DIE DESTRUCTIE VAN JHERUSALEM

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "DIE DESTRUCTIE VAN JHERUSALEM"

Transcriptie

1 DIE DESTRUCTIE VAN JHERUSALEM Voleint ter Goude in Hollant bi mi Geraart Leeu in t jaar ons Heren MCCCC LXXXII (1482) op sinte Bartholomees avont (23 augustus) Kritische editie van het exemplaar BLL: IA dr. Willem Kuiper Leerstoelgroep Historische Nederlandse Letterkunde UvA Amsterdam 2005

2 Verantwoording van de editie Deze kritische editie is voortgekomen uit een eerstejaars werkgroep Tekstinterpretatie Historische Nederlandse Letterkunde, die gedurende het tweede semester van het collegejaar op basis van uitstekende fotokopieën uit het DOVO-apparaat een diplomatische editie bezorgde van deze druk. 1 Is de diplomatische editie bedoeld als een studie-editie, deze kritische editie is bedoeld als een leeseditie voor een studenten publiek. Om die reden is afgezien van herspelling. Wel werd het gebruik van u en v en i en j aangepast aan hedendaagse conventies. De y die in deze druk niets anders dan een (typo)grafische variant van de i is, wordt als een i weergegeven. De variatie die in de druk wordt aangetroffen - myt versus mit - vindt zijn oorzaak in het al dan niet voorhanden zijn van deze letter(s) in de zetkast, en in de ruimte die de zetter moest vullen. Vaak gebruikte hij de brede y of de smalle i om in- of uit te drijven. De schijnbare willekeur in de spelling ghe tegenover ge wordt eveneens veroorzaakt door de behoefte van de zetter om goed uitgevulde regels te maken. In alle gevallen wordt daarom gekozen voor het rustiger i. Eigenlijk geldt hetzelfde voor de verdubbeling van de c tot ck en d en dt : waar de k gemist kon worden zoals in boeck werd boec gespeld, en gehadt werd gehad. De conventionele e die tot doel heeft aan te geven dat de eraan voorafgaande klinker lang is, wordt niet opgelost als de bedoelde letter. De lezer moet dus zelf uitmaken of doet bedoeld is het zelfstandig naamwoord dood dan wel een vorm is van het werkwoord doen. In beginsel zouden al deze spellingen genormaliseerd kunnen worden omdat ze betekenisloos zijn, maar het resultaat ziet er onleesbaar uit: hedendaags Nederlands met spelfouten. Vandaar dat hiervan wordt afgezien. Hier en daar werd een apostrofe toegevoegd ter wille van de leesbaarheid. Alle afkortingen worden voluit geschreven. Wie wil weten welke woorden werden afgekort en hoe dat gebeurde raadplege de diplomatische editie. 1. Deelnemers waren: door: Coen Borgman, Sara Braam, Marie-Joline Brinkman, Annemarie Coevert, Susan van Dijk, Hendrik Folkerts, Jip Frank, Mathieu de Geest, Dave van Gompel, Marlous Hamburger, Vincent Hart, Just Houben, Helga Keessen, Jochem de Koning, Willem Kuiper, Linda Langemaire, Diena Leegte, Tjallin Melgers, Dieuwertje Mertens en Renee Verburg.

3 De druk is schaars geïnterpungeerd, waarbij het einde van de kolom soms de functie van een punt kan hebben. Ook vindt men koppeltekens die aangeven dat het woord is afgebroken, maar de zetters zijn hierin niet consequent. Hierin is normaliserend opgetreden, evenals in het gebruik van hoofdletters en kleine letters. Ten tijde van deze druk volgde men nog het middeleeuwse systeem dat gebaseerd was op minuskelschrift, dat wil zeggen dat in beginsel alles in kleine letters geschreven werd, maar dat bepaalde letters door hun plaats in de tekst groter geschreven werden. Uiteindelijk heeft dit tot onze hoofdletters geleid, maar ten tijde van Geraert Leeu was het nog heel gebruikelijk om het Opperwezen met de spelling god aan te duiden. Tenslotte werden sommige woorden als daermen gesplitst in het voor ons gebruikelijk daer en men. In de druk gebeurt dit nu eens wel en dan weer niet.

4 [H]Ier begint die tafel van desen boec dat spreect van der destructien van Jherusalem ende van alden lande van Judeen, daer men bi capittulen lichtelijc in vinden mach alle die materie die in t selve boec bescreven is. Dat eerste capitel van Herodes Agrippa ende van sinen oem Herodes Antipa. Hoe Herodes Antipa benide sinen neve ende van conincx Agrippen doot - Capitulum II. Hoe die Joden eerst rebel worden ende om wat saken - Capitulum III. Van den moerdenaren ende bedriegers die doe in Jherusalem waren - Capitulum IIII. Hoe die Joden den Romeinen haren sijns ontseiden ende hoe haer verdriet begonde an te slaen - Capitulum V. Van den eersten gevecht dat binnen Jherusalem was - Capitulum VI. Hoe tot Jherusalem die Romeinen verslagen worden ende te Cesariën die Joden - Capitulum VII. Van enen valschen Simon ende van sijnre mordaet die hi op sijn volc dede - Capitulum VIII. Hoe Testius op die Jode[n] begon te oerlogen - Capitulum IX. Hoe Testius Jherusalem wan ende hoe datten die Joden weder verdreven mit lachter - Capitulum X. Hoe die Joden haer lant besetten ende hoe Josephus Galilea bewaerde Capitulum XI. Hoe Nero die keiser Vespasiaen beval Judeam te destrueren - Capitulum XII. Hoe die Joden van Ascolon verslagen waren ende hoe Vespasiaen quam ende ontfinc Sephorus - Capitulum XIII. Hoe Vespasiaen met alle den heer in Galilea toech - Capitulum XIIII. Hoe Jothabata beleit wort - Capitulum XV. Hoe men op Jothabata stormede - Capitulum XVI. Hoe Josephus die mueren hogen dede ende van den gebreke waters - Capitulum XVII. Hoe Vespasiaen den ram an der muren deede rechten ende hoe hem Josephus weder stont - Capitulum XVIII. Hoe die muer gebroken wort ende hoe dat een vrouwe t kijnt uten lichaem geworpen wort - Capitulum XIX. Hoe Josephus die Romeinen verscalcte - Capitulum XX. Hoe Vespasiaen ende Titus Effraten wonnen - Capitulum XXI.

5 Hoe Jothabata gewonnen wort - Capitulum XXII. Hoe Josephus gevonden wort in enen putte of duwier - Capitulum XXIII. Hoe Josephus sijn gesellen in der hagedochte met subtijlheden verwan - Capitulum XXIIII. Hoe Josephus hem op gaf in der Romeinen hant ende hoe t heer op brac Capitulum XXV. Hoe men in Jherusalem Josephum beclaechde - Capitulum XXVI. Hoe Titus Tharissen wan - Capitulum XXVII. Hoe Vespasiaen Gamala begonde te bestrijden - Capitulum XXVIII. Hoe Gamala ende Taberius gewonnen worden ende hoe men tot Giscol[a] waert toech - Capitulum XXIX. Hoe die valsche Jan uut Giscola vloech - Capitulum XXX. Hoe die moerdenaren verheven worden ende dwongen t al dat in Jherusalem was - Capitulum XXXI. Hoe die Zeloten in den Tempel belegen waren van die van Idumea - Capitulum XXXII. Hoe die Zeloten weder haer moordaet deden in Jherusalem - Capitulum XXXIII. Hoe Vespasiaen tot Jherusalem waert toech - Capitulum XXXIIII. Van Nero des keisers doot ende hoe Simon van Massaida rees - Capitulum XXXV. Van den quaden feiten die Jan van Jherusalem dede ende hoe si Simon ontfingen Capitulum XXXVI. Hoe Vespasiaen keiser wort ende hoe hi Josephum verloste ende hoe Titus te Jherusalem toech - Capitulum XXXVII. Van den driën bergen die Titus voer Jherusalem maken dede - Capitulum XXXVIII. Hoe die valsche Jan opten paesdach den binnensten Tempel wan - Capitulum XXXIX. Hoe die Joden den Romeinen verscalcte[n] ende hoe vast dat die stat van Jherusalem gemaect was - Capitulum XL. Van den driën toornen ende van des conincs sael die die Grote Herodes maken dede - Capitulum XLI. t Gesticht van den Tempel ende hoe Herodes Davids graf op dede - Capitulum XLII. Hoe die partien binnen Jherusalem gedeilt waren - Capitulum XLIIII In Leeu 1482 volgorde conform kapittelnummer.

6 Hoe men die eerste muer bestormde ende wan - Capitulum XLIII. 3 Hoe Titus d ander muer bestormde - Capitulum XLV. Hoe Titus d ander muer anderwerf wan ende valledese - Capitulum XLVI. Josephus sermoen op die van der stat - Capitulum XLVII. Van den menichvoldigen gebreken die in der stat waren - Capitulum XLVIII. Hoe men die Joden tribuleerde ende cru[u]ste ende hoe men die derde muer bestont - Capitulum XLIX. Hoe Titus een muer maecte al om ende omme an Jherusalem - Capitulum L. Hoe die Romeinen t gout sochten in der Joeden buuc ende t getal van den doden Capitulum LI. Hoe men derdewerf die muer bestont - Capitulum LII. Hoe den toren Anthonia gewonnen wort - Capitulum LIII. Hoe Titus noch den volc der Joden pais boet bi Josephus rade - Capitulum LIIII. Hoe men die stat begonde t ontsteken - Capitulum LV. Hoe men den Tempel verbarnde ende van den coninc - Capitulum LVI. Van Jhesus geroep - Capitulum LVII. Waer mede die Joden bedrogen worden - Capitulum LVIII. Titus woerden totten Joden ende hoe si wederscieden - Capitulum LIX. Hoe die Joden den heiligen Tempel eerst ontstaken - Capitulum LX. Van den wive die haer kint at - Capitulum LXI. Hoe den groten Tempel ontsteken wort - Capitulum LXII. Ho[e] Titus een ridder sijn ridderscap nam - Capitulum LXIII. Hoe die binnenste stede gewonnen wort - Capitulum LXIIII. Hoe die Joden die toornen ruimden ende hoe mense doot sloech - Capitulum LXV. t Getal van den volc dat binnen Jherusalem was - Capitulum LXVI. Hoe lange dat Jherusalem gestaen hadde - Capitulum LXVII. Hoe die moerdadige Simon gevangen wort - Capitulum LXVIII. Van der feest der Romeinen van der victoriën ende sege die si gehad hadden - Capitulum LXIX. Hoe men Macheronta die starke borch wan - Capitulum LXX. Hoe men Amassaida die leste borch wan - Capitulum LXXI. Hoe Silvius in den borch Amassaida quam - Capitulum LXXII ende dat leste. 3. In Leeu 1482 volgorde conform kapittelnummer.

