Tweede Kamer der Staten-Generaal

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Tweede Kamer der Staten-Generaal"

Transcriptie

1 Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Raad voor Concurrentievermogen Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie Nr Samenstelling: Leden: Crone (PvdA), De Grave (VVD), voorzitter, De Haan (CDA), Remkes (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (Groen- Links), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Van der Laan (D66), Heemskerk (PvdA), Samsom (PvdA) en Van Dam (PvdA). Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Van Beek (VVD), Van der Hoeven (CDA), Örgü (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Mastwijk (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Van Miltenburg (VVD), Jan de Vries (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Lazrak (SP), De Ruiter (SP), Eerdmans (LPF), De Pater-van der Meer (CDA), Nicolaï (VVD), Smeets (PvdA), Van Heteren (PvdA), Hofstra (VVD), Giskes (D66), Tjon- A-Ten (PvdA), Van Dijken (PvdA) en Waalkens (PvdA). 2 Samenstelling: Leden: Van Nieuwenhoven (PvdA), Van de Camp (CDA), Cornielje (VVD), voorzitter, Atsma (CDA), Hamer (PvdA), Karimi (Groen- Links), Van Bommel (SP), Vendrik (Groen- Links), Mosterd (CDA), Slob (ChristenUnie), Vergeer-Mudde (SP), Van Bochove (CDA), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), Hessels (CDA), Jan de Vries (CDA), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Eijsink (PvdA), Leerdam VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG Vastgesteld 14 mei 2003 De vaste commissie voor Economische Zaken 1, de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 2, de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport 3, de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken 4 en de vaste commissie voor Justitie 5 hebben op 23 april 2003 overleg gevoerd met minister Van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en staatssecretaris Wijn van Economische Zaken over: het verslag van de Raad voor het concurrentievermogen van maandag 3 maart 2003 ( , nr. 15); de agenda van de Raad voor het concurrentievermogen van maandag 12 en dinsdag 13 mei 2003 ( , nr. 17); de fiche over een voorstel voor een Verordening van de Raad ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (22 112, nr. 256, fichenr. 2) (EZ-03-40/VWS /BUZA-03-36); de fiche over een voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren (22 112, nr. 252, fichenr. 2) (EZ-03-46/JUST-03-90). Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit. (PvdA), ondervoorzitter, Nijs (VVD), Van der Laan (D66), Rutte (VVD), Van Miltenburg (VVD), Kraneveldt (LPF), Hermans (LPF) en Van Dam (PvdA). Plv. leden: Kruijsen (PvdA), Ferrier (CDA), Rijpstra (VVD), Van der Knaap (CDA), Boelhouwer (PvdA), Halsema (GroenLinks), Lazrak (SP), Tonkens (GroenLinks), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Wijn (CDA), Dijksma (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Van der Hoeven (CDA), Sterk (CDA), De Vries (VVD), Verbeet (PvdA), Arib (PvdA), Stuurman (PvdA), De Grave (VVD), Van der Ham (D66), Örgü (VVD), Van Beek (VVD), Varela (LPF), Nawijn (LPF) en Adelmund (PvdA). 3 Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Van der Vlies (SGP), Kalsbeek (PvdA), Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Buijs (CDA), Atsma (CDA), ondervoorzitter, Arib (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Kant (SP), Eurlings (CDA), Wilders (VVD), Mosterd (CDA), Smits (PvdA), Örgü (VVD), Verbeet (PvdA), Van Oerle-van der Horst (CDA), Vergeer-Mudde (SP), Vietsch (CDA), Tonkens (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van Heteren (PvdA), Nawijn (LPF), Van Dijken (PvdA), Timmer (PvdA), Van Miltenburg (VVD) en Hermans (LPF). Plv. leden: Griffith (VVD), Rouvoet (Christen- Unie), Verdaas (PvdA), Van Beek (VVD), Van der Ham (D66), Ferrier (CDA), Cqörüz (CDA), Blom (PvdA), Halsema (GroenLinks), Gerkens (SP), Jager (CDA), De Grave (VVD), Ross-van Dorp (CDA), Van Dam (PvdA), Blok (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), De Ruiter (SP), Ormel (CDA), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Waalkens (PvdA), Varela (LPF), Bussemaker (vervolg samenstellingen op pag. 2) KST tkkst ISSN Sdu Uitgevers s-gravenhage 2003 Tweede Kamer, vergaderjaar , en , nr. 19 1

