IND-werkinstructie nr. 2005/22 (AUB)
|
|
|
- Mirthe Baert
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 IND-werkinstructie nr. 2005/22 (AUB) ^~å Procesdirecteuren IND c.c. HDVB s~å Hoofddirecteur IND a~íìã 1 juli 2005 sáåçéä~~íë Quest : trefwoord 1F, objecttype werkinstructie låçéêïéêé Procedurele aspecten van artikel 1F Vluchtelingenverdrag Inleiding De Staatssecretaris van Justitie heeft in de brief van 28 november 1997 aan de voorzitter van de Tweede Kamer de uitgangspunten neergelegd van het beleid aangaande het uitsluitingsartikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (TK , 19637, nr. 295). Dit artikel ziet onder meer op personen ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en/of ernstige niet-politieke misdrijven. In deze interne werkinstructie worden de procedurele aspecten van artikel 1F uiteengezet. Hierbij wordt benadrukt dat het voor een snelle en zorgvuldige besluitvorming van belang is dat de 1F-indicaties in een zo vroeg mogelijk stadium worden gesignaleerd en in een nader gehoor aan de orde komen, bij voorkeur in de aanmeldcentrum (AC) procedure. Bij deze werkinstructie zijn bijlagen gevoegd met daarin onder meer definities van begrippen en indicatoren die van belang zijn voor het bepalen van de reikwijdte en toepasbaarheid van artikel 1F. Deze werkinstructie vervangt IND-werkinstructie 256 en vormt verder een aanvulling op de procedurele aspecten van de brief van 28 november 1997 en van de tekst in C3/10.14 en C1/4.6.4 Vreemdelingencirculaire (Vc). Inhoud Werkinstructie 1. Procedure in het AC a. Artikel 30 Vreemdelingenwet en artikel 1F Indien een aanvraag op de imperatieve afwijzingsgronden van artikel 30 Vreemdelingenwet kan worden afgewezen, behandelt het AC deze aanvraag als te doen gebruikelijk op grond van dit artikel. Indien er evenwel aanwijzingen zijn dat artikel 1F mogelijk van toepassing is, en de aanvraag wordt afgedaan op de imperatieve afwijzingsgronden van artikel 30 Vreemdelingenwet, dient hiervan de volgende aantekening te worden gemaakt in INDIS (in het VS, onder basisregistratie, wijzig, opmerkingen): Bij aanvraag betrokkene, contact opnemen met unit 1F. Daarnaast dient, indien de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 30, onder a of d, het verantwoordelijke of ontvangende land op de hoogte te worden gesteld van aanwijzingen dat artikel 1F mogelijk van toepassing is. b. Wanneer nader gehoor op 1F-aspecten in AC
2 Indien tijdens het eerste of nader gehoor blijkt dat de aanvraag niet op grond van artikel 30 Vreemdelingenwet kan worden afgewezen en er indicaties bestaan dat artikel 1F mogelijk van toepassing is, dient betrokkene indien mogelijk in het AC nader te worden gehoord op 1F-aspecten. Voordat hiertoe wordt overgegaan, dient de betreffende AC-medewerker eerst contact op te nemen met het betreffende landenaanspreekpunt van de unit 1F, zoals die staat vermeld op intranetsite van de unit 1F (zie onder Asiel). Het landenaanspreekpunt van de unit 1F geeft in een interne memo de 1F-indicaties en de relevante vragen aan voor het nader gehoor in het AC. Aan de hand van deze vragen zal zoveel mogelijk twijfel omtrent de 1Findicaties moeten worden weggenomen. Voor informatie over 1F-indicaties en relevante vragen voor het eerste en nader gehoor wordt verder verwezen naar het bepaalde onder 3. Deze vragen zijn ook opgenomen in de gehoormacro van WIDS (zie onder algemene gehoorbouwstenen, detailvragen, artikel 1F). Het rapport van nader gehoor dient een historisch (chronologisch) overzicht te bevatten van de werkzaamheden/ activiteiten, rangen, functies, handelingen en dergelijke van betrokkene. Na ontvangst van de aanvullingen en correcties op het rapport van nader gehoor zal in overleg met de unit 1F worden beoordeeld of er voldoende aanwijzingen zijn dat artikel 1F (mogelijk) van toepassing is. Indien dit het geval is, wordt een overdrachtsbrief verzonden naar de gemachtigde (bijlage 5) en wordt het dossier van betrokkene ter verdere behandeling toegezonden aan de unit 1F. Dit gebeurt door middel van een overdrachtsformat voor de unit 1F (bijlage 5). Voor het AC Schiphol geldt een bijzondere procedure voor