Rapport Visserijkundig Onderzoek. Stobbeplas te Lutten
|
|
|
- Joost van der Wolf
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten
2
3 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Op 30 januari 2007 uitgevoerd in opdracht van de Federatie Door: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak
4 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus AD BILTHOVEN Telefoon Telefax Homepage Opdrachtgever Federatie Telefoon Homepage Auteur(s) M. v. Breugel & G.A.J. de Laak adres Aantal pagina s 46 Trefwoorden Visstandbemonstering, onderzoek, Stobbeplas, Versie Definitief Projectnummer AB Registratienummer 5033 Datum Datum oplevering 2 augustus 2007 Bibliografische referentie: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak, Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten. Sportvisserij Nederland, Bilthoven in opdracht van Federatie. Sportvisserij Nederland, Bilthoven Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder en de Federatie. Sportvisserij Nederland is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Sportvisserij Nederland.
5 Samenvatting Op 30 januari 2007 is op verzoek van Federatie door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De visstandbemonstering werd uitgevoerd door middel van een staand want- en een elektrovisserij. De Stobbeplas kenmerkt zich door een grote gemiddelde diepte, rechtlijnige oevers en een matige oeverbegroeiing. De visstand in de Stobbeplas bestaat qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn en karper. De visstand in de Stobbeplas behoort tot het blankvoorn brasem viswatertype. Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand en de inrichting van het water zijn onder meer: Niet evenwichtig opgebouwde visstand; vissen met een lengte tussen de 20 en 40 centimeter ontbreken; gebrek aan ondiepe oeverzones met beschutting; aalscholverpredatie. In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van de Stobbeplas op het gebied van het visstandbeheer en de inrichting van het water. De aanbevelingen hebben betrekking op: Uitzetten van vissoorten als bijvoorbeeld zeelt. Verjongen en meer variatie aanbrengen in het karperbestand. Aanbrengen takkenbossen voor meer beschutting van vis tegen predatie van de aalscholver. Het herinrichten van de zuidoost-oever. Verbeteren sportvisserijmogelijkheden door de aanleg van vissteigers, parkeerplaatsen en wandelpaden.
6
7 Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding Leeswijzer Algemene gegevens Gebiedsbeschrijving Visrecht en bevissing Gevoerd beheer Viswatertypering en draagkracht Typering van de Stobbeplas Draagkracht van de Stobbeplas Uitvoering van het visserijkundig onderzoek Visstandbemonstering Visonderzoek en gegevensverwerking Resultaten visserijkundig onderzoek Soortensamenstelling Lengte-frequentie en conditie Bespreking en knelpunten Bespreking Knelpunten Aanbevelingen Visstandbeheer Inrichtingsmaatregelen Evaluatieonderzoek Literatuur Bijlagen... 37
8
9 - Inleiding - 1 Inleiding Op verzoek van Federatie is op 30 januari 2007 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas te Lutten. Topografische ondergrond: Topografische Dienst, Emmen Figuur 1.1 Overzichtskaart Stobbeplas te Lutten. 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het aanvragen van een visserijkundig onderzoek is het feit dat de samenstelling van de visstand op de plas niet inzichtelijk is. Hierdoor is het voor de Federatie niet mogelijk om streefbeelden voor de ontwikkeling van de visstand in de Stobbeplas vast te stellen. Vast staat dat de Stobbeplas een zeer belangrijke functie heeft voor de sportvissers met name karpervissers- in het gebied. De Karperstudiegroep Regio Zwolle organiseert langs de Stobbeplas zelfs jaarlijks een meerdaags jeugdkamp voor de jongste karpervissers. Uit de vangsten tijdens het jeugdkamp blijkt dat er zeer veel jonge schubkarpers 30 januari
10 - Stobbeplas te Lutten- tot 40 centimeter op de plas zwemmen. Dit duidt op een mogelijke natuurlijke aanwas van de karperstand. Op zichzelf een relatief zeldzaam fenomeen in het Nederlandse binnenwater, waar de paai en ontwikkeling van karper ofwel mislukt door de koele zomers of de aanwezige roofvis decimeert de jonge karperstand volledig. De federatie neemt dan ook aan dat de roofvisbezetting zo laag is dat de aanwas niet meer wordt gereguleerd. Daarnaast wil de Federatie de bereikbaarheid en de bevisbaarheid van het water verbeteren. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het water, de bevissing en het gevoerde beheer in en rond de Stobbeplas. Een uitleg over de visstandtypering van de Nederlandse ondiepe en stilstaande wateren en meer informatie over de draagkracht van een water voor biomassa van vis is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het uitgevoerde onderzoek naar de visstand en de gegevensverwerking. Hoofdstuk 5 geeft de resultaten van de visstandbemonstering aan de hand van de soortsamenstelling, de lengte-frequentieverdeling en de conditie van de aangetroffen visstand. Vanuit de bespreking van de visstand in de Stobbeplas zijn knelpunten geformuleerd in Hoofdstuk 6. Met de knelpunten als vertrekpunt geeft hoofdstuk 7 aanbevelingen op het gebied van visstandbeheer en/of inrichtingsmaatregelen. Het rapport wordt afgesloten met bijlagen en een profiel van de aangetroffen vissoorten en in het rapport genoemde vissoorten. 10
11 - Algemene gegevens - 2 Algemene gegevens 2.1 Gebiedsbeschrijving De Stobbeplas ligt nabij Lutten in de gemeente Hardenberg in de provincie Overijssel. De plas is bereikbaar via de autoweg N377 tussen Dedemsvaart en Slagharen. Het water is ontstaan door zandwinning voor de aanleg van diezelfde autoweg. De naam dankt de plas aan de oude Stobbenplas die op een geheel andere plaats lag. Daar waar de Lutterbeek via het Bovenwater naar het westen stroomde en de Reest genoemd werd. Het water is zo n 500 meter lang en heeft een oppervlak van 6,4 hectare. De breedte is maximaal 200 meter. De gemiddelde diepte is onbekend. De grootste diepte is waarschijnlijk 6 meter. Het bodemprofiel is zeer grillig, er zijn ook zeer ondiepe delen, die in de zomer droogvallen. De bodem bestaat uit zand. Op de bodem bevindt zich een dunne modderlaag met een dikte van maximaal 10 centimeter. De totale oeverlengte is 1213 meter. De taludhelling is matig tot steil. Circa 50% van de oever is begroeid. Langs de oever staat riet, liesgras en biezen. Ook staan er verspreid langs het water wat struiken en bomen met inhangende takken. De rietkraag is gemiddeld 2 meter breed. In de Stobbeplas komen geen drijfbladplanten (zoals gele plomp) voor. Er staat geen stroming in het water. Het water wordt gevoed door regenen kwelwater. Er is geen waterinlaat of wateruitlaatpunt. Het water staat niet in verbinding met andere wateren in de omgeving. Vismigratie is dus niet mogelijk. 2.2 Visrecht en bevissing De eigenaar van de Stobbeplas is Staatsbosbeheer te Deventer. De visrechten van de Stobbeplas zijn, voor wat betreft het schubvisrecht, in bezit bij Hengelsportfederatie. Bij deze federatie zijn 77 hengelsportverenigingen aangesloten die gezamenlijk bijna leden tellen. De Stobbeplas is opgenomen in de Landelijke Lijst van Viswateren (Lijst van viswateren Noordoost Nederland). Om te vissen in de Stobbeplas moet de sportvisser lid zijn van een bij Sportvisserij Nederland aangesloten hengelsportvereniging. Men krijgt dan in ieder geval de VISpas en de Landelijke Lijst van Viswateren. Met de VISpas mag de sportvisser vissen met twee hengels en alle wettelijk toegestane aassoorten, tenzij anders aangegeven bij de wateren. Voor de Stobbeplas gelden de algemene voorwaarden in de Landelijke Lijst op pagina 2 en de aanvullende voorwaarden van de Federatie Oost- Nederland op pagina 75. Als aanvullende voorwaarde specifiek voor de Stobbeplas geldt: 30 januari
12 - Stobbeplas te Lutten- Het water alleen vanaf het Ommerkanaal toegankelijk is. In dit water mag niet gevoerd worden. Sportvissers die ook s nachts hun geluk willen beproeven aan de Stobbeplas vallen onder de Nachtvisregeling Landelijke lijst Werkgebied van Federatie Oost Nederland. Men dient dan in het bezit te zijn van de NachtVISpas en te vissen volgens de daarop vermelde voorwaarden. De NachtVISpas is aan te vragen bij de federatie. De statische karpervisser neemt relatief veel materiaal mee. In de Stobbeplas vissen hoofdzakelijk karpervissers die op afstand vissen. Op specifieke plaatsen langs de oever vissen zij veelal met twee hengels, voorzien van een vast lood-montage en elektronische beetverklikkers op karper. Om de karpers te verleiden tot een aanbeet worden over het algemeen boilies, maïs of andere zaden en granen gebruikt. De karpervisser vist zowel overdag als s nachts en maakt graag gebruik van een paraplu of klein tentje om materiaal op te bergen of te schuilen. Van de Stobbeplas zijn geen sportvisserij enquête gegevens bekend. Volgens de Federatie is de karper de favoriete vissoort in de Stobbeplas. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat de karper klein van formaat is en in grote hoeveelheden voorkomt. Over de hengeldruk en het voorkomen van witvis en roofvis op de Stobbeplas, is weinig bekend. 2.3 Gevoerd beheer Voor de Stobbeplas is geen visstandbeheerplan opgesteld. In de afgelopen jaren is geen vis uitgezet op de Stobbeplas. De visrechthebbenden willen in de komende tijd de visserijmogelijkheden (bereikbaarheid en bevisbaarheid) verbeteren. De waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheerder is het Waterschap Velt & Vecht. 12
13 - Viswatertypering en draagkracht - 3 Viswatertypering en draagkracht 3.1 Typering van de Stobbeplas De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich uiteindelijk kan ontwikkelen. De aanwezigheid van waterplanten is hierbij een belangrijke sturende factor. Waterplanten vervullen in meerdere opzichten een belangrijke functie voor de aanwezige visstand. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: bovenwaterplanten (emerse waterplanten, o.a. riet, lisdodde) onderwaterplanten (submerse waterplanten, o.a. waterpest, hoornblad) drijfbladplanten (o.a. gele plomp, waterlelie) Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden de vis daarnaast bescherming tegen predatoren (roofvis, visetende vogels) en beschutting tegen stroming. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten bevinden zich bovendien tal van organismen die een belangrijke voedselbron vormen voor vis. In een natuurlijke situatie is een geleidelijke overgang van land naar water te zien, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en vervolgens onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water beduidend beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten zijn in de regel indicatief voor helder water. Een water met een rijk waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende vissoorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water zal zich over het algemeen een soortenarme visstand ophouden, met waarschijnlijk brasem als meest voorkomende vissoort. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn door Sportvisserij Nederland onderverdeeld in vijf viswatertypen (zie ook figuur op de volgende bladzijde): het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype. 30 januari
14 - Stobbeplas te Lutten- De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water. Baarsblankvoorn viswatertype Ruisvoornsnoek viswatertype Snoekblankvoorn viswatertype Blankvoornbrasem viswatertype Brasemsnoekbaars viswatertype 14
15 - Viswatertypering en draagkracht - Bij het indelen van wateren in viswatertype wordt in eerste instantie een indeling gemaakt in ondiepe en diepe wateren. De grens tussen beide watertypen ligt bij een diepte van 4 a 5 meter. De diepe wateren kenmerken zich meestal door het voorkomen van een spronglaag. Omdat de Stobbeplas waarschijnlijk geen spronglaag heeft en de gemiddelde diepte niet dieper is dan circa 5 meter, wordt de Stobbeplas gerekend tot de ondiepe wateren. Maar het water heeft ook kenmerken van een diep viswatertype. De waterplantenontwikkeling is een belangrijk kenmerk voor de verdere indeling in viswatertypering. Tijdens de visstandbemonstering is door Sportvisserij Nederland ook een milieu-inventarisatie in de Stobbeplas uitgevoerd (zie onderstaande tabel). Hierbij zijn verschillende, voor vis belangrijke, parameters gemeten. Tabel 3.1 Milieugegevens gemeten tijdens de visstandbemonstering 30 januari O 2 verzadiging* 89% kleur water waargenomen: bruinig O 2 gehalte* 10,8 mg/l geur water waargenomen: neutraal Temperatuur* 6,0 o C bedekking bovenwater 2% waterplanten ph* 7, drijfblad 0% Geleidingsvermogen* 428 µs/cm onder water 0% Zichtdiepte* 120 cm groenalgen waargenomen: geen Calcium <2 mg/l blauwalgen waargenomen: geen chloride (Cl - ) <50 mg/l nitraat (NO - 3 ) 0 mg/l zuurbindend vermogen 1 mm/l * Zie ter vergelijking de Normdoelstelling Water voor Karperachtigen en Minimumkwaliteit in bijlage I. De resultaten van de milieu/bemonstering geven geen aanleiding om problemen met de waterkwaliteit te verwachten. De huidige situatie van de Stobbeplas: het blankvoorn - brasem viswatertype Omdat het water zowel kenmerken heeft van een ondiep viswatertype als het diep viswatertype is het indelen van de Stobbeplas in een viswatertype vrij lastig. De Stobbeplas wordt qua milieukenmerken getypeerd als het zogenaamde blankvoorn - brasem viswatertype (zie ook tabel viswatertypering). 30 januari
16 - Stobbeplas te Lutten- Dit viswatertype wordt gekenmerkt door een beperkte aanwezigheid van waterplanten en een doorzicht van circa 1 meter. Kenmerkende vissoorten van dit watertype zijn blankvoorn en brasem en de belangrijkste roofvis is de snoekbaars. De biomassa aan snoek en baars is in dit type relatief klein. 3.2 Draagkracht van de Stobbeplas Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogrammen per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het blankvoorn brasem-viswatertype is de draagkracht ongeveer 350 tot 600 kilogram vis per hectare, waarbij de spreiding in draagkracht afhankelijk is van de voedselrijkdom van het water (vooral het gevolg van de bodemsoort (zand, klei of veen). In de Stobbeplas lijkt de voedselrijkdom erg laag. Dit wordt veroorzaakt door de zandbodem. De draagkracht zal, bij een goede waterkwaliteit en inrichting van het water voor vis, rond de 350 tot 400 kilogram vis per hectare liggen. 16
17 - Viswatertypering en draagkracht - Tabel 3.2 Viswatertypering ondiepe, stilstaande en langzaam stromende wateren (Zoetemeyer & Lucas, 2001) viswatertype baars blankvoorn ruisvoorn snoek snoek blankvoorn blankvoorn brasem brasem snoekbaars planten bovenwater matig veel matig matig weinig - matig drijfblad weinig veel matig - veel weinig - matig geen - weinig onderwater matig veel weinig geen geen bedekking % 10-60% % 20-60% 10-20% 0-10% vissoorten aal baars + +/ bittervoorn* /- - blankvoorn + +/ brasem +/- +/ grote modderkruiper +/ /- - karper /- - kleine modderkruiper /- - kolblei +/- +/ kroeskarper +/ /- - kwabaal* + +/- +/- +/- - meerval* - +/ /- pos +/- +/ rivierdonderpad* + +/- +/- +/- - riviergrondel /- ruisvoorn +/ /- - snoek /- snoekbaars - - +/ stekelbaars (3d) /- - stekelbaars (10d) /- - vetje /- zeelt +/ /- - draagkracht kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha voedselrijkdom fosfaatgehalte (oligo)- mesotroof voedselarm <0,01 mg P/l (hyper-)eutroof zeer voedselrijk >0,1 mg P/l Ontwikkelingsmogelijkheden: - nauwelijks of geen +/- beperkt + voldoende ++ optimaal * bittervoorn: aanwezigheid van zoetwatermossels noodzakelijk voor de voortplanting. kwabaal: verbinding met diep, helder water noodzakelijk. meerval: rivierdonderpad: komt de laatste eeuwen vrijwel uitsluitend in het Haarlemmermeergebied voor. afhankelijk van stenig substraat in combinatie met waterturbulentie (bijv. stroming). 30 januari
18 - Stobbeplas te Lutten- 18
19 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - 4 Uitvoering van het visserijkundig onderzoek 4.1 Visstandbemonstering Tijdens de visstandbemonstering is een deel van de Stobbeplas, onder verantwoordelijkheid van Sportvisserij Nederland, door Visserijbedrijf Kalkman en Van Wijk met staand want bevist. De perken staand want hadden een gestrekte maaswijdte van 120 en 140 millimeter. Het staand want is met tussenpozen van ½ tot één uur leeggehaald en opnieuw geplaatst. Door de korte tijd dat het staand want in het water staat, ondervinden de vissen geen schade van dit vistuig. Bij een normale visserij met staand want, waarbij het want meer dan 12 uur staat, kan de sterfte van de gevangen vis aanzienlijk zijn. Tevens zijn, door medewerkers van Sportvisserij Nederland met een elektro-visapparaat met een vermogen van vijf kw, de oevers afgevist. De gevangen vis is direct met schepnetten overgebracht in teilen en naar de verwerkingsplaats gebracht. Figuur 4.1 Overzichtskaart uitgevoerde visserijen. De rode lijn is de beviste oeverlengte. De zwarte lijnen geven de positie van het staand want weer. 30 januari
20 - Stobbeplas te Lutten- Met het elektroaggregaat is circa 1100 meter van de oeverlengte bevist. 4.2 Visonderzoek en gegevensverwerking Alle gevangen vis werd kort voor het visserijkundig onderzoek in een speciale verdovingsvloeistof licht verdoofd. Hierdoor kon de vis gemakkelijk gemeten en gewogen worden zonder al te veel kans op beschadiging en stressverschijnselen. De gegevens zijn ingevoerd in het computerprogramma Piscaria. Piscaria is de landelijke databank de STOWA en Sportvisserij Nederland, waarin diverse onderzoeksbureaus, waterbeheerders en hengelsportorganisaties visserijgegevens invoeren. De databank wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is gekoppeld aan internationale netwerken. Voor meer informatie zie: Het programma Piscaria berekent vervolgens tabellen, aandeelgrafieken, lengtefrequentieverdelingen en conditiegrafieken volgens de door STOWA vastgestelde standaarden, welke aansluiten bij de Kaderrichtlijn water. Tabellen In tabel 5.1 wordt per vissoort de gevangen aantallen en de biomassa (gewicht) vermeld. De biomassa is bepaald aan de hand van een voor Nederland algemeen geldende Lengte-Gewichtsrelatie (Klein Breteler & de Laak, 2003). Van iedere vissoort is ook het berekende minimum en maximum gewicht vermeld. In de tabel zijn ook de minimum- en maximum lengtes van de gevangen vissen vermeld en ook het totaal aantal gevangen vissen en het berekende vangstgewicht. Aandeelgrafieken Het aandeel van de vissoort in de aantallen en in gewicht is in twee grafieken weergegeven. In de aantalsaandeelgrafiek wordt het aantal gevangen vissen op 100% gesteld en wordt het aandeel op aantalbasis van elke vissoort berekend. In de vangstaandeelsgrafiek wordt het vangstgewicht op 100% gesteld en wordt het aandeel op gewichtsbasis van elke vissoort hierin vermeld. Lengtefrequentiegrafiek Van de meest belangrijke vissoorten zijn lengtefrequentiegrafieken weergegeven in Hoofdstuk 5. Per centimeterklasse (X-as) worden de gevangen aantallen (Y-as) weergegeven. Conditie Van de belangrijkste gevangen vissoorten zijn de lengte en het individuele gewicht bepaald, zodat de conditie van een vis kan worden berekend. Als maat voor de conditie van de vis wordt genomen de verhouding tussen het gemeten gewicht en het "normaalgewicht" van de vis. Het normaalgewicht is door de (voormalige) OVB empirisch bepaald aan de hand van talrijke metingen van lengte en gewicht van vissen uit een reeks van wateren (Klein Breteler & de Laak, 2003). Wanneer de conditiefactor kleiner is dan 0,9 is de conditie van de vis onvoldoende. Ligt de conditiefactor tussen de 0,9 en 1,1 dan is de conditie voldoende. Is de conditiefactor groter dan 1,1 dan is de conditie goed. 20
21 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - Hoewel de Stobbeplas een zandwinput is, komen er wel mooie rietkragen voor Mooie exemplaren van de ruisvoorn werden dan ook in het riet gevangen Staand want kan goed toegepast worden op diepere wateren, zonder beschadigde vissen als de netten maar regelmatig gecontroleerd worden Pracht schubkarper 30 januari
22 - Stobbeplas te Lutten- 5 Resultaten visserijkundig onderzoek 5.1 Soortensamenstelling Tijdens de bemonstering van de Stobbeplas zijn in totaal 7 vissoorten gevangen. Er zijn 217 exemplaren gevangen, met een totaal gewicht van ongeveer 219 kilo. In de onderstaande tabellen zijn van de gevangen vissoorten het aantal, gewicht en de lengte weergegeven. Tabel 5.1 Gevangen vissoorten in de Stobbeplas Vissoort Aantal Gewicht (kg) Lengtespreiding (cm) Gewichtspreiding (gram) Baars 22 0, Brasem 6 7, Blankvoorn 1 0, Karper , Spiegelkarper 3 13, Aal/Paling 2 2, Rietvoorn/Ruisvoorn 101 1, ,0-246 Snoek 26 14, Totaal ,6 N.b. Hoewel karper en spiegelkarper geen aparte soorten zijn, worden ze in de bovenstaande tabel gescheiden weergegeven. De vangst bestond qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn (47% van het totaal aantal gevangen exemplaren, zie onderstaande linkergrafiek). Na ruisvoorn is karper de meest gevangen vissoort met een aandeel in de vangst van 26%. Qua gewicht bestond de vangst voor het grootste deel uit schubkarper (82%), snoek (7%) en spiegelkarper (6%, zie rechtergrafiek). Relatieve aantals-aandeel Snoek 12% Baars 10% Brasem 3% Spiegelkarper 1% Karper 26% Karper 82% Relatieve gewichts-aandeel Spiegelkarper 6% Paling 1% Ruisvoorn 1% Snoek 7% Baars <1% Ruisvoorn 47% Paling 1% Blankvoorn 0% Brasem 4% Blankvoorn <1% 22
23 - Resultaten visserijkundig onderzoek Lengte-frequentie en conditie Van de meest belangrijke vissoorten is de lengte-frequentie en de conditie in grafieken weergegeven. De grafieken zijn hieronder per vissoort toegelicht. Baars In totaal zijn 22 baarzen gevangen met een lengte die varieerde van 5 tot 29 centimeter. De conditie van de gevangen baarzen was voldoende. LF diagram voor Baars Conditiediagram voor Baars 8 1,5 7 6 Aantallen Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Blankvoorn Er is één blankvoorn gevangen met een lengte van 24 centimeter. De conditie van de gevangen blankvoorn was voldoende. Brasem In totaal zijn 6 brasems gevangen. De kleinste brasem had een lengte van 42 centimeter. De grootste brasem had een lengte van 52 centimeter. Opmerkelijk is dat er alleen grote brasems zijn gevangen. De conditie van de gevangen brasems was voldoende tot (zeer) goed. LF diagram voor Brasem Conditiediagram voor Brasem 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 30 januari
24 - Stobbeplas te Lutten- Karper In totaal zijn 56 schubkarpers gevangen met een lengte die varieerde van 43 tot 78 centimeter. De conditie van de gevangen karpers was voldoende. LF diagram voor Karper Conditiediagram voor Karper 6 1,5 5 4 Aantallen 3 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Spiegelkarper Van het type spiegelkarper zijn 3 exemplaren gevangen. De lengte van de vissen was 47, 50 en 80 centimeter. De conditie van de gevangen spiegelkarpers was voldoende. Het grootste exemplaar had een matige conditie. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door het type karper. Een slank type spiegelkarper heeft een lager gewicht bij dezelfde lengte als een hoog gebouwd type. In het veld werd de conditie van deze karper dan ook als normaal beoordeeld. LF diagram voor Spiegelkarper Conditiediagram voor Spiegelkarper 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 24
25 - Resultaten visserijkundig onderzoek - Ruisvoorn Van de meest voorkomende soort riet- of ruisvoorn zijn 101 exemplaren gevangen. De kleinste vissen hadden een lengte van 3 centimeter. Deze vissen met een lengte tot 7 centimeter behoren tot de 0+ jaarklasse. Dit zijn vissen die geboren zijn in het voorjaar van Vissen met een lengte van circa 10 centimeter zijn twee groeiseizoenen oud en vissen met een lengte tot 14 a 15 centimeter zijn 3 groeiseizoenen oud. Deze groei kan worden beoordeeld als een normale groei. De conditie van de gevangen ruisvoorns was matig tot voldoende. LF diagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn Conditiediagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn 30 1, Aantallen 15 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Snoek Van de roofvis snoek zijn 26 exemplaren gevangen. De grootste snoek had een lengte van 73 centimeter. De kleinste snoeken hadden een lengte van 17 tot 30 centimeter. Deze vissen behoren tot de 0+ jaarklasse. De conditie van de gevangen snoeken was voldoende. De conditie van de grootste snoeken was goed. Waarschijnlijk komt dit door de ontwikkeling van geslachtproducten, het zogenaamd paairijp worden. LF diagram voor Snoek Conditiediagram voor Snoek 4 1,5 3 Aantallen 2 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Overige soorten 30 januari 2007 In de Stobbeplas zijn ook nog twee alen of palingen gevangen. Deze vissen hadden een lengte van 78 en 91 centimeter. De conditie van de alen was goed. 25
26 - Stobbeplas te Lutten- 6 Bespreking en knelpunten 6.1 Bespreking Tijdens de visstandbemonstering in de Stobbeplas zijn 7 vissoorten gevangen. De soortdiversiteit is daarmee niet erg hoog. Gewoonlijk wordt tijdens een inventarisatie van één dag door Sportvisserij Nederland 11 vissoorten gevangen. De meeste soorten behoren tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper en aal. Van de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water) komen alleen ruisvoorn en snoek voor. Ruisvoorn is wel de meest gevangen soort tijdens deze bemonstering. Kleine baars en ruisvoorn zijn de meest voorkomende vissoorten qua aantallen. Van de blankvoorn is slechts één exemplaar gevangen. De conditie van ruisvoorn is matig tot voldoende. Van brasem werden alleen grote volwassen exemplaren gevangen. De conditie van deze grote brasems is voldoende tot (zeer) goed. Over de opbouw van de witvispopulatie kan gesteld worden dat er weinig juveniele (jonge) vissen zijn aangetroffen en dat er in het lengteklassetraject 20 tot 40 centimeter geen vissen zijn gevangen, op 1 blankvoorn na. De belangrijkste predator in de Stobbeplas is de snoek met een gewichtsaandeel in de vangst van circa 7%. Van deze vissoort zijn relatief veel jonge exemplaren gevangen. Vissen ouder dan 4 groeiseizoenen zijn relatief slecht vertegenwoordigd. De aanwezige oevervegetatie (met name riet) is een belangrijke factor in het voorkomen van jonge snoeken (0 + en 1 + jaarklasse). Tussen de begroeiing vinden de jonge exemplaren schuilgelegenheid tegen wegvraat door grotere soortgenoten en aalscholvers. Snoeken van 3 en 4 groeiseizoenen worden minder afhankelijk van de vegetatie en verplaatsen zich naar het open water. Waarschijnlijk komen er weinig grote snoeken in de Stobbeplas voor. Met de gebruikte visserijmethoden (elektrovisserij en staand want visserij) worden doorgaans wel grote snoeken gevangen als zij voorkomen op een water. Het vangstgewicht bestond voornamelijk uit karper (schub- en spiegelkarper samen 88%). Het aandeel eurytope (vissoorten die geen voorkeur hebben voor stroming en/of waterplanten) vissoorten in de biomassa is hierdoor erg hoog. Als in de Stobbeplas al jarenlang geen karper is uitgezet, dan is er waarschijnlijk sprake van natuurlijke rekrutering in bepaalde jaren. De aanwezigheid van een groep (cohort) karpers met een lengte van 43 tot en met 46 centimeter duidt hier op. Ook het cohort vissen met een lengte van circa 50 centimeter kan afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. 26
27 - Bespreking en knelpunten - Door de geringe aantallen vis die zijn aangetroffen is het moeilijk om iets over de populatie opbouw te zeggen, anders dan dat deze erg onevenwichtig is opgebouwd. 6.2 Knelpunten Visstand De soortensamenstelling van de visstand is weinig divers. Algemeen voorkomende soorten in soortgelijke wateren als bijvoorbeeld kolblei, pos en zeelt zijn niet aangetroffen. Ook soorten als bittervoorn en kleine modderkruiper kunnen in dit watertype voorkomen. In de lengtefrequentieverdeling van enkele (wit)vissoorten, zoals baars brasem, blankvoorn en ruisvoorn blijkt dat de populatie niet evenwichtig is opgebouwd. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Enerzijds is de hoeveelheid oever- en onderwatervegetatie in de Stobbeplas beperkt. In de herfst en winter sterft namelijk veel van de vegetatie af. Met name in de herfst en winter vinden veel jonge vissen niet voldoende schuilgelegenheid. Het belang van schuilgelegenheid (vegetatie en beschutting) wordt verder behandeld onder het kopje Inrichtingsmaatregelen van het volgende hoofdstuk en in het kader op de volgende bladzijde. Daarnaast speelt predatie door aalscholvers een rol. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat aalscholvers regelmatig de Stobbeplas bezoeken. Waterkwaliteit - kwantiteit Op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn er weinig knelpunten in de Stobbeplas. Ondanks de waterpeilschommelingen is er op een groot deel van de oever een rietkraag ontstaan Inrichting en onderhoud van het viswater Door een goede inrichting van het water is het mogelijk de productiviteit van het water te verhogen en de predatie door aalscholvers te verminderen. Om de productiviteit te verhogen dient op bepaalde delen van de oever de oevervegetatie gestimuleerd te worden. Daarnaast kan door het aanbrengen van beschutting (bomen) het areaal aan beschut leefgebied vergroot worden. Hierdoor wordt het jagen door aalscholvers bemoeilijkt. 30 januari
28 - Stobbeplas te Lutten- Ook het voorkomen van aalscholvers in wateren vormt een bedreiging voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de visstand. Aangezien de aalscholver een beschermde vogelsoort is, mogen slechts preventieve maatregelen worden genomen. Van belang is dat er voor vissen voldoende structuren in het water zijn, die schuilmogelijkheid bieden. Ondiepe oeverzones met voldoende onderwaterplanten en open rietkragen zijn een toevluchtsoord voor vissen, maar onaantrekkelijk als jachtgebied voor aalscholvers. Natuurlijk heeft een dergelijke oever ook meerwaarde als paaiplaats en als schuilplaats voor jonge vis. Ook onder drijfbladplanten zoals de gele plomp kunnen vissen zich verschansen wanneer vogels hen belagen. Onderwaterstructuren zijn van groot belang voor vis. Niet alleen als schuilmogelijkheid tegen aalscholvers, maar ook voor diverse andere toepassingen. Zo kunnen onderwaterstructuren dienst doen als paaisubstraat en als foerageergebied (bijvoorbeeld voor een snoek die in hinderlaag ligt). Daarnaast vormen onderwaterstructuren een goede ondergrond voor mosseltjes en (draad)algen om op te groeien, wat door vissen weer als voedselbron gebruikt kan worden. Als onderwaterstructuren kunnen bijvoorbeeld bomen, takkenbossen (rijshout) of oude kerstbomen worden gebruikt. Indien onderwaterstructuren worden geplaatst dienen wel waarschuwingsborden of markeringen te worden geplaatst, zodat sportvissers deze structuren kunnen vermijden. Bij voorkeur moeten in het relatief kleine water de structuren in de oeverzones worden aangebracht. Figuur 6.1 In de oeverzone aangebrachte bomen, takken en andere onderwaterstructuren bieden vissen een schuilplaats en beschutting tegen de aalscholver. 28
29 - Aanbevelingen - 30 januari
30 - Stobbeplas te Lutten- 7 Aanbevelingen 7.1 Visstandbeheer De huidige visstand is een afspiegeling van de situatie op de Stobbeplas. Het uitzetten van vis op de Stobbeplas lijkt weinig zinvol door de aanwezigheid van aalscholvers. Visuitzettingen hebben meestal ook maar een tijdelijk effect. Door het nemen van inrichtingsmaatregelen kan er een meer gevarieerd visbestand op de Stobbeplas ontstaan, met behoud van de aanwezigheid van de karperstand. Het lijkt alsof de karperpopulatie is opgebouwd uit een deel natuurlijke rekrutering. Aan de hand van hengelvangsten moet in de komende jaren nagegaan worden of dit vaker gebeurd. Mocht dit niet zo zijn, dan is op termijn een uitzetting van karper nodig, omdat de huidige populatie afneemt door natuurlijke sterfte. Om de visstand in de Stobbeplas wat meer variatie te geven, kan eventueel zeelt worden uitgezet. Om het karperbestand meer variatie te geven, kan overwogen worden spiegelkarpers uit te zetten. 7.2 Inrichtingsmaatregelen Op de Stobbeplas kunnen maatregelen genomen worden om de productiviteit te verhogen en om predatie door aalscholvers te voorkomen. Als mogelijke en haalbare mogelijkheden wordt geadviseerd om de oever in de zuidoosthoek te beschermen tegen vraat door vee en om verspreid langs de oever takkenbossen aan te brengen. Andere maatregelen om de aalscholverpredatie te voorkomen, zoals het plaatsen van zwarte zwanen en het met draden overspannen van de plas lijken niet te werken of zijn praktisch niet haalbaar. Herinrichten zuidoost-oever De zuidoost-oever wordt momenteel begraasd door vee. Dit vee drinkt ook uit de Stobbeplas, hierbij wordt de oever betreden en begraasd door het vee. Het gevolg is dat de vegetatie die daar groeit geen kans krijgt zich uit te breiden. Het effect daarvan is goed te zien op de bovenste foto van pagina 24. Op het bovenste deel is een begroeide oever te zien, op het deel na de afrastering houdt de begroeiing abrupt af. Voorgesteld wordt om de oever af te rasteren met prikkeldraad en/of schrikdraad en het vee te drenken met een weidepompinstallatie, eventueel op zonneenergie. Zodoende kan de vegetatie zich over een afstand van iets meer dan 200 meter ontwikkelen. Dit is een substantieel deel van de totale oeverlengte, zodat de maatregel ook effect moet hebben op de visstand. Aanbrengen takkenbossen Het aanbrengen van takkenbossen, zoals weegegeven in figuur 6.1, zal de vissen meer gelegenheid bieden te schuilen en daardoor is er minder predatie door de aalscholver. De maatregel is waarschijnlijk vrij eenvoudig uit te voeren met materiaal uit het omliggende bos. 30
31 - Aanbevelingen - Voorgesteld wordt om langs de zuidoever stroken van circa 20 meter breed in te richten met takken. Ook langs de noordoever kan hier en daar een dergelijke strook worden geplaatst. Sportvisserijmogelijkheden Naast de inrichting van het water door vis, moeten ook de sportvisserijmogelijkheden verbeterd worden. De Stobbeplas is momenteel moeilijk bereikbaar en voorzieningen ontbreken. Verschil tussen bereikbaarheid en bevisbaarheid In een aantal gevallen ontstaat onduidelijkheid over de definities bereikbaarheid en bevisbaarheid: De bereikbaarheid gaat over de weg die een sportvisser moet afleggen tot aan de oever waar gevist wordt, bijvoorbeeld vanaf de parkeerplaats tot aan de waterkant. De bevisbaarheid heeft betrekking op de te bevissen oever en het te bevissen water. Een oever kan bijvoorbeeld door een dichte rietkraag niet te bevissen zijn en het water kan door woekering van waterplanten moeilijk te bevissen zijn. Om de bereikbaarheid te verbeteren kan het bestaande wandelpad verbreed worden. Aan de wegzijde kunnen enkele parkeerplaatsen gecreëerd worden. Langs het water kunnen aan de zijde waar gevist mag worden, enkele visstekken (visplaatsen) aangelegd worden. Dit voorkomt dat sportvissers zelf open plekken gaan maken in bestaande begroeiing. Figuur 7.1 Een goed ingerichte visplaats tussen de rietkraag. De locatie van de eventueel aan te leggen visplaatsen kan het best gebeuren in overleg met ter plaatse bekende sportvissers. Overwogen kan worden om de visplaats die het dichtst bij de ingang ligt in te richten als mindervalide visplaats. Het lijkt overigens moeilijk om aan alle voorwaarden te voldoen die gesteld worden aan een goede mindervalide 30 januari
32 - Stobbeplas te Lutten- visstek aan de Stobbeplas (zie kader volgende bladzijde). Mindervalide en gehandicapte sportvissers kunnen tot verschillende sportvisserstypen behoren. Wat betreft de eisen en wensen die zij aan de visplek stellen, komen deze grotendeels overeen met de eisen en wensen per sportvisserstype. Echter, afhankelijk van de mobiliteit en handicap van de minder validen en gehandicapten stellen zij, als persoon, specifieke eisen aan de waterkant. Een korte opsomming van de eisen en wensen staat hieronder genoemd. Een nauwkeurigere beschrijvingen en tekeningen van verharde visplaatsen, vissteigers als ook materiaal, aanlegmethoden etc. staan uitvoerig beschreven in: Sportvisserij door gehandicapten en ouderen van de NVVS (NVVS, 1995). Openbaar vervoer Ontsluiting door openbaar vervoer. Afstand halte-visplaats maximaal meter. Parkeergelegenheid Afstand parkeerplaats-visplaats: maximaal meter. Voor rolstoel maximaal 50 meter. Afmeting parkeerplaats: 3,50 meter breed en 5 meter lang. Parkeerplaats van gesloten verharding. Trottoir-oprit Minimale breedte: 0,90 meter. Maximale helling 1:6. Niveauverschil maximaal: 0,10 meter. Toegangsweg Goed bereikbaar, geen obstakels. Materiaal: gesloten verharding (geen klinkers, trottoirtegels). Breedte toegangsweg: 1,20 meter. Toegangsweg (hellend) Helling niet steiler dan 1:20, niet langer van 9 meter. Steenslag, roodsplit ed. niet gebruiken. Langs toegangsweg een leuning (hoogte maximaal 0,83 meter). Trappen in talud verwerken (breedte 1,20 meter) (niet geschikt voor rolstoelen). Situering/constructie Bij voorkeur aan de zuidwestoever van het viswater. Zichtbaar voor passanten en/of in nabijheid van andere visplaatsen. Waterdiepte: minimaal 1,50 meter. Gemiddeld waterpeil ten hoogste 0,30 meter onder maaiveld. Gesloten verharding of houten vloer (geen klinkers, trottoirtegels). Houten vloer bewerken tegen gladheid (bitumen, schelpgruis). Afmeting oeverstrook: tenminste 2,50 meter lang en minimaal 1,50 meter breed. Veiligheid Aanbrengen van stootbalken. Op stootbalken een hekwerk bevestigen (hoogte 0,45 meter). 32
33 - Aanbevelingen - Daarnaast dienen bij de visstekken en de ingang afvalbakken geplaatst te worden. Met SBB of de gemeente moeten afspraken gemaakt worden over het legen van de bakken en de frequentie van het legen. Het plaatsen van afvalbakken en controle kan dit soort taferelen aan de Stobbeplas voorkomen. Naast het plaatsen van afvalbakken dient er regelmatig controle van de visdocumenten en het opruimen van afval plaats te vinden door de politie en/of speciaal daarvoor opgeleide opsporingsambtenaren (BOA s). Sportvissers die last ondervinden van hangjongeren moet geadviseerd worden de politie te bellen. 7.3 Evaluatieonderzoek Hengelvangstregistratie Aanbevolen wordt om in combinatie met de uitzetting van vis ook een hengelvangst-registratieprogramma op te zetten. Een goed uitgevoerde hengelvangstregistratie kan inzicht verschaffen in een mogelijke afname of toename van de visbezetting en kan daarnaast zelfs een verschuiving in de soortensamenstelling aantonen. Op deze manier is het mogelijk te achterhalen of de karper regelmatig paait en broedsucces heeft. Is dit het geval, dan hoeft er geen karper uitgezet te worden. Ook kan hiermee worden aangetoond of de herinrichting van de oevers het gewenste effect op de visstand hebben. Vervolgonderzoek Eventueel kan over een aantal jaren weer een visserijkundig onderzoek 30 januari
34 - Stobbeplas te Lutten- worden uitgevoerd, om opnieuw de samenstelling en kwaliteit van de visstand vast te leggen. Er kan dan worden bekeken in hoeverre de voorgestelde maatregelen zijn uitgevoerd en wat voor effect deze maatregelen op de visstand hebben gehad. Ook kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen wenselijk zijn. 34
35 - Literatuur - Literatuur Eck, G. van, Interne rapportage visserijkundig onderzoek Stobbeplas. Sportvisserij Nederland, afdeling Advisering en Begeleiding. Klein Breteler, J.G.P. & G.A.J. de Laak, Lengte-gewichtsrelaties Nederlandse vissoorten. OVB onderzoeksrapport OND00074, 13p. Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, Nieuwegein. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij (LNV), directie Openluchtrecreatie, Vormgeving en inrichting viswater. s Gravenhage. Spiegel, A. van der, Visgemeenschappen van het stilstaande water. In Quak, J. en A. van der Spiegel (eds.). Cursus Visstandbeheer en Integraal Waterbeheer. Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij STOWA, Handboek Visstandbemonstering. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer. Rapport 2002/07. STOWA, Utrecht. Zoetemeyer, R.B., & B.J. Lucas, De OVB-viswatertypering deel 1: Ondiepe wateren. Vis & Water magazine Jaargang 1, nr 4, december Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij 30 januari
36
37 - Bijlagen - Bijlagen Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit...38 Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten januari
38 - Stobbeplas te Lutten- Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit Parameter Norm Functie viswater (normdoelstelling water voor karperachtigen) 1 Algemeen ecologische functie (Minimumkwaliteit MTR 2 ) Temperatuur water max. 28,0 C max. 25,0 C Zuurstofgehalte 50% >7,0 mg/l min. 5,0 mg/l 1 Doorzicht --- gem. 0,4 m (zomer) Chlorofyl --- gem. 100,0 µg/l (zomer) Biochemisch max. 10,0 mg/l --- zuurstofgebruik ph 6,0-9,0 SE 6,5-9,0 SE Zwevende stof < 25,0 mg/l --- Ammonium (NH4-N) <= 1 (4,0) mg/l NH Totaal fosfaat gem. 0,2 mg/l gem. 150 µg/l (zomer) Totaal stikstof --- gem. 2,2 mg /l (zomer) Ammoniak (NH3-N) < 0,025 mg/l NH 3 max. 0,02 mg/l Nitriet 0,03 mg/l NO Totaal koper 3 0,04 mg/l Cu max. 3,0 µg/l Totaal zink 3 1 mg/l Znl max. 30 µg/l Chloride --- max. 200 mg/l (zoet water) 1 RICHTLIJN 2006/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water. Nitriet en koper Richtwaarden, overige parameters: Bindende waarden. 2 MTR = Maximaal Toelaatbaar Risico 3 Afhankelijk van de hardheid van het water 38
39 - Bijlagen - Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten BAARS (Perca fluviatilis) Leefomgeving De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 50 tot 200 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Toch komt de baars ook in kleinere wateren voor. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is favoriet, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten in de oeverzone op. Voortplanting De paaitijd valt in de maanden maart, april en mei, bij een watertemperatuur van meer dan 8 C. Vooral ondergelopen gebieden, waar de temperatuur in het ondiepe water snel kan stijgen, zijn geliefd als paaiplaats, maar ook tal van andere ondiepe plekken zijn geschikt. Voedsel De jonge baars leeft voornamelijk van dierlijk plankton. Later worden hier ook andere ongewervelde dieren, zoals aasgarnalen en vlokreeften, aan toegevoegd. Wanneer de baars een lengte van meer dan 10 cm heeft bereikt, gaat vis(broed) in toenemende mate deel uitmaken van het voedselpakket. Baars heeft een grote voorkeur voor spiering en kleinere soortgenoten. Groei en leeftijd De groei in het eerste jaar bedraagt 6 tot 8 cm. De mannetjes zijn na 2 jaar geslachtsrijp, bij een lengte van 15 cm; vrouwtjes een jaar later, bij een lengte van 20 cm. De maximale lengte is 50 cm. In het IJsselmeer wordt de baars niet ouder dan 6 jaar. 30 januari
40 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De brasem is een zeer algemene vissoort in het Nederlandse binnenwater, die zowel in zoet als in brak water voorkomt. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Eutrofiëring (vermesting) van het binnenwater heeft ertoe geleid dat de brasemstand sterk is toegenomen. De brasem is tegenwoordig de meest karakteristieke vis voor onze (zeer) voedselrijke wateren met weinig waterplanten en een overmatige algengroei. De brasem wordt echter ook aangetroffen in helder, plantenrijk water. Hier vinden we meestal kleinere populaties, die vooral bestaan uit goed groeiende en relatief veel grote exemplaren. Het optimale leefgebied van de brasem kenmerkt zich door afwisseling tussen ruim, open water waarin de brasem in scholen naar voedsel zoekt en ondiepe, begroeide oeverzones, waar de paai- en opgroeigebieden zich bevinden. BRASEM (Abramis brama) Voedsel Brasemlarven voeden zich in eerste instantie hoofdzakelijk met dierlijk plankton. Wanneer zij een lengte van ongeveer 2 cm hebben bereikt, komen ook kleine muggenlarven in het dieet voor. Brasem heeft een voorkeur voor bodemvoedsel, zoals larven van muggen en andere insecten, wormpjes, slakken en mosseltjes. Bij een gebrek aan bodemorganismen kan de brasem overschakelen op een dieet van zoöplankton en plantaardig materiaal. Dankzij een geraffineerd zeefsysteem, gevormd door kieuwboog met aanhangsels, is de brasem beter dan andere vissoorten in staat om watervlooien en andere kleine organismen als voedselbron te benutten. Groei en leeftijd De groei van de brasem is onder andere afhankelijk van de watertemperatuur en het voedselaanbod. Een slechte groei treedt op als de dichtheden (aantallen brasems per hectare) erg hoog worden en daarmee sterke voedselconcurrentie optreedt. Onder optimale omstandigheden (veel voedsel, weinig concurrentie) kan brasem zeer snel groeien. Voortplanting In de paaitijd, die loopt van eind april tot midden juni, gaat de brasem op zoek naar geschikte paaiplaatsen. De eieren worden bij voorkeur afgezet op ondergedoken waterplanten of oeverplanten, maar bij afwezigheid daarvan worden ook boomwortels, stenen en andere obstakels, zoals houten paaltjes, autobanden en oude fietsen, als afzetsubstraat gebruikt. De brasem is daarom niet gebonden aan de aanwezigheid van waterplanten. Al na enkele dagen vormen de larven scholen in het ondiepe water. 40 In het eerste jaar is de groeisnelheid in Nederland gemiddeld 5 tot 7 cm. Bij een goede groei bereikt de tweejarige brasem een lengte van 12 cm en wordt een lengte van 40 cm na 8 jaar gehaald. De brasem is na 6 tot 7 jaar geslachtsrijp. De maximale lengte is 80 cm bij een gewicht van ongeveer 10 kg. De maximale leeftijd is ca. 15 jaar.
