lllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "lllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll"

Transcriptie

1 Gemeente jfj Bergen op Zoom Aan de leden en duoburgerleden van de gemeenteraad van Bergen op Zoom lllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll 2 2 SEP Uw kenmerk Ons kenmerk U Datum Uw brief Beh. door J.M.E.M. Verpaalen Doorkiesnr Onderwerp: Biomoer/uitspraak Raad van State Afdeling Stedelijke Ontwikkeling, Ruimtelijke Ordening Bijlage(n) 1 Geachte mevrouw, meneer, Op 24 augustus 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen Afdeling ) uitspraak gedaan in de kwestie Biomoer aan de Luienhoekweg te Moerstraten. Zoals bekend heeft de rechtbank Den Bosch op 19 november 2015 bepaald, dat de ingestelde beroepen door onze gemeente en de Stichting Halsters Laag e.a. gegrond zijn, waarna de omgevingsvergunning is vernietigd. Hierdoor is door de gemeente Roosendaal, de exploitanten van de Biomoer en Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (GS) en ook de Stichting Halsters Laag hoger beroep ingesteld. Wij hebben met uw instemming geen hoger beroep ingesteld omdat de rechtbank Den Bosch ons in het gelijk had gesteld en er geen beroepsgronden waren. Bovendien zouden we toch in de vervolgprocedure betrokken blijven. De Afdeling heeft in genoemde uitspraak besloten, dat de rechtbank Den Bosch terecht tot het vernietigen van de omgevingsvergunning is overgegaan. Daarmee is de omgevingsvergunning definitief vernietigd en kan door GS slechts een nieuwe vergunning worden verleend met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. In deze te volgen nieuwe procedure is de rol van onze gemeente echter significant veranderd. Op basis van de uitspraak heeft de Afdeling bepaald, dat onze gemeente een aanmerkelijk grotere rol in het proces moet hebben dan slechts een adviserende rol. De Afdeling is met de rechtbank van mening dat de effecten van de uitbreiding het meest op ons grondgebied merkbaar zijn, anders dan in de gemeente Roosendaal. Om deze reden is onze gemeente bevoegd om in de procedure een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen af te geven in plaats van de gemeente Roosendaal. Het initiatief ligt op dit moment bij de provincie. De verwachting is dat binnenkort een expliciet verzoek bij ons zal worden ingediend waarin wordt gevraagd wordt om deze verklaring van geen bedenkingen af te geven. Uiteindelijk is de provincie het bevoegde gezag om al dan niet verlenen van een vergunning af te geven. Het ligt in de verwachting dat - wat de uitkomst hiervan ook zal zijn - in ieder geval weer een rechtsgang zal volgen naar de Raad van State. De Afdeling heeft immers in haar uitspraak bepaald, dat een eventueel beroep bij de Afdeling moet worden ingediend. Jacob Obrechtlaan 4 Postbus 35 T B nv BNG rek. nr AR Bergen op Zoom 46ŪÛ AA Bergen op Zoom F (0164) B IBAN: NL41BNGH [email protected] lwww.bergenopzoom.nl KvK B BIC: BNGHNL2G

2 Een afschrift van de uitspraak hebben wij volledigheidshalve toegevoegd. Wij vertrouwen u hiermede voorlopig voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, burgemeester, mr. A.C. Spindler Á.Ĵ.M. Coppens Loco-Burgemeester

3 Raad vanstate Afdeling bestuursrechtspraak. Pagina 1 van 1 I-emeente Bergen op Zoom Reg datum 25/08/2016 College van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom Postbus AA BERGEN OP ZOOM Datum Ons nummer Uw kenmerk 24 augustus /1 /A 1 mr. J.M.E.M. Verpaalen Inlichtingen Mw. M.N. den Braber-ten Ham Procedure Hoger beroep Onderwerp 1) BW Roosendaal 2) GS Noord-Brabant 3) St. tot behoud van het Halsters Laag ea 4) Hulsen Kwappenberg VOF I Omgevingsvergunning Geachte heer/mevrouw, In de bovenvermelde procedure is uitspraak gedaan. De procedure is daarmee beëindigd. Een afschrift van deze uitspraak treft u hierbij aan. Aangezien deze brief geautomatiseerd is aangemaakt, is deze niet ondertekend. Hoogachtend, de griffier Postbus (H) ha Den Haag - í í I ì HO - Hij correspondentie de datum en liet iiimiiuer v.ui do/c bnct vei melden

4 Raad vanstate /1/A1. Datum uitspraak: 24 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, 2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, 3. de stichtingen Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het Buitengebied Wouw, gevestigd te Bergen op Zoom, Stichting De Brabantse Wal, gevestigd te Woensdrecht, en de verenigingen Milieuvereniging Benegora en IVN Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Bergen op Zoom en Omstreken, beide gevestigd te Bergen op Zoom (hierna: de stichtingen en andere), 4. de vennootschap onder firma Hulsen Kwappenberg V.O.F., gevestigd te Moerstraten, gemeente Roosendaal, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2015 in zaken nrs. 15/82 en 15/163 in het geding tussen: en het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, de stichtingen en andere, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

5 /1 /Al 2 24 augustus Procesverloop Bij besluit van 28 november 2014 heeft het college van gedeputeerde staten aan Hulsen Kwappenberg V.O.F. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend voor het uitbreiden van een co-vergistingsinstallatie op het perceel Luienhoekweg 3 te Moerstraten (hierna: het perceel). Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het college van gedeputeerde staten het besluit van 28 november 2014 gewijzigd. Bij afzonderlijk besluit van 7 mei 2015 heeft het college van gedeputeerde staten aan Hulsen Kwappenberg V.O.F. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend voor het uitbreiden van voormelde co-vergistingsinstallatie. Bij uitspraak van 1 9 november heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom en de stichtingen en andere tegen het besluit van 28 november 2014, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 7 mei 2015, ingestelde beroepen, alsmede het door de stichtingen en andere ingestelde beroep tegen de bij besluit van 7 mei 2015 verleende omgevingsvergunning tweede fase voor het bouwen, gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat het college van gedeputeerde staten binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, het college van gedeputeerde staten, de stichtingen en andere en Hulsen Kwappenberg V.O.F. hoger beroep ingesteld. Het college van gedeputeerde staten, de stichtingen en andere, het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal en Hulsen Kwappenberg V.O.F. hebben een verweerschrift ingediend. Het college van gedeputeerde staten, de stichtingen en andere en Hulsen Kwappenberg V.O.F. hebben nog nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2016, waar het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, werkzaam bij de gemeente, het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, J.J.A.M. Bertens en W. Michels, werkzaam bij de provincie onderscheidenlijk de Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant, de stichtingen en andere, vertegenwoordigd door J.P.E.E. Franken, J. van Kouteren, en M. Avenarus, bestuursleden, en bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, Hulsen Kwappenberg V.O.F, vertegenwoordigd door ing. P. Hulsen, bijgestaan door mr. S. van Hengel,

6 /1 /A augustus advocaat te Etten-Leur, en ing. A. Backx, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, gehoord. Overwegingen Inleiding 1. De inrichting van Hulsen Kwappenberg V.O.F bevindt zich op het perceel dat gedeeltelijk op het grondgebied van de gemeente Roosendaal en gedeeltelijk op het grondgebied van de gemeente Bergen op Zoom is gelegen. De inrichting bestaat uit een melkrundveehouderij en een mestvergistingsinstallatie. Het project waarvoor omgevingsvergunning is aangevraagd ziet op de uitbreiding van de bestaande vergistingsinstallatie op het perceel. De verwerkingscapaciteit van de installatie zal worden vergroot van naar ton mest en co-substraten per jaar en er zullen meerdere bouwwerken worden gerealiseerd. Het perceel is gelegen in de "Groen blauwe mantel" als bedoeld in de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2014) en in een gebied dat is aangeduid als "beperking veehouderij als bedoeld in de VR Het perceel ligt in de nabijheid van het Pottersbos, een kwetsbaar verzuringsgevoelig gebied dat binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS) is gelegen. Ten behoeve van de inrichting zijn in het verleden reeds milieuvergunningen verleend, die in rechte vast staan en, voor zover deze zijn verleend onder het regime van de Wet milieubeheer, zijn gelijkgesteld met omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Tot de inrichting behoort een IPPC-installatie. De bij besluit van 28 november 2014, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 2015, verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Wabo. Bij dat besluit is tevens vergunning verleend voor het realiseren van een project als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet Voorts heeft het college van gedeputeerde staten in het besluit de voorschriften van de geldende omgevingsvergunningen ambtshalve gewijzigd met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder b, van de Wabo. De raad van de gemeente Roosendaal heeft op 24 september 2014 een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) afgegeven, waarvan een nota beantwoording zienswijzen deel uitmaakt. De bij besluit van 7 mei 2015 verleende omgevingsvergunning tweede fase heeft betrekking op de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Omdat de stichtingen en andere beroep hebben ingesteld tegen zowel de omgevingsvergunning eerste fase als de omgevingsvergunning tweede fase, heeft de rechtbank beide besluiten ingevolge artikel 6.3, tweede lid, van de Wabo als één besluit aangemerkt. De stichtingen en andere en het college van burgemeester en

7 /1 /A augustus wethouders van Bergen op Zoom verzetten zich tegen de uitbreiding van de vergistingsinstallatie, omdat zij vrezen dat dit de ter plaatse aanwezige natuur- en landschappelijke waarden en het woon- en leefklimaat zal aantasten. Verklaring van geen bedenkingen 2. Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, het college van gedeputeerde staten en Hulsen Kwappenberg V.O.F. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet de raad van de gemeente Roosendaal maar de raad van de gemeente Bergen op Zoom bevoegd was om te beslissen omtrent de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen en het besluit ten onrechte om die reden heeft vernietigd. Hiertoe voeren zij aan dat het grootste gedeelte van de inrichting, zowel wat betreft de oppervlakte van de bebouwing als het zwaartepunt van bedrijvigheid, in de gemeente Roosendaal is gelegen en dat het project zowel wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan als de activiteit milieu in hoofdzaak op het grondgebied van de gemeente Roosendaal zal worden uitgevoerd. Zij wijzen er op dat de uitleg van de rechtbank zou betekenen dat, afhankelijk van de aangevraagde activiteit, verschillende bestuursorganen bevoegd zijn te beslissen omtrent een verklaring van geen bedenkingen, hetgeen in strijd met de rechtszekerheid is. Het college van gedeputeerde staten voert verder aan dat onder het begrip project als bedoeld in artikel 6.5 van het Bor alle toestemmingen als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo, met inbegrip van de eerder verleende vergunningen, moeten worden verstaan. Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, het college van gedeputeerde staten en Hulsen Kwappenberg V.O.F. betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit, nu artikel 6.5 van het Bor geen rechtsregel behelst die beoogt belangen van de stichtingen en andere te beschermen en de raad noch het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom in beroep gronden heeft aangevoerd tegen dit gedeelte van het besluit. Het college van gedeputeerde staten stelt zich in dit kader voorts op het standpunt dat de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen een procedurebeslissing is ter voorbereiding van een besluit die gelet op het bepaalde in artikel 6:3 van de Awb niet vatbaar is voor bezwaar en beroep Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, waarbij met toepassing van artikel 2.1 2, eerste lid, onder a, onder 30, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project

8 /1 /A augustus geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, , nr. 3, blz ) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant De stichtingen en andere hebben in beroep aangevoerd dat het college van gedeputeerde staten niet bevoegd was een omgevingsvergunning te verlenen, nu geen verklaring van geen bedenkingen door de daartoe bevoegde raad van de gemeente Bergen op Zoom was afgegeven. Het college van gedeputeerde staten stelt ten onrechte dat de rechtmatigheid van de verklaring van geen bedenkingen niet aan een rechterlijke toetsing kan worden onderworpen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:201 4:141 4), wordt de ínhoud van het besluit van de gemeenteraad omtrent de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen in het besluit omtrent de omgevingsvergunning verwerkt. De rechtmatigheid van het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit inzake de omgevingsvergunning. Evenmin slaagt het betoog van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, het college van gedeputeerde staten en Hulsen Kwappenberg V.O.F. dat de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde procedurele bepaling niet strekt tot bescherming van de belangen van de stichtingen en anderen, zodat de besluiten van 28 november 2014 en 7 mei 2015 niet wegens schending van dit voorschrift vernietigd kunnen worden door de bestuursrechter. Artikel 6.5, eerste lid, van het Bor bevat een regeling omtrent de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, die is vereist alvorens omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.1 2, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, kan worden verleend. Nu de stichtingen en andere ook beroepsgronden hebben aangevoerd die betrekking hebben op de materiële norm van een goede ruimtelijke ordening welke hun eigen belangen betreffen, ten aanzien waarvan hen artikel 8:69a van de Awb niet kan worden tegengeworpen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, neergelegde bevoegdheidsregeling kennelijk niet ziet op bescherming van hun belangen. Het betoog faalt in zoverre.

9 /1 /A augustus Voor beantwoording van de vraag welke gemeenteraad bevoegd is te beslissen over afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, is ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor bepalend in welke gemeente het project geheel of in hoofdzaak zal worden uitgevoerd of wordt uitgevoerd. Niet in geschil is dat de inrichting voor het grootste gedeelte in de gemeente Roosendaal is gelegen en dit ook na vergunningverlening het geval zal zijn. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet de ligging van de inrichting, maar de ligging van het project waarvoor omgevingsvergunning wordt gevraagd doorslaggevend is en dat hierbij alle activiteiten die samen het project vormen in ogenschouw dienen te worden genomen. Het onderhavige project, de uitbreiding van de vergistingsinstallatie, omvat de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en uitbreiden van een inrichting en hiervoor zijn drie afzonderlijke toestemmingen vereist. De rechtbank heeft overwogen dat het project in hoofdzaak is gelegen in de gemeente Bergen op Zoom. Zij heeft daarbij doorslaggevend geacht dat de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, de activiteit waarvoor een verklaring van geen bedenkingen is vereist, in hoofdzaak zal worden uitgevoerd op het grondgebied van de gemeente Bergen op Zoom. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de stelling van Hulsen Kwappenberg V.O.F. dat de uitbreiding van de verwerkingscapaciteit van ton naar ton mest en co-substraten niet alleen in de nieuwe voorvergister zal worden gerealiseerd, maar in de gehele vergistingsinstallatie, waarvan het grootste deel op het grondgebied van de gemeente Roosendaal is gelegen. Voorts voorziet het project wat betreft de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, in verschillende wijzigingen op het grondgebied van zowel Bergen op Zoom als Roosendaal, waarvan niet op voorhand kan worden vastgesteld waar het zwaartepunt ligt. Wel kan worden vastgesteld dat het grootste gedeelte van de voorziene bebouwing zal worden gerealiseerd op het grondgebied van de gemeente Bergen op Zoom, zodat daar de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, in hoofdzaak zal worden uitgevoerd. Weliswaar is ten behoeve van de uitbreiding van de vergistingsinstallatie ook afwijking vereist van het op Roosendaals grondgebied geldende bestemmingsplan "Buitengebied Wouw", nu de daarin voorgeschreven maximale hoeveelheid te benutten grondstoffen zal worden overschreden en niet meer zal worden voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarde dat ten minste Ą-0% van de mest of andere reststoffen van het eigen bedrijf afkomstig dient te zijn, maar gelet op de toename van het bebouwingsoppervlak en de realisering van bouwwerken op het grondgebied van Bergen op Zoom waarop ingevolge het aldaar geldende bestemmingsplan "Buitengebied Oost" een agrarische bestemming rust zonder bouwvlak, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de planologische afwijking het grootst is in de gemeente Bergen op Zoom, zodat daar de activiteit afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voornamelijk zal worden uitgevoerd. Uit vorenstaande volgt dat de verschillende activiteiten van het project in beide gemeenten worden uitgevoerd. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, zijnde de activiteit waarop de verklaring van geen bedenkingen betrekking heeft, in

10 /1 /A augustus 2016 hoofdzaak zal worden uitgevoerd op het grondgebied van Bergen op Zoom, terecht grond gezien voor het oordeel dat wat betreft de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd in Bergen op Zoom. Anders dan het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal en Hulsen Kwappenberg V.O.F. hebben gesteld, leidt deze uitleg van de rechtbank niet tot een wisselend bevoegd gezag inzake de vergunningverlening, al naar gelang het project. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat daarvan geen sprake zal zijn, nu artikel 6.5, eerste lid, van het Bor uitsluitend ziet op de bevoegdheid inzake de beslissing omtrent een verklaring van geen bedenkingen en het college van gedeputeerde staten, ongeacht de ligging van de inrichting, het bevoegd gezag zal blijven wat betreft de verlening van de omgevingsvergunning. De rechtbank heeft gelet op vorenstaande dan ook terecht overwogen dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte heeft verzuimd de raad van de gemeente Bergen op Zoom te vragen een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Gelet hierop is de rechtbank niet toegekomen aan het in beroep aangevoerde betoog dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van Bergen op Zoom. Het betoog faalt ook in zoverre. Activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" 3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Verordening 2014 wordt onder een bestemmingsplan in de Verordening 2014 tevens begrepen een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 30, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Artikel 5 van de Verordening 2014 Ecologische hoofdstructuur 4. De stichtingen en andere betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten de omgevingsvergunning in strijd met de Verordening 2014 heeft verleend. Zij betogen in dit verband dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening 2014 in de weg staat aan uitbreiding van de vergistingsinstallatie, nu het bedrijf is gelegen direct naast het Pottersbos, dat onderdeel is van de EHS, en nabij andere onderdelen van de EHS, en het project negatieve effecten op de natuurwaarden van deze gebieden zal hebben. Hiertoe voeren zij aan dat in het besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat realisering van het project zal leiden tot een toename van ammoniakemissie en stikstofdepositie Ingevolge artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening 2014, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de besluiten van 28 november 2014 en 7 mei 2015, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de EHS en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels). Ingevolge artikel 5.1, zesde lid, zoals deze bepaling per