de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vreemdelingenwet, indien er sprake is van een vreemdeling met 1F-indicaties. Hiervoor wordt verwezen naar C3/ , onder h, Vc. c. Wanneer doorverwijzen naar het behandelkantoor voor (aanvullend) nader gehoor op 1F-aspecten Indien in het AC blijkt dat de aanvraag niet op grond van artikel 30 Vreemdelingenwet kan worden afgewezen en er indicaties bestaan dat artikel 1F mogelijk van toepassing is, kan er aanleiding zijn om de zaak voor een (aanvullend) nader gehoor op 1Faspecten door te zenden naar het behandelkantoor. Dit kan het geval zijn indien pas tijdens het nader gehoor in het AC blijkt dat er sprake is van 1F-indicaties en het niet mogelijk is om tijdens dit nader gehoor hier nader op in te gaan. Voordat hiertoe wordt besloten, dient de betreffende AC-medewerker eerst contact op te nemen met het betreffende landenaanspreekpunt van de unit 1F, zoals die staat vermeld op intranetsite van de unit 1F (zie onder Asiel). Indien in samenspraak met de unit 1F wordt besloten om het (aanvullend) nader gehoor in het behandelkantoor te laten plaatsvinden, geeft het landenaanspreekpunt van de unit 1F in een interne memo de 1F-indicaties en de relevante vragen voor het nader gehoor aan. Voor informatie over 1F-indicaties en relevante vragen voor het eerste en nader gehoor wordt verder verwezen naar 3. Deze vragen zijn ook opgenomen in de gehoormacro van WIDS (zie onder algemene gehoorbouwstenen, detailvragen, artikel 1F). 2. Procedure in het behandelkantoor 2
3 a. Artikel 30 Vreemdelingenwet en artikel 1F Indien er aanwijzingen zijn dat artikel 1F mogelijk van toepassing is, en de aanvraag wordt afgedaan op de imperatieve afwijzingsgronden van artikel 30 Vreemdelingenwet, wordt verwezen naar de procedure zoals weergegeven onder 1a. b. Wanneer (aanvullend) nader gehoor op 1F-aspecten in het behandelkantoor Ten aanzien van zaken die vanuit het AC zijn doorverwezen naar het behandelkantoor voor een (aanvullend) nader gehoor op 1F-aspecten (zie onder 1c), dient dit nader gehoor in een zo vroeg mogelijk stadium plaats te vinden, teneinde de besluitvorming niet onnodig te vertragen. Aan de hand van de in het interne memo aangegeven vragen zal zoveel mogelijk twijfel omtrent de 1F-indicaties moeten worden weggenomen. Indien eerst in het behandelkantoor blijkt dat de aanvraag niet op grond van artikel 30 Vreemdelingenwet kan worden afgewezen en er indicaties bestaan dat artikel 1F mogelijk van toepassing is, kan er ook aanleiding zijn om betrokkene in het behandelkantoor (aanvullend) nader te horen op 1F-aspecten. Ook in deze zaken dient het nader gehoor in een zo vroeg mogelijk stadium plaats te vinden. Voordat hiertoe wordt besloten, dient eerst contact te worden opgenomen met de unit 1F. Hiertoe kan een voorlegformat (bijlage 5) worden g d aan de formatbox van de unit 1F (zie onder Asiel, AC Schiphol, Format 1F). In geval van spoed, bijvoorbeeld tijdens een gehoor, kan direct contact worden opgenomen met het betreffende landenaanspreekpunt van de unit 1F, zoals die staat vermeld op intranetsite van de unit 1F (zie onder Asiel). Indien in samenspraak met de unit 1F wordt besloten om het (aanvullend) nader gehoor in het behandelkantoor te laten plaatsvinden, geeft het landenaanspreekpunt van de unit 1F in een interne memo de 1F-indicaties en de relevante vragen voor het nader gehoor aan. Aan de hand van deze vragen zal zoveel mogelijk twijfel omtrent de 1F-indicaties moeten worden weggenomen. Voor informatie over 1F-indicaties en relevante vragen voor het eerste en nader gehoor wordt verder verwezen naar het bepaalde onder 3. Deze vragen zijn ook opgenomen in de gehoormacro van WIDS (zie onder algemene gehoorbouwstenen, detailvragen, artikel 1F). Het rapport van nader gehoor dient een historisch (chronologisch) overzicht te bevatten van de werkzaamheden/activiteiten, rangen, functies, handelingen en dergelijke van betrokkene. Na ontvangst van de aanvullingen en correcties op het rapport van nader gehoor zal in overleg met de unit 1F worden beoordeeld of er voldoende aanwijzingen zijn dat artikel 1F (mogelijk) van toepassing is. Indien dit het geval is, wordt een overdrachtsbrief verzonden naar de gemachtigde (bijlage 5) en wordt het dossier van betrokkene ter verdere behandeling toegezonden aan de unit 1F. Dit gebeurt door middel van een overdrachtsformat voor de unit 1F (bijlage 5). 