7 Hier begint dat prologus op Josephus werc van der destructien 4 van Jherusalem die die Romeinen deden. [J]Osephus die een paep 5 was van den Joden ende een edel man, hi bescrijft hoe t lant van Judea ende die heilige stat van Jherusalem gedestrueert wort ende al onder geworpen 6 van den Romeinen, om der Joden sonden wille, gelijc dat hij t selver met sinen ogen aensach. Want om ons Heren Jhesus Cristus doot die die Joden valschelijc ter doot brochten, ende oec om sijnre heiliger jongers 7 doot, soe liet God al t lant destrueren, so Jhesus sinen apostelen voerseit had dat men daer den enen steen op den anderen niet en soude laten leggen, men souden omme werpen. Ende om dit woert te volmaken in den geest so wil ic dit hier na setten 8 als ic corste mach. Hier begint die destructie van der stat van Jherusalem ende van al den lande van Judeen. In den eersten van Herodes Agrippa ende van sinen oem Herodes Antipa. Capitulum I. [A]Ls die Joden Jhesus onsen Heer gecruust hadden, ende hi verresen was ende ten Hemel gevaren was, ende hi den Heiligen Geest in sinen jongeren gesent hadde van boven - alsoe t bescreven is - ende die apostelen ende Jhesus jongeren den Joden predicten, dat si des berou hebben souden ende hem bekeren, soe worden die Joden al meer quaet ende verkeert, ende doden ende verjaechden die geen die hem van Jhesum seiden. Ende hier om so riepen haer so[n]den wraec over hem alsoe t noch over veel luden doet, soe dat si die quaetheit mosten becopen in deser manieren, die hier nae volget. Want tot dier tijt dat onse Heere Jhesus gecruust was, soe was Tiberius keiser te Romen, ende hi regneerde twalef 9 jaer ende drie dagen. Ende nae hem wort keiser Gaius soe als gescreven is. Ende hi seinde in t lant van Judea ende van 4. verwoesting 5. priester 6. neergehaald 7. leerlingen 8. vertellen 9. Leeu 1482: drie twalef

8 Jherusalem coninc ende haer 10 Herodes Agrippa die Aristobolus sone was dien die Grote Herodes Ascolonita sinen vader dede doden met Alexandro sinen broeder in der kerker, omdat si hem vergeven wouden. Ende deese twee sonen hadde hi bi Mariannen - so voerseit is - die des biscops Hircans suster was. Ende dese Marianne dede die Grote Herodes, haer man, oec doden bi verradenisse sijn[r]e suster Saloma. Dese voerseide Herodes Agrippa wort van Gaio gesent coninc van Judea, ende in t lant dat Phillips si[j]ns oems was, dat Ithurea ende Tracon hiete. Ende dat had Herodes Antipa, sinen oem, onwaert, die heer van Galilea ende des Outs Herodes soen was. Nu had Aristobolus, Herodes Agrippen vader, een dochter die Herodias hiete, ende dese hadde haer wirch 11 heer Herodia Philips, sinen soen, te wive gegeuen. Mer dese Antipa hadde Philips, sinen broeder, dat wijf met crachte genomen. Ende omdatt en sinte Johan Baptista hier om berispte, so dede hi hem bi Herodias rade doden. Hoe Herodes Antipa benide sinen neve ende van s conincs Agrippen doot. Capitulum II. [D]Oe Herodes Antipa ende Herodias vernamen dat die keiser Herodes Agrippam aldus verheven hadde ende coninc gemaect - ja, dat hem Agrippa verhief van hoverdien 12 als of hi selver god geweest had, al becoft 13 hij t namaels swaerlic - so hadden sij s groten nijt ende worden beide te rade dat si tott en keiser varen souden, omdat Herodes Antipa begeerde oec eens conincs naem te vercrigen. Mer doe t Herodes Agrippa vernam, volchde hi hem na, ende wroechden 14 voer den keiser so, dat hi hem wel na gedoot had. Mer die keiser nam hem Galilea si[j]n lant ende gaf t Herodes Agrippa sinen neve oec, ende deden versenden in Spaengen, daer hi [ende] sijn quade wijf Herodias, die Herodes Agrippen suster was, jammerliken t lijf verloren. Hier nae wort Gaius die keiser soe hovaerdich, dat hi hem dede aenbeden voer god, ende daer om wort hi in der poort te Romen vermoert, doe hi VI jaer ende 10. heer 11.? 12. hoogmoed 13. bekocht 14. klaagde hem aan

9 drie maenden geregneert had. Ende daer brocht Herodes Agrippa mit subtijlheden daer toe dat die senatoers Claudium ontfingen over keiser. Ende dese Claudius gaf Agrippam al dat rijc dat sijn oudevader Herodes gehad hadde. Ende doe Herodes Agrippa te Jherusalem gecomen was, doe begonste hi daer om een muer te maken, alsoe hoech ende so dicke, dat - hi bliven levende tot dat die muer volmaect hadde geweest - om niet hadden die Romeinen op Jherusalem gestreden, want si en hadden t nimmermeer mogen winnen. Mer hi bleef jammerliken doot in Cesariën, so voerseit is: omdat hi hem liet aenbeden over god. Daer om sloech hem Goods engel. Desen Herodes dede Jacob, Zebedeus soen, onthoefden, die in Galissien nu leit. Ende oec dede hi sinte Peter kerkeren om den Joden te leveren, dien Goods engel verloste bi miraculen. Dese Herodes regneerde drie jaer ende liet na hem sinen soen die oec Agrippa hiet, daer wi na of scriven sellen. Hoe die Joden eerst rebel worden ende om wat saken. Capittel III. [C]laudius die keiser vernam dat Agrippa doot was, ende hi sende in der Joden lant doe enen ruwaert, 15 t lant te berechten, die Cestius hiet, ende dese hiltet lant in vreden. Ende nae Cestius wort gesent een geheten Tiberius Alexander die t lant oec vredeliken berechte. Tot desen tiden was gewassen Agrippa Herodes soen, soe datten die keiser te [Judeen] 16 wert sende, ende gaf hem t lant over der Jordaen datter tweer geslachte was ende eens halfs ende sin moeder sterf doe. Hier na geviel dat Tiberius Alexander uut [Judeen] 17 te Romen waert voer, ende doe sende die keiser in Judea enen ruwaert hiet Cumanus om t lant te berechten, ende in d[i]es rechters tiden begonsten die Joden stiverich te worden in Jherusalem tegen die Romeinen, ende fisierden daer na veel saken, so dat si haer eer daer mede verloren, ende dit quam hier om: Want tegen Paeschen, doet t folc van Judea ter feesten gehecomen waren ende si haer feeste hilden in den Tempel, so waren die Roemsche ridders in den wapen om t volc te wachten van perlementen. 18 Ende die van den Romeinen hadden der Joden feeste in onwaerden, soe dat 15. Leeu 1482: ruwaerts 16. Leeu 1482: indien 17. Leeu 1482: indien 18. samenscholingen

10 een van haren ridderen den Joden toende in hare feesten sijn ende al bloot. Ende doe worden alle die Joden gram, ende liepen alle tot Cumanum, ende baden hem dat hi dien ridder staphans leverde, dat si en mochten doden. Mer ee[r] Cumanus antwoerden mocht, so quamen veel Joden met stenen ende worpen op die ridders, soe dat Cumanus versocht wort, daer si den ridder brochten gejaecht. Ende doe dien ridder sinen stert getoent hadde, soe riepen veel ridders ten Tempel waert in spot, so dat die Joden met so groten gedruusch uten Tempel quamen, soe dat si wel XXV dusent man verpletten, omdat die poorten te nauwe waren, ende dat volc so nideliken dranc. Dus verkeerde 19 die feeste in droefheden. Hier nae wort et lant alsoe vol rovers ende moerdenaers, dat nauwe iemant dat sijn 20 behouden en mocht. Ende die Samaritanen worden oec vechtende op die Joden van Galilea, soe dat hier of grote scade ende scande quam. Ende omdat Cumanus hier over niet en rechte, so togen die Joden ende oec die Samaritane an Quadratum, den ruw[a]ert van Siriën, ende claechden ouer Cumanum. Mer Quadratus hiet hem dat si te Romen voeren den keiser clagen van deser moert. Ende hi sende Celar, die een van den rovers was, mitten Joden ende Samaritanen om deser saec te Romen waert, ende Agrippa die coninc dede der Joden boetscap voer den keiser. Van den moerdenaren ende bedriegers die doe in Jherusalem waren. Capitulum IIII. [A]Ls Claudius die keiser haer clage gehoert had, so gaf hi hem goede antwoerde ende hi verboet Cumanum die poert van Romen ende van Jherusalem hier om, ende hi dede drie van den edelsten Samaritanen onthoefden, omdat si op den Joden gesteken hadden, ende hi seinde Celer te Jherusalem gevangen, omdat men 21 doer die stat slepen soude ende dan onthoefden. Hier na sende die keiser tot enen ruwaert van den Joden Felix, ende oec van Samariën ende Galilea, ende gaf Agrippen een deel lants meer dan sijns vader was. Ende hier na starf Claudius, doe hi XVIII jaer regneert hadde ende VIII maende ende XXX dage, Hier na 19. veranderde 20. Leeu 1482: tsijn 21. men hem

11 wort Nero keiser, mer hi regneerdet rijc alte felliken, want sijn moeder ende sinen broeder ende menigen edelen man sloech hi doot, ende oec menigen kersten, dat ic hier after laet om der historiën van den Joden te volgen. Dese Nero gaf noch Agrippen veel meer lants ende heerlicheden. Dese Felix, die ruwaert was van Judea, hi vinc Eleasar, die prince was van den rovers, ende mit hem vinc hi veel ridders die mit hem 't lant geroeft hadden wel XX jaer lanc, ende dat hiet hem die keiser doe hi en verhief. Desen Eleasar sende Felix te Romen wert, ende hi henk er veel van sinen gesellen, ende hier wasser so veel datt er geen getal en was ende hi verdeetse die t lant geroeft hadden, ende purgeerde dus 't lant van Judea van allen rovers. Daer na so verresen binnen Jherusalem een ander manier van moerdenaers ende van rovers, die des dages binnen der stat dat volc alleinxken moerden, ende si scoten onder t volc al heimelic scut, so dat niemant weten en mocht wie se so scote, ende dus so vermoerde[n] si groot volc in der stat, ja oec van den edelsten ende meesten van der poort, want si droegen corte zwaerden onder haer cleder, ende si sloegen Jonathas den biscop mede doot. Ende hier of wasser grote plage of binnen, dattet volc dus vermoert wort in der stat van Jherusalem. Ende oec waren daer binnen bedriegers die mit toveriën 't folc bedrogen, ende leidense in den wildernissen, ende seiden hem si souden hem groot wonder laten sien. Tegen dese tovenaers sette hem Felix seer, ende sloeg er veel doot van haren geselscap, want hem docht dat si hem souden willen setten tegen dat Roemsche Rijc. Ende tot desen tiden quam daer uut Egipten een groet tovenaer, ende seide dat hi een propheet was, ende hi had wel XXX dusent manne[n] vergadert, ende brochtse bi nacht tot op den Berg van Oliveten, ende woud er Jherusalem mede winnen in der dageraert, als men die poerten ontsloet, ende 't folc op sijn hoede niet en was, ende hi woude die Romein[en] dae[r] uut jagen. Ende Felix vernam dit, ende quam mit sijnre Roemscher scaren, ende scoffierde al sijn volc, ende verdreef hem, ende sloech veel van sinen volc doot. Mer nochtant so meerde dit quaet van rovers ende van moerdenaren alle dage, soe dat al dat lant van Judea daer of verwoest wort. Hoe die Joden den Romeinen haren sijns 22 ontseiden 23 ende hoe haer 22. belasting 23. weigerden (te betalen)

12 verdriet begonde. Capitulum V. [H]Ier na wort groot geruft te Cesariën in de stat, want daer woenden binnen heiden ende Joden, ende die worden stridende, welc hare die heerscappie van der stat hebben soude, ende hier sloegen die heiden alte veel Joden doot, ende namen hem al haer goet. Mer Felix vink er veel van desen rovers, ende na hem wort ruwaert Festus, dien Nero die keiser daer sonde. Ende als Festus in t lant gecomen was, vant hi daer noch 24 veel rovers, ende sonderlinge vant hi daer enen toevenaer, die groot volc van den Joden an hem getogen hadde, ende Festus socht en, ende hi vernam dat [h]i met sinen volc in die wildernisse getogen was, want hi seide den volc dat hi hem groot goet geven soude. Ende Festus volchde hem nae mitten Romeinen, ende hi sloe[ch] en doot met al den volc dat hi vergadert hadde. Ende daer so starf Festus, ende doe sende die keiser tot enen ruwaert Albinum. Ende eer Albinus in t lant quam, so dede A[n]anus, die biscop, sinte Jacob, Alpheus soen, doden, die biscop was van den keersten te Jherosolima. Omdat dese Jacob soe goet was, so toenaemden 't volc: Jacob die men hiet Gerecht. Hi hiet oec Jhesus ons Heren broeder, want hi was Hem harde gelijc, ende hi was sijnre moejen soen. Ende als Albinus quam in t lant, soe nam hi desen Ananum sijn macht, ende Agrippa, die coninc, nam t hem oec, ende gaf dat bisdom van den Tempel dien hi wilde. Dese Albinus was so quaet dat hi niemant recht doen en woude die hem geen gelt en gaf, want die recht hadden in haren saken, op dat si hem geen gelt en gaven, hi gaf hem onrecht ende deetse ontliven of in vangenis leggen. Ende hier bleef die stat ende 't lant vol onvredes ende rovers, want die gene die daer binnen woenden hadden verdient dat om haren wille 't lant ende de poort gedestrueert worden soude. Na desen quaden Albinum wort ruwaert in t lant een hiet Florijs, ende hi dede den Joden groot verdriet, want hi was soe quaet dat Albinus goet scheen tegen des Florijs quaetheden te rekenen, want Albinus was bedect in sijnre quaetheit, mer dese Florijs hielt quaetheit over eer, ende hi quam in t lant als moerdenaer ende rover. Niemant en was sijns gelijc in liegen ende in bedriegen, ende hi hadde al sijne sin geset in t volc ende 't lant te verderven, so dat menich man om sijnre quaetheit wil 't lant ruumde. Ende hier om quam Cestius, dien die keiser boven Siriën geset hadde, mit open heer in Jherusalem, ende doe quamen die Joden gemeenlic tot 24. Leeu 1482: noch daer