11 /1 /A augustus juli 2015 is komen te luiden, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur door verstoring, ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels) Het project is gelegen in de directe nabijheid van het tot de EHS behorende Pottersbos. Niet in geschil is dat de ammoniakemissie vanuit de inrichting na de voorziene uitbreiding zal toenemen en dat niet is uit te sluiten dat dit zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van het Pottersbos. Het college van gedeputeerde staten heeft aan het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat is beoogd de in artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening 2014 opgenomen bescherming te beperken tot effecten waarvoor geen exclusief wettelijk toetsingskader geldt. Omdat de effecten van ammoniakuitstoot en stikstofdepositie gereguleerd worden door de Natuurbeschermingswet 1998 en de zogenoemde Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: de PAS) zijn de negatieve effecten op de EHS vanwege ammoniakuitstoot en stikstofdepositie uitgezonderd van een toets aan de Verordening 2014 en acht het college van gedeputeerde staten een onderzoek naar de gevolgen van stikstofdepositie op het Pottersbos niet nodig. De rechtbank heeft onweersproken overwogen dat in het kader van de beslissing omtrent de omgevingsvergunning terecht niet is getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav), omdat geen sprake is van een toename van ammoniak- en stikstofdepositie op het Pottersbos vanwege de veehouderij, maar vanwege de vergistingsinstallatie. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college van gedeputeerde staten op grond van de ten tijde van het nemen van de besluiten geldende Verordening 2014 gehouden was te motiveren of er negatieve effecten vanwege ammoniakuitstoot en stikstopdepositie op het Pottersbos zouden optreden die voor compensatie in aanmerking zouden komen. De rechtbank ziet in het achterwege laten daarvan evenwel geen reden om het besluit te vernietigen. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat met voormelde wijziging in de Verordening 2014 per 15 juli 2015 negatieve effecten vanwege ammoniakemissie en stikstofdepositie expliciet zijn uitgezonderd wat betreft toepassing van artikel 5.1, zesde lid, en dat het uitblijven van maatregelen ter compensatie van negatieve effecten op de EHS vanwege een toename van ammoniak- of stikstofdepositie geen reden meer is om de omgevingsvergunning te weigeren In hoger beroep is niet opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat uit de tekst noch de toelichting van het algemeen geformuleerde artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening 2014, zoals dat luidde tot 15 juli 2015, blijkt dat met de effecten van ammoniakuitstoot en stikstofdepositie, waarvoor in de Wav, de Natuurbeschermingswet 1998 en de PAS specifieke regelingen zijn opgenomen, geen rekening hoeft te worden gehouden en dat het op de weg van het college van gedeputeerde staten had gelegen om te motiveren of er negatieve effecten van ammoniakuitstoot en stikstopdepositie op het Pottersbos zouden optreden

12 /1 /A augustus die voor compensatie in aanmerking zouden komen. Gelet hierop berust het besluit niet op een deugdelijke motivering en dient het om deze reden te worden vernietigd. De rechtbank heeft niet onderkend. Per 1 5 juli 2015 is de Verordening 2014 onder meer gewijzigd door de zinsnede "door verstoring" toe te voegen aan artikel 5.1, zesde lid. In de toelichting bij de gewijzigde Verordening 2014 is vermeld dat aantasting van de EHS door verstoring in ieder geval aan de orde is als een ontwikkeling effect heeft op de waarden van de EHS vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is volgens de toelichting niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden van de EHS. Voorts is in de toelichting vermeld dat, voor zover externe effecten op de EHS gereguleerd worden door specifieke wetgeving, zoals ammoniakuitstoot/depositie door de Natuurbeschermingswet en de PAS, dit nadrukkelijk niet onder de werking van deze verordening valt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit de toevoeging "door verstoring" en de bij deze wijziging behorende toelichting niet dat met deze tekstuele wijziging is beoogd te verduidelijken dat de werking van het artikel is beperkt tot effecten waarvoor geen exclusief wettelijk toetsingskader geldt en de negatieve effecten op de EHS vanwege ammoniakuitstoot en stikstofdepositie van toetsing aan de Verordening 2014 zijn uitgezonderd. Nu de Natuurbeschermingswet 1998 en de PAS alleen zien op bescherming van Natura 2000-gebieden, waarvan in dit geval geen sprake is, en de Wav alleen ziet op de gevolgen vanwege een veehouderij, waarvan evenmin sprake is, voorzien deze specifieke regelingen in dit geval niet in een regulering van de effecten op het in de EHS gelegen Pottersbos en bieden de regelingen geen bescherming aan de in de EHS aanwezige natuurwaarden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten bij een toetsing aan de per 15 juli 2015 gewijzigde Verordening 2014 geen rekening hoeft te houden met de effecten van ammoniakuitstoot en stikstopdepositie op de natuurwaarden van het Pottersbos. Het college van gedeputeerde staten zal derhalve dienen te motiveren of de in het Pottersbos aanwezige ecologische waarden en kenmerken door de toename van ammoniakuitstoot en stikstofdepositie zullen worden aangetast en of maatregelen ter compensatie daarvan nodig zijn. De niet onderbouwde stelling van het college van gedeputeerde staten dat in voormelde specifieke regelgeving voldoende is gewaarborgd dat aantasting van de ecologische waarden in het Pottersbos door stikstopdepositie wordt voorkomen, is daarvoor onvoldoende. Gelet op vorenoverwogene berust de omgevingsvergunning van 28 november 2014, zoals die is gewijzigd bij besluit van 7 mei 2015, niet op een toereikende motivering en dient de omgevingsvergunning ook om deze reden te worden vernietigd. Het betoog van de stichtingen en andere slaagt. Artikel 6 van de VR 2014 Groenblauwe mantel 5. De stichtingen en andere betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie gelet op het bepaalde in de artikel 6.1, gelezen in samenhang met artikel 6.10 van de

13 /1 /A augustus Verordening 2014 niet is toegelaten in de groenblauwe mantel en de verklaring van geen bedenkingen en omgevingsvergunning om die reden geweigerd hadden moeten worden. Hiertoe voeren zij aan dat in hoofdstuk 6 van de Verordening 2014 (Groenblauwe mantel) in tegenstelling tot in hoofdstuk 7 van de Verordening 2014 (Gemengd landelijk gebied) geen specifieke regels zijn opgenomen voor mestbewerking en dat uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie in het geheel niet is toegestaan in de groenblauwe mantel gelet op artikel 6.1 van de Verordening 2014 waarin is bepaald dat een bestemmingsplan in de groenblauwe mantel strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem, en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken Ingevolge artikel 6.1 van de Verordening 2014 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de tekst noch de toelichting van de Verordening 2014 steun is te vinden voor het oordeel dat provinciale staten van Noord-Brabant mestbewerking categorisch hebben willen uitsluiten in de groenblauwe mantel. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de provincie blijkens de toelichting bij de Verordening 2014 binnen de groenblauwe mantel een "ja, mits" benadering hanteert, waarbij de "mits" vooral is gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. De groenblauwe mantel biedt ruimte voor grotendeels dezelfde ontwikkeling van functies als het gemengd landelijk gebied, zij het dat alle ontwikkelingen in de groenblauwe mantel aan vorenbedoelde voorwaarden dienen te voldoen. Gelet op deze strikte voorwaarden, bestaat geen grond voor het oordeel dat door het ontbreken van een specifieke regeling voor mestbewerking zoals is opgenomen in artikel 7.12 van de Verordening 2014 in de groenblauwe mantel meer mogelijk is wat betreft de vestiging en uitbreiding van mestbewerking dan in gemengd landelijk gebied, zoals door de stichtingen en andere aangevoerd. Voor zover de stichtingen en andere in dit verband hebben verwezen naar artikel 33 van de Verordening 2014, leidt dit niet tot een ander oordeel, reeds omdat die bepaling geen betrekking heeft op initiatieven in de groenblauwe mantel, maar ziet op het voorkomen van initiatieven voor mestbewerking in het landelijk gebied of op bedrijventerreinen, zonder dat daarop sturing van de provincie plaats vindt. Het betoog faalt. 6. De stichtingen en andere betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project niet voldoet aan de in artikel 6.10 van de Verordening 2014 opgenomen voorwaarden. Hiertoe voeren zij aan dat realisering van het project tot twee of meer zelfstandige bedrijven zal leiden en de beoogde uitbreiding niet in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en de vereiste zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit. Voorts voeren

14 /1 /Al augustus de stichtingen en andere aan dat verplaatsing van de co-vergistingsinstallatie naar een bedrijventerrein aangewezen is en dat de ontwikkeling niet gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in artikel 6.7 tot en met artikel 6.9 mits: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste m2 bedraagt; b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groen blauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorende tot de milieucategorie 3 of hoger; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2: h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling. Ingevolge het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid. Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat: a. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen; b. overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid, (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebeid) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt; c. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; d. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel onder een aantal voorwaarden voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie.

15 /1 /A augustus 2016 Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de mogelijkheid geboden voor een redelijke uitbreiding van bestaande niet-agrarische functies. Het derde lid biedt aan bestaande niet-agrarische functies die reeds een grotere omvang hebben dan 5000 m2 of een zwaardere milieucategorie hebben dan bepaald in het eerste lid, de mogelijkheid van een redelijke uitbreiding indien dit in de toelichting wordt verantwoord. Dat betekent dat het college van gedeputeerde staten een zekere mate van vrijheid heeft om bestaande grote bedrijven te laten groeien binnen de groenblauwe mantel, mits de daaraan ten grondslag liggende afweging voldoende is gemotiveerd. Niet in geschil is dat het project voorziet in de uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie die reeds een grotere omvang heeft dan 5000 m De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat realisering van het project zal leiden tot twee of meer zelfstandige bedrijven. Blijkens de toelichting bij de Verordening 2014 is de in artikel 6.10, eerste lid, aanhef en onder e, opgenomen voorwaarde opgenomen om te voorkomen dat de vestiging of uitbreiding van een nietagrarische functie er toe zal leiden dat percelen planologisch worden afgesplitst, hetgeen nieuwvestiging met uitbreidingsmogelijkheden zou betekenen. Gegeven de feitelijke situatie ter plaats alsmede de functionele en technische verbondenheid tussen de veehouderij en de vergistingsinstallatie na realisering van de uitbreiding van de vergistingsinstallatie heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de ontwikkelingen op het perceel zullen leiden tot een nieuw bestemmingsvlak. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat ook na de uitbreiding producten van de veehouderij in de vergistingsinstallatie zullen worden verwerkt en beide bedrijfsonderdelen aangewezen zullen blijven op dezelfde technische voorzieningen. Voorts heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de bouwwerken van de co-vergistingsinstallatie en veehouderij door elkaar verspreid liggen op hetzelfde terrein. Het betoog faalt in zoverre De stichtingen en andere hebben voorts aangevoerd dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 6.10, derde lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 4.6, tweede lid, van de Verordening 2014 omdat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt aangetoond dat financiële, juridische en feítelijke mogelijkheden tot verplaatsing van de vergistingsinstallatie naar een bedrijventerrein ontbreken. De rechtbank heeft in hetgeen de stichtingen en andere hebben aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat niet aan in artikel 6.10, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2014 is voldaan. Ingevolge artikel 4.6, tweede lid, aanhef en onder c, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in een vestiging of een uitbreiding van een bedrijf op een bouwperceel groter dan 5000 m2, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat waaruit blijkt dat de financiële, juridische of feítelijke mogelijkheden ontbreken om het bedrijf te verplaatsen naar of te vestigen op een bedrijventerrein, als in dat artikel genoemd. In de aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing "Roosendaal BioMoer" van 5 december 2012 en in

16 /1 /Al augustus de beantwoording van de naar voren gebrachte zienswijzen is gemotiveerd dat een uitbreiding van de bestaande vergistingsinstallatie bij de melkveehouderij op het perceel is gerechtvaardigd vanwege de locatiespecifieke voordelen daarvan, waaronder de synergie met de op het perceel aanwezige melkveehouderij en het aangrenzende glastuinbouwbedrijf en aspergeveld. Een deel van de te verwerken mest is afkomstig van de melkveehouderij en een deel van de te produceren warmte wordt aan de naastgelegen kassen en aspergevelden geleverd. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking genomen dat sprake is van een efficiënte bedrijfsvoering omdat door de combinatie met de melkveehouderij bediening en toezicht in één hand kan worden gehouden en dat een verplaatsing om bedrijfseconomische redenen niet haalbaar is vanwege de reeds gepleegde grote investeringen in realisering van de bestaande vergistingsinstallatie. De rechtbank heeft gelet op deze motivering terecht overwogen dat het college van gedeputeerde staten voldoende heeft gemotiveerd waarom verplaatsing naar een bedrijventerrein niet aan de orde is en waarom voorrang is gegeven aan de locatiespecifieke voordelen. Het betoog faalt evenzeer in zoverre De stichtingen en andere hebben voorts aangevoerd dat de beoogde ontwikkeling niet in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en tot de op grond van artikel 3.1 van de Verordening 2014 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en dat het evenmin een bijdrage levert aan de bescherming van de natuur- en landschapswaarden in het gebied. Zij wijzen er op dat het bedrijf twee keer zo groot zal worden en tal van bouwwerken op het perceel zullen worden gerealiseerd, hetgeen gezien de landschappelijke impact in dit gebied onacceptabel is, zoals ook blijkt uit het negatieve advies van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom. Voorts wijzen zij er op dat het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van de uitbreiding ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat het bouwperceel van de vergistingsinstallatie niet zal worden vergroot, maar uitsluitend van vorm zal veranderen. Volgens de stichtingen en andere gaat het college van gedeputeerde staten er ten onrechte vanuit dat in de bestaande situatie reeds een vergunde oppervlakte van 3700 m2 op het grondgebied van Bergen op Zoom aanwezig is, terwijl slechts een oppervlakte van m2 is vergund. Hierbij wijzen zij er op dat de op het perceel aanwezige erfverharding met een oppervlakte van 1825 m2, de mestzak en enkele sleufsilo's nooit zijn vergund en deze oppervlakte derhalve niet tot het bestaande bouwperceel kan worden gerekend. Voorts voeren zij aan dat de van de omgevingsvergunning deel uitmakende sleufsilo van 775 m2, gelegen in een hoek van het perceel, onderdeel van de vergistingsinstallatie is en niet van de veehouderij. Het college van gedeputeerde staten heeft zich volgens de stichtingen en andere derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze uitbreiding van het bouwperceel is toegestaan op grond van artikel 6.4, derde lid, van de Verordening Hulsen Kwappenberg V.O.F. wenst de vergroting van de verwerkingscapaciteit van de vergistingsinstallatie van ton naar ton om verdere verduurzaming van het vergistingsproces te kunnen

17 /1 /A augustus realiseren. Hulsen Kwappenberg V.O.F. is voornemens om meer energetisch laagwaardige co-producten voor vergisting toe te passen. Ten opzichte van de thans toegepaste hoogwaardige co-producten zal de fermenteersnelheid van deze organische reststoffen in de vergistingsinstallatie beduidend lager zijn en de verblijfstijd langer om een zelfde hoeveelheid biogas te winnen, zodat een hogere verwerkingscapaciteit nodig is om dezelfde opbrengst te genereren. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling van de aanvraag in aanmerking genomen dat een vergistingsinstallatie met een verwerkingscapaciteit tot ton vanwege veranderde marktomstandigheden niet meer exploitabel is en ook om die reden een vergroting van de verwerkingscapaciteit gerechtvaardigd is. In hetgeen de stichtingen en andere hebben aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergroting van de verwerkingscapaciteit en daarmee gepaard gaande bebouwing in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang van de vergistingsinstallatie Het college van gedeputeerde staten heeft aan zijn besluitvorming mede ten grondslag gelegd dat het toepassing heeft gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, nu het bouwperceel niet zal worden vergroot en de bebouwing is voorzien direct naast de bestaande bedrijfsbebouwing waarbij de bebouwing met een beperkte bouwhoogte aan de randen van het bouwblok is gesitueerd. Het college van gedeputeerde staten heeft hierbij in aanmerking genomen dat het bestaande bouwvlak van de inrichting m2 bedraagt, waarvan m2 als zodanig is aangewezen door het bestemmingsplan en is gelegen op het grondgebied van Roosendaal en waarvan een oppervlakte van m2 aan bebouwing reeds is vergund op het grondgebied van Bergen op Zoom. Na realisering van het project zal het bouwvlak volgens het college van gedeputeerde staten m2 bedragen, waarvan m2 op het grondgebied van Roosendaal zal liggen en m2 op Bergen op Zooms grondgebied. Een op grondgebied van Bergen op Zoom voorziene sleufsilo met een oppervlakte van 775 m2 is buiten deze berekening gehouden, omdat het ten dienste van de veehouderij staat Ingevolge artikel 1.15 van de Verordening 2014 is een bestaand bouwperceel een bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat; Ingevolge artikel 1.20 is een bouwperceel een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. Ingevolge artikel 1.21 is een bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologische regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. Ingevolge artikel 1.79 is een uitbreiding een vergroting van een

18 /1 /A augustus bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, onder b, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Ingevolge het tweede lid, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid in ieder geval in dat: a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; d. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt. Ingevolge artikel 6.4, derde lid, kan het bestemmingsplan in afwijking hiervan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5, hectare wordt vergroot indien: a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen - geen gebouwen zijnde - voor de opslag van ruwvoer Weliswaar hebben de stichtingen en andere terecht aangevoerd dat in de aanvraag om omgevingsvergunning de in een hoek van het perceel gelegen sleufsilo onderdeel uitmaakt van de vergistingsinstallatie, maar blijkens de van de omgevingsvergunning onderdeel uitmakende memo van 4 juni 2013 en de "Bijlage plattegrond gebruik veehouderij en BioMoer" is het project na indiening van de aanvraag op dit aspect gewijzigd en staat de voorziene sleufsilo volgens het gewijzigde project ten dienste van de melkveehouderij. Nu de sleufsilo als zodanig is aangevraagd, ziet de omgevingsvergunning ook uitsluitend op het gebruik van de sleufsilo ten behoeve van de veehouderij. Indien de sleufsilo zal worden gebruikt ten behoeve van de vergistingsinstallatie kan hiertegen handhavend worden opgetreden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift dient te worden verbonden teneinde veilig te stellen dat de sleufsilo zal worden gebruikt voor de veehouderij, zoals de stichtingen en andere hebben bepleit. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat binnen het bouwperceel voldoende ruimte is om te voorzien in de benodigde opslagcapaciteit voor ruwvoer. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de in de memo van 4 juni 2013 vermelde voederbehoefte en benodigde ínhoud aan sleufsilo's, nu het hierbij betrokken aantal dieren overeenkomt met de bij besluit van 16 december 2008 verleende uitbreidingsvergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Nu voorts niet in geschil is dat de veehouderijtak in overwegende mate is aangewezen op ruwvoer, heeft het college van

