Nationale Beoordelingsrichtlijn
|
|
|
- Nelly Brander
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 BRL Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit voor het KOMO procescertificaat voor Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
2 BRL Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit voor het KOMO procescertificaat voor Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 2000 Copyright, Kiwa N.V. Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Onverminderd de aanvaarding van de Beoordelingsrichtlijn door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit als Nationale Beoordelingsrichtlijn berusten alle rechten bij Kiwa. Het gebruik van deze Beoordelingsrichtlijn door derden, voor welk doel dan ook, is uitsluitend toegestaan nadat een schriftelijke overeenkomst met Kiwa is gesloten waarin het gebruiksrecht is geregeld. Bindend verklaring Deze beoordelingsrichtlijn is door de directeur Certificatie en Keuringen van Kiwa bindend verklaard per 1 mei 1999 Erkenning Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen Sir Winston Churchill-laan 273 Postbus AB Rijswijk Telefoon Telefax Internet
3 Voorwoord Kiwa Algemene informatie Deze Nationale Beoordelingsrichtlijn is tot stand gekomen in het kader van het Plan Bodembeschermende Voorzieningen (PBV) waarin NIBV, CUR en Kiwa samenwerken op het gebied van bodembeschermende voorzieningen. Het PBV sluit aan bij de vigerende regelgeving van de overheid en past in haar streven om bodemverontreiniging tegen te gaan. De beoordelingsrichtlijn is opgesteld in nauw overleg met de betrokken marktpartijen door BRL-Begeleidingscommissie CCB, onder verantwoordelijkheid van het College van Deskundigen "Bodembeschermende Voorzieningen" van Kiwa. Daarin zijn de belanghebbende partijen op het gebied van bodembeschermende voorzieningen vertegenwoordigd. Deze Nationale Beoordelingsrichtlijn wordt door certificerende bedrijven die door de Raad voor Accreditatie hiervoor zijn geaccrediteerd, gehanteerd in samenhang met het van toepassing zijnde reglement voor procescertificatie. In het reglement moet de door het certificerende instituut gehanteerde werkwijze zijn vastgelegd bij de uitvoering van het onderzoek ter verkrijging van het procescertificaat, alsmede de externe controle.
4 Inhoud 1 Inleiding Onderwerp Toepassingsgebied 8 2 Termen en definities 11 3 Eisen te stellen aan het product Levering onder certificaat/producent-eigen-verklaring Aanvullings- en funderingsmaterialen Algemeen Zand voor aanvulling, ophoging of zandbed Zandcement voor werk- en stelvloeren Beton voor werk- en stelvloeren Prefab elementen van beton Constructief Vloeistofdichtheid Wapeningsstaal Voorspanstaal Betonreparatiemortel Injectievloeistof voor betonreparatie Injectiespecie voor voorspanning met aanhechting Koppelingen ter plaatse van vloegen Primer voor voegvullingsmassa Voegvullingsmassa Beschermlagen Overige producten 14 4 Eisen te stellen aan het proces Algemeen 15
5 4.2 Contractbeoordeling Uitgangspunten van het ontwerp Rapportage bodemonderzoek Grondmechanisch onderzoek Aansluiting op bestaande constructies Inspectie bouwplaats Aanvaarding ondergrond Bestaande bodembeschermende voorzieningen Aanvullingen en ophogingen Zandbed onder de stelvloer of fundering Fundering Fundering op palen Fundering op staal Profielhoogte zandbed en fundering Aanleg van de stelvloer Bekisting Stelvloer Wapening Afwerken beton Plaatsen van prefab elementen van beton Hijsen en stellen Richting en hoogte Monteren van de prefab opvangbakken Voorspanning V-vormige voegen Consoles Overige verbindingen Aanbrengen voegvullingsmassa 21
6 Algemeen Voorbehandeling hechtvlak Applicatie van de primer Aanbrengen rugvulling Applicatie van de voegvullingsmassa Aanbrengen brugvoegen Algemeen Voorbehandeling hechtvlak Applicatie van primer of lijmlaag Applicatie van de voegband of wapeningsweefsel Tweede lijmlaag Aanbrengen van voegprofielen Aanbrengen voegbanden Verklaring Vloeistofdichte Voorziening Opname en oplevering Archivering 25 5 Beproevingsmethoden Bepaling van de verdichtingsgraad en draagkracht van zandbed en fundering Beproeven van vloeistofindringing Omgevingstemperatuur, luchtvochtigheid en dauwpunt Temperatuur hechtvlak Vochtigheid van de hechtvlakken Zuigende ondergrond Niet-zuigende ondergrond 27 6 Eisen te stellen aan het kwaliteitssysteem Algemeen Intern kwaliteitssysteem Organisatie 28
7 6.4 Opleidingen Kwalificatie personeel Documentenbeheer Verificatie van het ontwerp Technische werkomschrijving Keuring en beproeving Meetmiddelen Leveranciersbeoordeling Klachtenprocedure Archivering 31 7 Verplichtingen Algemeen Uitbesteding Inzageplicht 32 8 Externe beoordeling 33 9 Lijst van vermelde documenten Bijlagen Bijlage 1: Checklist ontwerpen Bijlage 2: Aandachtspunten voor ontwerpbeoordeling Bijlage 3: Voorbeelden van voegafdichting Bijlage 4: Tabel ten behoeve van de bepaling dauwpunt ( C) Bijlage 5: Blanco IKB-schema Bijlage 6: Formulier voor verbeteringsvoorstel 50
8 1 Inleiding 1.1 Onderwerp De in deze beoordelingsrichtlijn opgenomen eisen worden door certificatieinstellingen, die hiervoor zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie, gehanteerd bij de behandeling van een aanvraag, c.q. de instandhouding van een procescertificaat voor het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot opvangbakken. De af te geven kwaliteitsverklaringen worden aangeduid als KOMO-procescertificaat. Naast de eisen, die in deze beoordelingsrichtlijn zijn vastgelegd, stellen de certificatieinstellingen aanvullende eisen, in de zin van algemene procedure-eisen van certificatie en attestering, zoals vastgelegd in het certificatiereglement van de betreffende instelling. 1.2 Toepassingsgebied De beoordelingsrichtlijn is van toepassing op het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot opvangbakken. De opvangbakken kunnen zowel enkelvoudig zijn, als samengesteld uit meerdere elementen al dan niet in combinatie met vloeren (bodems) die ter plaatse zijn vervaardigd uit bijvoorbeeld asfalt of beton. Voor prefab elementen in opvangbakken komen keerwanden, bergingskelders, bezinkputten en andere elementen met (vloei)stofkerende en/of bergende eigenschappen in aanmerking. Zowel bovengrondse bakken als ingraafbakken en hangbakken mogen worden toegepast. Hieronder vallen ook de zogenoemde laad- en loskuilen. Ook het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot opvangbakken die worden aangesloten op bestaande afdichtingslagen, vloeren en verhardingen vallen binnen het toepassingsgebied. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 8
9 Voorwaarde hierbij is dat van de bestaande situatie waarop wordt aangesloten, met een "Verklaring vloeistofdichte voorziening" is aangetoond dat deze voldoet aan de eisen voor vloeistofdichtheid zoals deze zijn vastgelegd in CUR/PBV-Aanbeveling 44. Indien sprake is van nieuw aan te leggen voorzieningen uit beton of asfalt die aansluiten op de opvangbak, dan geldt het volgende: - de aanleg van verhardingen, bestaande uit prefab verhardingselementen van beton, moet plaats vinden overeenkomstig de eisen in hoofdstuk 3 en 4 van BRL 2319; - de aanleg van ter plaatse gestorte onderdelen in beton moet plaats vinden overeenkomstig de eisen in hoofdstuk 3 en 4 van BRL 2362; - de aanleg van asfalt voorzieningen moet plaats vinden overeenkomstig de hoofdstukken 3 en 4 van BRL 2372 (Opm. in het kader van PBV per in voorbereiding); - de nieuw aangelegde voorziening moet door een deskundige zijn beoordeeld overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling 44 en op grond van die beoordeling zijn voorzien van een "Verklaring Vloeistofdichte Voorziening". De volgende systemen vallen binnen het toepassingsgebied: Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 9
10 Voor een ruimere indruk van de mogelijkheden wordt verwezen naar de typen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 10 en 11 voor bodembeschermende voorzieningen zoals die zijn beschreven in paragraaf van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten. Losse en bouwkundige kasten, kluizen en opslaggebouwen waar gevaarlijke stoffen en/of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen, zoals die worden bedoeld in de CPR 15-1 en/of CPR 15-3, vallen niet binnen het toepassingsgebied van deze BRL. Prefab elementen van beton, die zijn voorzien van een beschermlaag zoals bedoeld in de CUR/PBV Aanbevelingen 64 en 65, vallen binnen het toepassingsgebied. Andere technieken om de bestandheid en/of vloeistofdichtheid te verbeteren, zoals kunststof folie en roestvast staal, vallen niet binnen het toepassingsgebied. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 10
11 2 Termen en definities Opvangbak: een opvangbak bestaat uit een of meer prefab elementen van beton en is bedoeld voor de opvang of opslag van bodemverontreinigende (vloei)stoffen. Toelichting Een opvangbak wordt in het algemeen beschouwd als een bak waarin vloeistoffen worden opgevangen om te voorkomen dat de bodem door deze stoffen wordt verontreinigd. Een opvangbak kan tevens dienen als opslagplaats voor bodemverontreinigende en andere (vloei)stoffen. Deze opslagplaats moet in geval van lekkende vloeistoffen als opvangbak kunnen dienen, waarbij de vloeistof de niet met vloeistofbelaste zijde, gedurende de levensduur niet bereikt. Op te vangen vloeistoffen kunnen voortkomen uit bijvoorbeeld lekkende emballage en/of opslagtanks. Ook kunnen zij voortkomen uit het uitlogen van bodemverontreinigende stoffen uit vaste stoffen. Het laatste kan bijvoorbeeld voorkomen bij vaste stoffen die bodemverontreinigende stoffen bevatten en in de open lucht zijn opgeslagen; hemelwater kan hierbij het transportmiddel van de bodemverontreinigende stof naar de bodem zijn. Opvangbakken worden onderscheiden in onder- en bovengrondse bakken en kunnen op een fundering/ondergrond worden geplaatst of worden uitgevoerd als bijvoorbeeld een hangbak. Beschermlaag: Deskundige: IKB: Keuringstermijn: Ondernemer: Opdrachtgever: vloeistofdicht: een laag met als doel het indringen van vloeistof in de ondergrond te voorkomen. de persoon die ten minste voldoet aan het beroepsprofiel zoals dit is omschreven in Kiwa/PBV-Rapport WF98-01: "Deskundigheidseisen inspecteur bodembeschermende voorzieningen". interne kwaliteits bewaking. de, volgens de deskundige, aanvaardbaar geachte termijn tussen het moment van opleveren en het eerste tijdstip dat de opvangbak ter beoordeling aan een deskundige moet worden aangeboden. degene die de te certificeren of gecertificeerde processen uitvoert. degene die de ondernemer de onder certificaat te plaatsen en monteren opvangbak in opdracht geeft. Dit kan de gebruiker of eigenaar zijn, maar ook zijn vertegenwoordiger. de situatie dat een vloeistof de niet door vloeistof belaste zijde van de voorziening niet heeft bereikt. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 11
12 3 Eisen te stellen aan het product 3.1 Levering onder certificaat/producent-eigen-verklaring Producten die niet onder KOMO-productcertificaat worden geleverd, moeten bij levering vergezeld gaan van een producent-eigen-verklaring en een extern rapport van een deskundig bedrijf. Uit de verklaring en het extern rapport moet de geschiktheid voor het door de opdrachtgever aangegeven toepassingsgebied blijken en de toepassing ervan worden overeengekomen. Het extern rapport moet zijn gebaseerd op de "stand der techniek" zoals binnen PBV verband op het moment van toepassen van het betreffende product is aangegeven. 3.2 Aanvullings- en funderingsmaterialen Algemeen In overleg met de opdrachtgever moet de ondernemer zichzelf ervan overtuigen dat de toe te passen materialen geen verontreiniging van de bodem of aantasting van andere toegepaste materialen kunnen veroorzaken. Op aanvullings- en funderingsmaterialen is het Bouwstoffenbesluit van toepassing. Toelichting Het Bouwstoffenbesluit treedt in werking op 1 juli Zand voor aanvulling, ophoging of zandbed Zand voor aanvulling of ophoging, dat wordt verwerkt op meer dan 1 meter onder het maaiveld, moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995, artikel Zand voor zandbed, dat wordt verwerkt op minder dan 1 meter onder het maaiveld, moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995, artikel Zandcement voor werk- en stelvloeren Zandcement voor werk- en stelvloeren moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995, artikel , en 02. De sterkte in het werk moet ten minste in overeenstemming zijn met de uitgangspunten in het ontwerp. 3.3 Beton voor werk- en stelvloeren Betonmortel voor werk- en stelvloeren moet voldoen aan de producteisen in BRL De sterkteklasse moet in overeenstemming zijn met de betondruksterkte die in het ontwerp is aangehouden voor de berekening van de stelvloer. Indien betonmortel wordt geleverd onder KOMO-productcertificaat waarvoor BRL 1801 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan die BRL. 3.4 Prefab elementen van beton Constructief Prefab elementen van beton moeten voldoen aan de producteisen in BRL Indien de elementen worden geleverd onder een KOMO-productcertificaat, waarvoor BRL 0401 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan die BRL. Toelichting De producteisen die in BRL 0401 worden gesteld, zijn vastgelegd in de normen en publicaties die staan vermeld in de geldende Criteria 73. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 12