41 - Bijlagen - BLANKVOORN (Rutilus rutilus) Leefomgeving De blankvoorn is een vis van zowel stilstaand als stromend water, die in vele watertypen algemeen voorkomt. Zelfs in snelstromende wateren kan deze soort worden aangetroffen. Wel houdt de blankvoorn zich daar bij voorkeur in de stromingsluwe gedeelten op. De blankvoorn zoekt zijn voedsel in scholen in de buurt van begroeiing, maar ook wel in het diepere, open water. De blankvoorn is redelijk bestand tegen eutrofiering en vervuiling en lijkt bij uitstek te kunnen profiteren van veranderende omstandigheden. Zo kon in vele beken, waar deze soort van nature niet of slechts in geringe mate voorkwam, de blankvoornstand enorm toenemen, terwijl karakteristieke beekvissoorten daar sterk in aantal achteruit zijn gegaan of geheel zijn verdwenen. Voortplanting In de paaitijd, die doorgaans in april en mei valt, maar die tot in de zomer kan doorlopen, gaat de blankvoorn op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Deze liggen veelal dicht onder de oever in zwak stromend, ondiep water met beschutting tegen golfslag. De eieren worden afgezet op ondergedoken waterplanten, maar ook oeverplanten, boomwortels, stenen en andere obstakels worden als afzetsubstraat gebruikt. Zowel larven als juvenielen blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing. Hierdoor is de blankvoorn sterker dan brasem gebonden aan wateren met begroeiing. Voedsel Het voedsel van jonge blankvoorn beslaat uit zoöplankton, in het bijzonder watervlooien. Oudere blankvoorn heeft een aanzienlijk uitgebreider voedselpakket. Zowel dierlijk voedsel, zoals slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen, als plantaardig materiaal, zoals algen en detritus, worden gegeten. Groei en leeftijd De blankvoorn bereikt in het eerste jaar een lengte van 5 tot 7 cm. Onder gemiddelde omstandigheden is de blankvoorn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 tot 5 jaar, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De lengte is dan rond 15 cm. De maximale lengte is 45 cm en de maximale leeftijd ca. 10 jaar. 30 januari
42 - Stobbeplas te Lutten- KARPER (Cyprinus carpio) Leefomgeving De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe plaatsen ophoudt. Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper uit de Donau of uit Klein- Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers voor. In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld. Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor, zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen. Voortplanting De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit. Voedsel De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden. Groei en leeftijd Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is 120 cm. 42
43 - Bijlagen - Leefomgeving De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij voor in vrijwel ieder watertype, van diepe, stilstaande wateren tot in de bovenloop (de forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij, als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee kan trekken. De lichtschuwe aal is vooral in de schemering en 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten, boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar. Voortplanting De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water doorbrengt, maar zich in zee voortplant. Als Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot volwassen aal opgroeien. Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang. AAL of PALING (Anguilla anguilla) Voedsel Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden, zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd. Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien. Groei en leeftijd De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm, vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm. Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes varieert van 7-18 jaar. De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65 kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan 50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar. 30 januari
44 - Stobbeplas te Lutten- RUISVOORN (Scardinius erythrophthalmus) Leefomgeving De ruisvoorn is een vis van helder, stilstaand of langzaam stromend water dat rijk begroeid is met oever- en onderwaterplanten, afgewisseld met open stukken. Deze vis is vooral te vinden in de ondiepe oeverzone van vijvers, plassen, meren, kanalen en rivieren, waar hij zich meestal dicht onder de oppervlakte ophoudt. In beken is de ruisvoorn vooral te vinden in het stroomluwe water van (afgesneden) meanders en molenkommen, waar zich vegetatie kan ontwikkelen. Hier kan de ruisvoorn wel in redelijke aantallen voorkomen. Voortplanting De paaitijd valt laat in het jaar, in de maanden mei tot en met juli, wanneer de watertemperatuur meer dan 15 C bedraagt. In deze periode trekt de ruisvoorn naar de paaiplaatsen in de oeverzone, die soms in zeer ondiep water liggen. Hier worden de eieren aan water- en oeverplanten of aan ondergelopen gras afgezet. Voedsel Jonge ruisvoorn leeft voornamelijk van watervlooien. Naarmate de ruisvoorn groter wordt, schakelt hij geleidelijk over op grotere voedseldiertjes, zoals slakjes en kreeftachtigen. Ook in het water gevallen insecten worden gegeten; deze worden met de bovenstandige bek van de oppervlakte gehapt. Daarnaast behoort ook plantaardig materiaal tot het voedselpakket van de ruisvoorn. Zowel verschillende soorten zachte waterplanten als draad- en kiezelalgen vormen een groot deel van het dieet. Groei en leeftijd De ruisvoorn groeit in het eerste jaar tot gemiddeld 6 cm. In het tweede of derde jaar is de ruisvoorn geslachtsrijp bij een lengte van ca. 15 cm, de vrouwtjes later dan de mannetjes. De ruisvoorn kan een lengte van 45 cm bereiken. De maximale leeftijd ligt tussen 15 en 20 jaar. Voor een goede ontwikkeling van de eieren is de aanwezigheid van vegetatie essentieel; eieren die op de (meestal modderige) bodem terecht komen, gaan verloren. 44
45 - Bijlagen - SNOEK (Esox lucius) Leefomgeving De snoek is een soort van stilstaand of langzaam stromend water, zoals rivieren en brede beken. De snoek heeft een voorkeur voor helder water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten, die voldoende schuilgelegenheid biedt. Grotere exemplaren houden zich ook schuil achter obstakels. Voortplanting De paaitijd valt in de periode van half maart tot eind mei. Paaiplaatsen liggen in ondiep water waar (resten van) vegetatie aanwezig is, zoals ondergelopen grasland of oeverzones met riet en onderwaterplanten. Zowel voor het afzetten van de eieren als voor de opgroei van het broed is de aanwezigheid van vegetatie van groot belang. Indien niet voldoende schuilgelegenheid in de vorm van waterplanten in het opgroeigebied aanwezig is, vallen grote aantallen jonge snoekjes ten prooi aan grotere soortgenoten. Pas wanneer de snoek een lengte van meer dan 60 cm heeft bereikt, is hij veilig voor kannibalisme en niet langer gebonden aan de beschutting van waterplanten. Voedsel De larven van de snoek leven van kleine kreeftachtigen, zoals mosselkreeftjes, watervlooien en roeipootkreeftjes. Later wordt het voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al bij een lengte van 10 cm bestaat het voedsel voornamelijk uit visjes en andere gewervelde dieren, zoals kikkers. Onder uitzonderlijke omstandigheden worden ook wel ongewervelde dieren gegeten. Groei en leeftijd De snoek is een snelle groeier. Binnen een jaar wordt een gemiddelde lengte bereikt van ongeveer 22 cm. Mannetjes worden bij een lengte van ca. 30 cm geslachtsrijp, vrouwtjes bij een lengte van cm. Onder gunstige omstandigheden kan de snoek binnen een jaar een lengte van 35 cm bereiken en is dan na één jaar al geslachtsrijp. De maximale lengte van de snoek is 1,40 meter. Dit geldt dan voor vrouwtjes. Mannetjes worden niet groter dan 85 cm. De maximale leeftijd van de snoek is ca. 25 jaar. 30 januari
46 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De zeelt is een bewoner van stilstaand of traag stromend water met een zachte modderbodem en een goed ontwikkelde vegetatie met (onder)water- en oeverplanten. De zeelt is een vrij algemene vissoort, die voorkomt in tal van watertypen, zoals grote meren en plassen, rivieren, kanalen, sloten en beken. Een harde zandige of stenige bodem, troebel water, matige of sterke stroming en grote diepte maken een water als leefgebied voor de zeelt minder geschikt. De zeelt verdraagt hoge watertemperaturen, lage zuurstofconcentraties en hoge ph-waarden; tegen organische vervuiling lijkt de zeelt dan ook redelijk bestand. De zeelt is lichtschuw en zoekt vooral 's nachts naar voedsel. Overdag houdt hij zich gewoonlijk schuil tussen de waterplanten of in de modder. In de winter of 's zomers, als het erg warm is, doet de zeelt dit ook 's nachts. Voortplanting De paaitijd valt laat, in de maanden mei tot en met augustus. De watertemperatuur dient minimaal 18 C te zijn, voordat de zeelt tot het afzetten van de eitjes overgaat. Zeelten paaien in groepjes tegelijk. De eitjes worden niet in één keer afgezet, maar met tussenpozen van enkele dagen. ZEELT (Tinca tinca) uitgekomen larven. De aanwezigheid van waterplanten is dan ook van essentieel belang. Voedsel De larven van de zeelt leven in eerste instantie van zoöplankton. Later eten zij ook kleine muggenlarven, wormpjes en slakkeneieren. Volwassen zeelten zijn alleseters, maar zoeken bij voorkeur in de bodem naar voedsel; de beide tastharen naast de bek wijzen hierop. Naast slakjes, kreeftachtigen, wormpjes, watervlooien en muggenlarven maken ook plantendelen, algen en detritus deel uit van het voedselpakket. Groei en leeftijd De groei van de zeelt is betrekkelijk traag en sterk afhankelijk van de omstandigheden. De lengte na het eerste groeiseizoen varieert meestal tussen 3 en 6 cm, maar kan ook 12 cm bedragen. De mannetjes groeien trager dan de vrouwtjes. De zeelt is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp bij een lengte van 9,5 cm (mannetjes) en 12,5 cm (vrouwtjes). De maximale lengte is ca. 60 cm en de maximale leeftijd 15 à 20 jaar. De gehele paaiperiode kan, afhankelijk van de omstandigheden, meer dan een week duren. Er wordt alleen gepaaid boven waterplanten, waaraan de zeer kleverige eitjes zich vasthechten. Eitjes die op de modderige bodem terecht komen, sterven vrijwel altijd af; dit geldt ook voor de pas 46
47
48 Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven
49 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten
50
51 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Op 30 januari 2007 uitgevoerd in opdracht van de Federatie Door: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak
52 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus AD BILTHOVEN Telefoon Telefax Homepage Opdrachtgever Federatie Telefoon Homepage Auteur(s) M. v. Breugel & G.A.J. de Laak adres Aantal pagina s 46 Trefwoorden Visstandbemonstering, onderzoek, Stobbeplas, Versie Definitief Projectnummer AB Registratienummer 5033 Datum Datum oplevering 2 augustus 2007 Bibliografische referentie: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak, Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten. Sportvisserij Nederland, Bilthoven in opdracht van Federatie. Sportvisserij Nederland, Bilthoven Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder en de Federatie. Sportvisserij Nederland is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Sportvisserij Nederland.
53 Samenvatting Op 30 januari 2007 is op verzoek van Federatie door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De visstandbemonstering werd uitgevoerd door middel van een staand want- en een elektrovisserij. De Stobbeplas kenmerkt zich door een grote gemiddelde diepte, rechtlijnige oevers en een matige oeverbegroeiing. De visstand in de Stobbeplas bestaat qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn en karper. De visstand in de Stobbeplas behoort tot het blankvoorn brasem viswatertype. Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand en de inrichting van het water zijn onder meer: Niet evenwichtig opgebouwde visstand; vissen met een lengte tussen de 20 en 40 centimeter ontbreken; gebrek aan ondiepe oeverzones met beschutting; aalscholverpredatie. In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van de Stobbeplas op het gebied van het visstandbeheer en de inrichting van het water. De aanbevelingen hebben betrekking op: Uitzetten van vissoorten als bijvoorbeeld zeelt. Verjongen en meer variatie aanbrengen in het karperbestand. Aanbrengen takkenbossen voor meer beschutting van vis tegen predatie van de aalscholver. Het herinrichten van de zuidoost-oever. Verbeteren sportvisserijmogelijkheden door de aanleg van vissteigers, parkeerplaatsen en wandelpaden.
54
55 Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding Leeswijzer Algemene gegevens Gebiedsbeschrijving Visrecht en bevissing Gevoerd beheer Viswatertypering en draagkracht Typering van de Stobbeplas Draagkracht van de Stobbeplas Uitvoering van het visserijkundig onderzoek Visstandbemonstering Visonderzoek en gegevensverwerking Resultaten visserijkundig onderzoek Soortensamenstelling Lengte-frequentie en conditie Bespreking en knelpunten Bespreking Knelpunten Aanbevelingen Visstandbeheer Inrichtingsmaatregelen Evaluatieonderzoek Literatuur Bijlagen... 37
56
57 - Inleiding - 1 Inleiding Op verzoek van Federatie is op 30 januari 2007 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas te Lutten. Topografische ondergrond: Topografische Dienst, Emmen Figuur 1.1 Overzichtskaart Stobbeplas te Lutten. 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het aanvragen van een visserijkundig onderzoek is het feit dat de samenstelling van de visstand op de plas niet inzichtelijk is. Hierdoor is het voor de Federatie niet mogelijk om streefbeelden voor de ontwikkeling van de visstand in de Stobbeplas vast te stellen. Vast staat dat de Stobbeplas een zeer belangrijke functie heeft voor de sportvissers met name karpervissers- in het gebied. De Karperstudiegroep Regio Zwolle organiseert langs de Stobbeplas zelfs jaarlijks een meerdaags jeugdkamp voor de jongste karpervissers. Uit de vangsten tijdens het jeugdkamp blijkt dat er zeer veel jonge schubkarpers 30 januari
58 - Stobbeplas te Lutten- tot 40 centimeter op de plas zwemmen. Dit duidt op een mogelijke natuurlijke aanwas van de karperstand. Op zichzelf een relatief zeldzaam fenomeen in het Nederlandse binnenwater, waar de paai en ontwikkeling van karper ofwel mislukt door de koele zomers of de aanwezige roofvis decimeert de jonge karperstand volledig. De federatie neemt dan ook aan dat de roofvisbezetting zo laag is dat de aanwas niet meer wordt gereguleerd. Daarnaast wil de Federatie de bereikbaarheid en de bevisbaarheid van het water verbeteren. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het water, de bevissing en het gevoerde beheer in en rond de Stobbeplas. Een uitleg over de visstandtypering van de Nederlandse ondiepe en stilstaande wateren en meer informatie over de draagkracht van een water voor biomassa van vis is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het uitgevoerde onderzoek naar de visstand en de gegevensverwerking. Hoofdstuk 5 geeft de resultaten van de visstandbemonstering aan de hand van de soortsamenstelling, de lengte-frequentieverdeling en de conditie van de aangetroffen visstand. Vanuit de bespreking van de visstand in de Stobbeplas zijn knelpunten geformuleerd in Hoofdstuk 6. Met de knelpunten als vertrekpunt geeft hoofdstuk 7 aanbevelingen op het gebied van visstandbeheer en/of inrichtingsmaatregelen. Het rapport wordt afgesloten met bijlagen en een profiel van de aangetroffen vissoorten en in het rapport genoemde vissoorten. 10
59 - Algemene gegevens - 2 Algemene gegevens 2.1 Gebiedsbeschrijving De Stobbeplas ligt nabij Lutten in de gemeente Hardenberg in de provincie Overijssel. De plas is bereikbaar via de autoweg N377 tussen Dedemsvaart en Slagharen. Het water is ontstaan door zandwinning voor de aanleg van diezelfde autoweg. De naam dankt de plas aan de oude Stobbenplas die op een geheel andere plaats lag. Daar waar de Lutterbeek via het Bovenwater naar het westen stroomde en de Reest genoemd werd. Het water is zo n 500 meter lang en heeft een oppervlak van 6,4 hectare. De breedte is maximaal 200 meter. De gemiddelde diepte is onbekend. De grootste diepte is waarschijnlijk 6 meter. Het bodemprofiel is zeer grillig, er zijn ook zeer ondiepe delen, die in de zomer droogvallen. De bodem bestaat uit zand. Op de bodem bevindt zich een dunne modderlaag met een dikte van maximaal 10 centimeter. De totale oeverlengte is 1213 meter. De taludhelling is matig tot steil. Circa 50% van de oever is begroeid. Langs de oever staat riet, liesgras en biezen. Ook staan er verspreid langs het water wat struiken en bomen met inhangende takken. De rietkraag is gemiddeld 2 meter breed. In de Stobbeplas komen geen drijfbladplanten (zoals gele plomp) voor. Er staat geen stroming in het water. Het water wordt gevoed door regenen kwelwater. Er is geen waterinlaat of wateruitlaatpunt. Het water staat niet in verbinding met andere wateren in de omgeving. Vismigratie is dus niet mogelijk. 2.2 Visrecht en bevissing De eigenaar van de Stobbeplas is Staatsbosbeheer te Deventer. De visrechten van de Stobbeplas zijn, voor wat betreft het schubvisrecht, in bezit bij Hengelsportfederatie. Bij deze federatie zijn 77 hengelsportverenigingen aangesloten die gezamenlijk bijna leden tellen. De Stobbeplas is opgenomen in de Landelijke Lijst van Viswateren (Lijst van viswateren Noordoost Nederland). Om te vissen in de Stobbeplas moet de sportvisser lid zijn van een bij Sportvisserij Nederland aangesloten hengelsportvereniging. Men krijgt dan in ieder geval de VISpas en de Landelijke Lijst van Viswateren. Met de VISpas mag de sportvisser vissen met twee hengels en alle wettelijk toegestane aassoorten, tenzij anders aangegeven bij de wateren. Voor de Stobbeplas gelden de algemene voorwaarden in de Landelijke Lijst op pagina 2 en de aanvullende voorwaarden van de Federatie Oost- Nederland op pagina 75. Als aanvullende voorwaarde specifiek voor de Stobbeplas geldt: 30 januari
60 - Stobbeplas te Lutten- Het water alleen vanaf het Ommerkanaal toegankelijk is. In dit water mag niet gevoerd worden. Sportvissers die ook s nachts hun geluk willen beproeven aan de Stobbeplas vallen onder de Nachtvisregeling Landelijke lijst Werkgebied van Federatie Oost Nederland. Men dient dan in het bezit te zijn van de NachtVISpas en te vissen volgens de daarop vermelde voorwaarden. De NachtVISpas is aan te vragen bij de federatie. De statische karpervisser neemt relatief veel materiaal mee. In de Stobbeplas vissen hoofdzakelijk karpervissers die op afstand vissen. Op specifieke plaatsen langs de oever vissen zij veelal met twee hengels, voorzien van een vast lood-montage en elektronische beetverklikkers op karper. Om de karpers te verleiden tot een aanbeet worden over het algemeen boilies, maïs of andere zaden en granen gebruikt. De karpervisser vist zowel overdag als s nachts en maakt graag gebruik van een paraplu of klein tentje om materiaal op te bergen of te schuilen. Van de Stobbeplas zijn geen sportvisserij enquête gegevens bekend. Volgens de Federatie is de karper de favoriete vissoort in de Stobbeplas. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat de karper klein van formaat is en in grote hoeveelheden voorkomt. Over de hengeldruk en het voorkomen van witvis en roofvis op de Stobbeplas, is weinig bekend. 2.3 Gevoerd beheer Voor de Stobbeplas is geen visstandbeheerplan opgesteld. In de afgelopen jaren is geen vis uitgezet op de Stobbeplas. De visrechthebbenden willen in de komende tijd de visserijmogelijkheden (bereikbaarheid en bevisbaarheid) verbeteren. De waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheerder is het Waterschap Velt & Vecht. 12
61 - Viswatertypering en draagkracht - 3 Viswatertypering en draagkracht 3.1 Typering van de Stobbeplas De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich uiteindelijk kan ontwikkelen. De aanwezigheid van waterplanten is hierbij een belangrijke sturende factor. Waterplanten vervullen in meerdere opzichten een belangrijke functie voor de aanwezige visstand. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: bovenwaterplanten (emerse waterplanten, o.a. riet, lisdodde) onderwaterplanten (submerse waterplanten, o.a. waterpest, hoornblad) drijfbladplanten (o.a. gele plomp, waterlelie) Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden de vis daarnaast bescherming tegen predatoren (roofvis, visetende vogels) en beschutting tegen stroming. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten bevinden zich bovendien tal van organismen die een belangrijke voedselbron vormen voor vis. In een natuurlijke situatie is een geleidelijke overgang van land naar water te zien, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en vervolgens onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water beduidend beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten zijn in de regel indicatief voor helder water. Een water met een rijk waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende vissoorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water zal zich over het algemeen een soortenarme visstand ophouden, met waarschijnlijk brasem als meest voorkomende vissoort. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn door Sportvisserij Nederland onderverdeeld in vijf viswatertypen (zie ook figuur op de volgende bladzijde): het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype. 30 januari
62 - Stobbeplas te Lutten- De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water. Baarsblankvoorn viswatertype Ruisvoornsnoek viswatertype Snoekblankvoorn viswatertype Blankvoornbrasem viswatertype Brasemsnoekbaars viswatertype 14
63 - Viswatertypering en draagkracht - Bij het indelen van wateren in viswatertype wordt in eerste instantie een indeling gemaakt in ondiepe en diepe wateren. De grens tussen beide watertypen ligt bij een diepte van 4 a 5 meter. De diepe wateren kenmerken zich meestal door het voorkomen van een spronglaag. Omdat de Stobbeplas waarschijnlijk geen spronglaag heeft en de gemiddelde diepte niet dieper is dan circa 5 meter, wordt de Stobbeplas gerekend tot de ondiepe wateren. Maar het water heeft ook kenmerken van een diep viswatertype. De waterplantenontwikkeling is een belangrijk kenmerk voor de verdere indeling in viswatertypering. Tijdens de visstandbemonstering is door Sportvisserij Nederland ook een milieu-inventarisatie in de Stobbeplas uitgevoerd (zie onderstaande tabel). Hierbij zijn verschillende, voor vis belangrijke, parameters gemeten. Tabel 3.1 Milieugegevens gemeten tijdens de visstandbemonstering 30 januari O 2 verzadiging* 89% kleur water waargenomen: bruinig O 2 gehalte* 10,8 mg/l geur water waargenomen: neutraal Temperatuur* 6,0 o C bedekking bovenwater 2% waterplanten ph* 7, drijfblad 0% Geleidingsvermogen* 428 µs/cm onder water 0% Zichtdiepte* 120 cm groenalgen waargenomen: geen Calcium <2 mg/l blauwalgen waargenomen: geen chloride (Cl - ) <50 mg/l nitraat (NO - 3 ) 0 mg/l zuurbindend vermogen 1 mm/l * Zie ter vergelijking de Normdoelstelling Water voor Karperachtigen en Minimumkwaliteit in bijlage I. De resultaten van de milieu/bemonstering geven geen aanleiding om problemen met de waterkwaliteit te verwachten. De huidige situatie van de Stobbeplas: het blankvoorn - brasem viswatertype Omdat het water zowel kenmerken heeft van een ondiep viswatertype als het diep viswatertype is het indelen van de Stobbeplas in een viswatertype vrij lastig. De Stobbeplas wordt qua milieukenmerken getypeerd als het zogenaamde blankvoorn - brasem viswatertype (zie ook tabel viswatertypering). 30 januari
64 - Stobbeplas te Lutten- Dit viswatertype wordt gekenmerkt door een beperkte aanwezigheid van waterplanten en een doorzicht van circa 1 meter. Kenmerkende vissoorten van dit watertype zijn blankvoorn en brasem en de belangrijkste roofvis is de snoekbaars. De biomassa aan snoek en baars is in dit type relatief klein. 3.2 Draagkracht van de Stobbeplas Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogrammen per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het blankvoorn brasem-viswatertype is de draagkracht ongeveer 350 tot 600 kilogram vis per hectare, waarbij de spreiding in draagkracht afhankelijk is van de voedselrijkdom van het water (vooral het gevolg van de bodemsoort (zand, klei of veen). In de Stobbeplas lijkt de voedselrijkdom erg laag. Dit wordt veroorzaakt door de zandbodem. De draagkracht zal, bij een goede waterkwaliteit en inrichting van het water voor vis, rond de 350 tot 400 kilogram vis per hectare liggen. 16
65 - Viswatertypering en draagkracht - Tabel 3.2 Viswatertypering ondiepe, stilstaande en langzaam stromende wateren (Zoetemeyer & Lucas, 2001) viswatertype baars blankvoorn ruisvoorn snoek snoek blankvoorn blankvoorn brasem brasem snoekbaars planten bovenwater matig veel matig matig weinig - matig drijfblad weinig veel matig - veel weinig - matig geen - weinig onderwater matig veel weinig geen geen bedekking % 10-60% % 20-60% 10-20% 0-10% vissoorten aal baars + +/ bittervoorn* /- - blankvoorn + +/ brasem +/- +/ grote modderkruiper +/ /- - karper /- - kleine modderkruiper /- - kolblei +/- +/ kroeskarper +/ /- - kwabaal* + +/- +/- +/- - meerval* - +/ /- pos +/- +/ rivierdonderpad* + +/- +/- +/- - riviergrondel /- ruisvoorn +/ /- - snoek /- snoekbaars - - +/ stekelbaars (3d) /- - stekelbaars (10d) /- - vetje /- zeelt +/ /- - draagkracht kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha voedselrijkdom fosfaatgehalte (oligo)- mesotroof voedselarm <0,01 mg P/l (hyper-)eutroof zeer voedselrijk >0,1 mg P/l Ontwikkelingsmogelijkheden: - nauwelijks of geen +/- beperkt + voldoende ++ optimaal * bittervoorn: aanwezigheid van zoetwatermossels noodzakelijk voor de voortplanting. kwabaal: verbinding met diep, helder water noodzakelijk. meerval: rivierdonderpad: komt de laatste eeuwen vrijwel uitsluitend in het Haarlemmermeergebied voor. afhankelijk van stenig substraat in combinatie met waterturbulentie (bijv. stroming). 30 januari
66 - Stobbeplas te Lutten- 18
67 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - 4 Uitvoering van het visserijkundig onderzoek 4.1 Visstandbemonstering Tijdens de visstandbemonstering is een deel van de Stobbeplas, onder verantwoordelijkheid van Sportvisserij Nederland, door Visserijbedrijf Kalkman en Van Wijk met staand want bevist. De perken staand want hadden een gestrekte maaswijdte van 120 en 140 millimeter. Het staand want is met tussenpozen van ½ tot één uur leeggehaald en opnieuw geplaatst. Door de korte tijd dat het staand want in het water staat, ondervinden de vissen geen schade van dit vistuig. Bij een normale visserij met staand want, waarbij het want meer dan 12 uur staat, kan de sterfte van de gevangen vis aanzienlijk zijn. Tevens zijn, door medewerkers van Sportvisserij Nederland met een elektro-visapparaat met een vermogen van vijf kw, de oevers afgevist. De gevangen vis is direct met schepnetten overgebracht in teilen en naar de verwerkingsplaats gebracht. Figuur 4.1 Overzichtskaart uitgevoerde visserijen. De rode lijn is de beviste oeverlengte. De zwarte lijnen geven de positie van het staand want weer. 30 januari
68 - Stobbeplas te Lutten- Met het elektroaggregaat is circa 1100 meter van de oeverlengte bevist. 4.2 Visonderzoek en gegevensverwerking Alle gevangen vis werd kort voor het visserijkundig onderzoek in een speciale verdovingsvloeistof licht verdoofd. Hierdoor kon de vis gemakkelijk gemeten en gewogen worden zonder al te veel kans op beschadiging en stressverschijnselen. De gegevens zijn ingevoerd in het computerprogramma Piscaria. Piscaria is de landelijke databank de STOWA en Sportvisserij Nederland, waarin diverse onderzoeksbureaus, waterbeheerders en hengelsportorganisaties visserijgegevens invoeren. De databank wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is gekoppeld aan internationale netwerken. Voor meer informatie zie: Het programma Piscaria berekent vervolgens tabellen, aandeelgrafieken, lengtefrequentieverdelingen en conditiegrafieken volgens de door STOWA vastgestelde standaarden, welke aansluiten bij de Kaderrichtlijn water. Tabellen In tabel 5.1 wordt per vissoort de gevangen aantallen en de biomassa (gewicht) vermeld. De biomassa is bepaald aan de hand van een voor Nederland algemeen geldende Lengte-Gewichtsrelatie (Klein Breteler & de Laak, 2003). Van iedere vissoort is ook het berekende minimum en maximum gewicht vermeld. In de tabel zijn ook de minimum- en maximum lengtes van de gevangen vissen vermeld en ook het totaal aantal gevangen vissen en het berekende vangstgewicht. Aandeelgrafieken Het aandeel van de vissoort in de aantallen en in gewicht is in twee grafieken weergegeven. In de aantalsaandeelgrafiek wordt het aantal gevangen vissen op 100% gesteld en wordt het aandeel op aantalbasis van elke vissoort berekend. In de vangstaandeelsgrafiek wordt het vangstgewicht op 100% gesteld en wordt het aandeel op gewichtsbasis van elke vissoort hierin vermeld. Lengtefrequentiegrafiek Van de meest belangrijke vissoorten zijn lengtefrequentiegrafieken weergegeven in Hoofdstuk 5. Per centimeterklasse (X-as) worden de gevangen aantallen (Y-as) weergegeven. Conditie Van de belangrijkste gevangen vissoorten zijn de lengte en het individuele gewicht bepaald, zodat de conditie van een vis kan worden berekend. Als maat voor de conditie van de vis wordt genomen de verhouding tussen het gemeten gewicht en het "normaalgewicht" van de vis. Het normaalgewicht is door de (voormalige) OVB empirisch bepaald aan de hand van talrijke metingen van lengte en gewicht van vissen uit een reeks van wateren (Klein Breteler & de Laak, 2003). Wanneer de conditiefactor kleiner is dan 0,9 is de conditie van de vis onvoldoende. Ligt de conditiefactor tussen de 0,9 en 1,1 dan is de conditie voldoende. Is de conditiefactor groter dan 1,1 dan is de conditie goed. 20
69 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - Hoewel de Stobbeplas een zandwinput is, komen er wel mooie rietkragen voor Mooie exemplaren van de ruisvoorn werden dan ook in het riet gevangen Staand want kan goed toegepast worden op diepere wateren, zonder beschadigde vissen als de netten maar regelmatig gecontroleerd worden Pracht schubkarper 30 januari
70 - Stobbeplas te Lutten- 5 Resultaten visserijkundig onderzoek 5.1 Soortensamenstelling Tijdens de bemonstering van de Stobbeplas zijn in totaal 7 vissoorten gevangen. Er zijn 217 exemplaren gevangen, met een totaal gewicht van ongeveer 219 kilo. In de onderstaande tabellen zijn van de gevangen vissoorten het aantal, gewicht en de lengte weergegeven. Tabel 5.1 Gevangen vissoorten in de Stobbeplas Vissoort Aantal Gewicht (kg) Lengtespreiding (cm) Gewichtspreiding (gram) Baars 22 0, Brasem 6 7, Blankvoorn 1 0, Karper , Spiegelkarper 3 13, Aal/Paling 2 2, Rietvoorn/Ruisvoorn 101 1, ,0-246 Snoek 26 14, Totaal ,6 N.b. Hoewel karper en spiegelkarper geen aparte soorten zijn, worden ze in de bovenstaande tabel gescheiden weergegeven. De vangst bestond qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn (47% van het totaal aantal gevangen exemplaren, zie onderstaande linkergrafiek). Na ruisvoorn is karper de meest gevangen vissoort met een aandeel in de vangst van 26%. Qua gewicht bestond de vangst voor het grootste deel uit schubkarper (82%), snoek (7%) en spiegelkarper (6%, zie rechtergrafiek). Relatieve aantals-aandeel Snoek 12% Baars 10% Brasem 3% Spiegelkarper 1% Karper 26% Karper 82% Relatieve gewichts-aandeel Spiegelkarper 6% Paling 1% Ruisvoorn 1% Snoek 7% Baars <1% Ruisvoorn 47% Paling 1% Blankvoorn 0% Brasem 4% Blankvoorn <1% 22
71 - Resultaten visserijkundig onderzoek Lengte-frequentie en conditie Van de meest belangrijke vissoorten is de lengte-frequentie en de conditie in grafieken weergegeven. De grafieken zijn hieronder per vissoort toegelicht. Baars In totaal zijn 22 baarzen gevangen met een lengte die varieerde van 5 tot 29 centimeter. De conditie van de gevangen baarzen was voldoende. LF diagram voor Baars Conditiediagram voor Baars 8 1,5 7 6 Aantallen Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Blankvoorn Er is één blankvoorn gevangen met een lengte van 24 centimeter. De conditie van de gevangen blankvoorn was voldoende. Brasem In totaal zijn 6 brasems gevangen. De kleinste brasem had een lengte van 42 centimeter. De grootste brasem had een lengte van 52 centimeter. Opmerkelijk is dat er alleen grote brasems zijn gevangen. De conditie van de gevangen brasems was voldoende tot (zeer) goed. LF diagram voor Brasem Conditiediagram voor Brasem 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 30 januari
72 - Stobbeplas te Lutten- Karper In totaal zijn 56 schubkarpers gevangen met een lengte die varieerde van 43 tot 78 centimeter. De conditie van de gevangen karpers was voldoende. LF diagram voor Karper Conditiediagram voor Karper 6 1,5 5 4 Aantallen 3 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Spiegelkarper Van het type spiegelkarper zijn 3 exemplaren gevangen. De lengte van de vissen was 47, 50 en 80 centimeter. De conditie van de gevangen spiegelkarpers was voldoende. Het grootste exemplaar had een matige conditie. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door het type karper. Een slank type spiegelkarper heeft een lager gewicht bij dezelfde lengte als een hoog gebouwd type. In het veld werd de conditie van deze karper dan ook als normaal beoordeeld. LF diagram voor Spiegelkarper Conditiediagram voor Spiegelkarper 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 24
73 - Resultaten visserijkundig onderzoek - Ruisvoorn Van de meest voorkomende soort riet- of ruisvoorn zijn 101 exemplaren gevangen. De kleinste vissen hadden een lengte van 3 centimeter. Deze vissen met een lengte tot 7 centimeter behoren tot de 0+ jaarklasse. Dit zijn vissen die geboren zijn in het voorjaar van Vissen met een lengte van circa 10 centimeter zijn twee groeiseizoenen oud en vissen met een lengte tot 14 a 15 centimeter zijn 3 groeiseizoenen oud. Deze groei kan worden beoordeeld als een normale groei. De conditie van de gevangen ruisvoorns was matig tot voldoende. LF diagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn Conditiediagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn 30 1, Aantallen 15 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Snoek Van de roofvis snoek zijn 26 exemplaren gevangen. De grootste snoek had een lengte van 73 centimeter. De kleinste snoeken hadden een lengte van 17 tot 30 centimeter. Deze vissen behoren tot de 0+ jaarklasse. De conditie van de gevangen snoeken was voldoende. De conditie van de grootste snoeken was goed. Waarschijnlijk komt dit door de ontwikkeling van geslachtproducten, het zogenaamd paairijp worden. LF diagram voor Snoek Conditiediagram voor Snoek 4 1,5 3 Aantallen 2 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Overige soorten 30 januari 2007 In de Stobbeplas zijn ook nog twee alen of palingen gevangen. Deze vissen hadden een lengte van 78 en 91 centimeter. De conditie van de alen was goed. 25
74 - Stobbeplas te Lutten- 6 Bespreking en knelpunten 6.1 Bespreking Tijdens de visstandbemonstering in de Stobbeplas zijn 7 vissoorten gevangen. De soortdiversiteit is daarmee niet erg hoog. Gewoonlijk wordt tijdens een inventarisatie van één dag door Sportvisserij Nederland 11 vissoorten gevangen. De meeste soorten behoren tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper en aal. Van de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water) komen alleen ruisvoorn en snoek voor. Ruisvoorn is wel de meest gevangen soort tijdens deze bemonstering. Kleine baars en ruisvoorn zijn de meest voorkomende vissoorten qua aantallen. Van de blankvoorn is slechts één exemplaar gevangen. De conditie van ruisvoorn is matig tot voldoende. Van brasem werden alleen grote volwassen exemplaren gevangen. De conditie van deze grote brasems is voldoende tot (zeer) goed. Over de opbouw van de witvispopulatie kan gesteld worden dat er weinig juveniele (jonge) vissen zijn aangetroffen en dat er in het lengteklassetraject 20 tot 40 centimeter geen vissen zijn gevangen, op 1 blankvoorn na. De belangrijkste predator in de Stobbeplas is de snoek met een gewichtsaandeel in de vangst van circa 7%. Van deze vissoort zijn relatief veel jonge exemplaren gevangen. Vissen ouder dan 4 groeiseizoenen zijn relatief slecht vertegenwoordigd. De aanwezige oevervegetatie (met name riet) is een belangrijke factor in het voorkomen van jonge snoeken (0 + en 1 + jaarklasse). Tussen de begroeiing vinden de jonge exemplaren schuilgelegenheid tegen wegvraat door grotere soortgenoten en aalscholvers. Snoeken van 3 en 4 groeiseizoenen worden minder afhankelijk van de vegetatie en verplaatsen zich naar het open water. Waarschijnlijk komen er weinig grote snoeken in de Stobbeplas voor. Met de gebruikte visserijmethoden (elektrovisserij en staand want visserij) worden doorgaans wel grote snoeken gevangen als zij voorkomen op een water. Het vangstgewicht bestond voornamelijk uit karper (schub- en spiegelkarper samen 88%). Het aandeel eurytope (vissoorten die geen voorkeur hebben voor stroming en/of waterplanten) vissoorten in de biomassa is hierdoor erg hoog. Als in de Stobbeplas al jarenlang geen karper is uitgezet, dan is er waarschijnlijk sprake van natuurlijke rekrutering in bepaalde jaren. De aanwezigheid van een groep (cohort) karpers met een lengte van 43 tot en met 46 centimeter duidt hier op. Ook het cohort vissen met een lengte van circa 50 centimeter kan afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. 26
75 - Bespreking en knelpunten - Door de geringe aantallen vis die zijn aangetroffen is het moeilijk om iets over de populatie opbouw te zeggen, anders dan dat deze erg onevenwichtig is opgebouwd. 6.2 Knelpunten Visstand De soortensamenstelling van de visstand is weinig divers. Algemeen voorkomende soorten in soortgelijke wateren als bijvoorbeeld kolblei, pos en zeelt zijn niet aangetroffen. Ook soorten als bittervoorn en kleine modderkruiper kunnen in dit watertype voorkomen. In de lengtefrequentieverdeling van enkele (wit)vissoorten, zoals baars brasem, blankvoorn en ruisvoorn blijkt dat de populatie niet evenwichtig is opgebouwd. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Enerzijds is de hoeveelheid oever- en onderwatervegetatie in de Stobbeplas beperkt. In de herfst en winter sterft namelijk veel van de vegetatie af. Met name in de herfst en winter vinden veel jonge vissen niet voldoende schuilgelegenheid. Het belang van schuilgelegenheid (vegetatie en beschutting) wordt verder behandeld onder het kopje Inrichtingsmaatregelen van het volgende hoofdstuk en in het kader op de volgende bladzijde. Daarnaast speelt predatie door aalscholvers een rol. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat aalscholvers regelmatig de Stobbeplas bezoeken. Waterkwaliteit - kwantiteit Op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn er weinig knelpunten in de Stobbeplas. Ondanks de waterpeilschommelingen is er op een groot deel van de oever een rietkraag ontstaan Inrichting en onderhoud van het viswater Door een goede inrichting van het water is het mogelijk de productiviteit van het water te verhogen en de predatie door aalscholvers te verminderen. Om de productiviteit te verhogen dient op bepaalde delen van de oever de oevervegetatie gestimuleerd te worden. Daarnaast kan door het aanbrengen van beschutting (bomen) het areaal aan beschut leefgebied vergroot worden. Hierdoor wordt het jagen door aalscholvers bemoeilijkt. 30 januari
76 - Stobbeplas te Lutten- Ook het voorkomen van aalscholvers in wateren vormt een bedreiging voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de visstand. Aangezien de aalscholver een beschermde vogelsoort is, mogen slechts preventieve maatregelen worden genomen. Van belang is dat er voor vissen voldoende structuren in het water zijn, die schuilmogelijkheid bieden. Ondiepe oeverzones met voldoende onderwaterplanten en open rietkragen zijn een toevluchtsoord voor vissen, maar onaantrekkelijk als jachtgebied voor aalscholvers. Natuurlijk heeft een dergelijke oever ook meerwaarde als paaiplaats en als schuilplaats voor jonge vis. Ook onder drijfbladplanten zoals de gele plomp kunnen vissen zich verschansen wanneer vogels hen belagen. Onderwaterstructuren zijn van groot belang voor vis. Niet alleen als schuilmogelijkheid tegen aalscholvers, maar ook voor diverse andere toepassingen. Zo kunnen onderwaterstructuren dienst doen als paaisubstraat en als foerageergebied (bijvoorbeeld voor een snoek die in hinderlaag ligt). Daarnaast vormen onderwaterstructuren een goede ondergrond voor mosseltjes en (draad)algen om op te groeien, wat door vissen weer als voedselbron gebruikt kan worden. Als onderwaterstructuren kunnen bijvoorbeeld bomen, takkenbossen (rijshout) of oude kerstbomen worden gebruikt. Indien onderwaterstructuren worden geplaatst dienen wel waarschuwingsborden of markeringen te worden geplaatst, zodat sportvissers deze structuren kunnen vermijden. Bij voorkeur moeten in het relatief kleine water de structuren in de oeverzones worden aangebracht. Figuur 6.1 In de oeverzone aangebrachte bomen, takken en andere onderwaterstructuren bieden vissen een schuilplaats en beschutting tegen de aalscholver. 28
77 - Aanbevelingen - 30 januari
78 - Stobbeplas te Lutten- 7 Aanbevelingen 7.1 Visstandbeheer De huidige visstand is een afspiegeling van de situatie op de Stobbeplas. Het uitzetten van vis op de Stobbeplas lijkt weinig zinvol door de aanwezigheid van aalscholvers. Visuitzettingen hebben meestal ook maar een tijdelijk effect. Door het nemen van inrichtingsmaatregelen kan er een meer gevarieerd visbestand op de Stobbeplas ontstaan, met behoud van de aanwezigheid van de karperstand. Het lijkt alsof de karperpopulatie is opgebouwd uit een deel natuurlijke rekrutering. Aan de hand van hengelvangsten moet in de komende jaren nagegaan worden of dit vaker gebeurd. Mocht dit niet zo zijn, dan is op termijn een uitzetting van karper nodig, omdat de huidige populatie afneemt door natuurlijke sterfte. Om de visstand in de Stobbeplas wat meer variatie te geven, kan eventueel zeelt worden uitgezet. Om het karperbestand meer variatie te geven, kan overwogen worden spiegelkarpers uit te zetten. 7.2 Inrichtingsmaatregelen Op de Stobbeplas kunnen maatregelen genomen worden om de productiviteit te verhogen en om predatie door aalscholvers te voorkomen. Als mogelijke en haalbare mogelijkheden wordt geadviseerd om de oever in de zuidoosthoek te beschermen tegen vraat door vee en om verspreid langs de oever takkenbossen aan te brengen. Andere maatregelen om de aalscholverpredatie te voorkomen, zoals het plaatsen van zwarte zwanen en het met draden overspannen van de plas lijken niet te werken of zijn praktisch niet haalbaar. Herinrichten zuidoost-oever De zuidoost-oever wordt momenteel begraasd door vee. Dit vee drinkt ook uit de Stobbeplas, hierbij wordt de oever betreden en begraasd door het vee. Het gevolg is dat de vegetatie die daar groeit geen kans krijgt zich uit te breiden. Het effect daarvan is goed te zien op de bovenste foto van pagina 24. Op het bovenste deel is een begroeide oever te zien, op het deel na de afrastering houdt de begroeiing abrupt af. Voorgesteld wordt om de oever af te rasteren met prikkeldraad en/of schrikdraad en het vee te drenken met een weidepompinstallatie, eventueel op zonneenergie. Zodoende kan de vegetatie zich over een afstand van iets meer dan 200 meter ontwikkelen. Dit is een substantieel deel van de totale oeverlengte, zodat de maatregel ook effect moet hebben op de visstand. Aanbrengen takkenbossen Het aanbrengen van takkenbossen, zoals weegegeven in figuur 6.1, zal de vissen meer gelegenheid bieden te schuilen en daardoor is er minder predatie door de aalscholver. De maatregel is waarschijnlijk vrij eenvoudig uit te voeren met materiaal uit het omliggende bos. 30
79 - Aanbevelingen - Voorgesteld wordt om langs de zuidoever stroken van circa 20 meter breed in te richten met takken. Ook langs de noordoever kan hier en daar een dergelijke strook worden geplaatst. Sportvisserijmogelijkheden Naast de inrichting van het water door vis, moeten ook de sportvisserijmogelijkheden verbeterd worden. De Stobbeplas is momenteel moeilijk bereikbaar en voorzieningen ontbreken. Verschil tussen bereikbaarheid en bevisbaarheid In een aantal gevallen ontstaat onduidelijkheid over de definities bereikbaarheid en bevisbaarheid: De bereikbaarheid gaat over de weg die een sportvisser moet afleggen tot aan de oever waar gevist wordt, bijvoorbeeld vanaf de parkeerplaats tot aan de waterkant. De bevisbaarheid heeft betrekking op de te bevissen oever en het te bevissen water. Een oever kan bijvoorbeeld door een dichte rietkraag niet te bevissen zijn en het water kan door woekering van waterplanten moeilijk te bevissen zijn. Om de bereikbaarheid te verbeteren kan het bestaande wandelpad verbreed worden. Aan de wegzijde kunnen enkele parkeerplaatsen gecreëerd worden. Langs het water kunnen aan de zijde waar gevist mag worden, enkele visstekken (visplaatsen) aangelegd worden. Dit voorkomt dat sportvissers zelf open plekken gaan maken in bestaande begroeiing. Figuur 7.1 Een goed ingerichte visplaats tussen de rietkraag. De locatie van de eventueel aan te leggen visplaatsen kan het best gebeuren in overleg met ter plaatse bekende sportvissers. Overwogen kan worden om de visplaats die het dichtst bij de ingang ligt in te richten als mindervalide visplaats. Het lijkt overigens moeilijk om aan alle voorwaarden te voldoen die gesteld worden aan een goede mindervalide 30 januari
80 - Stobbeplas te Lutten- visstek aan de Stobbeplas (zie kader volgende bladzijde). Mindervalide en gehandicapte sportvissers kunnen tot verschillende sportvisserstypen behoren. Wat betreft de eisen en wensen die zij aan de visplek stellen, komen deze grotendeels overeen met de eisen en wensen per sportvisserstype. Echter, afhankelijk van de mobiliteit en handicap van de minder validen en gehandicapten stellen zij, als persoon, specifieke eisen aan de waterkant. Een korte opsomming van de eisen en wensen staat hieronder genoemd. Een nauwkeurigere beschrijvingen en tekeningen van verharde visplaatsen, vissteigers als ook materiaal, aanlegmethoden etc. staan uitvoerig beschreven in: Sportvisserij door gehandicapten en ouderen van de NVVS (NVVS, 1995). Openbaar vervoer Ontsluiting door openbaar vervoer. Afstand halte-visplaats maximaal meter. Parkeergelegenheid Afstand parkeerplaats-visplaats: maximaal meter. Voor rolstoel maximaal 50 meter. Afmeting parkeerplaats: 3,50 meter breed en 5 meter lang. Parkeerplaats van gesloten verharding. Trottoir-oprit Minimale breedte: 0,90 meter. Maximale helling 1:6. Niveauverschil maximaal: 0,10 meter. Toegangsweg Goed bereikbaar, geen obstakels. Materiaal: gesloten verharding (geen klinkers, trottoirtegels). Breedte toegangsweg: 1,20 meter. Toegangsweg (hellend) Helling niet steiler dan 1:20, niet langer van 9 meter. Steenslag, roodsplit ed. niet gebruiken. Langs toegangsweg een leuning (hoogte maximaal 0,83 meter). Trappen in talud verwerken (breedte 1,20 meter) (niet geschikt voor rolstoelen). Situering/constructie Bij voorkeur aan de zuidwestoever van het viswater. Zichtbaar voor passanten en/of in nabijheid van andere visplaatsen. Waterdiepte: minimaal 1,50 meter. Gemiddeld waterpeil ten hoogste 0,30 meter onder maaiveld. Gesloten verharding of houten vloer (geen klinkers, trottoirtegels). Houten vloer bewerken tegen gladheid (bitumen, schelpgruis). Afmeting oeverstrook: tenminste 2,50 meter lang en minimaal 1,50 meter breed. Veiligheid Aanbrengen van stootbalken. Op stootbalken een hekwerk bevestigen (hoogte 0,45 meter). 32
81 - Aanbevelingen - Daarnaast dienen bij de visstekken en de ingang afvalbakken geplaatst te worden. Met SBB of de gemeente moeten afspraken gemaakt worden over het legen van de bakken en de frequentie van het legen. Het plaatsen van afvalbakken en controle kan dit soort taferelen aan de Stobbeplas voorkomen. Naast het plaatsen van afvalbakken dient er regelmatig controle van de visdocumenten en het opruimen van afval plaats te vinden door de politie en/of speciaal daarvoor opgeleide opsporingsambtenaren (BOA s). Sportvissers die last ondervinden van hangjongeren moet geadviseerd worden de politie te bellen. 7.3 Evaluatieonderzoek Hengelvangstregistratie Aanbevolen wordt om in combinatie met de uitzetting van vis ook een hengelvangst-registratieprogramma op te zetten. Een goed uitgevoerde hengelvangstregistratie kan inzicht verschaffen in een mogelijke afname of toename van de visbezetting en kan daarnaast zelfs een verschuiving in de soortensamenstelling aantonen. Op deze manier is het mogelijk te achterhalen of de karper regelmatig paait en broedsucces heeft. Is dit het geval, dan hoeft er geen karper uitgezet te worden. Ook kan hiermee worden aangetoond of de herinrichting van de oevers het gewenste effect op de visstand hebben. Vervolgonderzoek Eventueel kan over een aantal jaren weer een visserijkundig onderzoek 30 januari
82 - Stobbeplas te Lutten- worden uitgevoerd, om opnieuw de samenstelling en kwaliteit van de visstand vast te leggen. Er kan dan worden bekeken in hoeverre de voorgestelde maatregelen zijn uitgevoerd en wat voor effect deze maatregelen op de visstand hebben gehad. Ook kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen wenselijk zijn. 34
83 - Literatuur - Literatuur Eck, G. van, Interne rapportage visserijkundig onderzoek Stobbeplas. Sportvisserij Nederland, afdeling Advisering en Begeleiding. Klein Breteler, J.G.P. & G.A.J. de Laak, Lengte-gewichtsrelaties Nederlandse vissoorten. OVB onderzoeksrapport OND00074, 13p. Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, Nieuwegein. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij (LNV), directie Openluchtrecreatie, Vormgeving en inrichting viswater. s Gravenhage. Spiegel, A. van der, Visgemeenschappen van het stilstaande water. In Quak, J. en A. van der Spiegel (eds.). Cursus Visstandbeheer en Integraal Waterbeheer. Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij STOWA, Handboek Visstandbemonstering. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer. Rapport 2002/07. STOWA, Utrecht. Zoetemeyer, R.B., & B.J. Lucas, De OVB-viswatertypering deel 1: Ondiepe wateren. Vis & Water magazine Jaargang 1, nr 4, december Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij 30 januari
84
85 - Bijlagen - Bijlagen Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit...38 Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten januari
86 - Stobbeplas te Lutten- Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit Parameter Norm Functie viswater (normdoelstelling water voor karperachtigen) 1 Algemeen ecologische functie (Minimumkwaliteit MTR 2 ) Temperatuur water max. 28,0 C max. 25,0 C Zuurstofgehalte 50% >7,0 mg/l min. 5,0 mg/l 1 Doorzicht --- gem. 0,4 m (zomer) Chlorofyl --- gem. 100,0 µg/l (zomer) Biochemisch max. 10,0 mg/l --- zuurstofgebruik ph 6,0-9,0 SE 6,5-9,0 SE Zwevende stof < 25,0 mg/l --- Ammonium (NH4-N) <= 1 (4,0) mg/l NH Totaal fosfaat gem. 0,2 mg/l gem. 150 µg/l (zomer) Totaal stikstof --- gem. 2,2 mg /l (zomer) Ammoniak (NH3-N) < 0,025 mg/l NH 3 max. 0,02 mg/l Nitriet 0,03 mg/l NO Totaal koper 3 0,04 mg/l Cu max. 3,0 µg/l Totaal zink 3 1 mg/l Znl max. 30 µg/l Chloride --- max. 200 mg/l (zoet water) 1 RICHTLIJN 2006/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water. Nitriet en koper Richtwaarden, overige parameters: Bindende waarden. 2 MTR = Maximaal Toelaatbaar Risico 3 Afhankelijk van de hardheid van het water 38
87 - Bijlagen - Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten BAARS (Perca fluviatilis) Leefomgeving De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 50 tot 200 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Toch komt de baars ook in kleinere wateren voor. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is favoriet, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten in de oeverzone op. Voortplanting De paaitijd valt in de maanden maart, april en mei, bij een watertemperatuur van meer dan 8 C. Vooral ondergelopen gebieden, waar de temperatuur in het ondiepe water snel kan stijgen, zijn geliefd als paaiplaats, maar ook tal van andere ondiepe plekken zijn geschikt. Voedsel De jonge baars leeft voornamelijk van dierlijk plankton. Later worden hier ook andere ongewervelde dieren, zoals aasgarnalen en vlokreeften, aan toegevoegd. Wanneer de baars een lengte van meer dan 10 cm heeft bereikt, gaat vis(broed) in toenemende mate deel uitmaken van het voedselpakket. Baars heeft een grote voorkeur voor spiering en kleinere soortgenoten. Groei en leeftijd De groei in het eerste jaar bedraagt 6 tot 8 cm. De mannetjes zijn na 2 jaar geslachtsrijp, bij een lengte van 15 cm; vrouwtjes een jaar later, bij een lengte van 20 cm. De maximale lengte is 50 cm. In het IJsselmeer wordt de baars niet ouder dan 6 jaar. 30 januari
88 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De brasem is een zeer algemene vissoort in het Nederlandse binnenwater, die zowel in zoet als in brak water voorkomt. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Eutrofiëring (vermesting) van het binnenwater heeft ertoe geleid dat de brasemstand sterk is toegenomen. De brasem is tegenwoordig de meest karakteristieke vis voor onze (zeer) voedselrijke wateren met weinig waterplanten en een overmatige algengroei. De brasem wordt echter ook aangetroffen in helder, plantenrijk water. Hier vinden we meestal kleinere populaties, die vooral bestaan uit goed groeiende en relatief veel grote exemplaren. Het optimale leefgebied van de brasem kenmerkt zich door afwisseling tussen ruim, open water waarin de brasem in scholen naar voedsel zoekt en ondiepe, begroeide oeverzones, waar de paai- en opgroeigebieden zich bevinden. BRASEM (Abramis brama) Voedsel Brasemlarven voeden zich in eerste instantie hoofdzakelijk met dierlijk plankton. Wanneer zij een lengte van ongeveer 2 cm hebben bereikt, komen ook kleine muggenlarven in het dieet voor. Brasem heeft een voorkeur voor bodemvoedsel, zoals larven van muggen en andere insecten, wormpjes, slakken en mosseltjes. Bij een gebrek aan bodemorganismen kan de brasem overschakelen op een dieet van zoöplankton en plantaardig materiaal. Dankzij een geraffineerd zeefsysteem, gevormd door kieuwboog met aanhangsels, is de brasem beter dan andere vissoorten in staat om watervlooien en andere kleine organismen als voedselbron te benutten. Groei en leeftijd De groei van de brasem is onder andere afhankelijk van de watertemperatuur en het voedselaanbod. Een slechte groei treedt op als de dichtheden (aantallen brasems per hectare) erg hoog worden en daarmee sterke voedselconcurrentie optreedt. Onder optimale omstandigheden (veel voedsel, weinig concurrentie) kan brasem zeer snel groeien. Voortplanting In de paaitijd, die loopt van eind april tot midden juni, gaat de brasem op zoek naar geschikte paaiplaatsen. De eieren worden bij voorkeur afgezet op ondergedoken waterplanten of oeverplanten, maar bij afwezigheid daarvan worden ook boomwortels, stenen en andere obstakels, zoals houten paaltjes, autobanden en oude fietsen, als afzetsubstraat gebruikt. De brasem is daarom niet gebonden aan de aanwezigheid van waterplanten. Al na enkele dagen vormen de larven scholen in het ondiepe water. 40 In het eerste jaar is de groeisnelheid in Nederland gemiddeld 5 tot 7 cm. Bij een goede groei bereikt de tweejarige brasem een lengte van 12 cm en wordt een lengte van 40 cm na 8 jaar gehaald. De brasem is na 6 tot 7 jaar geslachtsrijp. De maximale lengte is 80 cm bij een gewicht van ongeveer 10 kg. De maximale leeftijd is ca. 15 jaar.
