerplan Rijntakken. Het evenement Sail Kampen zal worden verwerkt in het Werkdocument achtergrondrapport bestaand gebruik Natura 2000 Beheerplan Rijntakken (in concept 3.1, 18 november 2009, Arcadis is de studie van de SOVON nog niet vermeld). Bron: Beleidsadvies ten behoeve van een afwegingskader inzake het afsteken van vuurwerk in/nabij speciale beschermingszones, SOVON-informatierapport , SOVON Vogelonderzoek Nederland,

230 Evenement staat niet in beheerplan Als een evenement niet in het beheerplan is opgenomen, zijn er verschillende mogelijkheden: - Het evenement heeft geen enkel effect of slechts een verstorend effect => geen vergunningplicht - Het evenement leidt tot verslechtering of een significant verstorend effect => vergunningplicht - Het evenement voldoet aan artikel 19d, derde lid (er is sprake van bestaand gebruik) => geen vergunningplicht Welke optie van toepassing is, zal in overleg met het bevoegd gezag moeten worden bepaald. Toelichting op bestaand gebruik In de Crisis- en herstelwet is de continuering van het regime voor bestaand gebruik opgenomen. De achterliggende reden voor deze wijziging is het wegnemen van de onzekerheid bij ondernemers over de vraag of het bestaand gebruik ook daadwerkelijk in het beheerplan wordt opgenomen. Dit laat onverlet dat het bevorderen van de volledigheid van beheerplannen de voorkeur heeft. De Crisis- en herstelwet is op 17 maart 2010 aangenomen door de Eerste Kamer en is op 31 maart 2010 in werking getreden. In de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) is geregeld dat bestaand gebruik is vrijgesteld van de vergunningplicht van de Nb-wet (artikel 19d, derde lid, Nb-wet). De vrijstelling geldt niet als het bestaand gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura gebied. In dat geval geldt de vergunningplicht onverkort. De minister van LNV heeft een aanschrijvingsbevoegdheid, om met het oog op de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, passende maatregelen te treffen (artikel 19c Nb-wet) met betrekking tot vrijgesteld bestaand gebruik. Het uitgangspunt is dat bestaand gebruik zal worden opgenomen in het beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Het beheerplan biedt de mogelijkheid om activiteiten, ontwikkelingen en instandhoudingsmaatregelen in onderlinge samenhang te bezien, in het licht van de instandhoudingsdoelen, en daarvoor dusdanige algemene voorzieningen te treffen dat een afzonderlijke beoordeling van de betrokken activiteiten in het kader van een vergunningprocedure niet meer nodig is. Dit geeft voor de duur van het beheerplan duidelijkheid voor de gebruikers van het gebied en leidt tot een zekere vermindering van administratieve en bestuurlijke lasten. Activiteiten die zijn opgenomen in het beheerplan en overeenkomstig de voorwaarden worden uitgevoerd, zijn dan ook vrijgesteld van de vergunningplicht (artikel 19d, tweede lid, Nb-wet). Tot dusverre was in de Nb-wet geregeld dat de vrijstelling voor bestaand gebruik van de vergunningplicht, en de aanschrijvingsbevoegdheid van de minister, gelden totdat het eerste beheerplan onherroepelijk is geworden. Daarna is het bestaand gebruik ofwel opgenomen in het beheerplan, en om die reden vrijgesteld, ofwel alsnog vergunningplichtig. Met de inwerkingtreding van de Crisis- en Herstelwet blijven de vrijstelling van de vergunningplicht en de aanschrijvingsbevoegdheid gelden voor bestaand gebruik dat onverhoopt niet in het beheerplan wordt opgenomen (wijziging artikelen 19c en 19d, derde lid, Nb-wet). De bevoegdheid tot het treffen van passende maatregelen komt, vanaf het moment dat het beheerplan is vastgesteld, te liggen bij het gezag dat, als voor het bestaand gebruik een vergunning zou zijn vereist op grond van artikel 19d, eerste lid, Nb-wet, het bevoegd gezag zou zijn voor vergunningverlening. In de meeste gevallen zijn dat Gedeputeerde Staten; soms is dat de minister van LNV (Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998). Onder bestaand gebruik wordt verstaan: 1. iedere handeling die op 1 oktober 2005 werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd; 2. iedere handeling die op het moment van aanwijzing van een gebied als beschermd natuurmonument of ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG dan wel op het moment van aanmelding bij de Europese Commissie van een gebied ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd, voor zover die aanwijzing of aanmelding plaatsvindt na 1 oktober. 229

231 Bijlage A LIJST van actviteiten in/bij het Drents-Friese Wold ZONDER VERGUNNINGPLICHT in het kader van de NATUURBESCHERMINGSWET 1998 versie 25 juli 2007 status: definitief N.B.: deze lijst laat onverlet dat voor vrijwel alle activiteiten toestemming nodig is van de terreineigenaar dan wel van de terreinbeherende organisatie! BIJ TWIJFEL ALTIJD CONTACT OPNEMEN MET DE PROVINCIE Wanneer wordt verwezen naar dagrecreatieterreinen in het Drents-Friese Wold, betreft het de volgende locaties: Canadameer, Zandvlakte bij Appelscha, De Bongerd en Noordelijke Veldhuizen. HOOFD- CATEGORIE SUB- CATEGORIE OMSCHRIJVING PERIODE OPMERKINGEN Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Bosbeheer Velling en dunning 1 september tot 1 maart Maaibeheer Maaibeheer 1 september tot 1 maart Snoeibeheer Regulier onderhoud van wallen, heggen en singels 1 september tot 1 maart Heidebeheer Plaggen en verwijderen plagsel 1 september tot 1 maart Heidebeheer vrijstellen van opslag (niet ouder dan 10 jaar) 1 september tot 1 maart bij opslag ouder dan 10 jaar ook Boswet- en NBwet- toets verplicht Bosbeheer Beweiding Prunusbestrijding (handmatig of machinaal) zónder gebruik van gif Begrazingsbeheer (met beschermende maatregelen voor (broedende) vogels in het broedseizoen) 1 september tot 1 maart gehele jaar Beheer Sloten Schonen en onderhoud van sloten 1 augustus tot 1 november Monitoring/ Onderzoek Monitoring/ Onderzoek Beperkte veldinventarisaties door terreinbeheerders of in opdracht van beheerder (maximaal 5 dagen) Kleinschalige ecologische onderzoeken met een beperkte duur (maximaal 5 dagen) Recreatie Excursies Excursies onder begeleiding gids van de beherende instantie of een erkende natuurgids gehele jaar gehele jaar gehele jaar Recreatie Educatie buitenonderwijs (zonder overnachting) gehele jaar Rekening houden met amfibieën, reptielen, insecten (o.a. libellen) en vissen (paaiseizoen), door bijv. éénzijdig te schonen. Wel vergunningplichtig als gids niet handelt namens beherende instantie Recreatie Recreatie Muziek, toneel en openluchtdiensten Muziek, toneel en openluchtdiensten Voorstellingen en diensten op dagrecreatieterreinen (OPSOMMING: ZIE HIERBOVEN) Voorstellingen en diensten grenzend aan of nabij het NBwet-gebied Recreatie Sport en spel (Sport) evenementen op dagrecreatieterreinen (OPSOMMING: ZIE HIERBOVEN) gehele jaar gehele jaar gehele jaar Versterkt geluid alleen met toestemming terreinbeheerder Wel vergunningplichtig als versterkt geluid, speciale lichteffecten e.d. overlast in een nabijgelegen NBwet-gebied kunnen geven Versterkt geluid alleen met toestemming terreinbeheerder 230