19 /1 /A augustus gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitbreiding van het bouwperceel ten behoeve van de sleufsilo is toegestaan op grond van artikel 6.4, derde lid, van de Verordening In zoverre speelt de uitbreiding van het bouwperceel geen rol bij de beoordeling of sprake is van een redelijke uitbreiding als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, van de Verordening Niet in geschil is dat in dit geval het bestaande bouwperceel wordt gevormd door het op het grondgebied van Roosendaal liggende agrarisch bouwvlak alsmede de aansluitende oppervlakte op het grondgebied van Bergen op Zoom waar reeds bebouwing ten behoeve van de inrichting is vergund. Ten aanzien van het door het college van gedeputeerde staten in aanmerking genomen oppervlak in Bergen op Zoom, zijnde m2, hebben de stichtingen en andere gemotiveerd aangevoerd dat daarvan slechts m2 is vergund en tot het bestaande bouwperceel kan worden gerekend. Weliswaar heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting van de Afdeling aan de hand van bij de bouwvergunning van 8 september 2008 behorende bouwtekeningen toegelicht dat de erfverharding met een oppervlakte van m2 onderdeel uitmaakte van die bouwvergunning en dit derhalve eveneens tot het bestaande bouwperceel behoort, maar onduidelijk is gebleven of op de overige door het college van gedeputeerde staten tot het bouwperceel gerekende 750 m2 vergunde bebouwing aanwezig is. Voorts begrijpt de Afdeling de toelichting van het college van gedeputeerde staten op zijn standpunt dat het bouwperceel alleen van vorm verandert aldus, dat de toename van het aantal vierkante meters bebouwing op het grondgebied van Bergen op Zoom niet tot vergroting van het bouwperceel zal leiden, omdat dit aantal vierkante meters in mindering wordt gebracht op het bouwvlak in Roosendaal. Het desbetreffende direct aangrenzende stuk grond in de vorm van een driehoek aan de Luienhoekweg is ingevolge het bestemmingsplan evenwel aangewezen als bouwvlak. Het college van gedeputeerde staten heeft onvoldoende gemotiveerd, waarom deze gronden, waarop ingevolge het bestemmingsplan bebouwing is toegestaan, niet meer behoren tot het bouwperceel als bedoeld in artikel 1.20 van de Verordening Gelet op vorenstaande berust het besluit ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering en dient het om deze reden te worden vernietigd. Het betoogt slaagt in zoverre. Structuurvisies 7. De stichtingen en andere betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project in strijd is met het gemeentelijk beleid van zowel de gemeente Roosendaal als de gemeente Bergen op Zoom, dat is neergelegd in de Structuurvisie Bergen op Zoom 2030 en de Structuurvisie 2025 van de gemeente Roosendaal. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de weerlegging in de Nota beantwoording zienswijzen bij de verklaring van geen bedenkingen voldoende blijk is gegeven van toetsing aan beide gemeentelijke structuurvisies. Nu de stichtingen en andere in beroep niet hebben onderbouwd waarom de weerlegging in de Nota beantwoording zienswijzen wat betreft deze toetsing

20 /1 /A augustus aan het in de structuurvisies neergelegde gemeente beleid tekort schiet, heeft de rechtbank dit betoog terecht verworpen. Voorschrift ver keer sa fwikkeling 8. Het college van gedeputeerde staten en Hulsen Kwappenberg V.O.F. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet valt in te zien waarom het college van gedeputeerde staten uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening heeft nagelaten aan de omgevingsvergunning het voorschrift te verbinden om de verkeersafwikkeling vanaf het perceel over de Luienhoekweg in de richting van de Moerstraatsebaan te laten plaats vinden. Het college van gedeputeerde staten en Hulsen Kwappenberg V.O.F. voeren hiertoe aan dat de tussen hen gesloten privaatrechtelijke anterieure overeenkomst voldoende waarborg biedt voor een goede verkeersafwikkeling Vast staat dat uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie een toename van verkeersbewegingen van en naar het perceel mee zal brengen. Het college van gedeputeerde staten acht het uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk dat de verkeersafwikkeling vanaf het perceel over de Luienhoekweg richting de Moerstraatsebaan op Roosendaals grondgebied plaats zal vinden, zoals dat in de bestaande situatie ook gebeurt. Teneinde te verzekeren dat de ontsluiting van het perceel ook na uitbreiding van de inrichting uitsluitend zal plaatsvinden via de Luienhoekweg in de richting van de Moerstraatsebaan is in een tussen het college van gedeputeerde staten en Hulsen Kwappenberg V.O.F op 23 september 2014 gesloten overeenkomst de verplichting opgenomen dat Hulsen Kwappenberg V.O.F. hiervoor zorg dient te dragen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college van gedeputeerde staten hiermee niet heeft kunnen volstaan, nu de overeenkomst door derden niet kan worden afgedwongen. Niet in geschil is dat de uitweg op het perceel erop is gericht de verkeerafwikkeling vanaf het perceel in de richting van de Moerstraatsebaan te doen plaats vinden en dat dit in de praktijk ook gebeurt. Geen reden bestaat om aan te nemen dat realisering van het project hierin verandering zal brengen, te minder nu Hulsen Kwappenberg V.O.F. op de Luienhoekweg extra passeerstroken zal aanleggen en de bermzijden zal voorzien van graskeien. Mede in het licht van de in voormelde overeenkomst opgenomen verplichting, heeft het college van gedeputeerde staten geen aanleiding hoeven zien om Hulsen Kwappenberg V.O.F. door middel van een vergunningvoorschrift te verplichten de verkeersafwikkeling over de Luienhoekweg in de richting van de Moerstraatsebaan te laten plaats vinden. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Voor het oordeel dat de Luienhoekweg niet geschikt is voor afwikkeling van het te verwachten verkeer van en naar de inrichting, zoals de stichtingen en andere in beroep hebben gesteld, bestaat geen grond. In de aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd geconcludeerd dat geen knelpunten zijn te verwachten ten aanzien van de verkeersafwikkeling over de Luienhoekweg en Moerstraatsebaan. Uit de omstandigheid dat het college van

21 /1 /A augustus gedeputeerde zaken in een ander geval aan de raad van de gemeente Roosendaal een reactieve aanwijzing heeft gegeven teneinde de nieuwvestiging van een bedrijf in de buurt van de Luienhoekweg te voorkomen, kan niet worden afgeleid dat het college van gedeputeerde staten de Luienhoekweg niet geschikt acht voor de verkeersafwikkeling vanaf het perceel. De betogen slagen. Activiteit "uitbreiden van een inrichting" 9. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1 0, van de Wabo neemt het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, bij de beslissing in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Bor houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken. Ingevolge artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: de Mor), houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. In de bijlage zijn onder andere opgenomen de Handreiking (co-)vergisting van mest en de Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling. 10. Zoals de rechtbank onweersproken heeft vastgesteld, heeft het college van gedeputeerde staten aan de omgevingsvergunning van 28 november 2014, zoals die is gewijzigd bij besluit van 7 mei 2015, ten grondslag gelegd dat voor de beoordeling wat in dit geval de beste beschikbare technieken zijn de door de Europese Commissie vastgestelde BBT-conclusies BREF Afvalbehandeling en BREF Op- en overslag niet relevant zijn. Het college van gedeputeerde staten heeft bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met onder meer de aanbevelingen in de Handreiking (co-)vergisting van mest, die als Nederlands informatiedocument over beste beschikbare technieken is opgenomen in de bijlage bij de Mor, alsmede met de BBT-conclusie BREF Intensieve veehouderij. Het college van gedeputeerde staten stelt zich in het besluit op het standpunt dat in de inrichting, met inachtneming van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, de beste beschikbare technieken worden toegepast. 11. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft in het onderzoeksverslag van 25 augustus 2015 onder meer geconcludeerd dat de inrichting binnen de reikwijdte van de BREF Afvalbehandeling valt. De StAB heeft voorts geconcludeerd dat de afgedekte opslag in de buitenlucht in sleufsilo s van niet sterk geurende

22 /1 /Al augustus co-substraten in lijn is met de in hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling beschreven beste beschikbare technieken, mits dit wordt afgedekt met plastic of een ander passend materiaal en de blootstelling aan de buitenlucht zo kort mogelijk is. Voor sterk geurende co-substraten geldt dit evenwel niet en is opslag in een gesloten gebouw (met luchtbuis) aan te merken als toepassing van de beste beschikbare technieken. Omdat geen specificatie is gegeven van de co-substraten die in de inrichting zullen worden geaccepteerd, opgeslagen en verwerkt en in de omgevingsvergunning niet de verplichting is opgenomen om een acceptatiebeleid te hanteren voor de cosubstraten uit categorie A en B van bijlage Aa bij artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: de positieve lijst) en derhalve ook stoffen uit de hogere categorieën mogen worden geaccepteerd, voldoet de inrichting volgens de StAB evenmin aan de aanbeveling in de Handreiking (co-)vergisting van mest. Indien duidelijk wordt gemaakt welke co-substraten van de positieve lijst in de inrichting worden geaccepteerd, mogen deze ongeacht in welke categorie ze zijn opgenomen, allemaal worden geaccepteerd, dus inclusief de stoffen die kunnen worden aangemerkt als sterk geurend, mits de opslag daarvan in een gesloten gebouw met luchtsluis plaats vindt, zoals dat in de BREF Afvalbehandeling als beste beschikbare techniek is aangemerkt. De rechtbank is gelet op de brede scope van de BREF Afvalbehandeling alsmede de bijbehorende Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling van oordeel dat de BREF Afvalbehandeling van toepassing is omdat in ieder geval de handelingen R1 (hoofdgebruik als brandstof) en R13 (opslag van afvalstoffen) plaatsvinden. De rechtbank heeft de conclusie van de StAB overgenomen en heeft overwogen dat het college van gedeputeerde staten bij de vergunningverlening de BREF Afvalbehandeling en de Handreiking (co-)vergisting van mest onvoldoende in acht heeft genomen en de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is uitgesloten dat sterk geurende afvalstoffen worden geaccepteerd en verwerkt in afwijking van de BREF Afvalbehandeling. De rechtbank heeft overwogen dat het op de weg van het college van gedeputeerde staten lag om voorafgaand aan de vergunningverlening de te gebruiken co-substraten te identificeren en vast te stellen of deze sterk geurend zijn of niet, alsmede in de vergunning slechts de met name genoemde niet sterk geurende co-substraten toe te laten. In het licht van de aanbevelingen in de Handreiking (co-)vergisting van mest acht de rechtbank het door StAB gehanteerde onderscheid tussen de categorieën A en B en hogere categorieën niet arbitrair. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het wat betreft de opslag van niet sterk geurende cosubstraten op de weg van het college van gedeputeerde staten had gelegen om de duur van de blootstelling aan de buitenlucht in een voorschrift te limiteren en dat de vergunning in zoverre is verleend in strijd met artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1 0, van de Wabo. Het college van gedeputeerde staten heeft berust in dit oordeel Hulsen Kwappenberg V.O.F. betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken de BREF Afvalbehandeling van toepassing is. Hiertoe voert zij aan dat de co-vergistingsinstallatie geen

23 /1 /A augustus installatie is als genoemd in categorie 5.1 en 5.3 van bijlage I bij de IPPC-richtlijn, nu de vergistingsinstallatie uitsluitend gebruik maakt van niet gevaarlijke afvalstoffen die niet worden verwijderd, maar nuttig worden toegepast. Voorts voert Hulsen Kwappenberg V.O.F. aan dat wat betreft de opslag van co-substraten toepassing is gegeven aan de Handreiking (co-)vergisting van mest en de BREF Intensieve veehouderij en derhalve de beste beschikbare technieken in acht zijn genomen De co-vergistingsinstallatie betreft een inrichting als bedoeld in artikel 5.3, onder b, van bijlage 1 van Richtlijn 2010/75/EU (PB 2010 L 334; hierna: Richtlijn industriële emissies) met een installatie voor de nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke stoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag. In artikel 13, vijfde lid, van deze richtlijn is bepaald dat besluiten met betrekking tot de BBT-conclusies worden vastgesteld volgens de in artikel 75, tweede lid, bedoelde regelgevingsprocedure. In het zevende lid, is bepaald dat in afwachting van de aanneming van een besluit ter zake overeenkomstig lid 5, de conclusies over de beste praktijken [lees: gelet op de andere taalversies: de beste beschikbare technieken] afkomstig van BBT-referentiedocumenten die door de Commissie vóór de in artikel 83 bedoelde datum zijn aangenomen, gelden als BBTconclusies voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 15, leden 3 en 4. Artikel 15, leden 3 en 4, heeft betrekking op emissiegrenswaarden. De BREF Afvalbehandeling is vóór de in artikel 83 van de Richtlijn industriële emissies bedoelde datum aangenomen, zodat de conclusies over de beste beschikbare technieken uit deze BREF als BBT-conclusies gelden Er is geen aanleiding voor het oordeel dat uit artikel 13, zevende lid, of enige andere bepaling van de Richtlijn industriële emissies dient te worden afgeleid dat het toepassingsbereik van BBT-referentiedocumenten die door de Commissie vóór de in artikel 83 bedoelde datum zijn aangenomen, nadien is gewijzigd. Voor beantwoording van de vraag of de BREF Afvalbehandeling van toepassing is, is derhalve het in deze BREF zelf weergegeven toepassingsbereik (de scope) van belang. In de scope is vermeld dat dit document samen met andere BREF's bedoeld is om activiteiten te beslaan die zijn genoemd in paragraaf 5 van bijlage 1 bij de IPPC-richtlijn. In onderdeel 5.1 zijn vermeld: "Installaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de lijst van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG in de zin van de bijlagen II A en II B (handelingen R1, R5, R6, R8 en R9) van Richtlijn 2006/12/EG en van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag". In onderdeel 5.3 zijn vermeld: "Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen in de zin van bijlage II A bij Richtlijn 2006/12/EG, rubrieken D8, D9, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag". Niet in geschil is dat in de co-vergistingsinstallatie geen gevaarlijke afvalstoffen worden verwerkt en deze dus niet kan worden aangemerkt als een installatie als bedoeld in onderdeel 5.1 van bijlage I van de IPPC-richtlijn.

24 /1 /A augustus In geschil is evenmin dat het proces van vergisting van mest en cosubstraten in de inrichting een nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen is en geen verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen. Reeds hierom kan de co-vergistingsinstallatie niet worden aangemerkt als een installatie als bedoeld in onderdeel 5.3 van bijlage I bij de IPPC-richtlijn. Dat door vergisting ontstaan digestaat volgens de stichtingen en andere wordt verwijderd, wat daarvan ook zij, doet daar niet aan af, nu dat geen activiteit is die in de installatie plaats vindt. Uit de BREF Afvalbehandeling zelf volgt niet dat deze van toepassing is op de co-vergistingsinstallatie Dat in het ten tijde van belang geldende Nederlands informatiedocument Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling is vermeld dat in de BREF Afvalbehandeling meer handelingen worden vervat dan genoemd in 5.1 en 5.3 van bijlage I van de IPPC-richtlijn, waaronder de door de rechtbank genoemde handelingen van nuttige toepassing R1 en R 13, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling de reikwijdte van de BREF Afvalbehandeling niet kan uitbreiden en de Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling evenmin aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat hiermee is beoogd de BREF Afvalbehandeling van toepassing te achten buiten zijn unierechtelijk bepaalde toepassingsbereik. Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de BREF Afvalbehandeling van toepassing is op de opslag van afvalstoffen in de co-vergistingsinstallatie en dat het college van gedeputeerde staten deze BREF wat betreft de opslag van co-substraten in de inrichting onvoldoende in acht heeft genomen Hulsen Kwappenberg V.O.F. mag op grond van de omgevingsvergunning in de inrichting alle op de positieve lijst vermelde stoffen accepteren, opslaan en verwerken. De StAB heeft onweersproken aangegeven dat in de positieve lijst zowel minder geurende als sterk geurende stoffen zijn opgenomen. De rechtbank heeft onweersproken vastgesteld dat de BREF Op- en overslag van toepassing is. Nu uit de BREF Op- en overslag en de Handreiking (co-)vergisting van mest, alsmede de volgens de Handreiking relevante BREF Intensieve veehouderij, niet volgt dat sterk geurende co-substraten moeten worden opgeslagen in een gesloten gebouw, bestaat geen grond voor het oordeel dat bij de opslag van co-substraten in de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de BREF Op- en overslag en de BREF Intensieve veehouderij geen specifieke maatregelen voor de opslag van co-substraten zijn genoemd. In de voor de opslag van co-substraten relevante paragraaf van de Handreiking zijn behoudens enkele aandachtspunten evenmin maatregelen of voorzieningen voorgeschreven waarmee de geuremissie van de opslag van vaste co-substraten kan worden beperkt. In hetgeen de stichtingen en andere in beroep hebben aangevoerd wordt evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de opslag van co-substraten na uitbreiding van de vergistingsinstallatie tot een onaanvaardbare stankhinder voor de omgeving zal leiden. Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat de

25 /1 /A augustus geuremissie en -immissiesituatie moet voldoen aan de geursituatie zoals vastgesteld in het bij de ruimtelijke onderbouwing behorende rapport "Geuronderzoek biovergistingsinstallatie Hulsen te Moerstraten" van buro Blauw van 1 maart 2012 en voorts is voorgeschreven dat Hulsen Kwappenberg V.O.F. binnen zes maanden na ingebruikname van de uitgebreide vergistingsinstallatie door middel van geurmetingen en -berekeningen dient aan te tonen dat de voorgeschreven geurnormen niet worden overschreden. Niet in geschil is dat de gestelde grenswaarden voor de inrichting duidelijk zijn. Dat pas aan de hand van afgenomen monsters achteraf kan worden vastgesteld of Hulsen Kwappenberg V.O.F. aan de in de omgevingsvergunning gestelde grenswaarde voldoet, zoals het college van gedeputeerde staten ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, leidt niet tot het oordeel dat dit voorschrift dusdanig moeilijk handhaafbaar is dat het in de praktijk onvoldoende bescherming biedt. Het betoog van Hulsen Kwappenberg V.O.F. slaagt Gelet op vorenstaande wordt niet toegekomen aan de bespreking van de door Hulsen Kwappenberg V.O.F. naar voren gebrachte betogen dat, voor zover de BREF Afvalbehandeling wel van toepassing zou zijn, de rechtbank niet heeft onderkend dat de BBT-conclusies 24 en 65 met betrekking tot het afdekken van co-substraten niet van toepassing zijn en dat het door de StAB gemaakte onderscheid tussen minder en sterk geurende afvalstoffen op basis van de positieve lijst van bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet onjuist en arbitrair is. Evenzeer wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het verzoek van het college van gedeputeerde staten aan de Afdeling om de in zijn hogerberoepschrift voorgestelde voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden teneinde te bewerkstelligen dat in de vergistingsinstallatie de uit de BREF Afvalbehandeling voortvloeiende beste beschikbare technieken worden toegepast bij de opslag van co-substraten. Conclusie 14. De conclusie is dat het besluit van 28 november 2014, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 7 mei 2015, is genomen in strijd met artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, nu het college van gedeputeerde staten de omgevingsvergunning heeft verleend zonder dat een verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Bergen op Zoom voorlag. Voorts berust de omgevingsvergunning in het licht van het gestelde in artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening 2014, in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een toereikende motivering, omdat het college van gedeputeerde staten bij de vergunningverlening geen rekening heeft gehouden met de effecten van ammoniakuitstoot en stikstofdepositie die het project mogelijk zal hebben op de natuurwaarden van het Pottersbos. De omgevingsvergunning berust eveneens wat betreft de vraag of toepassing is gegeven aan het in de Verordening 2014 neergelegde principe van zorgvuldig ruimtegebruik op een ontoereikende motivering, nu onvoldoende is gemotiveerd dat het bouwperceel uitsluitend van vorm verandert en niet zal worden vergroot.