13 hem, ende claechden over Florijs overdaet. Mer Florijs onsculdichde hem met starker gelove, 25 ende dus bleef hi in t lant ende der Joden ongeval wiessch er mede, want Florijs dede opt er marct die lude roven binnen Jherusalem, ende nam wijf ende kinder ende mannen tot VI C ende XXX ende ded er sinen wille mede. Nochtan en liet hi er hem mede genoegen, mer hi pijnde hem hoe hi den Tempel soude mogen roven van den goude, dies daer veel binnen was. Hier om versierde hi ene quaetheit, ende dede gewapende ridders comen tot Jherusalem wert, als op die stad te comen. Ende doe voer hi so met sijnre l[o]genen binnen tegen den Joden, dat si tegen die ridders te velde togen, dat meeste deel van der poorte. Mer doe si te velde quamen, so sloegense die ridders ende jaechdense ter stat waert. Mer dese valsche Florijs dedese weder staen, daer si in quamen, ende hi toech voert om den Tempel te winnen. Mer di er binnen waren sloten den poertael ende wederstonden, ende si hielden t seer vromelic voer dien toorn die die Oude Herodes maken dede, ende hiet Anthonia, ende dus en mocht Florijs den Tempel niet roven, mer hi voer t hant uter stat in der poort van Cesarea. Dese quade Florijs deet dat die Joden eerst staken tegen die Romeinen, ende en wouden hem haren tijnse niet geven, ende hier om wort namaels Jherusalem gevellet, ende dien Tempel, soe wi hier nae seggen sellen. Agrippa ontsach hem dat die Romeinen souden worden stridende op die Joden ende op die poort, ende hi quam op enen dach te Jherusalem, ende vergaderde volc omdat hise gaern bescermt hadde voer ongeval, ende hi toechde hem dat si alte cranc waren te steken tegen die Romein[en] die verwonnen hadden Galileen ende Grieken ende alle der Joden lant ende Burtaengen ende Engelant ende al Affrike ende menich stat ende menich borch ende Siriën, Spaengen, Egipten ende Aquitanien, ende al t lant totter rivier Eufraten, ende die van Persen, ende al t volc van desen landen dat dient die van Romen. Ende besiet oec of gi starker sijt dan die van Gallen ende die Aelmanne of vroeder dan die van Grieken of mogender dan al t volc van aertrijc? Nu hebt ontfermenis op uwe wive ende op uwe kijnder ende op die heilige stat ende op den heiligen Tempel, ende laet ons met alle desen volc vrede hebben! ende dit seide hi al wenende. Mer 't folc antwoerde hem ende seiden dat si den Romeinen niet en weten, mer si weten t Florijs die hem al dit verdriet maecte. Ende Herodes antwoerde daer op ende beval hem dat si den Romeinen betaelden den jaer tseins 25. beloften

14 die si hem onthouden hadden. Si antwoerden: si souden t garne doen, ende si vergaderden alle afterstallicheit van den tsins. Ende doe hiet hem Agrippa dat si Florijs onderdaen waren tot dier tijt dat men den keiser sijn quaetheit te weten mochte doen, ende dat hi hem enen anderen ruwaert sende. Doe si dit hoerden, so gaven si enen roop, ende verspraken den coninc Agrippen, ende worpen steen na hem, ende jaechden uter stat. Ende enige van den volke verweerden den strijt, ende onderliepen den casteel Mesunda, daer die Romeinen in lagen, ende sloegen alle die Romeinen doot, ende leiden haers selfs volc daer in. Hier na so quam een in den Tempel die Eleazarus hiet, ende verboet den papen dat si der Romeinen offerhande niet ontfaen en souden. Ende hier of quam groten scade ende scand, want alle die Romeinen hadden dit onwaert, ende worden daer arre om. Ende omdat si dit keren wouden, soe ontboden si Florijs ende den coninc Agrippen, dat si met gewapender hant comen souden binnen Jherusalem, omdat si mit cracht dese werringe wouden vellen. Van den eersten gewecht dat binnen Jherusalem was. Capitulum VI. [F]Lorijs en antwoerde hier op niet, want hi was blide om dese werrige, mer die coninc Aggrippa sende twe dusent ridders in die stat. Ende die poerters die garne vrede hadden gehad, si togen aen dese ridders, ende dat waren die voerbaerste van der stat, ende si hadden te hem waert dat hoechste van der stat. Mer die rechters van der stat waren in den Tempel, ende hadden oec tot hem waert 't nederste van der stat. Ende d een partie woude dus den Tempel winnen daer Eleazarus mit sijnre partien in was in vresen, mer hi pijnde hem oec 't lant ende die stede te winnen. Ende si [v]ochten d een op den anderen seven dagen, ende geen van den partien en conden d een op den anderen winnen. Hier na quam een feeste dat die Joden vieren mosten, groet ende clein, na haerre wet. Mer die in den Tempel lagen, waren rovers ende moerdenaer[s], ende si en wouden niet vieren. Ende op dien feesteliken dach onderliepen si die veste, daer dat heer in lach, dat Agrippa daer gesent hadde. Ende aldus wonnen si die stat, want die ridders vlogen, ende som sloegen si er doot. Ende doe gingen si breken ende ontweën slaen des bisscops Ananus huus, ende Agrippen husinge oec, ende dat huus oec daer die previlegien in lagen van den gelde, dat men plach te lenen aen die rike in dier stat na zede ende castume totten armen luden

15 behoef. Ende die previlegien ende brieve verbarnden si alle, omdat die gene van hare partien quijt daer of souden bliven, dier in bescult waren. Ende op den derden dach hier na so beleiden si den toren Anthonia, ende daer lagen si twe dagen voer, ende sloegen t al doot dat daer binnen was. Hier na belagen si des conincs sale, want daer waren alle Agrippen ridders in die ontvloegen waren, ende op desen zael streden si dach ende nacht. Ende doe liepen si te Messida waert, die daer voer lagen ende waren, want daer lagen des Outs Herodes wapine binnen, ende daer wapenden si 't folc mede dat in der stat was. Ende si streden so op 26 sconincs zale, dat si met groter pinen den toren vallen daden, want si mineerden. Mer si worden bedrogen, want die van binnen hadden een mineeringe tegen hem een nuwe muer gemaect. Ende daer om worden si buten gescoffiert, ende si lieten alle Agrippen ridders wech varen, die hi in die stat gesent had, mer die Roemsche scaren vlogen alle op die hoge toornen, die de Oude Herodes wilen maken dede, so dat ic waen dat haers gelijc niet wesen en mochten van vastichheden. Deser toren waren drie: d een hiet Opilfis, d ander Mariannes, na Herodes wijf, die hi doden dede, die dorde hiet Phaselus, na sinen broeder. Ende die Joden wonnen cortelijc s conincs sale, ende sloegen doot al dat si daer binnen vonden, ende daer na roefden si op 't lant ende stakend er vier in. Hoe tot Jherusalem die Romeinen verslegen worden, ende te Cesariën die Joden. Capitulum VII. [O]P den anderen dach hier na vonden si Annas, den biscop van den Tempel, ende Ezechias, sinen broeder, ende die sloegen si doot op die stat. Ende Ananias hiet, ende was als een prins ende heer van der poort, ende hi was in den toren Messida, ende hi dede halen Herodes harnasch, ende hi wort aldus verslagen. 27 Der gemeente van der stat was desen onvrede harde leet, omdat si die Romeinen ontsagen, ende si behagen Ananias ende sijn partie, ende [s]i stormden so op die borch daer hi in was, dat sise wonnen. Ende si vonden hem in enen hoec, daer hi gevloegen was, ende daer sloech men doot. Ende dit deden si, omdat si hoepten van den Romeinen vrede te vercrigen, als si des viants quijt 26. Leeu 1482: ops 27. Corrupt.

16 waren. Mer die moerdenaers holpen Ananiam verslaen, omdat si te bet hoer moertdade souden gebruken mogen. Dit was Eleazarus pertie, ende gingen hem pinen om die Romeinen te winnen, die in den toernen lagen ende hoe sise verdriven mochte[n]. Ende als die Romeinen dat vernamen, soe pijnde si hem met groter list of te comen. Ende haer hoeftman Vitilius seinde an Heleazarus, ende bad hem dat hi hem luden haer lijf liet: si wouden wapen, harnasch ende al haer ander goet daer laten. Ende die Joden oerlochden 28 hem, dat si sekerlijc of quamen, hem en soude niet messchien. Ende op dit belof quam vitilius ende sijn geselscap van den toornen, ende doe si alle haer harnasch of gedaen hadden, soe quamen die van Heleazarus partie op hem striden, ende sloegense alle doot sonder Vitilius. Ende Vitilius swoer hi woude hem te besniden, ende hem houden an die Joetsche wet. Dese moortdaet en crancte den Romeinen niet seer, want hier waren luttel groter heren verslagen. Mer dit was oec een sake daer die poorte om onteert wort. Ende der goeder luden herten waren haer seer bedroeft, omdat si ontsagen dat God die stede plagen soude, al en wraken t die van Romen niet. Menich mensche weende hier om, want si duchten t te becopen, omdat si 29 dese quade daet bestonden opten saterdach, die si schuldich waren te eren ende te vieren nader Joden wet, mer si besmetten dus den saterdach. Op desen selven saterdach worden onder cleen ende groot te Cesariën XX dusent Joden verslaegen. Ende om desen moort wort al Siriën in roer, want die Joden verbarnden mit hare partie die stede van Siriën, ende si en lieten geen lant noch poort daer in met vreden, ende si sloegen die wive ende kijnder doot. Ende die van Siriën deden dit selver oec op die Joden, want 't lant van Siriën was in tweën gedeelt, so dattet [d]en Joden scheen, want dages vachtet openbaer, ende des nachts wast in groten vaer ende vresen, want d[een] 30 roefden den anderen, ende wie dat meest roven mocht, hem docht dat hi die best was. Die wegen ende die graften lagen vol doder luden, beide wijf ende mannen ende kinder, jonc ende out, ende si lagen alle al naec[t] met hare scamelheit, dat jammer was. Oec gesciede groot jammer in een poort hiet Antipolus, want die Joden die in die stat woenden hadden grote onvrede mitten heidenen, die daer binnen woenden, soe dat si met den heidenen vochten op hoer volc. Mer dit 28. Bedoeld lijkt oerlofden d.i. beloofden. 29. Leeu 1482: si deden 30. Leeu 1482: diet