2 (Vervolg samenstellingen van pag. 1) (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Hirsi Ali (VVD) en Kraneveldt (LPF). 4 Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), De Graaf (D66), Dijksma (PvdA), De Haan (CDA), voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Wilders (VVD), Van Baalen (VVD), Van Aartsen (VVD), Van Winsen (CDA), Van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga- Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Van Velzen (SP), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Hirsi Ali (VVD) en Eijsink (PvdA). Plv. leden: Nijs (VVD), Dittrich (D66), Dubbelboer (PvdA), Hessels (CDA), Stuurman (PvdA), Vos (GroenLinks), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam (PvdA), Sterk (CDA), De Vries (VVD), Rijpstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Varela (LPF), Van den Brink (LPF), Ross-van Dorp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Balkenende (CDA), Cqörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Waalkens (PvdA) en Geluk (VVD). 5 Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), voorzitter, De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Vos (GroenLinks), Cornielje (VVD), Rouvoet (ChristenUnie), Kamp (VVD), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Rietkerk (CDA), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Örgü (VVD), Cqörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (Groen- Links), Jan de Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Straub (PvdA), Nijs (VVD) en Griffith (VVD). Plv. leden: Van der Hoeven (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Van der Laan (D66), Halsema (GroenLinks), Nicolaï (VVD), Van der Staaij (SGP), Blok (VVD), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), De Pater-van der Meer (CDA), Tjon-A-Ten (PvdA), Ormel (CDA), Remkes (VVD), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer-Mudde (SP), Arib (PvdA), Karimi (GroenLinks), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Nawijn (LPF), Joldersma (CDA), Hermans (LPF), Van Dijken (PvdA), Rijpstra (VVD) en Hirsi Ali (VVD). Vragen en opmerkingen uit de commissies De heer Algra (CDA) verwijst naar de mededeling in de geannoteerde agenda met betrekking tot het Europees concurrentiekrachtrapport. In dit rapport doet de Europese Commissie jaarlijks verslag van de verwezenlijking van de Lissabondoelstelling om in 2010 de meest concurrerende economie ter wereld te zijn. Voor deze ambitie heeft de CDA-fractie in het vorige AO haar steun uitgesproken. Van belang is nu te weten in hoeverre de Commissie met het realiseren van haar doelstelling op schema ligt en of er onderdelen zijn waarop onvoldoende voortgang is. Het is belangrijk daarvan eventueel in een vroeg stadium mededeling te doen. Aangezien Europa met innovatie achterloopt op de VS is aandacht voor dit onderwerp van belang. Blijkens de geannoteerde agenda legt de Commissie voortaan ook de nadruk op een betere coördinatie van het innovatiebeleid op regionaal en lokaal niveau en beperkt zij zich hierbij dus niet tot nationale en internationale coördinatie. Welke maatregelen worden door de Nederlandse regering genomen om de coördinatie op lokaal en regionaal niveau te verbeteren? De Commissie zal op de komende Raad een presentatie geven met betrekking tot haar actieplan om in 2010 een investeringsniveau voor O&O van 3% BBP te realiseren. Volgens de geannoteerde agenda wacht Nederland met belangstelling dat Actieplan af. Neemt het zelf geen initiatieven? Het verdient aanbeveling dat ook Nederland meer geld en energie steekt in innovatieve ontwikkelingen. Zijn er voorbeelden van de bevordering van innovatie in Nederland? Met betrekking tot het vernieuwde beleid inzake chemische stoffen is Nederland van mening dat de gevaarlijkste stoffen eerst in aanmerking moeten worden genomen. Uiteraard komen daarna de overige stoffen in beeld. Het vernieuwde beleid dat vervolgens ontstaat zal voor het bedrijfsleven een verhoging van de administratieve lasten met zich brengen. Hoever wil Nederland daarin gaan? Zijn er op Europees niveau ideeën op dit punt? Zal de Kamer op de hoogte worden gesteld van de uitkomst van de consultaties bij alle belanghebbenden? Nederland is betrokken bij het Europese initiatief voor de ontwikkeling van de scheepsbouwindustrie. Niet duidelijk is hoe de Nederlandse sector er thans voor staat. Kan de staatssecretaris hierover iets zeggen? In welke mate heeft de steun voor de Nederlandse scheepsbouwindustrie de werkgelegenheid in deze sector bevorderd? De heer Algra zegt verbaasd te zijn over de mogelijkheid om aanzienlijke hoeveelheden sterk in prijs verlaagde farmaceutische producten op de markten van de allerarmste ontwikkelingslanden op te kopen en ze tegen een veel hogere prijs in Westerse landen op de markt te brengen. Bij navraag in de sector is hem gebleken dat deze praktijk vooral de laatste tijd is toegepast. Het is volstrekt helder dat zij moet worden bestreden. Worden daarvoor voldoende maatregelen genomen? Terecht neemt de Europese Commissie maatregelen met betrekking tot de drugsprecursoren. Wat zullen die echter betekenen voor de Nederlandse industrie? Wordt voorkomen dat zij onevenredig veel administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich brengen? De heer Douma (PvdA) vraagt zich af waarom de discussie over de overnamerichtlijn niet staat geagendeerd voor de komende Raad voor het concurrentievermogen. Over dit onderwerp is tijdens de vorige Raad gesproken en het is nog steeds aan de orde in onderhandelingen in Brussel. Voor welke positie kiest de Nederlandse regering bij die onderhandelingen? Een van de punten waarover kamerbreed overeenstemming is, is het realiseren van de doelstelling om in % van het BBP te besteden aan onderzoek en ontwikkeling. Over dit onderwerp zal de Commissie op de komende Raad een presentatie geven. Op nationaal niveau heeft het Tweede Kamer, vergaderjaar , en , nr. 19 2