89 - Bijlagen - BLANKVOORN (Rutilus rutilus) Leefomgeving De blankvoorn is een vis van zowel stilstaand als stromend water, die in vele watertypen algemeen voorkomt. Zelfs in snelstromende wateren kan deze soort worden aangetroffen. Wel houdt de blankvoorn zich daar bij voorkeur in de stromingsluwe gedeelten op. De blankvoorn zoekt zijn voedsel in scholen in de buurt van begroeiing, maar ook wel in het diepere, open water. De blankvoorn is redelijk bestand tegen eutrofiering en vervuiling en lijkt bij uitstek te kunnen profiteren van veranderende omstandigheden. Zo kon in vele beken, waar deze soort van nature niet of slechts in geringe mate voorkwam, de blankvoornstand enorm toenemen, terwijl karakteristieke beekvissoorten daar sterk in aantal achteruit zijn gegaan of geheel zijn verdwenen. Voortplanting In de paaitijd, die doorgaans in april en mei valt, maar die tot in de zomer kan doorlopen, gaat de blankvoorn op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Deze liggen veelal dicht onder de oever in zwak stromend, ondiep water met beschutting tegen golfslag. De eieren worden afgezet op ondergedoken waterplanten, maar ook oeverplanten, boomwortels, stenen en andere obstakels worden als afzetsubstraat gebruikt. Zowel larven als juvenielen blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing. Hierdoor is de blankvoorn sterker dan brasem gebonden aan wateren met begroeiing. Voedsel Het voedsel van jonge blankvoorn beslaat uit zoöplankton, in het bijzonder watervlooien. Oudere blankvoorn heeft een aanzienlijk uitgebreider voedselpakket. Zowel dierlijk voedsel, zoals slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen, als plantaardig materiaal, zoals algen en detritus, worden gegeten. Groei en leeftijd De blankvoorn bereikt in het eerste jaar een lengte van 5 tot 7 cm. Onder gemiddelde omstandigheden is de blankvoorn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 tot 5 jaar, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De lengte is dan rond 15 cm. De maximale lengte is 45 cm en de maximale leeftijd ca. 10 jaar. 30 januari
90 - Stobbeplas te Lutten- KARPER (Cyprinus carpio) Leefomgeving De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe plaatsen ophoudt. Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper uit de Donau of uit Klein- Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers voor. In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld. Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor, zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen. Voortplanting De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit. Voedsel De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden. Groei en leeftijd Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is 120 cm. 42
91 - Bijlagen - Leefomgeving De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij voor in vrijwel ieder watertype, van diepe, stilstaande wateren tot in de bovenloop (de forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij, als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee kan trekken. De lichtschuwe aal is vooral in de schemering en 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten, boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar. Voortplanting De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water doorbrengt, maar zich in zee voortplant. Als Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot volwassen aal opgroeien. Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang. AAL of PALING (Anguilla anguilla) Voedsel Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden, zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd. Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien. Groei en leeftijd De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm, vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm. Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes varieert van 7-18 jaar. De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65 kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan 50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar. 30 januari
92 - Stobbeplas te Lutten- RUISVOORN (Scardinius erythrophthalmus) Leefomgeving De ruisvoorn is een vis van helder, stilstaand of langzaam stromend water dat rijk begroeid is met oever- en onderwaterplanten, afgewisseld met open stukken. Deze vis is vooral te vinden in de ondiepe oeverzone van vijvers, plassen, meren, kanalen en rivieren, waar hij zich meestal dicht onder de oppervlakte ophoudt. In beken is de ruisvoorn vooral te vinden in het stroomluwe water van (afgesneden) meanders en molenkommen, waar zich vegetatie kan ontwikkelen. Hier kan de ruisvoorn wel in redelijke aantallen voorkomen. Voortplanting De paaitijd valt laat in het jaar, in de maanden mei tot en met juli, wanneer de watertemperatuur meer dan 15 C bedraagt. In deze periode trekt de ruisvoorn naar de paaiplaatsen in de oeverzone, die soms in zeer ondiep water liggen. Hier worden de eieren aan water- en oeverplanten of aan ondergelopen gras afgezet. Voedsel Jonge ruisvoorn leeft voornamelijk van watervlooien. Naarmate de ruisvoorn groter wordt, schakelt hij geleidelijk over op grotere voedseldiertjes, zoals slakjes en kreeftachtigen. Ook in het water gevallen insecten worden gegeten; deze worden met de bovenstandige bek van de oppervlakte gehapt. Daarnaast behoort ook plantaardig materiaal tot het voedselpakket van de ruisvoorn. Zowel verschillende soorten zachte waterplanten als draad- en kiezelalgen vormen een groot deel van het dieet. Groei en leeftijd De ruisvoorn groeit in het eerste jaar tot gemiddeld 6 cm. In het tweede of derde jaar is de ruisvoorn geslachtsrijp bij een lengte van ca. 15 cm, de vrouwtjes later dan de mannetjes. De ruisvoorn kan een lengte van 45 cm bereiken. De maximale leeftijd ligt tussen 15 en 20 jaar. Voor een goede ontwikkeling van de eieren is de aanwezigheid van vegetatie essentieel; eieren die op de (meestal modderige) bodem terecht komen, gaan verloren. 44
93 - Bijlagen - SNOEK (Esox lucius) Leefomgeving De snoek is een soort van stilstaand of langzaam stromend water, zoals rivieren en brede beken. De snoek heeft een voorkeur voor helder water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten, die voldoende schuilgelegenheid biedt. Grotere exemplaren houden zich ook schuil achter obstakels. Voortplanting De paaitijd valt in de periode van half maart tot eind mei. Paaiplaatsen liggen in ondiep water waar (resten van) vegetatie aanwezig is, zoals ondergelopen grasland of oeverzones met riet en onderwaterplanten. Zowel voor het afzetten van de eieren als voor de opgroei van het broed is de aanwezigheid van vegetatie van groot belang. Indien niet voldoende schuilgelegenheid in de vorm van waterplanten in het opgroeigebied aanwezig is, vallen grote aantallen jonge snoekjes ten prooi aan grotere soortgenoten. Pas wanneer de snoek een lengte van meer dan 60 cm heeft bereikt, is hij veilig voor kannibalisme en niet langer gebonden aan de beschutting van waterplanten. Voedsel De larven van de snoek leven van kleine kreeftachtigen, zoals mosselkreeftjes, watervlooien en roeipootkreeftjes. Later wordt het voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al bij een lengte van 10 cm bestaat het voedsel voornamelijk uit visjes en andere gewervelde dieren, zoals kikkers. Onder uitzonderlijke omstandigheden worden ook wel ongewervelde dieren gegeten. Groei en leeftijd De snoek is een snelle groeier. Binnen een jaar wordt een gemiddelde lengte bereikt van ongeveer 22 cm. Mannetjes worden bij een lengte van ca. 30 cm geslachtsrijp, vrouwtjes bij een lengte van cm. Onder gunstige omstandigheden kan de snoek binnen een jaar een lengte van 35 cm bereiken en is dan na één jaar al geslachtsrijp. De maximale lengte van de snoek is 1,40 meter. Dit geldt dan voor vrouwtjes. Mannetjes worden niet groter dan 85 cm. De maximale leeftijd van de snoek is ca. 25 jaar. 30 januari
94 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De zeelt is een bewoner van stilstaand of traag stromend water met een zachte modderbodem en een goed ontwikkelde vegetatie met (onder)water- en oeverplanten. De zeelt is een vrij algemene vissoort, die voorkomt in tal van watertypen, zoals grote meren en plassen, rivieren, kanalen, sloten en beken. Een harde zandige of stenige bodem, troebel water, matige of sterke stroming en grote diepte maken een water als leefgebied voor de zeelt minder geschikt. De zeelt verdraagt hoge watertemperaturen, lage zuurstofconcentraties en hoge ph-waarden; tegen organische vervuiling lijkt de zeelt dan ook redelijk bestand. De zeelt is lichtschuw en zoekt vooral 's nachts naar voedsel. Overdag houdt hij zich gewoonlijk schuil tussen de waterplanten of in de modder. In de winter of 's zomers, als het erg warm is, doet de zeelt dit ook 's nachts. Voortplanting De paaitijd valt laat, in de maanden mei tot en met augustus. De watertemperatuur dient minimaal 18 C te zijn, voordat de zeelt tot het afzetten van de eitjes overgaat. Zeelten paaien in groepjes tegelijk. De eitjes worden niet in één keer afgezet, maar met tussenpozen van enkele dagen. ZEELT (Tinca tinca) uitgekomen larven. De aanwezigheid van waterplanten is dan ook van essentieel belang. Voedsel De larven van de zeelt leven in eerste instantie van zoöplankton. Later eten zij ook kleine muggenlarven, wormpjes en slakkeneieren. Volwassen zeelten zijn alleseters, maar zoeken bij voorkeur in de bodem naar voedsel; de beide tastharen naast de bek wijzen hierop. Naast slakjes, kreeftachtigen, wormpjes, watervlooien en muggenlarven maken ook plantendelen, algen en detritus deel uit van het voedselpakket. Groei en leeftijd De groei van de zeelt is betrekkelijk traag en sterk afhankelijk van de omstandigheden. De lengte na het eerste groeiseizoen varieert meestal tussen 3 en 6 cm, maar kan ook 12 cm bedragen. De mannetjes groeien trager dan de vrouwtjes. De zeelt is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp bij een lengte van 9,5 cm (mannetjes) en 12,5 cm (vrouwtjes). De maximale lengte is ca. 60 cm en de maximale leeftijd 15 à 20 jaar. De gehele paaiperiode kan, afhankelijk van de omstandigheden, meer dan een week duren. Er wordt alleen gepaaid boven waterplanten, waaraan de zeer kleverige eitjes zich vasthechten. Eitjes die op de modderige bodem terecht komen, sterven vrijwel altijd af; dit geldt ook voor de pas 46
95
96 Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven
97 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten
98
99 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Op 30 januari 2007 uitgevoerd in opdracht van de Federatie Door: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak
100 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus AD BILTHOVEN Telefoon Telefax Homepage Opdrachtgever Federatie Telefoon Homepage Auteur(s) M. v. Breugel & G.A.J. de Laak adres Aantal pagina s 46 Trefwoorden Visstandbemonstering, onderzoek, Stobbeplas, Versie Definitief Projectnummer AB Registratienummer 5033 Datum Datum oplevering 2 augustus 2007 Bibliografische referentie: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak, Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten. Sportvisserij Nederland, Bilthoven in opdracht van Federatie. Sportvisserij Nederland, Bilthoven Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder en de Federatie. Sportvisserij Nederland is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Sportvisserij Nederland.
101 Samenvatting Op 30 januari 2007 is op verzoek van Federatie door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De visstandbemonstering werd uitgevoerd door middel van een staand want- en een elektrovisserij. De Stobbeplas kenmerkt zich door een grote gemiddelde diepte, rechtlijnige oevers en een matige oeverbegroeiing. De visstand in de Stobbeplas bestaat qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn en karper. De visstand in de Stobbeplas behoort tot het blankvoorn brasem viswatertype. Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand en de inrichting van het water zijn onder meer: Niet evenwichtig opgebouwde visstand; vissen met een lengte tussen de 20 en 40 centimeter ontbreken; gebrek aan ondiepe oeverzones met beschutting; aalscholverpredatie. In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van de Stobbeplas op het gebied van het visstandbeheer en de inrichting van het water. De aanbevelingen hebben betrekking op: Uitzetten van vissoorten als bijvoorbeeld zeelt. Verjongen en meer variatie aanbrengen in het karperbestand. Aanbrengen takkenbossen voor meer beschutting van vis tegen predatie van de aalscholver. Het herinrichten van de zuidoost-oever. Verbeteren sportvisserijmogelijkheden door de aanleg van vissteigers, parkeerplaatsen en wandelpaden.
102
103 Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding Leeswijzer Algemene gegevens Gebiedsbeschrijving Visrecht en bevissing Gevoerd beheer Viswatertypering en draagkracht Typering van de Stobbeplas Draagkracht van de Stobbeplas Uitvoering van het visserijkundig onderzoek Visstandbemonstering Visonderzoek en gegevensverwerking Resultaten visserijkundig onderzoek Soortensamenstelling Lengte-frequentie en conditie Bespreking en knelpunten Bespreking Knelpunten Aanbevelingen Visstandbeheer Inrichtingsmaatregelen Evaluatieonderzoek Literatuur Bijlagen... 37
104
105 - Inleiding - 1 Inleiding Op verzoek van Federatie is op 30 januari 2007 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas te Lutten. Topografische ondergrond: Topografische Dienst, Emmen Figuur 1.1 Overzichtskaart Stobbeplas te Lutten. 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het aanvragen van een visserijkundig onderzoek is het feit dat de samenstelling van de visstand op de plas niet inzichtelijk is. Hierdoor is het voor de Federatie niet mogelijk om streefbeelden voor de ontwikkeling van de visstand in de Stobbeplas vast te stellen. Vast staat dat de Stobbeplas een zeer belangrijke functie heeft voor de sportvissers met name karpervissers- in het gebied. De Karperstudiegroep Regio Zwolle organiseert langs de Stobbeplas zelfs jaarlijks een meerdaags jeugdkamp voor de jongste karpervissers. Uit de vangsten tijdens het jeugdkamp blijkt dat er zeer veel jonge schubkarpers 30 januari
106 - Stobbeplas te Lutten- tot 40 centimeter op de plas zwemmen. Dit duidt op een mogelijke natuurlijke aanwas van de karperstand. Op zichzelf een relatief zeldzaam fenomeen in het Nederlandse binnenwater, waar de paai en ontwikkeling van karper ofwel mislukt door de koele zomers of de aanwezige roofvis decimeert de jonge karperstand volledig. De federatie neemt dan ook aan dat de roofvisbezetting zo laag is dat de aanwas niet meer wordt gereguleerd. Daarnaast wil de Federatie de bereikbaarheid en de bevisbaarheid van het water verbeteren. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het water, de bevissing en het gevoerde beheer in en rond de Stobbeplas. Een uitleg over de visstandtypering van de Nederlandse ondiepe en stilstaande wateren en meer informatie over de draagkracht van een water voor biomassa van vis is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het uitgevoerde onderzoek naar de visstand en de gegevensverwerking. Hoofdstuk 5 geeft de resultaten van de visstandbemonstering aan de hand van de soortsamenstelling, de lengte-frequentieverdeling en de conditie van de aangetroffen visstand. Vanuit de bespreking van de visstand in de Stobbeplas zijn knelpunten geformuleerd in Hoofdstuk 6. Met de knelpunten als vertrekpunt geeft hoofdstuk 7 aanbevelingen op het gebied van visstandbeheer en/of inrichtingsmaatregelen. Het rapport wordt afgesloten met bijlagen en een profiel van de aangetroffen vissoorten en in het rapport genoemde vissoorten. 10
107 - Algemene gegevens - 2 Algemene gegevens 2.1 Gebiedsbeschrijving De Stobbeplas ligt nabij Lutten in de gemeente Hardenberg in de provincie Overijssel. De plas is bereikbaar via de autoweg N377 tussen Dedemsvaart en Slagharen. Het water is ontstaan door zandwinning voor de aanleg van diezelfde autoweg. De naam dankt de plas aan de oude Stobbenplas die op een geheel andere plaats lag. Daar waar de Lutterbeek via het Bovenwater naar het westen stroomde en de Reest genoemd werd. Het water is zo n 500 meter lang en heeft een oppervlak van 6,4 hectare. De breedte is maximaal 200 meter. De gemiddelde diepte is onbekend. De grootste diepte is waarschijnlijk 6 meter. Het bodemprofiel is zeer grillig, er zijn ook zeer ondiepe delen, die in de zomer droogvallen. De bodem bestaat uit zand. Op de bodem bevindt zich een dunne modderlaag met een dikte van maximaal 10 centimeter. De totale oeverlengte is 1213 meter. De taludhelling is matig tot steil. Circa 50% van de oever is begroeid. Langs de oever staat riet, liesgras en biezen. Ook staan er verspreid langs het water wat struiken en bomen met inhangende takken. De rietkraag is gemiddeld 2 meter breed. In de Stobbeplas komen geen drijfbladplanten (zoals gele plomp) voor. Er staat geen stroming in het water. Het water wordt gevoed door regenen kwelwater. Er is geen waterinlaat of wateruitlaatpunt. Het water staat niet in verbinding met andere wateren in de omgeving. Vismigratie is dus niet mogelijk. 2.2 Visrecht en bevissing De eigenaar van de Stobbeplas is Staatsbosbeheer te Deventer. De visrechten van de Stobbeplas zijn, voor wat betreft het schubvisrecht, in bezit bij Hengelsportfederatie. Bij deze federatie zijn 77 hengelsportverenigingen aangesloten die gezamenlijk bijna leden tellen. De Stobbeplas is opgenomen in de Landelijke Lijst van Viswateren (Lijst van viswateren Noordoost Nederland). Om te vissen in de Stobbeplas moet de sportvisser lid zijn van een bij Sportvisserij Nederland aangesloten hengelsportvereniging. Men krijgt dan in ieder geval de VISpas en de Landelijke Lijst van Viswateren. Met de VISpas mag de sportvisser vissen met twee hengels en alle wettelijk toegestane aassoorten, tenzij anders aangegeven bij de wateren. Voor de Stobbeplas gelden de algemene voorwaarden in de Landelijke Lijst op pagina 2 en de aanvullende voorwaarden van de Federatie Oost- Nederland op pagina 75. Als aanvullende voorwaarde specifiek voor de Stobbeplas geldt: 30 januari
108 - Stobbeplas te Lutten- Het water alleen vanaf het Ommerkanaal toegankelijk is. In dit water mag niet gevoerd worden. Sportvissers die ook s nachts hun geluk willen beproeven aan de Stobbeplas vallen onder de Nachtvisregeling Landelijke lijst Werkgebied van Federatie Oost Nederland. Men dient dan in het bezit te zijn van de NachtVISpas en te vissen volgens de daarop vermelde voorwaarden. De NachtVISpas is aan te vragen bij de federatie. De statische karpervisser neemt relatief veel materiaal mee. In de Stobbeplas vissen hoofdzakelijk karpervissers die op afstand vissen. Op specifieke plaatsen langs de oever vissen zij veelal met twee hengels, voorzien van een vast lood-montage en elektronische beetverklikkers op karper. Om de karpers te verleiden tot een aanbeet worden over het algemeen boilies, maïs of andere zaden en granen gebruikt. De karpervisser vist zowel overdag als s nachts en maakt graag gebruik van een paraplu of klein tentje om materiaal op te bergen of te schuilen. Van de Stobbeplas zijn geen sportvisserij enquête gegevens bekend. Volgens de Federatie is de karper de favoriete vissoort in de Stobbeplas. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat de karper klein van formaat is en in grote hoeveelheden voorkomt. Over de hengeldruk en het voorkomen van witvis en roofvis op de Stobbeplas, is weinig bekend. 2.3 Gevoerd beheer Voor de Stobbeplas is geen visstandbeheerplan opgesteld. In de afgelopen jaren is geen vis uitgezet op de Stobbeplas. De visrechthebbenden willen in de komende tijd de visserijmogelijkheden (bereikbaarheid en bevisbaarheid) verbeteren. De waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheerder is het Waterschap Velt & Vecht. 12
109 - Viswatertypering en draagkracht - 3 Viswatertypering en draagkracht 3.1 Typering van de Stobbeplas De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich uiteindelijk kan ontwikkelen. De aanwezigheid van waterplanten is hierbij een belangrijke sturende factor. Waterplanten vervullen in meerdere opzichten een belangrijke functie voor de aanwezige visstand. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: bovenwaterplanten (emerse waterplanten, o.a. riet, lisdodde) onderwaterplanten (submerse waterplanten, o.a. waterpest, hoornblad) drijfbladplanten (o.a. gele plomp, waterlelie) Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden de vis daarnaast bescherming tegen predatoren (roofvis, visetende vogels) en beschutting tegen stroming. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten bevinden zich bovendien tal van organismen die een belangrijke voedselbron vormen voor vis. In een natuurlijke situatie is een geleidelijke overgang van land naar water te zien, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en vervolgens onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water beduidend beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten zijn in de regel indicatief voor helder water. Een water met een rijk waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende vissoorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water zal zich over het algemeen een soortenarme visstand ophouden, met waarschijnlijk brasem als meest voorkomende vissoort. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn door Sportvisserij Nederland onderverdeeld in vijf viswatertypen (zie ook figuur op de volgende bladzijde): het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype. 30 januari
110 - Stobbeplas te Lutten- De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water. Baarsblankvoorn viswatertype Ruisvoornsnoek viswatertype Snoekblankvoorn viswatertype Blankvoornbrasem viswatertype Brasemsnoekbaars viswatertype 14
111 - Viswatertypering en draagkracht - Bij het indelen van wateren in viswatertype wordt in eerste instantie een indeling gemaakt in ondiepe en diepe wateren. De grens tussen beide watertypen ligt bij een diepte van 4 a 5 meter. De diepe wateren kenmerken zich meestal door het voorkomen van een spronglaag. Omdat de Stobbeplas waarschijnlijk geen spronglaag heeft en de gemiddelde diepte niet dieper is dan circa 5 meter, wordt de Stobbeplas gerekend tot de ondiepe wateren. Maar het water heeft ook kenmerken van een diep viswatertype. De waterplantenontwikkeling is een belangrijk kenmerk voor de verdere indeling in viswatertypering. Tijdens de visstandbemonstering is door Sportvisserij Nederland ook een milieu-inventarisatie in de Stobbeplas uitgevoerd (zie onderstaande tabel). Hierbij zijn verschillende, voor vis belangrijke, parameters gemeten. Tabel 3.1 Milieugegevens gemeten tijdens de visstandbemonstering 30 januari O 2 verzadiging* 89% kleur water waargenomen: bruinig O 2 gehalte* 10,8 mg/l geur water waargenomen: neutraal Temperatuur* 6,0 o C bedekking bovenwater 2% waterplanten ph* 7, drijfblad 0% Geleidingsvermogen* 428 µs/cm onder water 0% Zichtdiepte* 120 cm groenalgen waargenomen: geen Calcium <2 mg/l blauwalgen waargenomen: geen chloride (Cl - ) <50 mg/l nitraat (NO - 3 ) 0 mg/l zuurbindend vermogen 1 mm/l * Zie ter vergelijking de Normdoelstelling Water voor Karperachtigen en Minimumkwaliteit in bijlage I. De resultaten van de milieu/bemonstering geven geen aanleiding om problemen met de waterkwaliteit te verwachten. De huidige situatie van de Stobbeplas: het blankvoorn - brasem viswatertype Omdat het water zowel kenmerken heeft van een ondiep viswatertype als het diep viswatertype is het indelen van de Stobbeplas in een viswatertype vrij lastig. De Stobbeplas wordt qua milieukenmerken getypeerd als het zogenaamde blankvoorn - brasem viswatertype (zie ook tabel viswatertypering). 30 januari
112 - Stobbeplas te Lutten- Dit viswatertype wordt gekenmerkt door een beperkte aanwezigheid van waterplanten en een doorzicht van circa 1 meter. Kenmerkende vissoorten van dit watertype zijn blankvoorn en brasem en de belangrijkste roofvis is de snoekbaars. De biomassa aan snoek en baars is in dit type relatief klein. 3.2 Draagkracht van de Stobbeplas Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogrammen per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het blankvoorn brasem-viswatertype is de draagkracht ongeveer 350 tot 600 kilogram vis per hectare, waarbij de spreiding in draagkracht afhankelijk is van de voedselrijkdom van het water (vooral het gevolg van de bodemsoort (zand, klei of veen). In de Stobbeplas lijkt de voedselrijkdom erg laag. Dit wordt veroorzaakt door de zandbodem. De draagkracht zal, bij een goede waterkwaliteit en inrichting van het water voor vis, rond de 350 tot 400 kilogram vis per hectare liggen. 16
113 - Viswatertypering en draagkracht - Tabel 3.2 Viswatertypering ondiepe, stilstaande en langzaam stromende wateren (Zoetemeyer & Lucas, 2001) viswatertype baars blankvoorn ruisvoorn snoek snoek blankvoorn blankvoorn brasem brasem snoekbaars planten bovenwater matig veel matig matig weinig - matig drijfblad weinig veel matig - veel weinig - matig geen - weinig onderwater matig veel weinig geen geen bedekking % 10-60% % 20-60% 10-20% 0-10% vissoorten aal baars + +/ bittervoorn* /- - blankvoorn + +/ brasem +/- +/ grote modderkruiper +/ /- - karper /- - kleine modderkruiper /- - kolblei +/- +/ kroeskarper +/ /- - kwabaal* + +/- +/- +/- - meerval* - +/ /- pos +/- +/ rivierdonderpad* + +/- +/- +/- - riviergrondel /- ruisvoorn +/ /- - snoek /- snoekbaars - - +/ stekelbaars (3d) /- - stekelbaars (10d) /- - vetje /- zeelt +/ /- - draagkracht kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha voedselrijkdom fosfaatgehalte (oligo)- mesotroof voedselarm <0,01 mg P/l (hyper-)eutroof zeer voedselrijk >0,1 mg P/l Ontwikkelingsmogelijkheden: - nauwelijks of geen +/- beperkt + voldoende ++ optimaal * bittervoorn: aanwezigheid van zoetwatermossels noodzakelijk voor de voortplanting. kwabaal: verbinding met diep, helder water noodzakelijk. meerval: rivierdonderpad: komt de laatste eeuwen vrijwel uitsluitend in het Haarlemmermeergebied voor. afhankelijk van stenig substraat in combinatie met waterturbulentie (bijv. stroming). 30 januari
114 - Stobbeplas te Lutten- 18
115 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - 4 Uitvoering van het visserijkundig onderzoek 4.1 Visstandbemonstering Tijdens de visstandbemonstering is een deel van de Stobbeplas, onder verantwoordelijkheid van Sportvisserij Nederland, door Visserijbedrijf Kalkman en Van Wijk met staand want bevist. De perken staand want hadden een gestrekte maaswijdte van 120 en 140 millimeter. Het staand want is met tussenpozen van ½ tot één uur leeggehaald en opnieuw geplaatst. Door de korte tijd dat het staand want in het water staat, ondervinden de vissen geen schade van dit vistuig. Bij een normale visserij met staand want, waarbij het want meer dan 12 uur staat, kan de sterfte van de gevangen vis aanzienlijk zijn. Tevens zijn, door medewerkers van Sportvisserij Nederland met een elektro-visapparaat met een vermogen van vijf kw, de oevers afgevist. De gevangen vis is direct met schepnetten overgebracht in teilen en naar de verwerkingsplaats gebracht. Figuur 4.1 Overzichtskaart uitgevoerde visserijen. De rode lijn is de beviste oeverlengte. De zwarte lijnen geven de positie van het staand want weer. 30 januari
116 - Stobbeplas te Lutten- Met het elektroaggregaat is circa 1100 meter van de oeverlengte bevist. 4.2 Visonderzoek en gegevensverwerking Alle gevangen vis werd kort voor het visserijkundig onderzoek in een speciale verdovingsvloeistof licht verdoofd. Hierdoor kon de vis gemakkelijk gemeten en gewogen worden zonder al te veel kans op beschadiging en stressverschijnselen. De gegevens zijn ingevoerd in het computerprogramma Piscaria. Piscaria is de landelijke databank de STOWA en Sportvisserij Nederland, waarin diverse onderzoeksbureaus, waterbeheerders en hengelsportorganisaties visserijgegevens invoeren. De databank wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is gekoppeld aan internationale netwerken. Voor meer informatie zie: Het programma Piscaria berekent vervolgens tabellen, aandeelgrafieken, lengtefrequentieverdelingen en conditiegrafieken volgens de door STOWA vastgestelde standaarden, welke aansluiten bij de Kaderrichtlijn water. Tabellen In tabel 5.1 wordt per vissoort de gevangen aantallen en de biomassa (gewicht) vermeld. De biomassa is bepaald aan de hand van een voor Nederland algemeen geldende Lengte-Gewichtsrelatie (Klein Breteler & de Laak, 2003). Van iedere vissoort is ook het berekende minimum en maximum gewicht vermeld. In de tabel zijn ook de minimum- en maximum lengtes van de gevangen vissen vermeld en ook het totaal aantal gevangen vissen en het berekende vangstgewicht. Aandeelgrafieken Het aandeel van de vissoort in de aantallen en in gewicht is in twee grafieken weergegeven. In de aantalsaandeelgrafiek wordt het aantal gevangen vissen op 100% gesteld en wordt het aandeel op aantalbasis van elke vissoort berekend. In de vangstaandeelsgrafiek wordt het vangstgewicht op 100% gesteld en wordt het aandeel op gewichtsbasis van elke vissoort hierin vermeld. Lengtefrequentiegrafiek Van de meest belangrijke vissoorten zijn lengtefrequentiegrafieken weergegeven in Hoofdstuk 5. Per centimeterklasse (X-as) worden de gevangen aantallen (Y-as) weergegeven. Conditie Van de belangrijkste gevangen vissoorten zijn de lengte en het individuele gewicht bepaald, zodat de conditie van een vis kan worden berekend. Als maat voor de conditie van de vis wordt genomen de verhouding tussen het gemeten gewicht en het "normaalgewicht" van de vis. Het normaalgewicht is door de (voormalige) OVB empirisch bepaald aan de hand van talrijke metingen van lengte en gewicht van vissen uit een reeks van wateren (Klein Breteler & de Laak, 2003). Wanneer de conditiefactor kleiner is dan 0,9 is de conditie van de vis onvoldoende. Ligt de conditiefactor tussen de 0,9 en 1,1 dan is de conditie voldoende. Is de conditiefactor groter dan 1,1 dan is de conditie goed. 20
117 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - Hoewel de Stobbeplas een zandwinput is, komen er wel mooie rietkragen voor Mooie exemplaren van de ruisvoorn werden dan ook in het riet gevangen Staand want kan goed toegepast worden op diepere wateren, zonder beschadigde vissen als de netten maar regelmatig gecontroleerd worden Pracht schubkarper 30 januari
118 - Stobbeplas te Lutten- 5 Resultaten visserijkundig onderzoek 5.1 Soortensamenstelling Tijdens de bemonstering van de Stobbeplas zijn in totaal 7 vissoorten gevangen. Er zijn 217 exemplaren gevangen, met een totaal gewicht van ongeveer 219 kilo. In de onderstaande tabellen zijn van de gevangen vissoorten het aantal, gewicht en de lengte weergegeven. Tabel 5.1 Gevangen vissoorten in de Stobbeplas Vissoort Aantal Gewicht (kg) Lengtespreiding (cm) Gewichtspreiding (gram) Baars 22 0, Brasem 6 7, Blankvoorn 1 0, Karper , Spiegelkarper 3 13, Aal/Paling 2 2, Rietvoorn/Ruisvoorn 101 1, ,0-246 Snoek 26 14, Totaal ,6 N.b. Hoewel karper en spiegelkarper geen aparte soorten zijn, worden ze in de bovenstaande tabel gescheiden weergegeven. De vangst bestond qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn (47% van het totaal aantal gevangen exemplaren, zie onderstaande linkergrafiek). Na ruisvoorn is karper de meest gevangen vissoort met een aandeel in de vangst van 26%. Qua gewicht bestond de vangst voor het grootste deel uit schubkarper (82%), snoek (7%) en spiegelkarper (6%, zie rechtergrafiek). Relatieve aantals-aandeel Snoek 12% Baars 10% Brasem 3% Spiegelkarper 1% Karper 26% Karper 82% Relatieve gewichts-aandeel Spiegelkarper 6% Paling 1% Ruisvoorn 1% Snoek 7% Baars <1% Ruisvoorn 47% Paling 1% Blankvoorn 0% Brasem 4% Blankvoorn <1% 22
119 - Resultaten visserijkundig onderzoek Lengte-frequentie en conditie Van de meest belangrijke vissoorten is de lengte-frequentie en de conditie in grafieken weergegeven. De grafieken zijn hieronder per vissoort toegelicht. Baars In totaal zijn 22 baarzen gevangen met een lengte die varieerde van 5 tot 29 centimeter. De conditie van de gevangen baarzen was voldoende. LF diagram voor Baars Conditiediagram voor Baars 8 1,5 7 6 Aantallen Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Blankvoorn Er is één blankvoorn gevangen met een lengte van 24 centimeter. De conditie van de gevangen blankvoorn was voldoende. Brasem In totaal zijn 6 brasems gevangen. De kleinste brasem had een lengte van 42 centimeter. De grootste brasem had een lengte van 52 centimeter. Opmerkelijk is dat er alleen grote brasems zijn gevangen. De conditie van de gevangen brasems was voldoende tot (zeer) goed. LF diagram voor Brasem Conditiediagram voor Brasem 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 30 januari
120 - Stobbeplas te Lutten- Karper In totaal zijn 56 schubkarpers gevangen met een lengte die varieerde van 43 tot 78 centimeter. De conditie van de gevangen karpers was voldoende. LF diagram voor Karper Conditiediagram voor Karper 6 1,5 5 4 Aantallen 3 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Spiegelkarper Van het type spiegelkarper zijn 3 exemplaren gevangen. De lengte van de vissen was 47, 50 en 80 centimeter. De conditie van de gevangen spiegelkarpers was voldoende. Het grootste exemplaar had een matige conditie. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door het type karper. Een slank type spiegelkarper heeft een lager gewicht bij dezelfde lengte als een hoog gebouwd type. In het veld werd de conditie van deze karper dan ook als normaal beoordeeld. LF diagram voor Spiegelkarper Conditiediagram voor Spiegelkarper 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 24