3. 1F-indicaties en relevante vragen voor gehoor Een indicatie dat artikel 1F mogelijk van toepassing is wordt gevormd door verklaringen van betrokkene of door informatie uit andere bron. Hierbij moet ook gedacht worden aan de verklaringen van betrokkene tijdens het eerste gehoor, met name de verklaringen die betrekking hebben op diens werkzaamheden. Iedere functie waarbij betrokkene serieus verdacht kan worden van betrokkenheid bij schendingen van mensenrechten, is in beginsel een indicatie dat artikel 1F van 3
4 toepassing kan zijn. De interne indicatorenlijst 1F-zaken (bijlage 4) is van belang bij het signaleren van 1F-indicaties. Om twijfel omtrent de 1F-indicaties zoveel mogelijk weg te nemen, is het van belang dat bepaalde vragen en elementen in het gehoor met de vreemdeling aan de orde komen. Hierbij moet allereerst gedacht worden aan een historisch (chronologisch) overzicht van de werkzaamheden, rangen en functies van betrokkene. Behalve in het nader gehoor, dient dit waar mogelijk ook al in het eerste gehoor aan bod te komen. Daarbij zijn de volgende vragen van belang voor het eerste en het nader gehoor. - Bent u werkzaam geweest voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan, bijvoorbeeld van het leger, de veiligheidsdienst of de politie dan wel voor een ministerie of ander overheidsorgaan? Voor welk onderdeel heeft u gewerkt? - In welke periode bent u werkzaam geweest voor het betreffende overheidsorgaan/ onderdeel? - Wat was precies de naamgeving van het dienstonderdeel/ deel van de groepering waar u actief voor was (bijvoorbeeld namen of nummers van regimenten en legerkorpsen, ook in de landstaal)? - Wat was uw functie( inhoud) (taken, werkzaamheden, bevoegdheden, verantwoordelijkheden) binnen de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering;? - Wat waren uw rangen en bevorderingen (inclusief benaming in de landstaal, jaar en reden van bevordering) binnen de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering en waar (in welke plaats en district/ provincie) was u op welke moment werkzaam? De volgende vragen zijn van belang voor het nader gehoor. - Was u in kwestie actief en bewust lid van en/ of werkzaam bij de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering, en zo ja, hoe? - Hoe zag de hiërarchische structuur van de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering eruit? - Waarom bent u in dienst getreden bij en/ of lid geworden van de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering? - Bent u getuige geweest van het - door de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering waarvoor u actief was - mishandelen, martelen en/ of doden van tegenstanders? - Was u ermee bekend dat door de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering waarvoor u actief was dergelijke handelingen gepleegd werden? - Zo nee, heeft u enige inspanning gedaan om te weten te komen dat de organisatie/ dienstonderdeel/ groepering waarvoor u actief was dergelijke handelingen pleegde? - Bent u (tijdens de uitoefening van uw functie) betrokken geweest bij het mishandelen, martelen en/ of doden van mensen, en zo ja, op welke wijze? - Heeft u dergelijke handelingen persoonlijk gepleegd, en zo ja, in welke periode? - Bent u bij dergelijke handelingen aanwezig geweest, en zo ja, in welke periode? - Zijn dergelijke handelingen onder uw verantwoordelijkheid als meerdere (leidinggevende en/ of opdrachtgever) gepleegd, en zo ja, in welke periode? - Aan wie gaf u leiding en/ of opdrachten? - Met welke meerdere(n) had u te maken? - Had u de mogelijkheid de handelingen te voorkomen of u ervan (bij de eerste mogelijkheid daartoe) te distantiëren? Zo nee, waarom niet? 4