232 (CONCEPT VERSIE 1 MEI 2007) LIJST actviteiten in/bij het DFW met VERGUNNINGPLICHT in het kader van de NATUURBESCHERMINGSWET Wanneer wordt verwezen naar dagrecreatieterreinen in het DFW, betreft het de volgende locaties: Canadameer - Zandvlakte - de Bongerd - Noordelijke Veldhuizen - Wateren Let op lijst is niet uitputtend! Activiteiten: categorie 1 Acticitieiten: categorie 2 Activiteit Periode van de activiteit Vergunning / beoordeling van provincie nodig - Vooroverleg in vroeg stadium gewenst Privaat - rechtelijke Opmerkingen vergunning terreinbeheerder nodig Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Regulier Terreinbeheer Bosbeheer Velling en dunning 1 maart tot 1 september ja ja Maaibeheer Maaibeheer 1 maart tot 1 ja ja september Heidebeheer Plaggen - en verwijderen plagsel 1 maart tot 1 ja ja september Heidebeheer vrijstellen van opslag (niet ouder dan 10 1 maart tot 1 ja ja bij opslag ouder dan 10 jaar ook jaar) september Boswet en Nb-wet toets verplicht Bosbeheer Prunusbestrijding (handmatig of 1 maart tot 1 ja ja machinaal) september Bosbeheer Prunusbestrijding (chemisch) 15 juli tot 1 maart ja ja Bosbeheer Prunusbestrijding (chemisch) 15 juli tot 1 maart ja ja Beweiding Begrazingsbeheer zonder maatregelen voor (broedende) vogels) 1 maart tot 1 september Sloten Schonen en onderhoud van sloten 1 november tot 1 augustus ja ja ja ja Rekening houden met amfibiën, reptielen, insecten (o.a. libellen) en vissen (paaiseizoen), door bijv. éénzijdig te schonen. Regulier Monitoring Langdurige veldinventarisaties en gehele jaar ja ja Regulier Monitoring Grootschalige veldonderzoeken (langer gehele jaar ja ja Recreatie Verblijfsaccomo Aanleg / uitbreiding camping, gehele jaar ja ja datie bungalowparken etc. Recreatie Voorzieningen Aanleg / uibreiding recreatieve gehele jaar ja ja voorzieningen Recreatie Muziek, toneel en open - Voorstellingen en diensten in open lucht en buiten dagrecreatieterreinen gehele jaar ja ja Versterkt geluid alleen met toestemming terreinbeheerder luchtdiensten Recreatie Sport en spel (Sport) evementen in- of in de directe gehele jaar ja ja nabijheid van het Natura 2000 gebied, buiten recreatieterrein Recreatie Wandeltochten Recreatieve dag - puzzel- en 1 maart tot 1 ja ja survivaltochten etc. buiten bestaande wegen, paden en voor het publiek openstelde terreinen (o.a. dagrecreatie- en parkeerterreinen) september Recreatie Wandeltochten Recreatieve nachtelijke - puzzel- en survivaltochten etc. buiten bestaande wegen, paden en voor het publiek openstelde terreinen (o.a. dagrecreatie- en parkeerterreinen) 1 maart tot 1 september ja ja Recreatie Fietstochten Fietsevenementen buiten opengestelde wegen, paden en vastgestelde routes 1 maart tot 1 september ja ja Recreatie Paardentochten Paardentochten met of zonder kar buiten wegen, paden en vastgestelde routes gehele jaar ja ja 231

233 Bijlage 21 Afwegingskader sociaal economische aspecten Accoord Regiegroep 16 maart 2010 Beheerplannen Natura 2000: Sociaal- economische gevolgen en ontwikkelingsruimte Aanleiding De komende tijd wordt er gewerkt aan het opstellen van de ontwerp-beheerplannen. Het is daarbij van belang dat deze kwalitatief goed en volledig zijn. Bovendien moeten de beheerplannen kunnen rekenen op een breed draagvlak. In de Intentieverklaring Beheerplannen Natura 2000 (september 2008), die door betrokken departementen, provincies en maatschappelijke organisaties is ondertekend, zijn de belangrijkste elementen daarvoor geformuleerd (bijlage). De minister heeft, tijdens een eind vorig jaar in de Tweede Kamer gehouden wetgevingsoverleg natuur, één van deze elementen duidelijk aan de orde gesteld. Het betreft hier de constatering dat in veel (concept-) beheerplannen, zoals tot dan toe bekend, de sociaal-economische toetsing van de maatregelen niet, of onvoldoende is meegenomen. Ook ontbreekt in veel gevallen een duidelijk toetsingskader of set van criteria waaraan toekomstige ontwikkelingen getoetst kunnen worden, zodat er inzicht ontstaat welke ontwikkelingen mogelijk zijn in en rondom een Natura 2000-gebied, en welke niet. De minister verzoekt de beheerplanopstellers bij de verdere uitwerking van de beheerplannen, de plannen die nog onvoldoende ingaan op het sociaal- economisch perspectief daarop aan te vullen (zie brief van minister Verburg aan de Tweede Kamer van 26 januari 2010 over Natura 2000). Dit sluit aan bij de oproep van de maatschappelijke organisaties in het bestuurlijk overleg met de minister van 26 oktober 2009 over de concept-beheerplannen. Doel Kwaliteit en draagvlak van een beheerplan zijn pas gegarandeerd als de sociaal-economische toetsing meegenomen en afgewogen is, bij het opstellen van de beheerplannen. Het Regiebureau en de betrokken maatschappelijke organisaties 94 willen via deze notitie bijdragen aan de realisatie daarvan. Dit initiatief laat zien dat er synergie kan zijn tussen de economie en ecologie. Aan de hand van enkele voorbeelden willen de maatschappelijke organisaties laten zien hoe in de beheerplannen ruimte voor sociaal-economische ontwikkeling een plaats kan krijgen. Daarbij wordt uitgegaan van de bovengenoemde Intentieverklaring. Daar aan voorafgaande wordt de functie van het beheerplan geëxpliciteerd, opdat duidelijk wordt waar en hoe de sociaal-economische aspecten daarin een plaats behoren te krijgen. Functie beheerplan Een beheerplan heeft twee functies die rekening moeten houden met de sociaal-economische gevolgen: 1. Inzicht geven in het benodigde maatregelenpakket om de doelen te behalen. 2. Toetsingskader voor de vergunningverlening (inclusief bestaand gebruik). Ad 1. Maatregelenpakket Om de maatregelen in beeld te krijgen moeten de natuurdoelen en hun ecologische vereisten uitgewerkt zijn (stap 1 en 2). Daarna moet onderzocht worden wat de financiële consequenties en sociaal-economische gevolgen (bestaande activiteiten en ontwikkelruimte) van genoemde maatregelen zijn (stap 3 en stap 4). Een volgende stap is, dat er een afweging plaatsvindt op basis van een iteratief (cyclisch herhalend) proces (stap 5), tussen het realiseren van het natuurdoel en de financiële en sociaal-economische gevolgen. Vaak blijkt het mogelijk te zijn om binnen het Aanwijzingsbesluit te schuiven in oppervlakte, tijd of maatregelenpakketten, zonder dat het natuurdoel veranderd hoeft te worden. Er is overigens een aantal momenten waarop de natuurdoelen herijkt en zonodig bijgesteld kunnen worden (zie brief van minister Verburg aan de Tweede Kamer van 26 januari 2010 over Natura 2000). 94 Deze notitie is opgesteld in overleg met LTO, Natuurmonumenten, VNO-NCW en MKB-Nederland 232