13 3.4.2 Vloeistofdichtheid De vloeistofdichtheid van de prefab elementen van beton moet voldoen aan de daarvoor geldende eis in BRL Indien de elementen worden geleverd onder KOMO-productcertificaat, waarvoor BRL 2316 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan die BRL. Indien de vloeistofdichtheid wordt ontleend aan beschermlagen dan moeten deze beschermlagen voldoen aan Indien de vloeistofdichtheid wordt ontleend aan ingemengde materialen, dan moet vooraf zijn aangetoond dat deze geschikt zijn voor de van toepassing zijnde (vloeistof)belastingen. De toepassing van ingemengde materialen moet met de opdrachtgever zijn overeengekomen. Toepassing van andere aanvullende technieken om de vloeistofdichtheid/chemische bestandheid te waarborgen vallen niet binnen het toepassingsgebied van deze BRL. Opmerking BRL 2316 wordt in de loop van 1999 herzien en afgestemd op CUR/PBV-Aanbeveling Wapeningsstaal Wapeningsstaal, dat wordt gebruikt bij de montage van de elementen, moet voldoen aan NEN Indien wapeningsstaal wordt geleverd onder KOMO-productcertificaat waarvoor BRL 0501 of 0502 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan de norm. 3.6 Voorspanstaal Ten behoeve van de voorspanning mag, voor zowel de productie van de elementen als voor de montage in het werk, uitsluitend gebruik worden gemaakt van voorspanning met aanhechting. Voorspanstaal, dat wordt gebruikt bij de montage van de elementen, moet voldoen aan NEN Indien voorspanstaal wordt geleverd onder een KOMO-productcertificaat, waarvoor BRL 2401 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan NEN Betonreparatiemortel Cementgebonden betonreparatiemortel moet voldoen aan BRL Dit geldt voor zowel spuitmortel als gietmortel en handmatig te verwerken mortel. Indien cementgebonden betonreparatiemortels worden geleverd onder KOMOproductcertificaat waarvoor BRL 1904 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan die BRL. Kunstharsgebonden betonreparatiemortel moet voldoen aan de hoofdstukken 6 en 7 van CUR-Aanbeveling 55. Indien kunstharsgebonden betonreparatiemortel onder KOMO-certificaat wordt geleverd, waarvoor CUR-Aanbeveling 55 als grondslag dient, dan is dit voldoende bewijs dat aan de eisen van die Aanbeveling wordt voldaan. 3.8 Injectievloeistof voor betonreparatie Injectievloeistof voor het injecteren van scheuren in beton moet voldoen aan hoofdstuk 6, 7 en 8 van CUR-Aanbeveling 56. Indien injectievloeistof onder KOMO-certificaat wordt geleverd, waarvoor CUR- Aanbeveling 56 als grondslag dient, dan is dit voldoende bewijs dat aan de eisen van die Aanbeveling wordt voldaan. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 13
14 3.9 Injectiespecie voor voorspanning met aanhechting Injectiespecie voor voorspanning met aanhechting moet voldoen aan artikel en van NEN Indien injectiespecie onder KOMO-productcertificaat wordt geleverd, waarvoor NEN 6722 als grondslag dient, dan is dit voldoende bewijs dat aan de eisen van die norm wordt voldaan Koppelingen ter plaatse van vloegen Koppelingen ter plaatse van voegen, moeten bestaan uit roestvast stalen ankers of bouten die in de eindsituatie door betonnen consoles steken Primer voor voegvullingsmassa Primers moeten door dezelfde producent worden geleverd als de voegvullingsmassa. Uit het technisch merkblad van de geleverde primer moet blijken dat deze geschikt is voor de betreffende toepassing onder de gegeven omstandigheden Voegvullingsmassa Voor de toepassingsgebieden tankstations, herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, wasplaatsen en autosloopbedrijven, geldt dat de voegvullingsmassa moet voldoen aan de producteisen van BRL Indien dit product onder KOMO-productcertificaat wordt geleverd, waarvoor BRL 2825 als grondslag dient, dan is dit voldoende bewijs dat aan de eisen van die BRL wordt voldaan. De gegevens van de voegvullingsmassa moeten op het werk aanwezig zijn. Voor alle andere toepassingsgebieden moet volgens artikel 3.1 en 3.13 zijn aangetoond dat het product hiervoor geschikt is Beschermlagen Beschermlagen moeten voldoen aan CUR/PBV-Aanbeveling 64 en 65. Indien beschermlagen worden geleverd onder KOMO-productcertificaat waarvoor de CUR/PBV-Aanbevelingen 64 en 65 als grondslag dienen, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan de Aanbevelingen Overige producten Indien voor overige producten technische grondslagen zijn vastgelegd in normen, aanbevelingen of Standaard RAW Bepalingen, dan mogen deze worden toegepast, indien deze voldoen aan de van toepassing zijnde technische grondslag. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 14
15 4 Eisen te stellen aan het proces 4.1 Algemeen Bij het proces moet gebruik worden gemaakt van producten die voldoen aan hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk worden de eisen omschreven zoals deze gesteld worden aan de voorbereiding, uitvoering en nazorg aan de prefab opvangbakken van beton zoals deze worden gerealiseerd. Toelichting Een van de eisen houdt in dat de ondernemer de opvangbak bij oplevering laat toetsen aan CUR/PBV- Aanbeveling 44, 2e herziene versie en dat een deskundige een "Verklaring Vloeistofdichte Voorziening" afgeeft. Dit houdt ondermeer in dat de deskundige een keuringstermijn en een frequentie voor de bedrijfsinterne controle in de rapportage vastlegt, zie ook paragraaf Vanzelfsprekend zijn de keuringstermijn en de frequentie van de bedrijfsinterne controle mede afhankelijk van het betreffende type opvangbak. Het verdient daarom aanbeveling dat de ondernemer de opdrachtgever op de hoogte stelt van de consequenties, die in dit kader het gevolg kunnen zijn van het gekozen type. Het ontwerpen van opvangbakken van beton, maakt geen deel uit van deze BRL. 4.2 Contractbeoordeling Voor aanvang van de uitvoeringswerkzaamheden moet de ondernemer het contract beoordelen op: - het ontwerp van de prefab opvangbak van beton, waaronder: - volledigheid, gelet op de uitgangspunten in en de aandachtspunten in bijlage 1 en 2; - uitvoerbaarheid; - geschiktheid van de constructie voor de belastingen; - aanwezigheid van de bekwaamheid bij de ondernemer om de opdracht te kunnen uitvoeren; - toepassing van een grondmechanisch onderzoek; - interpretatie van een eventuele rapportage bodemverontreiniging; - eventueel aanvullende informatie over van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Het ontwerp van de opvangbak moet voor aanvang van de werkzaamheden zijn vastgelegd in een duidelijk bestek of werkomschrijving, eventueel aangevuld met een nota van inlichtingen, berekeningen en tekeningen. Het bestek, de berekeningen en tekeningen moet door de ondernemer worden geverifieerd op de volledigheid van uitgangspunten in deze beoordelingsrichtlijn en de uitvoerbaarheid van het project. Bij de verificatie van het ontwerp moet worden nagegaan of het bestek, de berekeningen en tekeningen met elkaar in overeenstemming zijn. Indien in één of meer onderdelen tekortkomingen worden geconstateerd bij de verificatie door de ondernemer, dan moet deze hiervan schriftelijk melding maken bij de opdrachtgever. Hierbij moet worden gewezen op het feit dat niet kan worden voldaan aan de eisen in deze beoordelingsrichtlijn. De resultaten van de contractbeoordeling moeten schriftelijk worden vastgelegd, in bijvoorbeeld een checklist. Indien zich in het ontwerp afwijkingen voordoen, dan moet de ondernemer de opdrachtgever hiervan op de hoogte stellen. Indien wordt afgeweken van deze BRL, dan mag het project niet "onder certificaat" worden uitgevoerd. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 15
16 Indien na verificatie en goedkeuring wijzigingen in het ontwerp worden aangebracht, dan moet opnieuw worden bekeken of nog steeds aan de uitgangspunten wordt voldaan. Afwijkingen c.q. wijzigingen in het ontwerp moeten worden beoordeeld door de verantwoordelijk ontwerper Uitgangspunten van het ontwerp De uitgangspunten van het ontwerp, zie hiervoor ook de bijlagen 1 en 2, moeten ten minste de volgende onderdelen bevatten: - de te verwachten bodembedreigende activiteiten; - de te verwachten (vloei)stoffen die bodemverontreinigingsrisico dragen; - de ontwerplevensduur van de voorziening; - de te verwachten te keren (vloei)stofhoogte; - beproevingstijd voor bepaling van de indringdiepte "e", die benodigd is voor de productcontrole bij levering van prefab elementen van beton voor opvangbakken; zie ook bijlage 2 (ontwerp op vloeistofdichtheid) en CUR/PBV-Aanbeveling 63; - de plaats van voegen en aansluitingen; - het voldoen van de uitgangspunten van het ontwerp aan wet- en regelgeving en relevante Normen, CUR/PBV-Aanbevelingen, CROW-Bepalingen en Beoordelingsrichtlijnen voor certificatie; - het volumegewicht van de te keren (vloei)stoffen en/of materialen; - de hoek van inwendige wrijving van de te keren materialen; - de te verwachten stabiliteit, draagkracht en zettingsgevoeligheid van de ondergrond; - de grootte van eventuele bovenbelastingen; - toe te passen fundering; - toe te passen stel- en/of werkvloer; - de plaatsen van voegen en aansluitingen; - de wijze waarop de voegen en aansluitingen worden afgedicht. Toelichting Om een volledig programma van eisen te verwezenlijken, kan eventueel gebruik gemaakt worden van de checklist "Aandachtspunten voor realisatie van bodembeschermende voorzieningen", die is opgenomen in het CUR/PBV-Handboek Ontwerpen en de checklist ontwerpen zoals die is opgenomen in bijlage 1. Voor de duur van de beproevingstijd voor de bepaling van de indringdiepte "e" wordt uitgegaan van een tijdelijke (lek)belasting of continu belasting. Gebaseerd op eerdere ervaringen, kunnen bijvoorbeeld de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Toepassingsgebied Tijdelijke belasting Opslagplaats onder afschot Opvangbakken t.b.v. tanks en emballage Continu-belasting Belastingstijdsduur Duur van de tijdelijke (lek)belasting 5 uur 72 uur 10% van de ontwerplevensduur Rapportage bodemonderzoek Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem kan voor de aanvang van de werkzaamheden een bodemonderzoek volgens NVN 5740 worden uitgevoerd om de nul-situatie vast te stellen. Indien hiertoe wordt besloten, dan moet deze rapportage Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 16
17 representatief zijn voor de betreffende locatie en de nulsituatie in een rapport worden vastgelegd. Toelichting In verband met eventueel toekomstige aansprakelijkheden, is het gewenst een eventueel bodemonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek moet mede gericht zijn op stoffen die in de opvangbak kunnen voorkomen. Indien besloten wordt geen bodemonderzoek uit te voeren, dan moet dit schriftelijk worden vastgelegd naar de opdrachtgever Grondmechanisch onderzoek Het ontwerp van de voorziening moet zijn gebaseerd op een gedateerd, van toepassing zijnd, grondmechanisch onderzoek, uitgevoerd door een deskundig bedrijf, waarvan de resultaten schriftelijk moeten zijn vastgelegd. Een grondmechanisch onderzoek mag bestaan uit het bestuderen van historische gegevens die op de locatie van toepassing zijn. De adviseur die het grondmechanisch advies opstelt, bepaalt of eventuele historische gegevens toereikend zijn om een grondmechanisch onderzoek niet uit te hoeven voeren. De gegevens van het grondmechanisch onderzoek of de conclusie uit historische gegevens moeten bij de ondernemer aanwezig zijn. Toelichting Het grondmechanisch onderzoek kan, afhankelijk van de situatie, bijvoorbeeld bestaan uit (diep)sonderingen en/of het onderzoeken van zettingsgedrag op (on)geroerde grondmonsters. Ook kan gebruik gemaakt worden van historische gegevens die voldoende vertrouwen hebben bij de grondmechanisch adviseur. Indien sondeerwerk wordt uitgevoerd, dan moet dit worden uitgevoerd volgens NEN Indien dit sondeerwerk onder een KOMO-procescertificaat wordt geleverd, waarvoor BRL 2364 als grondslag dient, dan is dit voldoende bewijs dat aan de eisen van de norm NEN 5140 wordt voldaan Aansluiting op bestaande constructies Indien met de prefab elementen van beton die de opvangbak vormen, moet worden aangesloten op een bestaande constructie, dan moet van deze constructie de vloeistofdichtheid zijn aangetoond door middel van een verklaring van vloeistofdichtheid overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling 44, zo mogelijk in combinatie met een bewijs van aanleg van de bestaande constructie onder KOMOprocescertificaat. Toelichting Van toepassing zijnde BRL's voor procescertificatie zijn: - BRL 2319 voor prefab verhardingselementen van beton; - BRL 2362 voor ter plaatse gestort beton; - BRL 2372 voor asfalt; - BRL 5262 voor prefab elementen van beton voor opvangbakken; - BRL 1130 voor zandbentoniet; - BRL 1148 voor zandbentoniet polymeer gel; - BRL 1135 voor bentonietmatten; - BRL 1149 voor kunststof folie; - BRL 2371 voor vloeistofdicht gemaakte draagvloeren van beton. Voor oplevering van de prefab opvangbak van beton moeten eventuele onvolkomenheden, die zijn geconstateerd bij de beoordeling overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling 44, zijn hersteld overeenkomstig de hoofdstukken "Eisen te Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 17