5 - Heeft u (para) militaire of terroristische handelingen verricht? - In welke periode hebben deze handelingen plaatsgevonden? - Heeft u criminele antecedenten in het land van herkomst, dan wel in een derde land zijnde niet Nederland? - Zo ja, wat voor soort misdrijf heeft u gepleegd? - Wanneer heeft u dit misdrijf gepleegd? - Bent u hiervoor veroordeeld? Voor nadere relevante vragen kan de unit 1F worden benaderd. 4. Verdere behandeling door unit 1F Het toezenden van een zaak aan de unit 1F geschiedt in beginsel na afronding van het (aanvullend) nader gehoor met specifieke aandacht voor 1F-aspecten. Indien nodig vindt er een aanvullend nader gehoor plaats door gespecialiseerde contactambtenaren van de unit 1F. De unit 1F beoordeelt verder of nadere informatie nodig is, zoals informatie over de organisatie waartoe betrokkene heeft behoord. Hiertoe kan gebruik gemaakt worden van de bij de IND aanwezige informatie, maar ook van informatie afkomstig van of verkregen via bijvoorbeeld het ministerie van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties. Indien artikel 1F van toepassing is, worden het voornemen en de beschikking opgesteld door de unit 1F. Voor het beleid inzake de bewijslast en -maatstaf wordt verwezen naar C1/ Vc. In alle gevallen waarin artikel 1F van toepassing is wordt het Openbaar Ministerie hiervan in kennis gesteld, met het verzoek om te bezien of er redenen aanwezig zijn om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Hiervoor zijn getuigenissen van belang. In dit kader wordt verwezen naar C3/10.15 Vc inzake getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Kort weergegeven is de toetsing als volgt: Na toetsing aan artikel 30 Vreemdelingenwet wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf in de zin van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Zo ja, dan dient de aanvraag te worden afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto tweede lid, onder k, Vreemdelingenwet. Zo nee, dan wordt bezien of de asielzoeker behoort tot de categorieën van artikel 29, eerste lid, Vreemdelingenwet en of er andere redenen zijn op grond van artikel 31 Vreemdelingenwet waarom de aanvraag moet worden afgewezen. Indien uit het 1F-onderzoek is geconcludeerd dat artikel 1F niet van toepassing is, wordt dit in het dossier aangetekend. 5. Procedure bij gezinsleden Indien een asielzoeker op zelfstandige gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel kunnen er aanwijzingen zijn dat artikel 1F mogelijk van toepassing is op een gezinslid in het buitenland, indien deze een verblijfsvergunning zou aanvragen in Nederland. Indien er sprake is van dergelijke aanwijzingen, dient hiervan de volgende aantekening te worden gemaakt in INDIS (in het VS, onder basisregistratie, wijzig, opmerkingen): Bij aanvraag betreffende gezinslid (naam), contact opnemen met unit 1F. 5
6 Indien de aanvraagprocedure van een vreemdeling aan wie mogelijk artikel 1F wordt tegengeworpen gelijktijdig loopt met de procedure van gezinsleden van deze vreemdeling, dienen in beginsel al deze procedures te worden samengevoegd in afwachting van de beslissing of aan de betreffende vreemdeling daadwerkelijk artikel 1F wordt tegengeworpen. Voor het beleid inzake de gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F wordt tegengeworpen wordt verwezen naar C1/4.6.4 Vc. 6. Procedure bij personen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd indienen Indien een vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd indient, dient te worden beoordeeld of de eerder verleende verblijfsvergunning mogelijk op onjuiste gronden is verleend en deze kan worden ingetrokken op grond van het feit dat artikel 1F van toepassing is. Voor informatie over 1F-indicaties wordt verder verwezen naar het bepaalde onder 3 en naar de interne indicatorenlijst (bijlage 4). Om te beoordelen of artikel 1F mogelijk van toepassing is, dient contact te worden opgenomen met de unit 1F. Hiertoe kan een voorlegformat (bijlage 5) worden g d aan de formatbox van de unit 1F (zie onder Asiel, AC Schiphol, Format 1F). In geval van spoed, bijvoorbeeld tijdens een gehoor, kan direct contact worden opgenomen met het betreffende landenaanspreekpunt van de unit 1F, zoals die staat vermeld op intranetsite van de unit 1F (zie onder Asiel). Indien in overleg met de unit 1F wordt geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn dat artikel 1F (mogelijk) van toepassing is, wordt een overdrachtsbrief verzonden naar de gemachtigde (bijlage 5) en wordt het dossier van betrokkene ter verdere behandeling toegezonden aan de unit 1F. Dit gebeurt door middel van een overdrachtsformat voor de unit 1F (bijlage 5). Voor het overige wordt verwezen naar de procedure zoals weergegeven onder 4. Bij de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat artikel 1F van toepassing is, dient eveneens te worden beoordeeld of de verblijfsvergunning van bijbehorende gezinsleden kan worden ingetrokken. 