17 verginc hem te quaden, want die poerters ontsagen hem dat die Joden bi nacht die poort op hem winnen souden, ende si vraechden hem of si vrede wouden, dat si vaste trouwe hielden, ende dat si met haren meismieden uter stat togen wonen daer bi. Ende die Joden en hoeden hem geens scamps, ende deden haren raet, ende togen uut buten wonen, met al dat hem toe behoerde, ende daer bleven si twe dagen in vreden. Mer ten derden dage togen die heiden van der poort uut, ende sloegense al doot, wel XXX d[u]sent onder wive ende kinder ende manne, ende si namen hem al haer guet. Nu sal ic voert tellen van enen valschen Jode die Simon hiet, wiesch hi plach. Van enen valschen Simon, ende van sijnre moertdaet, die hi op sijn volc dede. Capitulum VIII. [B]Innen Antipolis die stede was een Jode, een edel mans soen, die Simon hiet, ende hi had lange tijt mitten heidenen gevochten tegen den Joden, sijns selfs volc. Ende op die tijt dat die van Antipolis dus die Joden vermoerden, soe en toech hi sijn zwaert niet om sijn luden te helpen, mer hi riep met luder stemmen ende seide: Gi heren van Antipolis, hoert, met recht soe doge ic nu torment ende pijn. Want ic bens nu wel waert, want om die trouwe die ic tot u waert hadde, soe bereit ic t ende bracht toe op mijn volc desen moert ende dit grote verdriet. Ende omdat ic minen volc ontrou heb geweest, so is t recht dat gi mi di trouwe 31 breect, gi die van eenre ander wette sijt, omdat ic mijn wette besmet heb. Nu sterve ic hier als een verwaten man van mijns selfs handen, want dit s die verdiente van minen sonden. Ende ic en bin niet waert, dat mi mine vianden doden souden. In desen doot, die ic mi selven doden sel, so sal ic u toenen mijn vromichheit ende mijn stoutheit. Ende doe hi dit seide, so toechde hi sinen verwoeden sin, want hi sloech eerst sijns selfs vader doot, sijn wijf ende sijn brueder, ende al sijn meismede. Ende daer nae sloech hi sijn ridders doot eer die vianden daer toe comen consten, dat sise gedoot hadden. Ende doe hise al verslegen hadde, die hem toebehoerden, ginc hi boven opten doden staen, ende doerstac hem selven met sinen zwaerde daer t menich man sach. Ende dus bleef dese sotte stoute jongelinc doot. Dese jongelinc, omdat hi so vroem was ende soe schoen, ende dat hi metten heidenen 31. Leeu 1482: trouwe doet

18 gesworen hadde tegen t volc van sijnre wet, soe liet hem God dit verdriet ende desen jammerliken doot geschien. Die moerdaet die hi in Antipolis op den Joden halp doen binnen Siriën, al hier om soe vermoerden die heiden die Joden oec aldus. Want die van Ascolon vermoerden die Joden, die binnen hare poorte woende[n], wel XVI hondert. Te Ptolomaiden in der stat waren wel II dusent Joden gedoot. Ende die van Tirus sloegen oec die beste Joden doot, die de voerbaerste waren, ende d ander vengen si. Ende die van Joppe ende van Garisa doden oec die voerbarichste, ende vengen d ander. Dus verderfden al die steden van Siriën die [Joden die] onder hem woenden. Mer die van Anthiochiën ende die van Apanien lieten die Joden, die onder hem woenden, in paise haer wet houden, ende in Garisim oec, in s conincx Agrippen lant, so worden oec een deel Joden vermoert. Mer die Joden die dien moert holpen doen, togen voer een casteel dat 32 Apprijs hiet, ende dien worpen si der neder ende slechten die vesten. Hier na quamen oec veel van den besten Joden, ende belagen die Romeinen in enen casteel die Matheronta hiet, ende si boden hem, wouden si den casteel op geven, 33 si souden hem haer lijf laten. Ende op deser belofte gaven die Romeinen den casteel blideliken op. In der stat van Alexandriën worden oec wel II dusent Joden doot geslagen om dier overdaet die si deden. Hoe [C]estius 34 begonde op die Joden te oerloegen. Capitulim IX. [A]Ls [C]estius dit vernam, dien die van Romen ruwaert gemaect hadden van Siriën, so peinsde hi dat hi die Joden lichtelic nu t onder doen soude, ende hi 35 vergaderde een groot heer, ende quam op die stede, ende hem viel oec groot volc an, al met haetien op den Joden. 36 Ende Cestius quam met sinen heer in Galilea op een stat hiet Zabulon, mer 't folc wasser al uut getogen in den montaengen. Ende hi ende sijn heer die beroefden die stat ende verbarnendense, ende doe woesten si al 't lant daer omtrent. Ende Cestius voer weder te Ptholomaïden. Mer daer 32. Leeu 1482: dat dat - dittografie. 33. Leeu 1482: gegeven - dittografie. 34. Leeu 1482: testius 35. Leeu 1482: hier 36. Leeu 1482: Joden wouden

19 na keerde sijn volc in Siriën ende roefdent 't lant. Ende doe Cestius dus gekeert was, so sloegen hem die Joden wel II dusent man of van sinen heer. Ende [C]estius voer te Cesariën waert ende wan 37 't lant van Josephet, 38 dat doe Joppe hiet, ende daer worden wel IIII hondert ende VIII Joden verslagen in dier stat. Ende doe staken 39 sij t vier in der poort, ende woesten al 't lant daer omtrent. Doe sende [C]estius 't heer in Galilea, ende daer wonnen si sonder weer die vaste stat Sephoris, want die van der stat gaven hem op, omdatse die Joden begeerden te roven. Ende die hem setten wouden tegen die Romeinen, si vloegen op enen borch die Amason hiet, ende daer wouden si hem ter weer setten. Doe seinde [C]estius Gajum mit enen heer, ende omleide dese Joden, so dat hi die borch wan, ende doe vloegen ende ontsagen hem die Joden seer, want die Romeinen sloegen re wel CC doot. Ende die Romeinen streden daer soe starkelijc op die Joden, dat sise al verwonnen, ende sloegen re meer dan II dusent doot. Aldus suverde Gajus 't lant van Galileen, ende keerde weder in Cesariën, daer [C]estius lach. Nu toech [C]estius met al sijn heer te Jherusalem waert, want alle die Joden van den lande waren derwaert getogen tot eenre groter feesten. Mer doe die Joden vernamen dat dus die Romeinen op hem quamen, so lieten si varen die vierte van den saterdage ende die feeste, ende togen uut tegen die Romeinen, ende streden re tegen, so dat sire IIII dusent doot sloegen ende xv, ende van den Joden worter doot geslagen XXII. Nochtan mosten si vlien weder in der stat. Ende die Romeinen volchden hem na, omdat si bi der stat logieren wouden. Ende een Jode die Gair heet, quam mit een deel Joden slaende after in den start van den Romeinen, ende sloech veel ridder[s] doot, ende nam hem enen roef, ende brocht en in Jherusalem; dat prees men hem seer. Dus lach [C]estius ten pleinen lande logeert met sinen heer voer die stat drie dagen. Mer die Joden lagen al op enen berch, ende wachten wat tijt dat hi wech trecken woude. Als die concinc Agrippa aensach der Romeinen vrese an vallen in haren keren van den Joden, so peinsde hi dat hij t beletten soude, mochte hi. Ende hi sende an hem twe personen die wel kenden dat si die van der stat troesten souden, ende dat si vrede ende pais maken souden mit [C]estio, ende dat si souden beteren dat si misdaen hadden. Mer die gene daer t oerloge an lach ende oerlogen wouden, si ontsagen hem dat die gemeente van der poort volgen souden Agrippen raet, ende daer om 37. Leeu 1482: want 38. Lees: Jafet. 39. Leeu 1482: stakent

20 sloegen si den enen, die daer gesent was, doot eer si iet begonden te seggen van hare boetscap; mer d ander ontscoot hem. Ende hier om wort die gemeent[e] gram, ende si gingen met steen werpen op die dit deden, ende drevense weder in die stat. Hoe [C]estius Jherusalem wan ende hoe datte[n] die Joden weder verdreven met lachter. 40 Capitulum X. [D]Oe [C]estius hoerde dat de gemeente dus verbolgen was ende dattet volc van binnen in der stat discoort was, so logeerde hi op min dan een mile nader poort, ende daer bleef hi drie dage stille leggende. Mer opten vierden dach porrede hi ter stat waert, ende wan sonder strijt die butenste muer van driën, want 't folc hadse gelaten, ende was in die binneste stat getogen ende in den Tempel, ende dit hilden si, want dese stat ende desen Tempel en mocht men niet lichtelijc winnen. Ende doe [C]estius binnen der butenster muer gecomen was, so verbarnde hi veel van den husingen dier binnen stonden, ende doe sloech hi daer sijn getelde. Ende had hi doe op die binneste poert gaen stormen, hi hadse t hant gewonnen, ende had des oerlogens een einde gemaect. Mer onse Heer en wout s niet, want hi woude hem een meerre plage toe brengen om haer quaetheit. Hier na hilden die Joden starckelijc haer toernen ende muren doe die Romeinen op hem stormeden, ende vochten vijf dage, mer si en wonnen niet. Ende opten sesten dach beval [C]estius dat men op den Tempel stormen soude ter noort side. Mer die Joden dedense achterwae[r]t trecken. Doe quamen die Romeinen met daetsen an die muer, ende begonden te mineren ende si ontstaken die poerten. Hier om begonden hem veel Joden t onsien di er binnen waren, ende die dit oerloge meest begonnen hadden, vlogen uter stat. Ende die 41 gemeenten ondeden [C]estius die poerten, ende ontfing en over haren heer. Ende had hi daer iet langer bleven, men had hem den Tempel oec op gegeven. Mer God, die opten Joden verbolgen was, en woude niet dattet oerloge dus einden soude, mer hi woudse swaerliker plagen. Ende [C]estius en nam geen grote waer op die Joden, want hi vergaderde doe sijn heer ende toech haesteliken wech. Ende die roevers die uter stat gevlogen waren, worden doe stout, ende voechden hem 40. Leeu 1482: lachster 41. Leeu 1482: die die - dittografie.

21 achter an den stert, ende sloegen hem menich man of, so dat [C]estius in Gabaa ontvloech met groter pinen ende groten volc dat si hem of sloegen, so roefden si veel van sinen guede. Dus bleef [C]estius in Gabaa twe dage. Ende opten derden dach sach hi op hem comen soe veel Joden dat hi bliven most ter Bethoren wert, ende hi dedet al ontweën slaen dat hem te prophijt niet comen en mochte. Ende daer [C]estius te Bethoren wert vloe, so waren die Joden altoes in sijn volc, ende sloegenre alte veel doot, soe dat hi selver nauwe ontvlien mochte, soe seer gram was hi ende in soe groter vresen. Ende die Joden belagen Bethoren t allen zijden. Doe wort [C]estius in groten anxt hoe hi soude mogen ontvlien, ende hi dede s nachts IIII hondert man daweit doen opter mure van der stat, als of al dat Roemssche Rijc aldaer mit haren heer waer. Ende op dien nacht ontvloe [C]estius mit sinen heer XX stadiën van daer mit groter haesten. Ende des morgens vroe quamen die Joden op die poert stormen, ende worden gewaer dat [s]i 42 aldus gehoent waren. Ende doe sloegen [s]i 43 die CCCC edel luden doot, die dabbeit daden, ende volchden [C]estius na. Mer [C]estius die was hem verre ontvaren, want hi ende sijn luden vlogen so haestelijc dat sijn luden lieten leggen op t velt haer tenten, haer scachten, haer ramme ende mangen, ende haer ander instrumenten, daer men die muren mede plach te breken; mer die Joden namen dit en vochtenre naemaels mede op die Romeinen. Ende als die Joden [C]estium ende sijn heer niet verhalen en mochten, so keerden si weder ende namen den roef ende dat goet dat [C]estius volc mit groter vresen ende haesten wech geworpen hadde, 44 ende aldus keerden si weder in Jherusalem. Ende van haren luden en wasser niet veel doot gebleven, mer si hadden verslagen voetgangers van den Romeinen XIIII C ende LXXX machtige edele ridders. Dit gesciede op den d[er]den 45 dach van november in Nero des keisers XXste 46 jaer van sinen rijc. Hoe die Joden haer lant besetten ende hoe Josephus Galilea bewaerde. Capitulum XI. 42. Leeu 1482: hi 43. Leeu 1482: hi 44. Leeu 1482: hadden 45. Leeu 1482: dreden - het was overigens de achtste november. 46. Lees 12e jaar.