26 /1 /A augustus Het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal is ongegrond. De hoger beroepen van het college van gedeputeerde staten, de stichtingen en andere en Hulsen Kwappenberg V.O.F. zijn gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank tot vernietiging van het besluit juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Het college van gedeputeerde staten dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de omstandigheid dat eerst omgevingsvergunning kan worden verleend nadat de raad van de gemeente Bergen op Zoom heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben en op voorhand niet vast staat dat de raad van Bergen op Zoom een verklaring van geen bedenkingen zal afgeven, acht de Afdeling het in dit geval niet aangewezen om het college van gedeputeerde staten met toepassing van artikel 8:51 d van de Awb in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken te herstellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. 16. Het college van gedeputeerde staten dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

27 /1 /Al augustus Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal ongegrond; II. verklaart de hoger beroepen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, de Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het Buitengebied Wouw en andere, en de vennootschap onder firma Hulsen Kwappenberg V.O.F. gegrond; III. bevestigt de aangevallen uitspraak; IV. bepaalt dat tegen het door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het Buitengebied Wouw en andere in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van C 1.029,50 (zegge: duizendnegenentwintig euro en vijftig cent), waarvan ë 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de vennootschap onder firma Hulsen Kwappenberg V.O.F. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van 6 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het Buitengebied Wouw en andere het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van C 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de vennootschap onder firma Hulsen Kwappenberg V.O.F. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van C 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt; IX. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal een griffierecht van C 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

28 /1 /A augustus w.g. Hagen voorzitter w.g. Deen griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus Verzonden: 24 augustus 2016

29 uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen het college van burgemeester en weţhouders van de gemeente Bergen op Zoom, eiser 1, (gemachtigde: J.M.E.M. Verpaalen^ Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied Wouw, te Bergen op Zoom, Milieuvereniging-Benegora; te Bergen op Zoom, Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide, te Hoogerheide, Stichting De Brabantse Wal, te Woensdrecht, IVN Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Bergen op Zoom en Omstreken, te Bergen op Zoom, eisers, hierna gezamenlijk te noemen: eisers 2 (gemachtigde: mr. J.E. Dijk), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, te 's-hertogenbosch, verweerder, (gemachtigden: J. Bertens, W.A.J.M. Michels en mr. M. van der Stappen). Aan het geding hebben als partij deelgenomen Hulsen Kwappenberg VOF, te Moerstraten, vergunninghouder, (gemachtigden: mr. D.J.K. Kochx en mr. S van Hengel) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, (gemachtigde: mr. J.C.P.J.M. Vergouwen). Procesverloop Bij besluit van 28 november 2014 heeft verweerder aan vergunninghouder een beschikking eerste fase verleend voor de activiteiten afwijken van het bestemmingsplan, uitbreiden van de inrichting' en natuur voor het uitbreiden van een co-vergistingsinstallatie aan de Luienhoekweg 3 te Moerstraten (de projectlocatie).

30 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 2 Eiser 1 en eisers 2 hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/82, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 15/163. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 9 april 2015 heeft een inlichtingencomparitie plaatsgevonden waar partijen zijn verschenen. De rechtbank heeft vervolgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld. Op 7 mei 2015 heeft verweerder het besluit van 28 november 2014 gewijzigd. Het beroep van eiser 1 en eisers 2 richt zich, ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tegen dit gewijzigd besluit. Eisers hebben nadere beroepsgronden ingediend tegen het gewijzigde besluit. Op 7 mei 2015 heeft verweerder aan vergunninghouder een beschikking tweede fase verleend voor de activiteit bouwen voor het uitbreiden van een co-vergistingsinstallatie aan de-luienhoekweg-3-te-moerstraten: Eisers 2 hebben hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/163. Op 15 augustus 2015 heeft de StAB advies uitgebracht. Eisers 2, verweerder en vergunninghouder hebben reacties op dit advies ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober Eiser 1 en eisers 2 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder zijn verschenen P. Hulsel en A. Loos, bijgestaan door de gemachtigden en vergezeld door A. Backx. Namens de gemeente Roosendaal is de gemachtigde verschenen. Ing. T. van der Meulen en Y. Flietstra (beiden werkzaam bij de StAB) zijn verschenen._ Overwegingen 1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. De inrichting van vergunninghouder is gelegen aan de Luienhoekweg 3 te Moerstraten, kadastraal bekend als gemeente Roosendaal, sectie A, nummers 285, 296 en 1193 en gemeente Bergen op Zoom, sectie L, nummers 612 en 613 (de locatie). Voorafgaand aan de bestreden vergunningverlening bedroeg de oppervlakte van het bouwvlak van de inrichting m2. Daarvan was m2 gelegen op het grondgebied van Roosendaal en m2 op het grondgebied van Bergen op Zoom. De locatie is gelegen in de Groen Blauwe Mantel als aangeduid in de Verordening Ruimte 2014 van Noord-Brabant (VR 2014) en in een gebied met de aanduiding beperking veehouderij in de VR Nabij de locatie ligt het Pottersbos. Dit is géén Natura 2000 gebied maar wel een kwetsbaar verzuringsgevoelig gebied. Verder weg, op ruim 3,5 kilometer van de locatie, ligt het Natura 2000 gebied Brabantse Wal.

31 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad Ten behoeve van de inrichting zijn in het verleden reeds milieuvergunningen verleend, namelijk een revisievergunning van 8 april 2008, twee uitbreidingsvergunningen van 16 december 2008 en 26 oktober 2010 en een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 31 oktober Genoemde vergunningen zijn onherroepelijk en, voor zover deze zijn verleend onder het regime van de Wet milieubeheer, gelijk gesteld met omgevingsvergunningen als bedoeld in 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Tot de inrichting behoort een IPPC-installatie. 1.3 Vergunninghouder heeft op 2 augustus 2011 een aanvraag voor een beschikking eerste fase ingediend bij de gemeente Roosendaal ten behoeve van de activiteiten uitbreiden van de inrichting en afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een project als bedoeld in artikel 19d van de Wet natuurbescherming De aanvraag is enkele malen aangevuld. De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen en eisers 2 hebben hier zienswijzen tegen aangevoerd op dc onderdelen afwijken van het bestemmingsplan en uitbreiden van de inrichting. In het midden kan blijven of dit toereikend is voor het oordeel dat zienswijzen tegen de activiteit uitbreiden van de inrichting zijn ingediend nu de betreffende activiteit onlosmakelijk is verbonden met de activiteit afwijken van het bestemmingsplan De gemeenteraad van Roosendaaľheeft een verklaring van geen bedenkingen afgegeven, waarvan een nota beantwoording zienswijzen deel uitmaakt. 1.4 Op 8 juni 2012 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een beschikking tweede fase ingediend. 2.1 De beschikking eerste fase heeft betrekking op de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo, artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo alsmede op de aangehaakte activiteit natuur ingevolge artikel 19d van de Wet natuurbescherming Voorts heeft verweerder in dit besluit de voorschriften van de geldende omgevingsvergunningen ambtshalve gewijzigd met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, onder b, alsmede het tweede lid, onder b van de Wabo. De beschikking tweede fase heeft betrekking op de. activiteit. als bedņeldjn aŗtikęl.2.j eerste lid, onder a, van de Wabo. De beschikking eerste fase en de beschikking tweede fase vormen tezamen de omgevingsvergunning. Gelet op de omstandigheid dat eisers 2 beroep hebben ingesteld tegen zowel de eerste als de tweede fase worden beide beschikkingen ingevolge artikel 6.3, tweede lid, van de Wabo als één besluit aangemerkt (verder: het bestreden besluit). Op het bestreden besluit is de Crisisen herstelwet (Chw) van toepassing. 2.2 De beroepsgronden van eiser 1 zien uitsluitend op de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. De beroepsgronden van eisers 2 zien niet op de activiteit natuur. Ter zitting hebben eisers 2 de beroepsgrond ingetrokken dat geen ondertekende nota van zienswijzen aan de verklaring van geen bedenkingen is gehecht. Ontvankelijkheid 3.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van eisers heeft verweerder betoogd dat niet alle eisers 2 als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. De omschrijvingen van de doelstellingen in hun statuten zouden te algemeen geformuleerd zijn om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat hun belangen rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken.

32 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad Naast de statutaire doelstelling(en) van de betreffende stichting/vereniging is, om te kunnen bepalen of haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, van belang of zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doestelling(en). 3.3 De rechtbank oordeelt dat, op Natuur- en Milieuvereniging NAM1RO na, alle eisers 2 voldoen aan de hiervoor genoemde criteria. De statutaire doelstellingen en activiteiten zoals op zitting aan de orde gesteld acht zij (ruim) voldoende om de toets van belanghebbendheid te doorstaan. Met betrekking tot de Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied Wouw, waarvan verweerder en vergunninghouder hebben gesteld dat deze enkel is opgericht met het oog op het ageren tegen de vergunde activiteit(en), overweegt de rechtbank dat deze stelling geen steun vindt in de feiten. De stichting heeft een lijst met door haar in het recente verleden ontplooide activiteiten overgelegd, waaruit een breder scala van werkzaamheden blijkt. Verweerder heeft deze opgave niet weersproken en zich ter zake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de door verweerder bepleite beperkte uitleg van het gebied dat wordt bestreken door de activiteiten van Stichting De Brabantse Wal ziet de rechtbank, mede gelet op de begrenzing van het gebied De Brabantse Wal in verweerders eigen informatievoorzieningrgeen aanleiding: 3.4 Dit ligt anders voor Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO. Blijkens de statutaire doelstelling neergelegd in artikel 5 van haar statuten stelt deze vereniging zich ten doel: het bevorderen van natuurbehoud en milieuhygiëne en de leefbaarheid in de gemeente Woensdrecht en omstreken. Ter zitting is aan de orde geweest dat de vergunde activiteiten worden ontplooid op een afstand van meer dan negen kilometer van de meest nabijgelegen gemeentegrens van Woensdrecht. Daarmee staat de vereniging naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband om haar als belanghebbende te kunnen aanmerken. De beroepen van Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO tegen het bestreden besluit zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. Bevoegdheid verklaring geen bedenkingen Al Eisers 2 stellen dat niet de gemeenteraad.van Roosendaal maaide gemeenteraadjvan. Bergen op Zoom bevoegd was om te beslissen omtrent de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen. Zij zijn van mening dat het project uitsluitend betrekking heeft op de uitbreiding van de vergistingsinstallatie en dat deze uitbreiding bijna geheel op het grondgebied van Bergen op Zoom plaatsvindt. De berekeningen van de gemeente Roosendaal van de oppervlakte van het totale perceel en het bouwperceel zijn onjuist. In de eerste plaats is bij het akoestisch onderzoek slechts de co-vergistingsinstallatie beoordeeld en niet de veehouderij. Ook heeft de gemeente Roosendaal ten onrechte de bedrijfswoning bij de inrichting gerekend, nu deze woning niet op de tekening overzicht inrichtingsterrein bij het akoestisch onderzoek staat. Als beide oppervlakten buiten beschouwing worden gelaten ligt het grootste deel van het perceel en het bouwperceel in Bergen op Zoom. Eisers 2 wijzen er in hun nadere memorie op dat het bouwvlak wel wordt uitgebreid en dat er geen bouwvlak was in Bergen op Zoom. Subsidiair voegen eisers 2 hier aan toe dat vooral op het grondgebied van Bergen op Zoom wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De gemeenteraad van Roosendaal heeft volgens eisers 2 het negatieve advies van de gemeente Bergen op Zoom te lichtvaardig gepasseerd. 4.2 Verweerder en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal stellen zich op het standpunt dat de gemeenteraad van Roosendaal bevoegd is te beslissen omtrent de verklaring van geen bedenkingen omdat de inrichting voor het grootste

33 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 5 deel in Roosendaal is gelegen. Zij zien een bevestiging van dit standpunt in de omstandigheid dat de gemeente Bergen op Zoom op dit punt geen beroep heeft ingesteld. Het standpunt van eisers 2 dat gekeken moet worden naar de locatie van de uitbreiding is niet juist omdat dat zou betekenen dat, afhankelijk van de aangevraagde activiteiten, er verschillende bevoegde gezagen zijn voor één inrichting. Dat is in strijd met de systematiek van de Wabo. De omstandigheid dat bij het akoestisch onderzoek is gekeken naar de gevolgen van de vergistingsinstallatie omdat de geluidsbelasting door rundveeactiviteiten ondergeschikt is, maakt volgens verweerder nog niet dat de veehouderij niet tot de inrichting behoort. 4.3 Vergunninghouder voegt hier nog aan toe dat de gemeente Bergen op Zoom in de brief van 7 juli 2011 zelf erkent dat de bouw van biogasinstallatie in hoofdzaak wordt uitgevoerd in Roosendaal. Voorts stelt vergunninghouder dat met in hoofdzaak in artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet alleen de oppervlakte wordt bedoeld maar dat tevens de aard en omvang van de activiteit op het grondgebied van een gemeente moet worden meegenomen. In die zin ligt de inrichting voor het grootste deel in Roosendaal omdat zich daar de stallen, het hoofdgebouw en de vergistingsinstallatie bevinden. 4.4 In artikel 1.1 van de Wabo is het begrip activiteit gedefinieerd als activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid of 2.2, eerste lid van de Wabo. Het begrip project is gedefinieerd als een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid of 2.2, eerste lid van de Wabo. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit de in de afzonderlijke leden genoemde activiteiten. Ingevolge artikel 6.5 van het Bor wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.,2,^aanhef en.onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. 4.5 Uit de memorie van toelichting van de Wabo (TK 30844, nr. 3) blijkt dat de wetgever een project ziet als een optelsom van de activiteiten. 4.6 De rechtbank stelt op basis van de inrichtingstekening bij het bestreden besluit vast dat de bedrijfswoning behoort bij de inrichting. Dat was eveneens het geval in de daarvoor verleende omgevingsvergunningen. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de bedrijfswoning niet zou moeten worden meegenomen bij de oppervlakteberekening van het bouwperceel. De rechtbank stelt voorts vast dat qua oppervlakte de grootste planologische afwijking plaatsvindt op grondgebied van Bergen op Zoom. Daar vindt de toevoeging van een bouwvlak plaats van m2. De verandering en uitbreiding van de inrichting vindt vooral plaats in Bergen op Zoom. Zoals ook blijkt uit de beschikking tweede fase worden ten behoeve van deze uitbreiding vooral bouwwerken op grondgebied van Bergen op Zoom gebouwd. Na vergunningverlening ligt van het bouwperceel (bouwvlak inclusief sleufsilo) m2 in Roosendaal en m2 in Bergen op Zoom. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de inrichting waarvoor het bestreden besluit is genomen, na vergunningverlening nog steeds, voor het grootste deel is gelegen in Roosendaal. De voornaamste toegang tot het