7. Procedure bij personen die een naturalisatieaanvraag indienen Indien een vreemdeling een naturalisatieaanvraag indient, dient te worden beoordeeld of de eerder verleende verblijfsvergunning mogelijk op onjuiste gronden is verleend en deze kan worden ingetrokken op grond van het feit dat artikel 1F van toepassing is. Dit gebeurt nadat de naturalisatieaanvraag is opgevoerd en alvorens die aanvraag wordt beoordeeld. De unit 1F voert de beoordeling of er sprake is van 1F-indicaties binnen uiterlijk vijf werkdagen uit. Voor de te beoordelen zaken gebruikt de unit 1F de interne indicatorenlijst (bijlage 4) als leidraad. Indien de unit 1F in een bepaalde zaak nader onderzoek nodig acht om te kunnen bepalen of artikel 1F van toepassing is, wordt het fysieke dossier opgevraagd. De unit 1F stelt de gemeente en betrokkene schriftelijk op de hoogte van het ingestelde nader onderzoek en de mogelijke duur ervan. 6
7 Indien in een zaak de verblijfsvergunning door de unit 1F per beschikking wordt ingetrokken, wordt de zaak teruggezonden naar de unit naturalisatie, die de naturalisatieaanvraag daarna afwijst. Indien uit het 1F-onderzoek is geconcludeerd dat artikel 1F niet van toepassing is, wordt dit in het dossier aangetekend en het dossier ter verdere behandeling doorgestuurd naar de unit Naturalisatie. Bij de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat artikel 1F van toepassing is, dient eveneens te worden beoordeeld of de verblijfsvergunning van bijbehorende gezinsleden kan worden ingetrokken. Tot slot Ter informatie zijn bij deze werkinstructie vijf voor de uitvoering van belang zijnde bijlagen bijgevoegd. Het betreft hier allereerst de definities van misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid zoals weergegeven in het Neurenberg-Handvest van 1945 (bijlage 1), de definities van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid zoals weergegeven in het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 1998 (bijlage 2), de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties (bijlage 3) en de interne indicatorenlijst 1F-zaken (bijlage 4). Deze bijlagen zijn van belang voor het bepalen van de reikwijdte en (mogelijke) toepasbaarheid van artikel 1F. Daarnaast is informatie bijgevoegd over de voorlegging van 1F-zaken aan de unit 1F, waaronder het voorlegformat en het overdrachtsformat voor de unit 1F en de overdrachtsbrief voor gemachtigde (bijlage 5). 7
De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren
De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren Dit document beoogt de strafrechtelijke consequenties voor de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling
STAATSCOURANT. Nr. 5398
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 5398 1 februari 2016 Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 januari 2016, nummer WBV 2016/1,
Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
JU Artikel 1F Vluchtelingenverdrag Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire TBV 2001/37 Aan: - de Korpschefs Politieregio s - de Staf van de Koninklijke Marechaussee i.a.a: - de Procureurs-Generaal
Kennisgeving Tweede of volgende asielaanvraag
Kennisgeving Tweede of volgende asielaanvraag Met dit formulier (m35-o) kunt u de IND laten weten dat u opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wilt indienen. Voor wie
Kwetsbare minderheidsgroep
IND-werkinstructie nr. 2013/14 (AUA) Openbaar/ Extern Aan Directeur klantdirectie Asiel c.c. DDMB Van Hoofddirecteur IND Datum 26 juni 2013 Geldig vanaf 26 juni 2013 Geldig tot Onderwerp Vindplaats Bijlage(n)
Met deze werkinstructie worden daarom richtlijnen gegeven voor informatieverzoeken aan het UWV. Deze werkinstructie vervangt WI 2004/13.