3 formuleren van deze doelstelling nog niet tot actie geleid. Ondanks de precaire politieke situatie in Nederland is het toch nodig dat de regering met plannen op dit punt komt. Het algemeen streven is om de herziening van de Concentratieverordening in 2003 af te ronden. Gaat het daarbij om meer dan enkele technische aanpassingen en, zo ja, welke zijn dat dan? Ten slotte wijst de heer Douma erop dat de dienstensectoren in verschillende gremia en met verschillende invalshoeken aan de orde zijn. Er wordt bijvoorbeeld niet alleen in de EU, maar ook in het kader van de WTO over aspecten van de dienstensector gesproken. De verschillende trajecten die daarbij aan de orde zijn, kennen raakvlakken. Een debat over alle aspecten van de dienstensector zou thans nuttig zijn teneinde een geïntegreerde aanpak te bevorderen. Het antwoord van de bewindslieden De staatssecretaris van Economische Zaken merkt op dat op de komende Raad voor het concurrentievermogen de Commissie zal voorstellen onderzoek te gaan doen naar de mate waarin lidstaten hun markten voor de defensie-industrie afschermen. Lidstaten mogen op dit punt een eigen beleid voeren, maar de Commissie wil nagaan of met betrekking tot de aanbesteding en onderzoek en ontwikkeling regels dienen te worden gesteld. Nederland zal zich afwachtend opstellen. Nadat de Europese Raad van Barcelona de ambitie had uitgesproken om in de EU het investeringsniveau voor onderzoek en ontwikkeling te verhogen, is de Commissie met aanbevelingen gekomen. De Commissie stelt onder andere voor om een website te openen voor het melden van initiatieven en het publiceren van handleidingen. Verder zou via de website kunnen worden bevorderd dat de verschillende rapportages op het gebied van innovatie beter op elkaar aansluiten. Over het Actieplan 3% van de Commissie kan de regering nog geen mededelingen doen, omdat dit nog moet verschijnen. De doelstelling van het halen van de 3% BBP voor O&O wil de regering bevorderen, vooral omdat het gevaar dreigt dat met de huidige ongunstige economische vooruitzichten bedrijven minder zullen investeren in innovatie. Daarbij komt dat de inspanningen van het bedrijfsleven achterblijven bij die van de overheid. Van de 3% BBP in 2010 zou 1% door de overheid moeten worden gerealiseerd en 2% door het bedrijfsleven. Thans wordt zowel door de overheid als het bedrijfsleven 0,8% gerealiseerd. In aanmerking dient te worden genomen dat concurrentie aan de hand van de loonkosten op den duur geen soelaas biedt. Daarom dient het bedrijfsleven ook in moeilijke perioden innovatie tot speerpunt van zijn beleid te maken. Naast investeren in onderzoek en ontwikkeling is in dit verband de samenwerking tussen het bedrijfsleven en kenniscentra van belang. Het belang van innovatie geldt ook voor de scheepsbouwindustrie, vooral omdat door de Zuid-Aziatische landen daaraan meer aandacht wordt besteed. De regeling die Nederland heeft opgesteld voor zijn scheepsbouwindustrie moet nog door Brussel worden goedgekeurd. Zij zal waarschijnlijk de instemming van de Commissie krijgen als daarmee binnen de afgesproken Europese kaders wordt gebleven. De regeling mag dus niet concurrentievervalsend werken. Ter voorbereiding op de goedkeuring wordt de Commissie de nodige informatie verschaft en overleg gepleegd met de sector. Nog niet duidelijk is wat het effect van de steunregeling voor de scheepsbouw op de werkgelegenheid zal zijn. De Raad heeft een verordening opgesteld die is gericht op de controle van de handel in precursoren tussen de lidstaten en derde landen. Daarnaast is er een richtlijn voor de controle van de handel binnen de interne markt. Door de ongelijke toepassing van beide instrumenten was de controle in de EU niet efficiënt. Daarom wil de commissie tot harmonisering komen. Nederland vindt het van belang dat de harmonisering geen nieuwe admi- Tweede Kamer, vergaderjaar , en , nr. 19 3