18 stellen aan het product" en "Eisen te stellen aan het proces" van een van de van toepassing zijnde KOMO-procescertificaten. Indien de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder een van toepassing zijnd KOMO-procescertificaat, dan is dat voldoende bewijs dat aan deze eis is voldaan. 4.3 Inspectie bouwplaats Alvorens wordt begonnen met de eigenlijke werkzaamheden moet de ondernemer de bouwplaats inspecteren en in overleg met de opdrachtgever de stand van zaken in een inspectierapport vastleggen. De inspectie omvat de stand van zaken op de bouwplaats bij aanvaarding zoals ligging en hoedanigheid van bijvoorbeeld ondergrondse kabels en leidingen, tanks, riolering, aanwezige bebouwing alsmede de bodemgesteldheid, aanwezigheid van eventuele bodemverontreinigingen en afwijkingen van de opdracht. Relevante gegevens moeten worden opgevraagd bij de opdrachtgever en/of het KLIC. 4.4 Aanvaarding ondergrond Bestaande bodembeschermende voorzieningen Bestaande bodembeschermende voorzieningen moeten, op grond van een beoordeling op basis van CUR/PBV-Aanbeveling 44, als vloeistofdicht zijn aangemerkt en zich nog ten minste in dezelfde vloeistofdichte staat bevinden. De rapportage van de beoordeling moet zijn geautoriseerd door een deskundige en de keuringstermijn mag nog niet zijn verstreken. Uit de rapportage moet blijken dat de deskundige bekend was met de toepassing van de voorziening als deel van de opvangbak Aanvullingen en ophogingen Aanvullingen en ophogingen moeten in lagen van ten hoogste 300 mm zijn aangebracht. Indien voor de aanvang van werkzaamheden overeenkomstig deze BRL aanvullingen of ophogingen in de onderbouw door derden zijn aangebracht, dan moet de ondernemer zich ervan overtuigen dat de verdichting ervan aan de eisen voldoet. De controle van de verdichtingsgraad of draagkracht moet overeenkomstig de in artikel 5.1 genoemde methoden per laag in de onderbouw zijn uitgevoerd, waarbij de resultaten schriftelijk moeten zijn vastgelegd in een rapport. Indien aanvullingen of ophogingen door derden zijn aangebracht, dan moet het betreffende bedrijf de verdichtingsregistratie overleggen aan de ondernemer. Indien uit de registraties blijkt dat niet wordt voldaan aan de eisen, dan moet een grondmechanisch onderzoek worden uitgevoerd volgens artikel..., alvorens met de vervolgwerkzaamheden wordt begonnen. De resultaten van de controle op verdichtingsgraad en/of grondmechanisch onderzoek van de aanvullingen moeten aan de uitgangspunten van het ontwerp worden getoetst. De afwijking in de hoogteligging van de onderbouw mag, gemeten direct voor het aanbrengen de stelvloer, ten opzichte van het voorgeschreven profiel, + 10 mm en - 25 mm bedragen. 4.5 Zandbed onder de stelvloer of fundering De verdichtingsgraad moet worden bepaald volgens artikel 5.1 en daarbij voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995, artikel lid 04 t/m 06. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 18
19 4.6 Fundering Fundering op palen Indien de betonverharding op palen wordt gefundeerd, dan gelden de uitvoeringseisen overeenkomstig NEN Indien het aanbrengen van de fundering onder KOMO-procescertificaat wordt geleverd waarvoor BRL 2356 (BRL-K237) of BRL 2357 als grondslag dient, dan is dit voldoende bewijs dat aan de eisen van de NEN 6740 wordt voldaan Fundering op staal Een fundering op staal (elastische ondersteuning van verhardingen) kan bestaan uit ongebonden en/of gebonden materiaal. De ongebonden fundering op staal bevindt zich onder de stelvloer. De gebonden fundering kan zich direct onder de prefab elementen bevinden. Toelichting Het verdient aanbeveling de verdichting van het funderingsmateriaal in twee stappen uit te voeren, te weten: - dynamisch verdichten; - statisch verdichten. Bij dynamisch verdichten wordt de bovenlaag losgetrild terwijl statische verdichting onvoldoende diep verdichtingseffect heeft. Om het volledige pakket toch voldoende te verdichten zijn beide technieken benodigd. Ongebonden funderingen De verdichtingsgraad van zand, bepaald volgens artikel 5.1: methode A of B, moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995 artikel lid 04 t/m 06. De indringingsweerstand, bepaald volgens artikel 5.1: methode C, moet voldoen aan Standaard RAW Bepalingen 1995, artikel , lid 02. De verdichtingsgraad van steen of steenachtige materialen, bepaald volgens artikel 5.1: methode A of B, moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995 artikel , lid 03. Overige ongebonden funderingen moeten voldoen aan de eisen die in de ontwerpfase zijn aangenomen en /of staan voorgeschreven in bestek en tekeningen. Gebonden funderingen Schraal beton: Voordat begonnen wordt met het aanbrengen van het schraal beton moet de ondergrond (ongebonden materiaal) bevochtigd worden. Binnen 1 uur na de verdichting moet het schraal beton worden nabehandeld om uitdroging te voorkomen. De dichtheid van het schraal beton moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995 artikel Zandcement: Het verwerken en verdichten van zandcementmengsels moet plaatsvinden binnen 12 uur na mengen. De opslag moet plaatsvinden onder geconditioneerde omstandigheden, waarbij kluitvorming voorkomen moet worden. Bij opslag en transport van zandcement moet worden voorkomen dat er vermenging met andere materialen ontstaat. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 19
20 Binnen 1 uur na verdichten moet het afgewerkte zandcement worden nabehandeld om uitdroging te voorkomen. De verdichtingsgraad van het zandcement, bepaald overeenkomstig artikel 5.1: methode A of B, moet voldoen aan de Standaard RAW Bepalingen 1995 artikel , lid 04. De indringingsweerstand direct na het verdichten, bepaald volgens artikel 5.1: methode C, moet voldoen aan de eis voor zand overeenkomstig Standaard RAW Bepalingen 1995, artikel , lid 02. Overige gebonden funderingsmaterialen: Overige gebonden funderingen moeten voldoen aan de eisen die in de ontwerpfase zijn aangenomen en /of staan voorgeschreven in bestek en tekeningen. Cement gebonden funderingsmaterialen moeten binnen 1 uur na verdichten worden nabehandeld, om uitdroging te voorkomen Profielhoogte zandbed en fundering De bovenzijde van de fundering ten opzichte van het voorgeschreven profiel mag ten hoogste 10 mm afwijken. 4.7 Aanleg van de stelvloer De breedte van de stelvloer moet aan alle zijden ten minste 50 mm groter zijn dan de buitenmaten van de prefab elementen Bekisting De bekisting moet voldoen aan NEN 6722: 1989 artikel 8.4. De bekisting moet plaatsvast gesteld zijn Stelvloer Bij toepassing van een stelvloer zijn de volgende constructies toegestaan: 1. (on)gebonden fundering, in combinatie met een vlakke ongewapende of gewapende c.q. voorgespannen betonvloer, van voldoende sterkte en met een dikte van ten minste 100 mm; 2. (on)gebonden fundering, in combinatie met (ingegraven) gewapend betonnen onderslagbalken; 3. (on)gebonden fundering, in combinatie met een vlakke zandcement stabilisatielaag van voldoende sterkte en met een dikte van ten minste 100 mm. Bij bovenstaande uitvoeringsvarianten in gewapend beton, moet de dekking van de wapening op een zodanige wijze zijn gewaarborgd, dat de wapening voldoende stabiel kan worden gesteld en tijdens het storten van de voorziening niet kan verplaatsen. De afstandhouders van de wapening mogen niet ten gevolge van de stortwerkzaamheden in het oppervlak van de werkvloer gedrukt worden, waardoor eisen worden gesteld aan de drukvastheid van de werkvloer. Andere uitvoeringsvarianten zijn toegestaan, mits aan voorgaande voorwaarden wordt voldaan. Betonnen werkvloeren moeten voldoen aan NEN 6722: 1989 artikel 7 met uitzondering van de toelichting bij artikel Wapening Wapening moet overeenkomstig NEN 6722: 1989 artikel 9.3 (buigen, vlechten, verbinden, afstandhouders) worden aangebracht. De betondekking op het wapeningsstaal moet voldoen aan NEN 6720 artikel Afwerken beton Het beton moet mechanisch worden verdicht en daarna afgewerkt met een trilbalk. Vervolgens moet het beton op hoogte worden afgewerkt en worden nabehandeld. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 20
21 Nabehandeling moet plaatsvinden door het aanbrengen van curingcompound en/of het afdekken met kunststof folie. Nabehandelen met water is niet toegestaan. De uiteindelijke ligging van de bovenzijde van de stelvloer mag ten hoogste +/- 5 mm afwijken van de voorgeschreven hoogte. 4.8 Plaatsen van prefab elementen van beton Hijsen en stellen De prefab elementen moeten worden gesteld met daarvoor vrijgegeven hijs- en stelmiddelen. De vrijgave moet zijn gedaan op basis van geschiktheid en veiligheid. De hijs- en stelmiddelen mogen alleen worden bevestigd aan bevestigingspunten die verzonken in de elementen zijn aangebracht Richting en hoogte De uiteindelijke richting en hoogte van de elementen moeten voldoen aan NEN 2888, tabel Monteren van de prefab opvangbakken Voorspanning Indien gebruik wordt gemaakt van voorspanstrengen waarmee de elementen gekoppeld worden dan moet de spanapparatuur hiervoor zijn vrijgegeven. De vrijgave moet plaatsvinden op geschiktheid en veiligheid. Bij voorspanning met aanhechting moet de vrije ruimte tussen de voorspanstrengen e.d. en de omhullingsbuis worden geïnjecteerd met cementgebonden injectiespecie. Het injecteren moet voldoen aan NEN 6722 en eventuele aanvullende voorschriften van de producent/leverancier van de injectiespecie V-vormige voegen Na in de V-vormige voeg een nylon (injectie)kous te hebben aangebracht moet deze worden gevuld met cementgebonden injectie- of gietmortel. Aan de hand van de verbruikte liters mortel moet worden nagegaan of de gehele voeg is gevuld. Indien blijkt dat meer dan 10% minder materiaal is verwerkt dan de inhoud van de voeg bedraagt, dan moet alle vulling worden verwijderd en moet opnieuw een kous worden geplaatst, waarna het vullen kan herstarten. Bij toepassing van deze methode moet de vloeistofkerende zijde van de voeg worden voorzien van een extra afdichting in de vorm van bijvoorbeeld voegvullingsmassa of een brugvoeg. Zie voor voorbeelden van een voegvulling met de nylon kous ook bijlage Consoles Voegverbindingen die bestaan uit te koppelen consoles, moeten overeenkomstig de voorschriften van de producent/leverancier worden uitgevoerd Overige verbindingen Overige verbindingen moeten worden uitgevoerd volgens de voorschriften van de producent/leverancier en de uitgangspunten van het ontwerp Aanbrengen voegvullingsmassa Algemeen De ondernemer moet het verwerkingsvoorschrift van de producent betreffende het aanbrengen van primer en voegvullingsmassa overnemen. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 21
22 Voorbehandeling hechtvlak Voor het aanbrengen van de primer en voegvullingsmassa, moeten de hechtvlakken worden voorbehandeld volgens de overeenkomstig artikel 3.11 en 3.12 verstrekte gegevens van de producent. Het voorbehandelen kan bestaan uit: 1. Schuren van de hechtvlakken; 2. Slijpen van de hechtvlakken; 3. Stralen, ontvetten van de hechtvlakken e.d Applicatie van de primer De primer die wordt toegepast moet geschikt zijn voor het materiaal waarop het wordt aangebracht en moet overeenkomstig de voorschriften van de leverancier van de voegvullingsmassa worden verwerkt. Alvorens met appliceren van de primer kan worden begonnen moet door onderstaande metingen worden vastgesteld of de waarden binnen de door de leverancier van de voegvullingsmassa aangegeven grenzen liggen: - omgevingstemperatuur in C, overeenkomstig artikel 5.3; - luchtvochtigheid van de omgeving in %, overeenkomstig artikel 5.3; - temperatuur van de hechtvlakken in C, overeenkomstig artikel 5.4; - het vochtgehalte in/op de hechtvlakken, overeenkomstig artikel 5.5. De metingen moeten ten hoogste 15 minuten voor aanvang van applicatie en vervolgens tijdens de applicatie van de voegvullingsmassa ten minste om de 2 uur worden uitgevoerd. De wijze en nauwkeurigheid van meten is vastgelegd in artikel 5.3 en artikel 5.4. Aan de hand van de luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur moet het dauwpunt worden bepaald met behulp van de tabel in bijlage 4. Voordat met applicatie van de primer kan worden begonnen moet de temperatuur van de hechtvlakken tenminste 3 C boven het vastgestelde dauwpunt liggen Aanbrengen rugvulling Voor het aanbrengen van de eigenlijke voegvullingsmassa, moet de voeg voorzien worden van een rugvulling. De rugvulling moet overeenkomstig de voorschriften van de leverancier van de voegvullingsmassa worden aangebracht, zodanig dat driezijdige hechting wordt voorkomen en dat de dikte van de voegvullingsmassa voldoet aan de volgende formule: Waarin: dk bnom d k = b 3 nom + 6 mm : dikte van het kitlichaam; : vereiste voegbreedte Applicatie van de voegvullingsmassa Alvorens met appliceren van de voegvullingsmassa kan worden begonnen moet door onderstaande metingen worden vastgesteld of de waarden binnen de door de leverancier van de voegvullingsmassa aangegeven grenzen liggen: - omgevingstemperatuur in C, overeenkomstig artikel 5.3; - luchtvochtigheid van de omgeving in %, overeenkomstig artikel 5.3; - temperatuur van de hechtvlakken in C, overeenkomstig artikel 5.4; - het vochtgehalte in/op de hechtvlakken, overeenkomstig artikel 5.5. De metingen moeten ten hoogste 15 minuten voor aanvang van applicatie en vervolgens tijdens applicatie ten minste om de 2 uur worden uitgevoerd. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 22