IND-werkinstructie nr. 2007/1 (AUB) ^~å Procesdirecteuren IND c.c. HDVB s~å Hoofddirecteur IND a~íìã 4 januari 2007 sáåçéä~~íë Quest : trefwoord, objecttype werkinstructie låçéêïéêé Informatieverstrekking
IND-werkinstructie nr. 2005/11 (AUB)
IND-werkinstructie nr. 2005/11 (AUB) ^~å s~å Procesdirecteuren IND c.c. HDVB Hoofddirecteur IND a~íìã 11 april 2005 sáåçéä~~íë Quest : trefwoord, objecttype werkinstructie låçéêïéêé Alleenstaande/voorheen
In bezwaar of beroep
In bezwaar of beroep Wanneer u het niet eens bent met een beslissing van de Nederlandse overheid op grond van de Vreemdelingenwet, dan kunt u hiertegen juridische stappen ondernemen. Dit informatieblad
d.d. 7 augustus 2006. 1 Aan Klantdirecteuren IND Directeur Procesvertegenwoordiging Van Hoofddirecteur IND
Werkinstructie Openbaar Aan Klantdirecteuren IND Directeur Procesvertegenwoordiging Van Hoofddirecteur IND Datum 12 juni 2015 Kenmerk Vindplaats InformIND Onderwerp Rol contactpersonen mensenhandel & gendergerelateerde
(AUB AUB) ^~å= Medewerkers asiel = Klantdirecteuren IND ÅKÅK= Directeur DMB Landsadvocaat Ministerie van Buitenlandse Zaken, afdeling DPV/AM
IND-WERKINSTRUCTIE nr. 2010/10 (AUB AUB) ^~å= Medewerkers asiel = Klantdirecteuren IND ÅKÅK= Directeur DMB Landsadvocaat Ministerie van Buitenlandse Zaken, afdeling DPV/AM s~å= Hoofddirecteur IND a~íìã=
Advies ontwerpbesluit aanscherping glijdende schaal
De minister voor Immigratie en Asiel drs. G.B.M. Leers Postbus 20011 2500 EA Den Haag datum 15 augustus 2011 doorkiesnummer 070-361 9721 e-mail [email protected] uw kenmerk 2011-2000250817 cc
IND-werkinstructie nr. 2005/25 (AUB)
IND-werkinstructie nr. 2005/25 (AUB) ^~å Procesdirecteuren IND c.c. HDCIM s~å HIND a~íìã 9 augustus 2005 sáåçéä~~íë Quest: trefwoord, objecttype werkinstructie låçéêïéêé Afgifte Bericht omtrent Toelating
Rapport. Rapport over een klacht over de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Datum: Rapportnummer: 2013/058
Rapport Rapport over een klacht over de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Datum: Rapportnummer: 2013/058 2 Klacht Verzoekers klaagden erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst tijdens het eerste
IND-werkinstructie nr. 2005/32 (AUB)
IND-werkinstructie nr. 2005/32 (AUB) ^~å Procesdirecteuren c.c. HDVB s~å Hoofddirecteur IND a~íìã 24 oktober 2005 sáåçéä~~íë Quest raadplegen låçéêïéêé Werkwijze naar aanleiding van prejudiciële vragen
IND-werkinstructie nr. 2010/13 (AUB) Openbaar
IND-werkinstructie nr. 2010/13 (AUB) Openbaar ^~å= = Klantdirecteur Asiel Directeur Procesvertegenwoordiging Directeur Stafdirectie Uitvoeringsbeleid s~å= Hoofddirecteur IND a~íìã 29 oktober 2010 sáåçéä~~íë
Vreemdelingencirculaire 2000 Deel A Modellen
1 Vreemdelingencirculaire 2000 Deel A Modellen Versies 1 geldend per 1 april 2013 MigratieWeb ve13000666 Bijgewerkt sinds tekst per 1 januari 2013 (ve13000300) met WBV 2013/4 (ve13000622). [ Voor Bonaire,
Er zijn vier aanmeldcentra in Nederland: Schiphol, Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar.