4 nistratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich brengt. Gelet op het grote volume van de legale handel van precursoren zal een beleid moeten worden ontwikkeld dat meer is gericht op de opsporing van illegale handel en minder op het toezicht van reguliere commerciële activiteiten. Over de opgestelde overnamerichtlijn kon geen overeenstemming worden bereikt tussen de vertegenwoordigers van de EU-lidstaten. Voor Nederland is dat niet ongunstig. De beschermingsconstructie die Nederland hanteert voor het bedrijfsleven zou namelijk bij aanneming voor de voorgestelde overnamerichtlijn moeilijk op het huidige niveau te handhaven zijn. Nederland zou daarmee in een nadelige positie ten opzichte van Duitsland en Frankrijk komen. Het Griekse voorzitterschap heeft op 3 maart de mogelijkheid geopperd van het opstellen van een richtlijn waarmee alle beschermingsconstructies worden verboden. Die richtlijn zou in 2010 moeten gaan gelden. De Scandinavische landen en Frankrijk zijn daar op tegen. Mogelijk dat op de vergadering van de Raad voor het Concurrentievermogen van 19 mei op dit punt meer duidelijkheid ontstaat. Op de eerstvolgende Raad zal de Commissie mededelingen doen over de stand van zaken met betrekking tot het chemischestoffenbeleid. De voorgestelde maatregelen zullen worden voorgelegd aan alle belanghebbenden. Het gevaar van administratievelastendruk voor het bedrijfsleven is inderdaad aanwezig. Mogelijk leidt de consultatieronde tot argumenten van de kant van het bedrijfsleven waarmee een al te groot pakket aan regels kan worden voorkomen. Ook bij bespreking van de concentratieverordening staat voor Nederland naast rechtszekerheid de lastenverlichting voor het bedrijfsleven centraal. De huidige verordening kent een groot aantal technische details. De herziening zal tot een meer praktische hanteerbaarheid moeten leiden. De bevoegdheden van de Commissie zullen met de herziening niet aanmerkelijk veranderen. De Raad zal over dit onderwerp echter pas op 19 mei spreken. De staatssecretaris onderstreept de onwenselijkheid van het terugsluizen van medicijnen die in prijs verlaagd op de markten van de allerarmste ontwikkelingslanden komen. Deze methode ondergraaft het streven om in prijs verlaagde geneesmiddelen tegen malaria en HIV/aids aan Derde- Wereldlanden aan te bieden. Ook de industrie is voorstander van aanscherping van de regelgeving voor het tegengaan van de kwalijke praktijk om via een omweg deze medicijnen op de Westerse markt te brengen. Knelpunten bij de behandeling van de desbetreffende verordening zijn de criteria op grond waarvan medicijnen in aanmerking komen om op de lijst te worden gezet van producten waarvoor een gedifferentieerde prijs kan worden vastgesteld en de keuze van de landen waaraan geleverd kan worden. Daarnaast geldt de vraag wat er moet gebeuren met medicijnen die in beslag worden genomen. In beginsel bepaalt de rechter wat er met deze medicijnen gebeurt. Nederland is voorstander van het ter beschikking stellen van deze geneesmiddelen voor humanitaire projecten. De staatssecretaris zegt ten slotte begrip te hebben voor de wens om een geïntegreerd debat over de liberalisering van de verschillende dienstensectoren te voeren. Hij meent evenwel dat zo n debat met als invalshoek de Europese markt voorbijgaat aan het feit dat in het kader van de WTO ook aan liberalisering van de dienstensector wordt gewerkt. Afspraken tussen de EU-lidstaten zouden naast de afspraken in WTO-verband komen. Het lijkt hem beter te voorkomen dat verschillende trajecten ontstaan zonder dat de gewenste duidelijkheid ontstaat. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zegt in aansluiting op de opmerkingen van de staatssecretaris over de 3%-doelstelling dat de Nederlandse regering de Europese Commissie heeft geïnformeerd over haar zienswijze op dit punt. De 3%-doelstelling geldt namelijk wel voor de hele EU, maar elke lidstaat kan die op haar Tweede Kamer, vergaderjaar , en , nr. 19 4