22 [N]Adien dat [C]estius dit oerloge dus verloren had, so volchd er hem veel uut Jherusalem, die hem van den Romeinen ontsagen, ende peinsden dat dit quaet einde nemen soude. Ende [C]estius sende dese Joden, die hem aldus volchden, tot Nero den keiser, die in Athis was,dat nu hiet 't Lant van Nerone. 47 Ende hi ontboet den keiser dies die sake was van alre quaetheit, want hi hoepte dat die scande van deser scaren al op Florijs raken soude. Hier na sloegen die van Damasch in haren steden veel Joden doot, wel X dusent, um die wrake van den Romeinen. Mer hoe die boden die tot Nero gesent waren haer boetscap daden, dat laten wi hier staen, want wi sellenre hier na of scriven. Die Joden die [C]estium dus verdre[v]en hadden si maecten voechde van der stat Ananias, haren biscop, ende enen anderen man, mer si en gaven Eleazarum geen heerscappie in der poort, die veel roefs ende gevechts op [C]estium gedaen hadde, want hi was een pijnlic man, ende si besetten haer lant verre ende na, tot beiden einden van Galilea, ende leiden t allen steden salcoirs tegen die Romeinen. Josephus, die dese jesten screef, die Machathias sone was, ende geboren van den Machabeeuschen geslachte, dien maecten si leitsman ende ruwaert boven al Galilea voer sinen vader. Ende omdat Josephus wel wiste dat die Romeinen daer in t lant comen souden, so en dede hi al niet die wile dat si vrede hadden, dan dat si vesten ende muerden die steden die in Galilea waren, want daer waren die XIIII steden onder hem, ende die dede hi mildelijc maken sonder sparen, ende die XVste stede Sephorus stichte haer selven, ende hi beval Jan Giscola te stichten, dattie XVIste stat was. Ende Josephus vergaderde uut Galilea meer dan C dusent man, ende die leerde hi ter wapijn, alsoe die van Romen plegen. Ende hi seide hem dat si voer hem sagen, ende dat si vroem waren, want si souden moeten vechten tegen die 48 Romeinen, die bi nae alle die werelt verwonnen hadden. Ende hi beval hem dat si niet en souden leggen op stelen of op roven noch op moerden, ende dat men van hem luden niet en vertelde sulke quade zeden, die de heiden haten, want hi seide dat die goede ridderen seer te prisen sijn die den strijde vroem sijn, ende daer toe goede seden an hem hebben: Mer die quaet ende onrein sijn ende quade zeden plegen, al t volc haetze, ende God wort oec haer viant! Dus troeste Josephus sijn volc ende leerdse tot alre vromicheit. Ende hi had LXX dusent man te voet ende CC ende LX ridders, ende daer 47. Lees: Moreie (Morea). 48. Leeu 1482: die die - dittografie.

23 IIII dusent ende V hondert man onder ors ende te voet, ende hier toe soe had hi noch VI hondert man die t sinen lichaem waer namen. Dit was een schoen volc dat Josephus had mede striden, hadde God mit hem geweest. Doe Josephus dit lant dus besettede, so was een quaet valsch Jan die veel quaets conde, ende van niet opgecomen was, ende was geboren van [gis]cola. 49 Dese dede Josephum veel hinders, want dese Jan was al te valsch, ende zeer beveinst, ende liegen ende bedriegen helt hi voer vroetscap. Ende hi had oec altoes een rover ende een moerdenaer geweest, in busschen ende in wildernissen, ende met moerdaden had hi hem altoes geneert. Ende deese Jan hadde vergadert IIII hondert man, daer hi mede pleecht te roven. Al met desen quam hi, ende werp hem an in dienste met Josephum, soe datten Josephus ontfinc, ende Josephus setten dat hi waer boven die wercluden die de stede muerden. Ende dese quade Jan dede hem daer soe toe, dat hi in corter tijt alle der riker lude scat ontwant van den lande, mer hi pijnde hem in alre manieren ende listen hoe hi Josephum verdriven mochte, ende dat hi heer van de[n] lande worde. Ende hi dede op Josephum een meerre dinc, ende seide dat hi al Galilea verraden soude tegen die Romeinen. Nochtan en was t desen valschen Jan niet genoech, hi en brochtet 50 daer toe, dat al Galilea verbolgen was op Josephum, ende en hadden si hem so lief niet gehad, si soud en doot geslagen hebben. Op een ander tijt so hadde dese valsche Jan Josephus verraden, dat hi hem doot geslagen soude hebben, mer Josephus ontschoet hem ende ontvloech hem. Ende doe vloech Jan uten lande ende voer te Jherusalem, ende maecte die van der stat so gram op Josephum, dat si Jan gaven groten scat ende II dusent man, omdat hi Josephus doot slaen soude of verdriven. Dus maecte die valsche Jan al Galilea in roer op Josephum, ende oec die van Jherusalem. Mer Josephus was so subtijl, dat hi met sijnre behendicheit Galileen t hant gevreed hadde, soe dat si hem onderdaen bleven, ende hi hiete hem, dat si altoes vromelijc met hem striden souden tegen die Romeinen. Ananias, die biscop van Jherusalem, ende alle sijn partie die striden wouden op die Romeinen, dat si maecten haer muer, volc ende ander wapen ende rescap tegen den Romeinen te striden, ende haer steden mede te behoeden. 49. Leeu 1482: gliscola 50. Leeu 1482: broechtet

24 Hoe Nero, die keiser, Vespasiaen beval Judeam te destrueren. Capitulum XII. [D]Oe Nero, die keiser, hoerde hoe [C]estius, si[j]n ruwaert in Judea gevaren hadde, so verwonderde hem dies, ende hi wort in vare van der Joden stoutheit. Mer van buten toende hi sijn hoverdicheit, ende teech t sijnre riderre traecheit an, datt er so gevaren was, dat sij t verloren so voerseit is. Ende hi toende sijn hoverdie, ende seide datt et behoerliken hem waer, ende der eren van den keiserrijc, dat men dit den Joden goude, al wat er of comen mochte. Ende doe dede hi Vespasiaen voer hem comen, die van sinen jongen dagen tot sijnre outheit was een man van vromen daden, ende wel vroem in wapen, ende die al die gene plach te dwingen ende t onder te doen, mit den Roemschen hulpen, die tegen t rijc van Romen staken. Ende hi vermaende Vespasiaens sonen, dat si haers vader leven navolgen souden in vromicheden. Ende ic waen wel datt et God vertoende, dat Vespasiaen namaels keiser worden soude. Dus sende die keiser Vespasiaen met vriendeliken woerden wech om Siriën te suveren van den rouers, ende hi sende Titus, des Vespasiaens soen, die oec een vroem man van wapen was, in Alexandriën, omdat hi van daer halen soude dat Roemsche heer ende brengen t in Siriën te salcoirse. Ende Vespasiaen toech over, ende an hem togen veel Romeinen, die vluchtich hadden geweest, ende oec som ander volc. Hoe die Joden van Ascolon verslagen waren, ende hoe Vespasiaen quam ende ontfinc Sephoris. Capitulum XIII. [D]Us began dat oerloge daer menich mensche sijn lijf in verliesen soude. Omdat die Joden soe gueden sege gehad hadden tegen [C]estius, so waenden si dat hem die Aventuer altoes mede vallen soude, ende si togen voer Ascolon, om die stat te winnen, ende die Romeinen doot te slaen, dier binnen waren. Mer binnen der stat was een ruwaert, die Anthonijs hiet, van den Romeinen, ende hi toech uut mit luden te velde tegen den Joden, ende stret er tegen ende verwanse, ende sloecher doot X dusent, ende twe van haren hoeftmannen. Ende d ander die ontvloegen in Idumea. Mer die Joden worden weder verstout, ende quamen met meer volcx voer Ascolon. Mer Anthonius beleidse, ende toech weder uut ende vacht er teegen, ende sloecher wel VIII dusen[t]

25 doot, ende vencker veel van den genen die r ontvloegen. Tot deser tijt quam Vespasiaen te Antiochiën, dat die hoefststat van Siriën is, want Agrippa die ruwaert van den lande was, ontbeide sijns daer. Ende Vespasiaen toech met sinen volc te Ptholomaida, ende die gaven hem haer stat op, behouden lijf ende goet. Ende hi ontfencse, ende sende daer binen een hoeftman, die hiet Placidus, mit M ridders ende mit VI hondert man te voet, die de stat houden souden totter Romeinen salcoerse. Dit was den Joden een zwaer verlies van deser stat, ende den Romeinen een grote hulpe, want die r binnen lagen deden Josephum grote pijn ende sijn volc, die de stat also vast gemaect hadden, al beroude t hem te spade, want si togen daer uut ende doer woesten al t tlant ende doer roefden t ende verbarnden t al, ende sloegen t al do[o]t dat si vonden, so dat al t volc vlien most in den bemuerden steden. Hoe Vespasiaen met alle den heer in Galilea toech. Capitulum XIIII. [G]Helijc dat gi voer gehoert hebt, so had Vespasiaen gesent Titum, sinen soen, tot Alexandriën, om dat Roemsche heer dat daer lach. Ende Titus quam, ende brocht al dat heer sinen vader tot Ptholomaiden, die daer met vier coningen sijns ontbeide mit sinen heer. Daer ordineerden si ende seinden noch salcoers Placidum in Sephorin, die dat lant van Galilea seer pijnde ende woeste, so dat al t 't volc vlien most uten lande in gevesten steden. Ende Placidus toech mit sinen volc op Jothabathae, dat die starcste stat was van Galilea, want die waende hi vluchts te winnen, ende daer of grote eer te jagen voer sinen heer. Mer ten quam hem niet also hi waende, want die poerters togen uut, ende wonden veel van Placidus volc, ende verdrevense, ende Placidus ontvloech selver met pinen. Daer blevenre ses van sinen heren doot, ende van den Joden III. Hier na porrede Vespasiaen met alle sinen heer uut Ptolomaiden ten lande van Galilea waert, ende hi deilde dus sijn volc, want hi sende dat lichte voet volc ende die die scutters voer om te besien of in den holen ende hagen enige Joden lagen, die t volc onversiens souden mogen deren, ende daer nae dede hi busschen ende hagen of houwen, ende berge slechten in den dalen. Ende hier na quam t grote heer van Romen, ende den standert van Romen, ende dat was een velt van goude gemaect, ende van sabel als enen vliegenden aern, ende dit bediet gelijc dat die aern boven allen vogelen vliecht, dat Romen al so waer die hoefstat van [alle aertrijc, ende] die sijn heer sach,

26 hi en vervaerde hem daer of. 51 Dus quam Vespasiaen met alle sinen heer in Galilea, ende sloech daer sijn getelde lan[c] 52 ende wijt, omdat hi die Joden vervaren woude, want niemant en was so stout die si[j]n 53 heer sach, hi en vervaerde hem daer of, ende si vloegen alle. Ende doe Josephus heer dit grote heer ansach, so ontvloech hem veel sijns volcx, so datter hem niet so veel en bleef, dat hi tegen den Romeinen dorste bestaen te striden, ende Josephus vloech met veel volcx dat hem bleef in Tiberiën. Mer Vespasiaen ende sijn volc wonnen die stede 54 ende doden al t volc datter binnen was, so gram waren die Romeinen van der plagen die de Joden gedaen hadden op [C]estium. Als Josephus in Tiberiën gecomen was, so wort dat volc seer vervaert, want si wisten wel dat hi niet gevloegen en soude hebben van den Romeinen, had hi enige hoep gehat van zege, ende si peinsden waer... Want hem 55 docht wel, na dat gescepen was, dat hem alre best had geweest, dat hij t lant op gegeven hadde in der Romeinen hant. Want hi sach wel, had hi paijs gesocht an den Romeinen, hi hadden wel gecregen. Mer hi had liever te sterven, dan dat hij t lant op gegeven hadde, daer hi 56 ruwaert ende hoeftman of gemaect was, omdat men dan geseit soude hebben, dat hi een verrader waer, had hi daer so scandelijc of gescheiden. Hier om screef hi tot Jherusalem dat d[at] Roemsche heer op hem quam, ende hoe hem sijn volc of gegaen was, ende hi ontboet hem dat si hem salcoirs senden, hi soude die Romeinen bestriden. Hoe Jothabata beleit wort van den Romeinen. Capitulum XV. [V]Espasiaen ginc hem bereiden Jothabata te beleggen, want hi wist wel dat in dier stat veel Joden getogen waren, ende dattet die starcste stat was van Galilea. Ende dattet omtrent den poerten oneffen was van geberchte, dat mer te orsse niet toe comen en mochte, ende oec qualiken te voete, soe sende hi die voetgangers voer, ende dede al die straten slechten, ende binnen driën 57 dagen voldeden sij t werc. Ende opten vijften dach hier nae, doe quam Josephus met sinen hulpen te 51. Zie de diplomatische editie voor de verdwaalde woorden. 52. Leeu 1482: lant 53. Leeu 1482: sin 54. Bedoeld is de stad Gabara. 55. Josephus 56. De i staat ondersteboven. 57. Lees: vier