Centrum Kinderhandel Mensenhandel 19 augustus 2014 De Asielprocedure 1. Inleiding Hier wordt de asielprocedure besproken De artikelen 29, 30 en 31 van de Vreemdelingenwet (Vw) staan bij de asielprocedure
5 Verlenging individuele beslistermijn
5 Verlenging individuele beslistermijn In dit hoofdstuk staat de vraag centraal wat de invloed is van de individuele verlengingen van de beslistermijn op de kwaliteit van de asielbeslissingen onder de
IND-werkinstructie nr. 2006/24. 24 (IMO Asiel) Inhoudsopgave. Procesdirecteuren IND DSUB Unitmanagers en medewerkers asiel (H)IMO s HIND
IND-werkinstructie nr. 2006/24 24 (IMO Asiel) = ^~å s~å Procesdirecteuren IND DSUB Unitmanagers en medewerkers asiel (H)IMO s HIND a~íìã 2 oktober 2006 sáåçéä~~íë Quest, hoofdtaak: asiel; regulier; terugkeer;
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 22840 6 november 2012 Besluit van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 23 oktober 2012, nummer WBV 2012/23,
EEN OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE VERSIES VAN DE TEKSTEN VAN DE KINDERPARDONREGELING
EEN OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE VERSIES VAN DE TEKSTEN VAN DE KINDERPARDONREGELING Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2013/1) (Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen), Stcrt 31 januari
Rapport. Rapport over een klacht over IND uit Utrecht. Datum: 10 maart 2011. Rapportnummer: 2011/090
Rapport Rapport over een klacht over IND uit Utrecht. Datum: 10 maart 2011 Rapportnummer: 2011/090 2 Klacht Verzoeker, afkomstig uit Marokko, klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd M35J-1 / 06A Waarom dit formulier? Met dit formulier kunt u een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning asiel voor
Kennisgeving inkomende mobiliteit onderzoeker en gezinsleden (vreemdeling)
Kennisgeving inkomende mobiliteit onderzoeker en gezinsleden (vreemdeling) (532) Lees eerst de toelichting op deze pagina voordat u begint met invullen. Met dit formulier kunt u de IND laten weten dat
B 19 Voortgezet verbliif 19
B 19 Voortgezet verbliif 19 4 Voortgezet verblijf van vreemdelingen die voor verblijf bij (huwelijks-)partner of voor verruimde gezinshereniginp zijn toegelaten na verlies van de afhankeliike verblijfstitel
Enkele achtergronden bij de beslissing om geen onderzoek in te stellen tegen Jorge Zorreguieta. Voorgeschiedenis. Aangifte 2001
Enkele achtergronden bij de beslissing om geen onderzoek in te stellen tegen Jorge Zorreguieta Voorgeschiedenis Aangifte 2001 Eerder werd aangifte gedaan tegen Jorge Zorreguieta in 2001 ter zake van foltering
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 2573 31 januari 2013 Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 januari 2013, nummer WBV 2013/1,
B17. Slachtoffers van vrouwenhandell
B17 Slachtoffers van vrouwenhandell B17 Slachtoffers van vrouwenhandel Algemeen Toezicht: opschorting van de verwijdering Algemeen Slachtoffers van vrouwenhandel Getuige-aangevers Vergunning tot verblijf
FORMULIER VLUCHTVERHAALANALYSE (OIC- pre-besluit variant)
FORMULIER VLUCHTVERHAALANALYSE (OIC- pre-besluit variant) Datum analyse: Persoonsgegevens Initialen voornaam + naam: Geboortedatum: Nationaliteit : IND-nummer: Taal: M / V Meegereisde gezinsleden: Procedureoverzicht
IND-werkinstructie nr. 2006/12 (Regulier)
IND-werkinstructie nr. 2006/12 (Regulier) ^~å Procesdirecteuren Directeuren Stafdirecties c.c. HDVB s~å Hoofddirecteur IND a~íìã 25 juni 2006 sáåçéä~~íë Quest : trefwoord, objecttype werkinstructie _áàä~öéå
(sr) administratief medewerker, (sr) regievoerder (bijzonder) vertrek, (sr) medewerker feitelijk vertrek,(sr) adviseur, procesdirecteur