234 Het is mogelijk dat het realiseren van een natuurdoel geen sociaal-economische gevolgen of extra financiële consequentie heeft. Dan kan de toetsing snel worden afgerond. De vijf stappen zijn als volgt kort samen te vatten: 1. Beschrijving instandhoudingsdoel: doelstelling oppervlakte en kwaliteit wat is de actuele toestand trend (omvang en kwaliteit) wat is het potentieel voor het natuurdoel (uitwerking in ruimte en omvang = gunstige staat van instandhouding) 2. Maatregelen voor realiseren natuurdoel 3. Financiële consequenties van de maatregelen: wat zijn de kosten dekking van de kosten 4. Sociaal- economische consequenties: wat zijn de gevolgen voor huidige sociaal-economische activiteiten wat zijn de gevolgen (kosten en baten) voor de toekomstige sociaal-economische activiteiten wat wordt vervolgens met de uitkomsten van deze toetsing gedaan en welke oplossingen zijn mogelijk 5. Iteratief proces zoals beschreven in onderstaande figuur 1. Beschrijven Instandhoudingsdoelen 2. Beschrijving van maatregelpakketten 3. Toetsen maatregelpakketten: - Ecologisch doelbereik - Sociaal economische aspecten 4. Maatregelpakketten: - Effectief (haalbaar)? - Efficiënt (betaalbaar)? Nee! Heroverwegen Ja! Vaststellen Plannen De bovengenoemde vijf stappen dienen te worden opgevat als een model-beschrijving. In eenvoudige situaties zal dit stappenplan meer het karakter van een checklist hebben en in andere meer complexe situaties zal o.a. een meer uitgebreide analyse van de sociaal-economische gevolgen en financiële consequenties nodig zijn. 233

235 Ad 2. Toetsingskader voor de vergunningverlening Het beheerplan moet duidelijkheid geven over welke bestaande activiteiten wel en niet meer plaats kunnen vinden in en om het Natura 2000-gebied. Daarnaast moet het fungeren als toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. De sociaal-economische ontwikkelingsmogelijkheden worden mede bepaald door de invulling van het maatregelenpakket. Er zijn mogelijkheden om dit pakket bij te stellen of om de samenstelling in de tijd op te schuiven (zie ook de punten 3 en 4 van het stappenplan). Een volledig toetsingskader gaat in op: - De factoren (ecologische vereisten) die van belang zijn voor de instandhouding van het natuurdoel. Wanneer een nieuwe of bestaande activiteit niet strijdig is met de ecologische vereisten, is geen vergunning nodig. - Een initiatiefnemer moet in het beheerplan kunnen lezen aan welke randvoorwaarden zijn activiteit moet voldoen om zonder vergunning doorgezet te kunnen worden. - De vergunningverlener moet met de informatie uit het beheerplan kunnen bepalen of een nieuwe activiteit (of uitbreiding van bestaande) mag doorgaan. - Het beheerplan moet een antwoord hebben op de vraag: hoe ga je om met onduidelijkheid over dosis-effectrelaties om te voorkomen dat de bewijslast (na het vaststellen van een beheerplan) bij de ondernemer komt te liggen. Wil men tot een werkbaar voorstel voor ondernemers komen, is het nodig dat niet wordt uitgegaan van een nultolerantie, maar dat beperkte risico s acceptabel zijn (omdat deze geen significante gevolgen hebben), mits deze bij de monitoring in beeld blijven. Hieronder worden voorbeelden genoemd die invulling geven aan het toetsingskader zoals hierboven beschreven. Voorbeeld: uit specifiek advies Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Op korte termijn kunnen geen aanvullende maatregelen worden genomen om richting het instandhoudingsdoel te gaan, omdat dit fors ingrijpen in de hydrologie vereist, wat nadelig werkt voor het omliggende gebruik. Dergelijke ingrepen zijn nu maatschappelijk nog onhaalbaar. Omdat het habitattype in de huidige situatie duurzaam voorkomt en door huidig beheer een gunstige ontwikkeling laat zien, zowel in kwaliteit als in oppervlakte, zijn maatregelen in de eerste beheerplanperiode niet nodig om uiteindelijk de instandhoudingsdoelen te behalen. Op de langere termijn (uiterlijk 2018 realisatie EHS) zal het inrichtingsplan voor Natte Natuurparel De Brand worden gerealiseerd, waarbij de oppervlaktewaterkwaliteit binnen het gebied wordt verbeterd en waarbij het gebied vernat zal worden. Grondverwerving volgens vaststaand beleid blijft hierbij een aandachtspunt. De vernatting is zeer gunstig voor dit habitattype en heeft dan ook een uitbreiding en een kwaliteitsverbetering tot gevolg. Hiermee wordt op de langere termijn voldaan aan de instandhoudingsdoelstellingen. Voorbeeld: Wieden Weerribben; Veehouderij, verdroging, Voor de landbouwsector in zijn geheel geldt de voorwaarde dat nieuwe activiteiten niet mogen leiden tot een vermindering van het areaal geschikt foerageergebied voor zwanen, ganzen en eenden binnen een afstand van 5 kilometer van De Wieden. Het op grote schaal omzetten van grasland naar akkers is ongunstig omdat hiermee minder voedsel beschikbaar is voor ganzen. Op dit moment is de verhouding grasland en akkerland in een straal van 5 kilometer rond De Wieden geen knelpunt voor de ganzen. De verwachting is dat de komende zes jaar de verhouding niet zal wijzigen. Via monitoring zal bekeken worden of deze verwachting juist is. Tot die tijd kunnen individuele boeren zonder toetsing aan de Natuurbeschermingswet grasland scheuren. Daarmee gelden er geen voorwaarden voor de dagelijkse werkzaamheden of beperkingen in de gebruiksmogelijkheden van deze gronden. Bij toepassing van deze voorwaarden worden negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen voorkomen. 234