23 De wijze en nauwkeurigheid van meten is vastgelegd in artikel 5.3 en artikel 5.4 van deze BRL. Aan de hand van de luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur moet het dauwpunt worden bepaald met behulp van de tabel in bijlage 4. Voordat met applicatie van de voegvullingsmassa mag worden begonnen moet de temperatuur van de hechtvlakken ten minste 3 C boven het vastgestelde dauwpunt liggen. Tot slot wordt de voegvullingsmassa aangebracht. De voegvullingsmassa moet ten minste 2 mm onder het oppervlak liggen. Voordat de opvangbak mechanisch en chemisch mag worden belast, moet de door de leverancier van de voegvullingsmassa aangegeven uithardingstijd in acht worden genomen bij de vastgestelde omgevingstemperatuur Aanbrengen brugvoegen Algemeen De ondernemer moet het verwerkingsvoorschrift van de producent betreffende het aanbrengen van de brugvoeg overnemen. Toelichting Als brugvoeg zijn bekend: - polysulfide brugvoeg, zonodig met ingelegd wapeningsweefsel; - polyurethaan brugvoeg met ingelegd wapeningsweefsel; - hypalonband dat met behulp van epoxylijmmortel op de voegranden wordt bevestigd. Zie voor voorbeelden bijlage Voorbehandeling hechtvlak Voor het aanbrengen van de brugvoeg, moeten de hechtvlakken worden voorbehandeld volgens de verstrekte gegevens van de producent. Het voorbehandelen kan bestaan uit: 1. Schuren van de hechtvlakken; 2. Slijpen van de hechtvlakken; 3. Stralen, ontvetten van de hechtvlakken e.d Applicatie van primer of lijmlaag De primer of lijmlaag die wordt toegepast moet geschikt zijn voor het materiaal waarop het wordt aangebracht en moet overeenkomstig de voorschriften van de leverancier van de voegvullingsmassa worden verwerkt. Alvorens met appliceren van de primer of lijmlaag kan worden begonnen moet door onderstaande metingen worden vastgesteld of de waarden binnen de door de leverancier van de voegvullingsmassa aangegeven grenzen liggen: - omgevingstemperatuur in C, overeenkomstig artikel 5.3; - luchtvochtigheid van de omgeving in %, overeenkomstig artikel 5.3; - temperatuur van de hechtvlakken in C, overeenkomstig artikel 5.4; - het vochtgehalte in/op de hechtvlakken, overeenkomstig artikel 5.5. De metingen moeten ten hoogste 15 minuten voor aanvang van applicatie en vervolgens tijdens de applicatie van de voegvullingsmassa ten minste om de 2 uur worden uitgevoerd. De wijze en nauwkeurigheid van meten is vastgelegd in artikel... en artikel... Zonodig moet aan de hand van de luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur het dauwpunt worden bepaald met behulp van de tabel in bijlage 4. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 23
24 In bepaalde gevallen moet, voordat met applicatie van de primer kan worden begonnen, de temperatuur van de hechtvlakken ten minste 3 C boven het vastgestelde dauwpunt liggen Applicatie van de voegband of wapeningsweefsel De voegband of het wapeningsweefsel wordt in de nog natte lijmlaag aangebracht Tweede lijmlaag Onmiddellijk na het aanbrengen van de voegband of het wapeningsweefsel wordt een tweede lijmlaag aangebracht. Voor de verwerking hiervan gelden dezelfde eisen als voor de eerste lijmlaag Aanbrengen van voegprofielen Voegprofielen moeten worden aangebracht volgens de voorschriften van de producent/leverancier die tijdens de uitvoering op het werk aanwezig moeten zijn Aanbrengen voegbanden Voegbanden moeten worden aangebracht volgens de voorschriften van de producent/leverancier die tijdens de uitvoering op het werk aanwezig moeten zijn Verklaring Vloeistofdichte Voorziening Voor de oplevering moet de ondernemer een "Verklaring Vloeistofdichte Voorziening" op de door hem geplaatste en gemonteerde opvangbak laten opstellen. De verklaring moet zijn gebaseerd op CUR/PBV-Aanbeveling 44 en moet samen met een verslag zijn afgegeven door een deskundige. Het verslag van de deskundige moet voldoen aan hoofdstuk 7 van CUR/PBV-Aanbeveling 44, 2e herziene versie Opname en oplevering Na beëindiging van de werkzaamheden en voor de ingebruikname van de opvangbak moet de opvangbak door de ondernemer ter opname aan de opdrachtgever worden aangeboden. De opname door de opdrachtgever moet in aanwezigheid van de ondernemer worden uitgevoerd. De resultaten van de opname moeten door de ondernemer worden vastgelegd in een proces verbaal. In het proces-verbaal moet tot uiting komen dat de opdrachtgever geïnformeerd is met betrekking tot: - de volledigheid en juistheid van de uitvoering volgens bestek en tekeningen; - de kwaliteitsregistraties conform het IKB-schema, zoals deze in een keuringsplan zijn vastgelegd en die aan de eisen moeten voldoen; - verklaring vloeistofdichte voorziening; - periodieke inspecties; - de keuringstermijn; dit is de, volgens de deskundige, aanvaardbaar geachte termijn tussen het moment van opleveren en het eerste tijdstip dat de vloeistofdichte voorziening ter beoordeling aan een deskundige moet worden aangeboden; - het aantal bedrijfsinterne controles en de, volgens de deskundige, aanvaardbare termijn die zich ertussen mag bevinden, gedurende de keuringstermijn; - de, gedurende de bedrijfsinterne controles, te inspecteren onderdelen. Na goedkeuring door de opdrachtgever, c.q. de oplevering, moet de ondernemer ten minste de volgende documenten overleggen aan de opdrachtgever: Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 24
25 - het proces-verbaal van de opname; - een schriftelijk advies met betrekking tot het onderhoud; - indien van toepassing, de gebruikersvoorschriften van de verwerkte materialen en geplaatste onderdelen Archivering Ten behoeve van het project moeten de documenten worden gearchiveerd door de ondernemer met betrekking tot: - de revisieschets van zich uit het zicht bevindende kabels, leidingen en andere onderdelen; - indien van toepassing de rapportage van bodemonderzoek; - het grondmechanisch onderzoek; - de kwaliteitsregistraties conform het IKB-schema, waarin is inbegrepen: * proces-verbaal inspectie bouwplaats; * ingangscontrole van de toegepaste materialen en producten (vrachtbonnen, keuringsrapporten en certificaten); * controlemetingen aanleg fundering; * controlemetingen plaatsing en montage; * controlemetingen applicatie voegvullingen; * proces-verbaal oplevering opvangbak. De opdrachtgever moet desgewenst inzage hebben in de hierboven genoemde documenten gedurende een overeengekomen periode, met een minimum van 10 jaar. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 25
26 5 Beproevingsmethoden 5.1 Bepaling van de verdichtingsgraad en draagkracht van zandbed en fundering De verdichtingsgraad kan op de volgende wijzen worden bepaald. Methode A: Met behulp van de steekring- of zandvervangingsmethode. Methode B: Met behulp van nucleaire metingen. Omdat de op nucleaire wijze bepaalde dichtheid relatief is, moet de correlatie bekend zijn tussen de nucleair gemeten dichtheid en de absolute waarde van de dichtheid bepaald volgens de conventionele methoden (A). Op grond van de insitudichtheid en de maximale proctordichtheid kan de verdichtingsgraad worden bepaald. Methode C: Met behulp van een continu-registrerend handsondeerapparaat. Het meetbereik daarvan moet ten minste 5 MPa bedragen en het dieptebereik ten minste 0,60 meter. Het sondeerapparaat moet zijn voorzien van een conusoppervlak van 100 mm2 en een tophoek van Beproeven van vloeistofindringing Voor het bepalen van de vloeistofindringing in beton geldt CUR/PBV-Aanbeveling Omgevingstemperatuur, luchtvochtigheid en dauwpunt De omgevingstemperatuur moet 1 m¹ boven het werkvlak worden gemeten. De meting moet worden uitgevoerd met een thermometer die een nauwkeurigheid heeft van tenminste 0,5 C. De luchtvochtigheid moet 1 m¹ boven het werkvlak worden gemeten. De meting moet worden uitgevoerd met een luchtvochtigheidsmeter met een nauwkeurigheid van ten minste 0,5%. 5.4 Temperatuur hechtvlak De temperatuur van de hechtvlakken moet op het betonoppervlak, zo dicht mogelijk bij het hechtvlak worden gemeten. De meting moet worden uitgevoerd met een thermometer met een nauwkeurigheid van ten minste 0,5 C. 5.5 Vochtigheid van de hechtvlakken Zuigende ondergrond De vochtigheid op de hechtvlakken moet worden gemeten met een vochtigheidsmeter. De vochtigheidsmeter moet geschikt zijn om de door de leverancier aangegeven grenzen te kunnen bepalen. Indien de vochtigheidsmeter meetwaarden aangeeft in andere eenheden dan de fabrikant heeft aangegeven, dan moet de relatie tussen deze twee eenheden duidelijk zijn om de meetwaarden om te kunnen rekenen. De frequentie en nauwkeurigheid van de benodigde meetgegevens moeten door ondernemer die de voegvullingsmassa verwerkt en de leverancier van de primer en voegvullingsmassa schriftelijk worden overeengekomen. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 26
27 5.5.2 Niet-zuigende ondergrond Door middel van visuele controle moet worden vastgesteld dat de hechtvlakken droog zijn. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 27
28 6 Eisen te stellen aan het kwaliteitssysteem 6.1 Algemeen In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan het kwaliteitssysteem van de ondernemer moet voldoen, alsmede de wijze waarop het kwaliteitssysteem door de certificatie-instelling wordt beoordeeld. De ondernemer moet over een kwaliteitssysteem beschikken dat tenminste voldoet aan de hierna omschreven eisen. Tevens moet hij er zorg voor dragen dat het systeem ingevoerd is en toegepast wordt. 6.2 Intern kwaliteitssysteem Als onderdeel van zijn kwaliteitssysteem moet de ondernemer beschikken over een door hem toegepast schema van Interne Kwaliteitsbewaking (IKB-schema). Het IKBschema is een beschrijving van de keuringen die onderdeel van het kwaliteitssysteem uitmaken. In dit IKB-schema moet per keuringsactiviteit ten minste omschreven zijn: - wat wordt gecontroleerd; - waarop wordt gecontroleerd; - hoe wordt gecontroleerd; - hoe vaak wordt gecontroleerd; - hoe de controle wordt genoteerd en bewaard. Een voorbeeld van een IKB-schema is opgenomen in bijlage 5 van deze BRL. 6.3 Organisatie De structuur van de onderneming moet zijn vastgelegd in een organisatieschema. Daarin moeten met name de posities zijn weergegeven van personen die binnen het bedrijf verantwoordelijk zijn voor activiteiten die betrekking hebben op de gestelde eisen. Tevens moet de voor het kwaliteitssysteem verantwoordelijke functionaris worden aangegeven. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van een project moet bij een door de ondernemer aangewezen projectleider of uitvoerder liggen. Deze projectleider of uitvoerder is verantwoordelijk voor: - de uitvoering van het werk overeenkomstig de eisen-; - de communicatie met de opdrachtgever; - de communicatie met de functionaris die verantwoordelijk is voor het kwaliteitssysteem; 6.4 Opleidingen Met name voor de beoordelingen zoals bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4, moet bij de ondernemer ten minste één werknemer in dienst zijn, die met goed gevolg een opleiding heeft gevolgd, waarin de volledige inhoud van deze BRL aan de orde komt. Alle bij het project betrokken uitvoerende personeelsleden moeten een, op de eigen activiteit bij de het plaatsen en monteren van prefab opvangbakken van beton, gerichte opleiding hebben gevolgd. Door middel van een, door de certificatie-instelling geaccepteerd, diploma of getuigschrift moet worden aangetoond dat de opleidingen met goed gevolg zijn afgerond. De ondernemer moet aantonen dat de kwalificatie van de medewerkers op peil wordt gehouden. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 28
29 Van de diploma's, getuigschriften of gelijkwaardig moet een kopie op het project aanwezig zijn. Toelichting Opleidingen, die zich richten op de aanleg van vloeistofdichte voorzieningen, worden ontwikkeld en georganiseerd door bijvoorbeeld het Centrum Bedrijfsopleidingen te Utrecht (CBU) en het Nederlands Informatiecentrum Bodembeschermende Voorzieningen (NIBV). 6.5 Kwalificatie personeel Alle personeel dat is betrokken bij de calculatie, voorbereiding, uitvoering en oplevering van projecten moeten door de in het organisatieschema genoemde eindverantwoordelijke, zijn gekwalificeerd. De ondernemer moet hiervoor kwalificatiecriteria vastleggen die ten minste de volgende onderwerpen omvatten: - opleiding; - ervaring in het plaatsen en monteren van prefab opvangbakken van beton; - evaluatie van ten minste 2 laatst uitgevoerde projecten waarin prefab opvangbakken van beton zijn geplaatst en gemonteerd. De kwalificatie van personeel dat is betrokken bij het plaatsen en monteren van prefab opvangbakken van beton, moet halfjaarlijks worden getoetst aan de kwalificatiecriteria. De kwalificatie moet worden uitgevoerd per werknemer waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen "Vakman monteur" en "Aankomend vakman monteur". Een ploeg vanaf 3 werknemers mag voor ten hoogste 1/3 deel zijn samengesteld uit nietgekwalificeerde werknemers. Van de gekwalificeerde werknemers die op een project werkzaam zijn, moet ten minste de helft zijn gekwalificeerd als "Vakman monteur". Bij de kwalificatie mag onderscheid worden gemaakt in vaklieden en aankomende vaklieden. Voorwaarde hierbij is dat aankomende vaklieden slechts werkzaamheden mogen uitvoeren onder direct toezicht van een gekwalificeerd vakman. Indien de kwalificatiecriteria deel uitmaken van een certificatieregeling voor vakbekwaamheid, dan wordt door middel van de bijbehorende persoonscertificaten voldoende aangetoond, dat voor de betreffende werknemers is voldaan aan de kwalificatie-eis. 6.6 Documentenbeheer De ondernemer moet beschikken over een systeem voor het beheer van de volgende documenten: 1. werkinstructies, procedures, normen, registratieformulieren en het organogram; 2. de documenten, zoals die in deze BRL worden geëist, behorende bij een bepaald werk, waaronder tekeningen en berekeningen. Voor de documenten genoemd onder punt 1 kan volstaan worden met het registreren van de plaats waar ze aanwezig zijn, het aantal en de datum van uitgifte of vervanging. Voor de documenten genoemd onder punt 2 moet een procedure beschikbaar zijn waarin ten minste is aangegeven: - wie verantwoordelijk is voor distributie en inname van documenten; - hoe geregeld wordt dat de geldende uitgaven van documenten op de juiste plaatsen beschikbaar zijn; - hoe geregeld wordt dat vervallen documenten direct worden verwijderd op alle plaatsen waar deze verstrekt of in gebruik zijn; Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 29