27 Jothabatha binnen, daer blide of waren alle die gene die in der stat waren. Ende Vespasiaen vernam dit, want een bode seit hem, ende hi seinde onder dach ende nacht te Sephorijs om Placido, omdat si Josephum daer beleggen wouden. Want Vespasiaen was so blide, omdat hi waende Josephum daer te hebben in sinen handen, den stoutsten ende den vroemsten van alle den Joden, want hem docht dat al der Joden macht aen Josephum alleen lach. Ende Placidus quam haestelijc met dusent ridders, ende beleide Jothabata al om ende omme, dat hem Josephus niet ontvaren noch ontrumen en soude. Ende s dages daer na quam Vespasiaen met al den heer, ende beleide die stat an de noortzide, ende sloech sijn getelt seven stadiën veer van der stat, op enen berch, so dat die gene die binnen der stat waren 't heer mochten sien, omdat si dus te meer anxtes hebben souden. Want doe sijse van binnen sagen, so worden si so seer vervaert dat niemant uter stat gaen en dorste an geen side. Ende die Romeinen gingen die poorten al om ende om beleggen mit driën scaren, omdat si hem niet ontvlien en soude[n]. 58 Ende doe die Joden haren noot an sagen, so verstouten si want geen 59 dinc en maect enen man stouter, dan als hi hem selven verweren moet van node. Ende die Romeinen begonden te stormen op die poort, ende die van binnen weerde[n] 60 hem stoutelic, ende en lieten t so saen niet winnen. Mer si dreven 61 die Romeinen afterwert. Hier nae quam Vespasiaen mitten slingers ende mitten scutters, ende bestont die muer daer si vastste was, so dat Josephus ende alle die in der stat waren, vervaert worden ende duchten die stat te verliesen. Doe worpen die van binnen die stat die poorten open [ende] 62 angingen die Romeinen van buten so vromelijc dat sise van der muer dreven. Mer daer bleven van beiden siden veel luden, want geli[j]c 63 dat die Joden stout ende bout worden om den noot diese dwanc, also worden oec die Romeinen hem scamende, dat si wiken souden den Joden, ende dus vochten si al den dach totter nacht toe te velde, die Joden van gramscap ende van node, ende die Romeinen met cracht. Daer waren [ve]el 64 Romeinen gewont, mer daer en bleeffer mer XIII doot, ende der Joden XVII. 58. Leeu 1482: soude 59. Leeu 1482: ggheen 60. Leeu 1482: weerde 61. Leeu 1482: dienen 62. Leeu 1482: Een 63. Leeu 1482: gelyc 64. Leeu 1482: wel

28 Hoemen op Jothabata stormde. Capitulum XVI. [D]Es anderen dages quamen die Romeinen weder te gader om op die stad te stormen, mer die van binnen togen anderwerven tegen hem uut, ende dus deden si vijf dagen lanc, ende streden starckelijc den enen op den anderen voerder muer van der stat. Ende die Romeinen vochten starckelijc op die van binnen o[m] 65 dat die van binnen so veel scaden deden an haer volc, mer si en mochten niet op hem winnen. Nochtant om den doot te sterven so en woudens die Romeinen niet laten, si en wouden op die stat stormen, al waer si noch eens so starc, want Jothabata stont op een hoge roetsche, ende daer onder was een valeie so diep, dat men niet sien en konde van binnen dat gras dat wies in die valeie. Mer alle[e]n an die noortzide van der stat, daer t gebergt einde nam, daer mocht men der poorte genaken. Mer Josephus had daer tegen doen maken so hogen starcken muer dat men daer die stat niet en had mogen winnen, en had t groot aventuer gedaen. Ende Vespasiaen ginc mercken ende sach die stat so vast datter geen winnen an en was, ende oec dat die Joden stout ende starc waren. Doe vergaderde hi sinen raet, ende beval alle den heer dat si drachte dragen souden, ende die vesten vollen. Ende al t volc ginc gemeenlijc dragen, onder taertsen ende scilde, hout ende steen, ende volden die grafte. Mer die van binnen worpen uutwert met stenen, ende scoten vier, ende verbarnden die dracht, d een voer d ander na. Mer nochtant wrochten die Romeinen so vromelijc buten dat si tegen haren danc die graft volleden, ende droegen enen berch, daer si scutters op leiden die die lude van der stede binnen seer quetsten ende wonden. Hoe Josephus die muren hogen dede, ende van den gebreke waters. Capitulum XVII. [J]Osephus die vroet ende subtijl was, hi peisde hoe hi dit benemen mocht. So vant hi enen raet van subtijlheden, dat hi boem dede corten te punt, ende stacse boven ter muer uut, ende daer dede hi t enden an hangen natte hude ende cleder, die muer al doer ende doer, tegen die scote. Ende daer dede hi die mure soe hoge metselen, dattie scutters 65. Leeu 1482: op

29 den volcke binnen niet en mochten deren, ende tegen [der] Romeinen danc so de[de] hi die muer wel C voet hoge metselen, ende daer op veel toornen. Des hadden die Romeinen groot wonder, die de stat te voren eerst meenden te winnen, ende om dat werc worden si so gram, ende Vespasiaen oec, dat si meerre wille ende begeert hadden om die poort te winnen. Want die Joden waren so stout op deese muer, dat si dicwijl uut liepen, strijden op die Romeinen, ende barnden haer loedsen ende tenten of ende [deden] hem menigen roef, so dat Vespasi[a]en sijn volc verboet, dat si ter stat waert niet en togen om assaut daer op te doen, want hi woude die stat geheel winnen, ende 't folc daer in verhongeren, ende hi dede alle die wege beleggen die ter stat waert lagen. Mer die van binnen hadden alrehande vitalie genoch, sonder water ende sout, want si en hadden binnen gene fontein, mer in putten hadden si binnen een luttel waters. Nochtant waren die putten wel na al verdroecht van der hetten van der zomer, want het was somer doe si belegen waren, ende het regende selden binnen dier tijt, so dat Josephus den volc dat water dede deilen alle dage bi maten. Dit verhoerden die Romeinen, ende waenden die poert saen tot haren wille gehad te hebben. Als dit Josephus vernam, soe dede hi ter muren uut hangen genette cleder, tot enen teiken dat si waters genoech binnen hadden. Ende doe dat die Romeinen sagen, behaechde t hem qualiken, ende Vespasiaen docht wel dat hi die poort met honger ende dorst niet en soude mogen winnen. Doe vant hi in sinen raet, dat hi op die poort stormen woude in t eerste. Ende dit begeerden die Jode alle, want si hadden liever cortelijc in den stride te sterven voer 66 't swaert dan van honger ende van dorst te verderven, want si en mochten nergent ontvlien. In deser noot so vant Josephus oec enen anderen raet, want neffens der stat lach een seer diepe valeie, verre buten allen wegen, ende daer doer senden si boden al heimelic, die hem binnen brochten al dat si behoefden of te doen hadden. Oec beval hi hem: waer t dat si water vonden, dat si gaen souden over handen ende over voeten, ende hi deedse overdecken met ruwen huden; aldus schenen t dan honden te wesen. Ende in deser manieren so haelden dese boden doer t dal al dat die stat behoefde tot dattet heer van Romen des gewaer wort, soe dat si doe dat altemael beleide ende bewarde. Ende doe sach Josephus wel dat hi die stat niet lange en soude mogen houden, ende ontsach hem sijns lijfs, ende nam raet mitten besten die r waren, dat si mit een deel volcx doer 't heer van 66. Lees?: doer

30 Romen breken souden ende ontvaren. Mer die gemeente van der poorte wort des gewaer, ende si quamen alle, van den minsten totten meesten, omtrent hem, ende baden hem oetmoedelijc, dat hi hem niet en ontvoer, want dede hij t t en waer hem geen eer. Oec beloefden si hem dat si alle voer hem sterven wouden, want hi haer heer ende haer troest waer. Mer Josephus had garne sinen raet bedect, ende seide, dat hi nergent om uut varen en woude dan dat hij t volc van Galilea vergaderen woude, ende striden dan op die Romeinen, om die stat corts te ontsetten. Ende hi seide oec: Omdat si mi hier binnen weten, so striden si hier om op ter stat. Ende ben ic hier binnen blivende, so en mach ic u niet alsoe wel helpen als of ic buten waer. Mer die gemeente en mercte op desen woerden niet die hi seide, want man ende wijf ende clein kijnder, ende alle die in der stat waren, quamen ende vielen voer sinen voeten al wenende, ende baden hem dat hi hem niet en ontvoer in deser noot. Doe wort Josephus verwonnen met wanhopen ende seide: Lieve vrienden, nu is t dan tijt dat wi ons tot stride geven, want daer en helpt geen cronen tegen. Want, bi Gode, 't is eerlic dat men t lijf geeft om eer, nu dan so laet ons die vianden so vromelic an gaen, ende so groten moert daer onder doen, dat men daer ewelic of spreke! Als hi dit geseit had, so togen si alle willichlijc met hem uut der stat, ende si braken der Romeinen lussen van den tenten 67 ende haer aensien, 68 soe dat si togen vromelijc also bi een totten tenten van Romen, ende si braken ende verbarnden haer ansien 69 van haren tenten. Aldus so vochten si op die Romeinen drie dagen ende drie nacht vromelijc. Hoe Vespasiaen den ram an der muer rechte, ende hoe hem Josephus wederstont - Capitulum XVIII. [V]Espasiaen mercte dat die Romeinen aldus alden dach ende nacht groten scade leden van den Joden, ende hi beval wijselijc sinen volc als si die 70 Joden uutcomen sagen, dat si hem wiken souden, want hi seide dat die Joden niet en begeerden dan die doot. Ende oec dattet alte 67. Verkeerd begrepen. Eerst worden de lijtsen aangevallen en vervolgens de tenten. 68. Lees: engiene 69. Dittografie. 70. Leeu 1482: drie