121 - Resultaten visserijkundig onderzoek - Ruisvoorn Van de meest voorkomende soort riet- of ruisvoorn zijn 101 exemplaren gevangen. De kleinste vissen hadden een lengte van 3 centimeter. Deze vissen met een lengte tot 7 centimeter behoren tot de 0+ jaarklasse. Dit zijn vissen die geboren zijn in het voorjaar van Vissen met een lengte van circa 10 centimeter zijn twee groeiseizoenen oud en vissen met een lengte tot 14 a 15 centimeter zijn 3 groeiseizoenen oud. Deze groei kan worden beoordeeld als een normale groei. De conditie van de gevangen ruisvoorns was matig tot voldoende. LF diagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn Conditiediagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn 30 1, Aantallen 15 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Snoek Van de roofvis snoek zijn 26 exemplaren gevangen. De grootste snoek had een lengte van 73 centimeter. De kleinste snoeken hadden een lengte van 17 tot 30 centimeter. Deze vissen behoren tot de 0+ jaarklasse. De conditie van de gevangen snoeken was voldoende. De conditie van de grootste snoeken was goed. Waarschijnlijk komt dit door de ontwikkeling van geslachtproducten, het zogenaamd paairijp worden. LF diagram voor Snoek Conditiediagram voor Snoek 4 1,5 3 Aantallen 2 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Overige soorten 30 januari 2007 In de Stobbeplas zijn ook nog twee alen of palingen gevangen. Deze vissen hadden een lengte van 78 en 91 centimeter. De conditie van de alen was goed. 25
122 - Stobbeplas te Lutten- 6 Bespreking en knelpunten 6.1 Bespreking Tijdens de visstandbemonstering in de Stobbeplas zijn 7 vissoorten gevangen. De soortdiversiteit is daarmee niet erg hoog. Gewoonlijk wordt tijdens een inventarisatie van één dag door Sportvisserij Nederland 11 vissoorten gevangen. De meeste soorten behoren tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper en aal. Van de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water) komen alleen ruisvoorn en snoek voor. Ruisvoorn is wel de meest gevangen soort tijdens deze bemonstering. Kleine baars en ruisvoorn zijn de meest voorkomende vissoorten qua aantallen. Van de blankvoorn is slechts één exemplaar gevangen. De conditie van ruisvoorn is matig tot voldoende. Van brasem werden alleen grote volwassen exemplaren gevangen. De conditie van deze grote brasems is voldoende tot (zeer) goed. Over de opbouw van de witvispopulatie kan gesteld worden dat er weinig juveniele (jonge) vissen zijn aangetroffen en dat er in het lengteklassetraject 20 tot 40 centimeter geen vissen zijn gevangen, op 1 blankvoorn na. De belangrijkste predator in de Stobbeplas is de snoek met een gewichtsaandeel in de vangst van circa 7%. Van deze vissoort zijn relatief veel jonge exemplaren gevangen. Vissen ouder dan 4 groeiseizoenen zijn relatief slecht vertegenwoordigd. De aanwezige oevervegetatie (met name riet) is een belangrijke factor in het voorkomen van jonge snoeken (0 + en 1 + jaarklasse). Tussen de begroeiing vinden de jonge exemplaren schuilgelegenheid tegen wegvraat door grotere soortgenoten en aalscholvers. Snoeken van 3 en 4 groeiseizoenen worden minder afhankelijk van de vegetatie en verplaatsen zich naar het open water. Waarschijnlijk komen er weinig grote snoeken in de Stobbeplas voor. Met de gebruikte visserijmethoden (elektrovisserij en staand want visserij) worden doorgaans wel grote snoeken gevangen als zij voorkomen op een water. Het vangstgewicht bestond voornamelijk uit karper (schub- en spiegelkarper samen 88%). Het aandeel eurytope (vissoorten die geen voorkeur hebben voor stroming en/of waterplanten) vissoorten in de biomassa is hierdoor erg hoog. Als in de Stobbeplas al jarenlang geen karper is uitgezet, dan is er waarschijnlijk sprake van natuurlijke rekrutering in bepaalde jaren. De aanwezigheid van een groep (cohort) karpers met een lengte van 43 tot en met 46 centimeter duidt hier op. Ook het cohort vissen met een lengte van circa 50 centimeter kan afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. 26
123 - Bespreking en knelpunten - Door de geringe aantallen vis die zijn aangetroffen is het moeilijk om iets over de populatie opbouw te zeggen, anders dan dat deze erg onevenwichtig is opgebouwd. 6.2 Knelpunten Visstand De soortensamenstelling van de visstand is weinig divers. Algemeen voorkomende soorten in soortgelijke wateren als bijvoorbeeld kolblei, pos en zeelt zijn niet aangetroffen. Ook soorten als bittervoorn en kleine modderkruiper kunnen in dit watertype voorkomen. In de lengtefrequentieverdeling van enkele (wit)vissoorten, zoals baars brasem, blankvoorn en ruisvoorn blijkt dat de populatie niet evenwichtig is opgebouwd. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Enerzijds is de hoeveelheid oever- en onderwatervegetatie in de Stobbeplas beperkt. In de herfst en winter sterft namelijk veel van de vegetatie af. Met name in de herfst en winter vinden veel jonge vissen niet voldoende schuilgelegenheid. Het belang van schuilgelegenheid (vegetatie en beschutting) wordt verder behandeld onder het kopje Inrichtingsmaatregelen van het volgende hoofdstuk en in het kader op de volgende bladzijde. Daarnaast speelt predatie door aalscholvers een rol. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat aalscholvers regelmatig de Stobbeplas bezoeken. Waterkwaliteit - kwantiteit Op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn er weinig knelpunten in de Stobbeplas. Ondanks de waterpeilschommelingen is er op een groot deel van de oever een rietkraag ontstaan Inrichting en onderhoud van het viswater Door een goede inrichting van het water is het mogelijk de productiviteit van het water te verhogen en de predatie door aalscholvers te verminderen. Om de productiviteit te verhogen dient op bepaalde delen van de oever de oevervegetatie gestimuleerd te worden. Daarnaast kan door het aanbrengen van beschutting (bomen) het areaal aan beschut leefgebied vergroot worden. Hierdoor wordt het jagen door aalscholvers bemoeilijkt. 30 januari
124 - Stobbeplas te Lutten- Ook het voorkomen van aalscholvers in wateren vormt een bedreiging voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de visstand. Aangezien de aalscholver een beschermde vogelsoort is, mogen slechts preventieve maatregelen worden genomen. Van belang is dat er voor vissen voldoende structuren in het water zijn, die schuilmogelijkheid bieden. Ondiepe oeverzones met voldoende onderwaterplanten en open rietkragen zijn een toevluchtsoord voor vissen, maar onaantrekkelijk als jachtgebied voor aalscholvers. Natuurlijk heeft een dergelijke oever ook meerwaarde als paaiplaats en als schuilplaats voor jonge vis. Ook onder drijfbladplanten zoals de gele plomp kunnen vissen zich verschansen wanneer vogels hen belagen. Onderwaterstructuren zijn van groot belang voor vis. Niet alleen als schuilmogelijkheid tegen aalscholvers, maar ook voor diverse andere toepassingen. Zo kunnen onderwaterstructuren dienst doen als paaisubstraat en als foerageergebied (bijvoorbeeld voor een snoek die in hinderlaag ligt). Daarnaast vormen onderwaterstructuren een goede ondergrond voor mosseltjes en (draad)algen om op te groeien, wat door vissen weer als voedselbron gebruikt kan worden. Als onderwaterstructuren kunnen bijvoorbeeld bomen, takkenbossen (rijshout) of oude kerstbomen worden gebruikt. Indien onderwaterstructuren worden geplaatst dienen wel waarschuwingsborden of markeringen te worden geplaatst, zodat sportvissers deze structuren kunnen vermijden. Bij voorkeur moeten in het relatief kleine water de structuren in de oeverzones worden aangebracht. Figuur 6.1 In de oeverzone aangebrachte bomen, takken en andere onderwaterstructuren bieden vissen een schuilplaats en beschutting tegen de aalscholver. 28
125 - Aanbevelingen - 30 januari
126 - Stobbeplas te Lutten- 7 Aanbevelingen 7.1 Visstandbeheer De huidige visstand is een afspiegeling van de situatie op de Stobbeplas. Het uitzetten van vis op de Stobbeplas lijkt weinig zinvol door de aanwezigheid van aalscholvers. Visuitzettingen hebben meestal ook maar een tijdelijk effect. Door het nemen van inrichtingsmaatregelen kan er een meer gevarieerd visbestand op de Stobbeplas ontstaan, met behoud van de aanwezigheid van de karperstand. Het lijkt alsof de karperpopulatie is opgebouwd uit een deel natuurlijke rekrutering. Aan de hand van hengelvangsten moet in de komende jaren nagegaan worden of dit vaker gebeurd. Mocht dit niet zo zijn, dan is op termijn een uitzetting van karper nodig, omdat de huidige populatie afneemt door natuurlijke sterfte. Om de visstand in de Stobbeplas wat meer variatie te geven, kan eventueel zeelt worden uitgezet. Om het karperbestand meer variatie te geven, kan overwogen worden spiegelkarpers uit te zetten. 7.2 Inrichtingsmaatregelen Op de Stobbeplas kunnen maatregelen genomen worden om de productiviteit te verhogen en om predatie door aalscholvers te voorkomen. Als mogelijke en haalbare mogelijkheden wordt geadviseerd om de oever in de zuidoosthoek te beschermen tegen vraat door vee en om verspreid langs de oever takkenbossen aan te brengen. Andere maatregelen om de aalscholverpredatie te voorkomen, zoals het plaatsen van zwarte zwanen en het met draden overspannen van de plas lijken niet te werken of zijn praktisch niet haalbaar. Herinrichten zuidoost-oever De zuidoost-oever wordt momenteel begraasd door vee. Dit vee drinkt ook uit de Stobbeplas, hierbij wordt de oever betreden en begraasd door het vee. Het gevolg is dat de vegetatie die daar groeit geen kans krijgt zich uit te breiden. Het effect daarvan is goed te zien op de bovenste foto van pagina 24. Op het bovenste deel is een begroeide oever te zien, op het deel na de afrastering houdt de begroeiing abrupt af. Voorgesteld wordt om de oever af te rasteren met prikkeldraad en/of schrikdraad en het vee te drenken met een weidepompinstallatie, eventueel op zonneenergie. Zodoende kan de vegetatie zich over een afstand van iets meer dan 200 meter ontwikkelen. Dit is een substantieel deel van de totale oeverlengte, zodat de maatregel ook effect moet hebben op de visstand. Aanbrengen takkenbossen Het aanbrengen van takkenbossen, zoals weegegeven in figuur 6.1, zal de vissen meer gelegenheid bieden te schuilen en daardoor is er minder predatie door de aalscholver. De maatregel is waarschijnlijk vrij eenvoudig uit te voeren met materiaal uit het omliggende bos. 30
127 - Aanbevelingen - Voorgesteld wordt om langs de zuidoever stroken van circa 20 meter breed in te richten met takken. Ook langs de noordoever kan hier en daar een dergelijke strook worden geplaatst. Sportvisserijmogelijkheden Naast de inrichting van het water door vis, moeten ook de sportvisserijmogelijkheden verbeterd worden. De Stobbeplas is momenteel moeilijk bereikbaar en voorzieningen ontbreken. Verschil tussen bereikbaarheid en bevisbaarheid In een aantal gevallen ontstaat onduidelijkheid over de definities bereikbaarheid en bevisbaarheid: De bereikbaarheid gaat over de weg die een sportvisser moet afleggen tot aan de oever waar gevist wordt, bijvoorbeeld vanaf de parkeerplaats tot aan de waterkant. De bevisbaarheid heeft betrekking op de te bevissen oever en het te bevissen water. Een oever kan bijvoorbeeld door een dichte rietkraag niet te bevissen zijn en het water kan door woekering van waterplanten moeilijk te bevissen zijn. Om de bereikbaarheid te verbeteren kan het bestaande wandelpad verbreed worden. Aan de wegzijde kunnen enkele parkeerplaatsen gecreëerd worden. Langs het water kunnen aan de zijde waar gevist mag worden, enkele visstekken (visplaatsen) aangelegd worden. Dit voorkomt dat sportvissers zelf open plekken gaan maken in bestaande begroeiing. Figuur 7.1 Een goed ingerichte visplaats tussen de rietkraag. De locatie van de eventueel aan te leggen visplaatsen kan het best gebeuren in overleg met ter plaatse bekende sportvissers. Overwogen kan worden om de visplaats die het dichtst bij de ingang ligt in te richten als mindervalide visplaats. Het lijkt overigens moeilijk om aan alle voorwaarden te voldoen die gesteld worden aan een goede mindervalide 30 januari
128 - Stobbeplas te Lutten- visstek aan de Stobbeplas (zie kader volgende bladzijde). Mindervalide en gehandicapte sportvissers kunnen tot verschillende sportvisserstypen behoren. Wat betreft de eisen en wensen die zij aan de visplek stellen, komen deze grotendeels overeen met de eisen en wensen per sportvisserstype. Echter, afhankelijk van de mobiliteit en handicap van de minder validen en gehandicapten stellen zij, als persoon, specifieke eisen aan de waterkant. Een korte opsomming van de eisen en wensen staat hieronder genoemd. Een nauwkeurigere beschrijvingen en tekeningen van verharde visplaatsen, vissteigers als ook materiaal, aanlegmethoden etc. staan uitvoerig beschreven in: Sportvisserij door gehandicapten en ouderen van de NVVS (NVVS, 1995). Openbaar vervoer Ontsluiting door openbaar vervoer. Afstand halte-visplaats maximaal meter. Parkeergelegenheid Afstand parkeerplaats-visplaats: maximaal meter. Voor rolstoel maximaal 50 meter. Afmeting parkeerplaats: 3,50 meter breed en 5 meter lang. Parkeerplaats van gesloten verharding. Trottoir-oprit Minimale breedte: 0,90 meter. Maximale helling 1:6. Niveauverschil maximaal: 0,10 meter. Toegangsweg Goed bereikbaar, geen obstakels. Materiaal: gesloten verharding (geen klinkers, trottoirtegels). Breedte toegangsweg: 1,20 meter. Toegangsweg (hellend) Helling niet steiler dan 1:20, niet langer van 9 meter. Steenslag, roodsplit ed. niet gebruiken. Langs toegangsweg een leuning (hoogte maximaal 0,83 meter). Trappen in talud verwerken (breedte 1,20 meter) (niet geschikt voor rolstoelen). Situering/constructie Bij voorkeur aan de zuidwestoever van het viswater. Zichtbaar voor passanten en/of in nabijheid van andere visplaatsen. Waterdiepte: minimaal 1,50 meter. Gemiddeld waterpeil ten hoogste 0,30 meter onder maaiveld. Gesloten verharding of houten vloer (geen klinkers, trottoirtegels). Houten vloer bewerken tegen gladheid (bitumen, schelpgruis). Afmeting oeverstrook: tenminste 2,50 meter lang en minimaal 1,50 meter breed. Veiligheid Aanbrengen van stootbalken. Op stootbalken een hekwerk bevestigen (hoogte 0,45 meter). 32
129 - Aanbevelingen - Daarnaast dienen bij de visstekken en de ingang afvalbakken geplaatst te worden. Met SBB of de gemeente moeten afspraken gemaakt worden over het legen van de bakken en de frequentie van het legen. Het plaatsen van afvalbakken en controle kan dit soort taferelen aan de Stobbeplas voorkomen. Naast het plaatsen van afvalbakken dient er regelmatig controle van de visdocumenten en het opruimen van afval plaats te vinden door de politie en/of speciaal daarvoor opgeleide opsporingsambtenaren (BOA s). Sportvissers die last ondervinden van hangjongeren moet geadviseerd worden de politie te bellen. 7.3 Evaluatieonderzoek Hengelvangstregistratie Aanbevolen wordt om in combinatie met de uitzetting van vis ook een hengelvangst-registratieprogramma op te zetten. Een goed uitgevoerde hengelvangstregistratie kan inzicht verschaffen in een mogelijke afname of toename van de visbezetting en kan daarnaast zelfs een verschuiving in de soortensamenstelling aantonen. Op deze manier is het mogelijk te achterhalen of de karper regelmatig paait en broedsucces heeft. Is dit het geval, dan hoeft er geen karper uitgezet te worden. Ook kan hiermee worden aangetoond of de herinrichting van de oevers het gewenste effect op de visstand hebben. Vervolgonderzoek Eventueel kan over een aantal jaren weer een visserijkundig onderzoek 30 januari
130 - Stobbeplas te Lutten- worden uitgevoerd, om opnieuw de samenstelling en kwaliteit van de visstand vast te leggen. Er kan dan worden bekeken in hoeverre de voorgestelde maatregelen zijn uitgevoerd en wat voor effect deze maatregelen op de visstand hebben gehad. Ook kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen wenselijk zijn. 34
131 - Literatuur - Literatuur Eck, G. van, Interne rapportage visserijkundig onderzoek Stobbeplas. Sportvisserij Nederland, afdeling Advisering en Begeleiding. Klein Breteler, J.G.P. & G.A.J. de Laak, Lengte-gewichtsrelaties Nederlandse vissoorten. OVB onderzoeksrapport OND00074, 13p. Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, Nieuwegein. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij (LNV), directie Openluchtrecreatie, Vormgeving en inrichting viswater. s Gravenhage. Spiegel, A. van der, Visgemeenschappen van het stilstaande water. In Quak, J. en A. van der Spiegel (eds.). Cursus Visstandbeheer en Integraal Waterbeheer. Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij STOWA, Handboek Visstandbemonstering. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer. Rapport 2002/07. STOWA, Utrecht. Zoetemeyer, R.B., & B.J. Lucas, De OVB-viswatertypering deel 1: Ondiepe wateren. Vis & Water magazine Jaargang 1, nr 4, december Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij 30 januari
132
133 - Bijlagen - Bijlagen Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit...38 Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten januari
134 - Stobbeplas te Lutten- Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit Parameter Norm Functie viswater (normdoelstelling water voor karperachtigen) 1 Algemeen ecologische functie (Minimumkwaliteit MTR 2 ) Temperatuur water max. 28,0 C max. 25,0 C Zuurstofgehalte 50% >7,0 mg/l min. 5,0 mg/l 1 Doorzicht --- gem. 0,4 m (zomer) Chlorofyl --- gem. 100,0 µg/l (zomer) Biochemisch max. 10,0 mg/l --- zuurstofgebruik ph 6,0-9,0 SE 6,5-9,0 SE Zwevende stof < 25,0 mg/l --- Ammonium (NH4-N) <= 1 (4,0) mg/l NH Totaal fosfaat gem. 0,2 mg/l gem. 150 µg/l (zomer) Totaal stikstof --- gem. 2,2 mg /l (zomer) Ammoniak (NH3-N) < 0,025 mg/l NH 3 max. 0,02 mg/l Nitriet 0,03 mg/l NO Totaal koper 3 0,04 mg/l Cu max. 3,0 µg/l Totaal zink 3 1 mg/l Znl max. 30 µg/l Chloride --- max. 200 mg/l (zoet water) 1 RICHTLIJN 2006/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water. Nitriet en koper Richtwaarden, overige parameters: Bindende waarden. 2 MTR = Maximaal Toelaatbaar Risico 3 Afhankelijk van de hardheid van het water 38
135 - Bijlagen - Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten BAARS (Perca fluviatilis) Leefomgeving De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 50 tot 200 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Toch komt de baars ook in kleinere wateren voor. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is favoriet, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten in de oeverzone op. Voortplanting De paaitijd valt in de maanden maart, april en mei, bij een watertemperatuur van meer dan 8 C. Vooral ondergelopen gebieden, waar de temperatuur in het ondiepe water snel kan stijgen, zijn geliefd als paaiplaats, maar ook tal van andere ondiepe plekken zijn geschikt. Voedsel De jonge baars leeft voornamelijk van dierlijk plankton. Later worden hier ook andere ongewervelde dieren, zoals aasgarnalen en vlokreeften, aan toegevoegd. Wanneer de baars een lengte van meer dan 10 cm heeft bereikt, gaat vis(broed) in toenemende mate deel uitmaken van het voedselpakket. Baars heeft een grote voorkeur voor spiering en kleinere soortgenoten. Groei en leeftijd De groei in het eerste jaar bedraagt 6 tot 8 cm. De mannetjes zijn na 2 jaar geslachtsrijp, bij een lengte van 15 cm; vrouwtjes een jaar later, bij een lengte van 20 cm. De maximale lengte is 50 cm. In het IJsselmeer wordt de baars niet ouder dan 6 jaar. 30 januari
136 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De brasem is een zeer algemene vissoort in het Nederlandse binnenwater, die zowel in zoet als in brak water voorkomt. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Eutrofiëring (vermesting) van het binnenwater heeft ertoe geleid dat de brasemstand sterk is toegenomen. De brasem is tegenwoordig de meest karakteristieke vis voor onze (zeer) voedselrijke wateren met weinig waterplanten en een overmatige algengroei. De brasem wordt echter ook aangetroffen in helder, plantenrijk water. Hier vinden we meestal kleinere populaties, die vooral bestaan uit goed groeiende en relatief veel grote exemplaren. Het optimale leefgebied van de brasem kenmerkt zich door afwisseling tussen ruim, open water waarin de brasem in scholen naar voedsel zoekt en ondiepe, begroeide oeverzones, waar de paai- en opgroeigebieden zich bevinden. BRASEM (Abramis brama) Voedsel Brasemlarven voeden zich in eerste instantie hoofdzakelijk met dierlijk plankton. Wanneer zij een lengte van ongeveer 2 cm hebben bereikt, komen ook kleine muggenlarven in het dieet voor. Brasem heeft een voorkeur voor bodemvoedsel, zoals larven van muggen en andere insecten, wormpjes, slakken en mosseltjes. Bij een gebrek aan bodemorganismen kan de brasem overschakelen op een dieet van zoöplankton en plantaardig materiaal. Dankzij een geraffineerd zeefsysteem, gevormd door kieuwboog met aanhangsels, is de brasem beter dan andere vissoorten in staat om watervlooien en andere kleine organismen als voedselbron te benutten. Groei en leeftijd De groei van de brasem is onder andere afhankelijk van de watertemperatuur en het voedselaanbod. Een slechte groei treedt op als de dichtheden (aantallen brasems per hectare) erg hoog worden en daarmee sterke voedselconcurrentie optreedt. Onder optimale omstandigheden (veel voedsel, weinig concurrentie) kan brasem zeer snel groeien. Voortplanting In de paaitijd, die loopt van eind april tot midden juni, gaat de brasem op zoek naar geschikte paaiplaatsen. De eieren worden bij voorkeur afgezet op ondergedoken waterplanten of oeverplanten, maar bij afwezigheid daarvan worden ook boomwortels, stenen en andere obstakels, zoals houten paaltjes, autobanden en oude fietsen, als afzetsubstraat gebruikt. De brasem is daarom niet gebonden aan de aanwezigheid van waterplanten. Al na enkele dagen vormen de larven scholen in het ondiepe water. 40 In het eerste jaar is de groeisnelheid in Nederland gemiddeld 5 tot 7 cm. Bij een goede groei bereikt de tweejarige brasem een lengte van 12 cm en wordt een lengte van 40 cm na 8 jaar gehaald. De brasem is na 6 tot 7 jaar geslachtsrijp. De maximale lengte is 80 cm bij een gewicht van ongeveer 10 kg. De maximale leeftijd is ca. 15 jaar.
137 - Bijlagen - BLANKVOORN (Rutilus rutilus) Leefomgeving De blankvoorn is een vis van zowel stilstaand als stromend water, die in vele watertypen algemeen voorkomt. Zelfs in snelstromende wateren kan deze soort worden aangetroffen. Wel houdt de blankvoorn zich daar bij voorkeur in de stromingsluwe gedeelten op. De blankvoorn zoekt zijn voedsel in scholen in de buurt van begroeiing, maar ook wel in het diepere, open water. De blankvoorn is redelijk bestand tegen eutrofiering en vervuiling en lijkt bij uitstek te kunnen profiteren van veranderende omstandigheden. Zo kon in vele beken, waar deze soort van nature niet of slechts in geringe mate voorkwam, de blankvoornstand enorm toenemen, terwijl karakteristieke beekvissoorten daar sterk in aantal achteruit zijn gegaan of geheel zijn verdwenen. Voortplanting In de paaitijd, die doorgaans in april en mei valt, maar die tot in de zomer kan doorlopen, gaat de blankvoorn op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Deze liggen veelal dicht onder de oever in zwak stromend, ondiep water met beschutting tegen golfslag. De eieren worden afgezet op ondergedoken waterplanten, maar ook oeverplanten, boomwortels, stenen en andere obstakels worden als afzetsubstraat gebruikt. Zowel larven als juvenielen blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing. Hierdoor is de blankvoorn sterker dan brasem gebonden aan wateren met begroeiing. Voedsel Het voedsel van jonge blankvoorn beslaat uit zoöplankton, in het bijzonder watervlooien. Oudere blankvoorn heeft een aanzienlijk uitgebreider voedselpakket. Zowel dierlijk voedsel, zoals slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen, als plantaardig materiaal, zoals algen en detritus, worden gegeten. Groei en leeftijd De blankvoorn bereikt in het eerste jaar een lengte van 5 tot 7 cm. Onder gemiddelde omstandigheden is de blankvoorn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 tot 5 jaar, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De lengte is dan rond 15 cm. De maximale lengte is 45 cm en de maximale leeftijd ca. 10 jaar. 30 januari
138 - Stobbeplas te Lutten- KARPER (Cyprinus carpio) Leefomgeving De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe plaatsen ophoudt. Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper uit de Donau of uit Klein- Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers voor. In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld. Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor, zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen. Voortplanting De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit. Voedsel De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden. Groei en leeftijd Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is 120 cm. 42
139 - Bijlagen - Leefomgeving De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij voor in vrijwel ieder watertype, van diepe, stilstaande wateren tot in de bovenloop (de forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij, als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee kan trekken. De lichtschuwe aal is vooral in de schemering en 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten, boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar. Voortplanting De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water doorbrengt, maar zich in zee voortplant. Als Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot volwassen aal opgroeien. Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang. AAL of PALING (Anguilla anguilla) Voedsel Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden, zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd. Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien. Groei en leeftijd De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm, vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm. Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes varieert van 7-18 jaar. De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65 kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan 50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar. 30 januari
140 - Stobbeplas te Lutten- RUISVOORN (Scardinius erythrophthalmus) Leefomgeving De ruisvoorn is een vis van helder, stilstaand of langzaam stromend water dat rijk begroeid is met oever- en onderwaterplanten, afgewisseld met open stukken. Deze vis is vooral te vinden in de ondiepe oeverzone van vijvers, plassen, meren, kanalen en rivieren, waar hij zich meestal dicht onder de oppervlakte ophoudt. In beken is de ruisvoorn vooral te vinden in het stroomluwe water van (afgesneden) meanders en molenkommen, waar zich vegetatie kan ontwikkelen. Hier kan de ruisvoorn wel in redelijke aantallen voorkomen. Voortplanting De paaitijd valt laat in het jaar, in de maanden mei tot en met juli, wanneer de watertemperatuur meer dan 15 C bedraagt. In deze periode trekt de ruisvoorn naar de paaiplaatsen in de oeverzone, die soms in zeer ondiep water liggen. Hier worden de eieren aan water- en oeverplanten of aan ondergelopen gras afgezet. Voedsel Jonge ruisvoorn leeft voornamelijk van watervlooien. Naarmate de ruisvoorn groter wordt, schakelt hij geleidelijk over op grotere voedseldiertjes, zoals slakjes en kreeftachtigen. Ook in het water gevallen insecten worden gegeten; deze worden met de bovenstandige bek van de oppervlakte gehapt. Daarnaast behoort ook plantaardig materiaal tot het voedselpakket van de ruisvoorn. Zowel verschillende soorten zachte waterplanten als draad- en kiezelalgen vormen een groot deel van het dieet. Groei en leeftijd De ruisvoorn groeit in het eerste jaar tot gemiddeld 6 cm. In het tweede of derde jaar is de ruisvoorn geslachtsrijp bij een lengte van ca. 15 cm, de vrouwtjes later dan de mannetjes. De ruisvoorn kan een lengte van 45 cm bereiken. De maximale leeftijd ligt tussen 15 en 20 jaar. Voor een goede ontwikkeling van de eieren is de aanwezigheid van vegetatie essentieel; eieren die op de (meestal modderige) bodem terecht komen, gaan verloren. 44
141 - Bijlagen - SNOEK (Esox lucius) Leefomgeving De snoek is een soort van stilstaand of langzaam stromend water, zoals rivieren en brede beken. De snoek heeft een voorkeur voor helder water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten, die voldoende schuilgelegenheid biedt. Grotere exemplaren houden zich ook schuil achter obstakels. Voortplanting De paaitijd valt in de periode van half maart tot eind mei. Paaiplaatsen liggen in ondiep water waar (resten van) vegetatie aanwezig is, zoals ondergelopen grasland of oeverzones met riet en onderwaterplanten. Zowel voor het afzetten van de eieren als voor de opgroei van het broed is de aanwezigheid van vegetatie van groot belang. Indien niet voldoende schuilgelegenheid in de vorm van waterplanten in het opgroeigebied aanwezig is, vallen grote aantallen jonge snoekjes ten prooi aan grotere soortgenoten. Pas wanneer de snoek een lengte van meer dan 60 cm heeft bereikt, is hij veilig voor kannibalisme en niet langer gebonden aan de beschutting van waterplanten. Voedsel De larven van de snoek leven van kleine kreeftachtigen, zoals mosselkreeftjes, watervlooien en roeipootkreeftjes. Later wordt het voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al bij een lengte van 10 cm bestaat het voedsel voornamelijk uit visjes en andere gewervelde dieren, zoals kikkers. Onder uitzonderlijke omstandigheden worden ook wel ongewervelde dieren gegeten. Groei en leeftijd De snoek is een snelle groeier. Binnen een jaar wordt een gemiddelde lengte bereikt van ongeveer 22 cm. Mannetjes worden bij een lengte van ca. 30 cm geslachtsrijp, vrouwtjes bij een lengte van cm. Onder gunstige omstandigheden kan de snoek binnen een jaar een lengte van 35 cm bereiken en is dan na één jaar al geslachtsrijp. De maximale lengte van de snoek is 1,40 meter. Dit geldt dan voor vrouwtjes. Mannetjes worden niet groter dan 85 cm. De maximale leeftijd van de snoek is ca. 25 jaar. 30 januari
142 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De zeelt is een bewoner van stilstaand of traag stromend water met een zachte modderbodem en een goed ontwikkelde vegetatie met (onder)water- en oeverplanten. De zeelt is een vrij algemene vissoort, die voorkomt in tal van watertypen, zoals grote meren en plassen, rivieren, kanalen, sloten en beken. Een harde zandige of stenige bodem, troebel water, matige of sterke stroming en grote diepte maken een water als leefgebied voor de zeelt minder geschikt. De zeelt verdraagt hoge watertemperaturen, lage zuurstofconcentraties en hoge ph-waarden; tegen organische vervuiling lijkt de zeelt dan ook redelijk bestand. De zeelt is lichtschuw en zoekt vooral 's nachts naar voedsel. Overdag houdt hij zich gewoonlijk schuil tussen de waterplanten of in de modder. In de winter of 's zomers, als het erg warm is, doet de zeelt dit ook 's nachts. Voortplanting De paaitijd valt laat, in de maanden mei tot en met augustus. De watertemperatuur dient minimaal 18 C te zijn, voordat de zeelt tot het afzetten van de eitjes overgaat. Zeelten paaien in groepjes tegelijk. De eitjes worden niet in één keer afgezet, maar met tussenpozen van enkele dagen. ZEELT (Tinca tinca) uitgekomen larven. De aanwezigheid van waterplanten is dan ook van essentieel belang. Voedsel De larven van de zeelt leven in eerste instantie van zoöplankton. Later eten zij ook kleine muggenlarven, wormpjes en slakkeneieren. Volwassen zeelten zijn alleseters, maar zoeken bij voorkeur in de bodem naar voedsel; de beide tastharen naast de bek wijzen hierop. Naast slakjes, kreeftachtigen, wormpjes, watervlooien en muggenlarven maken ook plantendelen, algen en detritus deel uit van het voedselpakket. Groei en leeftijd De groei van de zeelt is betrekkelijk traag en sterk afhankelijk van de omstandigheden. De lengte na het eerste groeiseizoen varieert meestal tussen 3 en 6 cm, maar kan ook 12 cm bedragen. De mannetjes groeien trager dan de vrouwtjes. De zeelt is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp bij een lengte van 9,5 cm (mannetjes) en 12,5 cm (vrouwtjes). De maximale lengte is ca. 60 cm en de maximale leeftijd 15 à 20 jaar. De gehele paaiperiode kan, afhankelijk van de omstandigheden, meer dan een week duren. Er wordt alleen gepaaid boven waterplanten, waaraan de zeer kleverige eitjes zich vasthechten. Eitjes die op de modderige bodem terecht komen, sterven vrijwel altijd af; dit geldt ook voor de pas 46
143
144 Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven
145 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten
146
147 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Op 30 januari 2007 uitgevoerd in opdracht van de Federatie Door: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak
148 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus AD BILTHOVEN Telefoon Telefax Homepage Opdrachtgever Federatie Telefoon Homepage Auteur(s) M. v. Breugel & G.A.J. de Laak adres Aantal pagina s 46 Trefwoorden Visstandbemonstering, onderzoek, Stobbeplas, Versie Definitief Projectnummer AB Registratienummer 5033 Datum Datum oplevering 2 augustus 2007 Bibliografische referentie: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak, Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten. Sportvisserij Nederland, Bilthoven in opdracht van Federatie. Sportvisserij Nederland, Bilthoven Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder en de Federatie. Sportvisserij Nederland is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Sportvisserij Nederland.
149 Samenvatting Op 30 januari 2007 is op verzoek van Federatie door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De visstandbemonstering werd uitgevoerd door middel van een staand want- en een elektrovisserij. De Stobbeplas kenmerkt zich door een grote gemiddelde diepte, rechtlijnige oevers en een matige oeverbegroeiing. De visstand in de Stobbeplas bestaat qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn en karper. De visstand in de Stobbeplas behoort tot het blankvoorn brasem viswatertype. Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand en de inrichting van het water zijn onder meer: Niet evenwichtig opgebouwde visstand; vissen met een lengte tussen de 20 en 40 centimeter ontbreken; gebrek aan ondiepe oeverzones met beschutting; aalscholverpredatie. In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van de Stobbeplas op het gebied van het visstandbeheer en de inrichting van het water. De aanbevelingen hebben betrekking op: Uitzetten van vissoorten als bijvoorbeeld zeelt. Verjongen en meer variatie aanbrengen in het karperbestand. Aanbrengen takkenbossen voor meer beschutting van vis tegen predatie van de aalscholver. Het herinrichten van de zuidoost-oever. Verbeteren sportvisserijmogelijkheden door de aanleg van vissteigers, parkeerplaatsen en wandelpaden.