Procesprotocol D8 Scheiden van gezinnen bij uitzetting Datum 30 augustus 2013 Versie Definitief, versie 2.8 Doel Beschrijven van het proces van die situaties waarin sprake is of kan zijn van het scheiden
ECLI:NL:RBDHA:2017:3918
ECLI:NL:RBDHA:2017:3918 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 21-03-2017 Datum publicatie 18-04-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie AWB 16/27939 NL16.3618 Bestuursrecht
Rapport. Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110
Rapport Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110 2 Klacht Verzoeker, een Afghaanse asielzoeker, klaagt over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie
IND-werkinstructie nr. 2006/16 (AUB/IMO Naturalisatie)
IND-werkinstructie nr. 2006/16 (AUB/IMO Naturalisatie) ^~å Procesdirecteur Naturalisatie c.c. HDCIM s~å HIND a~íìã 10 augustus 2006 sáåçéä~~íë Quest: trefwoord, objecttype werkinstructie låçéêïéêé Naturalisatieceremonie
Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148
Rapport Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 2 Klacht Op 1 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y. te Zwolle, ingediend door de Stichting Rechtsbijstand Asiel
Het onderzoek van de IND richt zich op de vraag of de asielzoeker inderdaad gegronde(serieuze) redenen heeft.
Sociale kaart en sociale zekerheid Samenvatting door Sharon.D 20-10-16 Lesstof samengevat uit 24Boost.nl H5 Asielzoekers Asielzoekers/vluchtelingen zijn vreemdelingen die toelating tot ons land vragen
RICHTSNOEREN VOOR ONDERZOEK IN HET BUREAU VOOR HARMONISATIE BINNEN DE INTERNE MARKT (MERKEN, TEKENINGEN EN MODELLEN) BETREFFENDE GEMEENSCHAPSMERKEN
RICHTSNOEREN VOOR ONDERZOEK IN HET BUREAU VOOR HARMONISATIE BINNEN DE INTERNE MARKT (MERKEN, TEKENINGEN EN MODELLEN) BETREFFENDE GEMEENSCHAPSMERKEN DEEL A ALGEMENE VOORSCHRIFTEN AFDELING 7 HERZIENING Richtsnoeren
RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 6 maart 2003 (OR. en) 6505/03 CRIMORG 11
RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 6 maart 2003 (OR. en) 6505/03 CRIMORG 11 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: Initiatief van het Koninkrijk Denemarken met het oog op de aanneming van
Gedurende de bedenktijd wordt het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland opgeschort.
B8/3 Slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel 3.1 Beleidsregels Voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling die via Schiphol Nederland inreist zijn de bevoegdheden
IND-werkinstructie nr. 2009/3 (AUB)
IND-werkinstructie nr. 2009/3 (AUB) Aan Directeuren Klantdirecties, medewerkers asiel Van Hoofddirecteur IND Datum 18 februari 2009 Onderwerp In Nederland geboren kinderen uit ouders in asielprocedure
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nummer 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nummer 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, Gelet op de Vreemdelingenwet 2000
AANVRAAG VERBLIJF SURINAAMSE ORIGINE
AANVRAAG VERBLIJF SURINAAMSE ORIGINE Documenten/ bewijsstukken voor het aanvragen van uw verblijf. Benodigdheden Omschrijving 1. Verzoekschrift - Indien de aanvraag ook voor echtgeno(o)t(e) en of minderjarige
17 Gezinsleden van toegelaten asielzoekers
Gezinsleden van toegelaten asielzoekers B7117.1.1 17 Gezinsleden van toegelaten asielzoekers 17.1 Gezinsleden van toegelaten vluchtelingen 17.1.1 Verblijfsrecht a. Gezinshereniging De echtgeno(o)t(e) en
ECLI:NL:CRVB:2014:3478
ECLI:NL:CRVB:2014:3478 Uitspraak 14/5824 WWB-VV 27 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [Verzoekster]te [woonplaats] (verzoekster)