236 Uit Leemkuilen Emissie van verzurende en vermestende stoffen Dit kan niet vergunningsvrij worden opgenomen binnen het beheerplan. Met name extensieve en intensieve veehouderij en akkerbouw zorgen voor dit type emissies. Ten aanzien van extensieve veehouderij zijn deze emissies moeilijk te voorkomen, het vee loopt immers gewoon buiten. Intensieve veehouderij heeft de mogelijkheid door middel van technische oplossingen haar emissies terug te dringen. Voor deze problematiek, die onder andere ook samenhangt met industrie en verkeer, kunnen binnen dit beheerplan geen oplossingen worden gevonden, maar zijn op provinciaal niveau toetsingskaders vastgesteld. In bijlage 5 zijn deze weergegeven. Dit voorbeeld laat het gebruik van kunst(mest) in de buurt in het midden en is daarom niet volledig. Wateronttrekkingen ten behoeve van de landbouw Zoals eerder aangehaald is peilbeheer geen onderwerp van deze paragraaf. Wel onderwerp van deze paragraaf zijn beregeningen en (buis)drainage. Voor zover bekend is dit nauwelijks aan de orde in het gebied. Uit het gebiedsproces is gebleken dat wateronttrekkingen ten behoeve van landbouwkundig gebruik, geen effecten hebben op de ontwerp-instandhoudingsdoelstellingen. Daarom kan dit vergunningsvrij worden opgenomen in het beheerplan. Voorbeeld met betrekking tot Recreatie: Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen Met name de Loonse en Drunense Duinen worden zeer intensief gebruikt ten behoeve van recreatie (hoofdstuk 3). Recreatie in de Brand en rond de Leemkuilen is veel extensiever van aard en in de wintermaanden nauwelijks aan de orde. Wandelen, fietsen en paardrijden zijn in het gebied alleen toegestaan op wegen en paden. Paardrijden is bovendien aan een vergunningenstelsel gebonden, waardoor deze activiteit goed te sturen valt, hetgeen in de praktijk ook gebeurt. Er zijn drie losloopgebieden aangewezen, hetgeen binnen de zonering van het gebied past, waardoor kwetsbare natuurwaarden zoveel mogelijk worden ontzien. De recreatiezonering zoals die door Pardoen (2007) is voorgesteld, is tijdens het gebiedsproces als passend en voldoende beoordeeld. Onder de huidige voorwaarden kan deze activiteit in het gebied blijven plaatsvinden. Afsluitend Het Regiebureau en de genoemde maatschappelijke organisaties roepen de beheerplanopstellers en voortouwnemers nadrukkelijk op, om de sociaal-economische gevolgen mee te nemen bij het opstellen van de beheerplannen, zoals dit in de Intentieverklaring Beheerplannen Natura 2000 (van september 2008) is afgesproken. Dit maakt het beheerplanproces transparanter, beperkt de onduidelijkheid voor bestaande en toekomstige sociaal-economische activiteiten en zorgt voor versterking van het gewenste draagvlak. 235

237 Bijlage 22 Strategie Water en Natura 2000 Dit is de versie van 7 juni 2010, waarin de opmerkingen en commentaren van de Waterdag van 2 juni jl. zijn verwerkt. Deze versie is voorgelegd aan de maatschappelijke organisaties tijdens het Bestuurlijk Overleg van 11 juni jl.. Vervolgens is deze versie besproken met en geaccordeerd door de Bevoegde Gezagen tijdens het Bestuurlijk Overleg op 16 juni jl.. Daarna is deze versie aangeboden aan de Tweede Kamer met de brief van 1 juli I Kader In een groot deel van de Natura 2000 beheerplannen speelt water een vitale rol. Bij het opstellen van deze beheerplannen werd duidelijk dat het realiseren van de vereiste watercondities een lastige opgave is, van dezelfde orde als het stikstofvraagstuk. Onder leiding van het Regiebureau Natura 2000 heeft een voorbereidingsgroep Water en Natuur gewerkt aan een strategie, waarmee de waterparagraaf in de Natura 2000 beheerplannen en de natuurparagraaf in de Waterbeheerplannen opgesteld kan worden. Deze strategie is ook van toepassing op de wateropgaven in de TOP-gebieden buiten de Natura 2000 gebieden. De strategie is allereerst bedoeld als ondersteuning voor al diegenen die met deze opgave in de praktijk bezig zijn. De urgentie van de opgave wordt breed gevoeld. Daarop zijn ook de prioritaire acties gericht. De strategie dient ook als antwoord van minister Verburg aan de Tweede Kamer, die op 18 februari verzocht om onder meer een afwegingskader water op te stellen. Het op orde krijgen van de watercondities is ook essentieel om ecosystemen robuuster te maken voor de gevolgen van klimaatverandering en voor het vlot trekken van de vergunningverlening van stikstofuitstotende activiteiten rond stikstofgevoelige gebieden. In de figuur van de bijlage is weergegeven hoe de verschillende beleidstrajecten Natuur en Water in de tijd gepositioneerd zijn. II Doel Realisatie van een evenwichtige wateropgave voor Natura 2000, TOP-gebieden en hun omgeving. Passend in het totale maatregelenpakket voor de realisatie van de doelen voor Natura 2000, EHS en KRW; Via duidelijke bestuurlijke regie, keuzen en daadkrachtige bestuurlijke samenwerking; Gerealiseerd via een integraal gebiedsproces gericht op bundeling van sectorale trajecten. III Aanpak a. Gedegen inhoudelijke voorbereiding Uitwerken van de wateropgave op basis van Natura 2000-doelen Gebruik betrouwbare en verifieerbare methoden om de wateropgave uit te werken. 1. Voer een goede hydrologische en ecologische systeemanalyse uit. Goede kennis van het systeem vormt de basis voor het formuleren van maatregelen. Het werkt objectiverend en onderbouwt lastige keuzes in kwaliteit en kwantiteit. Levert effectiever pakket maatregelen op en beperkt onnodige kosten. 2. Bepaal fasering door tussendoelen voor de korte (BP I) en lange termijn (BP III e.v.) in het Natura 2000-gebied op weg naar instandhoudingsdoelstellingen (ISHD). Geef hiertoe een heldere beschrijving van de ISHD s en de daarbij behorende watercondities (OGOR-natuur). Bepaal daarnaast de watercondities voor de overige functies in de omgeving van het Natura 2000 gebied, binnen hetzelfde watersysteem (OGOR s andere functies). Bepaal daarmee de GGOR. Deze basis is bruikbaar in de trajecten van Natura 2000 en KRW. 236