150
151 Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding Leeswijzer Algemene gegevens Gebiedsbeschrijving Visrecht en bevissing Gevoerd beheer Viswatertypering en draagkracht Typering van de Stobbeplas Draagkracht van de Stobbeplas Uitvoering van het visserijkundig onderzoek Visstandbemonstering Visonderzoek en gegevensverwerking Resultaten visserijkundig onderzoek Soortensamenstelling Lengte-frequentie en conditie Bespreking en knelpunten Bespreking Knelpunten Aanbevelingen Visstandbeheer Inrichtingsmaatregelen Evaluatieonderzoek Literatuur Bijlagen... 37
152
153 - Inleiding - 1 Inleiding Op verzoek van Federatie is op 30 januari 2007 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas te Lutten. Topografische ondergrond: Topografische Dienst, Emmen Figuur 1.1 Overzichtskaart Stobbeplas te Lutten. 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het aanvragen van een visserijkundig onderzoek is het feit dat de samenstelling van de visstand op de plas niet inzichtelijk is. Hierdoor is het voor de Federatie niet mogelijk om streefbeelden voor de ontwikkeling van de visstand in de Stobbeplas vast te stellen. Vast staat dat de Stobbeplas een zeer belangrijke functie heeft voor de sportvissers met name karpervissers- in het gebied. De Karperstudiegroep Regio Zwolle organiseert langs de Stobbeplas zelfs jaarlijks een meerdaags jeugdkamp voor de jongste karpervissers. Uit de vangsten tijdens het jeugdkamp blijkt dat er zeer veel jonge schubkarpers 30 januari
154 - Stobbeplas te Lutten- tot 40 centimeter op de plas zwemmen. Dit duidt op een mogelijke natuurlijke aanwas van de karperstand. Op zichzelf een relatief zeldzaam fenomeen in het Nederlandse binnenwater, waar de paai en ontwikkeling van karper ofwel mislukt door de koele zomers of de aanwezige roofvis decimeert de jonge karperstand volledig. De federatie neemt dan ook aan dat de roofvisbezetting zo laag is dat de aanwas niet meer wordt gereguleerd. Daarnaast wil de Federatie de bereikbaarheid en de bevisbaarheid van het water verbeteren. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het water, de bevissing en het gevoerde beheer in en rond de Stobbeplas. Een uitleg over de visstandtypering van de Nederlandse ondiepe en stilstaande wateren en meer informatie over de draagkracht van een water voor biomassa van vis is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het uitgevoerde onderzoek naar de visstand en de gegevensverwerking. Hoofdstuk 5 geeft de resultaten van de visstandbemonstering aan de hand van de soortsamenstelling, de lengte-frequentieverdeling en de conditie van de aangetroffen visstand. Vanuit de bespreking van de visstand in de Stobbeplas zijn knelpunten geformuleerd in Hoofdstuk 6. Met de knelpunten als vertrekpunt geeft hoofdstuk 7 aanbevelingen op het gebied van visstandbeheer en/of inrichtingsmaatregelen. Het rapport wordt afgesloten met bijlagen en een profiel van de aangetroffen vissoorten en in het rapport genoemde vissoorten. 10
155 - Algemene gegevens - 2 Algemene gegevens 2.1 Gebiedsbeschrijving De Stobbeplas ligt nabij Lutten in de gemeente Hardenberg in de provincie Overijssel. De plas is bereikbaar via de autoweg N377 tussen Dedemsvaart en Slagharen. Het water is ontstaan door zandwinning voor de aanleg van diezelfde autoweg. De naam dankt de plas aan de oude Stobbenplas die op een geheel andere plaats lag. Daar waar de Lutterbeek via het Bovenwater naar het westen stroomde en de Reest genoemd werd. Het water is zo n 500 meter lang en heeft een oppervlak van 6,4 hectare. De breedte is maximaal 200 meter. De gemiddelde diepte is onbekend. De grootste diepte is waarschijnlijk 6 meter. Het bodemprofiel is zeer grillig, er zijn ook zeer ondiepe delen, die in de zomer droogvallen. De bodem bestaat uit zand. Op de bodem bevindt zich een dunne modderlaag met een dikte van maximaal 10 centimeter. De totale oeverlengte is 1213 meter. De taludhelling is matig tot steil. Circa 50% van de oever is begroeid. Langs de oever staat riet, liesgras en biezen. Ook staan er verspreid langs het water wat struiken en bomen met inhangende takken. De rietkraag is gemiddeld 2 meter breed. In de Stobbeplas komen geen drijfbladplanten (zoals gele plomp) voor. Er staat geen stroming in het water. Het water wordt gevoed door regenen kwelwater. Er is geen waterinlaat of wateruitlaatpunt. Het water staat niet in verbinding met andere wateren in de omgeving. Vismigratie is dus niet mogelijk. 2.2 Visrecht en bevissing De eigenaar van de Stobbeplas is Staatsbosbeheer te Deventer. De visrechten van de Stobbeplas zijn, voor wat betreft het schubvisrecht, in bezit bij Hengelsportfederatie. Bij deze federatie zijn 77 hengelsportverenigingen aangesloten die gezamenlijk bijna leden tellen. De Stobbeplas is opgenomen in de Landelijke Lijst van Viswateren (Lijst van viswateren Noordoost Nederland). Om te vissen in de Stobbeplas moet de sportvisser lid zijn van een bij Sportvisserij Nederland aangesloten hengelsportvereniging. Men krijgt dan in ieder geval de VISpas en de Landelijke Lijst van Viswateren. Met de VISpas mag de sportvisser vissen met twee hengels en alle wettelijk toegestane aassoorten, tenzij anders aangegeven bij de wateren. Voor de Stobbeplas gelden de algemene voorwaarden in de Landelijke Lijst op pagina 2 en de aanvullende voorwaarden van de Federatie Oost- Nederland op pagina 75. Als aanvullende voorwaarde specifiek voor de Stobbeplas geldt: 30 januari
156 - Stobbeplas te Lutten- Het water alleen vanaf het Ommerkanaal toegankelijk is. In dit water mag niet gevoerd worden. Sportvissers die ook s nachts hun geluk willen beproeven aan de Stobbeplas vallen onder de Nachtvisregeling Landelijke lijst Werkgebied van Federatie Oost Nederland. Men dient dan in het bezit te zijn van de NachtVISpas en te vissen volgens de daarop vermelde voorwaarden. De NachtVISpas is aan te vragen bij de federatie. De statische karpervisser neemt relatief veel materiaal mee. In de Stobbeplas vissen hoofdzakelijk karpervissers die op afstand vissen. Op specifieke plaatsen langs de oever vissen zij veelal met twee hengels, voorzien van een vast lood-montage en elektronische beetverklikkers op karper. Om de karpers te verleiden tot een aanbeet worden over het algemeen boilies, maïs of andere zaden en granen gebruikt. De karpervisser vist zowel overdag als s nachts en maakt graag gebruik van een paraplu of klein tentje om materiaal op te bergen of te schuilen. Van de Stobbeplas zijn geen sportvisserij enquête gegevens bekend. Volgens de Federatie is de karper de favoriete vissoort in de Stobbeplas. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat de karper klein van formaat is en in grote hoeveelheden voorkomt. Over de hengeldruk en het voorkomen van witvis en roofvis op de Stobbeplas, is weinig bekend. 2.3 Gevoerd beheer Voor de Stobbeplas is geen visstandbeheerplan opgesteld. In de afgelopen jaren is geen vis uitgezet op de Stobbeplas. De visrechthebbenden willen in de komende tijd de visserijmogelijkheden (bereikbaarheid en bevisbaarheid) verbeteren. De waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheerder is het Waterschap Velt & Vecht. 12
157 - Viswatertypering en draagkracht - 3 Viswatertypering en draagkracht 3.1 Typering van de Stobbeplas De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich uiteindelijk kan ontwikkelen. De aanwezigheid van waterplanten is hierbij een belangrijke sturende factor. Waterplanten vervullen in meerdere opzichten een belangrijke functie voor de aanwezige visstand. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: bovenwaterplanten (emerse waterplanten, o.a. riet, lisdodde) onderwaterplanten (submerse waterplanten, o.a. waterpest, hoornblad) drijfbladplanten (o.a. gele plomp, waterlelie) Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden de vis daarnaast bescherming tegen predatoren (roofvis, visetende vogels) en beschutting tegen stroming. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten bevinden zich bovendien tal van organismen die een belangrijke voedselbron vormen voor vis. In een natuurlijke situatie is een geleidelijke overgang van land naar water te zien, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en vervolgens onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water beduidend beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten zijn in de regel indicatief voor helder water. Een water met een rijk waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende vissoorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water zal zich over het algemeen een soortenarme visstand ophouden, met waarschijnlijk brasem als meest voorkomende vissoort. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn door Sportvisserij Nederland onderverdeeld in vijf viswatertypen (zie ook figuur op de volgende bladzijde): het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype. 30 januari
158 - Stobbeplas te Lutten- De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water. Baarsblankvoorn viswatertype Ruisvoornsnoek viswatertype Snoekblankvoorn viswatertype Blankvoornbrasem viswatertype Brasemsnoekbaars viswatertype 14
159 - Viswatertypering en draagkracht - Bij het indelen van wateren in viswatertype wordt in eerste instantie een indeling gemaakt in ondiepe en diepe wateren. De grens tussen beide watertypen ligt bij een diepte van 4 a 5 meter. De diepe wateren kenmerken zich meestal door het voorkomen van een spronglaag. Omdat de Stobbeplas waarschijnlijk geen spronglaag heeft en de gemiddelde diepte niet dieper is dan circa 5 meter, wordt de Stobbeplas gerekend tot de ondiepe wateren. Maar het water heeft ook kenmerken van een diep viswatertype. De waterplantenontwikkeling is een belangrijk kenmerk voor de verdere indeling in viswatertypering. Tijdens de visstandbemonstering is door Sportvisserij Nederland ook een milieu-inventarisatie in de Stobbeplas uitgevoerd (zie onderstaande tabel). Hierbij zijn verschillende, voor vis belangrijke, parameters gemeten. Tabel 3.1 Milieugegevens gemeten tijdens de visstandbemonstering 30 januari O 2 verzadiging* 89% kleur water waargenomen: bruinig O 2 gehalte* 10,8 mg/l geur water waargenomen: neutraal Temperatuur* 6,0 o C bedekking bovenwater 2% waterplanten ph* 7, drijfblad 0% Geleidingsvermogen* 428 µs/cm onder water 0% Zichtdiepte* 120 cm groenalgen waargenomen: geen Calcium <2 mg/l blauwalgen waargenomen: geen chloride (Cl - ) <50 mg/l nitraat (NO - 3 ) 0 mg/l zuurbindend vermogen 1 mm/l * Zie ter vergelijking de Normdoelstelling Water voor Karperachtigen en Minimumkwaliteit in bijlage I. De resultaten van de milieu/bemonstering geven geen aanleiding om problemen met de waterkwaliteit te verwachten. De huidige situatie van de Stobbeplas: het blankvoorn - brasem viswatertype Omdat het water zowel kenmerken heeft van een ondiep viswatertype als het diep viswatertype is het indelen van de Stobbeplas in een viswatertype vrij lastig. De Stobbeplas wordt qua milieukenmerken getypeerd als het zogenaamde blankvoorn - brasem viswatertype (zie ook tabel viswatertypering). 30 januari
160 - Stobbeplas te Lutten- Dit viswatertype wordt gekenmerkt door een beperkte aanwezigheid van waterplanten en een doorzicht van circa 1 meter. Kenmerkende vissoorten van dit watertype zijn blankvoorn en brasem en de belangrijkste roofvis is de snoekbaars. De biomassa aan snoek en baars is in dit type relatief klein. 3.2 Draagkracht van de Stobbeplas Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogrammen per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het blankvoorn brasem-viswatertype is de draagkracht ongeveer 350 tot 600 kilogram vis per hectare, waarbij de spreiding in draagkracht afhankelijk is van de voedselrijkdom van het water (vooral het gevolg van de bodemsoort (zand, klei of veen). In de Stobbeplas lijkt de voedselrijkdom erg laag. Dit wordt veroorzaakt door de zandbodem. De draagkracht zal, bij een goede waterkwaliteit en inrichting van het water voor vis, rond de 350 tot 400 kilogram vis per hectare liggen. 16
161 - Viswatertypering en draagkracht - Tabel 3.2 Viswatertypering ondiepe, stilstaande en langzaam stromende wateren (Zoetemeyer & Lucas, 2001) viswatertype baars blankvoorn ruisvoorn snoek snoek blankvoorn blankvoorn brasem brasem snoekbaars planten bovenwater matig veel matig matig weinig - matig drijfblad weinig veel matig - veel weinig - matig geen - weinig onderwater matig veel weinig geen geen bedekking % 10-60% % 20-60% 10-20% 0-10% vissoorten aal baars + +/ bittervoorn* /- - blankvoorn + +/ brasem +/- +/ grote modderkruiper +/ /- - karper /- - kleine modderkruiper /- - kolblei +/- +/ kroeskarper +/ /- - kwabaal* + +/- +/- +/- - meerval* - +/ /- pos +/- +/ rivierdonderpad* + +/- +/- +/- - riviergrondel /- ruisvoorn +/ /- - snoek /- snoekbaars - - +/ stekelbaars (3d) /- - stekelbaars (10d) /- - vetje /- zeelt +/ /- - draagkracht kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha voedselrijkdom fosfaatgehalte (oligo)- mesotroof voedselarm <0,01 mg P/l (hyper-)eutroof zeer voedselrijk >0,1 mg P/l Ontwikkelingsmogelijkheden: - nauwelijks of geen +/- beperkt + voldoende ++ optimaal * bittervoorn: aanwezigheid van zoetwatermossels noodzakelijk voor de voortplanting. kwabaal: verbinding met diep, helder water noodzakelijk. meerval: rivierdonderpad: komt de laatste eeuwen vrijwel uitsluitend in het Haarlemmermeergebied voor. afhankelijk van stenig substraat in combinatie met waterturbulentie (bijv. stroming). 30 januari
162 - Stobbeplas te Lutten- 18
163 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - 4 Uitvoering van het visserijkundig onderzoek 4.1 Visstandbemonstering Tijdens de visstandbemonstering is een deel van de Stobbeplas, onder verantwoordelijkheid van Sportvisserij Nederland, door Visserijbedrijf Kalkman en Van Wijk met staand want bevist. De perken staand want hadden een gestrekte maaswijdte van 120 en 140 millimeter. Het staand want is met tussenpozen van ½ tot één uur leeggehaald en opnieuw geplaatst. Door de korte tijd dat het staand want in het water staat, ondervinden de vissen geen schade van dit vistuig. Bij een normale visserij met staand want, waarbij het want meer dan 12 uur staat, kan de sterfte van de gevangen vis aanzienlijk zijn. Tevens zijn, door medewerkers van Sportvisserij Nederland met een elektro-visapparaat met een vermogen van vijf kw, de oevers afgevist. De gevangen vis is direct met schepnetten overgebracht in teilen en naar de verwerkingsplaats gebracht. Figuur 4.1 Overzichtskaart uitgevoerde visserijen. De rode lijn is de beviste oeverlengte. De zwarte lijnen geven de positie van het staand want weer. 30 januari
164 - Stobbeplas te Lutten- Met het elektroaggregaat is circa 1100 meter van de oeverlengte bevist. 4.2 Visonderzoek en gegevensverwerking Alle gevangen vis werd kort voor het visserijkundig onderzoek in een speciale verdovingsvloeistof licht verdoofd. Hierdoor kon de vis gemakkelijk gemeten en gewogen worden zonder al te veel kans op beschadiging en stressverschijnselen. De gegevens zijn ingevoerd in het computerprogramma Piscaria. Piscaria is de landelijke databank de STOWA en Sportvisserij Nederland, waarin diverse onderzoeksbureaus, waterbeheerders en hengelsportorganisaties visserijgegevens invoeren. De databank wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is gekoppeld aan internationale netwerken. Voor meer informatie zie: Het programma Piscaria berekent vervolgens tabellen, aandeelgrafieken, lengtefrequentieverdelingen en conditiegrafieken volgens de door STOWA vastgestelde standaarden, welke aansluiten bij de Kaderrichtlijn water. Tabellen In tabel 5.1 wordt per vissoort de gevangen aantallen en de biomassa (gewicht) vermeld. De biomassa is bepaald aan de hand van een voor Nederland algemeen geldende Lengte-Gewichtsrelatie (Klein Breteler & de Laak, 2003). Van iedere vissoort is ook het berekende minimum en maximum gewicht vermeld. In de tabel zijn ook de minimum- en maximum lengtes van de gevangen vissen vermeld en ook het totaal aantal gevangen vissen en het berekende vangstgewicht. Aandeelgrafieken Het aandeel van de vissoort in de aantallen en in gewicht is in twee grafieken weergegeven. In de aantalsaandeelgrafiek wordt het aantal gevangen vissen op 100% gesteld en wordt het aandeel op aantalbasis van elke vissoort berekend. In de vangstaandeelsgrafiek wordt het vangstgewicht op 100% gesteld en wordt het aandeel op gewichtsbasis van elke vissoort hierin vermeld. Lengtefrequentiegrafiek Van de meest belangrijke vissoorten zijn lengtefrequentiegrafieken weergegeven in Hoofdstuk 5. Per centimeterklasse (X-as) worden de gevangen aantallen (Y-as) weergegeven. Conditie Van de belangrijkste gevangen vissoorten zijn de lengte en het individuele gewicht bepaald, zodat de conditie van een vis kan worden berekend. Als maat voor de conditie van de vis wordt genomen de verhouding tussen het gemeten gewicht en het "normaalgewicht" van de vis. Het normaalgewicht is door de (voormalige) OVB empirisch bepaald aan de hand van talrijke metingen van lengte en gewicht van vissen uit een reeks van wateren (Klein Breteler & de Laak, 2003). Wanneer de conditiefactor kleiner is dan 0,9 is de conditie van de vis onvoldoende. Ligt de conditiefactor tussen de 0,9 en 1,1 dan is de conditie voldoende. Is de conditiefactor groter dan 1,1 dan is de conditie goed. 20
165 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - Hoewel de Stobbeplas een zandwinput is, komen er wel mooie rietkragen voor Mooie exemplaren van de ruisvoorn werden dan ook in het riet gevangen Staand want kan goed toegepast worden op diepere wateren, zonder beschadigde vissen als de netten maar regelmatig gecontroleerd worden Pracht schubkarper 30 januari
166 - Stobbeplas te Lutten- 5 Resultaten visserijkundig onderzoek 5.1 Soortensamenstelling Tijdens de bemonstering van de Stobbeplas zijn in totaal 7 vissoorten gevangen. Er zijn 217 exemplaren gevangen, met een totaal gewicht van ongeveer 219 kilo. In de onderstaande tabellen zijn van de gevangen vissoorten het aantal, gewicht en de lengte weergegeven. Tabel 5.1 Gevangen vissoorten in de Stobbeplas Vissoort Aantal Gewicht (kg) Lengtespreiding (cm) Gewichtspreiding (gram) Baars 22 0, Brasem 6 7, Blankvoorn 1 0, Karper , Spiegelkarper 3 13, Aal/Paling 2 2, Rietvoorn/Ruisvoorn 101 1, ,0-246 Snoek 26 14, Totaal ,6 N.b. Hoewel karper en spiegelkarper geen aparte soorten zijn, worden ze in de bovenstaande tabel gescheiden weergegeven. De vangst bestond qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn (47% van het totaal aantal gevangen exemplaren, zie onderstaande linkergrafiek). Na ruisvoorn is karper de meest gevangen vissoort met een aandeel in de vangst van 26%. Qua gewicht bestond de vangst voor het grootste deel uit schubkarper (82%), snoek (7%) en spiegelkarper (6%, zie rechtergrafiek). Relatieve aantals-aandeel Snoek 12% Baars 10% Brasem 3% Spiegelkarper 1% Karper 26% Karper 82% Relatieve gewichts-aandeel Spiegelkarper 6% Paling 1% Ruisvoorn 1% Snoek 7% Baars <1% Ruisvoorn 47% Paling 1% Blankvoorn 0% Brasem 4% Blankvoorn <1% 22
167 - Resultaten visserijkundig onderzoek Lengte-frequentie en conditie Van de meest belangrijke vissoorten is de lengte-frequentie en de conditie in grafieken weergegeven. De grafieken zijn hieronder per vissoort toegelicht. Baars In totaal zijn 22 baarzen gevangen met een lengte die varieerde van 5 tot 29 centimeter. De conditie van de gevangen baarzen was voldoende. LF diagram voor Baars Conditiediagram voor Baars 8 1,5 7 6 Aantallen Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Blankvoorn Er is één blankvoorn gevangen met een lengte van 24 centimeter. De conditie van de gevangen blankvoorn was voldoende. Brasem In totaal zijn 6 brasems gevangen. De kleinste brasem had een lengte van 42 centimeter. De grootste brasem had een lengte van 52 centimeter. Opmerkelijk is dat er alleen grote brasems zijn gevangen. De conditie van de gevangen brasems was voldoende tot (zeer) goed. LF diagram voor Brasem Conditiediagram voor Brasem 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 30 januari
168 - Stobbeplas te Lutten- Karper In totaal zijn 56 schubkarpers gevangen met een lengte die varieerde van 43 tot 78 centimeter. De conditie van de gevangen karpers was voldoende. LF diagram voor Karper Conditiediagram voor Karper 6 1,5 5 4 Aantallen 3 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Spiegelkarper Van het type spiegelkarper zijn 3 exemplaren gevangen. De lengte van de vissen was 47, 50 en 80 centimeter. De conditie van de gevangen spiegelkarpers was voldoende. Het grootste exemplaar had een matige conditie. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door het type karper. Een slank type spiegelkarper heeft een lager gewicht bij dezelfde lengte als een hoog gebouwd type. In het veld werd de conditie van deze karper dan ook als normaal beoordeeld. LF diagram voor Spiegelkarper Conditiediagram voor Spiegelkarper 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 24
169 - Resultaten visserijkundig onderzoek - Ruisvoorn Van de meest voorkomende soort riet- of ruisvoorn zijn 101 exemplaren gevangen. De kleinste vissen hadden een lengte van 3 centimeter. Deze vissen met een lengte tot 7 centimeter behoren tot de 0+ jaarklasse. Dit zijn vissen die geboren zijn in het voorjaar van Vissen met een lengte van circa 10 centimeter zijn twee groeiseizoenen oud en vissen met een lengte tot 14 a 15 centimeter zijn 3 groeiseizoenen oud. Deze groei kan worden beoordeeld als een normale groei. De conditie van de gevangen ruisvoorns was matig tot voldoende. LF diagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn Conditiediagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn 30 1, Aantallen 15 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Snoek Van de roofvis snoek zijn 26 exemplaren gevangen. De grootste snoek had een lengte van 73 centimeter. De kleinste snoeken hadden een lengte van 17 tot 30 centimeter. Deze vissen behoren tot de 0+ jaarklasse. De conditie van de gevangen snoeken was voldoende. De conditie van de grootste snoeken was goed. Waarschijnlijk komt dit door de ontwikkeling van geslachtproducten, het zogenaamd paairijp worden. LF diagram voor Snoek Conditiediagram voor Snoek 4 1,5 3 Aantallen 2 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Overige soorten 30 januari 2007 In de Stobbeplas zijn ook nog twee alen of palingen gevangen. Deze vissen hadden een lengte van 78 en 91 centimeter. De conditie van de alen was goed. 25
170 - Stobbeplas te Lutten- 6 Bespreking en knelpunten 6.1 Bespreking Tijdens de visstandbemonstering in de Stobbeplas zijn 7 vissoorten gevangen. De soortdiversiteit is daarmee niet erg hoog. Gewoonlijk wordt tijdens een inventarisatie van één dag door Sportvisserij Nederland 11 vissoorten gevangen. De meeste soorten behoren tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper en aal. Van de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water) komen alleen ruisvoorn en snoek voor. Ruisvoorn is wel de meest gevangen soort tijdens deze bemonstering. Kleine baars en ruisvoorn zijn de meest voorkomende vissoorten qua aantallen. Van de blankvoorn is slechts één exemplaar gevangen. De conditie van ruisvoorn is matig tot voldoende. Van brasem werden alleen grote volwassen exemplaren gevangen. De conditie van deze grote brasems is voldoende tot (zeer) goed. Over de opbouw van de witvispopulatie kan gesteld worden dat er weinig juveniele (jonge) vissen zijn aangetroffen en dat er in het lengteklassetraject 20 tot 40 centimeter geen vissen zijn gevangen, op 1 blankvoorn na. De belangrijkste predator in de Stobbeplas is de snoek met een gewichtsaandeel in de vangst van circa 7%. Van deze vissoort zijn relatief veel jonge exemplaren gevangen. Vissen ouder dan 4 groeiseizoenen zijn relatief slecht vertegenwoordigd. De aanwezige oevervegetatie (met name riet) is een belangrijke factor in het voorkomen van jonge snoeken (0 + en 1 + jaarklasse). Tussen de begroeiing vinden de jonge exemplaren schuilgelegenheid tegen wegvraat door grotere soortgenoten en aalscholvers. Snoeken van 3 en 4 groeiseizoenen worden minder afhankelijk van de vegetatie en verplaatsen zich naar het open water. Waarschijnlijk komen er weinig grote snoeken in de Stobbeplas voor. Met de gebruikte visserijmethoden (elektrovisserij en staand want visserij) worden doorgaans wel grote snoeken gevangen als zij voorkomen op een water. Het vangstgewicht bestond voornamelijk uit karper (schub- en spiegelkarper samen 88%). Het aandeel eurytope (vissoorten die geen voorkeur hebben voor stroming en/of waterplanten) vissoorten in de biomassa is hierdoor erg hoog. Als in de Stobbeplas al jarenlang geen karper is uitgezet, dan is er waarschijnlijk sprake van natuurlijke rekrutering in bepaalde jaren. De aanwezigheid van een groep (cohort) karpers met een lengte van 43 tot en met 46 centimeter duidt hier op. Ook het cohort vissen met een lengte van circa 50 centimeter kan afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. 26
171 - Bespreking en knelpunten - Door de geringe aantallen vis die zijn aangetroffen is het moeilijk om iets over de populatie opbouw te zeggen, anders dan dat deze erg onevenwichtig is opgebouwd. 6.2 Knelpunten Visstand De soortensamenstelling van de visstand is weinig divers. Algemeen voorkomende soorten in soortgelijke wateren als bijvoorbeeld kolblei, pos en zeelt zijn niet aangetroffen. Ook soorten als bittervoorn en kleine modderkruiper kunnen in dit watertype voorkomen. In de lengtefrequentieverdeling van enkele (wit)vissoorten, zoals baars brasem, blankvoorn en ruisvoorn blijkt dat de populatie niet evenwichtig is opgebouwd. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Enerzijds is de hoeveelheid oever- en onderwatervegetatie in de Stobbeplas beperkt. In de herfst en winter sterft namelijk veel van de vegetatie af. Met name in de herfst en winter vinden veel jonge vissen niet voldoende schuilgelegenheid. Het belang van schuilgelegenheid (vegetatie en beschutting) wordt verder behandeld onder het kopje Inrichtingsmaatregelen van het volgende hoofdstuk en in het kader op de volgende bladzijde. Daarnaast speelt predatie door aalscholvers een rol. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat aalscholvers regelmatig de Stobbeplas bezoeken. Waterkwaliteit - kwantiteit Op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn er weinig knelpunten in de Stobbeplas. Ondanks de waterpeilschommelingen is er op een groot deel van de oever een rietkraag ontstaan Inrichting en onderhoud van het viswater Door een goede inrichting van het water is het mogelijk de productiviteit van het water te verhogen en de predatie door aalscholvers te verminderen. Om de productiviteit te verhogen dient op bepaalde delen van de oever de oevervegetatie gestimuleerd te worden. Daarnaast kan door het aanbrengen van beschutting (bomen) het areaal aan beschut leefgebied vergroot worden. Hierdoor wordt het jagen door aalscholvers bemoeilijkt. 30 januari
172 - Stobbeplas te Lutten- Ook het voorkomen van aalscholvers in wateren vormt een bedreiging voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de visstand. Aangezien de aalscholver een beschermde vogelsoort is, mogen slechts preventieve maatregelen worden genomen. Van belang is dat er voor vissen voldoende structuren in het water zijn, die schuilmogelijkheid bieden. Ondiepe oeverzones met voldoende onderwaterplanten en open rietkragen zijn een toevluchtsoord voor vissen, maar onaantrekkelijk als jachtgebied voor aalscholvers. Natuurlijk heeft een dergelijke oever ook meerwaarde als paaiplaats en als schuilplaats voor jonge vis. Ook onder drijfbladplanten zoals de gele plomp kunnen vissen zich verschansen wanneer vogels hen belagen. Onderwaterstructuren zijn van groot belang voor vis. Niet alleen als schuilmogelijkheid tegen aalscholvers, maar ook voor diverse andere toepassingen. Zo kunnen onderwaterstructuren dienst doen als paaisubstraat en als foerageergebied (bijvoorbeeld voor een snoek die in hinderlaag ligt). Daarnaast vormen onderwaterstructuren een goede ondergrond voor mosseltjes en (draad)algen om op te groeien, wat door vissen weer als voedselbron gebruikt kan worden. Als onderwaterstructuren kunnen bijvoorbeeld bomen, takkenbossen (rijshout) of oude kerstbomen worden gebruikt. Indien onderwaterstructuren worden geplaatst dienen wel waarschuwingsborden of markeringen te worden geplaatst, zodat sportvissers deze structuren kunnen vermijden. Bij voorkeur moeten in het relatief kleine water de structuren in de oeverzones worden aangebracht. Figuur 6.1 In de oeverzone aangebrachte bomen, takken en andere onderwaterstructuren bieden vissen een schuilplaats en beschutting tegen de aalscholver. 28
173 - Aanbevelingen - 30 januari
174 - Stobbeplas te Lutten- 7 Aanbevelingen 7.1 Visstandbeheer De huidige visstand is een afspiegeling van de situatie op de Stobbeplas. Het uitzetten van vis op de Stobbeplas lijkt weinig zinvol door de aanwezigheid van aalscholvers. Visuitzettingen hebben meestal ook maar een tijdelijk effect. Door het nemen van inrichtingsmaatregelen kan er een meer gevarieerd visbestand op de Stobbeplas ontstaan, met behoud van de aanwezigheid van de karperstand. Het lijkt alsof de karperpopulatie is opgebouwd uit een deel natuurlijke rekrutering. Aan de hand van hengelvangsten moet in de komende jaren nagegaan worden of dit vaker gebeurd. Mocht dit niet zo zijn, dan is op termijn een uitzetting van karper nodig, omdat de huidige populatie afneemt door natuurlijke sterfte. Om de visstand in de Stobbeplas wat meer variatie te geven, kan eventueel zeelt worden uitgezet. Om het karperbestand meer variatie te geven, kan overwogen worden spiegelkarpers uit te zetten. 7.2 Inrichtingsmaatregelen Op de Stobbeplas kunnen maatregelen genomen worden om de productiviteit te verhogen en om predatie door aalscholvers te voorkomen. Als mogelijke en haalbare mogelijkheden wordt geadviseerd om de oever in de zuidoosthoek te beschermen tegen vraat door vee en om verspreid langs de oever takkenbossen aan te brengen. Andere maatregelen om de aalscholverpredatie te voorkomen, zoals het plaatsen van zwarte zwanen en het met draden overspannen van de plas lijken niet te werken of zijn praktisch niet haalbaar. Herinrichten zuidoost-oever De zuidoost-oever wordt momenteel begraasd door vee. Dit vee drinkt ook uit de Stobbeplas, hierbij wordt de oever betreden en begraasd door het vee. Het gevolg is dat de vegetatie die daar groeit geen kans krijgt zich uit te breiden. Het effect daarvan is goed te zien op de bovenste foto van pagina 24. Op het bovenste deel is een begroeide oever te zien, op het deel na de afrastering houdt de begroeiing abrupt af. Voorgesteld wordt om de oever af te rasteren met prikkeldraad en/of schrikdraad en het vee te drenken met een weidepompinstallatie, eventueel op zonneenergie. Zodoende kan de vegetatie zich over een afstand van iets meer dan 200 meter ontwikkelen. Dit is een substantieel deel van de totale oeverlengte, zodat de maatregel ook effect moet hebben op de visstand. Aanbrengen takkenbossen Het aanbrengen van takkenbossen, zoals weegegeven in figuur 6.1, zal de vissen meer gelegenheid bieden te schuilen en daardoor is er minder predatie door de aalscholver. De maatregel is waarschijnlijk vrij eenvoudig uit te voeren met materiaal uit het omliggende bos. 30
175 - Aanbevelingen - Voorgesteld wordt om langs de zuidoever stroken van circa 20 meter breed in te richten met takken. Ook langs de noordoever kan hier en daar een dergelijke strook worden geplaatst. Sportvisserijmogelijkheden Naast de inrichting van het water door vis, moeten ook de sportvisserijmogelijkheden verbeterd worden. De Stobbeplas is momenteel moeilijk bereikbaar en voorzieningen ontbreken. Verschil tussen bereikbaarheid en bevisbaarheid In een aantal gevallen ontstaat onduidelijkheid over de definities bereikbaarheid en bevisbaarheid: De bereikbaarheid gaat over de weg die een sportvisser moet afleggen tot aan de oever waar gevist wordt, bijvoorbeeld vanaf de parkeerplaats tot aan de waterkant. De bevisbaarheid heeft betrekking op de te bevissen oever en het te bevissen water. Een oever kan bijvoorbeeld door een dichte rietkraag niet te bevissen zijn en het water kan door woekering van waterplanten moeilijk te bevissen zijn. Om de bereikbaarheid te verbeteren kan het bestaande wandelpad verbreed worden. Aan de wegzijde kunnen enkele parkeerplaatsen gecreëerd worden. Langs het water kunnen aan de zijde waar gevist mag worden, enkele visstekken (visplaatsen) aangelegd worden. Dit voorkomt dat sportvissers zelf open plekken gaan maken in bestaande begroeiing. Figuur 7.1 Een goed ingerichte visplaats tussen de rietkraag. De locatie van de eventueel aan te leggen visplaatsen kan het best gebeuren in overleg met ter plaatse bekende sportvissers. Overwogen kan worden om de visplaats die het dichtst bij de ingang ligt in te richten als mindervalide visplaats. Het lijkt overigens moeilijk om aan alle voorwaarden te voldoen die gesteld worden aan een goede mindervalide 30 januari
176 - Stobbeplas te Lutten- visstek aan de Stobbeplas (zie kader volgende bladzijde). Mindervalide en gehandicapte sportvissers kunnen tot verschillende sportvisserstypen behoren. Wat betreft de eisen en wensen die zij aan de visplek stellen, komen deze grotendeels overeen met de eisen en wensen per sportvisserstype. Echter, afhankelijk van de mobiliteit en handicap van de minder validen en gehandicapten stellen zij, als persoon, specifieke eisen aan de waterkant. Een korte opsomming van de eisen en wensen staat hieronder genoemd. Een nauwkeurigere beschrijvingen en tekeningen van verharde visplaatsen, vissteigers als ook materiaal, aanlegmethoden etc. staan uitvoerig beschreven in: Sportvisserij door gehandicapten en ouderen van de NVVS (NVVS, 1995). Openbaar vervoer Ontsluiting door openbaar vervoer. Afstand halte-visplaats maximaal meter. Parkeergelegenheid Afstand parkeerplaats-visplaats: maximaal meter. Voor rolstoel maximaal 50 meter. Afmeting parkeerplaats: 3,50 meter breed en 5 meter lang. Parkeerplaats van gesloten verharding. Trottoir-oprit Minimale breedte: 0,90 meter. Maximale helling 1:6. Niveauverschil maximaal: 0,10 meter. Toegangsweg Goed bereikbaar, geen obstakels. Materiaal: gesloten verharding (geen klinkers, trottoirtegels). Breedte toegangsweg: 1,20 meter. Toegangsweg (hellend) Helling niet steiler dan 1:20, niet langer van 9 meter. Steenslag, roodsplit ed. niet gebruiken. Langs toegangsweg een leuning (hoogte maximaal 0,83 meter). Trappen in talud verwerken (breedte 1,20 meter) (niet geschikt voor rolstoelen). Situering/constructie Bij voorkeur aan de zuidwestoever van het viswater. Zichtbaar voor passanten en/of in nabijheid van andere visplaatsen. Waterdiepte: minimaal 1,50 meter. Gemiddeld waterpeil ten hoogste 0,30 meter onder maaiveld. Gesloten verharding of houten vloer (geen klinkers, trottoirtegels). Houten vloer bewerken tegen gladheid (bitumen, schelpgruis). Afmeting oeverstrook: tenminste 2,50 meter lang en minimaal 1,50 meter breed. Veiligheid Aanbrengen van stootbalken. Op stootbalken een hekwerk bevestigen (hoogte 0,45 meter). 32
177 - Aanbevelingen - Daarnaast dienen bij de visstekken en de ingang afvalbakken geplaatst te worden. Met SBB of de gemeente moeten afspraken gemaakt worden over het legen van de bakken en de frequentie van het legen. Het plaatsen van afvalbakken en controle kan dit soort taferelen aan de Stobbeplas voorkomen. Naast het plaatsen van afvalbakken dient er regelmatig controle van de visdocumenten en het opruimen van afval plaats te vinden door de politie en/of speciaal daarvoor opgeleide opsporingsambtenaren (BOA s). Sportvissers die last ondervinden van hangjongeren moet geadviseerd worden de politie te bellen. 7.3 Evaluatieonderzoek Hengelvangstregistratie Aanbevolen wordt om in combinatie met de uitzetting van vis ook een hengelvangst-registratieprogramma op te zetten. Een goed uitgevoerde hengelvangstregistratie kan inzicht verschaffen in een mogelijke afname of toename van de visbezetting en kan daarnaast zelfs een verschuiving in de soortensamenstelling aantonen. Op deze manier is het mogelijk te achterhalen of de karper regelmatig paait en broedsucces heeft. Is dit het geval, dan hoeft er geen karper uitgezet te worden. Ook kan hiermee worden aangetoond of de herinrichting van de oevers het gewenste effect op de visstand hebben. Vervolgonderzoek Eventueel kan over een aantal jaren weer een visserijkundig onderzoek 30 januari
178 - Stobbeplas te Lutten- worden uitgevoerd, om opnieuw de samenstelling en kwaliteit van de visstand vast te leggen. Er kan dan worden bekeken in hoeverre de voorgestelde maatregelen zijn uitgevoerd en wat voor effect deze maatregelen op de visstand hebben gehad. Ook kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen wenselijk zijn. 34
179 - Literatuur - Literatuur Eck, G. van, Interne rapportage visserijkundig onderzoek Stobbeplas. Sportvisserij Nederland, afdeling Advisering en Begeleiding. Klein Breteler, J.G.P. & G.A.J. de Laak, Lengte-gewichtsrelaties Nederlandse vissoorten. OVB onderzoeksrapport OND00074, 13p. Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, Nieuwegein. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij (LNV), directie Openluchtrecreatie, Vormgeving en inrichting viswater. s Gravenhage. Spiegel, A. van der, Visgemeenschappen van het stilstaande water. In Quak, J. en A. van der Spiegel (eds.). Cursus Visstandbeheer en Integraal Waterbeheer. Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij STOWA, Handboek Visstandbemonstering. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer. Rapport 2002/07. STOWA, Utrecht. Zoetemeyer, R.B., & B.J. Lucas, De OVB-viswatertypering deel 1: Ondiepe wateren. Vis & Water magazine Jaargang 1, nr 4, december Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij 30 januari
180
181 - Bijlagen - Bijlagen Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit...38 Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten januari
182 - Stobbeplas te Lutten- Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit Parameter Norm Functie viswater (normdoelstelling water voor karperachtigen) 1 Algemeen ecologische functie (Minimumkwaliteit MTR 2 ) Temperatuur water max. 28,0 C max. 25,0 C Zuurstofgehalte 50% >7,0 mg/l min. 5,0 mg/l 1 Doorzicht --- gem. 0,4 m (zomer) Chlorofyl --- gem. 100,0 µg/l (zomer) Biochemisch max. 10,0 mg/l --- zuurstofgebruik ph 6,0-9,0 SE 6,5-9,0 SE Zwevende stof < 25,0 mg/l --- Ammonium (NH4-N) <= 1 (4,0) mg/l NH Totaal fosfaat gem. 0,2 mg/l gem. 150 µg/l (zomer) Totaal stikstof --- gem. 2,2 mg /l (zomer) Ammoniak (NH3-N) < 0,025 mg/l NH 3 max. 0,02 mg/l Nitriet 0,03 mg/l NO Totaal koper 3 0,04 mg/l Cu max. 3,0 µg/l Totaal zink 3 1 mg/l Znl max. 30 µg/l Chloride --- max. 200 mg/l (zoet water) 1 RICHTLIJN 2006/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water. Nitriet en koper Richtwaarden, overige parameters: Bindende waarden. 2 MTR = Maximaal Toelaatbaar Risico 3 Afhankelijk van de hardheid van het water 38
183 - Bijlagen - Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten BAARS (Perca fluviatilis) Leefomgeving De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 50 tot 200 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Toch komt de baars ook in kleinere wateren voor. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is favoriet, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten in de oeverzone op. Voortplanting De paaitijd valt in de maanden maart, april en mei, bij een watertemperatuur van meer dan 8 C. Vooral ondergelopen gebieden, waar de temperatuur in het ondiepe water snel kan stijgen, zijn geliefd als paaiplaats, maar ook tal van andere ondiepe plekken zijn geschikt. Voedsel De jonge baars leeft voornamelijk van dierlijk plankton. Later worden hier ook andere ongewervelde dieren, zoals aasgarnalen en vlokreeften, aan toegevoegd. Wanneer de baars een lengte van meer dan 10 cm heeft bereikt, gaat vis(broed) in toenemende mate deel uitmaken van het voedselpakket. Baars heeft een grote voorkeur voor spiering en kleinere soortgenoten. Groei en leeftijd De groei in het eerste jaar bedraagt 6 tot 8 cm. De mannetjes zijn na 2 jaar geslachtsrijp, bij een lengte van 15 cm; vrouwtjes een jaar later, bij een lengte van 20 cm. De maximale lengte is 50 cm. In het IJsselmeer wordt de baars niet ouder dan 6 jaar. 30 januari
184 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De brasem is een zeer algemene vissoort in het Nederlandse binnenwater, die zowel in zoet als in brak water voorkomt. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Eutrofiëring (vermesting) van het binnenwater heeft ertoe geleid dat de brasemstand sterk is toegenomen. De brasem is tegenwoordig de meest karakteristieke vis voor onze (zeer) voedselrijke wateren met weinig waterplanten en een overmatige algengroei. De brasem wordt echter ook aangetroffen in helder, plantenrijk water. Hier vinden we meestal kleinere populaties, die vooral bestaan uit goed groeiende en relatief veel grote exemplaren. Het optimale leefgebied van de brasem kenmerkt zich door afwisseling tussen ruim, open water waarin de brasem in scholen naar voedsel zoekt en ondiepe, begroeide oeverzones, waar de paai- en opgroeigebieden zich bevinden. BRASEM (Abramis brama) Voedsel Brasemlarven voeden zich in eerste instantie hoofdzakelijk met dierlijk plankton. Wanneer zij een lengte van ongeveer 2 cm hebben bereikt, komen ook kleine muggenlarven in het dieet voor. Brasem heeft een voorkeur voor bodemvoedsel, zoals larven van muggen en andere insecten, wormpjes, slakken en mosseltjes. Bij een gebrek aan bodemorganismen kan de brasem overschakelen op een dieet van zoöplankton en plantaardig materiaal. Dankzij een geraffineerd zeefsysteem, gevormd door kieuwboog met aanhangsels, is de brasem beter dan andere vissoorten in staat om watervlooien en andere kleine organismen als voedselbron te benutten. Groei en leeftijd De groei van de brasem is onder andere afhankelijk van de watertemperatuur en het voedselaanbod. Een slechte groei treedt op als de dichtheden (aantallen brasems per hectare) erg hoog worden en daarmee sterke voedselconcurrentie optreedt. Onder optimale omstandigheden (veel voedsel, weinig concurrentie) kan brasem zeer snel groeien. Voortplanting In de paaitijd, die loopt van eind april tot midden juni, gaat de brasem op zoek naar geschikte paaiplaatsen. De eieren worden bij voorkeur afgezet op ondergedoken waterplanten of oeverplanten, maar bij afwezigheid daarvan worden ook boomwortels, stenen en andere obstakels, zoals houten paaltjes, autobanden en oude fietsen, als afzetsubstraat gebruikt. De brasem is daarom niet gebonden aan de aanwezigheid van waterplanten. Al na enkele dagen vormen de larven scholen in het ondiepe water. 40 In het eerste jaar is de groeisnelheid in Nederland gemiddeld 5 tot 7 cm. Bij een goede groei bereikt de tweejarige brasem een lengte van 12 cm en wordt een lengte van 40 cm na 8 jaar gehaald. De brasem is na 6 tot 7 jaar geslachtsrijp. De maximale lengte is 80 cm bij een gewicht van ongeveer 10 kg. De maximale leeftijd is ca. 15 jaar.
185 - Bijlagen - BLANKVOORN (Rutilus rutilus) Leefomgeving De blankvoorn is een vis van zowel stilstaand als stromend water, die in vele watertypen algemeen voorkomt. Zelfs in snelstromende wateren kan deze soort worden aangetroffen. Wel houdt de blankvoorn zich daar bij voorkeur in de stromingsluwe gedeelten op. De blankvoorn zoekt zijn voedsel in scholen in de buurt van begroeiing, maar ook wel in het diepere, open water. De blankvoorn is redelijk bestand tegen eutrofiering en vervuiling en lijkt bij uitstek te kunnen profiteren van veranderende omstandigheden. Zo kon in vele beken, waar deze soort van nature niet of slechts in geringe mate voorkwam, de blankvoornstand enorm toenemen, terwijl karakteristieke beekvissoorten daar sterk in aantal achteruit zijn gegaan of geheel zijn verdwenen. Voortplanting In de paaitijd, die doorgaans in april en mei valt, maar die tot in de zomer kan doorlopen, gaat de blankvoorn op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Deze liggen veelal dicht onder de oever in zwak stromend, ondiep water met beschutting tegen golfslag. De eieren worden afgezet op ondergedoken waterplanten, maar ook oeverplanten, boomwortels, stenen en andere obstakels worden als afzetsubstraat gebruikt. Zowel larven als juvenielen blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing. Hierdoor is de blankvoorn sterker dan brasem gebonden aan wateren met begroeiing. Voedsel Het voedsel van jonge blankvoorn beslaat uit zoöplankton, in het bijzonder watervlooien. Oudere blankvoorn heeft een aanzienlijk uitgebreider voedselpakket. Zowel dierlijk voedsel, zoals slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen, als plantaardig materiaal, zoals algen en detritus, worden gegeten. Groei en leeftijd De blankvoorn bereikt in het eerste jaar een lengte van 5 tot 7 cm. Onder gemiddelde omstandigheden is de blankvoorn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 tot 5 jaar, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De lengte is dan rond 15 cm. De maximale lengte is 45 cm en de maximale leeftijd ca. 10 jaar. 30 januari
186 - Stobbeplas te Lutten- KARPER (Cyprinus carpio) Leefomgeving De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe plaatsen ophoudt. Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper uit de Donau of uit Klein- Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers voor. In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld. Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor, zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen. Voortplanting De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit. Voedsel De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden. Groei en leeftijd Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is 120 cm. 42
187 - Bijlagen - Leefomgeving De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij voor in vrijwel ieder watertype, van diepe, stilstaande wateren tot in de bovenloop (de forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij, als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee kan trekken. De lichtschuwe aal is vooral in de schemering en 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten, boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar. Voortplanting De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water doorbrengt, maar zich in zee voortplant. Als Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot volwassen aal opgroeien. Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang. AAL of PALING (Anguilla anguilla) Voedsel Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden, zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd. Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien. Groei en leeftijd De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm, vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm. Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes varieert van 7-18 jaar. De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65 kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan 50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar. 30 januari
188 - Stobbeplas te Lutten- RUISVOORN (Scardinius erythrophthalmus) Leefomgeving De ruisvoorn is een vis van helder, stilstaand of langzaam stromend water dat rijk begroeid is met oever- en onderwaterplanten, afgewisseld met open stukken. Deze vis is vooral te vinden in de ondiepe oeverzone van vijvers, plassen, meren, kanalen en rivieren, waar hij zich meestal dicht onder de oppervlakte ophoudt. In beken is de ruisvoorn vooral te vinden in het stroomluwe water van (afgesneden) meanders en molenkommen, waar zich vegetatie kan ontwikkelen. Hier kan de ruisvoorn wel in redelijke aantallen voorkomen. Voortplanting De paaitijd valt laat in het jaar, in de maanden mei tot en met juli, wanneer de watertemperatuur meer dan 15 C bedraagt. In deze periode trekt de ruisvoorn naar de paaiplaatsen in de oeverzone, die soms in zeer ondiep water liggen. Hier worden de eieren aan water- en oeverplanten of aan ondergelopen gras afgezet. Voedsel Jonge ruisvoorn leeft voornamelijk van watervlooien. Naarmate de ruisvoorn groter wordt, schakelt hij geleidelijk over op grotere voedseldiertjes, zoals slakjes en kreeftachtigen. Ook in het water gevallen insecten worden gegeten; deze worden met de bovenstandige bek van de oppervlakte gehapt. Daarnaast behoort ook plantaardig materiaal tot het voedselpakket van de ruisvoorn. Zowel verschillende soorten zachte waterplanten als draad- en kiezelalgen vormen een groot deel van het dieet. Groei en leeftijd De ruisvoorn groeit in het eerste jaar tot gemiddeld 6 cm. In het tweede of derde jaar is de ruisvoorn geslachtsrijp bij een lengte van ca. 15 cm, de vrouwtjes later dan de mannetjes. De ruisvoorn kan een lengte van 45 cm bereiken. De maximale leeftijd ligt tussen 15 en 20 jaar. Voor een goede ontwikkeling van de eieren is de aanwezigheid van vegetatie essentieel; eieren die op de (meestal modderige) bodem terecht komen, gaan verloren. 44
189 - Bijlagen - SNOEK (Esox lucius) Leefomgeving De snoek is een soort van stilstaand of langzaam stromend water, zoals rivieren en brede beken. De snoek heeft een voorkeur voor helder water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten, die voldoende schuilgelegenheid biedt. Grotere exemplaren houden zich ook schuil achter obstakels. Voortplanting De paaitijd valt in de periode van half maart tot eind mei. Paaiplaatsen liggen in ondiep water waar (resten van) vegetatie aanwezig is, zoals ondergelopen grasland of oeverzones met riet en onderwaterplanten. Zowel voor het afzetten van de eieren als voor de opgroei van het broed is de aanwezigheid van vegetatie van groot belang. Indien niet voldoende schuilgelegenheid in de vorm van waterplanten in het opgroeigebied aanwezig is, vallen grote aantallen jonge snoekjes ten prooi aan grotere soortgenoten. Pas wanneer de snoek een lengte van meer dan 60 cm heeft bereikt, is hij veilig voor kannibalisme en niet langer gebonden aan de beschutting van waterplanten. Voedsel De larven van de snoek leven van kleine kreeftachtigen, zoals mosselkreeftjes, watervlooien en roeipootkreeftjes. Later wordt het voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al bij een lengte van 10 cm bestaat het voedsel voornamelijk uit visjes en andere gewervelde dieren, zoals kikkers. Onder uitzonderlijke omstandigheden worden ook wel ongewervelde dieren gegeten. Groei en leeftijd De snoek is een snelle groeier. Binnen een jaar wordt een gemiddelde lengte bereikt van ongeveer 22 cm. Mannetjes worden bij een lengte van ca. 30 cm geslachtsrijp, vrouwtjes bij een lengte van cm. Onder gunstige omstandigheden kan de snoek binnen een jaar een lengte van 35 cm bereiken en is dan na één jaar al geslachtsrijp. De maximale lengte van de snoek is 1,40 meter. Dit geldt dan voor vrouwtjes. Mannetjes worden niet groter dan 85 cm. De maximale leeftijd van de snoek is ca. 25 jaar. 30 januari
190 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De zeelt is een bewoner van stilstaand of traag stromend water met een zachte modderbodem en een goed ontwikkelde vegetatie met (onder)water- en oeverplanten. De zeelt is een vrij algemene vissoort, die voorkomt in tal van watertypen, zoals grote meren en plassen, rivieren, kanalen, sloten en beken. Een harde zandige of stenige bodem, troebel water, matige of sterke stroming en grote diepte maken een water als leefgebied voor de zeelt minder geschikt. De zeelt verdraagt hoge watertemperaturen, lage zuurstofconcentraties en hoge ph-waarden; tegen organische vervuiling lijkt de zeelt dan ook redelijk bestand. De zeelt is lichtschuw en zoekt vooral 's nachts naar voedsel. Overdag houdt hij zich gewoonlijk schuil tussen de waterplanten of in de modder. In de winter of 's zomers, als het erg warm is, doet de zeelt dit ook 's nachts. Voortplanting De paaitijd valt laat, in de maanden mei tot en met augustus. De watertemperatuur dient minimaal 18 C te zijn, voordat de zeelt tot het afzetten van de eitjes overgaat. Zeelten paaien in groepjes tegelijk. De eitjes worden niet in één keer afgezet, maar met tussenpozen van enkele dagen. ZEELT (Tinca tinca) uitgekomen larven. De aanwezigheid van waterplanten is dan ook van essentieel belang. Voedsel De larven van de zeelt leven in eerste instantie van zoöplankton. Later eten zij ook kleine muggenlarven, wormpjes en slakkeneieren. Volwassen zeelten zijn alleseters, maar zoeken bij voorkeur in de bodem naar voedsel; de beide tastharen naast de bek wijzen hierop. Naast slakjes, kreeftachtigen, wormpjes, watervlooien en muggenlarven maken ook plantendelen, algen en detritus deel uit van het voedselpakket. Groei en leeftijd De groei van de zeelt is betrekkelijk traag en sterk afhankelijk van de omstandigheden. De lengte na het eerste groeiseizoen varieert meestal tussen 3 en 6 cm, maar kan ook 12 cm bedragen. De mannetjes groeien trager dan de vrouwtjes. De zeelt is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp bij een lengte van 9,5 cm (mannetjes) en 12,5 cm (vrouwtjes). De maximale lengte is ca. 60 cm en de maximale leeftijd 15 à 20 jaar. De gehele paaiperiode kan, afhankelijk van de omstandigheden, meer dan een week duren. Er wordt alleen gepaaid boven waterplanten, waaraan de zeer kleverige eitjes zich vasthechten. Eitjes die op de modderige bodem terecht komen, sterven vrijwel altijd af; dit geldt ook voor de pas 46
191
192 Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven
193 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten
194
195 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Op 30 januari 2007 uitgevoerd in opdracht van de Federatie Door: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak
196 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus AD BILTHOVEN Telefoon Telefax Homepage Opdrachtgever Federatie Telefoon Homepage Auteur(s) M. v. Breugel & G.A.J. de Laak adres Aantal pagina s 46 Trefwoorden Visstandbemonstering, onderzoek, Stobbeplas, Versie Definitief Projectnummer AB Registratienummer 5033 Datum Datum oplevering 2 augustus 2007 Bibliografische referentie: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak, Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten. Sportvisserij Nederland, Bilthoven in opdracht van Federatie. Sportvisserij Nederland, Bilthoven Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder en de Federatie. Sportvisserij Nederland is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Sportvisserij Nederland.
197 Samenvatting Op 30 januari 2007 is op verzoek van Federatie door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De visstandbemonstering werd uitgevoerd door middel van een staand want- en een elektrovisserij. De Stobbeplas kenmerkt zich door een grote gemiddelde diepte, rechtlijnige oevers en een matige oeverbegroeiing. De visstand in de Stobbeplas bestaat qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn en karper. De visstand in de Stobbeplas behoort tot het blankvoorn brasem viswatertype. Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand en de inrichting van het water zijn onder meer: Niet evenwichtig opgebouwde visstand; vissen met een lengte tussen de 20 en 40 centimeter ontbreken; gebrek aan ondiepe oeverzones met beschutting; aalscholverpredatie. In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van de Stobbeplas op het gebied van het visstandbeheer en de inrichting van het water. De aanbevelingen hebben betrekking op: Uitzetten van vissoorten als bijvoorbeeld zeelt. Verjongen en meer variatie aanbrengen in het karperbestand. Aanbrengen takkenbossen voor meer beschutting van vis tegen predatie van de aalscholver. Het herinrichten van de zuidoost-oever. Verbeteren sportvisserijmogelijkheden door de aanleg van vissteigers, parkeerplaatsen en wandelpaden.