31 quaet een dinc is ende onseker vol[c] 71 te tho[m]en 72 dat in wanhopen is. Ende hi sette tegen der Joden oploop die scutters van Arabien ende die slingers van Siriën, ende hi beval desen dat si die Joden wederstonden, ende si deden also Dit behagede den Joden qualiken, nochtant braken si doer den scoten, want si en mercten op haren leven niet, ende si dreven 73 die Romeinen achterwaert, ende doerbraken dicwijl haer scaren. Hier om dede Vespasiaen weder drachte dragen ter mueren, so hoge dat die Romeinen daer op rechten een engien 74 dat een ram hiet, dat s een grote lange balc die voer t hoeft alte starckelijc verisert heeft met tweën starcken iseren hoernen, ende dien hout men sonderlinge vast met starcken repen an een engien gemaect als een galge. Ende desen ram trecken veel luden achterwaert ende voerwaert mit repen. Ende geen muer en mach so vast wesen noch so dicke dat iseren hoeft en stectse ontweën. Aldus om lange tijt dede Vespasiaen desen ram rechten opter dracht tegen die niewe muer, ende besiden den ram sette hi scutters, die totten kertelen waert opscoten van der muer, so datter niemant op staen en mocht uutwaert siende. Ende den ram gaf enen stoot soe groot dat die van binnen begonden te roepen of si die stat verloren hadden, want al die muer waechde van den stoot. Mer Josephus vant een subtijlheit tegen den stoot van den ram, dat hi niet seer en soude mogen hinderen, want hi dede sacken vollen mit stro, ende deedse hangen tegen den steec van den ramme, dus en mocht hi der muer niet deren. Die Romeinen die dit sagen worden al verwoet, ende namen lange boemen of pertsen, ende nagelden daer zekelen an, ende sneden die sacken of. Ende si deden so veel met hare neidicheit, dat si den ram noch stieten opter muer. Ende omdat die muer noch nuwe ende varsch was, so en conde sij t niet weder staen, mer si scoerde. Als Josephus dit sach, soe liep hi met sinen volc ter mueren van binnen, ende worpen tot drie steden vuer uut met peec ende met sulpher gemenget. Ende hier mede verbarnde hi cort die costelike engiene, ende die drachten die de Romeinen met groter pinen gemaect hadden, ende dus waren si buten weder verwonnen. Hoe die muer gebroken wort ende der vrouwen kijnt uten lichaem 71. Leeu 1482: vol 72. Leeu 1482: thonen 73. Leeu 1482: dienen 74. Leeu 1482: aensien

32 geworpen wort. Capitulum XIX. [H]Ier moechdi horen grote vromicheit die sommige Joden deden. Binnen was een Jode, die Eleazarus hiet, hi nam enen steen boven soe groot ende werp den ram boven op t hoeft, soe dattet hoeft brac, ende doe spranc hi t hant neder van der muer onder 75 die vianden, ende nam dat hoeft ende 76 hi brochtet mit hem op die muer gedragen. Mer daer hi op clam, wort hi mit vijf scaften doersteken, dat hi weder van boven neder viel doot. Doe waren daer noch twe brueders, Philips ende Veteras, die sprongen doe oec neder in den hoop van den vianden ende doerbraken die Roemsche scaren ende verdrevense. Doe liep Josephus uut met den sinen hem te help, ende om staken ende verbarnden alle die instrumenten ende die engiene die die Romeinen om der stat gemaect hadden tot haere weer. Mer die Romeinen verstouten so, dat si den ram, dier gevellet was, weder op rechten nader middaech, totter selver stede van der muer, daer hi te voren gestoten hadde. Hier geviel t dat een van binnen die ter mueren stont scoot Vespasiaen mit enen quarele doer den voet, daer hi stont, ende hier om wort al t Roemsche heer vervaert. Mer doe hem sijn wonde verbonden was, so verstoute hi weder, ende al t Roemsche heer met hem. Ende alle die Romeinen verstouten d een den anderen om te wreken haers heren quetsuer, ende si liepen alle opter muer stormen, daer tegen dat elc stont. Mer al wast dat Jospehus ende sijn luden so gepijnt waren mit den stenen ende scachten die van buten in quamen, nochtant deden si starcken assaut 77 op den ram mit vier, met steen ende met iser, dat si daer op worpen, mer 't en bescoot niet noch en lette, want men scoot van buten ende men warp der Joden op die muer soe veel doot, datt er geen getal in en was, want dach ende nacht stormde men op die poort. Ende men sach des nachts die Joden op der muer gaen, al doer ende doer mit vier, ende men warp van beneden opten toornen ende op die castelen menigen steen, dien die muer faelgierden. Hier geviel t dat een steen van buten quam gevlogen, ende warp enen Jode die neffen Josephum stont dat hoeft of, soe dattet welna een scutmael verre vloech! Ende desen selven steen geraecte een vrouwe, die swaer ginc met kinde, ende scoerde haer den lichaem, ende mitten steen voer haer t kijnt uten lichaem meer dan XL voet verre. Dus was groot geween binnen van den vrouwen, ende 75. Leeu 1482: ende onder 76. Leeu 1482: ende bract ende 77. Leeu 1482: assant

33 opt er muren bleef menich man doot, soe dat alle die side van der muere daer men stormde al bloet was, ende roet van den bloede al doer ende doer, ende die hoop van den doden lach buten so hoge dat mer over op die muer climmen mocht. Want al datter stat vaer ende vrese geven mocht, dat en gebracker dach noch nach[t] Op eenre nacht luttel voer den dage wort die muer ontweën gestoten mitten ram, ende die Joden worden al verwoet, ende liepen al gewapent voer dat gat staen, ende die 78 Romeinen brochten vroe ter muer waert bruggen ende lederen, mer si hadden daer zwaer aventuer. Ende Vespasiaen brochte wel vroe sijn volc om op die stat te stormen, ende hi ordineerde daer die gene die den scaert 79 oft gat bestaen souden, dat die ram gestoten hadde. Ende andere lude ordineerde hi t allen gaten, so dat niemant uter stat ontvliën en soude, ende daer die muer heel was, daer sette hi slingers ende scutters, ende dede daer in lederen setten, om datt er vroem luden opclimmen souden, ende dat dan die stoutste, die binnen voer 't gat stonden, lopen souden voer t gat daer t volc over climmen woude, ende dat men t gat sonder weer winnen soude. Mer Josephus, die behendich was, verstont een deel van den rade van buten, ende hi sette d oude luden van der poort, ende die vermoeit waren, daer die muer heel was, omdat si dat daer lichtelijc souden verweren. Mer hi, ende die starcste van der stat, gingen staen ter weer voer t gat, ende daer wijsde hi hem, hoe si vechten souden, ende seide: Elc vechte stoutelijc! Niet om lant te houden. Mer nu peinst dattet al verloren is. Ende elc vecht vromelijc op sijn lijf, ende hebt voer ogen den overdaet ende quaetheit, ende uwe wive, uwe kijnder ende uwe brueders hier namaels sellen moeten dogen. Ende pijnt u nu dat op hem te wreken! Doe soe mochte men doe in der stat horen groot geween van al den volc gemeenlic, ende elc ginc hem vromelic geven ten stride. Die Romeinen quamen toe mit geblase, ende met getrompe van hoornen. Ende brachten haer plancken ten gate wert, bruggen of te maken. Ende die quarelen vlogen daer soe dicke dat die schijn 80 van der sonnen daer of verdonckerde. Hoe Josephus die Romeinen verscalcte. Capitulum XX. 78. Leeu 1482: dittografie: die die 79. Leeu 1482: staert 80. Leeu 1482: schim

34 [J]Osephus gesellen die mit hem voer t gat stonden, peinsden om dat hem Josephus geseit had. Ende doe die Romeinen die brugge leiden ten mueren, so liepen si daer voer op, ende vochten daer tegen hem, ende en lietense niet voert comen, ende si en keerden oec niet achterwaert voer dat si bi driën ende bi viven neder vielen van quetsingen, ende alsoe deden si oec haer vianden vallen. Mer die Joden worden hier verladen, want als si een scaer van den Romeinen verwonnen hadden, soe quam daer altoes een versche schaer daer nae, ende dit lette den Joden seer. Ten lesten quamen die Romeinen met taertschen, so dat die brug gewonnen, ende quamen totter muer. Als Josephus dit sach, so begonste hi hem seer t onsien. Nochtant vant hi enen raet in deser noot, want hi nam gewelde oli, ende begoot daer mede t folc op die scilde. Ende daer mede worden si geschent onder haer wapen, totten benen toe so die oli neder liep. Ende dat volc spranc van anxt nederwaert, ende vielen doot van der bruggen, ende sulke cropen wech die te live bleven, want si en mochten van der brugge niet achterwaert keren, om t grote volc dat achter an quam dringende. Dus bleeffer daer veel doot. Mer den Romeinen en gebrac nie cracht noch weer in desen anxt, noch den Joden wijsheit, want al was t dat den Romeinen die oli wee dede, si liepen vast toe. Mer Josephus vant doe enen anderen list, want hi dede doe fenigrecum sieden, ende deede t gieten op die plancken alle sins. Ende doe worden die plancken also glat, dat die Romeinen daer op niet staen en mochten, si en vielen van den plancken neder, soe datter daer aldus veel doot bleef. Doe dit Vespasiaen sach, soe dede hijse achterwaert keren van stride, ende hier bleven van den Roemschen heren onder doot ende gewont meer dan CCC. Dit geviel op den XXsten dach in wede maent. Hoe Vespasiaen ende Titus Effraten wonnen. Capitulum XXI. [V]Espasiaen troeste sijn volc, dat si hem noch vromelic souden weren, ende hi dede die dracht noch hoger dragen an die muer, ende op die dracht dede hi toornen maken, vijftich voet hoge, ende die dede hi ter stat waert al overdecken met iser, omdatse die van binnen niet verbarnen en souden. In desen toornen leide hi slingers ende scutters die dien van der stat grote moeinisse deden, dat hem harde na ginc. Binnen desen quam daer in t heer een niemaer van enen stedekijn, hiet Effrata, daer veel Joden in waren, ende die den Romeinen groot quaet

35 deden. Ende Vespasiaen sendde erwaert Trajaen, sinen soen, mit enen groten heer, dat hij t beleggen soude. Dit Effrata was omme bemuert mit tweén muren, ende was seer vast, ende doe die Romeinen daer voer quamen, so togen die Joden te velde tegen hem uut om te strijden, mer si verloren den strijt so dat si mosten wedervlien in haer poorte. Ende die Romeinen volchden hem soe cort after na, dat si met hem in de poort braken, ende wonnen die eerste muer. Ende die van binnen hielden die binnenste muer wel vast. Ende alle die geene die waren ende woenden tusschen den tweën mueren, die sloegen die Romeinen al doot, wel XII dusent bi getale. Doe Traianus sach dat die poorte was sonder mannen binnen, soe seinde hi om Titum, sinen brueder, dat hi quam ende wonne dese stat. Doe quam Titus te hant derwaert, ende wan dese stat met vechtender hant, ende sloech alle die mannen doot, dier binnen waren. Mer die wiven ende die kinderen vingen die Romeinen, tot XXVI hondert ende XX toe. Ende onder voer ende na waren daer verslagen XV dusent man. Dit geviel opten XIIIsten dach van braech maent. Hoe Jothabata gewonnen wort. Capitulum XXII. [J]Othabata, die vaste stat, die gehouden was met vechtender hant vromelijc van die van binnen wort aldus gewonnen. Opten XLIIII dach na datt et heer van Romen daer voer gecomen was, so wort die drachte voldragen ende enen hogen berch gemaect mit groter pinen. Doe quam een man uutgeronnen uut der stat ende men brocht en voer Vespasiaen, ende hi seide hem datt er luttel mannen binnen der stat waren, ende dat die selve di er waren alte cranc waren worden van waken ende van quetsingen. Voert seide hi hem dat si mit behendicheden die stat dus souden mogen winnen sonder vechten: want die van binnen plegen te slapen eerst in der dageraert, ende te stormde hi dan die poort, hi 81 wonse. Mer Vespasiaen geloefde dese man luttel, want hi hadde daer te voren enen van binnen gevaen, ende om wat torment ende om wat pijn dat men hem dede, hi en woude niet seggen hoe t in die stede stonde, mer hi bat zeer dat men dode, soe datt en Vespasiaen dede crucen. Mer dese Vespasiaen dochte datt er niet veel aen en lage al besochte men t dat hi geseit hadde, ende hi hielt en gevangen. Ende ten naesten dage 81. Leeu 1482: si