238 I. Beschrijf vervolgens zo precies mogelijk welke natuurdoelen worden nagestreefd per wanneer en de overige functies van het gebied. II De prioriteit voor de korte termijn ligt hier bij de Natura 2000 gebieden met een Sense of Urgency voor water en de TOP-gebieden (binnen en buiten Natura 2000). De bestuurlijke ambitie is onverminderd om in deze gebieden de watercondities per 2015 op orde te hebben. 3. Stel evenwichtige integrale herstelstrategie op, inclusief de wateropgave, gebaseerd op een weging van de diverse belangen en gefaseerd in de tijd. Indien optimale watercondities voor natuur niet realiseerbaar zijn, geef dan andere maatregelen ter realisatie van de ISHD s. Gebruik hiervoor de Integrale Herstelstrategieën van het Stichting Bargerveen-consortium - op korte termijn beschikbaar als gebruikersvriendelijk beslismodel - die ook voor de PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) worden gebruikt. 4. Uitwerken wateropgave in plaats en tijd. Werk de opgave uit tot concrete uitvoerbare maatregelenpakketten. Daarbij kan veelal een aantal (urgente, altijd goed) maatregelen direct uitvoeringsgereed worden gemaakt, terwijl voor andere maatregelen eerst nadere systeemkennis of draagvlak moet worden verkregen. 5. Vastleggen in plannen. Leg de uitgewerkte wateropgave, na bestuurlijk akkoord, vast in het beheerplan Natura 2000, in het Waterhuishoudingsplan en in het Waterbeheerplan. Eventueel als actualisatie, wanneer deze plannen al zijn vastgesteld. b. Heldere bestuurlijke vertrekpunten en keuzen Expliciete vaststelling van de ambitieniveaus natuur per gebied en habitattype: maak de Instandhoudingsdoelen Natura 2000 en TOP doelen concreet. Deze bepalen immers welke watermaatregelen wel en niet nodig zijn. Bepaal waar ruimte is en waar niet. Duidelijkheid over de vereiste watercondities voor natuur in relatie tot de overige functies in het gebied en over de termijn waarop partijen deze willen realiseren, resulterend in een gezamenlijk stappenplan. Partijen nemen onderdelen waar zij verantwoordelijk voor zijn op in hun meerjarenprogrammering. Goede bestuurlijke samenwerking zal leiden tot effectievere aanwending van de schaarse middelen. Bovendien binden partijen zich sterker aan afspraken door deze op gebiedsniveau vast te leggen. De gezamenlijke bestuurders nemen besluit over uitvoeringsstrategie per gebied: waterschappen (waterhuishouding), provincie (natuurbeleid, RO, waterbeleid, grondverwerving,etc.) èn gemeenten (RO, sociaal-economisch). Zij stellen een bestuurlijke trekker aan, spreken af wie bestuurlijke regie voert, welke kaders gelden, en hoe uitvoering wordt geborgd. Zij spreken af hoe de uitgewerkte wateropgave wordt vastgelegd in Natura 2000-beheerplan en Waterbeheerplan. c. Integrale uitvoering per gebied De vele sporen uit het natuur- en waterbeleid worden éénduidig vertaald en gebundeld in één integrale uitvoeringsstrategie per Natura2000/TOPgebied en zijn omgeving. Integraliteit zo breed maken als nodig is om het doel te halen. Kijk zover als de watersysteemgrenzen reiken (landbouw, recreatie, waterwinning, etc). Werk vanuit ieders achterliggende belang en mogelijkheden deze te verbinden. Duidelijke regie gericht op het halen van de doelen van de totale wateropgave in het natuurgebied en zijn omgeving. Afspreken van spelregels, taken en verantwoordelijkheden voor uitvoering door betrokken partijen. 237

239 Pragmatische aanpak als vertrekpunt. Concrete uitvoering - in ieder geval van de no regret maatregelen (bijv. GGOR voor de 1 e planperiode) - liefst gelijk op laten lopen met het maken van een integraal plan. Dat motiveert en maakt fysieke resultaten zichtbaar naast overleg en papier. Afspreken van (tussen)stappen op weg naar het einddoel; de fasering Natura 2000-beheerplan op één lijn brengen met fasering van KRW (stroomgebiedplan, waterbeheerplan). Goed project- en procesmanagement, ook m.b.t. financiën, ondersteund met de juiste instrumenten, gericht op het inzichtelijk maken van voortgang afspraken, nodigt samenwerkende partijen uit om scherp te sturen op haalbaarheid en risico s. Doelgerichte inzet van instrumenten en financiering. Maatwerk per gebied. Eén begrijpelijk verhaal met goede PR. Totale opgave en realisatiestrategie in één keer helder en duidelijk naar het gebied communiceren. Financiering gebiedsgericht ontschotten: geld water en natuur in samenhang inzetten. Onder meer ILG-budget flexibel inzetten. Waar maatregelen duidelijk zijn, mogelijk zijn en kunnen rekenen op bestuurlijke steun, direct starten met de uitvoering. Ook waar analyses nog in uitvoering zijn, vast starten met uitvoeren van maatregelen die duidelijk zijn (pro-actieve houding). Een cruciale maatregel is actieve grondverwerving. In de Natura 2000 gebieden met een Sense of Urgency voor water moeten afrondingsaankopen de hoogste prioriteit krijgen. Waar nodig moet herbegrenzing plaats kunnen vinden, zodat hydrologische maatregelen (beter) mogelijk worden. Essentiële percelen, waarbij er geen andere mogelijkheden zijn om de doelstelling te halen (bijv. door de landbouw te leveren ecosysteemdiensten) snel verwerven om hydrologische herinrichting mogelijk te maken. d. Monitoring, borging en bijsturing Monitoring en borging van de voortgang zijn belangrijke instrumenten om partijen ook in de toekomst betrokken en handelingsbereid te houden. De mogelijkheid om bij te sturen moet passend benut kunnen worden. Monitoring vormt ook de basis voor mogelijke aanpassing van tussendoelen, maatregelen, fasering e.d. in toekomstige beheerplannen (Natura 2000 en stroomgebiedbeheerplannen). Periodieke monitoring cijfers via korte lijnen bij de (bestaande) stuurgroepen brengen, die de voortgang bespreken (gebiedsgericht en generiek). De Unie van Waterschappen een plaats in de Regiegroep Natura 2000 geven. Onderscheid maken tussen inspanningsmonitoring (welke maatregelen zijn genomen?) en effectmonitoring (respons ecosysteem). Wanneer uit de analyse en monitoring blijkt dat aanpassing van tussendoelen, maatregelen, fasering, financiering e.d. nodig is en partijen zijn het eens dat afspraken en termijnen niet meer realistisch zijn, dan worden deze bijgesteld. Het is beter zaken te benoemen en concrete nieuwe afspraken te maken dan onwerkbare verplichtingen te laten voortbestaan. In het uiterste geval kan ook bijstelling, saldering of herallocatie van instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000 aan de orde zijn vanwege de haalbaarheid en/of betaalbaarheid. Dit zal echter pas plaatsvinden nadat duidelijk is dat alle andere mogelijkheden, waaronder wijziging van bestaand gebruik, zijn onderzocht. Blijvende communicatie organiseren gedurende realisatie en succesmomenten delen. Ontsluit de resultaten op internet zodat voortgang landelijk goed te volgen is. IV Prioritaire acties Met onderstaande prioritaire acties kunnen de waterambities ten behoeve van Natura 2000 en TOP in belangrijke mate worden gerealiseerd. Deze acties geven voldoende afwegingsmogelijkheden om de waterparagraaf in de Natura 2000-beheerplannen en de natuurparagraaf in de Waterbeheerplannen op orde te krijgen. 238