198
199 Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding Leeswijzer Algemene gegevens Gebiedsbeschrijving Visrecht en bevissing Gevoerd beheer Viswatertypering en draagkracht Typering van de Stobbeplas Draagkracht van de Stobbeplas Uitvoering van het visserijkundig onderzoek Visstandbemonstering Visonderzoek en gegevensverwerking Resultaten visserijkundig onderzoek Soortensamenstelling Lengte-frequentie en conditie Bespreking en knelpunten Bespreking Knelpunten Aanbevelingen Visstandbeheer Inrichtingsmaatregelen Evaluatieonderzoek Literatuur Bijlagen... 37
200
201 - Inleiding - 1 Inleiding Op verzoek van Federatie is op 30 januari 2007 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas te Lutten. Topografische ondergrond: Topografische Dienst, Emmen Figuur 1.1 Overzichtskaart Stobbeplas te Lutten. 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het aanvragen van een visserijkundig onderzoek is het feit dat de samenstelling van de visstand op de plas niet inzichtelijk is. Hierdoor is het voor de Federatie niet mogelijk om streefbeelden voor de ontwikkeling van de visstand in de Stobbeplas vast te stellen. Vast staat dat de Stobbeplas een zeer belangrijke functie heeft voor de sportvissers met name karpervissers- in het gebied. De Karperstudiegroep Regio Zwolle organiseert langs de Stobbeplas zelfs jaarlijks een meerdaags jeugdkamp voor de jongste karpervissers. Uit de vangsten tijdens het jeugdkamp blijkt dat er zeer veel jonge schubkarpers 30 januari
202 - Stobbeplas te Lutten- tot 40 centimeter op de plas zwemmen. Dit duidt op een mogelijke natuurlijke aanwas van de karperstand. Op zichzelf een relatief zeldzaam fenomeen in het Nederlandse binnenwater, waar de paai en ontwikkeling van karper ofwel mislukt door de koele zomers of de aanwezige roofvis decimeert de jonge karperstand volledig. De federatie neemt dan ook aan dat de roofvisbezetting zo laag is dat de aanwas niet meer wordt gereguleerd. Daarnaast wil de Federatie de bereikbaarheid en de bevisbaarheid van het water verbeteren. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het water, de bevissing en het gevoerde beheer in en rond de Stobbeplas. Een uitleg over de visstandtypering van de Nederlandse ondiepe en stilstaande wateren en meer informatie over de draagkracht van een water voor biomassa van vis is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het uitgevoerde onderzoek naar de visstand en de gegevensverwerking. Hoofdstuk 5 geeft de resultaten van de visstandbemonstering aan de hand van de soortsamenstelling, de lengte-frequentieverdeling en de conditie van de aangetroffen visstand. Vanuit de bespreking van de visstand in de Stobbeplas zijn knelpunten geformuleerd in Hoofdstuk 6. Met de knelpunten als vertrekpunt geeft hoofdstuk 7 aanbevelingen op het gebied van visstandbeheer en/of inrichtingsmaatregelen. Het rapport wordt afgesloten met bijlagen en een profiel van de aangetroffen vissoorten en in het rapport genoemde vissoorten. 10
203 - Algemene gegevens - 2 Algemene gegevens 2.1 Gebiedsbeschrijving De Stobbeplas ligt nabij Lutten in de gemeente Hardenberg in de provincie Overijssel. De plas is bereikbaar via de autoweg N377 tussen Dedemsvaart en Slagharen. Het water is ontstaan door zandwinning voor de aanleg van diezelfde autoweg. De naam dankt de plas aan de oude Stobbenplas die op een geheel andere plaats lag. Daar waar de Lutterbeek via het Bovenwater naar het westen stroomde en de Reest genoemd werd. Het water is zo n 500 meter lang en heeft een oppervlak van 6,4 hectare. De breedte is maximaal 200 meter. De gemiddelde diepte is onbekend. De grootste diepte is waarschijnlijk 6 meter. Het bodemprofiel is zeer grillig, er zijn ook zeer ondiepe delen, die in de zomer droogvallen. De bodem bestaat uit zand. Op de bodem bevindt zich een dunne modderlaag met een dikte van maximaal 10 centimeter. De totale oeverlengte is 1213 meter. De taludhelling is matig tot steil. Circa 50% van de oever is begroeid. Langs de oever staat riet, liesgras en biezen. Ook staan er verspreid langs het water wat struiken en bomen met inhangende takken. De rietkraag is gemiddeld 2 meter breed. In de Stobbeplas komen geen drijfbladplanten (zoals gele plomp) voor. Er staat geen stroming in het water. Het water wordt gevoed door regenen kwelwater. Er is geen waterinlaat of wateruitlaatpunt. Het water staat niet in verbinding met andere wateren in de omgeving. Vismigratie is dus niet mogelijk. 2.2 Visrecht en bevissing De eigenaar van de Stobbeplas is Staatsbosbeheer te Deventer. De visrechten van de Stobbeplas zijn, voor wat betreft het schubvisrecht, in bezit bij Hengelsportfederatie. Bij deze federatie zijn 77 hengelsportverenigingen aangesloten die gezamenlijk bijna leden tellen. De Stobbeplas is opgenomen in de Landelijke Lijst van Viswateren (Lijst van viswateren Noordoost Nederland). Om te vissen in de Stobbeplas moet de sportvisser lid zijn van een bij Sportvisserij Nederland aangesloten hengelsportvereniging. Men krijgt dan in ieder geval de VISpas en de Landelijke Lijst van Viswateren. Met de VISpas mag de sportvisser vissen met twee hengels en alle wettelijk toegestane aassoorten, tenzij anders aangegeven bij de wateren. Voor de Stobbeplas gelden de algemene voorwaarden in de Landelijke Lijst op pagina 2 en de aanvullende voorwaarden van de Federatie Oost- Nederland op pagina 75. Als aanvullende voorwaarde specifiek voor de Stobbeplas geldt: 30 januari
204 - Stobbeplas te Lutten- Het water alleen vanaf het Ommerkanaal toegankelijk is. In dit water mag niet gevoerd worden. Sportvissers die ook s nachts hun geluk willen beproeven aan de Stobbeplas vallen onder de Nachtvisregeling Landelijke lijst Werkgebied van Federatie Oost Nederland. Men dient dan in het bezit te zijn van de NachtVISpas en te vissen volgens de daarop vermelde voorwaarden. De NachtVISpas is aan te vragen bij de federatie. De statische karpervisser neemt relatief veel materiaal mee. In de Stobbeplas vissen hoofdzakelijk karpervissers die op afstand vissen. Op specifieke plaatsen langs de oever vissen zij veelal met twee hengels, voorzien van een vast lood-montage en elektronische beetverklikkers op karper. Om de karpers te verleiden tot een aanbeet worden over het algemeen boilies, maïs of andere zaden en granen gebruikt. De karpervisser vist zowel overdag als s nachts en maakt graag gebruik van een paraplu of klein tentje om materiaal op te bergen of te schuilen. Van de Stobbeplas zijn geen sportvisserij enquête gegevens bekend. Volgens de Federatie is de karper de favoriete vissoort in de Stobbeplas. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat de karper klein van formaat is en in grote hoeveelheden voorkomt. Over de hengeldruk en het voorkomen van witvis en roofvis op de Stobbeplas, is weinig bekend. 2.3 Gevoerd beheer Voor de Stobbeplas is geen visstandbeheerplan opgesteld. In de afgelopen jaren is geen vis uitgezet op de Stobbeplas. De visrechthebbenden willen in de komende tijd de visserijmogelijkheden (bereikbaarheid en bevisbaarheid) verbeteren. De waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheerder is het Waterschap Velt & Vecht. 12
205 - Viswatertypering en draagkracht - 3 Viswatertypering en draagkracht 3.1 Typering van de Stobbeplas De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich uiteindelijk kan ontwikkelen. De aanwezigheid van waterplanten is hierbij een belangrijke sturende factor. Waterplanten vervullen in meerdere opzichten een belangrijke functie voor de aanwezige visstand. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: bovenwaterplanten (emerse waterplanten, o.a. riet, lisdodde) onderwaterplanten (submerse waterplanten, o.a. waterpest, hoornblad) drijfbladplanten (o.a. gele plomp, waterlelie) Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden de vis daarnaast bescherming tegen predatoren (roofvis, visetende vogels) en beschutting tegen stroming. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten bevinden zich bovendien tal van organismen die een belangrijke voedselbron vormen voor vis. In een natuurlijke situatie is een geleidelijke overgang van land naar water te zien, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en vervolgens onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water beduidend beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten zijn in de regel indicatief voor helder water. Een water met een rijk waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende vissoorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water zal zich over het algemeen een soortenarme visstand ophouden, met waarschijnlijk brasem als meest voorkomende vissoort. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn door Sportvisserij Nederland onderverdeeld in vijf viswatertypen (zie ook figuur op de volgende bladzijde): het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype. 30 januari
206 - Stobbeplas te Lutten- De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water. Baarsblankvoorn viswatertype Ruisvoornsnoek viswatertype Snoekblankvoorn viswatertype Blankvoornbrasem viswatertype Brasemsnoekbaars viswatertype 14
207 - Viswatertypering en draagkracht - Bij het indelen van wateren in viswatertype wordt in eerste instantie een indeling gemaakt in ondiepe en diepe wateren. De grens tussen beide watertypen ligt bij een diepte van 4 a 5 meter. De diepe wateren kenmerken zich meestal door het voorkomen van een spronglaag. Omdat de Stobbeplas waarschijnlijk geen spronglaag heeft en de gemiddelde diepte niet dieper is dan circa 5 meter, wordt de Stobbeplas gerekend tot de ondiepe wateren. Maar het water heeft ook kenmerken van een diep viswatertype. De waterplantenontwikkeling is een belangrijk kenmerk voor de verdere indeling in viswatertypering. Tijdens de visstandbemonstering is door Sportvisserij Nederland ook een milieu-inventarisatie in de Stobbeplas uitgevoerd (zie onderstaande tabel). Hierbij zijn verschillende, voor vis belangrijke, parameters gemeten. Tabel 3.1 Milieugegevens gemeten tijdens de visstandbemonstering 30 januari O 2 verzadiging* 89% kleur water waargenomen: bruinig O 2 gehalte* 10,8 mg/l geur water waargenomen: neutraal Temperatuur* 6,0 o C bedekking bovenwater 2% waterplanten ph* 7, drijfblad 0% Geleidingsvermogen* 428 µs/cm onder water 0% Zichtdiepte* 120 cm groenalgen waargenomen: geen Calcium <2 mg/l blauwalgen waargenomen: geen chloride (Cl - ) <50 mg/l nitraat (NO - 3 ) 0 mg/l zuurbindend vermogen 1 mm/l * Zie ter vergelijking de Normdoelstelling Water voor Karperachtigen en Minimumkwaliteit in bijlage I. De resultaten van de milieu/bemonstering geven geen aanleiding om problemen met de waterkwaliteit te verwachten. De huidige situatie van de Stobbeplas: het blankvoorn - brasem viswatertype Omdat het water zowel kenmerken heeft van een ondiep viswatertype als het diep viswatertype is het indelen van de Stobbeplas in een viswatertype vrij lastig. De Stobbeplas wordt qua milieukenmerken getypeerd als het zogenaamde blankvoorn - brasem viswatertype (zie ook tabel viswatertypering). 30 januari
208 - Stobbeplas te Lutten- Dit viswatertype wordt gekenmerkt door een beperkte aanwezigheid van waterplanten en een doorzicht van circa 1 meter. Kenmerkende vissoorten van dit watertype zijn blankvoorn en brasem en de belangrijkste roofvis is de snoekbaars. De biomassa aan snoek en baars is in dit type relatief klein. 3.2 Draagkracht van de Stobbeplas Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogrammen per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het blankvoorn brasem-viswatertype is de draagkracht ongeveer 350 tot 600 kilogram vis per hectare, waarbij de spreiding in draagkracht afhankelijk is van de voedselrijkdom van het water (vooral het gevolg van de bodemsoort (zand, klei of veen). In de Stobbeplas lijkt de voedselrijkdom erg laag. Dit wordt veroorzaakt door de zandbodem. De draagkracht zal, bij een goede waterkwaliteit en inrichting van het water voor vis, rond de 350 tot 400 kilogram vis per hectare liggen. 16
209 - Viswatertypering en draagkracht - Tabel 3.2 Viswatertypering ondiepe, stilstaande en langzaam stromende wateren (Zoetemeyer & Lucas, 2001) viswatertype baars blankvoorn ruisvoorn snoek snoek blankvoorn blankvoorn brasem brasem snoekbaars planten bovenwater matig veel matig matig weinig - matig drijfblad weinig veel matig - veel weinig - matig geen - weinig onderwater matig veel weinig geen geen bedekking % 10-60% % 20-60% 10-20% 0-10% vissoorten aal baars + +/ bittervoorn* /- - blankvoorn + +/ brasem +/- +/ grote modderkruiper +/ /- - karper /- - kleine modderkruiper /- - kolblei +/- +/ kroeskarper +/ /- - kwabaal* + +/- +/- +/- - meerval* - +/ /- pos +/- +/ rivierdonderpad* + +/- +/- +/- - riviergrondel /- ruisvoorn +/ /- - snoek /- snoekbaars - - +/ stekelbaars (3d) /- - stekelbaars (10d) /- - vetje /- zeelt +/ /- - draagkracht kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha voedselrijkdom fosfaatgehalte (oligo)- mesotroof voedselarm <0,01 mg P/l (hyper-)eutroof zeer voedselrijk >0,1 mg P/l Ontwikkelingsmogelijkheden: - nauwelijks of geen +/- beperkt + voldoende ++ optimaal * bittervoorn: aanwezigheid van zoetwatermossels noodzakelijk voor de voortplanting. kwabaal: verbinding met diep, helder water noodzakelijk. meerval: rivierdonderpad: komt de laatste eeuwen vrijwel uitsluitend in het Haarlemmermeergebied voor. afhankelijk van stenig substraat in combinatie met waterturbulentie (bijv. stroming). 30 januari
210 - Stobbeplas te Lutten- 18
211 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - 4 Uitvoering van het visserijkundig onderzoek 4.1 Visstandbemonstering Tijdens de visstandbemonstering is een deel van de Stobbeplas, onder verantwoordelijkheid van Sportvisserij Nederland, door Visserijbedrijf Kalkman en Van Wijk met staand want bevist. De perken staand want hadden een gestrekte maaswijdte van 120 en 140 millimeter. Het staand want is met tussenpozen van ½ tot één uur leeggehaald en opnieuw geplaatst. Door de korte tijd dat het staand want in het water staat, ondervinden de vissen geen schade van dit vistuig. Bij een normale visserij met staand want, waarbij het want meer dan 12 uur staat, kan de sterfte van de gevangen vis aanzienlijk zijn. Tevens zijn, door medewerkers van Sportvisserij Nederland met een elektro-visapparaat met een vermogen van vijf kw, de oevers afgevist. De gevangen vis is direct met schepnetten overgebracht in teilen en naar de verwerkingsplaats gebracht. Figuur 4.1 Overzichtskaart uitgevoerde visserijen. De rode lijn is de beviste oeverlengte. De zwarte lijnen geven de positie van het staand want weer. 30 januari
212 - Stobbeplas te Lutten- Met het elektroaggregaat is circa 1100 meter van de oeverlengte bevist. 4.2 Visonderzoek en gegevensverwerking Alle gevangen vis werd kort voor het visserijkundig onderzoek in een speciale verdovingsvloeistof licht verdoofd. Hierdoor kon de vis gemakkelijk gemeten en gewogen worden zonder al te veel kans op beschadiging en stressverschijnselen. De gegevens zijn ingevoerd in het computerprogramma Piscaria. Piscaria is de landelijke databank de STOWA en Sportvisserij Nederland, waarin diverse onderzoeksbureaus, waterbeheerders en hengelsportorganisaties visserijgegevens invoeren. De databank wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is gekoppeld aan internationale netwerken. Voor meer informatie zie: Het programma Piscaria berekent vervolgens tabellen, aandeelgrafieken, lengtefrequentieverdelingen en conditiegrafieken volgens de door STOWA vastgestelde standaarden, welke aansluiten bij de Kaderrichtlijn water. Tabellen In tabel 5.1 wordt per vissoort de gevangen aantallen en de biomassa (gewicht) vermeld. De biomassa is bepaald aan de hand van een voor Nederland algemeen geldende Lengte-Gewichtsrelatie (Klein Breteler & de Laak, 2003). Van iedere vissoort is ook het berekende minimum en maximum gewicht vermeld. In de tabel zijn ook de minimum- en maximum lengtes van de gevangen vissen vermeld en ook het totaal aantal gevangen vissen en het berekende vangstgewicht. Aandeelgrafieken Het aandeel van de vissoort in de aantallen en in gewicht is in twee grafieken weergegeven. In de aantalsaandeelgrafiek wordt het aantal gevangen vissen op 100% gesteld en wordt het aandeel op aantalbasis van elke vissoort berekend. In de vangstaandeelsgrafiek wordt het vangstgewicht op 100% gesteld en wordt het aandeel op gewichtsbasis van elke vissoort hierin vermeld. Lengtefrequentiegrafiek Van de meest belangrijke vissoorten zijn lengtefrequentiegrafieken weergegeven in Hoofdstuk 5. Per centimeterklasse (X-as) worden de gevangen aantallen (Y-as) weergegeven. Conditie Van de belangrijkste gevangen vissoorten zijn de lengte en het individuele gewicht bepaald, zodat de conditie van een vis kan worden berekend. Als maat voor de conditie van de vis wordt genomen de verhouding tussen het gemeten gewicht en het "normaalgewicht" van de vis. Het normaalgewicht is door de (voormalige) OVB empirisch bepaald aan de hand van talrijke metingen van lengte en gewicht van vissen uit een reeks van wateren (Klein Breteler & de Laak, 2003). Wanneer de conditiefactor kleiner is dan 0,9 is de conditie van de vis onvoldoende. Ligt de conditiefactor tussen de 0,9 en 1,1 dan is de conditie voldoende. Is de conditiefactor groter dan 1,1 dan is de conditie goed. 20
213 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - Hoewel de Stobbeplas een zandwinput is, komen er wel mooie rietkragen voor Mooie exemplaren van de ruisvoorn werden dan ook in het riet gevangen Staand want kan goed toegepast worden op diepere wateren, zonder beschadigde vissen als de netten maar regelmatig gecontroleerd worden Pracht schubkarper 30 januari
214 - Stobbeplas te Lutten- 5 Resultaten visserijkundig onderzoek 5.1 Soortensamenstelling Tijdens de bemonstering van de Stobbeplas zijn in totaal 7 vissoorten gevangen. Er zijn 217 exemplaren gevangen, met een totaal gewicht van ongeveer 219 kilo. In de onderstaande tabellen zijn van de gevangen vissoorten het aantal, gewicht en de lengte weergegeven. Tabel 5.1 Gevangen vissoorten in de Stobbeplas Vissoort Aantal Gewicht (kg) Lengtespreiding (cm) Gewichtspreiding (gram) Baars 22 0, Brasem 6 7, Blankvoorn 1 0, Karper , Spiegelkarper 3 13, Aal/Paling 2 2, Rietvoorn/Ruisvoorn 101 1, ,0-246 Snoek 26 14, Totaal ,6 N.b. Hoewel karper en spiegelkarper geen aparte soorten zijn, worden ze in de bovenstaande tabel gescheiden weergegeven. De vangst bestond qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn (47% van het totaal aantal gevangen exemplaren, zie onderstaande linkergrafiek). Na ruisvoorn is karper de meest gevangen vissoort met een aandeel in de vangst van 26%. Qua gewicht bestond de vangst voor het grootste deel uit schubkarper (82%), snoek (7%) en spiegelkarper (6%, zie rechtergrafiek). Relatieve aantals-aandeel Snoek 12% Baars 10% Brasem 3% Spiegelkarper 1% Karper 26% Karper 82% Relatieve gewichts-aandeel Spiegelkarper 6% Paling 1% Ruisvoorn 1% Snoek 7% Baars <1% Ruisvoorn 47% Paling 1% Blankvoorn 0% Brasem 4% Blankvoorn <1% 22
215 - Resultaten visserijkundig onderzoek Lengte-frequentie en conditie Van de meest belangrijke vissoorten is de lengte-frequentie en de conditie in grafieken weergegeven. De grafieken zijn hieronder per vissoort toegelicht. Baars In totaal zijn 22 baarzen gevangen met een lengte die varieerde van 5 tot 29 centimeter. De conditie van de gevangen baarzen was voldoende. LF diagram voor Baars Conditiediagram voor Baars 8 1,5 7 6 Aantallen Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Blankvoorn Er is één blankvoorn gevangen met een lengte van 24 centimeter. De conditie van de gevangen blankvoorn was voldoende. Brasem In totaal zijn 6 brasems gevangen. De kleinste brasem had een lengte van 42 centimeter. De grootste brasem had een lengte van 52 centimeter. Opmerkelijk is dat er alleen grote brasems zijn gevangen. De conditie van de gevangen brasems was voldoende tot (zeer) goed. LF diagram voor Brasem Conditiediagram voor Brasem 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 30 januari
216 - Stobbeplas te Lutten- Karper In totaal zijn 56 schubkarpers gevangen met een lengte die varieerde van 43 tot 78 centimeter. De conditie van de gevangen karpers was voldoende. LF diagram voor Karper Conditiediagram voor Karper 6 1,5 5 4 Aantallen 3 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Spiegelkarper Van het type spiegelkarper zijn 3 exemplaren gevangen. De lengte van de vissen was 47, 50 en 80 centimeter. De conditie van de gevangen spiegelkarpers was voldoende. Het grootste exemplaar had een matige conditie. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door het type karper. Een slank type spiegelkarper heeft een lager gewicht bij dezelfde lengte als een hoog gebouwd type. In het veld werd de conditie van deze karper dan ook als normaal beoordeeld. LF diagram voor Spiegelkarper Conditiediagram voor Spiegelkarper 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 24
217 - Resultaten visserijkundig onderzoek - Ruisvoorn Van de meest voorkomende soort riet- of ruisvoorn zijn 101 exemplaren gevangen. De kleinste vissen hadden een lengte van 3 centimeter. Deze vissen met een lengte tot 7 centimeter behoren tot de 0+ jaarklasse. Dit zijn vissen die geboren zijn in het voorjaar van Vissen met een lengte van circa 10 centimeter zijn twee groeiseizoenen oud en vissen met een lengte tot 14 a 15 centimeter zijn 3 groeiseizoenen oud. Deze groei kan worden beoordeeld als een normale groei. De conditie van de gevangen ruisvoorns was matig tot voldoende. LF diagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn Conditiediagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn 30 1, Aantallen 15 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Snoek Van de roofvis snoek zijn 26 exemplaren gevangen. De grootste snoek had een lengte van 73 centimeter. De kleinste snoeken hadden een lengte van 17 tot 30 centimeter. Deze vissen behoren tot de 0+ jaarklasse. De conditie van de gevangen snoeken was voldoende. De conditie van de grootste snoeken was goed. Waarschijnlijk komt dit door de ontwikkeling van geslachtproducten, het zogenaamd paairijp worden. LF diagram voor Snoek Conditiediagram voor Snoek 4 1,5 3 Aantallen 2 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Overige soorten 30 januari 2007 In de Stobbeplas zijn ook nog twee alen of palingen gevangen. Deze vissen hadden een lengte van 78 en 91 centimeter. De conditie van de alen was goed. 25
218 - Stobbeplas te Lutten- 6 Bespreking en knelpunten 6.1 Bespreking Tijdens de visstandbemonstering in de Stobbeplas zijn 7 vissoorten gevangen. De soortdiversiteit is daarmee niet erg hoog. Gewoonlijk wordt tijdens een inventarisatie van één dag door Sportvisserij Nederland 11 vissoorten gevangen. De meeste soorten behoren tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper en aal. Van de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water) komen alleen ruisvoorn en snoek voor. Ruisvoorn is wel de meest gevangen soort tijdens deze bemonstering. Kleine baars en ruisvoorn zijn de meest voorkomende vissoorten qua aantallen. Van de blankvoorn is slechts één exemplaar gevangen. De conditie van ruisvoorn is matig tot voldoende. Van brasem werden alleen grote volwassen exemplaren gevangen. De conditie van deze grote brasems is voldoende tot (zeer) goed. Over de opbouw van de witvispopulatie kan gesteld worden dat er weinig juveniele (jonge) vissen zijn aangetroffen en dat er in het lengteklassetraject 20 tot 40 centimeter geen vissen zijn gevangen, op 1 blankvoorn na. De belangrijkste predator in de Stobbeplas is de snoek met een gewichtsaandeel in de vangst van circa 7%. Van deze vissoort zijn relatief veel jonge exemplaren gevangen. Vissen ouder dan 4 groeiseizoenen zijn relatief slecht vertegenwoordigd. De aanwezige oevervegetatie (met name riet) is een belangrijke factor in het voorkomen van jonge snoeken (0 + en 1 + jaarklasse). Tussen de begroeiing vinden de jonge exemplaren schuilgelegenheid tegen wegvraat door grotere soortgenoten en aalscholvers. Snoeken van 3 en 4 groeiseizoenen worden minder afhankelijk van de vegetatie en verplaatsen zich naar het open water. Waarschijnlijk komen er weinig grote snoeken in de Stobbeplas voor. Met de gebruikte visserijmethoden (elektrovisserij en staand want visserij) worden doorgaans wel grote snoeken gevangen als zij voorkomen op een water. Het vangstgewicht bestond voornamelijk uit karper (schub- en spiegelkarper samen 88%). Het aandeel eurytope (vissoorten die geen voorkeur hebben voor stroming en/of waterplanten) vissoorten in de biomassa is hierdoor erg hoog. Als in de Stobbeplas al jarenlang geen karper is uitgezet, dan is er waarschijnlijk sprake van natuurlijke rekrutering in bepaalde jaren. De aanwezigheid van een groep (cohort) karpers met een lengte van 43 tot en met 46 centimeter duidt hier op. Ook het cohort vissen met een lengte van circa 50 centimeter kan afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. 26
219 - Bespreking en knelpunten - Door de geringe aantallen vis die zijn aangetroffen is het moeilijk om iets over de populatie opbouw te zeggen, anders dan dat deze erg onevenwichtig is opgebouwd. 6.2 Knelpunten Visstand De soortensamenstelling van de visstand is weinig divers. Algemeen voorkomende soorten in soortgelijke wateren als bijvoorbeeld kolblei, pos en zeelt zijn niet aangetroffen. Ook soorten als bittervoorn en kleine modderkruiper kunnen in dit watertype voorkomen. In de lengtefrequentieverdeling van enkele (wit)vissoorten, zoals baars brasem, blankvoorn en ruisvoorn blijkt dat de populatie niet evenwichtig is opgebouwd. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Enerzijds is de hoeveelheid oever- en onderwatervegetatie in de Stobbeplas beperkt. In de herfst en winter sterft namelijk veel van de vegetatie af. Met name in de herfst en winter vinden veel jonge vissen niet voldoende schuilgelegenheid. Het belang van schuilgelegenheid (vegetatie en beschutting) wordt verder behandeld onder het kopje Inrichtingsmaatregelen van het volgende hoofdstuk en in het kader op de volgende bladzijde. Daarnaast speelt predatie door aalscholvers een rol. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat aalscholvers regelmatig de Stobbeplas bezoeken. Waterkwaliteit - kwantiteit Op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn er weinig knelpunten in de Stobbeplas. Ondanks de waterpeilschommelingen is er op een groot deel van de oever een rietkraag ontstaan Inrichting en onderhoud van het viswater Door een goede inrichting van het water is het mogelijk de productiviteit van het water te verhogen en de predatie door aalscholvers te verminderen. Om de productiviteit te verhogen dient op bepaalde delen van de oever de oevervegetatie gestimuleerd te worden. Daarnaast kan door het aanbrengen van beschutting (bomen) het areaal aan beschut leefgebied vergroot worden. Hierdoor wordt het jagen door aalscholvers bemoeilijkt. 30 januari
220 - Stobbeplas te Lutten- Ook het voorkomen van aalscholvers in wateren vormt een bedreiging voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de visstand. Aangezien de aalscholver een beschermde vogelsoort is, mogen slechts preventieve maatregelen worden genomen. Van belang is dat er voor vissen voldoende structuren in het water zijn, die schuilmogelijkheid bieden. Ondiepe oeverzones met voldoende onderwaterplanten en open rietkragen zijn een toevluchtsoord voor vissen, maar onaantrekkelijk als jachtgebied voor aalscholvers. Natuurlijk heeft een dergelijke oever ook meerwaarde als paaiplaats en als schuilplaats voor jonge vis. Ook onder drijfbladplanten zoals de gele plomp kunnen vissen zich verschansen wanneer vogels hen belagen. Onderwaterstructuren zijn van groot belang voor vis. Niet alleen als schuilmogelijkheid tegen aalscholvers, maar ook voor diverse andere toepassingen. Zo kunnen onderwaterstructuren dienst doen als paaisubstraat en als foerageergebied (bijvoorbeeld voor een snoek die in hinderlaag ligt). Daarnaast vormen onderwaterstructuren een goede ondergrond voor mosseltjes en (draad)algen om op te groeien, wat door vissen weer als voedselbron gebruikt kan worden. Als onderwaterstructuren kunnen bijvoorbeeld bomen, takkenbossen (rijshout) of oude kerstbomen worden gebruikt. Indien onderwaterstructuren worden geplaatst dienen wel waarschuwingsborden of markeringen te worden geplaatst, zodat sportvissers deze structuren kunnen vermijden. Bij voorkeur moeten in het relatief kleine water de structuren in de oeverzones worden aangebracht. Figuur 6.1 In de oeverzone aangebrachte bomen, takken en andere onderwaterstructuren bieden vissen een schuilplaats en beschutting tegen de aalscholver. 28
221 - Aanbevelingen - 30 januari
222 - Stobbeplas te Lutten- 7 Aanbevelingen 7.1 Visstandbeheer De huidige visstand is een afspiegeling van de situatie op de Stobbeplas. Het uitzetten van vis op de Stobbeplas lijkt weinig zinvol door de aanwezigheid van aalscholvers. Visuitzettingen hebben meestal ook maar een tijdelijk effect. Door het nemen van inrichtingsmaatregelen kan er een meer gevarieerd visbestand op de Stobbeplas ontstaan, met behoud van de aanwezigheid van de karperstand. Het lijkt alsof de karperpopulatie is opgebouwd uit een deel natuurlijke rekrutering. Aan de hand van hengelvangsten moet in de komende jaren nagegaan worden of dit vaker gebeurd. Mocht dit niet zo zijn, dan is op termijn een uitzetting van karper nodig, omdat de huidige populatie afneemt door natuurlijke sterfte. Om de visstand in de Stobbeplas wat meer variatie te geven, kan eventueel zeelt worden uitgezet. Om het karperbestand meer variatie te geven, kan overwogen worden spiegelkarpers uit te zetten. 7.2 Inrichtingsmaatregelen Op de Stobbeplas kunnen maatregelen genomen worden om de productiviteit te verhogen en om predatie door aalscholvers te voorkomen. Als mogelijke en haalbare mogelijkheden wordt geadviseerd om de oever in de zuidoosthoek te beschermen tegen vraat door vee en om verspreid langs de oever takkenbossen aan te brengen. Andere maatregelen om de aalscholverpredatie te voorkomen, zoals het plaatsen van zwarte zwanen en het met draden overspannen van de plas lijken niet te werken of zijn praktisch niet haalbaar. Herinrichten zuidoost-oever De zuidoost-oever wordt momenteel begraasd door vee. Dit vee drinkt ook uit de Stobbeplas, hierbij wordt de oever betreden en begraasd door het vee. Het gevolg is dat de vegetatie die daar groeit geen kans krijgt zich uit te breiden. Het effect daarvan is goed te zien op de bovenste foto van pagina 24. Op het bovenste deel is een begroeide oever te zien, op het deel na de afrastering houdt de begroeiing abrupt af. Voorgesteld wordt om de oever af te rasteren met prikkeldraad en/of schrikdraad en het vee te drenken met een weidepompinstallatie, eventueel op zonneenergie. Zodoende kan de vegetatie zich over een afstand van iets meer dan 200 meter ontwikkelen. Dit is een substantieel deel van de totale oeverlengte, zodat de maatregel ook effect moet hebben op de visstand. Aanbrengen takkenbossen Het aanbrengen van takkenbossen, zoals weegegeven in figuur 6.1, zal de vissen meer gelegenheid bieden te schuilen en daardoor is er minder predatie door de aalscholver. De maatregel is waarschijnlijk vrij eenvoudig uit te voeren met materiaal uit het omliggende bos. 30
223 - Aanbevelingen - Voorgesteld wordt om langs de zuidoever stroken van circa 20 meter breed in te richten met takken. Ook langs de noordoever kan hier en daar een dergelijke strook worden geplaatst. Sportvisserijmogelijkheden Naast de inrichting van het water door vis, moeten ook de sportvisserijmogelijkheden verbeterd worden. De Stobbeplas is momenteel moeilijk bereikbaar en voorzieningen ontbreken. Verschil tussen bereikbaarheid en bevisbaarheid In een aantal gevallen ontstaat onduidelijkheid over de definities bereikbaarheid en bevisbaarheid: De bereikbaarheid gaat over de weg die een sportvisser moet afleggen tot aan de oever waar gevist wordt, bijvoorbeeld vanaf de parkeerplaats tot aan de waterkant. De bevisbaarheid heeft betrekking op de te bevissen oever en het te bevissen water. Een oever kan bijvoorbeeld door een dichte rietkraag niet te bevissen zijn en het water kan door woekering van waterplanten moeilijk te bevissen zijn. Om de bereikbaarheid te verbeteren kan het bestaande wandelpad verbreed worden. Aan de wegzijde kunnen enkele parkeerplaatsen gecreëerd worden. Langs het water kunnen aan de zijde waar gevist mag worden, enkele visstekken (visplaatsen) aangelegd worden. Dit voorkomt dat sportvissers zelf open plekken gaan maken in bestaande begroeiing. Figuur 7.1 Een goed ingerichte visplaats tussen de rietkraag. De locatie van de eventueel aan te leggen visplaatsen kan het best gebeuren in overleg met ter plaatse bekende sportvissers. Overwogen kan worden om de visplaats die het dichtst bij de ingang ligt in te richten als mindervalide visplaats. Het lijkt overigens moeilijk om aan alle voorwaarden te voldoen die gesteld worden aan een goede mindervalide 30 januari
224 - Stobbeplas te Lutten- visstek aan de Stobbeplas (zie kader volgende bladzijde). Mindervalide en gehandicapte sportvissers kunnen tot verschillende sportvisserstypen behoren. Wat betreft de eisen en wensen die zij aan de visplek stellen, komen deze grotendeels overeen met de eisen en wensen per sportvisserstype. Echter, afhankelijk van de mobiliteit en handicap van de minder validen en gehandicapten stellen zij, als persoon, specifieke eisen aan de waterkant. Een korte opsomming van de eisen en wensen staat hieronder genoemd. Een nauwkeurigere beschrijvingen en tekeningen van verharde visplaatsen, vissteigers als ook materiaal, aanlegmethoden etc. staan uitvoerig beschreven in: Sportvisserij door gehandicapten en ouderen van de NVVS (NVVS, 1995). Openbaar vervoer Ontsluiting door openbaar vervoer. Afstand halte-visplaats maximaal meter. Parkeergelegenheid Afstand parkeerplaats-visplaats: maximaal meter. Voor rolstoel maximaal 50 meter. Afmeting parkeerplaats: 3,50 meter breed en 5 meter lang. Parkeerplaats van gesloten verharding. Trottoir-oprit Minimale breedte: 0,90 meter. Maximale helling 1:6. Niveauverschil maximaal: 0,10 meter. Toegangsweg Goed bereikbaar, geen obstakels. Materiaal: gesloten verharding (geen klinkers, trottoirtegels). Breedte toegangsweg: 1,20 meter. Toegangsweg (hellend) Helling niet steiler dan 1:20, niet langer van 9 meter. Steenslag, roodsplit ed. niet gebruiken. Langs toegangsweg een leuning (hoogte maximaal 0,83 meter). Trappen in talud verwerken (breedte 1,20 meter) (niet geschikt voor rolstoelen). Situering/constructie Bij voorkeur aan de zuidwestoever van het viswater. Zichtbaar voor passanten en/of in nabijheid van andere visplaatsen. Waterdiepte: minimaal 1,50 meter. Gemiddeld waterpeil ten hoogste 0,30 meter onder maaiveld. Gesloten verharding of houten vloer (geen klinkers, trottoirtegels). Houten vloer bewerken tegen gladheid (bitumen, schelpgruis). Afmeting oeverstrook: tenminste 2,50 meter lang en minimaal 1,50 meter breed. Veiligheid Aanbrengen van stootbalken. Op stootbalken een hekwerk bevestigen (hoogte 0,45 meter). 32
225 - Aanbevelingen - Daarnaast dienen bij de visstekken en de ingang afvalbakken geplaatst te worden. Met SBB of de gemeente moeten afspraken gemaakt worden over het legen van de bakken en de frequentie van het legen. Het plaatsen van afvalbakken en controle kan dit soort taferelen aan de Stobbeplas voorkomen. Naast het plaatsen van afvalbakken dient er regelmatig controle van de visdocumenten en het opruimen van afval plaats te vinden door de politie en/of speciaal daarvoor opgeleide opsporingsambtenaren (BOA s). Sportvissers die last ondervinden van hangjongeren moet geadviseerd worden de politie te bellen. 7.3 Evaluatieonderzoek Hengelvangstregistratie Aanbevolen wordt om in combinatie met de uitzetting van vis ook een hengelvangst-registratieprogramma op te zetten. Een goed uitgevoerde hengelvangstregistratie kan inzicht verschaffen in een mogelijke afname of toename van de visbezetting en kan daarnaast zelfs een verschuiving in de soortensamenstelling aantonen. Op deze manier is het mogelijk te achterhalen of de karper regelmatig paait en broedsucces heeft. Is dit het geval, dan hoeft er geen karper uitgezet te worden. Ook kan hiermee worden aangetoond of de herinrichting van de oevers het gewenste effect op de visstand hebben. Vervolgonderzoek Eventueel kan over een aantal jaren weer een visserijkundig onderzoek 30 januari
226 - Stobbeplas te Lutten- worden uitgevoerd, om opnieuw de samenstelling en kwaliteit van de visstand vast te leggen. Er kan dan worden bekeken in hoeverre de voorgestelde maatregelen zijn uitgevoerd en wat voor effect deze maatregelen op de visstand hebben gehad. Ook kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen wenselijk zijn. 34
227 - Literatuur - Literatuur Eck, G. van, Interne rapportage visserijkundig onderzoek Stobbeplas. Sportvisserij Nederland, afdeling Advisering en Begeleiding. Klein Breteler, J.G.P. & G.A.J. de Laak, Lengte-gewichtsrelaties Nederlandse vissoorten. OVB onderzoeksrapport OND00074, 13p. Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, Nieuwegein. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij (LNV), directie Openluchtrecreatie, Vormgeving en inrichting viswater. s Gravenhage. Spiegel, A. van der, Visgemeenschappen van het stilstaande water. In Quak, J. en A. van der Spiegel (eds.). Cursus Visstandbeheer en Integraal Waterbeheer. Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij STOWA, Handboek Visstandbemonstering. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer. Rapport 2002/07. STOWA, Utrecht. Zoetemeyer, R.B., & B.J. Lucas, De OVB-viswatertypering deel 1: Ondiepe wateren. Vis & Water magazine Jaargang 1, nr 4, december Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij 30 januari
228
229 - Bijlagen - Bijlagen Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit...38 Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten januari
230 - Stobbeplas te Lutten- Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit Parameter Norm Functie viswater (normdoelstelling water voor karperachtigen) 1 Algemeen ecologische functie (Minimumkwaliteit MTR 2 ) Temperatuur water max. 28,0 C max. 25,0 C Zuurstofgehalte 50% >7,0 mg/l min. 5,0 mg/l 1 Doorzicht --- gem. 0,4 m (zomer) Chlorofyl --- gem. 100,0 µg/l (zomer) Biochemisch max. 10,0 mg/l --- zuurstofgebruik ph 6,0-9,0 SE 6,5-9,0 SE Zwevende stof < 25,0 mg/l --- Ammonium (NH4-N) <= 1 (4,0) mg/l NH Totaal fosfaat gem. 0,2 mg/l gem. 150 µg/l (zomer) Totaal stikstof --- gem. 2,2 mg /l (zomer) Ammoniak (NH3-N) < 0,025 mg/l NH 3 max. 0,02 mg/l Nitriet 0,03 mg/l NO Totaal koper 3 0,04 mg/l Cu max. 3,0 µg/l Totaal zink 3 1 mg/l Znl max. 30 µg/l Chloride --- max. 200 mg/l (zoet water) 1 RICHTLIJN 2006/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water. Nitriet en koper Richtwaarden, overige parameters: Bindende waarden. 2 MTR = Maximaal Toelaatbaar Risico 3 Afhankelijk van de hardheid van het water 38
231 - Bijlagen - Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten BAARS (Perca fluviatilis) Leefomgeving De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 50 tot 200 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Toch komt de baars ook in kleinere wateren voor. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is favoriet, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten in de oeverzone op. Voortplanting De paaitijd valt in de maanden maart, april en mei, bij een watertemperatuur van meer dan 8 C. Vooral ondergelopen gebieden, waar de temperatuur in het ondiepe water snel kan stijgen, zijn geliefd als paaiplaats, maar ook tal van andere ondiepe plekken zijn geschikt. Voedsel De jonge baars leeft voornamelijk van dierlijk plankton. Later worden hier ook andere ongewervelde dieren, zoals aasgarnalen en vlokreeften, aan toegevoegd. Wanneer de baars een lengte van meer dan 10 cm heeft bereikt, gaat vis(broed) in toenemende mate deel uitmaken van het voedselpakket. Baars heeft een grote voorkeur voor spiering en kleinere soortgenoten. Groei en leeftijd De groei in het eerste jaar bedraagt 6 tot 8 cm. De mannetjes zijn na 2 jaar geslachtsrijp, bij een lengte van 15 cm; vrouwtjes een jaar later, bij een lengte van 20 cm. De maximale lengte is 50 cm. In het IJsselmeer wordt de baars niet ouder dan 6 jaar. 30 januari
232 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De brasem is een zeer algemene vissoort in het Nederlandse binnenwater, die zowel in zoet als in brak water voorkomt. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Eutrofiëring (vermesting) van het binnenwater heeft ertoe geleid dat de brasemstand sterk is toegenomen. De brasem is tegenwoordig de meest karakteristieke vis voor onze (zeer) voedselrijke wateren met weinig waterplanten en een overmatige algengroei. De brasem wordt echter ook aangetroffen in helder, plantenrijk water. Hier vinden we meestal kleinere populaties, die vooral bestaan uit goed groeiende en relatief veel grote exemplaren. Het optimale leefgebied van de brasem kenmerkt zich door afwisseling tussen ruim, open water waarin de brasem in scholen naar voedsel zoekt en ondiepe, begroeide oeverzones, waar de paai- en opgroeigebieden zich bevinden. BRASEM (Abramis brama) Voedsel Brasemlarven voeden zich in eerste instantie hoofdzakelijk met dierlijk plankton. Wanneer zij een lengte van ongeveer 2 cm hebben bereikt, komen ook kleine muggenlarven in het dieet voor. Brasem heeft een voorkeur voor bodemvoedsel, zoals larven van muggen en andere insecten, wormpjes, slakken en mosseltjes. Bij een gebrek aan bodemorganismen kan de brasem overschakelen op een dieet van zoöplankton en plantaardig materiaal. Dankzij een geraffineerd zeefsysteem, gevormd door kieuwboog met aanhangsels, is de brasem beter dan andere vissoorten in staat om watervlooien en andere kleine organismen als voedselbron te benutten. Groei en leeftijd De groei van de brasem is onder andere afhankelijk van de watertemperatuur en het voedselaanbod. Een slechte groei treedt op als de dichtheden (aantallen brasems per hectare) erg hoog worden en daarmee sterke voedselconcurrentie optreedt. Onder optimale omstandigheden (veel voedsel, weinig concurrentie) kan brasem zeer snel groeien. Voortplanting In de paaitijd, die loopt van eind april tot midden juni, gaat de brasem op zoek naar geschikte paaiplaatsen. De eieren worden bij voorkeur afgezet op ondergedoken waterplanten of oeverplanten, maar bij afwezigheid daarvan worden ook boomwortels, stenen en andere obstakels, zoals houten paaltjes, autobanden en oude fietsen, als afzetsubstraat gebruikt. De brasem is daarom niet gebonden aan de aanwezigheid van waterplanten. Al na enkele dagen vormen de larven scholen in het ondiepe water. 40 In het eerste jaar is de groeisnelheid in Nederland gemiddeld 5 tot 7 cm. Bij een goede groei bereikt de tweejarige brasem een lengte van 12 cm en wordt een lengte van 40 cm na 8 jaar gehaald. De brasem is na 6 tot 7 jaar geslachtsrijp. De maximale lengte is 80 cm bij een gewicht van ongeveer 10 kg. De maximale leeftijd is ca. 15 jaar.