30 - wie welke documenten krijgt; - hoe wijzigingen op bijvoorbeeld tekeningen ontvangen en doorgevoerd worden; Alle documenten die onder verantwoording van de ondernemer gemaakt zijn moeten geautoriseerd en gedateerd zijn. 6.7 Verificatie van het ontwerp De ondernemer moet beschikken over een procedure voor het verifiëren van ontwerpen op de uitgangspunten genoemd in... en de uitvoerbaarheid van het ontwerp. De procedure hoeft alleen betrekking te hebben op de verificatie van het ontwerp. De ontwerpactiviteiten zelf vallen niet onder het certificaat. Tevens moet de ondernemer beschikken over een procedure voor het melden van onderwerpen waarin het ontwerp afwijkt van de eisen die zijn gesteld door overheden en deze BRL. De verificatie van het ontwerp moet door een deskundig functionaris worden uitgevoerd en schriftelijk worden vastgelegd (bijvoorbeeld in een checklist). 6.8 Technische werkomschrijving De ondernemer moet over een op schrift gestelde werkomschrijving beschikken en deze op peil houden om te bewerkstelligen dat het plaatsen en monteren van prefab opvangbakken van beton, voldoet aan de gestelde eisen. In deze werkomschrijving moeten zijn opgenomen alle algemene uitvoeringsinstructies alsmede specifieke, op een bepaald werk toegesneden, instructies. 6.9 Keuring en beproeving De ondernemer moet ervoor zorgen dat, tijdens het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton in opvangbakken, de vereiste tussentijdse keuringen en beproevingen volgens het IKB-schema worden uitgevoerd. De ondernemer moet de resultaten van de vereiste tussentijdse keuringen en beproevingen registreren. Voor de procescontroles op het gebied van de resultaten van indringproeven moet de ondernemer voldoen aan de frequentie zoals deze is vastgelegd in het IKB-schema Meetmiddelen De ondernemer moet beschikken over een procedure voor de beheersing, de kalibratie en het onderhoud van meetmiddelen. De geijkte en/of gekalibreerde meetmiddelen moeten door middel van een registratie code herkenbaar en geregistreerd zijn. Dit geldt in ieder geval voor: - meetapparatuur voor het meten van verdichting waaronder nucleair meetapparatuur en zelfregistrerend handsondeerapparaat; - injectieapparatuur; - apparatuur voor het spannen van voorspanstaal; - landmeetapparatuur waaronder lasers en waterpastoestellen; - thermometers; - relatieve vochtigheidsmeter; - meetapparatuur voor het bepalen van de vochtigheid van de hechtvlakken t.b.v. de applicatie van voegvullingsmassa. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 30
31 6.11 Leveranciersbeoordeling De ondernemer moet beschikken over een procedure voor het beoordelen van de leveranciers en onderaannemers. De beoordeling moet schriftelijk worden vastgelegd waarbij tot uiting moet komen of de toeleverancier c.q. onderaannemer voldoet aan de eisen van deze BRL. Indien het een ondernemer betreft aan wie werkzaamheden worden uitbesteed, dan moet in de beoordeling met name worden getoetst aan: - referenties van eerder uitgevoerde werkzaamheden; - opleiding van de medewerkers van de onderaannemer. De beoordeling moet worden uitgevoerd door een daartoe aangewezen functionaris (procesdeskundige) en kwaliteitsfunctionaris. Een leveranciersbeoordeling behoeft niet te worden uitgevoerd indien: - een product wordt geleverd onder een KOMO-productcertificaat waarvoor een relevante beoordelingsrichtlijn ten grondslag ligt; - een dienst wordt uitgevoerd onder KOMO-procescertificaat waarvoor een relevante beoordelingsrichtlijn ten grondslag ligt; In die gevallen mag er worden volstaan met een certificaat van de toeleverancier of onderaannemer Klachtenprocedure De ondernemer moet over een procedure beschikken ten aanzien van de behandeling van klachten over geleverde producten. In deze procedure moeten ten minste de volgende punten zijn opgenomen: - de bij de ondernemer verantwoordelijke functionaris voor de klachtenbehandeling; - de wijze waarop klachten worden geregistreerd; - de wijze waarop terugkoppeling van klachten plaats vindt naar de uitvoering, respectievelijk de afdeling kwaliteitscontrole; - de wijze waarop uit de klachten voortvloeiende maatregelen, schriftelijk worden vastgelegd; - terugkoppeling naar opdrachtgever (klant) Archivering De ondernemer moet alle kwaliteitsgegevens die betrekking hebben op uitgevoerde of in uitvoering zijnde werken archiveren voor een periode van 10 jaar of langer indien dit is overeengekomen. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 31
32 7 Verplichtingen 7.1 Algemeen De ondernemer is verplicht al zijn werkzaamheden die onder het toepassingsgebied vallen overeenkomstig deze BRL uit te voeren. 7.2 Uitbesteding Uitbesteding van werkzaamheden die onder het toepassingsgebied van deze BRL vallen, mag alleen plaatsvinden aan bedrijven die voor dit doel positief zijn beoordeeld tijdens de leveranciersbeoordeling volgens 6.11, waarbij is vastgesteld en vastgelegd dat het beoordeelde bedrijf voldoet aan de hoofdstukken 3 en 4 van deze BRL. Indien werkzaamheden worden uitbesteed aan een ondernemer die in het bezit is van een KOMO-procescertificaat waarvoor een van toepassing zijnde BRL als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat wordt voldaan aan de eis in deze BRL. Bij uitzondering mogen werkzaamheden, waarvoor geen certificatieregeling functioneert, worden uitbesteed aan een niet-gecertificeerd bedrijf dat overeenkomstig 6.11 is beoordeeld en goed bevonden. De uitbesteding moet voor een overeengekomen periode met de onderaannemer contractueel zijn vastgelegd. 7.3 Inzageplicht De ondernemer heeft de verplichting de certificatie-instelling inzage te geven waar de werkzaamheden, die onder deze certificatieregeling vallen, worden of zullen worden uitgevoerd. De certificatie-instelling moet inzage hebben in de volgende informatie: - opdrachtgever - plaats - soort - uitvoeringsperiode - werkwijze - inzet materieel - omvang van het werk - eventuele bijzondere voorzieningen noodzakelijk voor de controle door de certificatie-instelling. Hiervan moet tijdig melding worden gedaan. De bijzondere voorzieningen moeten door de ondernemer op verzoek van de certificatie instelling getroffen worden. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 32
33 8 Externe beoordeling Het kwaliteitssysteem van de ondernemer zal worden beoordeeld. Deze beoordeling omvat ten minste de aspecten die vermeld zijn in de hoofdstukken 6 en 7 van deze BRL en het betreffende reglement van de certificatie-instelling. Over de aan te houden controlefrequentie adviseert het "College van Deskundigen Bodembeschermende Voorzieningen". Bij het in werking treden van deze beoordelingsrichtlijn is de controlefrequentie als volgt vastgesteld: 1. Per kalenderjaar op de aangemelde projecten: 6 controlebezoeken; 2. Aantal bedrijfsbezoeken per kalenderjaar: 2 bedrijfsbezoeken. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 33
34 9 Lijst van vermelde documenten Nummer Datum Titel - BRL 0401: 1997 Bouwelementen van beton - BRL 0501: 1998 Betonstaal - BRL 0502: 1997 Tralieliggers - BRL 1130: 1998 Aanleg van granulaire afdichtingslagen op basis van zandbentoniet inclusief combinatieafdichtingen - BRL 1135: 1997 Uitvoering van een dichte (eind)afwerking van afval- en reststofbergingen, categorie 2- bouwstoffen op basis van een ontgassingsmat en/of geflexibiliseerde HDPE folie en/of bentonietmat en/of drainagemat - BRL 1148: 1998 Aanleg van afdichtingslagen met zandbentonietpolymeer gel inclusief combinatieafdichtingen - BRL 1149: 1998 Verwerken van kunststof folie - BRL 1801: 1996 Betonmortel - BRL 1904: 1992 Droge cementgebonden mortels - BRL 2316: 1996 Prefab verhardingselementen van beton die vloeistofdicht zijn voor motorbrandstoffen en smeermiddelen: niet-constructieve betonproducten - BRL 2319: 1994 Aanleg van vloeistofdichte verhardingsconstructies met prefab elementen van beton, welke vloeistofdicht zijn voor motorbrandstoffen en smeermiddelen - BRL 2356 (BRL-K237):1992 Aanbrengen van in de grond gevormde palen - BRL 2357: 1995 Het heien van geprefabriceerde palen - BRL 2362: 1998 Aanleg van vloeistofdichte voorzieningen in ter plaatse gestort beton - BRL 2364: 1994 Elektrisch sonderen - BRL 2369: 1996 Applicatie van voegvullingsmassa in vloeistofdichte verhardingsconstructies - BRL 2371: 1998 Het vloeistofdicht maken van draagvloeren van beton - BRL 2372: 1999 Aanleg vloeistofdichte voorzieningen in asfalt (Ontwerp). - BRL 2401: 1998 Voorspanstaal - BRL 2825: 1994 Wegdekvoegmassa - BRL 2825 deel 1:1998 Voegvullingsmassa voor vloeistofdichte (ontwerp) constructies in bodembeschermende voorzieningen: Algemene eisen - BRL 2825 deel 2:1998 Voegvullingsmassa voor vloeistofdichte (ontwerp) constructies in bodembeschermende voorzieningen: Toepassingspecifieke eisen voor de toepassingsgebieden tankstations, herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, wasplaatsen autosloopbedrijven Toelichting Op het moment van opstellen van Ontwerp-BRL 2362 ligt BRL 2825 ter visie. BRL 2825 vervangt de vorige uitgave van BRL 2825 (BRL-K781/01) nadat deze voor certificatie is vastgesteld door het College van Deskundigen Voegdichtingsmaterialen. - Kiwa/PBV Rapport WF98-01 Deskundigheidseisen Inspecteur Bodembeschermende Voorzieningen Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 34
35 - CPR 15-1: 1990 Opslag gevaarlijke stoffen in emballage. - CPR 15-2: 1991 Opslag gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden. - Criteria 73: 1996 Eisen te stellen aan het kwaliteitssysteem voor een. productcertificaat voor elementen van vooraf vervaardigd constructief beton - CUR/PBV-Aanbeveling 44:1998 Beoordeling van vloeistofdichte voorzieningen - CUR-Aanbeveling 55:1998 Betonreparatie met kunstharsgebonden mortels - CUR-Aanbeveling 56:1998 Injecteren van scheuren in betonconstructies met kunsthars injectievloeistoffen - CUR/PBV-Aanbeveling 63:1998 Bepaling van de vloeistofindringing in beton door de capillaire absorptieproef - CUR/PBV-Aanbeveling 64:1998 Vloeistofdichte kunstharsgebonden vloersystemen - CUR/PBV-Aanbeveling 65:1998 Ontwerp een aanleg van bodembeschermende voorzieningen: Uitvoering door middel van een vloeistofdichte betonvloer of -verharding of het aanbrengen van een beschermlaag op een draagvloer van beton - NEN 2888: 1990 Maximaal toelaatbare maatafwijkingen voor het stellen van draagconstructies. - NEN 3868: 1991 Voorspanstaal - NEN 5140: 1996 Geotechniek. Bepaling van de conusweerstand en de plaatselijke wrijvingsweerstand van grond. Elektrische sondeermethode. - NEN 5996: 1988 Bepaling van agressiviteit van waterige oplossingen, gronden en gassen - NEN 6008: 1991 Betonstaal - NEN 6720: 1995 Voorschriften beton Constructieve eisen en rekenmethoden (VBC 1995) - NEN 6722: 1989 Voorschriften beton. Uitvoering (VBU1988) - NEN 6740: 1991 Geotechniek. TGB Basiseisen en belastingen. - NVN 5740: 1991(1998) Bodem. Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek (met ontwerp d.d ) - Kiwa/PBV-Rapport WF 9801:1998 Deskundigheidseisen inspecteur bodembeschermende Voorzieningen - Standaard RAW Bepalingen:1995 Standaard RAW Bepalingen, laatst gewijzigd 1998 Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken 35
36 10 Bijlagen 10.1 Bijlage 1: Checklist ontwerpen A. PROGRAMMA VAN EISEN Locatie werk: Offertenummer: Conform besteknr.: Besteksparagrafen: Productblad: (zie volgende pagina) Eisen Datum Paraaf B. PROJECTRISICO'S 1. Risico's Preventieve maatregelen Datum Paraaf Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
37 PRODUCTBLAD KEERWAND Voor algemene gegevens: zie gespreksrapport d.d.: nummer: off./opdr.nummer Type keerwand: enkelkerend aanvulling voor aanvulling achter dubbelkerend verzwaard Peilmaten en hellingen: Dwarsdoorsnede Tekening opdrachtgever (incl. noordpijl) Belastingen Sonderingen milieuklasse elementenhoogte m 1 voetplaatlengte m 1 wanddikte m 1 neus met zonder metselneus b= h= m 1 metselankers ja nee verbrede bovenrand b= h= m 1 structuur hoekoplossing 90º verstek zijwand wordt heden meegegeven wordt verstuurd niet aanwezig uitwisseling floppy's volumegewicht te keren kn/m 3 materiaal hoek van inwendige VOSB wrijving lambda waarde m 1 bovenbelasting verkeersklasse t.o.v. achterzijde wand wordt heden meegegeven wordt verstuurd wordt gemaakt grondmechanisch onderzoek beddingconstante kn/m 3 max. toel. grondspanning kn/m 2 Fundatie derden op staal op prefab balken op gewapende stelvloer ja nee op kesp-paalfundatie prefab betonpalen Overige ankers t.b.v. leuning boren instorten leuning kleur preservering elementlengte in straal R= m 1 Offerte gereed Voorlopig ontwerp Start uitvoering koppelnokken afspannen m 1 maatvaste lengte m 1 kleur m 1 Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
38 10.2 Bijlage 2: Aandachtspunten voor ontwerpbeoordeling Algemeen Voor verificatie van de stappen die worden doorlopen in het ontwerp kan het volgende schema worden gehanteerd: TEKENING Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