240 a. Herbevestigen en waar nodig actualiseren van bestaande afspraken rond TOP- en SoU-gebieden. De huidige spanning tussen beleidswens en realiteit bespreken en deze creatief en met bestuurlijke ambitie oplossen. b. Waar nodig de integrale uitvoering in gang zetten in en rond Natura en TOP-gebieden. Kansrijk zijn gezamenlijke projecten waarin de natuur- en de waterdoelen tegelijkertijd gerealiseerd worden zodat o.a. de respectievelijke budgetten effectiever ingezet worden. Waar de bestaande uitvoeringspraktijk al effectief is, deze versterkt doorzetten. Successen delen en goed communiceren om betrokkenheid en draagvlak te vergroten. c. Consolideren van inzet op actieve grondverwerving. Borgen dat de aankopen met grote invloed op hydrologie, doorgang kunnen blijven vinden. Essentiële percelen met hoogste prioriteit verwerven. Bestuurlijke belemmeringen opheffen. d. Bestuurlijke afspraken maken tussen staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het stroomlijnen van de processen KRW en Natura 2000 (Unie van Waterschappen, IPO, Rijk). Maak nu de bestaande afspraken duidelijker en eenvoudiger communiceerbaar voor alle betrokkenen. En zorg dat in 2015 de processen in de tijd gelijkgetrokken zijn. e. Een voorstel maken hoe deze strategie kan landen bij de betrokken partijen, overheden, maatschappelijke organisaties. Maak daarbij gebruik van bestaande overlegstructuren, eventueel aangevuld met ontbrekende organisaties. 239

Programma van Eisen - Beheerplannen

Programma van Eisen - Beheerplannen Programma van Eisen - Beheerplannen Eisen voor de inhoud Inventarisatie 1. Het beheerplan geeft allereerst een beschrijving van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied (de actuele situatie en trends,

Nadere informatie

NOTA VAN DE COMMISSIE OVER DE VASTSTELLING VAN INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN

NOTA VAN DE COMMISSIE OVER DE VASTSTELLING VAN INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN NOTA VAN DE COMMISSIE OVER DE VASTSTELLING VAN INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN Het doel van deze nota is de lidstaten een leidraad te verschaffen voor de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen

Nadere informatie

NATURA 2000 in Vlaanderen. Filiep CARDOEN Afdelingsverantwoordelijke NATUUR

NATURA 2000 in Vlaanderen. Filiep CARDOEN Afdelingsverantwoordelijke NATUUR NATURA 2000 in Vlaanderen Filiep CARDOEN Afdelingsverantwoordelijke NATUUR Overzicht - Algemene doelstelling - Stand van zaken afbakening SBZ - Doelstelling Natura 2000 -Implementatie: - Juridisch kader

Nadere informatie

VEEL GESTELDE VRAGEN NATURA 2000

VEEL GESTELDE VRAGEN NATURA 2000 VEEL GESTELDE VRAGEN NATURA 2000 1. Algemeen...1 2. Gebieden...3 3. Beheerplan...4 4. Gevolgen...5 5. Europa...6 6. Relatie met andere wetgeving...6 7. Belanghebbende...7 8. Financiering...8 1. Algemeen

Nadere informatie

Gebiedsbescherming, Windparken op Land en de praktijk van de Provincie Groningen. Aaldert ten Veen, Stibbe Olaf Slakhorst, Provincie Groningen

Gebiedsbescherming, Windparken op Land en de praktijk van de Provincie Groningen. Aaldert ten Veen, Stibbe Olaf Slakhorst, Provincie Groningen Gebiedsbescherming, Windparken op Land en de praktijk van de Provincie Groningen Aaldert ten Veen, Stibbe Olaf Slakhorst, Provincie Groningen Stibbe & Pondera Winddag 11 oktober 2016 Windparken en gebiedsbescherming:

Nadere informatie

Directie Natuur en Biodiversiteit Team Vergunningen Nb-wet POV-dag 'het delen-durven-doen'festival donderdag 5 januari 2017

Directie Natuur en Biodiversiteit Team Vergunningen Nb-wet POV-dag 'het delen-durven-doen'festival donderdag 5 januari 2017 Directie Natuur en Biodiversiteit 1 Directoraat-Generaal Agro en Natuur Directie Natuur en Biodiversiteit Team Vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 Het delen, durven, doen festival Directie Natuur en

Nadere informatie

Natura 2000 & PAS. Natura 2000 implementatie in Nederland

Natura 2000 & PAS. Natura 2000 implementatie in Nederland Natura 2000 & PAS Natura 2000 implementatie in Nederland Natura 2000 in Nederland 13-6-2016 Dia 2 Natura 2000 in Zeeland 13-6-2016 Dia 3 Natura 2000 in Zeeland Beschermd natuurmonument 13-6-2016 Dia 4

Nadere informatie

Natura essentietabellen Leeswijzer

Natura essentietabellen Leeswijzer Natura 2000- essentietabellen Leeswijzer Ministerie van LNV, juni 2009 Inleiding In diverse Natura 2000-documenten staat informatie over Natura 2000-doelen die sturend is voor het opstellen van beheerplannen.

Nadere informatie

Stappenplan vergunningaanvraag

Stappenplan vergunningaanvraag Stappenplan vergunningaanvraag Op grond van de natuurbeschermingswet 1998 1 De Natuurbeschermingswet 1998 regelt de bescherming van gebieden, die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Een belangrijk

Nadere informatie

Beschermingsregimes EHS, Natura 2000 en overige natuurgebieden

Beschermingsregimes EHS, Natura 2000 en overige natuurgebieden Internetbijlage bij rapport Compensatie van schade aan natuurgebieden' Beschermingsregimes EHS, Natura 2000 en overige natuurgebieden 16 april 2014 Algemene Rekenkamer, Lange Voorhout 8, Postbus 20015,

Nadere informatie

Deze wet beschermt van ongeveer 500 van de dier- en plantensoorten die in Nederland

Deze wet beschermt van ongeveer 500 van de dier- en plantensoorten die in Nederland Bijlage 3. Ecologie B3.1. Beleidskader Aanleiding en doel De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van 31 woningen op een deels braakliggende kavel en delen van zeer diepe achtertuinen (zie ook paragraaf

Nadere informatie

Steenuil en ontheffingsaanvragen van de Flora- en faunawet. Martijn van Opijnen (Dienst Regelingen) Wouter van Heusden (Dienst Landelijk Gebied)

Steenuil en ontheffingsaanvragen van de Flora- en faunawet. Martijn van Opijnen (Dienst Regelingen) Wouter van Heusden (Dienst Landelijk Gebied) Steenuil en ontheffingsaanvragen van de Flora- en faunawet Martijn van Opijnen (Dienst Regelingen) Wouter van Heusden (Dienst Landelijk Gebied) 5 november 2011 Wat doen DR en DLG Dienst Regelingen is namens

Nadere informatie

Bijlage 3: Natuurtoets Westhavendijk (KuiperCompagnons)

Bijlage 3: Natuurtoets Westhavendijk (KuiperCompagnons) Bijlage 3: Natuurtoets Westhavendijk 14-16 (KuiperCompagnons) NATUUR Kader De Flora- en faunawet (hierna: Ffw) beschermt alle in het wild levende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Van deze soortgroepen