233 - Bijlagen - BLANKVOORN (Rutilus rutilus) Leefomgeving De blankvoorn is een vis van zowel stilstaand als stromend water, die in vele watertypen algemeen voorkomt. Zelfs in snelstromende wateren kan deze soort worden aangetroffen. Wel houdt de blankvoorn zich daar bij voorkeur in de stromingsluwe gedeelten op. De blankvoorn zoekt zijn voedsel in scholen in de buurt van begroeiing, maar ook wel in het diepere, open water. De blankvoorn is redelijk bestand tegen eutrofiering en vervuiling en lijkt bij uitstek te kunnen profiteren van veranderende omstandigheden. Zo kon in vele beken, waar deze soort van nature niet of slechts in geringe mate voorkwam, de blankvoornstand enorm toenemen, terwijl karakteristieke beekvissoorten daar sterk in aantal achteruit zijn gegaan of geheel zijn verdwenen. Voortplanting In de paaitijd, die doorgaans in april en mei valt, maar die tot in de zomer kan doorlopen, gaat de blankvoorn op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Deze liggen veelal dicht onder de oever in zwak stromend, ondiep water met beschutting tegen golfslag. De eieren worden afgezet op ondergedoken waterplanten, maar ook oeverplanten, boomwortels, stenen en andere obstakels worden als afzetsubstraat gebruikt. Zowel larven als juvenielen blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing. Hierdoor is de blankvoorn sterker dan brasem gebonden aan wateren met begroeiing. Voedsel Het voedsel van jonge blankvoorn beslaat uit zoöplankton, in het bijzonder watervlooien. Oudere blankvoorn heeft een aanzienlijk uitgebreider voedselpakket. Zowel dierlijk voedsel, zoals slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen, als plantaardig materiaal, zoals algen en detritus, worden gegeten. Groei en leeftijd De blankvoorn bereikt in het eerste jaar een lengte van 5 tot 7 cm. Onder gemiddelde omstandigheden is de blankvoorn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 tot 5 jaar, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De lengte is dan rond 15 cm. De maximale lengte is 45 cm en de maximale leeftijd ca. 10 jaar. 30 januari
234 - Stobbeplas te Lutten- KARPER (Cyprinus carpio) Leefomgeving De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe plaatsen ophoudt. Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper uit de Donau of uit Klein- Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers voor. In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld. Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor, zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen. Voortplanting De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit. Voedsel De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden. Groei en leeftijd Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is 120 cm. 42
235 - Bijlagen - Leefomgeving De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij voor in vrijwel ieder watertype, van diepe, stilstaande wateren tot in de bovenloop (de forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij, als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee kan trekken. De lichtschuwe aal is vooral in de schemering en 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten, boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar. Voortplanting De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water doorbrengt, maar zich in zee voortplant. Als Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot volwassen aal opgroeien. Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang. AAL of PALING (Anguilla anguilla) Voedsel Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden, zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd. Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien. Groei en leeftijd De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm, vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm. Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes varieert van 7-18 jaar. De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65 kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan 50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar. 30 januari
236 - Stobbeplas te Lutten- RUISVOORN (Scardinius erythrophthalmus) Leefomgeving De ruisvoorn is een vis van helder, stilstaand of langzaam stromend water dat rijk begroeid is met oever- en onderwaterplanten, afgewisseld met open stukken. Deze vis is vooral te vinden in de ondiepe oeverzone van vijvers, plassen, meren, kanalen en rivieren, waar hij zich meestal dicht onder de oppervlakte ophoudt. In beken is de ruisvoorn vooral te vinden in het stroomluwe water van (afgesneden) meanders en molenkommen, waar zich vegetatie kan ontwikkelen. Hier kan de ruisvoorn wel in redelijke aantallen voorkomen. Voortplanting De paaitijd valt laat in het jaar, in de maanden mei tot en met juli, wanneer de watertemperatuur meer dan 15 C bedraagt. In deze periode trekt de ruisvoorn naar de paaiplaatsen in de oeverzone, die soms in zeer ondiep water liggen. Hier worden de eieren aan water- en oeverplanten of aan ondergelopen gras afgezet. Voedsel Jonge ruisvoorn leeft voornamelijk van watervlooien. Naarmate de ruisvoorn groter wordt, schakelt hij geleidelijk over op grotere voedseldiertjes, zoals slakjes en kreeftachtigen. Ook in het water gevallen insecten worden gegeten; deze worden met de bovenstandige bek van de oppervlakte gehapt. Daarnaast behoort ook plantaardig materiaal tot het voedselpakket van de ruisvoorn. Zowel verschillende soorten zachte waterplanten als draad- en kiezelalgen vormen een groot deel van het dieet. Groei en leeftijd De ruisvoorn groeit in het eerste jaar tot gemiddeld 6 cm. In het tweede of derde jaar is de ruisvoorn geslachtsrijp bij een lengte van ca. 15 cm, de vrouwtjes later dan de mannetjes. De ruisvoorn kan een lengte van 45 cm bereiken. De maximale leeftijd ligt tussen 15 en 20 jaar. Voor een goede ontwikkeling van de eieren is de aanwezigheid van vegetatie essentieel; eieren die op de (meestal modderige) bodem terecht komen, gaan verloren. 44
237 - Bijlagen - SNOEK (Esox lucius) Leefomgeving De snoek is een soort van stilstaand of langzaam stromend water, zoals rivieren en brede beken. De snoek heeft een voorkeur voor helder water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten, die voldoende schuilgelegenheid biedt. Grotere exemplaren houden zich ook schuil achter obstakels. Voortplanting De paaitijd valt in de periode van half maart tot eind mei. Paaiplaatsen liggen in ondiep water waar (resten van) vegetatie aanwezig is, zoals ondergelopen grasland of oeverzones met riet en onderwaterplanten. Zowel voor het afzetten van de eieren als voor de opgroei van het broed is de aanwezigheid van vegetatie van groot belang. Indien niet voldoende schuilgelegenheid in de vorm van waterplanten in het opgroeigebied aanwezig is, vallen grote aantallen jonge snoekjes ten prooi aan grotere soortgenoten. Pas wanneer de snoek een lengte van meer dan 60 cm heeft bereikt, is hij veilig voor kannibalisme en niet langer gebonden aan de beschutting van waterplanten. Voedsel De larven van de snoek leven van kleine kreeftachtigen, zoals mosselkreeftjes, watervlooien en roeipootkreeftjes. Later wordt het voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al bij een lengte van 10 cm bestaat het voedsel voornamelijk uit visjes en andere gewervelde dieren, zoals kikkers. Onder uitzonderlijke omstandigheden worden ook wel ongewervelde dieren gegeten. Groei en leeftijd De snoek is een snelle groeier. Binnen een jaar wordt een gemiddelde lengte bereikt van ongeveer 22 cm. Mannetjes worden bij een lengte van ca. 30 cm geslachtsrijp, vrouwtjes bij een lengte van cm. Onder gunstige omstandigheden kan de snoek binnen een jaar een lengte van 35 cm bereiken en is dan na één jaar al geslachtsrijp. De maximale lengte van de snoek is 1,40 meter. Dit geldt dan voor vrouwtjes. Mannetjes worden niet groter dan 85 cm. De maximale leeftijd van de snoek is ca. 25 jaar. 30 januari
238 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De zeelt is een bewoner van stilstaand of traag stromend water met een zachte modderbodem en een goed ontwikkelde vegetatie met (onder)water- en oeverplanten. De zeelt is een vrij algemene vissoort, die voorkomt in tal van watertypen, zoals grote meren en plassen, rivieren, kanalen, sloten en beken. Een harde zandige of stenige bodem, troebel water, matige of sterke stroming en grote diepte maken een water als leefgebied voor de zeelt minder geschikt. De zeelt verdraagt hoge watertemperaturen, lage zuurstofconcentraties en hoge ph-waarden; tegen organische vervuiling lijkt de zeelt dan ook redelijk bestand. De zeelt is lichtschuw en zoekt vooral 's nachts naar voedsel. Overdag houdt hij zich gewoonlijk schuil tussen de waterplanten of in de modder. In de winter of 's zomers, als het erg warm is, doet de zeelt dit ook 's nachts. Voortplanting De paaitijd valt laat, in de maanden mei tot en met augustus. De watertemperatuur dient minimaal 18 C te zijn, voordat de zeelt tot het afzetten van de eitjes overgaat. Zeelten paaien in groepjes tegelijk. De eitjes worden niet in één keer afgezet, maar met tussenpozen van enkele dagen. ZEELT (Tinca tinca) uitgekomen larven. De aanwezigheid van waterplanten is dan ook van essentieel belang. Voedsel De larven van de zeelt leven in eerste instantie van zoöplankton. Later eten zij ook kleine muggenlarven, wormpjes en slakkeneieren. Volwassen zeelten zijn alleseters, maar zoeken bij voorkeur in de bodem naar voedsel; de beide tastharen naast de bek wijzen hierop. Naast slakjes, kreeftachtigen, wormpjes, watervlooien en muggenlarven maken ook plantendelen, algen en detritus deel uit van het voedselpakket. Groei en leeftijd De groei van de zeelt is betrekkelijk traag en sterk afhankelijk van de omstandigheden. De lengte na het eerste groeiseizoen varieert meestal tussen 3 en 6 cm, maar kan ook 12 cm bedragen. De mannetjes groeien trager dan de vrouwtjes. De zeelt is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp bij een lengte van 9,5 cm (mannetjes) en 12,5 cm (vrouwtjes). De maximale lengte is ca. 60 cm en de maximale leeftijd 15 à 20 jaar. De gehele paaiperiode kan, afhankelijk van de omstandigheden, meer dan een week duren. Er wordt alleen gepaaid boven waterplanten, waaraan de zeer kleverige eitjes zich vasthechten. Eitjes die op de modderige bodem terecht komen, sterven vrijwel altijd af; dit geldt ook voor de pas 46
239
240 Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven
241 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten
242
243 Rapport Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Op 30 januari 2007 uitgevoerd in opdracht van de Federatie Door: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak
244 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus AD BILTHOVEN Telefoon Telefax Homepage Opdrachtgever Federatie Telefoon Homepage Auteur(s) M. v. Breugel & G.A.J. de Laak adres Aantal pagina s 46 Trefwoorden Visstandbemonstering, onderzoek, Stobbeplas, Versie Definitief Projectnummer AB Registratienummer 5033 Datum Datum oplevering 2 augustus 2007 Bibliografische referentie: M. v. Breugel & G.A.J. de Laak, Visserijkundig Onderzoek Stobbeplas te Lutten. Sportvisserij Nederland, Bilthoven in opdracht van Federatie. Sportvisserij Nederland, Bilthoven Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder en de Federatie. Sportvisserij Nederland is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Sportvisserij Nederland.
245 Samenvatting Op 30 januari 2007 is op verzoek van Federatie door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas. Hierbij zijn de soortensamenstelling, de lengteopbouw van de verschillende gevangen vissoorten en de conditie van de vis onderzocht. De visstandbemonstering werd uitgevoerd door middel van een staand want- en een elektrovisserij. De Stobbeplas kenmerkt zich door een grote gemiddelde diepte, rechtlijnige oevers en een matige oeverbegroeiing. De visstand in de Stobbeplas bestaat qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn en karper. De visstand in de Stobbeplas behoort tot het blankvoorn brasem viswatertype. Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand en de inrichting van het water zijn onder meer: Niet evenwichtig opgebouwde visstand; vissen met een lengte tussen de 20 en 40 centimeter ontbreken; gebrek aan ondiepe oeverzones met beschutting; aalscholverpredatie. In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van de Stobbeplas op het gebied van het visstandbeheer en de inrichting van het water. De aanbevelingen hebben betrekking op: Uitzetten van vissoorten als bijvoorbeeld zeelt. Verjongen en meer variatie aanbrengen in het karperbestand. Aanbrengen takkenbossen voor meer beschutting van vis tegen predatie van de aalscholver. Het herinrichten van de zuidoost-oever. Verbeteren sportvisserijmogelijkheden door de aanleg van vissteigers, parkeerplaatsen en wandelpaden.
246
247 Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding Leeswijzer Algemene gegevens Gebiedsbeschrijving Visrecht en bevissing Gevoerd beheer Viswatertypering en draagkracht Typering van de Stobbeplas Draagkracht van de Stobbeplas Uitvoering van het visserijkundig onderzoek Visstandbemonstering Visonderzoek en gegevensverwerking Resultaten visserijkundig onderzoek Soortensamenstelling Lengte-frequentie en conditie Bespreking en knelpunten Bespreking Knelpunten Aanbevelingen Visstandbeheer Inrichtingsmaatregelen Evaluatieonderzoek Literatuur Bijlagen... 37
248
249 - Inleiding - 1 Inleiding Op verzoek van Federatie is op 30 januari 2007 door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Stobbeplas te Lutten. Topografische ondergrond: Topografische Dienst, Emmen Figuur 1.1 Overzichtskaart Stobbeplas te Lutten. 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het aanvragen van een visserijkundig onderzoek is het feit dat de samenstelling van de visstand op de plas niet inzichtelijk is. Hierdoor is het voor de Federatie niet mogelijk om streefbeelden voor de ontwikkeling van de visstand in de Stobbeplas vast te stellen. Vast staat dat de Stobbeplas een zeer belangrijke functie heeft voor de sportvissers met name karpervissers- in het gebied. De Karperstudiegroep Regio Zwolle organiseert langs de Stobbeplas zelfs jaarlijks een meerdaags jeugdkamp voor de jongste karpervissers. Uit de vangsten tijdens het jeugdkamp blijkt dat er zeer veel jonge schubkarpers 30 januari
250 - Stobbeplas te Lutten- tot 40 centimeter op de plas zwemmen. Dit duidt op een mogelijke natuurlijke aanwas van de karperstand. Op zichzelf een relatief zeldzaam fenomeen in het Nederlandse binnenwater, waar de paai en ontwikkeling van karper ofwel mislukt door de koele zomers of de aanwezige roofvis decimeert de jonge karperstand volledig. De federatie neemt dan ook aan dat de roofvisbezetting zo laag is dat de aanwas niet meer wordt gereguleerd. Daarnaast wil de Federatie de bereikbaarheid en de bevisbaarheid van het water verbeteren. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het water, de bevissing en het gevoerde beheer in en rond de Stobbeplas. Een uitleg over de visstandtypering van de Nederlandse ondiepe en stilstaande wateren en meer informatie over de draagkracht van een water voor biomassa van vis is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het uitgevoerde onderzoek naar de visstand en de gegevensverwerking. Hoofdstuk 5 geeft de resultaten van de visstandbemonstering aan de hand van de soortsamenstelling, de lengte-frequentieverdeling en de conditie van de aangetroffen visstand. Vanuit de bespreking van de visstand in de Stobbeplas zijn knelpunten geformuleerd in Hoofdstuk 6. Met de knelpunten als vertrekpunt geeft hoofdstuk 7 aanbevelingen op het gebied van visstandbeheer en/of inrichtingsmaatregelen. Het rapport wordt afgesloten met bijlagen en een profiel van de aangetroffen vissoorten en in het rapport genoemde vissoorten. 10
251 - Algemene gegevens - 2 Algemene gegevens 2.1 Gebiedsbeschrijving De Stobbeplas ligt nabij Lutten in de gemeente Hardenberg in de provincie Overijssel. De plas is bereikbaar via de autoweg N377 tussen Dedemsvaart en Slagharen. Het water is ontstaan door zandwinning voor de aanleg van diezelfde autoweg. De naam dankt de plas aan de oude Stobbenplas die op een geheel andere plaats lag. Daar waar de Lutterbeek via het Bovenwater naar het westen stroomde en de Reest genoemd werd. Het water is zo n 500 meter lang en heeft een oppervlak van 6,4 hectare. De breedte is maximaal 200 meter. De gemiddelde diepte is onbekend. De grootste diepte is waarschijnlijk 6 meter. Het bodemprofiel is zeer grillig, er zijn ook zeer ondiepe delen, die in de zomer droogvallen. De bodem bestaat uit zand. Op de bodem bevindt zich een dunne modderlaag met een dikte van maximaal 10 centimeter. De totale oeverlengte is 1213 meter. De taludhelling is matig tot steil. Circa 50% van de oever is begroeid. Langs de oever staat riet, liesgras en biezen. Ook staan er verspreid langs het water wat struiken en bomen met inhangende takken. De rietkraag is gemiddeld 2 meter breed. In de Stobbeplas komen geen drijfbladplanten (zoals gele plomp) voor. Er staat geen stroming in het water. Het water wordt gevoed door regenen kwelwater. Er is geen waterinlaat of wateruitlaatpunt. Het water staat niet in verbinding met andere wateren in de omgeving. Vismigratie is dus niet mogelijk. 2.2 Visrecht en bevissing De eigenaar van de Stobbeplas is Staatsbosbeheer te Deventer. De visrechten van de Stobbeplas zijn, voor wat betreft het schubvisrecht, in bezit bij Hengelsportfederatie. Bij deze federatie zijn 77 hengelsportverenigingen aangesloten die gezamenlijk bijna leden tellen. De Stobbeplas is opgenomen in de Landelijke Lijst van Viswateren (Lijst van viswateren Noordoost Nederland). Om te vissen in de Stobbeplas moet de sportvisser lid zijn van een bij Sportvisserij Nederland aangesloten hengelsportvereniging. Men krijgt dan in ieder geval de VISpas en de Landelijke Lijst van Viswateren. Met de VISpas mag de sportvisser vissen met twee hengels en alle wettelijk toegestane aassoorten, tenzij anders aangegeven bij de wateren. Voor de Stobbeplas gelden de algemene voorwaarden in de Landelijke Lijst op pagina 2 en de aanvullende voorwaarden van de Federatie Oost- Nederland op pagina 75. Als aanvullende voorwaarde specifiek voor de Stobbeplas geldt: 30 januari
252 - Stobbeplas te Lutten- Het water alleen vanaf het Ommerkanaal toegankelijk is. In dit water mag niet gevoerd worden. Sportvissers die ook s nachts hun geluk willen beproeven aan de Stobbeplas vallen onder de Nachtvisregeling Landelijke lijst Werkgebied van Federatie Oost Nederland. Men dient dan in het bezit te zijn van de NachtVISpas en te vissen volgens de daarop vermelde voorwaarden. De NachtVISpas is aan te vragen bij de federatie. De statische karpervisser neemt relatief veel materiaal mee. In de Stobbeplas vissen hoofdzakelijk karpervissers die op afstand vissen. Op specifieke plaatsen langs de oever vissen zij veelal met twee hengels, voorzien van een vast lood-montage en elektronische beetverklikkers op karper. Om de karpers te verleiden tot een aanbeet worden over het algemeen boilies, maïs of andere zaden en granen gebruikt. De karpervisser vist zowel overdag als s nachts en maakt graag gebruik van een paraplu of klein tentje om materiaal op te bergen of te schuilen. Van de Stobbeplas zijn geen sportvisserij enquête gegevens bekend. Volgens de Federatie is de karper de favoriete vissoort in de Stobbeplas. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat de karper klein van formaat is en in grote hoeveelheden voorkomt. Over de hengeldruk en het voorkomen van witvis en roofvis op de Stobbeplas, is weinig bekend. 2.3 Gevoerd beheer Voor de Stobbeplas is geen visstandbeheerplan opgesteld. In de afgelopen jaren is geen vis uitgezet op de Stobbeplas. De visrechthebbenden willen in de komende tijd de visserijmogelijkheden (bereikbaarheid en bevisbaarheid) verbeteren. De waterkwaliteit- en waterkwantiteitsbeheerder is het Waterschap Velt & Vecht. 12
253 - Viswatertypering en draagkracht - 3 Viswatertypering en draagkracht 3.1 Typering van de Stobbeplas De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich uiteindelijk kan ontwikkelen. De aanwezigheid van waterplanten is hierbij een belangrijke sturende factor. Waterplanten vervullen in meerdere opzichten een belangrijke functie voor de aanwezige visstand. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: bovenwaterplanten (emerse waterplanten, o.a. riet, lisdodde) onderwaterplanten (submerse waterplanten, o.a. waterpest, hoornblad) drijfbladplanten (o.a. gele plomp, waterlelie) Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden de vis daarnaast bescherming tegen predatoren (roofvis, visetende vogels) en beschutting tegen stroming. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten bevinden zich bovendien tal van organismen die een belangrijke voedselbron vormen voor vis. In een natuurlijke situatie is een geleidelijke overgang van land naar water te zien, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en vervolgens onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water beduidend beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten zijn in de regel indicatief voor helder water. Een water met een rijk waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende vissoorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water zal zich over het algemeen een soortenarme visstand ophouden, met waarschijnlijk brasem als meest voorkomende vissoort. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn door Sportvisserij Nederland onderverdeeld in vijf viswatertypen (zie ook figuur op de volgende bladzijde): het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype. 30 januari
254 - Stobbeplas te Lutten- De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water. Baarsblankvoorn viswatertype Ruisvoornsnoek viswatertype Snoekblankvoorn viswatertype Blankvoornbrasem viswatertype Brasemsnoekbaars viswatertype 14
255 - Viswatertypering en draagkracht - Bij het indelen van wateren in viswatertype wordt in eerste instantie een indeling gemaakt in ondiepe en diepe wateren. De grens tussen beide watertypen ligt bij een diepte van 4 a 5 meter. De diepe wateren kenmerken zich meestal door het voorkomen van een spronglaag. Omdat de Stobbeplas waarschijnlijk geen spronglaag heeft en de gemiddelde diepte niet dieper is dan circa 5 meter, wordt de Stobbeplas gerekend tot de ondiepe wateren. Maar het water heeft ook kenmerken van een diep viswatertype. De waterplantenontwikkeling is een belangrijk kenmerk voor de verdere indeling in viswatertypering. Tijdens de visstandbemonstering is door Sportvisserij Nederland ook een milieu-inventarisatie in de Stobbeplas uitgevoerd (zie onderstaande tabel). Hierbij zijn verschillende, voor vis belangrijke, parameters gemeten. Tabel 3.1 Milieugegevens gemeten tijdens de visstandbemonstering 30 januari O 2 verzadiging* 89% kleur water waargenomen: bruinig O 2 gehalte* 10,8 mg/l geur water waargenomen: neutraal Temperatuur* 6,0 o C bedekking bovenwater 2% waterplanten ph* 7, drijfblad 0% Geleidingsvermogen* 428 µs/cm onder water 0% Zichtdiepte* 120 cm groenalgen waargenomen: geen Calcium <2 mg/l blauwalgen waargenomen: geen chloride (Cl - ) <50 mg/l nitraat (NO - 3 ) 0 mg/l zuurbindend vermogen 1 mm/l * Zie ter vergelijking de Normdoelstelling Water voor Karperachtigen en Minimumkwaliteit in bijlage I. De resultaten van de milieu/bemonstering geven geen aanleiding om problemen met de waterkwaliteit te verwachten. De huidige situatie van de Stobbeplas: het blankvoorn - brasem viswatertype Omdat het water zowel kenmerken heeft van een ondiep viswatertype als het diep viswatertype is het indelen van de Stobbeplas in een viswatertype vrij lastig. De Stobbeplas wordt qua milieukenmerken getypeerd als het zogenaamde blankvoorn - brasem viswatertype (zie ook tabel viswatertypering). 30 januari
256 - Stobbeplas te Lutten- Dit viswatertype wordt gekenmerkt door een beperkte aanwezigheid van waterplanten en een doorzicht van circa 1 meter. Kenmerkende vissoorten van dit watertype zijn blankvoorn en brasem en de belangrijkste roofvis is de snoekbaars. De biomassa aan snoek en baars is in dit type relatief klein. 3.2 Draagkracht van de Stobbeplas Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogrammen per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het blankvoorn brasem-viswatertype is de draagkracht ongeveer 350 tot 600 kilogram vis per hectare, waarbij de spreiding in draagkracht afhankelijk is van de voedselrijkdom van het water (vooral het gevolg van de bodemsoort (zand, klei of veen). In de Stobbeplas lijkt de voedselrijkdom erg laag. Dit wordt veroorzaakt door de zandbodem. De draagkracht zal, bij een goede waterkwaliteit en inrichting van het water voor vis, rond de 350 tot 400 kilogram vis per hectare liggen. 16
257 - Viswatertypering en draagkracht - Tabel 3.2 Viswatertypering ondiepe, stilstaande en langzaam stromende wateren (Zoetemeyer & Lucas, 2001) viswatertype baars blankvoorn ruisvoorn snoek snoek blankvoorn blankvoorn brasem brasem snoekbaars planten bovenwater matig veel matig matig weinig - matig drijfblad weinig veel matig - veel weinig - matig geen - weinig onderwater matig veel weinig geen geen bedekking % 10-60% % 20-60% 10-20% 0-10% vissoorten aal baars + +/ bittervoorn* /- - blankvoorn + +/ brasem +/- +/ grote modderkruiper +/ /- - karper /- - kleine modderkruiper /- - kolblei +/- +/ kroeskarper +/ /- - kwabaal* + +/- +/- +/- - meerval* - +/ /- pos +/- +/ rivierdonderpad* + +/- +/- +/- - riviergrondel /- ruisvoorn +/ /- - snoek /- snoekbaars - - +/ stekelbaars (3d) /- - stekelbaars (10d) /- - vetje /- zeelt +/ /- - draagkracht kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha voedselrijkdom fosfaatgehalte (oligo)- mesotroof voedselarm <0,01 mg P/l (hyper-)eutroof zeer voedselrijk >0,1 mg P/l Ontwikkelingsmogelijkheden: - nauwelijks of geen +/- beperkt + voldoende ++ optimaal * bittervoorn: aanwezigheid van zoetwatermossels noodzakelijk voor de voortplanting. kwabaal: verbinding met diep, helder water noodzakelijk. meerval: rivierdonderpad: komt de laatste eeuwen vrijwel uitsluitend in het Haarlemmermeergebied voor. afhankelijk van stenig substraat in combinatie met waterturbulentie (bijv. stroming). 30 januari
258 - Stobbeplas te Lutten- 18
259 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - 4 Uitvoering van het visserijkundig onderzoek 4.1 Visstandbemonstering Tijdens de visstandbemonstering is een deel van de Stobbeplas, onder verantwoordelijkheid van Sportvisserij Nederland, door Visserijbedrijf Kalkman en Van Wijk met staand want bevist. De perken staand want hadden een gestrekte maaswijdte van 120 en 140 millimeter. Het staand want is met tussenpozen van ½ tot één uur leeggehaald en opnieuw geplaatst. Door de korte tijd dat het staand want in het water staat, ondervinden de vissen geen schade van dit vistuig. Bij een normale visserij met staand want, waarbij het want meer dan 12 uur staat, kan de sterfte van de gevangen vis aanzienlijk zijn. Tevens zijn, door medewerkers van Sportvisserij Nederland met een elektro-visapparaat met een vermogen van vijf kw, de oevers afgevist. De gevangen vis is direct met schepnetten overgebracht in teilen en naar de verwerkingsplaats gebracht. Figuur 4.1 Overzichtskaart uitgevoerde visserijen. De rode lijn is de beviste oeverlengte. De zwarte lijnen geven de positie van het staand want weer. 30 januari
260 - Stobbeplas te Lutten- Met het elektroaggregaat is circa 1100 meter van de oeverlengte bevist. 4.2 Visonderzoek en gegevensverwerking Alle gevangen vis werd kort voor het visserijkundig onderzoek in een speciale verdovingsvloeistof licht verdoofd. Hierdoor kon de vis gemakkelijk gemeten en gewogen worden zonder al te veel kans op beschadiging en stressverschijnselen. De gegevens zijn ingevoerd in het computerprogramma Piscaria. Piscaria is de landelijke databank de STOWA en Sportvisserij Nederland, waarin diverse onderzoeksbureaus, waterbeheerders en hengelsportorganisaties visserijgegevens invoeren. De databank wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is gekoppeld aan internationale netwerken. Voor meer informatie zie: Het programma Piscaria berekent vervolgens tabellen, aandeelgrafieken, lengtefrequentieverdelingen en conditiegrafieken volgens de door STOWA vastgestelde standaarden, welke aansluiten bij de Kaderrichtlijn water. Tabellen In tabel 5.1 wordt per vissoort de gevangen aantallen en de biomassa (gewicht) vermeld. De biomassa is bepaald aan de hand van een voor Nederland algemeen geldende Lengte-Gewichtsrelatie (Klein Breteler & de Laak, 2003). Van iedere vissoort is ook het berekende minimum en maximum gewicht vermeld. In de tabel zijn ook de minimum- en maximum lengtes van de gevangen vissen vermeld en ook het totaal aantal gevangen vissen en het berekende vangstgewicht. Aandeelgrafieken Het aandeel van de vissoort in de aantallen en in gewicht is in twee grafieken weergegeven. In de aantalsaandeelgrafiek wordt het aantal gevangen vissen op 100% gesteld en wordt het aandeel op aantalbasis van elke vissoort berekend. In de vangstaandeelsgrafiek wordt het vangstgewicht op 100% gesteld en wordt het aandeel op gewichtsbasis van elke vissoort hierin vermeld. Lengtefrequentiegrafiek Van de meest belangrijke vissoorten zijn lengtefrequentiegrafieken weergegeven in Hoofdstuk 5. Per centimeterklasse (X-as) worden de gevangen aantallen (Y-as) weergegeven. Conditie Van de belangrijkste gevangen vissoorten zijn de lengte en het individuele gewicht bepaald, zodat de conditie van een vis kan worden berekend. Als maat voor de conditie van de vis wordt genomen de verhouding tussen het gemeten gewicht en het "normaalgewicht" van de vis. Het normaalgewicht is door de (voormalige) OVB empirisch bepaald aan de hand van talrijke metingen van lengte en gewicht van vissen uit een reeks van wateren (Klein Breteler & de Laak, 2003). Wanneer de conditiefactor kleiner is dan 0,9 is de conditie van de vis onvoldoende. Ligt de conditiefactor tussen de 0,9 en 1,1 dan is de conditie voldoende. Is de conditiefactor groter dan 1,1 dan is de conditie goed. 20
261 - Uitvoering van het visserijkundig onderzoek - Hoewel de Stobbeplas een zandwinput is, komen er wel mooie rietkragen voor Mooie exemplaren van de ruisvoorn werden dan ook in het riet gevangen Staand want kan goed toegepast worden op diepere wateren, zonder beschadigde vissen als de netten maar regelmatig gecontroleerd worden Pracht schubkarper 30 januari
262 - Stobbeplas te Lutten- 5 Resultaten visserijkundig onderzoek 5.1 Soortensamenstelling Tijdens de bemonstering van de Stobbeplas zijn in totaal 7 vissoorten gevangen. Er zijn 217 exemplaren gevangen, met een totaal gewicht van ongeveer 219 kilo. In de onderstaande tabellen zijn van de gevangen vissoorten het aantal, gewicht en de lengte weergegeven. Tabel 5.1 Gevangen vissoorten in de Stobbeplas Vissoort Aantal Gewicht (kg) Lengtespreiding (cm) Gewichtspreiding (gram) Baars 22 0, Brasem 6 7, Blankvoorn 1 0, Karper , Spiegelkarper 3 13, Aal/Paling 2 2, Rietvoorn/Ruisvoorn 101 1, ,0-246 Snoek 26 14, Totaal ,6 N.b. Hoewel karper en spiegelkarper geen aparte soorten zijn, worden ze in de bovenstaande tabel gescheiden weergegeven. De vangst bestond qua aantallen voornamelijk uit ruisvoorn (47% van het totaal aantal gevangen exemplaren, zie onderstaande linkergrafiek). Na ruisvoorn is karper de meest gevangen vissoort met een aandeel in de vangst van 26%. Qua gewicht bestond de vangst voor het grootste deel uit schubkarper (82%), snoek (7%) en spiegelkarper (6%, zie rechtergrafiek). Relatieve aantals-aandeel Snoek 12% Baars 10% Brasem 3% Spiegelkarper 1% Karper 26% Karper 82% Relatieve gewichts-aandeel Spiegelkarper 6% Paling 1% Ruisvoorn 1% Snoek 7% Baars <1% Ruisvoorn 47% Paling 1% Blankvoorn 0% Brasem 4% Blankvoorn <1% 22
263 - Resultaten visserijkundig onderzoek Lengte-frequentie en conditie Van de meest belangrijke vissoorten is de lengte-frequentie en de conditie in grafieken weergegeven. De grafieken zijn hieronder per vissoort toegelicht. Baars In totaal zijn 22 baarzen gevangen met een lengte die varieerde van 5 tot 29 centimeter. De conditie van de gevangen baarzen was voldoende. LF diagram voor Baars Conditiediagram voor Baars 8 1,5 7 6 Aantallen Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Blankvoorn Er is één blankvoorn gevangen met een lengte van 24 centimeter. De conditie van de gevangen blankvoorn was voldoende. Brasem In totaal zijn 6 brasems gevangen. De kleinste brasem had een lengte van 42 centimeter. De grootste brasem had een lengte van 52 centimeter. Opmerkelijk is dat er alleen grote brasems zijn gevangen. De conditie van de gevangen brasems was voldoende tot (zeer) goed. LF diagram voor Brasem Conditiediagram voor Brasem 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 30 januari
264 - Stobbeplas te Lutten- Karper In totaal zijn 56 schubkarpers gevangen met een lengte die varieerde van 43 tot 78 centimeter. De conditie van de gevangen karpers was voldoende. LF diagram voor Karper Conditiediagram voor Karper 6 1,5 5 4 Aantallen 3 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Spiegelkarper Van het type spiegelkarper zijn 3 exemplaren gevangen. De lengte van de vissen was 47, 50 en 80 centimeter. De conditie van de gevangen spiegelkarpers was voldoende. Het grootste exemplaar had een matige conditie. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door het type karper. Een slank type spiegelkarper heeft een lager gewicht bij dezelfde lengte als een hoog gebouwd type. In het veld werd de conditie van deze karper dan ook als normaal beoordeeld. LF diagram voor Spiegelkarper Conditiediagram voor Spiegelkarper 2 1,5 Aantallen 1 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm 24
265 - Resultaten visserijkundig onderzoek - Ruisvoorn Van de meest voorkomende soort riet- of ruisvoorn zijn 101 exemplaren gevangen. De kleinste vissen hadden een lengte van 3 centimeter. Deze vissen met een lengte tot 7 centimeter behoren tot de 0+ jaarklasse. Dit zijn vissen die geboren zijn in het voorjaar van Vissen met een lengte van circa 10 centimeter zijn twee groeiseizoenen oud en vissen met een lengte tot 14 a 15 centimeter zijn 3 groeiseizoenen oud. Deze groei kan worden beoordeeld als een normale groei. De conditie van de gevangen ruisvoorns was matig tot voldoende. LF diagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn Conditiediagram voor Rietvoorn/Ruisvoorn 30 1, Aantallen 15 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Snoek Van de roofvis snoek zijn 26 exemplaren gevangen. De grootste snoek had een lengte van 73 centimeter. De kleinste snoeken hadden een lengte van 17 tot 30 centimeter. Deze vissen behoren tot de 0+ jaarklasse. De conditie van de gevangen snoeken was voldoende. De conditie van de grootste snoeken was goed. Waarschijnlijk komt dit door de ontwikkeling van geslachtproducten, het zogenaamd paairijp worden. LF diagram voor Snoek Conditiediagram voor Snoek 4 1,5 3 Aantallen 2 Conditiefactor Lengte in cm. 0, Lengte in cm Overige soorten 30 januari 2007 In de Stobbeplas zijn ook nog twee alen of palingen gevangen. Deze vissen hadden een lengte van 78 en 91 centimeter. De conditie van de alen was goed. 25
266 - Stobbeplas te Lutten- 6 Bespreking en knelpunten 6.1 Bespreking Tijdens de visstandbemonstering in de Stobbeplas zijn 7 vissoorten gevangen. De soortdiversiteit is daarmee niet erg hoog. Gewoonlijk wordt tijdens een inventarisatie van één dag door Sportvisserij Nederland 11 vissoorten gevangen. De meeste soorten behoren tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper en aal. Van de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water) komen alleen ruisvoorn en snoek voor. Ruisvoorn is wel de meest gevangen soort tijdens deze bemonstering. Kleine baars en ruisvoorn zijn de meest voorkomende vissoorten qua aantallen. Van de blankvoorn is slechts één exemplaar gevangen. De conditie van ruisvoorn is matig tot voldoende. Van brasem werden alleen grote volwassen exemplaren gevangen. De conditie van deze grote brasems is voldoende tot (zeer) goed. Over de opbouw van de witvispopulatie kan gesteld worden dat er weinig juveniele (jonge) vissen zijn aangetroffen en dat er in het lengteklassetraject 20 tot 40 centimeter geen vissen zijn gevangen, op 1 blankvoorn na. De belangrijkste predator in de Stobbeplas is de snoek met een gewichtsaandeel in de vangst van circa 7%. Van deze vissoort zijn relatief veel jonge exemplaren gevangen. Vissen ouder dan 4 groeiseizoenen zijn relatief slecht vertegenwoordigd. De aanwezige oevervegetatie (met name riet) is een belangrijke factor in het voorkomen van jonge snoeken (0 + en 1 + jaarklasse). Tussen de begroeiing vinden de jonge exemplaren schuilgelegenheid tegen wegvraat door grotere soortgenoten en aalscholvers. Snoeken van 3 en 4 groeiseizoenen worden minder afhankelijk van de vegetatie en verplaatsen zich naar het open water. Waarschijnlijk komen er weinig grote snoeken in de Stobbeplas voor. Met de gebruikte visserijmethoden (elektrovisserij en staand want visserij) worden doorgaans wel grote snoeken gevangen als zij voorkomen op een water. Het vangstgewicht bestond voornamelijk uit karper (schub- en spiegelkarper samen 88%). Het aandeel eurytope (vissoorten die geen voorkeur hebben voor stroming en/of waterplanten) vissoorten in de biomassa is hierdoor erg hoog. Als in de Stobbeplas al jarenlang geen karper is uitgezet, dan is er waarschijnlijk sprake van natuurlijke rekrutering in bepaalde jaren. De aanwezigheid van een groep (cohort) karpers met een lengte van 43 tot en met 46 centimeter duidt hier op. Ook het cohort vissen met een lengte van circa 50 centimeter kan afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. 26
267 - Bespreking en knelpunten - Door de geringe aantallen vis die zijn aangetroffen is het moeilijk om iets over de populatie opbouw te zeggen, anders dan dat deze erg onevenwichtig is opgebouwd. 6.2 Knelpunten Visstand De soortensamenstelling van de visstand is weinig divers. Algemeen voorkomende soorten in soortgelijke wateren als bijvoorbeeld kolblei, pos en zeelt zijn niet aangetroffen. Ook soorten als bittervoorn en kleine modderkruiper kunnen in dit watertype voorkomen. In de lengtefrequentieverdeling van enkele (wit)vissoorten, zoals baars brasem, blankvoorn en ruisvoorn blijkt dat de populatie niet evenwichtig is opgebouwd. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Enerzijds is de hoeveelheid oever- en onderwatervegetatie in de Stobbeplas beperkt. In de herfst en winter sterft namelijk veel van de vegetatie af. Met name in de herfst en winter vinden veel jonge vissen niet voldoende schuilgelegenheid. Het belang van schuilgelegenheid (vegetatie en beschutting) wordt verder behandeld onder het kopje Inrichtingsmaatregelen van het volgende hoofdstuk en in het kader op de volgende bladzijde. Daarnaast speelt predatie door aalscholvers een rol. Door de visstandbeheerder wordt aangegeven dat aalscholvers regelmatig de Stobbeplas bezoeken. Waterkwaliteit - kwantiteit Op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn er weinig knelpunten in de Stobbeplas. Ondanks de waterpeilschommelingen is er op een groot deel van de oever een rietkraag ontstaan Inrichting en onderhoud van het viswater Door een goede inrichting van het water is het mogelijk de productiviteit van het water te verhogen en de predatie door aalscholvers te verminderen. Om de productiviteit te verhogen dient op bepaalde delen van de oever de oevervegetatie gestimuleerd te worden. Daarnaast kan door het aanbrengen van beschutting (bomen) het areaal aan beschut leefgebied vergroot worden. Hierdoor wordt het jagen door aalscholvers bemoeilijkt. 30 januari
268 - Stobbeplas te Lutten- Ook het voorkomen van aalscholvers in wateren vormt een bedreiging voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de visstand. Aangezien de aalscholver een beschermde vogelsoort is, mogen slechts preventieve maatregelen worden genomen. Van belang is dat er voor vissen voldoende structuren in het water zijn, die schuilmogelijkheid bieden. Ondiepe oeverzones met voldoende onderwaterplanten en open rietkragen zijn een toevluchtsoord voor vissen, maar onaantrekkelijk als jachtgebied voor aalscholvers. Natuurlijk heeft een dergelijke oever ook meerwaarde als paaiplaats en als schuilplaats voor jonge vis. Ook onder drijfbladplanten zoals de gele plomp kunnen vissen zich verschansen wanneer vogels hen belagen. Onderwaterstructuren zijn van groot belang voor vis. Niet alleen als schuilmogelijkheid tegen aalscholvers, maar ook voor diverse andere toepassingen. Zo kunnen onderwaterstructuren dienst doen als paaisubstraat en als foerageergebied (bijvoorbeeld voor een snoek die in hinderlaag ligt). Daarnaast vormen onderwaterstructuren een goede ondergrond voor mosseltjes en (draad)algen om op te groeien, wat door vissen weer als voedselbron gebruikt kan worden. Als onderwaterstructuren kunnen bijvoorbeeld bomen, takkenbossen (rijshout) of oude kerstbomen worden gebruikt. Indien onderwaterstructuren worden geplaatst dienen wel waarschuwingsborden of markeringen te worden geplaatst, zodat sportvissers deze structuren kunnen vermijden. Bij voorkeur moeten in het relatief kleine water de structuren in de oeverzones worden aangebracht. Figuur 6.1 In de oeverzone aangebrachte bomen, takken en andere onderwaterstructuren bieden vissen een schuilplaats en beschutting tegen de aalscholver. 28
269 - Aanbevelingen - 30 januari
270 - Stobbeplas te Lutten- 7 Aanbevelingen 7.1 Visstandbeheer De huidige visstand is een afspiegeling van de situatie op de Stobbeplas. Het uitzetten van vis op de Stobbeplas lijkt weinig zinvol door de aanwezigheid van aalscholvers. Visuitzettingen hebben meestal ook maar een tijdelijk effect. Door het nemen van inrichtingsmaatregelen kan er een meer gevarieerd visbestand op de Stobbeplas ontstaan, met behoud van de aanwezigheid van de karperstand. Het lijkt alsof de karperpopulatie is opgebouwd uit een deel natuurlijke rekrutering. Aan de hand van hengelvangsten moet in de komende jaren nagegaan worden of dit vaker gebeurd. Mocht dit niet zo zijn, dan is op termijn een uitzetting van karper nodig, omdat de huidige populatie afneemt door natuurlijke sterfte. Om de visstand in de Stobbeplas wat meer variatie te geven, kan eventueel zeelt worden uitgezet. Om het karperbestand meer variatie te geven, kan overwogen worden spiegelkarpers uit te zetten. 7.2 Inrichtingsmaatregelen Op de Stobbeplas kunnen maatregelen genomen worden om de productiviteit te verhogen en om predatie door aalscholvers te voorkomen. Als mogelijke en haalbare mogelijkheden wordt geadviseerd om de oever in de zuidoosthoek te beschermen tegen vraat door vee en om verspreid langs de oever takkenbossen aan te brengen. Andere maatregelen om de aalscholverpredatie te voorkomen, zoals het plaatsen van zwarte zwanen en het met draden overspannen van de plas lijken niet te werken of zijn praktisch niet haalbaar. Herinrichten zuidoost-oever De zuidoost-oever wordt momenteel begraasd door vee. Dit vee drinkt ook uit de Stobbeplas, hierbij wordt de oever betreden en begraasd door het vee. Het gevolg is dat de vegetatie die daar groeit geen kans krijgt zich uit te breiden. Het effect daarvan is goed te zien op de bovenste foto van pagina 24. Op het bovenste deel is een begroeide oever te zien, op het deel na de afrastering houdt de begroeiing abrupt af. Voorgesteld wordt om de oever af te rasteren met prikkeldraad en/of schrikdraad en het vee te drenken met een weidepompinstallatie, eventueel op zonneenergie. Zodoende kan de vegetatie zich over een afstand van iets meer dan 200 meter ontwikkelen. Dit is een substantieel deel van de totale oeverlengte, zodat de maatregel ook effect moet hebben op de visstand. Aanbrengen takkenbossen Het aanbrengen van takkenbossen, zoals weegegeven in figuur 6.1, zal de vissen meer gelegenheid bieden te schuilen en daardoor is er minder predatie door de aalscholver. De maatregel is waarschijnlijk vrij eenvoudig uit te voeren met materiaal uit het omliggende bos. 30
271 - Aanbevelingen - Voorgesteld wordt om langs de zuidoever stroken van circa 20 meter breed in te richten met takken. Ook langs de noordoever kan hier en daar een dergelijke strook worden geplaatst. Sportvisserijmogelijkheden Naast de inrichting van het water door vis, moeten ook de sportvisserijmogelijkheden verbeterd worden. De Stobbeplas is momenteel moeilijk bereikbaar en voorzieningen ontbreken. Verschil tussen bereikbaarheid en bevisbaarheid In een aantal gevallen ontstaat onduidelijkheid over de definities bereikbaarheid en bevisbaarheid: De bereikbaarheid gaat over de weg die een sportvisser moet afleggen tot aan de oever waar gevist wordt, bijvoorbeeld vanaf de parkeerplaats tot aan de waterkant. De bevisbaarheid heeft betrekking op de te bevissen oever en het te bevissen water. Een oever kan bijvoorbeeld door een dichte rietkraag niet te bevissen zijn en het water kan door woekering van waterplanten moeilijk te bevissen zijn. Om de bereikbaarheid te verbeteren kan het bestaande wandelpad verbreed worden. Aan de wegzijde kunnen enkele parkeerplaatsen gecreëerd worden. Langs het water kunnen aan de zijde waar gevist mag worden, enkele visstekken (visplaatsen) aangelegd worden. Dit voorkomt dat sportvissers zelf open plekken gaan maken in bestaande begroeiing. Figuur 7.1 Een goed ingerichte visplaats tussen de rietkraag. De locatie van de eventueel aan te leggen visplaatsen kan het best gebeuren in overleg met ter plaatse bekende sportvissers. Overwogen kan worden om de visplaats die het dichtst bij de ingang ligt in te richten als mindervalide visplaats. Het lijkt overigens moeilijk om aan alle voorwaarden te voldoen die gesteld worden aan een goede mindervalide 30 januari
272 - Stobbeplas te Lutten- visstek aan de Stobbeplas (zie kader volgende bladzijde). Mindervalide en gehandicapte sportvissers kunnen tot verschillende sportvisserstypen behoren. Wat betreft de eisen en wensen die zij aan de visplek stellen, komen deze grotendeels overeen met de eisen en wensen per sportvisserstype. Echter, afhankelijk van de mobiliteit en handicap van de minder validen en gehandicapten stellen zij, als persoon, specifieke eisen aan de waterkant. Een korte opsomming van de eisen en wensen staat hieronder genoemd. Een nauwkeurigere beschrijvingen en tekeningen van verharde visplaatsen, vissteigers als ook materiaal, aanlegmethoden etc. staan uitvoerig beschreven in: Sportvisserij door gehandicapten en ouderen van de NVVS (NVVS, 1995). Openbaar vervoer Ontsluiting door openbaar vervoer. Afstand halte-visplaats maximaal meter. Parkeergelegenheid Afstand parkeerplaats-visplaats: maximaal meter. Voor rolstoel maximaal 50 meter. Afmeting parkeerplaats: 3,50 meter breed en 5 meter lang. Parkeerplaats van gesloten verharding. Trottoir-oprit Minimale breedte: 0,90 meter. Maximale helling 1:6. Niveauverschil maximaal: 0,10 meter. Toegangsweg Goed bereikbaar, geen obstakels. Materiaal: gesloten verharding (geen klinkers, trottoirtegels). Breedte toegangsweg: 1,20 meter. Toegangsweg (hellend) Helling niet steiler dan 1:20, niet langer van 9 meter. Steenslag, roodsplit ed. niet gebruiken. Langs toegangsweg een leuning (hoogte maximaal 0,83 meter). Trappen in talud verwerken (breedte 1,20 meter) (niet geschikt voor rolstoelen). Situering/constructie Bij voorkeur aan de zuidwestoever van het viswater. Zichtbaar voor passanten en/of in nabijheid van andere visplaatsen. Waterdiepte: minimaal 1,50 meter. Gemiddeld waterpeil ten hoogste 0,30 meter onder maaiveld. Gesloten verharding of houten vloer (geen klinkers, trottoirtegels). Houten vloer bewerken tegen gladheid (bitumen, schelpgruis). Afmeting oeverstrook: tenminste 2,50 meter lang en minimaal 1,50 meter breed. Veiligheid Aanbrengen van stootbalken. Op stootbalken een hekwerk bevestigen (hoogte 0,45 meter). 32
273 - Aanbevelingen - Daarnaast dienen bij de visstekken en de ingang afvalbakken geplaatst te worden. Met SBB of de gemeente moeten afspraken gemaakt worden over het legen van de bakken en de frequentie van het legen. Het plaatsen van afvalbakken en controle kan dit soort taferelen aan de Stobbeplas voorkomen. Naast het plaatsen van afvalbakken dient er regelmatig controle van de visdocumenten en het opruimen van afval plaats te vinden door de politie en/of speciaal daarvoor opgeleide opsporingsambtenaren (BOA s). Sportvissers die last ondervinden van hangjongeren moet geadviseerd worden de politie te bellen. 7.3 Evaluatieonderzoek Hengelvangstregistratie Aanbevolen wordt om in combinatie met de uitzetting van vis ook een hengelvangst-registratieprogramma op te zetten. Een goed uitgevoerde hengelvangstregistratie kan inzicht verschaffen in een mogelijke afname of toename van de visbezetting en kan daarnaast zelfs een verschuiving in de soortensamenstelling aantonen. Op deze manier is het mogelijk te achterhalen of de karper regelmatig paait en broedsucces heeft. Is dit het geval, dan hoeft er geen karper uitgezet te worden. Ook kan hiermee worden aangetoond of de herinrichting van de oevers het gewenste effect op de visstand hebben. Vervolgonderzoek Eventueel kan over een aantal jaren weer een visserijkundig onderzoek 30 januari
274 - Stobbeplas te Lutten- worden uitgevoerd, om opnieuw de samenstelling en kwaliteit van de visstand vast te leggen. Er kan dan worden bekeken in hoeverre de voorgestelde maatregelen zijn uitgevoerd en wat voor effect deze maatregelen op de visstand hebben gehad. Ook kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen wenselijk zijn. 34
275 - Literatuur - Literatuur Eck, G. van, Interne rapportage visserijkundig onderzoek Stobbeplas. Sportvisserij Nederland, afdeling Advisering en Begeleiding. Klein Breteler, J.G.P. & G.A.J. de Laak, Lengte-gewichtsrelaties Nederlandse vissoorten. OVB onderzoeksrapport OND00074, 13p. Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, Nieuwegein. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij (LNV), directie Openluchtrecreatie, Vormgeving en inrichting viswater. s Gravenhage. Spiegel, A. van der, Visgemeenschappen van het stilstaande water. In Quak, J. en A. van der Spiegel (eds.). Cursus Visstandbeheer en Integraal Waterbeheer. Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij STOWA, Handboek Visstandbemonstering. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer. Rapport 2002/07. STOWA, Utrecht. Zoetemeyer, R.B., & B.J. Lucas, De OVB-viswatertypering deel 1: Ondiepe wateren. Vis & Water magazine Jaargang 1, nr 4, december Nieuwegein, Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij 30 januari
276
277 - Bijlagen - Bijlagen Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit...38 Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten januari
278 - Stobbeplas te Lutten- Bijlage I Normdoelstelling Water voor karperachtigen en Minimumkwaliteit Parameter Norm Functie viswater (normdoelstelling water voor karperachtigen) 1 Algemeen ecologische functie (Minimumkwaliteit MTR 2 ) Temperatuur water max. 28,0 C max. 25,0 C Zuurstofgehalte 50% >7,0 mg/l min. 5,0 mg/l 1 Doorzicht --- gem. 0,4 m (zomer) Chlorofyl --- gem. 100,0 µg/l (zomer) Biochemisch max. 10,0 mg/l --- zuurstofgebruik ph 6,0-9,0 SE 6,5-9,0 SE Zwevende stof < 25,0 mg/l --- Ammonium (NH4-N) <= 1 (4,0) mg/l NH Totaal fosfaat gem. 0,2 mg/l gem. 150 µg/l (zomer) Totaal stikstof --- gem. 2,2 mg /l (zomer) Ammoniak (NH3-N) < 0,025 mg/l NH 3 max. 0,02 mg/l Nitriet 0,03 mg/l NO Totaal koper 3 0,04 mg/l Cu max. 3,0 µg/l Totaal zink 3 1 mg/l Znl max. 30 µg/l Chloride --- max. 200 mg/l (zoet water) 1 RICHTLIJN 2006/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water. Nitriet en koper Richtwaarden, overige parameters: Bindende waarden. 2 MTR = Maximaal Toelaatbaar Risico 3 Afhankelijk van de hardheid van het water 38
279 - Bijlagen - Bijlage II Profiel van de gevangen vissoorten BAARS (Perca fluviatilis) Leefomgeving De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 50 tot 200 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Toch komt de baars ook in kleinere wateren voor. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is favoriet, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten in de oeverzone op. Voortplanting De paaitijd valt in de maanden maart, april en mei, bij een watertemperatuur van meer dan 8 C. Vooral ondergelopen gebieden, waar de temperatuur in het ondiepe water snel kan stijgen, zijn geliefd als paaiplaats, maar ook tal van andere ondiepe plekken zijn geschikt. Voedsel De jonge baars leeft voornamelijk van dierlijk plankton. Later worden hier ook andere ongewervelde dieren, zoals aasgarnalen en vlokreeften, aan toegevoegd. Wanneer de baars een lengte van meer dan 10 cm heeft bereikt, gaat vis(broed) in toenemende mate deel uitmaken van het voedselpakket. Baars heeft een grote voorkeur voor spiering en kleinere soortgenoten. Groei en leeftijd De groei in het eerste jaar bedraagt 6 tot 8 cm. De mannetjes zijn na 2 jaar geslachtsrijp, bij een lengte van 15 cm; vrouwtjes een jaar later, bij een lengte van 20 cm. De maximale lengte is 50 cm. In het IJsselmeer wordt de baars niet ouder dan 6 jaar. 30 januari
280 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De brasem is een zeer algemene vissoort in het Nederlandse binnenwater, die zowel in zoet als in brak water voorkomt. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Eutrofiëring (vermesting) van het binnenwater heeft ertoe geleid dat de brasemstand sterk is toegenomen. De brasem is tegenwoordig de meest karakteristieke vis voor onze (zeer) voedselrijke wateren met weinig waterplanten en een overmatige algengroei. De brasem wordt echter ook aangetroffen in helder, plantenrijk water. Hier vinden we meestal kleinere populaties, die vooral bestaan uit goed groeiende en relatief veel grote exemplaren. Het optimale leefgebied van de brasem kenmerkt zich door afwisseling tussen ruim, open water waarin de brasem in scholen naar voedsel zoekt en ondiepe, begroeide oeverzones, waar de paai- en opgroeigebieden zich bevinden. BRASEM (Abramis brama) Voedsel Brasemlarven voeden zich in eerste instantie hoofdzakelijk met dierlijk plankton. Wanneer zij een lengte van ongeveer 2 cm hebben bereikt, komen ook kleine muggenlarven in het dieet voor. Brasem heeft een voorkeur voor bodemvoedsel, zoals larven van muggen en andere insecten, wormpjes, slakken en mosseltjes. Bij een gebrek aan bodemorganismen kan de brasem overschakelen op een dieet van zoöplankton en plantaardig materiaal. Dankzij een geraffineerd zeefsysteem, gevormd door kieuwboog met aanhangsels, is de brasem beter dan andere vissoorten in staat om watervlooien en andere kleine organismen als voedselbron te benutten. Groei en leeftijd De groei van de brasem is onder andere afhankelijk van de watertemperatuur en het voedselaanbod. Een slechte groei treedt op als de dichtheden (aantallen brasems per hectare) erg hoog worden en daarmee sterke voedselconcurrentie optreedt. Onder optimale omstandigheden (veel voedsel, weinig concurrentie) kan brasem zeer snel groeien. Voortplanting In de paaitijd, die loopt van eind april tot midden juni, gaat de brasem op zoek naar geschikte paaiplaatsen. De eieren worden bij voorkeur afgezet op ondergedoken waterplanten of oeverplanten, maar bij afwezigheid daarvan worden ook boomwortels, stenen en andere obstakels, zoals houten paaltjes, autobanden en oude fietsen, als afzetsubstraat gebruikt. De brasem is daarom niet gebonden aan de aanwezigheid van waterplanten. Al na enkele dagen vormen de larven scholen in het ondiepe water. 40 In het eerste jaar is de groeisnelheid in Nederland gemiddeld 5 tot 7 cm. Bij een goede groei bereikt de tweejarige brasem een lengte van 12 cm en wordt een lengte van 40 cm na 8 jaar gehaald. De brasem is na 6 tot 7 jaar geslachtsrijp. De maximale lengte is 80 cm bij een gewicht van ongeveer 10 kg. De maximale leeftijd is ca. 15 jaar.