39 Belastingen In het ontwerp komen ondermeer de volgende belastingen in aanmerking: 1. Gronddrukken (actief en/of passief); 2. Actieve grondwaterdruk; 3. Bovenbelasting; 4. (vloei)stofdruk (actief of passief); 6. Bluswater, vermengd met bodemverontreinigende (vloei)stoffen; 7. Temperatuursbelastingen (uitzetting en krimp); 8. Verkeersbelastingen; 9. Opdrijven. Berekeningen De berekeningen zijn gebaseerd op de in hoofdstuk 9 genoemde normen, aanbevelingen, bepalingen en richtlijnen. In de berekeningen zijn, voor zover aanwezig, ondermeer de volgende uitgangspunten vermeld: - de datum en het rapportnummer van het grondmechanisch onderzoek; - ontwerp van de fundering; - ontwerpmethode van de prefab elementen; - bovenbelastingen; - berekening van de stelvloer; - de normen, aanbevelingen, bepalingen en/of richtlijnen waarop de berekeningen zijn gebaseerd; - de conclusie(s) en de keuze van de constructie voortvloeiend uit de berekeningen. De keuze van de constructie, gebaseerd op de berekeningen, moet in het bestek en of tekeningen tot uiting komen. Bestaande ondergrond Indien de opvangbak op bestaande voorzieningen moet worden aangesloten, dan moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat de totale vloeistofdichte voorziening - dus inclusief de geïntegreerde bestaande voorzieningen - voor de levensduur ervan blijvend vloeistofdicht is. Dit kan voor bestaande voorzieningen betekenen dat deze vloeistofdicht moeten worden gemaakt en dat er zodanige maatregelen moeten worden getroffen dat een vloeistofdichte verbinding ontstaat met de nieuw aan te brengen vloeistofdichte voorziening. Indien wordt aangesloten op een draagvloer van beton die vloeistofdicht wordt gemaakt, dan moet zijn voldaan aan de hoofdstukken 3 en 4 van BRL Indien de draagvloer onder KOMOprocescertificaat waarvoor BRL 2371 als grondslag dient, vloeistofdicht is gemaakt, dan is dat voldoende bewijs dat is voldaan aan die BRL. Nieuwe ondergrond Indien wordt aangesloten op een nieuw aan te brengen vloeistofdichte voorziening in ter plaatse gestort beton, dan moet de aanleg van deze voorziening voldoen aan de hoofdstukken 3 en 4 van BRL Indien de ter plaatse gestorte voorziening is aangelegd onder KOMO-procescertificaat waarvoor BRL 2362 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat is voldaan aan die BRL. Indien wordt aangesloten op een nieuw aan te brengen vloeistofdichte voorziening van prefab (bestratings)elementen van beton, dan moet de aanleg van deze voorziening voldoen aan de hoofdstukken 3 en 4 van BRL Indien de ter plaatse gestorte voorziening is aangelegd onder KOMO-procescertificaat waarvoor BRL 2319 als grondslag dient, dan is dat voldoende bewijs dat is voldaan aan die BRL. Opmerking: De toepassing van BRL 2319 is voor andere belastingen dan motorbrandstoffen en smeermiddelen eerst van toepassing, nadat deze is herzien. De verwachting is dat het toepassingsgebied in 1998 wordt uitgebreid. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
40 Fundering Algemeen Het ontwerp moet zijn gebaseerd op de resultaten van het grondmechanisch onderzoek overeenkomstig artikel 4.2.3, rekening houdend met de te verwachten belastingen en de optredende zettingen. In het ontwerp, gedimensioneerd volgens NEN 6740, NEN 6743 en/of NEN 6744, moeten de maatregelen ter voorkoming van ongelijkmatige zettingen zijn vastgelegd. Doorvoeren van kabels, leidingen en rioleringen, moeten zodanig worden uitgevoerd, dat de vloeistofdichtheid bij ongelijkmatige beweging(en) gewaarborgd blijft. Dimensionering bij elastische ondersteuning Elastisch ondersteunde opvangbakken moeten zijn gedimensioneerd op draagkracht en zettingsgedrag van de ondergrond, fundering en stelvloer. Van het ontwerp moet worden aangetoond dat dit is gebaseerd op de resultaten van het grondmechanisch onderzoek. Elastisch ondersteunde voorzieningen moeten vrij kunnen zetten ten opzichte van zettingsvrije bouwonderdelen (bijvoorbeeld onderheide fundaties of kolommen van bovenliggende constructies). Dimensionering bij vrijdragende ondersteuning Vrijdragend ondersteunde opvangbakken moeten volgens NEN 6720 (VBC 1995) zijn gedimensioneerd. Stelvloer Opvangbakken moeten worden gesteld op een stelvloer van beton of op een zandcementstabilisatie met een dikte van ten minste 100 mm. Uit een berekening van de stelvloer moet blijken of wapening nodig is en, zo ja, wat de ligging en diameter van de wapening zijn. Indien de prefab elementen op een bestaande vloeistofdichte voorziening worden gemonteerd, dan kan deze voorziening, na beoordeling en goedkeuring worden aangemerkt als stelvloer. Prefab elementen Vorm en uiterlijk Uit een ontwerpberekening, gebaseerd op bovenstaande uitgangspunten, moet blijken voor welke vorm van de prefab elementen van beton is gekozen. Hoekoplossingen Inwendige hoeken van opvangbakken moeten uit één stuk zijn opgebouwd. Aansluitingen in uitwendige hoeken mogen met voeg worden uitgevoerd. Het uit één stuk opbouwen kan fabrieksmatig worden uitgevoerd, danwel op de bouwplaats uit losse elementen die door middel van voorspanning met elkaar zijn verbonden. De afmetingen van de hoekelementen in keerwanden moeten ten minste voldoen aan de volgende figuren: Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
41 Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
42 Stortnaden Stortnaden tussen ter plaatse gestort beton en prefab elementen van beton moeten worden beschouwd als voeg of aansluiting. Voegen en aansluitingen: In de voegen en aansluitingen moeten voorzieningen zijn opgenomen die verplaatsing van de elementen onderling verhinderen. Een dergelijke voorziening kan ondermeer bestaan uit: - voorspanning; - gordingen; - voegkoppelingen; - voegvullingen in daarop afgestemde voegen tussen de elementen; - verlijming van elementen op de ondergrond; - e.a. Van afdichtingen van voegen en aansluitingen moet zijn aangetoond dat deze ten minste voldoen aan de eis die is gesteld aan het beton in de omliggende prefab elementen. Hiertoe kan worden volstaan door op laboratoriumschaal de voegen en afdichtingen na te bootsen en te beproeven op vloeistofdichtheid. De beproevingsmethode (bijvoorbeeld CUR/PBV-Aanbeveling 63 voor de capillaire absorptieproef op beton) en de in te zetten testvloeistof, moeten worden overeengekomen met de opdrachtgever. In bijlage 3 is een aantal voorbeelden van principedetails van verlijming en afdichtingen opgenomen. De te kiezen typen verlijmingen en afdichtingen moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: - bij verlijming van elementen op bestaande ondergronden moet de lijm vol en zat worden aangebracht, tijdens het plaatsen van de elementen moet de lijm alzijdig onder de elementen uitkomen; - prefab voegprofielen in prefab elementen van beton die moeten worden opgenomen in aan te storten betondelen, moeten door middel van lasverbindingen, vloeistofdicht worden aan gesloten op aangrenzende elementen en profielen; - bij toepassing van de nylonkousmethode moet aan de vloeistofkerende zijde een afdichting met voegvullingsmassa of brugvoeg worden aangebracht; - bij toepassing van een voegprofiel moet aan de vloeistofkerende zijde een afdichting met voegvullingsmassa of een brugvoeg worden aangebracht; - bij twijfel aan de vloeistofdichtheid moeten "voorgespannen" voegen, die zijn gevuld met cementgebonden gietmortel, aan de vloeistofkerende zijde worden voorzien van voegvullingsmassa of een brugvoeg; - alle voegafdichtingen moeten in alle richtingen ononderbroken worden doorgezet tot het gebied waar redelijkerwijs geen vloeistofbelasting wordt verwacht. Toelichting Een voegprofiel wordt vooraf ingestort in de prefab elementen en kan bijvoorbeeld na montage van de elementen achteraf opgenomen worden in een te storten vloer of verharding waarop wordt aangesloten. Een voegband wordt naderhand in een voeg of aansluiting aangebracht. Lengteveranderingen ten gevolge van variaties in zettingen, temperatuur en vochtgehalte moeten worden berekend. De verwijding van een voeg wordt bepaald door de som van temperatuurkrimp, uitdrogingskrimp en de kruip overeenkomstig NEN De totale versmalling van een voeg wordt bepaald door het verschil tussen de te verwachten thermische uitzetting en de uitdrogingskrimp van de voorziening. De voegbreedte volgt uit: - het totaal te verwachten verschil tussen de minimaal optredende voegbreedte en de maximaal optredende voegbreedte; Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
43 - de duurzaam toelaatbare vervorming van de toe te passen afdichting. Indien voegen en aansluitingen worden afgedicht met voegvullingsmassa, dan moet de voegbreedte bnom ten minste 12 mm bedragen, waarbij geen eisen worden gesteld aan de maximale voegbreedte. Bij voegen breder dan 20 mm moet de kans op mechanische beschadiging van de voegvulling worden ingeschat. Zonodig moet de voegvulling worden beschermd tegen mechanische belastingen. Het is toegestaan de voegafdichtingen op te bouwen uit meer dan 1 afdichting. Elke afdichting extra mag dan worden beschouwd als opofferingsafdichting. Indien wordt getwijfeld aan de bestandheid van de voegafdichting dan moet de afdichting uit ten minste drie separate afdichtingen worden opgebouwd. In geval van belasting door een bodemverontreinigende vloeistof mogen slechts twee afdichtingen zodanig worden aangetast dat de vloeistofdichtheid in gevaar komt. De (derde) afdichting die het verst van de belasting af staat, moet in elk geval de vloeistofdichtheid tot het moment van opheffen van de vloeistofbelasting, waarborgen. Ontwerp op vloeistofdichtheid: Bij het ontwerp op vloeistofdichtheid wordt onderscheid gemaakt tussen: a) ongescheurd beton; b) ten gevolge van buigtrekspanningen gescheurd beton; c) ten gevolge van trekspanningen gescheurd beton. ad a)voor ongescheurd beton geldt: d 2. e waarin: d = dikte betonconstructie; 2 = veiligheidsfactor voor indringdiepte; e = gemeten gemiddelde indringdiepte van de vloeistof bij beproeving overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling 63, gedurende de beproevingstijd die is vastgelegd in de uitgangspunten voor het ontwerp (zie 4.2 en toelichting daarbij). ad b) Voor ten gevolge van buigtrekspanningen gescheurd beton geldt dat de dikte van de drukzone (x) moet voldoen aan: x 2. e x 30 mm x 2D waarin: D = de bovenmaat van het grove toeslagmateriaal; e = gemeten gemiddelde indringdiepte van de vloeistof bij beproeving overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling 63, gedurende de beproevingstijd die is vastgelegd in de uitgangspunten voor het ontwerp (zie 4.2 en toelichting daarbij). ad c) Beton dat is gescheurd ten gevolge van trekspanningen (doorgaande scheuren) moet als niet vloeistofdicht worden aangemerkt, tenzij de scheur als voeg wordt afgedicht. Ontwerp op chemische bestandheid: De eis voor chemische bestandheid voor alle toe te passen materialen moet vooraf worden overeengekomen. Ten minste geldt dat bij de beproeving van de bestandheid ten behoeve van het geschiktheidsonderzoek met één of meer vooraf overeengekomen testvloeistoffen geen aantasting van de materialen mag worden waargenomen die de vloeistofdichtheid mogelijk in gevaar brengt. Het ontwerp van beton op chemische bestandheid, moet zijn gebaseerd op de VBT 1996 en NEN 5995, ingedeeld naar de bij de situatie behorende milieuklasse. De milieuklasse moet zijn vastgelegd in het ontwerp. De eisen gelden voor zowel tijdelijke als voor continubelastingen. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
44 Voor vloeistofdichte voorzieningen die aansluiten op de voorschriften zoals deze zijn genoemd in bijlage 1 resp. bijlage 1a van de Algemene Maatregelen van Bestuur "Besluit tankstations milieubeheer" en "Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer" en/of waar gemorst wordt met motorbrandstoffen en smeermiddelen, behoeft geen onderzoek naar chemische bestandheid van beton te worden uitgevoerd (De bestandheid is bij eerder gerealiseerde vloeistofdichte verhardingen bij tankstations voldoende aangetoond). Bouwkundige elementen, doorvoeren en verankeringen: Indien bouwkundige elementen, zoals wanden, poeren, e.d., ter plaatse worden gestort en deel uitmaken van de voorziening, dan moet het ontwerp aan de eisen zoals genoemd in artikel z.z.z worden getoetst. Deze eisen gelden tevens voor doorvoeren en verankeringen, waarbij de uitvoering van de details zodanig moeten worden ontworpen dat deze blijvend vloeistofdicht zijn uitgevoerd. Indien na realisatie van de opvangbak verankeringen worden aangebracht, dan moeten deze worden uitgevoerd met chemische of ingelijmde ankers, waarbij de bestandheid van de toegepaste materialen aangetoond moet zijn. Indien doorvoeren na realisatie van de opvangbak worden aangebracht, dan moeten de voegdetails en de gebruikte voegvulling worden afgestemd op de te verwachten (vloei)stoffen en temperatuurverschillen. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
45 10.3 Bijlage 3: Voorbeelden van voegafdichting Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
46 Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
47 Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
48 10.4 Bijlage 4: Tabel ten behoeve van de bepaling dauwpunt ( C) Tabel 1 : verband tussen relatieve vochtigheid, luchttemperatuur en dauwpunt lucht temp. ( C) relatieve luchtvochtigheid 50% 55% 60% 65% 70% 75% 80% 85% 90% 5-4,1-2,9-1,8-0,9 0,0 0,9 1,8 2,7 3,6 6-3,2-2,1-1,0-0,1 0,9 1,8 2,8 3,7 4,5 7-2,4-1,3-0,2 0,8 1,8 2,8 3,7 4,6 5,5 8-1,6-0,4 0,8 1,8 2,8 3,8 4,7 5,6 6,5 9-0,8 0,4 1,7 2,7 3,8 4,7 5,7 6,6 7,5 10 0,1 1,3 2,6 3,7 4,7 5,7 6,7 7,6 8,4 11 1,0 2,3 3,5 4,6 5,6 6,7 7,6 8,6 9,4 12 1,9 3,2 4,5 5,6 6,6 7,7 8,6 9,6 10,4 13 2,8 4,2 5,4 6,6 7,6 8,6 9,6 10,6 11,4 14 3,7 5,1 6,4 7,5 8,6 9,6 10,6 11,5 12,4 15 4,7 6,1 7,3 8,5 9,5 10,6 11,5 12,5 13,4 16 5,6 7,0 8,3 9,5 10,5 11,6 12,5 13,5 14,4 17 6,5 7,9 9,2 10,4 11,5 12,5 13,5 14,5 15,3 18 7,4 8,8 10,2 11,4 12,4 13,5 14,5 15,4 16,3 19 8,3 9,7 11,1 12,3 13,4 14,5 15,5 16,4 17,3 20 9,3 10,7 12,0 13,3 14,4 15,4 16,4 17,4 18, ,2 11,6 12,9 14,2 15,3 16,4 17,4 18,4 19, ,1 12,5 13,8 15,2 16,3 17,4 18,4 19,4 20, ,0 13,5 14,8 16,1 17,2 18,4 19,4 20,3 21, ,9 14,4 15,7 17,0 18,2 19,3 20,3 21,3 22, ,8 15,3 16,7 17,9 19,1 20,3 21,3 22,3 23, ,8 16,2 17,6 18,8 20,1 21,2 22,3 23,3 24, ,7 17,2 18,6 19,8 21,1 22,2 23,2 24,3 25, ,6 18,1 19,5 20,8 22,0 23,2 24,2 25,2 26, ,5 19,1 20,5 21,7 22,9 24,1 25,2 26,2 27, , ,4 22,7 23,9 25,1 26,2 27,2 28,2 Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