Nadere informatie

Quickscan natuur Besto terrein Zwartsluis

Quickscan natuur Besto terrein Zwartsluis Quickscan natuur Besto terrein Zwartsluis 3 april 2014 Zoon ecologie Colofon Titel Quickscan natuur Besto terrein Zwartsluis Opdrachtgever mro Uitvoerder ZOON ECOLOGIE Auteur C.P.M. Zoon Datum 3 april

Nadere informatie

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming Wet natuurbescherming Aanleiding Evaluatie natuurwetgeving 2006-2008: vereenvoudiging wenselijk Kabinet Rutte I: Europese verplichtingen uitgangspunt Kabinet Rutte II: bijdrage aan biodiversiteit, geharmoniseerde

Nadere informatie

A&W-notitie 1660tal/ms

A&W-notitie 1660tal/ms 2 A&W-notitie 1660tal/ms 2 A&W-notitie 1660tal/ms 3 4 A&W-notitie 1660tal/ms 4 A&W-notitie 1660tal/ms 5 6 A&W-notitie 1660tal/ms 6 A&W-notitie 1660tal/ms 7 8 A&W-notitie 1660tal/ms 8 A&W-notitie 1660tal/ms

Nadere informatie

1 NATUUR. 1.1 Natuurwetgeving & Planologie

1 NATUUR. 1.1 Natuurwetgeving & Planologie 1 NATUUR 1.1 Natuurwetgeving & Planologie De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking

Nadere informatie

Leidraad bepaling significantie

Leidraad bepaling significantie RG 07-07-09, bijlage Leidraad bepaling significantie Nadere uitleg van het begrip significante gevolgen uit de Natuurbeschermingswet Datum: 7 juli 2009 Auteurs: Steunpunt Natura 2000 De regiegroep heeft

Nadere informatie

Verkennend natuuronderzoek N237 Soesterberg

Verkennend natuuronderzoek N237 Soesterberg Verkennend natuuronderzoek N237 Soesterberg Verantwoording Titel : Verkennend natuuronderzoek N237 Soesterberg Subtitel : Projectnummer : Referentienummer : Revisie : C1 Datum : 30-10-2012 Auteur(s) :

Nadere informatie

De nieuwe Wet natuurbescherming in vogelvlucht

De nieuwe Wet natuurbescherming in vogelvlucht De nieuwe Wet natuurbescherming in vogelvlucht Harm Dotinga ([email protected]), 8 december 2016 Indeling Inleiding Gebiedsbescherming Soortenbescherming Houtopstanden Toekomstige integratie

Nadere informatie

p- iiiiiiniiii uil ii nu ii

p- iiiiiiniiii uil ii nu ii V il Ik M I- ' mam s IN12.03325 p- iiiiiiniiii uil ii nu ii l_yi_l\l_/~vi X L / Bezoekadres Huis der Provincie Markt 11 6811 CG Arnhem Postadres Postbus 9090 6800 GX Arnhem Het college van Burgemeester

Nadere informatie

Natuurdoelen realiseren in een versnipperd Vlaanderen

Natuurdoelen realiseren in een versnipperd Vlaanderen Natuurdoelen realiseren in een versnipperd Vlaanderen Colloquium duurzame ruimte 23/03/2018 Europees Natura 2000-netwerk WAT? Basis: Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) 26.000 Speciale Beschermingszones

Nadere informatie

Natuurtoets omgevingsvergunning bouw woning Horsterweg 217 Ermelo

Natuurtoets omgevingsvergunning bouw woning Horsterweg 217 Ermelo Natuurtoets omgevingsvergunning bouw woning Horsterweg 217 Ermelo Opdrachtgever Contactpersoon Grondvitaal Voorthuizerstraat 256 3881 SN PUTTEN Cobie Mertens Uitvoering Groenewold Adviesbureau voor Milieu

Nadere informatie

BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Artikel 19d en 19e Datum : 18 november 2013 Onderwerp : Natuurbeschermingswet 1998-2013-011300 - gemeente Aalten Activiteit : het

Nadere informatie

BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Artikel 19d, 19e en 19kd lid 1 onder b Datum : 19 september 2014 Onderwerp : Natuurbeschermingswet 1998 2014-00078 - gemeente Nunspeet

Nadere informatie

Natuurtoets. 1. Wet- en regelgeving. Permanente openstelling A12 Woerden Gouda

Natuurtoets. 1. Wet- en regelgeving. Permanente openstelling A12 Woerden Gouda Natuurtoets Permanente openstelling A12 Woerden Gouda 1. Wet- en regelgeving Flora- en faunawet (Ffw) De Ffw is gericht op de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied.

Nadere informatie

Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000 gebieden

Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000 gebieden Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000 gebieden 4luikFolder/NW.indd 1 09-07-2007 11:35:47 Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000 gebieden Afspraken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Nadere informatie

De das in de nieuwe wet natuurbescherming. Beleven, benutten en beschermen

De das in de nieuwe wet natuurbescherming. Beleven, benutten en beschermen De das in de nieuwe wet natuurbescherming Beleven, benutten en beschermen Integratie van bestaande natuurwetten Natuurbeschermingswet 1998 gebieden hoofdstuk 2 Flora- en faunawet soorten hoofdstuk 3 Boswet

Nadere informatie

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA QUICKSCAN FLORA EN FAUNA Behorende bij project: Oostkanaalweg 44, te Ter Aar Gemeente Nieuwkoop Opdrachtgever : Keijzer Dakbedekking b.v. Projectnummer : PS.2017.714 Datum : 21 augustus 2017 Niets uit

Nadere informatie

Voorwoord. 1 Overzicht van het internationale natuurbeschermingsrecht 1

Voorwoord. 1 Overzicht van het internationale natuurbeschermingsrecht 1 Inhoud Voorwoord V 1 Overzicht van het internationale natuurbeschermingsrecht 1 1.1 Inleiding... 1 1.2 Internationale verdragen... 1 1.2.1 Verdrag van Bonn... 1 1.2.2 Verdrag van Bern... 2 1.2.3 Verdrag

Nadere informatie

Cursus ontheffingverlening soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming - introductie

Cursus ontheffingverlening soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming - introductie Cursus ontheffingverlening soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming - introductie Doelgroep: medewerkers provincie en omgevingsdiensten Opdrachtgever: Ministerie van Economische Zaken Najaar 2016,

Nadere informatie

TOETSING MILITAIRE VLIEGACTIVITEITEN OUDELAND VAN STRIJEN (110)

TOETSING MILITAIRE VLIEGACTIVITEITEN OUDELAND VAN STRIJEN (110) TOETSING MILITAIRE VLIEGACTIVITEITEN OUDELAND VAN STRIJEN (110) STATUS Het gebied valt onder de volgende beschermingsregimes: N2000 gebied Oudeland van Strijen (Aanwijzingsbesluit is definitief) BESTAAND

Nadere informatie

Onderzoek flora en fauna

Onderzoek flora en fauna Onderzoek flora en fauna 1. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor de beoogde functieveranderingen geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist is. Hierbij dient wel gewerkt te worden