34 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 6 terrein van de inrichting ligt eveneens in Roosendaal. 4.7 Anders dan voor de inwerkingtreding van de Wabo onder artikel 8.2 eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) het geval was, is niet langer de ligging van de inrichting doorslaggevend maar de ligging van het project. Naar het oordeel van de rechtbank dienen alle activiteiten die samen het project vormen in ogenschouw te worden genomen. Dit volgt uit de tekst van de Wabo. Verweerder gaat daarom ten onrechte geheel voorbij aan de omstandigheid dat de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, de activiteit waarvoor een verklaring van geen bedenkingen is vereist, voornamelijk betrekking heeft op een afwijking op het grondgebied van Bergen op Zoom. Verweerders standpunt heeft als opmerkelijke consequentie dat de gemeenteraad van Bergen op Zoom, die bij uitstek bevoegd is te beslissen omtrent de vaststelling van bestemmingsplannen op haar grondgebied, in deze buitenspel wordt gezet. Overigens hecht verweerder eveneens onvoldoende waarde aan de omstandigheid dat de activiteit uitbreiden en veranderen van de inrichting vooral plaatsvindt in Bergen op Zoom. De beschikking eerste fase betreft immers géén revisievergunning maar een uitbreidingsvergunning. Verweerders standpunt dat een dergelijke uitleg zou kunnen leiden tot een wisselend bevoegd gezag naar gelang het project, wordt door de rechtbank niet gedeeldrhet betreft hier in de eerste plaats niet het bevoegd gezag inzake vergunningverlening maar het bevoegd gezag inzake de beslissing omtrent een verklaring van geen bedenkingen. Ongeacht de ligging van de inrichting blijft verweerder het bevoegd gezag inzake vergunningverlening. Voorts moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever deze keuze bewust heeft gemaakt door als onderscheidend criterium niet langer de locatie van de inrichting maar de locatie van het project als uitgangspunt te kiezen voor het toebedelen van de bevoegdheid een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De rechtbank hecht daarom minder waarde aan de omstandigheden dat het adres van de inrichting en het grootste deel van de inrichting na vergunningverlening nog steeds zijn gelegen in Roosendaal. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, het project in hoofdzaak is gelegen in Bergen op Zoom. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd de gemeenteraad van Bergen op Zoom te vragen een verklaring van geeņ bedęnķingen-af te geven._dat_eiser_l. op dit onderdeel geen beroep heeft ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. De bevoegdheid volgt uit artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, en staat los van het feit of de gemeenteraad van Bergen op Zoom al dan niet rechtsmiddelen aanwendt. Deze beroepsgrond slaagt. Daarom kan in het midden blijven of in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van Bergen op Zoom. Activiteit Afwijken van het bestemmingsplan 5.1 Eisers zijn van mening dat een co-vergistingsinstallatie niet is toegelaten in de Groen Blauwe Mantel omdat in hoofdstuk 6 van de VR 2014 in tegenstelling tot in hoofdstuk 7 van de VR 2014, geen specifieke regels voor mestbewerking zijn opgenomen. 5.2 Volgens verweerder biedt de Groen Blauwe Mantel grotendeels ruimte voor dezelfde ontwikkeling van functies als het gemengd landelijk gebied, maar onder striktere voorwaarden. De activiteit die vergund is, levert een positieve bijdrage en voldoet ook voor het overige aan de eisen ter bescherming van de Groen Blauwe Mantel. 5.3 In de VR 2014 zijn in hoofdstuk 7, vooral in artikel 7.3 van de VR 2014 eisen met betrekking tot mestverwerking opgenomen. In paragraaf van de toelichting op de VR 2014 (zoals deze is te lezen op is het volgende vermeld:

35 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 7 Binnen de Groen Blauwe Mantel hanteert de provincie een 'ja, mits' benadering. De 'mits' is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied.(...) \ De Groen Blauwe Mantel biedt grotendeels ruimte voor ontwikkeling van dezelfde functies als binnen het gemengd landelijk gebied; de omvang van de ruimte verschilt daarbij wel. In de Groen Blauwe Mantel is het beleid met name gericht op functies die de groene waarden in de omgeving ondersteunen. Dat betekent dat functies die geen binding (meer) hebben met de groene omgeving minder ontwikkelingsruimte krijgen. Binnen de Groen Blauwe Mantel zijn ook veel agrarische bedrijven gevestigd. Bij de totstandkoming van de VR 2014 heeft er een belangrijke beleidswijziging plaatsgevonden. Deze is nader toegelicht bij artikel 7 Gemengd landelijk gebied. In de toelichting van artikel 6 zijn alleen de hoofdlijnen van het beleid geschetst voor zover deze bedrijven in de Groen Blauwe Mantel zijn gevestigd. In paragraaf 4.32 is het volgende vermeld: Binnen de groenblauwe mantel zijn geen afwijkende regels opgenomen voor de vestiging van agrarisch technische - en agrarisch verwante bedrijven of mestbewerking. In het gemengd landelijk gebied zijn daarvoor wel specifieke regels opgenomen (artikel 7.11 en artikel 7.12). Het opnemen van afwijkende regels voor die functies is binnemde groenblauwe manteľnieťgewenstrdit betekent dat ' vestiging van dergelijke functies alleen mogelijk is mits aan de voorwaarden van artikel 6.10 wordt voldaan. In paragraaf 4.53 is het volgende vermeld: Om een overaanbod aan mestbewerking tegen te gaan, is sturing op provinciaal niveau gewenst. Daarom zijn er in de verordening regels opgenomen over mestbewerking op bedrijventerreinen (artikel 4.7) en op locaties in het gemengd landelijk gebied. De vestiging van mestbewerking in de Groen Blauwe Mantel is niet gewenst. 5.4 In de tekst noch de toelichting van de VR 2014 is steun te vinden voor het oordeel dat provinciale staten mestbewerking (zoals een co-vergistingsinstallatie als de onderhavige) categorisch hebben willen uitsluiten in de Groen Blauwe Mantel. Deze bedoeling blijkt niet uit paragraaf 4.32 van de toelichting op de VR Dat de gemeente Roosendaal op een andere lpcątie een nieuw mestyerweŗkend bedrijf niet heeft toegelaten, leidt niet tot een. ander oordeel, reeds omdat het hier om een bestaand mestverwerkend bedrijf gaat. Hieronder zal worden nagegaan of aan de voorg aarden in hoofdstuk 6 van de VR 2014 is voldaan. Deze beroepsgrond faalt. 6.1 Eisers stellen voorts dat sprake is van strijd met artikel 25.1 van de VR 2014 waarin uitbreiding van een veehouderij in een gebied met de aanduiding beperking veehouderij niet is toegelaten. Hen is niet duidelijk of sprake is van een grondgebonden bedrijf en bovendien is sprake van een toename van bebouwing. Er is sprake van een uitbreiding van de veehouderij in strijd met artikel 6.3 van de VR 2014, want er is niet voldaan aan alle vereisten van dat artikel 6.3. Zo heeft geen zorgvuldige dialoog plaatsgevonden en is er geen goede informatie verstrekt. Bovendien vindt een uitbreiding van het bouwvlak plaats en niet uitsluitend een vormverandering. Tot slot is in het bestreden besluit niet geborgd dat de sleufsilo s (die door verweerder worden toegerekend aan de veehouderij) uitsluitend ten behoeve van de veehouderij worden gebruikt. 6.2 Volgens verweerder is sprake van een grondgebonden bedrijf. Dit volgt uit een rapport van Bergs Advies BV van 6 februari Uitbreiding van bebouwing is mogelijk binnen artikel 6.3 van de VR In dit geval is sprake van uitbreiding van het bouwperceel ten behoeve van de veehouderij ter grootte van de sleufsilo, hetgeen past binnen artikel 6.4,

36 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 8 derde lid, van de VR Op 24 november 2011 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden teneinde de omgeving te betrekken bij de aangevraagde ontwikkelingen. De uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie betreft een uitbreiding van een bestaande nevenfunctie. Het bouwperceel wordt hiertoe niet uitgebreid. 6.3 Artikel 25.1, eerste lid van de VR 2014 bepaalt dat een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Beperkingen veehouderij' inhoudt dat uitbreiding van een veehouderij niet is toegestaan en dat toename van de bestaande bebouwing, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), niet is toegestaan. Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij, waarop artikel 6.3 of artikel 7.3 van de VR 2014 van toepassing is. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, van de VR 2014 kan een bestemmingsplan gelegen in de Groen Blauwe Mantel voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits: (- ); b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel-3ri7derde lidrinpasbaar isin de^omgeving; ' (-) g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Ingevolge artikel 6.4, derde lid, van de VR 2014 kan een bestemmingsplan, in afwijking van artikel 6.3, eerste lid onder b, van de VR 2014 bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot indien het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer, de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is en het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de VR 2014 wordt onder een bestemmingsplan in de VR 2014 tevens begrepen een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, sub 3 van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. 6.4 De rechtbank is van oordeel dat eisers, in het licht van de door verweerder aangevoerde onderbouwing, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat geen sprake is van een grondgebonden veehouderij. Dit betekent dat toename van bestaande bebouwing mogelijk is onder de voorwaarden van artikel 6.3 van de VR De omstandigheid dat een covergistingsinstallatie deel uitmaakt van de inrichting, leidt niet tot een ander oordeel zolang de co-vergistingsinstallatie kan worden aangemerkt als een nevenfunctie. 6.5 Desgevraagd heeft verweerder bevestigd dat in de beschikking eerste fase uitsluitend beoogd is een uitbreiding van het bouwvlak te vergunnen met toepassing van artikel 6.4, derde lid, van de VR 2014 ten behoeve van de opslag van ruwvoer. De rechtbank stelt vast dat er per saldo sprake is van een uitbreiding van het bouwperceel en dat het bouwperceel daarnaast van vorm verandert. De rechtbank plaatst hierbij de kanttekening dat door het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo het onderliggende bestemmingsplan niet wordt gewijzigd. In het midden kan blijven welk deel

37 zaaknummer. SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 9 van het bouwperceel voor en na vergunningverlening in gebruik was ten behoeve van de covergistingsinstallatie zolang de uitbreiding van het bouwperceel uitsluitend ten dienste staat van de veehouderij en, meer in het bijzonder, de opslag van ruwvoer. Niet in geschil is dat de veehouderijtak in overwegende mate is aangewezen op ruwvoer. Weliswaar is de omstandigheid dat de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is een gevolg van de uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie, maar niet in geschil is dat de ruimte voor de sleufsilo s voor de opslag van ruwvoer niet binnen het bouwperceel beschikbaar is. In de voorschriften bij de activiteit afwijken van het bestemmingsplan is niet geborgd dat de sleufsilo s uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de veehouderij. Dit neemt echter niet weg dat de sleufsilo s wel als zodanig zijn aangevraagd en zijn vergund in kader van artikel 2.1, eerste lid, onder c en onder e, van de Wabo. Een andersoortig gebruik leidt niet alleen tot een wijziging van de werking van de inrichting maar leidt ook tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Weliswaar kan dit gebruik worden vergund door middel van een vergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, bijlage II van het Bor, maar verweerder zal er ook voor moeten waken dat dit andersoortig gebruik niet achteraf leidt tot strijd met de VR De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden verweerder het gebruik als ruwvoeropslag"door middeľvan een vöorschrift achterwege'héeft kunnen'laten: 6.6 Niet in geschil is dat een bijeenkomst ter voorlichting van de omgeving heeft plaatsgevonden. Dat deze bijeenkomst niet heeft geresulteerd in draagvlak voor het bestreden besluit dan wel dat de omgeving van mening is dat hun belangen onvoldoende zijn betrokken bij de planontwikkeling, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 6.3, eerste lid, onder g, van de VR Deze beroepsgrond faalt. 7.1 Eisers 2 zijn van mening dat niet wordt voldaan aan artikel 6.10, eerste lid, van de VR 2014 want er is sprake van twee zelfstandige bedrijven, mede gelet op de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Voorts staat uitbreiding niet in redelijke verhouding tot de bestaande omvang en de vereiste zorgplicht.y.opŗ.ŗuįmtelijke,kwaliteit.. Verweerder heeft niet onderbouwd dat verplaatsing naar een bedrijventerrein niet haalbaar was en er heeft geen zorgvuldige dialoog met de omgeving plaatsgevonden. Het bedrijf wordt qua omvang tweemaal zo groot en ligt in de Groen Blauwe Mantel waar alleen bestemmingsplannen kunnen worden vastgesteld waar behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van ecologische en maatschappelijk waarden centraal staan. Ook eiser I stelt dat verplaatsing naar een bedrijventerrein voor de hand ligt. De specifieke voordelen van de voorgenomen locatie wegen niet op tegen de vestiging op een daartoe uitgerust bedrijventerrein met een veel betere infrastructuur en andere faciliteiten. Eiser 1 vindt de uitbreiding onacceptabel gelet op de landschappelijke impact. 7.2 Verweerder stelt, in navolging van de reactie van de gemeente Roosendaal op de zienswijzen die zijn ingebracht tegen de verklaring van geen bedenkingen, dat het om uitbreiding van een sinds 2008 bestaande nevenactiviteit gaat. Aan de locatie zijn voordelen verbonden, waaronder de synergie met de aanwezige veehouderij en een nabijgelegen glastuinbouwbedrijf. De aard van de activiteiten wijzigt niet zodanig dat er door de uitbreiding een tweede zelfstandig bedrijf ontstaat in de zin van VR Er is sprake van één inrichting en daarmee van één bedrijf. De organisatiestructuur (met verschillende besloten vennootschappen in een vennootschap onder firma) doet daar volgens verweerder niet aan af zeker nu de zeggenschap over de vennootschap waaronder de co-

38 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 10 vergistingsinstallatie is ondergebracht, berust bij dezelfde personen als die de melkveehouderij drijven. Anders dan eisers 2 stellen wordt het bouwperceel niet twee maal zo groot. Voor wat betreft de mestverwerking blijft het bouwperceel hetzelfde. Voor de hele inrichting neemt het met 775 m2 toe (5Vo uitbreiding). Verweerder acht uitbreiding verantwoord gelet op de bijdrage van de andere bedrijven. Vergunninghouder heeft zich hierbij aangesloten. 7.3 Ingevolge artikel 6.10, eerste en tweede lid, van de VR 2014 kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet agrarische functie mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven of een grootschalige ontwikkeling en ingevolge het tweede lid onder meer overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid, van de VR 2014 (uitbreiding bedrijven in kem landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt. 7.4 In zijn uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:8021) heeft deze rechtbank het volgende overwogen: Het begrip zelfstandig bedrijf is niet gedefinieerd. Hit de tekst-van de VR 20147de toelichting op'de VR 20ľ4 nöclrdē"tōēliēhtingen op dē daarvoor geldende provinciale verordeningen valt eenduidig af te leiden wat provinciale staten hebben bedoeld met de eis in artikel 7.10, eerste lid, onder e, van de VR Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank zich genoodzaakt aan te sluiten bij het normale dagelijkse spraakgebruik. De rechtbank beperkt zich niet tot een interpretatie op basis van de ruimtelijk relevante betekenis van de woorden, zoals door eiseres is bepleit. Dit gebeurt evenmin bij de interpretatie van een bestemmingsplan als dat aan de orde is. Onder zelfstandig verstaat de rechtbank dat men zonder hulp van anderen kan en niet van iets of iemand afhankelijk is. Voorde invulling van bedrijf sluit de rechtbank aan bij het begrip inrichting in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Weliswaar ziet deze uitspraak op toepassing van artikel 7.10 van de VR 2014 maar het betreft hetzelfde inhoudelijke geschil. 7.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat de cove rgistingsinstallatieende melkveehouderij tezamen,één inrichtingyormen. Zejiggen in eikaars onmiddellijke nabijheid. Er is sprake van een functionele, technische en organisatorische samenhang. In de co-vergistingsinstallatie worden producten van de veehouderij verwerkt. Dat hiernaast ook producten van derden worden verwerkt doet aan de functionele samenhang niet af. De veehouderij en de co-vergistingsinstallatie liggen door elkaar verspreid op hetzelfde terrein en zijn aangewezen op dezelfde technische voorzieningen. Dat de installaties in verschillende besloten vennootschappen zijn ondergebracht, leidt niet tot een ander oordeel nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat de gehele inrichting wordt gedreven door dezelfde personen. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder e, van de VR In zoverre verschilt deze zaak van de uitspraak van 24 december 2014, waarin de rechtbank betwijfelde of de horecagelegenheid en de hoefsmederij tezamen kunnen worden beschouwd als één inrichting. 7.6 Verder is de rechtbank van oordeel dat, zeker in het licht van de betreffende stellingen van eisers 2 en eiser 1, verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom verplaatsing naar een bedrijventerrein niet aan de orde is en waarom voorrang is gegeven aan de locatiespecifieke voordelen. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd waarom de beoogde uitbreiding in verhouding staat tot de bestaande omvang. Zoals hierboven reeds is aangegeven vindt qua oppervlakte slechts een beperkte uitbreiding ten behoeve van de

39 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 11 veehouderij plaats en vindt voor het overige een vormverandering plaats. Verweerder en de gemeente Roosendaal hebben tot slot voldoende gemotiveerd dat de landschappelijke impact wordt gerelativeerd door het (inhoudelijk niet door eiser 1 en eisers 2 bestreden) landschappelijk inpassingsplan met een versterking van het coulissenlandschap. 7.7 Deze beroepsgrond faalt. 8.1 Eisers 2 stellen dat het nabij gelegen Pottersbos schade aan de natuurwaarden zal ondervinden door de uitbreiding. Zo zal de stikstofdepositie toenemen en zal er een toename van geluidsbelasting en verkeersbewegingen optreden. In het bestreden besluit is onvoldoende op de negatieve effecten op de nabijgelegen ecologische hoofdstructuur (EHS)-gebieden ingegaan. Dit is volgens eisers 2 in strijd met artikel 5.1, zesde lid, van de VR Verweerder stelt dat een toetsing op zeer kwetsbare gebieden zoals bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) niet aan de orde is omdat de Wav ziet op depositie van ammoniak uit dierenverblijven. Daarvan is hier geen sprake want de aanvraag ziet op uitbreiding van een co^vergistingsinstallatie en niet op w'ijziging van de melkveehouderij: De bescherming die de VR 2014 biedt aan de EHS gaat niet zover dat buiten de exclusieve toetsing aan de Wav de ammoniakdepositie van een veehouderij bij de besluitvorming dient te worden betrokken. Dit geldt ook voor stikstofdepositie. Bovendien acht verweerder het niet nodig om per project de eventuele gevolgen voor de EHS te berekenen en eventueel te compenseren. Verweerder is verder van licht- en geluidhinder niet gebleken. 8.3 Ingevolge artikel 5.1, zesde lid, van de VR 2014 zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit dient een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de EHS en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS, ertoe te strekken dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 van de VR In de toelichting op de VR 2014 (zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit) staat het volgende: Indien een activiteit of ontwikkeling pļaaţsvindţjņiitęn de EHS, kan er nog steeds sprake zijn van aantasting van de EHS. Denk aan aantasting door geluid, geur of vervuiling. In dit lid is bepaald dat de negatieve effecten, waar mogelijk, worden beperkt en als dat niet mogelijk is, worden gecompenseerd. Omdat het hier gaat om een ontwikkeling buiten de EHS, is artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering landschap) van toepassing. Per geval wordt bekeken of de verplichte compensatie voldoende is om aan de verplichte kwaliteitsverbetering te voldoen of dat er aanvullend maatregelen nodig zijn. Voorop staat dat de compensatie van de EHS altijd gebeurt. 8.4 Per 1 juli 2015 is de VR 2014 aangepast en luidt artikel 5.1, zesde lid van de VR 2014 als volgt: Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur door verstoring (cursivering rechtbank), strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels). In de toelichting op deze wijziging staat het volgende vermeld: Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten de EHS, kan er sprake zijn van aantasting van de EHS door verstoring. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling effect heeft op de waarden van de EHS vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een