5 eigen manier realiseren. De Commissie beschikt niet over sancties om landen te dwingen de 3% BBP-uitgaven aan O&O in 2010 te realiseren. De inzet van Nederland is vooral te komen tot verhoging van de private investeringen in research en development. De inspanningen van het Nederlandse bedrijfsleven zijn namelijk aanzienlijk minder dan die van de bedrijven elders in Europa. Verder wil Nederland binnen de bestaande, restrictieve financiële kaders komen tot rendementsvergroting van het publieke onderzoeks- en innovatie-instrumentarium. Elementen hiervan zijn: verbetering van de wisselwerking tussen de publieke kennisinstellingen en de bedrijven, onderzoeksbekostigingen van universiteiten meer op basis van kwaliteit, versterking van de positie van vrouwen en allochtonen in het onderzoeksbestel en het verminderen van de tekorten aan bèta-opgeleiden. Met betrekking tot het laatste punt dient er vooral aandacht te zijn voor de vervolgstudies, omdat blijkt dat bèta-opgeleiden in de tweede fase niet altijd een bèta-technisch gerichte opleiding in het hbo of het wo kiezen. In dit verband is ook van belang: de presentatie van bedrijven van mogelijke beroepen voor mensen met een wis-, schei- of natuurkundeopleiding en het verbeteren van de mobiliteit van onderzoekers door bijvoorbeeld het inzetten van kenniswerkers uit niet-eu-landen. Tot slot noemt de minister het belang van een duurzame samenwerking tussen het bedrijfsleven en kennisinstellingen en de noodzaak van het creëren van een Europese onderzoeksruimte. Nadere gedachtewisseling De heer Algra (CDA) vraagt zich af of innovatie niet alleen nationaal, maar ook regionaal en lokaal voldoende gestalte krijgt. In dat verband valt met name te denken aan de scheepsbouw. De innovatieve kracht van deze sector is van belang. Misschien bestaan er al ideeën om lokale innovatie vooral op dit terrein invulling te geven. Met name is van belang dat de inzet van de regering een zodanige vertaling krijgt dat de markt gestimuleerd wordt haar verantwoordelijkheid te nemen. Een positieve uitstraling van het bedrijfsleven zal de concurrentiekracht ervan bevorderen. De heer Douma (PvdA) spreekt de hoop uit dat de Nederlandse vertegenwoordigers in Brussel kunnen bewerkstelligen dat op niet al te lange termijn toch een overnamerichtlijn tot stand komt. Misschien moet genoegen worden genomen met een minder drastische verandering. Het alternatief is geen richtlijn op de korte termijn en een wellicht nog jaren durende discussie over dit onderwerp. Terecht wil de regering bevorderen dat de private sector haar verantwoordelijkheid neemt op het punt van onderzoek en ontwikkeling. In dat verband zouden de middelen die via NWO en KNAW worden ingezet meer gericht kunnen worden aangewend. Ook is het nodig om het grote aantal subsidieregelingen nader te bestuderen en eventueel te bundelen. De heer Douma merkt ten slotte op dat de besprekingen van het dienstendossier in de verschillende gremia niet het gewenste effect voor de samenleving hebben. Betrokkenen weten namelijk steeds minder waar zij aan toe zijn. Het is van belang de eventuele knelpunten zichtbaar te maken, maar ook om onrust bij betrokkenen weg te nemen. Thans weet men niet wat de liberalisering van de dienstensector in de EU uiteindelijk betekent in het licht van de maatregelen die in het kader van de WTO worden genomen. De staatssecretaris van Economische Zaken zegt zich te willen bezinnen op de vraag op welke manier meer duidelijkheid kan worden geschapen met betrekking tot liberalisering van de dienstensector. Hij wijst erop dat de regels in het kader van de WTO een geheel andere jurisdictie kennen dan die welke in EU-verband worden genomen. Het lijkt Tweede Kamer, vergaderjaar , en , nr. 19 5