Nadere informatie

Bomen over de Wet natuurbescherming

Bomen over de Wet natuurbescherming Bomen over de Wet natuurbescherming Boominfodag 2016 9 juni 2016, Mirjam Broekmeyer, Alterra WUR Wet natuurbescherming wat en waarom? 2 Wetgeving niet eenvoudig... 3 Proces Wetsvoorstel Natuurbescherming

Nadere informatie

Informatiebijeenkomst concept-beheerplan Natura 2000 Lauwersmeer

Informatiebijeenkomst concept-beheerplan Natura 2000 Lauwersmeer Informatiebijeenkomst concept-beheerplan Natura 2000 Lauwersmeer 1 Programma Welkom door Douwe Hollenga, voorzitter van de stuurgroep - Wat is Natura 2000 - Waar staan we: wat is geweest en wat komt Toelichting

Nadere informatie

Wet natuurbescherming. Niels Jeurink

Wet natuurbescherming. Niels Jeurink Wet natuurbescherming Niels Jeurink Inhoud Gebiedenbescherming: Natura 2000, beschermde natuurmonumenten, NNN Soortenbescherming: om welke soorten gaat het? soorten die beschermd zijn en dat ook blijven

Nadere informatie

BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND BESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Artikel 19d, 19e en 19kd lid 1 onder b Datum : 23 januari 2015 Onderwerp : Natuurbeschermingswet 1998 2014-010547 - gemeente Haaksbergen

Nadere informatie

Ruimtelijke ontwikkelingen en de Flora- en faunawet

Ruimtelijke ontwikkelingen en de Flora- en faunawet Ruimtelijke ontwikkelingen en de Flora- en faunawet Inleiding Praktisch overal in Nederland komen beschermde soorten flora en fauna voor. Bekende voorbeelden zijn de aanwezigheid van rugstreeppadden op

Nadere informatie

Passende beoordeling Voortoets. Carl De Schepper De Europese natuurdoelen in vraag en antwoord 09 september 2014

Passende beoordeling Voortoets. Carl De Schepper De Europese natuurdoelen in vraag en antwoord 09 september 2014 Passende beoordeling Voortoets Carl De Schepper De Europese natuurdoelen in vraag en antwoord 09 september 2014 1 1. Sinds of vanaf wanneer moet er een passende beoordeling gemaakt worden? 2. Is het resultaat

Nadere informatie

MONITEUR BELGE BELGISCH STAATSBLAD

MONITEUR BELGE BELGISCH STAATSBLAD MONITEUR BELGE 28.05.2009 BELGISCH STAATSBLAD 39071 VLAAMSE OVERHEID N. 2009 1874 [2009/202265] 3 APRIL 2009. Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de aanwijzing van speciale beschermingszones en

Nadere informatie

De Crisis- en herstelwet en Natura 2000

De Crisis- en herstelwet en Natura 2000 REGIEBUREAU De Crisis- en herstelwet en Natura 2000 Verslag Informatiebijeenkomst - 30 maart 2010 De heer Meine Bruinsma van het Regiebureau Natura 2000 opent de bijeenkomst en heet de aanwezigen van harte

Nadere informatie

Inhoud. Actualiteiten ten aanzien van: 1. Bestaand gebruik en bestaande rechten;

Inhoud. Actualiteiten ten aanzien van: 1. Bestaand gebruik en bestaande rechten; Inhoud Actualiteiten ten aanzien van: 1. Bestaand gebruik en bestaande rechten; 2. Interne en externe saldering, inclusief saldering via depositiebank; 3. Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Actualiteiten

Nadere informatie

Analyse van jurisprudentie inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn

Analyse van jurisprudentie inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn Analyse van jurisprudentie inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn 1. Aanleiding De aanleiding van deze nota is het besluit van de Ministerraad van 28 januari 2005 om de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak

Nadere informatie

ONTWERPBESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

ONTWERPBESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND ONTWERPBESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Datum : 8 oktober 2014 Onderwerp : Natuurbeschermingswet 1998-2010-005930- gemeente Harderwijk Activiteit : Uitbreiding

Nadere informatie

Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe

Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe De Staatssecretaris van Economische Zaken Gelet op artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van

Nadere informatie

Informatie aan de Europese Commissie inzake plan/project in Natura 2000 vogelrichtlijngebieden (SBZ-V) en habitatrichtlijngebieden (SBZ-H)

Informatie aan de Europese Commissie inzake plan/project in Natura 2000 vogelrichtlijngebieden (SBZ-V) en habitatrichtlijngebieden (SBZ-H) Lidstaat: België - Vlaams gewest Datum: Informatie aan de Europese Commissie inzake plan/project in Natura 2000 vogelrichtlijngebieden (SBZ-V) en habitatrichtlijngebieden (SBZ-H) in navolging van artikel

Nadere informatie

Quickscan samenvatting natuurtoets Sint Nicolaasdijk 153, Kampen

Quickscan samenvatting natuurtoets Sint Nicolaasdijk 153, Kampen Witpaard BV Contactpersoon Kenmerk Status Datum Dhr. J. Drenth 15-182 concept 13 mei 2015 Betreft Quickscan samenvatting natuurtoets Sint Nicolaasdijk 153, Kampen Omschrijving Aanleiding en doelstelling

Nadere informatie

Overzicht van internationale context van de materiële voorschriften van het wetsvoorstel natuurbescherming. Behorende bij het antwoord op vraag nr.

Overzicht van internationale context van de materiële voorschriften van het wetsvoorstel natuurbescherming. Behorende bij het antwoord op vraag nr. BIJLAGE 1 Overzicht van internationale context van de materiële voorschriften van het wetsvoorstel natuurbescherming Behorende bij het antwoord op vraag nr. 8 1 Wetsvoorstel 2 Inhoud 3 Concrete Europese

Nadere informatie

30 sept OU

30 sept OU VERKLARING VAN GEEN BEDENKINGEN NATUURBESCHERMINGSWET 1998 Behoort bij besluit van burgemeester en wethouders van Berkelland datum: zaaknr: nr: 30 sept 2014 65848 OU2010006 Aanvrager : Het college van

Nadere informatie

Adviescomité SEA. Is er al dan niet een strategische milieubeoordeling (SEA) vereist voor het ontwerp beleidsplannen mariene beschermde gebieden?

Adviescomité SEA. Is er al dan niet een strategische milieubeoordeling (SEA) vereist voor het ontwerp beleidsplannen mariene beschermde gebieden? Directoraat-generaal Leefmilieu EUROSTATION Blok II 2 e verdieping Victor Hortaplein 40, bus 10 B 1060 BRUSSEL www.environment.fgov.be Secretariaat van het Adviescomité SEA: Sabine WALLENS t: + 32 2 524

Nadere informatie

ONTWERPBESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

ONTWERPBESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND ONTWERPBESLUIT NATUURBESCHERMINGSWET 1998 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Artikel 19d en 19e Datum : 21 januari 2015 Onderwerp : Natuurbeschermingswet 1998-2014-010894 - gemeente Ermelo Activiteit

Nadere informatie