40 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 12 natuurgebied waardoor migratie niet langer mogelijk is, kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden in de EHS. Voor zover externe effecten op de EHS gereguleerd worden door specifieke wetgeving, zoals ammoniakuitstoot/depositie door de Natuurbeschermingswet en de PAS, valt dit nadrukkelijk niet onder de werking van deze verordening. 8.5 Niet in geschil is dat geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Pottersbos vanwege de veehouderij en dat in het bestreden besluit in het kader van het vergunnen van de uitbreiding van de inrichting terecht niet is getoetst aan de Wav. 8.6 De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst noch de toelichting op de VR 2014 blijkt dat artikel 5.1, zesde lid, van de VR 2014 ten tijde van de beschikking eerste fase uitsluitend betrekking had op geluids- of lichteffecten op de EHS en niet de effecten met een exclusief wettelijk toetsingskader. Zo wordt het geurefĩect in de toelichting genoemd, waar ook een exclusief wettelijk toetsingskader voor geldt. Artikel 5.1 zesde lid, was destijds algemeen geformuleerd. In zoverre had het op de weg van verweerder gelegen te motiveren of er negatieve effecten vanwege ammoniak- of stikstofdepositie op het Pottersbos zouden optreden die voor compensatie in aanmerking zouden komenrde rechtbank kan echter nietvoorbij gaan aan de omstandigheid dat de VR 2014 op dit onderdeel is gewijzigd, mede vanwege onderhavige procedure. De toevoeging door verstoring is voor meerdere uitleg vatbaar, zodat de rechtbank bij de interpretatie van deze toevoeging aansluiting moet zoeken bij de toelichting op de VR 2014 zoals deze luidt na 1 juli Hieruit blijkt expliciet dat is beoogd het artikel te beperken tot effecten waarvoor geen exclusief wettelijk toetsingskader geldt en worden negatieve effecten vanwege ammoniak- en stikstofdepositie expliciet uitgezonderd. Dit is voor de rechtbank aanleiding om op dit onderdeel te concluderen dat het uitblijven van maatregelen ter compensatie van negatieve effecten op de EHS vanwege een toename van ammoniak- of stikstofdepositie geen reden meer is om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. 9.1 Eiser 1 en eisers 2 stellen dat de uitbreiding van de inrichting voor een aanzienlijke toename van verkeersbewegingen zal zorgen. Niet alleen omdat er meer mest en cosubstraten worden aangevoerd, maar ook omdat laagwaardige cosubstraten minder compact zijn dat bijvoorbeeld mais zodat voor eenzelfde gewicht aan bermgras veel meer vervoersbewegingen noodzakelijk zijn. De in de zienswijze voorgestelde maatregelen voor ontsluiting van het bedrijf zijn niet als voorwaarde aan de vergunning verbonden en niet voor derden rechtens afdwingbaar. Eiser 1 en eisers 2 hebben niets aan de in dit kader tussen verweerder en vergunninghouder gesloten overeenkomst, omdat zij geen partij zijn bij deze overeenkomst. Bovendien ziet deze overeenkomst alleen op het uitsluiten van verkeer via Het Laag en niet via de verderop gelegen (te) smalle ventweg langs de rijksweg. 9.2 Verweerder heeft opgemerkt dat het aspect verkeer primair wordt geregeld door de verkeerswetgeving. Er is een overeenkomst gesloten die waarborgt dat ontsluiting van het bedrijf uitsluitend zal geschieden via de Luienhoekweg in de richting van de Moerstraatsebaan. De uitweg van de inrichting is ook zodanig ingericht dat het niet mogelijk is om de kant van Het Laag (op grondgebied van Bergen op Zoom) op te rijden. Tegen de tijd dat het verkeer op de Schansbaan (de ventweg langs de A4) komt, is het opgenomen in het normale verkeersbeeld.

41 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad Vergunninghouder heeft aangegeven dat hij door middel van goede afspraken met zijn leveranciers en afnemers kan bewerkstelligen dat alle verkeer van en naar de inrichting via de Luienhoekweg zal verlopen. 9.4 Ofschoon verkeersveiligheid inderdaad geen aspect meer is dat bij de vergunningverlening voor het veranderen van een inrichting dient te worden betrokken, blijft het wel een aspect van goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is wel van oordeel dat dit beperkt blijft tot het verkeer van en naar het bedrijf voordat dit verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. In zoverre heeft verweerder geen voorschriften behoeven te stellen met betrekking tot het verkeer vanwege de inrichting over de Schansbaan omdat daar het verkeer is opgenomen in het normale verkeersbeeld. 9.5 Verweerder merkt terecht op dat de gemeente Bergen op Zoom uiteraard een verkeersbesluit kan nemen inzake transport via Het Laag (gelegen op grondgebied van Bergen op Zoom). In zoverre valt niet in te zien in hoeverre eiser 1 is gebaat bij een extra borging door middel van een vergunningsvoorschrift. Eisers 2 kunnen geen verkeersbesluit nemen en zijn geen partij in de tussen verweerder en vergunninghouder gesloten overeenkomstrniet valt in te zien waarom verweerder uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening heeft nagelaten om vergunninghouder door middel van een voorschrift te verplichten de verkeersafwikkeling over de Luienhoekweg te laten plaatsvinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat langs civielrechtelijke weg niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt, omdat eisers 2 of andere derden geen beroep kunnen doen op de overeenkomst tussen verweerder en vergunninghouder en hieraan dus ook geen bescherming kunnen ontlenen. Deze beroepsgrond slaagt Eisers 2 hebben in hun zienswijzen gewezen op het gemeentelijk beleid van de gemeente Bergen op Zoom. Verlening van de vergunning is in strijd met het beleid van de gemeente Bergen op Zoom, maar aan dat beleid is niet getoetst. Met name niet in de verklaring van geen bedenkingen van de gemeente Roosendaal. Eisers 2 stellen voorts dat de gemeente Roosendaal ook niet aan haar eigen gemeentelijke beleid, in het bijzonder de ŞtrųctŲuŗvįşje,2025, heeft getoetst Verweerder en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal verwijzen naar de weerlegging in de Nota beantwoording zienswijzen bij de verklaring van geen bedenkingen. In deze Nota staat vermeld dat voor het gebied tussen het noordelijk en zuidelijk buitengebied geen specifiek beleid is vastgesteld in de structuurvisie Roosendaal Verder wordt verwezen naar de inleiding bij de zienswijzennota en de reactie op de gestelde landschappelijke impact alsmede de relativering daarvan door middel van landschappelijke inpassing in overeenstemming met de Structuurvisie Bergen op Zoom 2030 en het daarna genoemde coulissenlandschap Naar het oordeel van de rechtbank geeft de Nota beantwoording zienswijzen wel voldoende blijk van toetsing aan de gemeentelijke structuurvisies van Bergen op Zoom en Roosendaal. Het had op de weg van eisers 2 gelegen om te motiveren met welk gemeentelijk beleid in Roosendaal deze ontwikkeling in strijd is, nu volgens de gemeente Roosendaal geen specifiek beleid is vastgesteld. Eisers 2 hebben daarnaast niet onderbouwd waarom de voorgestane landschappelijke inpassing tekort zou schieten om de aantasting van ruimtelijke kwaliteit te compenseren. Deze beroepsgrond faalt.

42 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 14 Activiteit Bouwen 11.1 Door eisers 2 is aangevoerd dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen is afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom. Verwezen wordt naar de artikelen 2.27 van de Wabo en 6.5 van het Bor. Ter zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat deze beroepsgrond dezelfde is als die tegen de activiteit afwijken van het bestemmingplan naar voren is gebracht. Aangezien die beroepsgrond is geslaagd (zie kopje bevoegdheid verklaring van geen bedenkingen ), behoeft deze beroepsgrond thans geen bespreking meer. Voorts is door eisers 2 aangevoerd dat nu het bouwplan met name op het grondgebied van Bergen op Zoom gelegen is, verweerder zwaarder gewicht had moeten toekennen aan het (negatieve) advies dat door de Welstands- Monumenten Commissie (WMC) van de gemeente Bergen op Zoom is uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies zijn eisers van mening dat sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand Door verweerder is daartegen ingébracht dat er geen wettelijke bepaling is waaruit volgt hoe geoordeeld moet worden indien een bouwplan op het grondgebied van meer dan één gemeente ligtrdaarom is aan beide gemeenten advies gevraagdrde adviezen zijnniet volledig eenduidig en er is meer waarde toegekend aan het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) van de gemeente Roosendaal, omdat de WMC heeft aangegeven, dat na afweging van alle belangen toch medewerking kan worden verleend aan het bouwplan De rechtbank stelt vast dat op 27 februari 2014 de CRK verweerder geadviseerd heeft over de aanvraag. Het betreft een positief advies dat verweerder overgenomen heeft. Op I december 2014 heeft de WMC ook geadviseerd over de aanvraag. Deze commissie vindt het bouwplan in strijd met het welstandbeleid van de gemeente Bergen op Zoom. Het bouwplan verhoudt zich niet of in onvoldoende mate tot de geldende criteria op het gebied van de inpassing van de aanwezige landschappelijke waarden in schaal, hoofdvorm en kleurstelling. Maar gezien de uitzonderlijke situatie (gelegen binnen 2 gemeenten met verschil lende criteria),.hętjţouwpjanjs.gelęgenjbinnenjde struçtuur.yan.het bestaande complex, het ruimtelijk silhouet verandert niet ingrijpend en de voorziene groenstructuur rondom de silo s, kan de commissie zich voorstellen dat toch medewerking wordt verleend aan het bouwplan Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 8 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9738), mag verweerder aan een advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust. Tenzij het advies naar Ínhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het ovememen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het algemeen bestuur in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

43 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad De rechtbank stelt vast dat door eisers 2 geen tegenadvies is overgelegd. Evenmin is aangegeven, ondanks daartoe ter zitting uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, op welke punten strijd bestaat met de Welstandsnota van de gemeente Bergen op Zoom. Gezien de uitzonderlijke situatie, die zoals verweerder terecht opmerkt, niet wettelijk is geregeld, dat het bouwplan in twee gemeenten gelegen is, heeft verweerder aan beide gemeenten advies gevraagd. De CRK heeft vervolgens uitgesproken positief geadviseerd en de WMC heeft een negatief advies uitgebracht, met daarbij een aantal overwegingen op grond waarvan de WMC zich kan voorstellen dat toch voor uitvoering van het bouwplan gekozen wordt. Nu aan verweerder enige vrijheid toekomt voor wat betreft het te volgen advies, geen tegenadvies is overgelegd, het advies van de WMC onderbouwd is weerlegd en voorts niet is gebleken van zodanige gebreken in het advies van de CRK dat verweerder dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, heeft verweerder dat laatste advies mogen ovememen De beroepsgrond van eisers 2 dat sprake is van een onaanvaardbaar plan omdat niet is voldaan aan de eis van de WMC dat de daken van de silo s een op de achterliggende bosrand afgestemde kleur horen te hebben, slaagt evenmin. De uitleg van verweerder dat van uit heľoogpunľ van'we lständide~situatie' van-dřľe-g'rij ze dake n en'éénndön ker'dak~öp~de silo s onwenselijk is, acht de rechtbank, wederom bij gebrek aan een tegenadvies, alleszins redelijk. Activiteit uitbreiden van de inrichting 12.1 Eisers hebben in de eerste plaats gesteld dat de Best available techniques reference documents (BREF) Afvalbehandeling van augustus 2006 van toepassing is op de inrichting, alsmede de BREF Op- en overslag bulkgoederen en de Handreiking (co)-vergisting van mest (Flandreiking) Verweerder heeft in de beschikking eerste fase rekening gehouden met de BRJEF Afvalbehandeling, de BREF Op- en overslag bulkgoederen, de informatiedocumenten, de Handreiking, de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR), de Nederlandse richtlijn bpdembescheŗrning (ŅŖBXen.de.oplegnotitie BREF Afvalbehandeling..In het.besluitvan 7 mei 2015 tot wijziging van de beschikking eerste fase, is verweerder tot het inzicht gekomen dat de BREF Afvalbehandeling en BREF Op -en overslag bulkgoederen niet van toepassing zijn op de inrichting, maar dat de inrichting in overeenstemming dient te zijn met de BREF Intensieve veehouderij en de Handreiking die is gebaseerd op de BREF Intensieve veehouderij. De BREF Afvalbehandeling is niet van toepassing is omdat in paragraaf van deze BREF het proces van anaerobe vergisting voor de afbraak van organisch materiaal in de afval verwerkende industrie is beschreven, terwijl het om een geheel ander proces gaat. De BREF Op- en overslag bulkgoederen is niet van toepassing omdat deze vooral ziet op op- en overslag in tanks en niet op op- en overslag in niet daarmee te vergelijken betonnen silo s. In het nader verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de BREF Afvalbehandeling wel van toepassing is maar niet het primaire toetsingskader vormt. Het toetsingskader wordt gevormd door de Handreiking Volgens vergunninghouder is de BREF Afvalbehandeling niet van toepassing omdat de vergunde methode niet onder de reikwijdte daarvan valt De StAB heeft in het advies aangegeven dat de inrichting valt onder de BREF Afvalbehandeling. Deze heeft ook betrekking op de vergisting van afvalstoffen. In hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling, waarin de best beschikbare technieken (BBT)

44 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 16 staan beschreven, zijn ook de maatregelen vermeld met betrekking tot de biologische behandeling van afvalstoffen. De BREF Intensieve veehouderij is niet van toepassing want een melkrundveehouderij kan niet worden beschouwd als een intensieve veehouderij. Verder is een vergistingsinstallatie een industriële installatie waarop de BBT maatregelen in de BREF Intensieve veehouderij niet van toepassing zijn Het betreft een inrichting als bedoeld in artikel 5.3, onder b, van bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (RIE) met een installatie voor de nuttige toepassing (of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering) van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag. De BREF Afvalbehandeling is vastgesteld voor 6 januari Hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling bevat de conclusies omtrent BBT. Bepalend voor de vraag of de BREF Afvalbehandeling van toepassing is, is het in de BREF aangegeven toepassingsgebied (scope). Ingevolge de scope bij de BREF Afvalbehandeling en de oplegnotitie is deze BREF van toepassing op de volgende activiteiten: 5.1 Installaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de lijst van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG in de zin van de bijlagen II A en 11 B (handelingen R"İ7R57R67R8 en R9) van Richtlijn~75/442/EEG en van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (3) met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag; en 5.3 Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen in de zin van bijlage II A van Richtlijn 75/442/EEG, rubrieken D8, D9, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag. In de oplegnotitie wordt voorts aangegeven dat in de BREF meer handelingen worden vervat dan genoemd in activiteiten 5.1 en 5.3 van Bijlage I van de IPPC-richtlijn en wordt een aantal afvalbehandelingen specifiek genoemd in de scope, waaronder de behandeling R1: Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking en R13: Opslag van afvalstoffen bestemd voor één van de onder R1 tot en met R12 genoemde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie). Gelet op de brede scope alsmede de oplegnotitie is de rechtbank van oordeel.dat.de.bref. Afvalbehandeling van toepassing.is omdat binnen de.co- vergistingsinstallatie in ieder geval de handelingen R1 en R13 plaatsvinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de opslag van ongevaarlijke afvalstoffen wel binnen een IPPC installatie plaatsvindt. De rechtbank acht hierbij niet van belang of de gebruikte afvalstoffen gevaarlijke afvalstoffen betreffen respectievelijk of deze afvalstoffen in rubrieken D8 en D9 vallen Naast de BREF Afvalbehandeling is tevens de BREF Op- en overslag van bulkgoederen van toepassing. In de oplegnotitie bij deze BREF is aangegeven dat deze BREF van toepassing is op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie Voorts zijn de Handreiking, de NeR en de NRB relevante BBT documenten van toepassing. De BREF Intensieve veehouderij is niet van toepassing. De melkveehouderij is geen IPPC installatie De rechtbank stelt vast dat verweerder in de oorspronkelijke beschikking eerste fase de juiste BBT documenten van belang heeft geacht. In het besluit tot wijziging van de beschikking eerste fase, heeft verweerder ten onrechte de BREF intensieve veehouderij van