6 hem met het oog daarop juist meer voor de hand liggen om de maatregelen in beide gremia goed van elkaar te onderscheiden. De vermenging van WTO- en EU-maatregelen zorgt namelijk voor de onduidelijkheid. Bij innovatie kan een regionale component aan de orde zijn, maar voorkomen moet worden dat men een te grote spreiding van centra krijgt. Dat werkt versnippering in de hand, terwijl juist bundeling nodig is. Met de huidige stand van de technologie speelt de afstand steeds minder een rol. Het is dan ook logischer te clusteren aan de hand van kennis en niet aan de hand van geografische lijnen. Dit bevordert de internationale oriëntatie die bij innovatieve doorbraken belangrijk is. Op een volgende Raad zal worden gesproken over de toekomst van de scheepsbouwindustrie. Nederland kent voor drie segmenten van zijn scheepsbouwindustrie een subsidieregeling, maar die is beperkt, zodat ook voor de scheepsbouw de concurrentiekracht van het innovatieve vermogen moet komen. De staatssecretaris meent dat het zeer geleidelijk doorvoeren van een overnamerichtlijn voor Nederland grote risico s met zich kan brengen. Er bestaat dan het gevaar dat beschermingsconstructies voor Nederlandse bedrijven worden opgeheven en die welke elders in Europa worden gehanteerd veel later aan de orde komen. Dat zou de positie van het Nederlandse bedrijfsleven benadelen. Bij uitstel van de aanvaarding van de overnamerichtlijn is er de kans dat veel Nederlandse bedrijven in buitenlandse handen komen, bij een snelle aanvaarding is er weer het risico van ongelijke behandeling. Beide keuzen hebben dus een nadeel en daarom is het van belang te zoeken naar een evenwichtige benadering. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vult aan dat bij onderzoek en ontwikkeling de regionale aanpak onvermijdelijk is, maar dat dat niet een toename van het aantal instellingen hoeft te betekenen. Nederland is daar ook te kleinschalig voor. Juist door het werken via de kennislijnen in plaats van via geografische lijnen kan een meer logische bundeling ontstaan. Verder zal moeten worden ingespeeld op reeds bestaande potenties en bestaande mogelijkheden. In antwoord op een vraag van de heer Douma merkt de minister op dat NWO en KNAW vooral taken hebben voor het fundamentele onderzoek, maar dat dit voorwaarde is voor toepassingsgericht onderzoek. Zowel het fundamenteel als het toepassingsgericht onderzoek zal op peil moeten worden gehouden via de daarvoor bestaande geldstromen. Voorkomen moet worden dat Nederland geen interessante bijdragen kan leveren aan Europese onderzoeksprogramma s. In de loop van het jaar zal het kabinet het nieuwe wetenschapsbudget presenteren. Ook in de innovatienota zal op het beleid gericht op onderzoek en ontwikkeling worden ingegaan. De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, De Grave De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Cornielje De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Terpstra De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, De Haan De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie, Van de Camp De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Tielens-Tripels Tweede Kamer, vergaderjaar , en , nr. 19 6

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 260 Visumverlening in Schengenverband Nr. 3 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 16 december 2003 De commissie voor de Rijksuitgaven 1

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 439 Nadere voorschriften in verband met samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 636 Wijziging van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ter implementatie van de vierde

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 29 827 Wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet op de economische delicten en het Wetboek van Strafvordering ter implementatie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 27 111 Vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid Nr. 13 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 23 december

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 490 Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (planschadevergoedingsovereenkomsten) Nr. 6 VERSLAG Vastgesteld 25 mei 2004 De vaste commissie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 165 Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 28 600 IXB Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2003

Nadere informatie