49 10.5 Bijlage 5: Blanco IKB-schema Hoofdgroep Onderwerp Aspect Methode Frequentie Registratie Directieverantwoordelijkheid Procedures Documentenbeheer Uitrusting en meetmiddelen Documenten Ingangscontrole Aanleg bedrijfsriolering Aanleg zandbed Aanleg tussenlaag Realisatie voorziening Eindkeuring en controle van de voorziening Voegen Applicatie voegvullingsmassa Oplevering voorziening Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
50 10.6 Bijlage 6: Formulier voor verbeteringsvoorstel Doel: Dit formulier is bedoeld om de huidige beoordelingsrichtlijn te optimaliseren. Daartoe kan commentaar worden ingediend bij de secretaris van het College van Deskundigen "Bodembeschermende Voorzieningen". Deze verzamelt de voorstellen en doet, afhankelijk van het commentaar, een voorstel aan het College om de beoordelingsrichtlijn te herzien. Indiener Naam:.. Bedrijf:.... Adres:.. Postcode:.. Plaats:... Telefoon:.. Telefax:... Betreft: BRL... artikel... Betreft tekst: Datum: Voorstelnummer:... In te vullen door secretaris van het CvD Tekstvoorstel: Verzendadres: Secretaris van het College van Deskundigen "Bodembeschermende Voorzieningen" p/a Kiwa N.V. Postbus AB Rijswijk. Het plaatsen en monteren van prefab elementen van beton tot vloeistofdichte opvangbakken
BRL 9600 Nationale Beoordelingsrichtlijn
BRL 9600 2004-03-01 Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit d.d. 21 juli 2004. voor het KOMO-procescertificaat voor Afbouwwerkzaamheden
Wijzigingsblad BRL 2813
Wijzigingsblad BRL 2813 Bouwelementen van beton 31 december 2014 Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door College van Deskundigen Constructief Beton d.d. 12 november 2014. Aanvaard
Nationale Beoordelingsrichtlijn
BRL 2319 2000-09-01 Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit voor het KOMO procescertificaat voor Aanleg vloeistofdichte voorzieningen
BRL 9935 Deel 03. Beoordelingsrichtlijn. Bijzonder deel 03: Kritiekversie d.d
BRL 9935 Deel 03 Kritiekversie d.d. 2016-01-15 Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO -procescertificaat voor het ontwerpen, aanbrengen en inspecteren en onderhouden van voorzieningen tegen valgevaar op daken
attest-met-productcertificaat Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 5
KOMO attest-met-productcertificaat Nummer K24174/02 Vervangt K24174/01 Uitgegeven 2006-09-01 d.d. 2004-01-01 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 5 Betonwarenindustrie Dautzenberg B.V. VERKLARING VAN KIWA
BRL 9935 Deel 01. Beoordelingsrichtlijn. Bijzonder deel 01: kritiekversie d.d
BRL 9935 Deel 01 kritiekversie d.d. 2016-01-15 Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO -procescertificaat voor het ontwerpen, aanbrengen en inspecteren en onderhouden van voorzieningen tegen valgevaar op daken
Wijzigingsblad BRL 2502
Wijzigingsblad BRL 2502 Korrelvormig materialen met een volumieke massa van ten minste 2000 kg/m 3 Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door College van Deskundigen Korrelvormige
Praktijkervaringen met de BRL SIKB mei 2017
Praktijkervaringen met de BRL SIKB 7700 16 mei 2017 INHOUD Presentatie Stephan Romers Ronald van Leeuwen Praktijkervaringen Aan de hand van een aantal cases ervaringen met de BRL SIKB 7700 uitwisselen
Product besteksteksten
RAW1171 INDUMIX Bladnr. 1 van 6 OMSCHRIJVING BESTEKS- POST- NUMMER CATALOGUSNUMMER HOOFD- DEFICODE CODE 1 : 2 : 3 : 4 : 5 : 6 EEN- HEID RESULTAATS- VERPLICHTING TER INLICHTING 1 INDUMIX PRODUCTEN 11 INDUMIX
Toelichting. Accreditatieschema AS SIKB 6700 Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement
Toelichting Accreditatieschema AS SIKB 6700 Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement 25 juni 2012 pagina 1 van 7 1 Inleiding Waarom inspecties van bodembeschermende
BRL 2372 Nationale Beoordelingsrichtlijn
BRL 2372 2003-12-03 Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit voor het KOMO procescertificaat voor BRL 2372 2003-12-03 Nationale Beoordelingsrichtlijn
VOORSCHRIFTEN. behorende bij de veranderingsvergunning Wm
VOORSCHRIFTEN behorende bij de veranderingsvergunning Wm betreffende het voornemen tot het reinigen van afvalwater van derden in de bestaande Biologische Voorzuivering Installatie (BVZI) Attero Noord BV
Herstelmaatregelen Vloeistofdichte Voorzieningen
Herstelmaatregelen Vloeistofdichte Voorzieningen Bij een inspectie volgens SIKB AS 6700 en één of meer Protocollen 6701 t/m 6704 stelt de Deskundig Inspecteur vast of de geïnspecteerde voorziening kan
Wijzigingsblad BRL 0503
Wijzigingsblad BRL 0503 Buig- en vlechtwerk en gehechtlaste (prefab) wapeningsconstructies 12 december 2018 Algemeen Dit wijzigingsblad behoort bij de beoordelingsrichtlijn 0503 Buig- en vlechtwerk en
Vloeistofdichte betonconstructies als bodembeschermende voorziening. Fred Veldhuizen 13 december 2016
Vloeistofdichte betonconstructies als bodembeschermende voorziening Fred Veldhuizen 13 december 2016 2 Lekkerkerk 1984 Paling eten uit het Twentekanaaal, dat zou ik straks niet meer doen Bomen kappen in
Overzicht wijzigingen certificatieschema onder AS SIKB 6700 AS SIKB 6700 van versie 2.0 naar versie 3.0
Overzicht wijzigingen certificatieschema onder AS SIKB 6700 AS SIKB 6700 van versie 2.0 naar versie 3.0 Paragraaf in versie 2.0 Paragraaf in versie 3.0 Beschrijving aanpassing in versie 3.0 Algemeen Algemeen
WIJZIGINGSBLAD BRL 1332 Het thermisch isoleren met een in situ spraysysteem van polyurethaanschuim. Pagina 1 van 5 d.d. 2015-07-29
Pagina 1 van 5 d.d. 2015-07-29 Dit wijzigingsblad behoort bij BRL 1332 d.d. 2013-01-02. Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door het College van Deskundigen Na-Isolatie d.d. 01-07-2015.
UITVOERINGSRICHTLIJN Handmatig verwerken van mortels URL 3201-1
UITVOERINGSRICHTLIJN Handmatig verwerken van mortels URL 3201-1 URL 3201-1 UITVOERINGSRICHTLIJN Handmatig verwerken van mortels BEHORENDE BIJ DE NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN VOOR HET KOMO PROCESCERTIFICAAT
Wijzigingsblad BRL 4702
Het gebruik van deze beoordelingsrichtlijn door derden, voor welk doel dan ook, is uitsluitend toegestaan nadat een schriftelijke overeenkomst met SGS INTRON Certificatie, KIWA, IKOB-BKB is gesloten waarin
UITVOERINGSRICHTLIJN VERVAARDIGING VAN SPACKSPUITWERK. URL 0708 d.d. 09-07-2013. Uitgever: IKOB-BKB BV en Kiwa Nederland B.V.
UITVOERINGSRICHTLIJN VERVAARDIGING VAN SPACKSPUITWERK URL 0708 d.d. 09-07-2013 Uitgever: Algemene informatie bij deze Uitvoeringsrichtlijn Deze Uitvoeringsrichtlijn is opgesteld in opdracht van de Nederlandse
SKH-Publicatie d.d
SKH-Publicatie 15-02 d.d. 15-07-2015 SKH-PUBLICATIE VOOR TOEPASSING VAN GEOPTIMALISEERD HOUT SAMENGESTELD UIT EEN COMBINATIE VAN VERSCHILLENDE HOUTSOORTEN EN/OF KWALITEITEN EN SUBSTRATEN IN HOUTEN GEVELELEMENTEN
KC-112/03 2001-12-17. Keuringscriteria voor de periodieke keuring van stalen nietstationaire opslag- en afleverinstallaties tot ten hoogste 3 m 3
2001-12-17 Keuringscriteria voor de periodieke keuring van stalen nietstationaire opslag- en afleverinstallaties tot ten hoogste 3 m 3 2001-12-17 Comment: Let op! Dit logo verwijderen indien de regeling
Ontwerp, aanleg en herstel van vloeistofdichte voorzieningen van beton
CUR Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving Aanbeveling 65 (tweede, herziene uitgave) Ontwerp, aanleg en herstel van vloeistofdichte voorzieningen van beton Deze CUR/PBV-Aanbeveling
Beoordelingsrichtlijn. voor een KOMO procescertificaat voor. Het constructief repareren en versterken van beton
BRL 3201 Deel 2 d.d. 01-01-2017 voor een KOMO procescertificaat voor Het constructief repareren en versterken van beton Vastgesteld door het College van Deskundigen Betonreparatie d.d. 05-10-2016 Aanvaard
NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN VOOR HET KOMO PROCESCERTIFICAAT VOOR AANBRENGEN VAN GEVELBEPLATINGEN MET BEHULP VAN LIJMSYSTEMEN
L/SfB BRL 4104 2003-02-01 NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN VOOR HET KOMO PROCESCERTIFICAAT VOOR AANBRENGEN VAN GEVELBEPLATINGEN MET BEHULP VAN LIJMSYSTEMEN Op 22 mei 2003 aanvaard door de Harmonisatie Commissie
KOMO attest K46446/05
475/170301 KOMO attest K46446/05 Uitgegeven 2017-06-20 Vervangt K46446/04 Geldig tot 2020-06-20 D.d. 2015-08-19 Pagina 1 van 14 Type: PAS Foliebassin met afdekking PAS Mestopslagsystemen B.V. VERKLARING
BRL 9600 Nationale Beoo rdelingsrichtlijn
BRL 9600 2004-03-01 Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit d.d. 21 juli 2004. voor het KOMO-procescertificaat voor Afbouwwerkzaamheden
KOMO Productcertificaat K7045/14
473/170628 KOMO Productcertificaat K7045/14 Uitgegeven 2018-10-16 Vervangt K7045/13 Geldig tot Onbepaald D.d. 2017-03-09 Pagina 1 van 5 Mechanische verbindingen van betonstaal: Categorie 1, Ductiliteitsklasse
Vloeistofdichte voorzieningen
B05 BODEM NRB 2001 B2 Vloeistofdichte voorzieningen 1 Beperken verspreidingsrisico 2.1 Vloeren, verhardingen en afdichtingen 3 2.1.1 Vloeistofdichte vloeren en verhardingen 3 a Materiaal en systeemkeuze
WIJZIGINGSBLAD NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN
WIJZIGINGSBLAD BRL 4101/7 2011-09-07 WIJZIGINGSBLAD NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN VOOR HET KOMO ATTEST (-MET-PRODUCTCERTIFICAAT) VOOR LIJM VOOR DE BEVESTIGING VAN GEVELBEPLATINGEN Vastgesteld door CvD
KOMO. CBS Beton BVBA. kwaliteitsverklaring
KOMO kwaliteitsverklaring Nummer K42673/04 Vervangt K42673/03 Uitgegeven 2015-01-01 d.d. 2014-09-30 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 8 CBS Beton BVBA VERKLARING VAN KIWA Deze kwaliteitsverklaring voor
Wijzigingsblad BRL
Dit wijzigingsblad behoort bij BRL 2120 Geprefabriceerde metselwerkwapening op basis van staal d.d. 13-11-2003. Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door het College van Deskundigen
KOMO productcertificaat K7530/09
KOMO productcertificaat Nummer K7530/09 Vervangt K7530/08 Uitgegeven 2008-12-15 d.d. 2008-04-01 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 5 Warmtereflecterend isolerend dubbelglas voor thermische isolatie Gethke
KOMO. Appel Beton Opmeer B.V. kwaliteitsverklaring
KOMO kwaliteitsverklaring Nummer K23863/07 Vervangt K23863/06 Uitgegeven 2015-01-01 d.d. 2014-03-01 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 7 Appel Beton Opmeer B.V. VERKLARING VAN KIWA Deze kwaliteitsverklaring
BRL 2803 Nationale Beoordelingsrichtlijn
BRL 2803 1998-10-06 Nationale Beoordelingsrichtlijn Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit voor het KOMO productcertificaat voor Elastische kitten V3 V4 V5 (i en e)
KOMO. B.V. De Meteoor. attest-met-productcertificaat. Stelcon bedrijfsvloerplaten van constructief beton
KOMO attest-met-productcertificaat Nummer K2392/08 Vervangt K2392/07 Uitgegeven 2016-07-01 d.d. 2009-01-01 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 7 B.V. De Meteoor VERKLARING VAN KIWA Dit attest-met-productcertificaat
Datum Oktober 2017 GASTEC QA ALGEMENE EISEN
Datum Oktober 2017 GASTEC QA ALGEMENE EISEN 253/160324 Voorwoord Kiwa Deze zijn goedgekeurd door het College van Deskundigen GASTEC QA, waarin belanghebbende partijen op het gebied van gas gerelateerde
KOMO Attest K67986/04
475/170301 KOMO Attest K67986/04 Uitgegeven 2018-02-27 Vervangt K67986/03 Geldig tot 2021-02-27 D.d. 2017-06-15 Pagina 1 van 13 Afdekkingen voor mestbassins Type: Flexxolutions GFS B.V VERKLARING VAN KIWA
KOMO attest. Bouwbesluit. Mestbassins Type: Muleby Systeem Tank 1A Aquastruct B.V. VERKLARING VAN KIWA
KOMO attest Nummer K88995/01 Vervangt -- Uitgegeven 2015-12-01 d.d. -- Geldig tot 2018-12-01 Pagina 1 van 18 Type: Muleby Systeem Tank 1A Aquastruct B.V. VERKLARING VAN KIWA Dit attest is op basis van
Productinformatieblad
weber.mix 6 in 1 is een kant-en-klare mortel geschikt voor diverse toepassingen. Ideale oplossing voor renovatieklussen en verbouwingen Vloer & wand Binnen & buiten Veelzijdig inzetbare mortel welke geschikt
BEOORDELINGSRICHTLIJN. voor het. KOMO-procescertificaat voor Het aanbrengen van tegelwerk BRL 1017
BRL 1017 d.d. 2009-03-16 BEOORDELINGSRICHTLIJN voor het KOMO-procescertificaat voor Het aanbrengen van tegelwerk BRL 1017 Techniekgebied PBU Vastgesteld door CvD IKOB-BKB d.d. 2009-04-01 Aanvaard door
Nummer K91317/01 Vervangt -- Uitgegeven d.d. -- Geldig tot Pagina 1 van 26. Mestbassins Type: Beutech-Agro-Betonsilo
KOMO attest Nummer K91317/01 Vervangt -- Uitgegeven 2016-06-09 d.d. -- Geldig tot 2019-06-09 Pagina 1 van 26 Mestbassins Type: Beutech-Agro-Betonsilo A-Consult GmbH VERKLARING VAN KIWA Dit attest is op
RWZI Boxtel te Boxtel
Inspectierapport 1.6193/14 Rapportagedatum 10 juli 2014 Versienummer 1 RWZI Boxtel te Boxtel Geïnspecteerde voorziening: De materialenstalling Opdrachtgever Project : E. Beks Bedrijfsvloeren B.V. te Uden
Betonnen olie-afscheiders en slibvangputten
Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving Betonnen olie-afscheiders en slibvangputten Eisen en beproevingsmethoden Postbus 420 2800 AK Gouda Telefoon 0182-540600 c Postbus 420 2800 AK
Vervang de inhoud van de volgende paragrafen in de BRL door de aangegeven tekst.