281 - Bijlagen - BLANKVOORN (Rutilus rutilus) Leefomgeving De blankvoorn is een vis van zowel stilstaand als stromend water, die in vele watertypen algemeen voorkomt. Zelfs in snelstromende wateren kan deze soort worden aangetroffen. Wel houdt de blankvoorn zich daar bij voorkeur in de stromingsluwe gedeelten op. De blankvoorn zoekt zijn voedsel in scholen in de buurt van begroeiing, maar ook wel in het diepere, open water. De blankvoorn is redelijk bestand tegen eutrofiering en vervuiling en lijkt bij uitstek te kunnen profiteren van veranderende omstandigheden. Zo kon in vele beken, waar deze soort van nature niet of slechts in geringe mate voorkwam, de blankvoornstand enorm toenemen, terwijl karakteristieke beekvissoorten daar sterk in aantal achteruit zijn gegaan of geheel zijn verdwenen. Voortplanting In de paaitijd, die doorgaans in april en mei valt, maar die tot in de zomer kan doorlopen, gaat de blankvoorn op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Deze liggen veelal dicht onder de oever in zwak stromend, ondiep water met beschutting tegen golfslag. De eieren worden afgezet op ondergedoken waterplanten, maar ook oeverplanten, boomwortels, stenen en andere obstakels worden als afzetsubstraat gebruikt. Zowel larven als juvenielen blijven geruime tijd in de oeverbegroeiing. Hierdoor is de blankvoorn sterker dan brasem gebonden aan wateren met begroeiing. Voedsel Het voedsel van jonge blankvoorn beslaat uit zoöplankton, in het bijzonder watervlooien. Oudere blankvoorn heeft een aanzienlijk uitgebreider voedselpakket. Zowel dierlijk voedsel, zoals slakjes, driehoeksmosselen, insectenlarven, wormen en kreeftachtigen, als plantaardig materiaal, zoals algen en detritus, worden gegeten. Groei en leeftijd De blankvoorn bereikt in het eerste jaar een lengte van 5 tot 7 cm. Onder gemiddelde omstandigheden is de blankvoorn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 tot 5 jaar, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De lengte is dan rond 15 cm. De maximale lengte is 45 cm en de maximale leeftijd ca. 10 jaar. 30 januari
282 - Stobbeplas te Lutten- KARPER (Cyprinus carpio) Leefomgeving De karper is een algemene vissoort in stilstaande en langzaam stromend water. Ook in relatief snel stromend water komt de karper wel voor, waar hij zich dan vooral op stromingsluwe plaatsen ophoudt. Van nature komt de karper niet in Nederland voor. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied lag rond de Kaspische Zee, van waaruit de karper zich zowel naar het oosten (China, Japan en Zuid-Rusland) als naar het westen (gebied rond de Zwarte Zee en de Donau) heeft uitgebreid. Via de Donau heeft de karper zich naar Midden-Europa kunnen verspreiden. Deze verspreiding werd versneld door de Romeinen, die rond het begin van de jaartelling de karper uit de Donau of uit Klein- Azië haalden en voor de kweek naar Italië brachten. In de eeuwen daarna zorgden monniken voor een grote verspreiding van de karper over Europa. Vanaf de middeleeuwen (de 14e eeuw) kwam de karper, als teelt- en consumptievis, in kloostervijvers voor. In de loop der eeuwen zijn er allerlei verschillende variëteiten van de karper ontwikkeld. Het oorspronkelijk in de middeleeuwen geïntroduceerde en daarna verwilderde type wordt wilde of boerenkarper genoemd. Hiernaast komen allerlei geteelde variëteiten voor, zoals schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Omdat de karper zich in Nederland nauwelijks met voldoende succes kan voortplanten om een populatie in stand te houden, wordt de karperstand in veel wateren door uitzettingen op peil gehouden. Dankzij deze uitzettingen komt de karper momenteel in vrijwel alle watertypen voor. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied is de karper echter een bewoner van langzaam stromende rivieren en (afgesloten) rivierarmen. Voortplanting De paaitijd valt, afhankelijk van in het bijzonder de watertemperatuur, in mei en juni, maar kan soms doorgaan tot eind juli. De paai vindt plaats in met zachte vegetatie begroeide ondergelopen gebieden of in waterplantenvegetaties in ondiep, rustig water, waar de eieren aan de planten blijven plakken. Ook worden flab en obstakels als stenen en fuiken wel als paaisubstraat gebruikt; soms worden de eieren op de kale bodem afgezet. Tijdens het paaien wordt een vrouwtje omringd door een aantal mannetjes die de afgezette eieren bevruchten. Bij een voldoende hoge watertemperatuur komen de eieren al na enkele dagen uit. Voedsel De karper is een omnivoor. De samenstelling van het voedselpakket is sterk afhankelijk van de aard van het water en van het seizoen. Larven leven van zoöplankton en algen. Dat de karper is aangepast aan het foerageren op de bodem is al op jonge leeftijd zichtbaar, want bij een lengte van circa 2 cm beginnen juveniele karpertjes al van de bodem te eten. Het dieet van volwassen karpers bestaat vrijwel uitsluitend uit bodemvoedsel, zoals insectenlarven, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast wordt ook plantaardig materiaal gegeten, zoals waterplanten, algen en zaden. Groei en leeftijd Van de karperachtigen is de karper één van de snelst groeiende soorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes) bij een lengte van 40 tot 45 cm. De maximale lengte is 120 cm. 42
283 - Bijlagen - Leefomgeving De aal of paling is één van onze meest algemene vissoorten. Omdat de aal een bijzonder groot aanpassingsvermogen heeft en weinig eisen aan het leefmilieu stelt, komt hij voor in vrijwel ieder watertype, van diepe, stilstaande wateren tot in de bovenloop (de forelzone) van beken en rivieren. De belangrijkste eis die de aal aan het leefgebied stelt is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn en dat hij, als schieraal, hiervandaan weer vrij naar zee kan trekken. De lichtschuwe aal is vooral in de schemering en 's nachts actief. Overdag graaft de aal zich in de bodem in of verbergt zich in holten in de oever of tussen en onder waterplanten, boomwortels, stenen of andere obstakels. De aal heeft een voorkeur voor relatief hoge watertemperaturen; tijdens de wintermaanden vertoont hij dan ook weinig activiteit en trekt zich in een schuilplaats terug, passief wachtend op een stijging van de watertemperatuur in het voorjaar. Voortplanting De aal is een zogenaamde katadrome vissoort, die het grootste deel van zijn leven in zoet water doorbrengt, maar zich in zee voortplant. Als Leptocephaluslarve' verzamelen de jonge alen zich aan het begin van het jaar voor de Nederlandse kust. Nadat zij tot glasaal zijn gemetamorfoseerd trekken zij massaal het binnenwater op, waar zij in enkele jaren tot volwassen aal opgroeien. Wanneer de aal geslachtsrijp is geworden, wordt hij schieraal genoemd. De migratie van schieraal naar de paaigebieden, die waarschijnlijk in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden liggen, komt in het najaar op gang. AAL of PALING (Anguilla anguilla) Voedsel Het voedselpakket van de aal bestaat vooral uit op en nabij de bodem levende ongewervelden, zoals muggenlarven, vlokreeften, aasgarnalen, waterpissebedden, haften en kokerjuffers. Ook vis(broed) behoort tot het voedsel. Alen met een lengte van meer dan 35 cm kunnen zich ontwikkelen tot specialistische vispredator; deze zogenaamde breedkop-alen jagen, net als de snoek, vanuit een schuilplaats op prooivis. Aal is geen 'lijkenvreter', zoals zo vaak wordt beweerd. Wel kan de aal stukken afscheuren van prooien die veel groter zijn dan hijzelf door zich in de prooi vast te bijten en snel rond de eigen as te draaien. Groei en leeftijd De aal komt als glasaal het zoete water binnen, waar hij verblijft totdat hij geslachtsrijp is geworden en verandert in schieraal. Mannetjes worden dit bij een lengte van 30 tot 45 cm, vrouwtjes in de regel bij een lengte vanaf 55 cm. Soms blijven vrouwtjes echter veel langer in het zoete water en kunnen dan een beduidend grotere lengte bereiken. Mannetjes blijven niet alleen kleiner, maar zijn ook eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes. De leeftijd van mannelijke schieraal ligt tussen 5-14 jaar, die van vrouwtjes varieert van 7-18 jaar. De maximale lengte van de aal is - voorzover bekend - 1,55 meter; het maximale gewicht 7,65 kg. De aal kan een aanzienlijke leeftijd bereiken. In gevangenschap kan deze vissoort meer dan 50 jaar oud worden. De oudste aal bereikte zelfs een leeftijd van 85 jaar. 30 januari
284 - Stobbeplas te Lutten- RUISVOORN (Scardinius erythrophthalmus) Leefomgeving De ruisvoorn is een vis van helder, stilstaand of langzaam stromend water dat rijk begroeid is met oever- en onderwaterplanten, afgewisseld met open stukken. Deze vis is vooral te vinden in de ondiepe oeverzone van vijvers, plassen, meren, kanalen en rivieren, waar hij zich meestal dicht onder de oppervlakte ophoudt. In beken is de ruisvoorn vooral te vinden in het stroomluwe water van (afgesneden) meanders en molenkommen, waar zich vegetatie kan ontwikkelen. Hier kan de ruisvoorn wel in redelijke aantallen voorkomen. Voortplanting De paaitijd valt laat in het jaar, in de maanden mei tot en met juli, wanneer de watertemperatuur meer dan 15 C bedraagt. In deze periode trekt de ruisvoorn naar de paaiplaatsen in de oeverzone, die soms in zeer ondiep water liggen. Hier worden de eieren aan water- en oeverplanten of aan ondergelopen gras afgezet. Voedsel Jonge ruisvoorn leeft voornamelijk van watervlooien. Naarmate de ruisvoorn groter wordt, schakelt hij geleidelijk over op grotere voedseldiertjes, zoals slakjes en kreeftachtigen. Ook in het water gevallen insecten worden gegeten; deze worden met de bovenstandige bek van de oppervlakte gehapt. Daarnaast behoort ook plantaardig materiaal tot het voedselpakket van de ruisvoorn. Zowel verschillende soorten zachte waterplanten als draad- en kiezelalgen vormen een groot deel van het dieet. Groei en leeftijd De ruisvoorn groeit in het eerste jaar tot gemiddeld 6 cm. In het tweede of derde jaar is de ruisvoorn geslachtsrijp bij een lengte van ca. 15 cm, de vrouwtjes later dan de mannetjes. De ruisvoorn kan een lengte van 45 cm bereiken. De maximale leeftijd ligt tussen 15 en 20 jaar. Voor een goede ontwikkeling van de eieren is de aanwezigheid van vegetatie essentieel; eieren die op de (meestal modderige) bodem terecht komen, gaan verloren. 44
285 - Bijlagen - SNOEK (Esox lucius) Leefomgeving De snoek is een soort van stilstaand of langzaam stromend water, zoals rivieren en brede beken. De snoek heeft een voorkeur voor helder water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten, die voldoende schuilgelegenheid biedt. Grotere exemplaren houden zich ook schuil achter obstakels. Voortplanting De paaitijd valt in de periode van half maart tot eind mei. Paaiplaatsen liggen in ondiep water waar (resten van) vegetatie aanwezig is, zoals ondergelopen grasland of oeverzones met riet en onderwaterplanten. Zowel voor het afzetten van de eieren als voor de opgroei van het broed is de aanwezigheid van vegetatie van groot belang. Indien niet voldoende schuilgelegenheid in de vorm van waterplanten in het opgroeigebied aanwezig is, vallen grote aantallen jonge snoekjes ten prooi aan grotere soortgenoten. Pas wanneer de snoek een lengte van meer dan 60 cm heeft bereikt, is hij veilig voor kannibalisme en niet langer gebonden aan de beschutting van waterplanten. Voedsel De larven van de snoek leven van kleine kreeftachtigen, zoals mosselkreeftjes, watervlooien en roeipootkreeftjes. Later wordt het voedselpakket uitgebreid met insectenlarven. Al bij een lengte van 10 cm bestaat het voedsel voornamelijk uit visjes en andere gewervelde dieren, zoals kikkers. Onder uitzonderlijke omstandigheden worden ook wel ongewervelde dieren gegeten. Groei en leeftijd De snoek is een snelle groeier. Binnen een jaar wordt een gemiddelde lengte bereikt van ongeveer 22 cm. Mannetjes worden bij een lengte van ca. 30 cm geslachtsrijp, vrouwtjes bij een lengte van cm. Onder gunstige omstandigheden kan de snoek binnen een jaar een lengte van 35 cm bereiken en is dan na één jaar al geslachtsrijp. De maximale lengte van de snoek is 1,40 meter. Dit geldt dan voor vrouwtjes. Mannetjes worden niet groter dan 85 cm. De maximale leeftijd van de snoek is ca. 25 jaar. 30 januari
286 - Stobbeplas te Lutten- Leefomgeving De zeelt is een bewoner van stilstaand of traag stromend water met een zachte modderbodem en een goed ontwikkelde vegetatie met (onder)water- en oeverplanten. De zeelt is een vrij algemene vissoort, die voorkomt in tal van watertypen, zoals grote meren en plassen, rivieren, kanalen, sloten en beken. Een harde zandige of stenige bodem, troebel water, matige of sterke stroming en grote diepte maken een water als leefgebied voor de zeelt minder geschikt. De zeelt verdraagt hoge watertemperaturen, lage zuurstofconcentraties en hoge ph-waarden; tegen organische vervuiling lijkt de zeelt dan ook redelijk bestand. De zeelt is lichtschuw en zoekt vooral 's nachts naar voedsel. Overdag houdt hij zich gewoonlijk schuil tussen de waterplanten of in de modder. In de winter of 's zomers, als het erg warm is, doet de zeelt dit ook 's nachts. Voortplanting De paaitijd valt laat, in de maanden mei tot en met augustus. De watertemperatuur dient minimaal 18 C te zijn, voordat de zeelt tot het afzetten van de eitjes overgaat. Zeelten paaien in groepjes tegelijk. De eitjes worden niet in één keer afgezet, maar met tussenpozen van enkele dagen. ZEELT (Tinca tinca) uitgekomen larven. De aanwezigheid van waterplanten is dan ook van essentieel belang. Voedsel De larven van de zeelt leven in eerste instantie van zoöplankton. Later eten zij ook kleine muggenlarven, wormpjes en slakkeneieren. Volwassen zeelten zijn alleseters, maar zoeken bij voorkeur in de bodem naar voedsel; de beide tastharen naast de bek wijzen hierop. Naast slakjes, kreeftachtigen, wormpjes, watervlooien en muggenlarven maken ook plantendelen, algen en detritus deel uit van het voedselpakket. Groei en leeftijd De groei van de zeelt is betrekkelijk traag en sterk afhankelijk van de omstandigheden. De lengte na het eerste groeiseizoen varieert meestal tussen 3 en 6 cm, maar kan ook 12 cm bedragen. De mannetjes groeien trager dan de vrouwtjes. De zeelt is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp bij een lengte van 9,5 cm (mannetjes) en 12,5 cm (vrouwtjes). De maximale lengte is ca. 60 cm en de maximale leeftijd 15 à 20 jaar. De gehele paaiperiode kan, afhankelijk van de omstandigheden, meer dan een week duren. Er wordt alleen gepaaid boven waterplanten, waaraan de zeer kleverige eitjes zich vasthechten. Eitjes die op de modderige bodem terecht komen, sterven vrijwel altijd af; dit geldt ook voor de pas 46
287
288 Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Gemeentewateren te Scherpenzeel
Rapport Visserijkundig Onderzoek Gemeentewateren te Scherpenzeel Rapport Visserijkundig Onderzoek Gemeentewateren te Scherpenzeel Op 10 en 11 december 2013 uitgevoerd in opdracht van Hengelsportvereniging
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Gemeentewateren te Woudenberg
Rapport Visserijkundig Onderzoek Gemeentewateren te Woudenberg Rapport Visserijkundig Onderzoek Gemeentewateren te Woudenberg Op en 2 december 203 uitgevoerd in opdracht van Hengelsportvereniging Ons
Rapport Visserijkundig Onderzoek. De Waa. Te Hattem
Rapport Visserijkundig Onderzoek De Waa Te Hattem Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig onderzoek De Waa, Hattem OAB Nederland Verlengde Vaarbekerweg 11
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Wateren Rondweg te Houten
Rapport Visserijkundig Onderzoek Wateren Rondweg te Houten Rapport Visserijkundig Onderzoek Wateren Rondweg te Houten Op 9 maart en april 200 uitgevoerd in opdracht van de Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. De gracht rond Fort Jutphaas te Nieuwegein
Rapport Visserijkundig Onderzoek De gracht rond Fort Jutphaas te Nieuwegein Rapport Visserijkundig Onderzoek De gracht rond Fort Jutphaas te Nieuwegein Op 21 februari 2007 uitgevoerd in opdracht van de
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Grote Gracht Te Montfoort
Rapport Visserijkundig Onderzoek Grote Gracht Te Montfoort Rapport Visserijkundig Onderzoek Grote Gracht te Montfoort Op 28 februari 2008 uitgevoerd in opdracht van de Montfoortse Door: R.S. de Wilt Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vijvers park Oudegein te Nieuwegein
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijvers park Oudegein te Nieuwegein Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijvers park Oudegein te Nieuwegein Op 1 november 2012 uitgevoerd in opdracht van Hengelsportvereniging
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Kijfhoekvijver. te Zwijndrecht
Rapport Visserijkundig Onderzoek Kijfhoekvijver te Zwijndrecht Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Kijfhoekvijver te Zwijndrecht Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Breedweervijver te Heemskerk
Rapport Visserijkundig Onderzoek Breedweervijver te Heemskerk Rapport Visserijkundig Onderzoek Breedweervijver te Heemskerk Op 13 november uitgevoerd in het kader van een excursie van bestuurders van
Peizerdiep, Eelderdiep en Gouw te Groningen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Peizerdiep, Eelderdiep en Gouw te Groningen Hengelsportfederatie Groningen Drenthe Rapport Visserijkundig Onderzoek Peizerdiep, Eelderdiep en Gouw te Groningen Op 15,
Heusden Gracht 1 te Heusden
Heusden Gracht 1 te Heusden Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 51.732361897629254, 5.132336711883583 14 ha 5,5
Rapport Visserijkundig Onderzoek. De Meuwel vijver te Nistelrode
Rapport Visserijkundig Onderzoek De Meuwel vijver te Nistelrode Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek De Meuwel vijver te Nistelrode Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. De Nevelhorst te Didam
Rapport Visserijkundig Onderzoek De Nevelhorst te Didam Rapport Visserijkundig Onderzoek De Nevelhorst te Didam Op 11 december 2007 uitgevoerd in opdracht van de Door: Gerwin Gerlach & Gerard de Laak
Hsv heksenberg te Heerlen
Hsv heksenberg te Heerlen Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV: Plaats HSV: 50.910079248477416, 5.969141668081306 1,8 ha 4,50 meter 65
Knelpunten in de ontwikkeling van de visstand zijn onder meer:
Samenvatting Samenvatting Op 16 februari 2006 is op verzoek van HSV De Vaart Poscar te Vreeswijk/Nieuwegein door Sportvisserij Nederland een visserijkundig onderzoek uitgevoerd in de Fortgracht Vreeswijk
Sierwateren Almere-Haven Te Almere
Rapport Visserijkundig Onderzoek Sierwateren Almere-Haven Te Almere HSV Ons Rapport Visserijkundig Onderzoek Sierwateren Almere-Haven te Almere Op 3 december 2007 uitgevoerd in opdracht van: H.S.V. Ons
Vijver Hoge Neerstraat te Etten-Leur
Vijver Hoge Neerstraat te EttenLeur Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 51.57012576279971, 4.6518672466278455 1,4
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Visvijver. te Balk. HSV de Bears
Rapport Visserijkundig Onderzoek Visvijver te Balk HSV de Bears Rapport Visserijkundig Onderzoek Visvijver te Balk Op 9 maart 2011 uitgevoerd in opdracht van de HSV de Bears Door: M.K. Hoorweg Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Stadsvijvers. te Castricum
Rapport Visserijkundig Onderzoek Stadsvijvers te Castricum Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Stadsvijvers te Castricum Sportvisserij Nederland
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Park Transwijk, Nijeveldsingel & singels Egginklaan (Utrecht)
Rapport Visserijkundig Onderzoek Park Transwijk, Nijeveldsingel & singels Egginklaan (Utrecht) Rapport Visserijkundig Onderzoek Park Transwijk, Nijeveldsingel & singels Egginklaan (Utrecht) Op 16 januari
Grote Gat en Konijnenputten
Rapport Visserijkundig Onderzoek Grote Gat en Konijnenputten te Koewacht Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Grote Gat en Konijnenputten te
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Het Rutbeek te Enschede
Rapport Visserijkundig Onderzoek Het Rutbeek te Enschede Rapport Visserijkundig Onderzoek Het Rutbeek te Enschede Op 26 en 27 februari 2008 uitgevoerd in opdracht van de Hengelsport Door: P.A.D.M. Wijmans
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Christinalustvijver. in Enschede
Rapport Visserijkundig Onderzoek Christinalustvijver in Enschede Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Christinalustvijver in Enschede Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. 't Spiek te Beilen
Rapport Visserijkundig Onderzoek 't Spiek te Beilen Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek't Spiek't Spiek te Beilen Sportvisserij Nederland Postbus
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Inundatiekanaal te Tull en 't Waal
Rapport Visserijkundig Onderzoek Inundatiekanaal te Tull en 't Waal Rapport Visserijkundig Onderzoek Inundatiekanaal te Tull en 't Waal Op 17 en 18 november 2009 uitgevoerd in opdracht van de Algemene
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vijvers Baden Powellplantsoen te Gouda
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijvers Baden Powellplantsoen te Gouda Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijvers Baden Powellplantsoen te Gouda Op 10 februari 2009 uitgevoerd in opdracht van de Door:
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vestinggracht 2 en 3. te Heusden
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vestinggracht 2 en 3 te Heusden Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Vestinggracht 2 en 3 te Heusden Sportvisserij
Industrieterrein De Isselt Uraniumweg 1e gat te Amersfoort
Industrieterrein De Isselt Uraniumweg 1e gat te Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 52.16659908772927, 5.352610445022621
Rapport Visserijkundig Onderzoek. De Zandvang Te Diepenheim
Rapport Visserijkundig Onderzoek De Zandvang Te Diepenheim Rapport Visserijkundig Onderzoek De Zandvang te Diepenheim Op 26 maart 2007 uitgevoerd in opdracht van de Door: R.A.A. van Aalderen Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Wythmenerplas te Zwolle
Rapport Visserijkundig Onderzoek Wythmenerplas te Zwolle Rapport Visserijkundig Onderzoek Wythmenerplas te Zwolle Op 21 april 2010 uitgevoerd in opdracht van de Door: G.A.J. de Laak Statuspagina Titel
Recreatieplas Krieghuusbelten
Rapport Visserijkundig Onderzoek Recreatieplas Krieghuusbelten Lemelerveld RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK Recreatieplas Krieghuusbelten te Lemelerveld Op 11 april 2006 uitgevoerd in opdracht van Federatie
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Kooikersplas te Houten
Rapport Visserijkundig Onderzoek Kooikersplas te Houten Rapport Visserijkundig Onderzoek Kooikersplas te Houten Op 10 december 2009 uitgevoerd in opdracht van de Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina Titel
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Plas Alteveer. te Pekela
Rapport Visserijkundig Onderzoek Plas Alteveer te Pekela Rapport Visserijkundig Onderzoek Plas Alteveer te Pekela Op 30 maart 2011 uitgevoerd in opdracht van de Hengelsportfederatie Groningen Door: G.A.J.
ORGANISATIE TER VERBETERING VAN DE BINNENVISSERIJ
RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK GEMEENTEWATEREN TE HOUTEN 8 t/m maart 999 uitgevoerd in opdracht van de Algemene Utrechtse Hengelaars Vereniging VO.8/43 999 door G. Gerlach ORGANISATIE TER VERBETERING
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Visvijver Harplaan. te Oldenzaal
Rapport Visserijkundig Onderzoek Visvijver Harplaan te Oldenzaal Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Visvijver Harplaan te Oldenzaal Sportvisserij
Stadssingels en Wieltje Collee
Rapport Visserijkundig Onderzoek Stadssingels en Wieltje Collee te Leerdam Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Auteur(s) E-mailadres Aantal pagina s Trefwoorden Visserijkundig
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Visplas Mondenweg. te Drouwenermond
Rapport Visserijkundig Onderzoek Visplas Mondenweg te Drouwenermond Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Visplas Mondenweg te Drouwenermond Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Oude IJssel te Terborg
Rapport Visserijkundig Onderzoek Oude IJssel te Terborg Rapport Visserijkundig Onderzoek Oude IJssel te Terborg Op 9 oktober 2008 uitgevoerd in opdracht van de HF Midden Door: G.A.J. de Laak Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Plas Veldhuizen. te De Meern
Rapport Visserijkundig Onderzoek Plas Veldhuizen te De Meern Rapport Visserijkundig Onderzoek Plas Veldhuizen te De Meern Op 17 november 2010 uitgevoerd in opdracht van de Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Baden Powellplantsoen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Baden Powellplantsoen te Gouda Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Baden Powellplantsoen te Gouda Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. De Rietput te Nieuwegein
Rapport Visserijkundig Onderzoek De Rietput te Nieuwegein Rapport Visserijkundig Onderzoek De Rietput te Nieuwegein Op 5 november 2008 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina Titel
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vijver Arboretum te Heesch
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijver Arboretum te Heesch Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijver Arboretum te Heesch Op 11 maart 2010 uitgevoerd in opdracht van de Nistelrodese Door: R.A.A. van Aalderen
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Mookerplas te Mook
Rapport Visserijkundig Onderzoek Mookerplas te Mook Rapport Visserijkundig Onderzoek Mookerplas te Mook Op 12 en 13 december 2007 uitgevoerd in opdracht van de Door: Ing. P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Hilversums Kanaal te Hilversum
Rapport Visserijkundig Onderzoek Hilversums Kanaal te Hilversum Rapport Visserijkundig Onderzoek Hilversums Kanaal te Hilversum Op 16 t/m 18 december 2008 uitgevoerd in opdracht van HSV Hilversum Door:
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Lage Bergse Bos. te Bergschenhoek
Rapport Visserijkundig Onderzoek Lage Bergse Bos te Bergschenhoek Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Lage Bergse Bos te Bergschenhoek Sportvisserij
De Roeivijver te Drunen
De Roeivijver te Drunen Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 51.66973830126967, 5.152163600921669 9 ha 6,5 meter
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Het Rondeel/De Veste. te Houten
Rapport Visserijkundig Onderzoek Het Rondeel/De Veste te Houten Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Visserijkundig Onderzoek het Rondeel/De Veste te Houten Sportvisserij Nederland Postbus
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Put van Balk. te Utrecht
Rapport Visserijkundig Onderzoek Put van Balk te Utrecht Rapport Visserijkundig Onderzoek Put van Balk te Utrecht Op 16 november 2010 uitgevoerd in opdracht van de Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Bijvijver De Stok te Roosendaal
Rapport Visserijkundig Onderzoek Bijvijver De Stok te Roosendaal Rapport Visserijkundig Onderzoek Bijvijver De Stok te Roosendaal Op 10 november 2011 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans
RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK. Veersche Kreek. Op 1 en 2 december 2004 uitgevoerd in opdracht van de Hengelsportvereniging Middelburg 2L PB2004020
1 1 1 RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK Veersche Kreek Op 1 en 2 december 2004 uitgevoerd in opdracht van de Hengelsportvereniging Middelburg 2L PB2004020 door Ing. P.A.D.M. Wijmans & G. Gerlach ORGANISATIE
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Plas Strijkviertel. in Utrecht 2016
Rapport Visserijkundig Onderzoek Plas Strijkviertel in Utrecht 2016 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Plas Strijkviertel in Utrecht 2016 Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus 162 3720
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Dobbeplas. te Nootdorp
Rapport Visserijkundig Onderzoek Dobbeplas te Nootdorp Rapport Visserijkundig Onderzoek Dobbeplas te Nootdorp Op 14 en 15 december 2011 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina Titel
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Plas de Biezenvelden. te Houten
Rapport Visserijkundig Onderzoek Plas de Biezenvelden te Houten Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek plas de Biezenvelden te Houten Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Goudse Hout te Gouda
Rapport Visserijkundig Onderzoek Goudse Hout te Gouda Rapport Visserijkundig Onderzoek Goudse Hout te Gouda Op 11 november 2009 uitgevoerd in opdracht van Sportvisserij Door: R. van Aalderen Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Roode Weel te Steenbergen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Roode Weel te Steenbergen Rapport Visserijkundig Onderzoek Roode Weel te Steenbergen Op 7 februari 2014 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Marten van Rossumgracht
Rapport Visserijkundig Onderzoek Marten van Rossumgracht in Zaltbommel, 2018 Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Rapport Visserijkundig Onderzoek Marten van Rossumgracht
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Broekvijver. te Hengelo
Rapport Visserijkundig Onderzoek Broekvijver te Hengelo Rapport Visserijkundig Onderzoek Broekvijver te Hengelo Op 17 maart 2011 uitgevoerd in opdracht van Door: G.A.J. de Laak & P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Visvijver te Zwartemeer
Rapport Visserijkundig Onderzoek Visvijver te Zwartemeer Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig OnderzoekVisvijverVisvijver te Zwartemeer Sportvisserij Nederland
Omleidingskanaal van de Dinkel (onderste pand) te Denekamp
RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK Omleidingskanaal van de Dinkel (onderste pand) te Denekamp Op 11 maart 2005 uitgevoerd in opdracht van de Hengelsportfederatie Oost-Nederland VO. 5033/05a/2005 door G.
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vijver Stadspark. te Veenendaal
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijver Stadspark te Veenendaal Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Vijver Stadspark te Veenendaal Sportvisserij
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Leijsenven. te Boxtel
Rapport Visserijkundig Onderzoek Leijsenven te Boxtel Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Leijsenven te Boxtel Sportvisserij Nederland Postbus
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Bijkersplas. te Vinkenbuurt
Rapport Visserijkundig Onderzoek Bijkersplas te Vinkenbuurt Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Bijkersplas te Vinkenbuurt Sportvisserij Nederland
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vijvers Baalder te Hardenberg
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijvers Baalder te Hardenberg Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijvers Baalder te Hardenberg Op 2 november 2010 uitgevoerd in opdracht van de Hengelsport Door: P. Beelen
VijversMolenerfBuitenpost te Buitenpost
VijversMolenerfBuitenpost te Buitenpost Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 53.24752808988283, 6.144044494628944
Visplan. Viswateren in Twenterand 2016
Visplan Viswateren in Twenterand 2016 Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visplan Viswateren Twenterand Sportvisserij Nederland Postbus 162 3720 AD BILTHOVEN [email protected]
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Grote en Groene Kolk. te Haalderen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Grote en Groene Kolk te Haalderen Rapport Visserijkundig Onderzoek Grote en Groene Kolk te Haalderen Op 15 januari 2015 uitgevoerd in opdracht van Hengelsportvereniging
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Sierwateren. te Almere Buiten Centrum. HSV Ons Genoegen - Almere
Rapport Visserijkundig Onderzoek Sierwateren te Almere Buiten Centrum HSV Ons Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visserijkundig Onderzoek Sierwateren te Almere Buiten
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vijver Kruiwerk. te Klazienaveen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijver Kruiwerk te Klazienaveen Rapport Visserijkundig Onderzoek Vijver Kruiwerk te Klazienaveen Op 3 maart 2014 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Biesven. te Duizel
Rapport Visserijkundig Onderzoek Biesven te Duizel Rapport Visserijkundig Onderzoek Biesven te Duizel Op 29 januari 2015 uitgevoerd in opdracht van Hengelsportverenging De Gender Door: P.A.D.M. Wijmans
Visplas Wollinghuizen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Visplas Wollinghuizen te Vlagtwedde Rapport Visserijkundig Onderzoek Visplas Wollinghuizen te Vlagtwedde Op 31 maart 2011 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans
Weltervijver te Heerlen
Weltervijver te Heerlen Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV: Plaats HSV: 50.87539341456654, 5.971793031692543 1,6 ha 3 meter 50 meter
Viswater De Steeg te Grubbenvorst
Viswater De Steeg te Grubbenvorst Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 1.426621370604366, 6.13034060478222 1, ha
Onderzoek naar het visbestand in de Scheldemeanders Kriephoek, Nedername en de Mesureput, najaar 2013.
Onderzoek naar het visbestand in de Scheldemeanders Kriephoek, Nedername en de Mesureput, najaar 2013. Project: VA2013_04 Opgesteld in opdracht van: Agentschap voor Natuur en Bos April 2014 door: Vis,
Visplan. Viswateren in Deventer
Visplan Viswateren in Deventer 2016 Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Visplan Viswateren in Deventer Sportvisserij Nederland Postbus 162 3720 AD BILTHOVEN [email protected]
Rapport Visserijkundig Onderzoek. de Groene Heuvels te Wijchen
Rapport Visserijkundig Onderzoek de Groene Heuvels te Wijchen Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek de Groene Heuvels Samenstelling Sportvisserij Postbus 162 3720 AD BILTHOVEN Telefoon 030-605 84
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Vorsenpoel. in Boxtel
Rapport Visserijkundig Onderzoek Vorsenpoel in Boxtel Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Rapport Visserijkundig Onderzoek Vorsenpoel in Boxtel Sportvisserij Nederland
Teggerse Plas te Ohe en Laak
Teggerse Plas te Ohe en Laak Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 51.11861430439378, 5.817029571533241 5,8 ha, 1040m
Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in provincie Antwerpen, najaar 2013.
Onderzoek naar het visbestand in enkele meervormige viswateren in provincie Antwerpen, najaar 2013. Project: VA2013_04 Opgesteld in opdracht van: Agentschap voor Natuur en Bos april 2014 door: Q.A.A. de
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Weltervijver. te Heerlen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Weltervijver te Heerlen Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage: Auteur(s) E-mailadres Aantal pagina s Trefwoorden Versie Projectnummer
"HET BIESVEN" aan de Biesvendreef in Duizel te Duizel
"HET BIESVEN" aan de Biesvendreef in Duizel te Duizel Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 51.37733674484739, 5.312988853454613
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Bellingeweer te Dalfsen
Rapport Visserijkundig Onderzoek Bellingeweer te Dalfsen Rapport Visserijkundig Onderzoek Bellingeweer te Dalfsen Op 18 november 2010 uitgevoerd in opdracht van Door: P.A.D.M. Wijmans Statuspagina Titel
Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar
Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar december 2006 Versie 1 door: Kemper Jan H. Statuspagina Titel Onderzoek naar de visdichtheid in de Twentekanalen m.b.v. sonar Samenstelling:
Rapport Kort Advies. Vijver Het Grootven. te Venhorst
Rapport Kort Advies Vijver Het Grootven te Venhorst Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Kort Advies Vijver Het Grootven te Venhorst Sportvisserij Nederland Postbus 162
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Stadswateren. in Amersfoort, 2018
Rapport Visserijkundig Onderzoek Stadswateren in Amersfoort, 2018 Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Rapport Visserijkundig Onderzoek Stadswateren in Amersfoort, 2018
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Selissenwal. in Boxtel, 2017
Rapport Visserijkundig Onderzoek Selissenwal in Boxtel, 2017 Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Rapport Visserijkundig Onderzoek Selissenwal in Boxtel, 2017 Sportvisserij
Halsche Vliet te Etten-Leur
Halsche Vliet te Etten-Leur Algemene beschrijving Coördinaten: Grootte: Max. diepte: Gem. breedte: Watertype: Opgenomen in: Naam HSV/HSF: Plaats HSV/HSF: 51.62201764807823, 4.663808441162147 6 ha 1 meter
Wijk Veeenendaal-oost
Rapport Kort Advies Inrichting en Visstandbeheer Wijk Veeenendaal-oost te Veenendaal Statuspagina Titel Rapport Kort Advies Inrichting en Visstandbeheer Wijk Veenendaal-oost te Veenendaal Samenstelling
De visstand in vaarten en kanalen
De visstand in vaarten en kanalen Jochem Hop Bijeenkomst Vissennetwerk 6 juni 2013, Bilthoven Inhoudsopgave Inleiding Materiaal en Methode Analyse Trends Inleiding KRW-watertypen M3, M10, M6 en M7 M3 gebufferde
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Bellingeweer. in Dalfsen 2017
Rapport Visserijkundig Onderzoek Bellingeweer in Dalfsen 2017 Statuspagina Titel Visserijkundig Onderzoek Bellingeweer in Dalfsen 2017 Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus 162 3720 AD BILTHOVEN
RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK
RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK PLAS STRIJKVIERTEL TE VLEUTEN-DE MEERN 5 december 1997 12 januari en 2 maart 1998 uitgevoerd in opdracht van de Algemene Utrechtse Hengelaars Vereniging VO.1181/43 1997
VISSTANDSONDERZOEK OP DE LEIEMEANDER TE WEVELGEM, 2003. West-Vlaanderen Burg 2B B-8000 Brugge. Duboislaan 14 B-1560 Hoeilaart-Groenendaal
VISSTANDSONDERZOEK OP DE LEIEMEANDER TE WEVELGEM, 2003 Sven Vrielynck (1) en Gerlinde Van Thuyne (2) (1) Provinciale Visserijcommissie West-Vlaanderen Burg 2B B-8000 Brugge (2) Instituut voor Bosbouw en
Recreatieplassen Gelderland 2009
Rapport Sonar Onderzoek Recreatieplassen Gelderland 2009 RGV wateren Alle foto s in dit rapport zijn beschikbaar gesteld door J.P. Kalkman (Datakal) te Gouda. Rapport Sonar Onderzoek Recreatieplassen te
Rapport Visserijkundig Onderzoek. Wijk Schothorst. in Amersfoort, 2018
Rapport Visserijkundig Onderzoek Wijk Schothorst in Amersfoort, 2018 Statuspagina Titel Samenstelling E-mail Homepage Opdrachtgever Homepage Rapport Visserijkundig Onderzoek Wijk Schothorst in Amersfoort,
Rapport Kort Advies Visstandbeheer & Inrichting. De Breuly. te Oud-Zevenaar
Rapport Kort Advies Visstandbeheer & Inrichting De Breuly te Oud-Zevenaar Statuspagina Titel Kort Advies Visstandbeheer & Inrichting De Breuly te Oud- Zevenaar Samenstelling Sportvisserij Nederland Postbus
Onderzoek naar het visbestand in de stilstaande wateren De Volharding en Mellevijver 2014
Onderzoek naar het visbestand in de stilstaande wateren De Volharding en Mellevijver 2014 Provincie Antwerpen Rapportnummer: 20140778_Antw/rap01 Status rapport: Definitief Datum rapport: 22 april 2015