45 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 17 toepassing geacht en de BREF Afvalbehandeling en de BREF Op- en overslag van bulkgoederen niet van toepassing geacht. De hiertegen gerichte beroepsgrond van eisers 2 slaagt Eisers 2 stellen dat de BREF Afvalbehandeling niet in acht wordt genomen met betrekking tot de opslag van cosubstraat producten. De vergunning bevat geen voorschriften waaraan het afdekmateriaal van de sleufsilo met opgeslagen cosubstraat moet voldoen. Ook het aantal handelingen waarbij de producten onbedekt liggen of de duur daarvan is niet gereguleerd. De broei die bij continue opslag optreedt veroorzaakt permanente geuremissie en uitstoot van ammoniak en methaangas. Deze wijze van opslag is geen BBT. Deze vereist gesloten opslag en verwerking van procesonderdelen waarin biogas aanwezig is in een grote hal met een luchtsluis. Een dergelijke opslag heeft een te zware landschappelijke impact op de Groen Blauwe Mantel en is niet vergunbaar 13.2 Verweerder verwijst naar de vergunningvoorschriften, in het bijzonder voorschrift op grond waarvan de geuremissie- en immissiesituatie dient te voldoen aan de geursituatie zoals vastgesteld in het rapport van Blauw van 1 maart 2012 (het Rapport BlāūWjľOp grond van dit voorschfiftlnōeteh in'dē daa rin~geno emde-situaties aanvullende maatregelen worden getroffen. Voorts is als voorschrift opgenomen dat vergunninghouder binnen zes maanden na ingebruikname van de uitbreiding door middel van geurmetingen en -berekeningen moet aantonen dat de emissies de opgenomen normen niet overschrijden met de verplichting (in voorschrift ) dat indien uit geurmetingen en berekeningen blijkt dat de geumormen worden overschreden, er binnen twee maanden een plan van aanpak moet worden gemaakt over tenminste de geur-reducerende maatregelen die getroffen moeten worden, het effect van die maatregelen, de fasering van die maatregelen en investerings- en exploitatiekosten van elk van die maatregelen. Tot slot dient vergunninghouder een acceptatie- en afvalverwerkingsbeieid te voeren waarbij verweerder er op toe zal zien dat bij gebleken overlast een stof van de positieve lijst niet meer mag worden geaccepteerd en verwerkt Volgens.yergunninghouderJsjie BBT. die voorschrijft dat geurende afvalstoffen moeten worden opgeslagen in een afgesloten ruimte met luchtsluis niet van toepassing omdat voorschrift 65, waarin dit is bepaald, ziet op opslag en gebruik in biologische systemen. Daarvan is geen sprake omdat het cosubstraat bij opslag (nog) niet wordt gebruikt in het biologisch systeem. Dat is pas het geval na het mengen met mest en andere cosubstraten. Overigens worden nauwelijks sterk geurende afvalstoffen gebruikt De StAB heeft het volgende geadviseerd: Het afgedekt opslaan in de buitenlucht van niet sterk geurende cosubstraten is in lijn met de BBT-maatregel uit de BREF Afvalbehandeling, mits dit wordt afgedekt met plastic of een ander passend materiaal en mits de blootstelling aan de buitenlucht zo kort mogelijk is. De vergunning staat er echter niet aan in de weg dat sterk geurende materialen worden opgeslagen. Deze moeten in een gesloten gebouw met luchtsluis worden opgeslagen. De BREF Op- en overslag van bulkgoederen stelt geen specifieke maatregelen met betrekking tot opslag in sleufsilo s. De opslag van cosubstraten voldoet evenmin aan de aanbeveling in de Handreiking om voorafgaand aan vergunningverlening te identificeren welke cosubstraten worden gebruikt, om in geval van stoffen in categorie A en B van bijlage Aa bij artikel 4 van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet (de positieve lijst) te verplichten een acceptatiebeleid te voeren en om bij stoffen in hogere categorieën uitsluitend voor de aangevraagde stromen vergunning te verlenen, dan wel bij nieuwe (niet op de positieve lijst vermelde stoffen)

46 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 18 vergunninghouder te verplichten toestemming te vragen. De StAB adviseert in de vergunning of het acceptatiebeleid de restrictie op te nemen dat slechts stoffen uit categorieën A en B van de positieve lijst mogen worden geaccepteerd Verweerder en vergunninghouder hebben in reactie op het StAB advies aangegeven dat de door de StAB voorgestelde beperking tot stoffen in categorieën A en B arbitrair is en dat niet alle stoffen uit hogere categorieën sterk geurend zijn. Eisers 2 hebben nog steeds bedenkingen bij de afdeklaag van organisch materiaal omdat hier ook veel vogels en ongedierte op afkomen en omdat de periode, waarin het materiaal wordt blootgesteld aan de buitenlucht, niet is beperkt in de vergunning Desgevraagd heeft vergunninghouder ter zitting aangegeven niet alleen stoffen uit categorie A en B te gebruiken maar ook stoffen uit hogere categorieën. Vergunninghouder heeft behoefte aan een zekere flexibiliteit gelet op het wisselende aanbod van cosubstraten. De StAB heeft op zitting aangegeven dat in de praktijk niet alleen met plastic wordt afgedekt, maar ook met organisch materiaal en dat deze afdekking voldoende kan worden geacht, ondanks vogels en ongedierte De rechtbank is van oordeel dat verweerder de BBT Afvalbehandeling en de Handreiking onvoldoende in acht heeft genomen. Op voorhand is niet uitgesloten dat sterk geurende afvalstoffen worden geaccepteerd en opgeslagen in afwijking van de BREF Afvalbehandeling. Anders dan vergunninghouder veronderstelt, wordt de opslag van geurende materialen in gesloten gebouwen ook in conclusie 24b als BBT genoemd en niet alleen bij biologische afvalverwerking. Het had op de weg van verweerder gelegen om voorafgaand aan vergunningverlening de te gebruiken cosubstraten te identificeren en voorafgaand aan vergunningverlening vast te stellen of deze cosubstraten sterk geurend zijn of niet, alsmede in de vergunning slechts het gebruik van, met name genoemde, niet sterk geurende cosubstraten toe te laten. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder kan niet volstaan met een verwijzing naar de grenswaarde voor geuremissie en geurimmissie in de vergunning. In de praktijk is deze grenswaarde niet eenvoudig te handhaven, temeer nu ook immissiewaardęn zijn gesteld. Dit, heeft verweerder ter zitting ook bevestigd.. Verweerders verwijzing naar het door vergunninghouder op te maken rapport zes maanden na het in gebruik nemen van de uitbreiding van de installatie voldoet evenmin. Dit betreft slechts een momentopname. De situatie kan echter verschillen naar gelang de categorie cosubstraat die op een bepaald moment wordt opgeslagen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat vergunninghouder zelfheeft verklaard dat er een wisselend aanbod is van cosubstraten in diverse categorieën. Bovendien is de opslag van sterk geurende cosubstraten niet verboden en is onvoldoende op voorhand duidelijk of bij opslag van dergelijke cosubstraten in strijd met de BREF Afvalbehandeling kan worden voldaan aan de grenswaarde in de vergunning, temeer omdat niet van iedere stof op voorhand bekend is hoeveel geuroverlast deze veroorzaakt. Verweerders verwijzing naar het door vergunninghouder op te stellen afvalacceptatiebeleid gaat ook niet op, omdat in het vergunningvoorschrift met betrekking tot dit beleid geen koppeling is gelegd tussen het criterium voor acceptatie en geurhinder. Onder deze omstandigheden had verweerder de aanvraag moeten weigeren wegens strijd met de BREF Afvalbehandeling en de Handreiking. De rechtbank acht, zeker in het licht van de aanbeveling in de Handreiking, het door de StAB gekozen onderscheid tussen categorieën A en B en hogere categorieën niet arbitrair. Verweerder noch vergunninghouder hebben aangegeven of onderbouwd welke stoffen uit de overige categorieën niet sterk geurend zijn. In navolging van de StAB acht de rechtbank de opslag van niet sterk geurende cosubstraten onder een afdekking anders dan plastic toelaatbaar. Wel had het op de weg van

47 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 19 verweerder gelegen om de duur van blootstelling aan de buitenlucht in een voorschrift te limiteren. De vergunning is in zoverre verleend in strijd met artikel 2.14, eerste lid onder c onder 1, van de Wabo. De beroepsgrond dat de opslag in een gesloten gebouw niet vergunbaar is, behoeft geen verdere bespreking nu verweerder deze vorm van opslag niet verplicht heeft willen stellen. Deze beroepsgrond slaagt Eisers 2 stellen dat de BREF Afvalbehandeling niet in acht wordt genomen met betrekking tot de opslag van dikke fractie digestaat Verweerder en vergunninghouder wijzen er op dat dit een niet sterk geurende stof is De StAB heeft aangegeven dat bij opslag dikke fractie digestaat in afgedekte containers wordt voldaan aan BREF Afvalbehandeling. Het bestreden besluit bevat echter geen voorschrift dat verplicht tot het afdekken van de containers In reactie op het StAB advies hebben eisers 2 opgemerkt dat dit digestaat ook zware metalen zou kunnen bevatten en dat een bemonsteringsvoorschrift aan de vergunning zou moetenworden toegevoegdrverweerder heeft opgemerkt'dat in het RapporrBlauw reeds isuitgegaan van een niet afgedekte opslag van digestaat en dat desondanks uit het rapport volgt dat geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder De rechtbank is niet gebleken dat dikke fractie digestaat een sterk geurende stof is. Eisers hebben dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Derhalve wordt de BBT in acht genomen indien de dikke fractie digestaat afgedekt wordt opgeslagen. Dit is echter door verweerder niet verplicht gesteld en uit de reactie op het StAB advies blijkt dat verweerder een dergelijk middelvoorschrifìt ook niet heeft willen stellen. Hiermee neemt verweerder de toepasselijke BBT dus niet in acht. De vergunning is in zoverre verleend in strijd met artikel 2.14, eerste lid, onder c onder 1, van de Wabo. Zelfs als wordt voorbijgezien aan het feit dat eisers 2 hun wens voor een bemonsteringsvoorschrift van de dikke fractie digestaat buiten de beroepstermijn hebben uitgesproken en de rechtbank dit als een nieuwe beroepsgrond in strijd met artikel 1.6a Chw beschouwt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de hem toekomende zekere beoordelingsvrijheid heeft kunnen afzien van het stellen van een bemonsteringsvoorschrift. Desondanks slaagt deze beroepsgrond vanwege het (niet) afdekken Volgens eisers 2 zag de oorspronkelijke aanvraag op een opslagcapaciteit van m3 voor van buiten de inrichting afkomstige cosubstraten die tevens afvalstoffen zijn. Er is op een aanvraag van vergunninghouder na terinzagelegging van het ontwerpbesluit opslag vergund tot m3 dus voor veel meer dan gevraagd hetgeen ook tot meer geurhinder zal leiden Verweerder stelt dat aanvrager na het ontwerpbesluit de aanvraag inderdaad heeft gewijzigd. De oorspronkelijke aanvraag maakte een onderscheid tussen cosubstraten zijnde afvalstoffen en cosubstraten zijnde niet afvalstoffen. Dit onderscheid is op verzoek van aanvrager vervallen. Deze wijziging van de aanvraag na het ontwerpbesluit is slechts toegestaan indien sprake is van een wijziging waardoor de belangen van derdebelanghebbende en van het milieu niet worden geschaad. Aan deze uitzonderingssituatie wordt volgens verweerder voldaan.

48 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd wat de oorspronkelijke achtergrond was voor vergunninghouder om een onderscheid te maken tussen cosubstraten zijnde afvalstoffen en cosubstraten zijnde niet afvalstoffen en waarom verweerder heeft ingestemd met het laten vervallen van het onderscheid. De rechtbank is in navolging van verweerder van oordeel dat het hier een wijziging van ondergeschikte aard betreft. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de omstandigheid of een cosubstraat als afvalstof moet worden aangemerkt niets te maken heeft met de omstandigheid of een cosubstraat een sterk geurende stof is of niet. Deze beroepsgrond faalt Eisers 2 merken op dat het bestreden besluit voorziet in het mengen van cosubstraten en mest omdat de opbrengst uit de vergistingsinstallatie in dat geval hoger is dan bij het vergisten van mest alleen. Er zijn volgens eisers 2 echter in strijd met paragraaf van de BREF Afvalbehandeling geen, althans onvoldoende, voorschriften opgenomen om hinder en gevaar door het mengen van mest en cosubstraten te voorkomen. Bovendien is onduidelijk welke stoffen mogen worden gemengd Verweerder stelt dat uit de aanvulling op de aanvraag blijkt dat co-producten worden vergist die op de positieve lijst staanrdaarmee staat volgens verweerder voldoende'vast welke co-producten mogen worden vergist. In de handreiking co-vergisting wordt ook naar bedoelde lijst verwezen. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat niet is getoetst aan de BREF Afvalbehandeling De StAB heeft aangegeven dat de wijze waarop in de installatie wordt voorzien in het mengen van cosubstraten en mest in overeenstemming is met de BBT conclusies in de BREF Afvalbehandeling. De StAB wijst er op dat cosubstraten niet zijn aan te merken als gevaarlijke afvalstoffen, dat het mengen van afvalstoffen leidt tot een nuttige toepassing en dat uitsluitend in hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling BBT maatregelen staan beschreven. Aan deze maatregelen wordt voldaan De rechtbank is in navolging van de StAB van oordeel dat de wijze waarop in de installatie wordt voorzien in het mengen van cosubstraten en mest in overeenstemming is met de conclusies in de BREF Afvalbehandeling. In zoverre is de beschikking eerste fase, waarin verweerder heeft geconcludeerd dat de installatie voldoet aan BBT, juist. De opmerking in het verweerschrift van verweerder doet hieraan niet af. Deze beroepsgrond faalt Eisers 2 stellen dat het foliedak niet aan BBT voldoet want het is niet duidelijk waaruit het dak van de silo bestaat. Een flexibel dak is onvoldoende want dergelijke daken laten wel 5 tot 10oZo van het ongezuiverde biogas door. Dat veroorzaakt geurhinder, is schadelijk voor de luchtkwaliteit, brengt risico s voor de volksgezondheid mee en verhoogt het broeikaseffect. Eisers 2 verwijzen naar de BREF Op- en overslag bulkgoederen en de Handreiking. De vergistingstanks moeten volgens eisers 2 worden voorzien van betonnen gasdichte daken, een betonnen bassin met een waterslot en er dient een aarden wal om de vergisters te worden aangebracht Verweerder stelt dat het gebruik van een foliedak niet in afwijking is van de Handreiking. Het lekken van 5 tot 100Zo gas wordt niet onderbouwd en door verweerder bestreden. Volgens de fabrikant is de gasdoorlaat 0, m3 per dag, hetgeen verwaarloosbaar klein is. Op grond van voorschrift van de vergunning moeten de gasopslag, de gasbehandelingsinstallatie, het leidingwerk en alle overige voorzieningen die

49 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 21 in aanraking komen met biogas, voldoen aan de GASTEC eisen voor biogasinstallaties. Daarmee wordt vrijkomen van methaan en H2S voorkomen Blijkens het advies van destab is sprake van een betonnen opslagtank met een wanddikte van 26 centimeter beton, vloeistofdicht uitgevoerd en voorzien van een dubbele membraam afdekking. Zolang sprake is van een vloeistofdichte voorziening wordt volgens de StAB voldaan aan de BREF Afvalbehandeling. Daarmee wordt tevens voldaan aan de NRB en automatisch aan de BREF Op- en overslag bulkgoederen. Afdekking door middel van een folie is één van de technieken genoemd in de Handreiking zodat daar ook aan wordt voldaan. Door de dubbele uitvoering van het membraam zal geen milieuschade optreden bij een reguliere bedrijfsvoering. Het gevolg van het falen van het dak en de daaruit voortvloeiende risico s voor calamiteiten zijn een aspect van externe veiligheid Eisers 2 betwisten in reactie op het advies van de StAB dat er sprake is van betonnen vloeistofdichte wanden. De aanleg van een aarden wal om de vergisters is noodzakelijk gelet op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 december 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:7797) en Duitse regelgeving Op basis van het StAB advies alsmede de beschikking tweede fase stelt de rechtbank vast dat de betonnen opslagtanks vloeistofdicht worden uitgevoerd. In zoverre verschilt deze zaak van de kwestie in de uitspraak van de rechtbank Gelderland omdat uit die uitspraak niet kan worden opgemaakt of sprake was van een vloeistofdichte voorziening en of de tanks in beton waren uitgevoerd. In navolging van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van de vergunde uitbreiding van de installatie voldoet aan de BBT. Deze beroepsgrond faalt Eisers 2 stellen voorts dat sprake is van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de omgeving. De inrichting valt volgens eisers onder het Besluit risico s zware ongevallen (Brzo). Ook als dit niet het geval zou zijn, achten eisers 2 de maatregelen die zijn genomen om de externe veiligheid te vergroten onvoldoende. Zo wordt er geen permanente monitoring van de emissie van H2S geëist. De silo s staan dicht bij elkaar en hebben.een,, foliedak. Deze daken zijn kwetsbaar en scheuren gemiddeld eens per 4 jaar. Er is een risico bij vallend vuurwerk. De dichtstbij gelegen woning ligt op 100 meter. Als gevolg van de mogelijkheid van een kettingreactie is de sterftekans nog hoger. Om dat te voorkomen moet volgens eisers de afstand tussen de silo s worden vergroot of moeten speciale afscheidingen verplicht worden gesteld. Ook moet het methaangehalte permanent worden gemonitord en moet worden gestuurd op het maximaal toegestane gehalte Verweerder stelt dat de maximale in de vergunning toegestane hoeveelheid biogas van m3 niet leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden van Bijlage 1 van het Brzo. Het monitoren van de emissie van H2S wordt als maatregel in het onderliggende rapport van Cauberg Huygen inzake externe veiligheid genoemd. Dit rapport maakt deel uit van de beschikking eerste fase en verplicht vergunninghouder het betreffende onderzoek te laten uitvoeren. Verweerder is voor wat betreft de effect- en risicoafstand uitgegaan van de effecten van de opslag van de afzonderlijke tanks. De betreffende woning ligt ver buiten de berekende PRIO-6 contour van 41 meter. De kans op een gasexplosie door vuurwerk is volgens verweerder nihil en als zich een explosie voordoet kan de druk weg omdat een foliedak veel zwakker is dan de betonnen silo.