Wijzigingsblad BRL 2811 Ferrocement-producten Datum wijzigingsblad 27-09-2012 Vastgesteld door CvD Constructief Beton d.d. 21 juni 2012 Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit
KOMO. N.V. Beton R. Dobbelaere Bonte. kwaliteitsverklaring
KOMO kwaliteitsverklaring Nummer K23791/06 Vervangt K23791/05 Uitgegeven 2015-01-01 d.d. 2014-02-15 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 7 N.V. Beton R. Dobbelaere Bonte VERKLARING VAN KIWA Deze kwaliteitsverklaring
Wijzigingsblad BRL
Dit wijzigingsblad behoort bij BRL 9311 d.d. 16-04-2008, Gerecycled grind voor toepassing op daken en gerecycled grind en gerecyclede steenslag voor toepassing in ongebonden lagen in civiele werken en
Wijzigingsblad BRL 0511 Verankeringen voor betonnen sandwichconstructies
Wijzigingsblad BRL 0511 Verankeringen voor betonnen sandwichconstructies Datum wijzigingsblad d.d. 15 oktober 2012 Techniekgebied H9: Staal voor toepassing in beton Vastgesteld door CvD Wapeningsmaterialen
Wijzigingsblad BRL 7700
- 1 Wijzigingsblad BRL 7700 Vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen Bodembescherming N.B. Doorgehaalde tekst is geschrapt Onderstreepte tekst is toegevoegd Wijziging nummer 1 Wijzigingen
attest-met-productcertificaat
KOMO attest-met-productcertificaat Nummer Uitgegeven Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van x Keramische prefab wand- en gevelelementen VERKLARING VAN CI Dit attest-met-productcertificaat is op basis van BRL
Wijzigingsblad BRL
Dit wijzigingsblad behoort bij BRL 2701 d.d. 12-12-2012. Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door het College van Deskundigen voor metalen gevelelementen d.d. 20-11-2014. Aanvaard
Meten, waterpastoestel, meetbaak, theodoliet. Keuring volgens bestek, product, leverancier
ijlage K-9: estekskeuringsplan Project: Tunnel in de Willem de Zwijgerlaan nabij de Kooilaan in de gemeente Leiden esteksnummer 09-11 Verklaring van verkortingen S: Stoppunt : ijwoonpunt : egistratiepunt
VOOR DE AFGIFTE VAN EEN
27-05-2014 SKG RICHTLIJN VOOR DE AFGIFTE VAN EEN VERKLARING IN HET KADER VAN DE CPR OF EEN SKG-CERTIFICATE OF CONFORMITY Uitgave SKG Nadruk verboden Pagina 2. dd. 27-05-2014 VOORWOORD Deze richtlijn zal
Productinformatieblad
Krimparme gietmortel Five Star 190 voor het ondergieten van staalconstructies en betonelementen. Deze mortel voldoet aan CUR-Aanbeveling 24 en waar van toepassing aan NEN-EN 206-1. Unieke formule, bouwt
"VINGERLASHOEKVERBINDINGEN VOOR HOUTEN GEVELELEMENTEN"
d.d. 01-05-1995 "VINGERLASHOEKVERBINDINGEN VOOR HOUTEN GEVELELEMENTEN" Uitgever: Stichting Keuringsbureau Hout SKH Huizermaatweg 29 1273 NA Huizen Postbus 50 1270 AB Huizen Telefoon: (035) 526 87 37 Fax:
Wijzigingsblad BRL 9205
Wijzigingsblad BRL 9205 Duikerelementen van gewapend beton 14 maart 2014 Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door College van Deskundigen Constructief Beton d.d. [dd maand jjjj]
KE 11. Februari Keuringseis 11. Huisdrukregelaars, gasgebrekbeveiligingen en combinatieregelaars
KE 11 Februari 2019 Keuringseis 11 Huisdrukregelaars, gasgebrekbeveiligingen en combinatieregelaars 253/160324 Voorwoord Kiwa Deze Keuringseis is goedgekeurd door het College van Deskundigen productcertificatie
Algemene sterkte van de bouwconstructie , 2.3 en 2.4, lid 1a en 1b Sterkte bij brand en 2.11
Het gebruik van deze Beoordelingsrichtlijn door derden, voor welk doel dan ook, is uitsluitend toegestaan nadat een schriftelijke overeenkomst met Kiwa is gesloten waarin het gebruiksrecht is geregeld.
KOMO. Fingo N.V. kwaliteitsverklaring
KOMO kwaliteitsverklaring 8Nummer K55022/03 Vervangt K55022/02 Uitgegeven 2015-01-01 d.d. 2013-10-01 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 8 Fingo N.V. VERKLARING VAN KIWA Deze kwaliteitsverklaring voor productcertificatie
PROCEDURE TESTBATCH (VERF) ONDER KOMO
d.d. 10-09-2015 PROCEDURE TESTBATCH (VERF) ONDER KOMO Uitgave: SKH Nadruk verboden voor toepassing onder KOMO Pagina 2 van 6 Uitgever: Certificatie-instelling SKH Postbus 159 6700 AD WAGENINGEN Telefoon:
BRL 9500 Deel 02 2006-12-06
BRL 9500 Deel 02 2006-12-06 NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN voor het KOMO -, respectievelijk het NL-EPBD -procescertificaat voor ENERGIEPRESTATIEADVISERING voor het KOMO -procescertificaat voor het afgeven
Toelichting Inspectie Vloeistofdichtheid Bodembeschermende Voorzieningen
Toelichting Inspectie Vloeistofdichtheid Bodembeschermende Voorzieningen In dit document is een toelichting gegeven op de verschillende stappen binnen het traject van inspecties op vloeistofdichtheid van
KOMO. Naam certificaathouder. kwaliteitsverklaring
KOMO kwaliteitsverklaring Nummer Vervangt Uitgegeven d.d. Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 7 Naam certificaathouder VERKLARING VAN CI Deze kwaliteitsverklaring voor productcertificatie met attestering
Wijzigingsblad BRL 2202 (zonwerend)(warmtereflecterend) isolerend dubbelglas voor thermische isolatie 31 december 2014
Wijzigingsblad BRL 2202 (zonwerend)(warmtereflecterend) isolerend dubbelglas voor thermische isolatie 31 december 2014 Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door College van Deskundigen
Wijzigingsblad BRL
Dit wijzigingsblad behoort bij BRL 3131 d.d. 16-03-2004 en vervangt het wijzigingsblad d.d. 30-01- 2013 Vaststelling, aanvaarding en bindend verklaring Vastgesteld door het College van Deskundigen Metalen
Aanleg of herstel van een. Vloeistofdichte voegafdichting
Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voegafdichting Construction or repair of a liquid tight joint seal Protocol 7711 Versie 1.3 30-10-2014 Datum: 30-10-2014 Pagina: 1 van 9 Kenmerk SIKB-Officiële
Beoordelingsgrondslag voor vulmiddelen
SKH-PUBLICATIE 02-03 d.d. 2009-03-20 Beoordelingsgrondslag voor vulmiddelen Uitgave: SKH Nadruk verboden Uitgever: Certificatie-instelling SKH Postbus 59 6700 AD Wageningen Telefoon: 0317 453 425 Fax:
kiuna for progress KOMO' Henco Industries N.V. attest- met-p rod uctce rtif icaat Hencovision systeem
KOMO' attest- met-p rod uctce rtif icaat kiuna for progress Nummer K43A62 O1 Uitgegeven 2OO7-03-01 Vervangt d.d. R PflOOljITS RvA [ 002 Geldig tot Onbepaald Pagina 1van3 Hencovision systeem Henco Industries
BEOORDELINGSRICHTLIJN WIJZIGINGSBLAD
BRL 9600 Wijzigingsblad 09-07-203 BEOORDELINGSRICHTLIJN WIJZIGINGSBLAD VOOR HET KOMO PROCESCERTIFICAAT VOOR AFBOUWWERKZAAMHEDEN Vastgesteld door het College van Deskundigen Afbouwwerkzaamheden d.d. 05-04-203
KANAALPLAATVLOER PRODUCTEN 3 SYSTEEMVLOEREN
5 5 PRODUCTEN 3 SYSTEEMVLOEREN KANAALPLAATVLOER Een kanaalplaatvloer is een vrijdragende systeemvloer met een rechthoekige doorsnede, die van holle kanalen is voorzien. De vloer wordt soms ook wel holle
KOMO. Kemper Keerwanden B.V. kwaliteitsverklaring
KOMO kwaliteitsverklaring Nummer K77574/03 Vervangt K77574/02 Uitgegeven 2015-01-01 d.d. 2014-01-15 Geldig tot Onbepaald Pagina 1 van 7 Kemper Keerwanden B.V. VERKLARING VAN KIWA Deze kwaliteitsverklaring
Beoordelingsrichtlijn
BRL 3201 Deel 02 Groene versie Versie 2016-06-03 Voor een KOMO Procescertificaat voor het constructief repareren en versterken van beton Commentaar voor 1 september 2016 graag zenden aan [email protected]
edilon)(sedra contracting
edilon)(sedra contracting Specialisten met oog voor detail contracting www.edilonsedracontracting.com edilon)(sedra contracting Specialisten met oog voor detail 2 Veelzijdige onderhoudsaannemer Hoofdactiviteiten
NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN VOOR HET KOMO-PRODUCTCERTIFICAAT VOOR "LIJMEN VOOR DRAGENDE HOUTEN BOUWCONSTRUCTIES" van de Stichting Bouwkwaliteit
Ú BRL 2338 d.d. 1998-11-15 NATIONALE BEOORDELINGSRICHTLIJN VOOR HET KOMO-PRODUCTCERTIFICAAT VOOR "LIJMEN VOOR DRAGENDE HOUTEN BOUWCONSTRUCTIES" Aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting
Chex Liftkeuringen B.V Reglement R.1.0. Keuringen van liftinstallaties tijdens de gebruiksfase van de liftinstallatie
Chex Liftkeuringen B.V Reglement R.1.0 Keuringen van liftinstallaties tijdens de gebruiksfase van de liftinstallatie 04 januari 2015 Pagina 1/6 Inhoud 0. Inleiding 3 1. Toepassingsgebied 3 2. Toegepaste
Leicon Prefab Vluchtheuvels
Leicon Prefab Vluchtheuvels [01] Producttypering De prefab vluchtheuvelelementen van Leicon worden toegepast voor middengeleiding, rijbaan-afscheiding en als funderingsplaten voor bebording binnen de bebouwde
Productinformatieblad
webermix 6 in 1 is een kant-en-klare mortel geschikt voor diverse toepassingen Metselen, voegen, stucadoren, vloersmeren, tegels leggen Ook geschikt voor metselen glazen bouwstenen Veelzijdig inzetbare
Producent van. cementgebonden afstandhouders. Producent van. Bedrijfsbrochure
cementgebonden af Producent van Bedrijfsbrochure Bedrijfsinformatie Logistiek / Export Stoterbeton.nl Stoter Beton B.V. is sinds 1936 gespecialiseerd in het vervaardigen van cementgebonden afstandhouders.
KOMO Productcertificaat S
KOMO Productcertificaat Uitgegeven 19-07-05 Vervangt Geldig tot Onbepaald D.d. 19-06- Pagina 1 van 5 Cugla B.V. VERKLARING VAN KIWA Dit KOMO productcertificaat is op basis van BRL 1803 Hulpstoffen voor