50 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad De StAB heeft in haar advies aangegeven dat de inrichting niet valt onder de werkingssfeer van het Brzo zoals dat luidde ten tijde van de beschikking eerste fase en niet is genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het betreft wel een complexe inrichting zodat externe veiligheid wel in ogenschouw moet worden genomen mede gelet op een aantal aanbevelingen in de Handreiking en het rapport Veiligheid grootschalige productie biogas van het RIVM (RIVM-rapport). Het laatstgenoemde rapport bevat de meest actuele inzichten omtrent veiligheidsrisico s. De kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten liggen ruim buiten de risicocontour van 50 meter zoals genoemd in het RIVM rapport In reactie op het StAB advies merken eisers 2 op dat de drempelwaarde voor opslag van biogas in het Brzo op m3 ligt. Daar wordt maar ternauwernood aan voldaan. Deze drempelwaarde is, gelet op het RIVM rapport, niet absoluut Naar het oordeel van de rechtbank wordt de drempelwaarde in het Brzo niet overschreden. De inrichting is niet genoemd in het Bevi. In navolging van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de inrichting op het gebied van externe veiligheid voldoet aan de meest actuele inzichten'nu de risico-afstand'genöemd in'heťrivm'rapport niet wordt overschreden. Dat in Duitse regelgeving mogelijk zwaardere eisen worden gesteld, leidt niet tot een ander oordeel nu het RIVM rapport heeft te gelden als de meest actuele inzichten. De rechtbank hecht geen waarde aan de overschrijding van de effectafstanden omdat deze afstanden niet bepalend zijn. Daargelaten in hoeverre ingevolge de vermelding van monitoring in het rapport van Cauberg Huygen een verplichting op vergunninghouder rust voor monitoring, valt niet in te zien dat niet aan de risico-afstand in het RIVM rapport kan worden voldaan als geen monitoring plaatsvindt. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank laat in het midden in hoeverre de rechtsnorm waar eisers 2 zich op beroepen strekt tot bescherming van hun belangen Eisers 2 stellen tot slot dat het roerwerk van de vergisters in de geluidsmetingen niet is meegenomen. De bewoners van Luienhoekweg 2 ondervinden met name hinder van het roerwerk in de vergisters. Het onderzoek is onvolledig en er wordt ten onrechte de conclusie getrokken dat aan de geluidsnormen kan worden voldaan Verweerder herhaalt dat bij het akoestisch onderzoek de gehele inrichting is bekeken maar dat de geluidsbelasting door rundveeactiviteiten ondergeschikt is aan die van de covergistingsinstallatie Daargelaten in hoeverre de belangen van slechts de bewoners van Luienhoekweg 2 behoren tot de belangen die de statuten van eisers 2 beogen te beschermen, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eisers 2 had gelegen om hun beroepsgronden op dit onderdeel nader te onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het akoestische rapport van Cauberg Huygen geluidbronnen zijn opgenomen ten behoeve van de vier tanks van de vergistingsinstallatie. Deze beroepsgrond faalt De beroepen van eisers 2 (met uitzondering van het beroep van Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide) zijn gegrond. Het beroep van eiser 1 tegen de beschikking eerste fase is gegrond. Het bestreden besluit (zowel de beschikking eerste fase als de beschikking tweede fase) komt geheel voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank

51 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 23 neemt hierbij in aanmerking dat het bouwen onlosmakelijk is verbonden met de uitbreiding van de inrichting De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou Ínhouden. Gelet op de omstandigheid dat eiser 1 beroep heeft ingesteld, valt niet op voorhand te verwachten dat de gemeenteraad van Bergen op Zoom een verklaring van geen bedenkingen zal afgeven. Dit is desgevraagd door eiser 1 ter zitting bevestigd. De rechtbank kan evenmin overzien of het in rechtsoverweging 13.7 geconstateerde gebrek kan worden hersteld, laat staan hoeveel tijd hiermee is gemoeid. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 6 maanden Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser 1 en eisers 2 het door hun betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op'grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor"de door"een"derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op E 1.960,00 (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften, 0,5 punt voor het verschijnen op de inlichtingencomparitie, 0,5 punt voor het indienen van een schríftelijke zienswijze op het StAB advies, I punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van E 490,00 en een wegingsfactor 1).

52 zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163 blad 24 Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen die zijn ingesteld door Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO niet-ontvankelijk. verklaart de beroepen van eisers 2 en eiser 1 gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van 6 318,00 aan eisers 2 te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van ,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. C.A.F. van Ginneken, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het-openbaar uitgesproken opt9 november-2015;: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: t 9 NOV.2015 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

ECLI:NL:RVS:2017:1997

ECLI:NL:RVS:2017:1997 ECLI:NL:RVS:2017:1997 Instantie Raad van State Datum uitspraak 26-07-2017 Datum publicatie 26-07-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201604542/1/A1 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOBR:2017:3205

ECLI:NL:RBOBR:2017:3205 ECLI:NL:RBOBR:2017:3205 Instantie Datum uitspraak 12-06-2017 Datum publicatie 21-06-2017 Zaaknummer 17_175 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Oost-Brabant Omgevingsrecht Eerste

Nadere informatie

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7684, Bekrachtiging/bevestiging

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7684, Bekrachtiging/bevestiging ECLI:NL:RVS:2017:313 Instantie Raad van State Datum uitspraak 08-02-2017 Datum publicatie 08-02-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600609/1/A1 Eerste

Nadere informatie

Afdeling bestunrsreclitspraak. Behandelend ambtenii;ir J. Jhauw 070-4264845

Afdeling bestunrsreclitspraak. Behandelend ambtenii;ir J. Jhauw 070-4264845 Raad vanstate Afdeling bestunrsreclitspraak It ' V GESCAND OP 11 SEP. 2014 Raad van de gemeente Oostzaan Postbus 1 5 1510 AA OOSTZAAN Gemeente Oostzaan D.itLim Ons mimnicr Uw kenmerk 1 o september 201

Nadere informatie

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen.

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen. Onderwerp Uitspraak RvS inzake wijzigingsbesluit Duinweg 56 Collegevoorstel Zaaknummer: OLOGMM27 Inleiding Op 30 november 2010 heeft uw college besloten het wijzigingsbesluit Duinweg 56, Drunen vast te

Nadere informatie

1)estuursreclaqirA,IL

1)estuursreclaqirA,IL Raad vanstate 1)estuursreclaqirA,IL Raad van de gemeente Hof van Twente Postbus 54 7470 AB GOOR Gemeente Hof van Twente [Nr: [Afdeling: Bvo: a / nee lingekomen: 2 JULI 2015 Kopie aan: Archief: \N / NR

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak. Bchandelend ambtenaar Y.A. Neijssel

Afdeling bestuursrechtspraak. Bchandelend ambtenaar Y.A. Neijssel vanstate Afdeling bestuursrechtspraak Gemeente Maasdrief_ mrrnr. ^ C ^ U Dep: Raad van de gemeente Maasdriel Postbus 10000 5330 GA KERKDRIEL Kopie: 10 JULI 20ft awe^ngj^ Datum 9 juli 2014 Ons nummer 201311415/1/R2

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2013:BZ1273

ECLI:NL:RVS:2013:BZ1273 ECLI:NL:RVS:2013:BZ1273 Instantie Raad van State Datum uitspraak 13-02-2013 Datum publicatie 18-02-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201206332/1/R3 Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

HEKKELMAN St ADVOCATEN NOTARISSEN

HEKKELMAN St ADVOCATEN NOTARISSEN St ADVOCATEN NOTARISSEN HEKKELMAN ADVOCATEN N.V. VERTROUWELIJK Burgemeester en wethouders van Grave Postbus 7 5360 AA GRAVE PRINS BERNHARDSTRAAT 1 (HOEK ORANJESINGEL 51) POSTBUS 1094 6501 BB NIJMEGEN WWW.HEKKELMAN.NL

Nadere informatie

Registratienummer: Besluit omgevingsvergunning Elswoutshoek

Registratienummer: Besluit omgevingsvergunning Elswoutshoek Registratienummer: 2016003300 Besluit omgevingsvergunning Elswoutshoek Op 22 mei 2015 is namens de heer J.W. Slewe te Overveen een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit handelen in

Nadere informatie

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 Print uitspraak Datum uitspraak: 22-10-2010 Datum publicatie: 29-10-2010 Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Voorlopige

Nadere informatie

, bestuursrecspu.k. Deze brief is geautomatiseerd aangemaakt en is daarom niet ondertekend.

, bestuursrecspu.k. Deze brief is geautomatiseerd aangemaakt en is daarom niet ondertekend. Raad van State Afd el (). ht r, bestuursrecspu.k Raad van de gemeente Hof van Twente Postbus 54 7470 AB GOOR Gemeente Hot van liwente Nr: Bvo: a / nee Afdek].: Inge- 3 0 DEC. 2014 komen: tsba / V / B Datum

Nadere informatie

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. OGR-Updates.nl JOM 2017/58 AR 2017/177 Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7492

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. OGR-Updates.nl JOM 2017/58 AR 2017/177 Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7492 ECLI:NL:RVS:2017:20 Instantie Raad van State Datum uitspraak 11-01-2017 Datum publicatie 11-01-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600568/1/A1 Bestuursrecht Hoger beroep

Nadere informatie

Afdeling bestuursre c h tsp raak. Uw kenmerk. Behandelend ambtenaar. F. Sardar

Afdeling bestuursre c h tsp raak. Uw kenmerk. Behandelend ambtenaar. F. Sardar 1 Raad vanstate Afdeling bestuursre c h tsp raak 6.000157 Gemeente HARLINGEN Ingekomen Raad van de gemeente Harlingen Postbus 10000 8860 HA HARLINGEN No. 2 1 JAN. 2016 Datum Ons nummer 20 januari 2016

Nadere informatie

Afd eli n g bes tuursrechtspraak TEAM: Behandelend amhten.iar P. Slappendel 070-4264288

Afd eli n g bes tuursrechtspraak TEAM: Behandelend amhten.iar P. Slappendel 070-4264288 Raad vanstate Afd eli n g bes tuursrechtspraak TEAM: INGEK. - 8 MEI ZOU DOC NR.: Raad van de gemeente Sint-Oedenrode Postbus 44 5490 AA SINT OEDENRODE Datum Ons nummer Uw kenmerk 7 mei 2014 201 301 984/3/R3

Nadere informatie

J.R.S. de Groot Heupner Niet vaststellen ontwerp-bp. Tiel-Oost Grotebrugse Grintweg 59 Procedure Beroep

J.R.S. de Groot Heupner Niet vaststellen ontwerp-bp. Tiel-Oost Grotebrugse Grintweg 59 Procedure Beroep 'Raad vanstate Afdeling bestuursrechtspraak Pagina 1 van 1 i--------- 1---------- 1 Raad van de gemeente Tiel Postbus 6325 4000 HH TIEL gemeente Tiel 17 IIOV. 2016 116.009880 Datum Ons nummer Uw kenmerk

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar J.P. van het Hul

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar J.P. van het Hul Raad vanstate Afdeling bestuursrechtspraak Raad van de gemeente Woerden Postbus 45 3440 AA WOERDEN vfv) U u.^ 1 7 JUNI 2010 Datum 16 juni 2010 Ons nummer 200906837/1/R2 Uw kenmerk Onderwerp Woerden Bp

Nadere informatie

Uitspraak /1/R2

Uitspraak /1/R2 pagina 1 van 5 Uitspraak 201404071/1/R2 Datum van uitspraak: woensdag 28 januari 2015 Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: 201404071/1/R2. Datum uitspraak: 28 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar. I.P». Feis 070-4264578

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar. I.P». Feis 070-4264578 Raad vanstate Afdeling bestuursrechtspraak IN14.0053S llltillullllllilllill College van burgemeester en wethouders van Beuningen Postbus 14 6640 AA BEUNINGEN GLD GEMEENTE BEÜNt, ocn INGEKOMEN 0 3 FEB 2011

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak 1 1 JUN 2015. Behandelend ambtenaar

Afdeling bestuursrechtspraak 1 1 JUN 2015. Behandelend ambtenaar Raad Afdeling bestuursrechtspraak Gemeente Waterland 1 1 JUN 2015 \m BIS Raad van de gemeente Waterland Postbus 1000 1140 BA MONNICKENDAM INGEKOMEN Datum Ons nummer Uw kenmerk 10 juni 2015 201409734/1/A1

Nadere informatie

In de bovenvermelde zaak is uitspraak gedaan. Een afschrift van deze uitspraak treft u hierbij aan.

In de bovenvermelde zaak is uitspraak gedaan. Een afschrift van deze uitspraak treft u hierbij aan. Raad vancfafp Aldelmg bestuursrechtspraai pfcrbap- (2*jtrWe_ -2 /,.".!. 20tf Raad van de gemeente Terneuzen 0_9 Ll PncthiiQ Postbus 3R 35 ;," 4530 AA TERNEUZEN Datum Ons nummcr Uw kcnmerk 2 april 2014

Nadere informatie

AR 2017/318 H.J. de Vries annotatie in TBR 2017/45

AR 2017/318 H.J. de Vries annotatie in TBR 2017/45 ECLI:NL:RVS:2017:106 Instantie Raad van State Datum uitspraak 18-01-2017 Datum publicatie 18-01-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201604996/1/R3 Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2014:1722

ECLI:NL:RVS:2014:1722 1 van 5 16-9-2014 16:37 ECLI:NL:RVS:2014:1722 Instantie Raad van State Datum uitspraak 14-05-2014 Datum publicatie 14-05-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden 201306176/1/R2 Bestuursrecht Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

Op grond van artikel 6.5, lid 3 kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.

Op grond van artikel 6.5, lid 3 kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Definitieve Omgevingsvergunning Zaaknummer 730150 (dossier 2016-08454) 1. Inleiding Op 30 juni 2016 hebben wij uw aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het uitbreiden van detailhandel door

Nadere informatie

Uitspraak /1/R1

Uitspraak /1/R1 Uitspraak 201601235/1/R1 Datum van uitspraak: woensdag 31 augustus 2016 Tegen: de raad van de gemeente Bergen Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Datum 27 januari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:155

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Datum 27 januari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:155 M en R 2016 afl. 5 Eventuele toekomstige gaswinning hoeft niet te worden betrokken bij de beoordeling of in verband met de exploratieboring een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Instantie Afdeling

Nadere informatie

Relevante artikelen Verordening ruimte Noord-Brabant

Relevante artikelen Verordening ruimte Noord-Brabant Bijlage 3 Relevante artikelen Verordening ruimte Noord-Brabant Artikel 2.1 - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk

Nadere informatie

Uitspraak /1/A1

Uitspraak /1/A1 pagina 1 van 5 Uitspraak 201506029/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 14 september 2016 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug Proceduresoort: Hoger beroep Rechtsgebied:

Nadere informatie

HABITAT ADVOCATENKANTOOR OMGEVINGSRECHT WONEN I ONDERNEMEN I NATUUR

HABITAT ADVOCATENKANTOOR OMGEVINGSRECHT WONEN I ONDERNEMEN I NATUUR HABITAT ADVOCATENKANTOOR OMGEVINGSRECHT WONEN I ONDERNEMEN I NATUUR OVER-gemeenten de gemeenteraad van Wormerland t.a.v. Ernest Bressers Postbus 20 1530 AA Wormer Retour naar correspondentieadres postbus

Nadere informatie

het oprichten van een appartementengebouw Onyxdijk 167 te Roosendaal

het oprichten van een appartementengebouw Onyxdijk 167 te Roosendaal Stichting S&L Zorg T.a.v. D. van Randwijk Postbus 148 4700 AC Roosendaal NEDERLAND contactpersoon : Mevr. M. Bezemer (Aanw.op ma,di,do) Roosendaal : doorkiesnummer : (0165) 579875 (W20_vrl_OU) onderwerp

Nadere informatie

Uitspraak 201109106/1/R3

Uitspraak 201109106/1/R3 pagina 1 van 6 Uitspraak 201109106/1/R3 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 16 april 2014 TEGEN PROCEDURESOORT RECHTSGEBIED de raad van de gemeente Son en Breugel Eerste aanleg - meervoudig Ruimtelijke-ordeningskamer

Nadere informatie

Rb. Noord-Holland, , HAA 13/1804, ECLI:NL:RBNHO:2013:12968, BR Mr. J.M. Janse van Mantgem. Tijdelijke omgevingsvergunning

Rb. Noord-Holland, , HAA 13/1804, ECLI:NL:RBNHO:2013:12968, BR Mr. J.M. Janse van Mantgem. Tijdelijke omgevingsvergunning Rb. Noord-Holland, 31-12-2013, HAA 13/1804, ECLI:NL:RBNHO:2013:12968, BR Mr. J.M. Janse van Mantgem Tijdelijke omgevingsvergunning Tijdelijke omgevingsvergunning Omgevingsvergunning met instandhoudingstermijn

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 304470/1/RI. Datum uitspraak: 27 november 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Jongeneel

Nadere informatie

In de bovenvermelde zaak is uitspraak gedaan. Een afschrift van deze uitspraak treft u hierbij aan.

In de bovenvermelde zaak is uitspraak gedaan. Een afschrift van deze uitspraak treft u hierbij aan. Raad van de gemeente De Bilt Postbus 300 3720 AH BILTHOVEN D.ituni Ons mininier Uu kenmerk 31 juli 2013 201 300563/1/R2 Onderwerp lseh;indelend ambtenaar De Bilt J.R.S. de Groot Heupner Bestemmingsplan

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad van State 201200615/1/V4. Datum uitspraak: 13 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017

Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017 Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017 Nota van wijzigingen Vastgesteld Gedeputeerde Staten Datum 13 juni 2017 1 Inleiding Voor u ligt de Nota van wijzigingen behorende bij de Wijziging

Nadere informatie

ONTWERP-OMGEVINGSVERGUNNING

ONTWERP-OMGEVINGSVERGUNNING Hof van Tholen 2 4691 DZ Tholen Postbus 51 4690 AB Tholen telefoon: 140166 telefax: (0166) 66 35 53 e-mail: [email protected] website: www.tholen.nl bank: BNG 28.50.08.315 iban: NL14BNGH0285008315 bic:

Nadere informatie

H o e v e r d e r m e t b e s t e m m i n g s p l a n n e n v o o r h e t l a n d e l i j k g e b i e d n a d e

H o e v e r d e r m e t b e s t e m m i n g s p l a n n e n v o o r h e t l a n d e l i j k g e b i e d n a d e H o e v e r d e r m e t b e s t e m m i n g s p l a n n e n v o o r h e t l a n d e l i j k g e b i e d n a d e u i t s p r a a k v a n d e R a a d v a n S t a t e o v e r h e t b e s t e m m i n g s p

Nadere informatie

Uitgebreide omgevingsvergunning voor de activiteit(en) het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het (ver)bouwen van een bouwwerk

Uitgebreide omgevingsvergunning voor de activiteit(en) het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het (ver)bouwen van een bouwwerk ONTWERPBESLUIT Uitgebreide omgevingsvergunning voor de activiteit(en) het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het (ver)bouwen van een bouwwerk Burgemeester en wethouders hebben op 17

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar. D.J.J.M. Wolfs

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar. D.J.J.M. Wolfs Raad van tate Afdeling bestuursrechtspraak INGEKOM»- N 0 4 APR. 2313 Raad van deljemeente Loon op Zand Postbus 7 5170 AA KAATSHEUVEL GEMEENTE LOON OP ZAND lllllllllllllllll 2013.05077 Afdeling: RO O VB:

Nadere informatie