36 ordineerde hi sijn heer dat men ter muerwaert trecken soude, al heimelijc eer t lichten soude van den dage. Ende Titus ginc ter muer wert mit een luttel volcx, ende aventuerde hem selven, ende si sloegen die wachters doot. Ende doe gingen si binnen der stede, ende t folc volchde hem vaste na, ende si wonnen den hogen toern. Ende doe t dach was, ende die sonne op ginc, ende t folc ontwaecte, dat hier niet of en wiste, so quam een nevel binnen der stat vallende, die t volc verblinde. Ende desen neevel duerde t hent alle dat volc van den Romeinen binnen gecomen was. Doe gingen si hem wreken van den scade die si genomen hadden voer die stat ende sloegen t al doot dat si vonden. Ende si sloegense, ende dan worpen sijse ter mueren wert uut in die diepe valeien. Si en spaerden niement. Want die Joden waren so onversienlic belopen, dat si hem niet geweren en mochten, ende veel van den genen die omtrent Josepho waren, hadden liever hem selven te doden, dan dat si onder die Romeinen quamen, omdat si hem ontsagen dat sijse souden hebben te spot, ende dus sterff er veel. Die Romeinen mochten wel blide wesen, dat si dus die stat wonnen, want anders en hadden sijse niet winnen mogen sonder grote verlies. Onder den Romeinen was een prince, die Anthonijs hiete, ende hi socht et volc dat in putten in der stat ende in hagedochten gevlogen was. Ten lesten quam hi tot eenre hagedochten, daer hi veel Joden binnen vant. Ende onder dien was een edel man, ende boet Anthonio die hant, dat hi hem op naem. Ende doe n Anthonius op nemen soude, ende hi hem sijn hant boot, so slog en die Joden doot. Ende om deser moertdaet starf menich Jode op desen dach, want men doersochte seer nauwe die hagedochten, die kelres, die putten ende pashuse. Ende alle die Joden die men vant, nam men t lijf, sonder wijf ende kijnder, want wive ende kijnder worden daer gevangen tot XII hondert toe. Ende van der tijt dat men voer der stat quam, waren daer doot bleven onder binnen ende buten IIII dusent 82 menschen. Vespasiaen dede al dese stede slechten, die hi wan opten eersten dach van hoimaent, in Nero des keisers XIII jaer. Dese Jothabata was die starcste stat van Galilea. Hoe Josephus gevonden wort in eenre duwier. Capitulum XXIII. [D]Ie Romeinen sochten al doer ende doer Josephum, wat si mochten, 82. Lees: IIII C dusent

37 ondert volc dat si vonden in hagedochten ende in putten. Mer doe die stat gewonnen was, die wijl dat men vacht, so ontvloech hi in enen put, die in die zide hadde onder een grote diepe hagedochte, als enen kelre, dat mens niet lichtelijc en mocht vinden. Hier binnen vant hi XL edel Joden, des hi blide was, ende vitaelgie genoech. Ende die Romeinen hadden die stat al om ende omme nauwe beleit, dat Josephus niet ontvlien en soude. Des daechs onthilt hi hem in dese duwier, mer nachts soe ginc hi uut omdat hi gaerne ontgaen hadde, mer hi en mocht niet, want soe nauwe waren alle die gaten beleit om sinen wille alleen. In desen put ontscuulde hi twee dage, mer ten derden dage worts een wijf gewaer, ende si seit den Romeinen. Doe seinde Vespasiaen twe princen, Paulinum ende Galiranum, dat si hem op nemen souden, ende hi gaf hem sin lijf. Dese II princen behoefden IOSEPHUM sekerlijc sin leven, mer hi en dorste hem niet opgeven, ende hi antwoerde hem dat hi geenre genaden en hoepte, omdat hi den Romeinen so groten scade gedaen hadde. Vespasiaen sende doe tot hem den derden prince die 83 Nichanor hiete, ende die Josephus wel kende, ende ontboet hem gewarich teiken van vrede. Ende dese Nichanor die troeste Josephum, dat hi uut quaem, ende ontfinge der Romeinen vrienscap. Met Josephus was altoes in twivel, wat hi doen mocht. Doe worden die barone buten gram ende wouden vuer in den put werpen, ende Josephum ende sijn gesellen daer in versmoren. Mer Vespasiaen verbotet elken op sijn lijf, dat sij s niet en deden. Nichanor seide Josepho hoe toornich die princen waren, dat hi niet uutcomen en woude, ende hoe si hem daer om dreichden Ende hoe hi peinsende wort om den swaren droem, die hem God s nachts vertoent hadde, daer hi an verstont die onsalicheit die den Joden nakende was, ende dat dreigen van den Roemschen princen, ende oec hoe t met hem vergaen soude, want hi was harde vroet van dromen te verstaen. Oec so verstont hi wel die Heilige Scrifture van den propheten, want hi was selver paep. Ende doe dede hi te Gode mit deser bedinge mit oetmoedicheit ende seide: Ai Heer God, die al aertrijc gescepen heeft, het s Dijn wille ende vonnisse dat der Joden wet t onder gedaen worde ende lien ende eindet onder die van Romen. Ai Heer Vader, Du vertroeste min ziel daer toe dat ic al dit voer seggen soude. Hier om wil ic mi willichlijc opgeven in der Romeinen hant, in oercontscap dat ic mi na Dijn vonnisse an hem keren wille. Niet als verrader, mer als Dijn dienstknecht geve ic mi op. Doe gaf hem 83. Leeu dittografie: ende die

38 Josephus Nichanoren op. Ende doe die Joden dit sagen, die mit hem daer binnen waren, so gingen si alle om staen, ende clageden haer wit ende seiden: Ai Josephe, geeftu di selven dus op tot eigenscap, ende hebstu dus saen vergeten hoe menigen man du hebste doen sterven om die vriheit, die du hieldes, ende seides? Ende dijn vrientscap was al valsch ende loes! Hoe waenstu mit hem ter vrientscap te comen ende in vreden wesen, daer du so seer op gestreden hebste? Waenstu dat si di niet ontliven en sellen? Ende wilstu hem bi bliven? Ende al is t dattu dinre naturen vergeetste, omdat [d]i 84 die Romeinen verwonnen hebben. Wi sellen nochtant die eer van onsen lande houden, ende slaen di doot met onsen handen. Hier om sterft nu williclijc doer die eer als onse here, onse leits man, want sterfstu williclijc so en selst[u] 85 niet bliven als een verrader! Hoe Josephus sijn gesellen in der hagedacht 86 mit subtijlheden verwan. Capitulum XXIIII. [A]Ls dit volc Josephum dus an spraken so vervaerde hi hem, ende ginc hem an mit wijsliker talen, ende seide aldus: Lieve gesellen, waerom willen wi sterven sonder noot, ende verscheiden die ziel ende dat lichaem, d een van den anderen, die mit so grote vrientscap te gader sijn, dat nie minne so groot en was in der werelt, als si te gader onderlinge hebben? Ende dat dese twe onderlinge wilt doen vechten, dat tegen natueren is? Ende dat wi begeren te sterven als die Romeinen, ende alle menschen, so is t beter dat men in wige sterve. Dat s te verstaen: daer men in staende stride is ende vecht. Ende hier om bit also te sterven van den Romeinen. Waerlijc mi en soude niet vervaren mi selven te doden met minen zwaerde ende met mijnre hant, waer so oerbaerlijc als dat mi die vianden doden. Ende of die Romeinen sulc sijn, dat si haren viant sparen willen, sellen wi ons selven doden, ende ons selven niet sparen? Ic lie ende seg noch datt et goet ende oerbaerlijc is te sterven voer die vriheit. Mer dat is te verstaen vechtender hant op die gene diese ons of winnen willen. Mer nu willen onse vianden niet striden. Oec seldi weten dat hi harde blode ende versaecht is, die sonder noot sterven wil, ende die hem dat ontsiet alsse sijnre werc te doen is. 84. Leeu 1482: hi 85. Leeu 1482: selste 86. Leeu 1482: hogedacht

39 Hier om gi heren, laet ons onsen doot an den Romeinenen keren, want wi en weten of si ons doden sellen of niet. Ende sellen wi ons selven dan dootslaen sonder noot? Dunct u dat een stout mans daet, dat hi hem selven doot? Dat en behoert enen stouten man niet toe, mer enen bloeden. Dat s een bloede scipman die sijn scip in den tempeest omme werpt in den groende, want het is tegen die natuer dat enige levende creaturen hem selven dat lijf nemen souden, daer men Gode seer mede vertoornt, dat een hem selven t lijf neemt, want het tis natuerlic dat geen levende creatuer gaerne en sterft. Waendi God sou t wreken an ons of wi onsen lichaem doden, dien Hi ons gegeven heeft in te leven? Hier om laet ons Gode gebruken laten mit onser doot, ende dat sijn wi schuldich te doen, want wi sijn alle sterflijc. Mer die ziel die God in den lichaem gesent heeft, daer den lichaem bi leeft, die ziel leeft ende duert ewelijc. Nu besiet ende merct die enen anderen sijn goet naem, ende dade t qualijc over, en 87 soud men niet houden voer loes ende ontrouwe? Of dan een van Gods giften ende Sijn goet al willens ende onwaerdeliken doet uut sinen handen ende uut sinen lichaem, hoe waendi God en salt wreken?! Ende en weti oec niet, soe wie bi aventueren haer leven wel einden, ende Gode doen dat si hem schuldich sijn te doen, dat si hier na ten doemsdage den lichaem mitter sielen weder ontfaen sullen, ende dat si ewelijc sonder einde dan te gader bliven sellen in groter blijscap, want die heilige varen ten hemel, daer si in groter salicheit ende blijsscap leven. Mer soe wie die van wanhopen of ander hem selven t lijf nemen, si moeten ewelijc in der hellen worden getorment, ende hi is gehaet van God, ende van allen heiligen. MOISES die ons die wet gescreven heeft, hi scrijft in sinen geboden, dat soe wie hem selven doot, dat men sal laten onbegraven tot dat die sonne onder gaet; nochtant beveelt hi dat elc sinen viant 88 begrave. Lieve gesellen, het is goet dat elc wel toesie dat hi Gode niet en vertoerne mit sijnre felheit ende mit sinen wercken. Want willen wi ons selven behouden bliven, waendi dat ons die Romeinen ontliven sellen omdat wi onse stat tegen hem hielden so vromelijc? Want begeren wi te sterven, soe sel t ons eerlic wesen dat wi sterven van haren handen die ons gevangen hebben, want ic en wil ten vianden waert niet gaen om mijn vrienden ende lude te verraden. Ben ic quader dan die gene die sonder bedwanc in handen gaen den vianden, die doen t om vernoi 87. Leeu 1482: ende 88. Leeu 1482: vrient

40 ende verdriet te scuwen? Mer ic en does nergen om dan om mijn lijf te behouden. Nochtant woude ic dat mi die Romeinen mijn lofte braken, want slaen si min doot, na dat si mi vrede gegeven hebben, so sal ic sterve[n] 89 mit goeden wille, want haer liegen sel mi dan gerekent worden tot also groter eeren als of icse verwonnen hadde. Hoe Josephus hem op gaf in der Romeinen hant ende hoe t heer op brac. Capitulum XXV. [D]Ustanige gelikenisse seide Josephus sinen gesellen, omdat hi hem gaerne verbeden hadde, dat niemant hem selven t lijf nemen en soude. Mer si en wouden hier nae niet horen, omdat si te voren becoort hadden geweest hem te doden, ende si togen alle haer zwaerde, ende quamen op hem, omdat sine dootslaen souden. Mer hi hielt den enen ende anderen dreigende als heer, ende den derden bat hi van anxt ende van node daer hi in was, so elc mensche vresen mach in sulcker noot. Ende in deser manieren so bedwanc hijse alle, ende verbot et hem, soe dat si van vresen haer zwaerden lieten vallen, want al waren si so overmoedich over hem geworden, nochtant ontsagen si en alle als haren heer, ende worden vervaert. Ende omdat hise daer toe niet brengen en mocht, dat si hem den Romeinen opgeven wouden, so vant hi dese behendicheit, ende seide hem dat si hem ter Auenturen gaven, ende maecten onderlinge een cauellinge, ende soe wie mitten cavel gevonden worde, dat hi sinen hals uutrecken soude, ende die hem naest waer, die soude hem t hoeft of slaen, ende aldus so en soude niemant sijn selven doden. Dese[n] raet docht hem allen goet, ende elc nam sijn aventuer in t cavelen, tot dat si alle onthoeft waren op Josephus ende noch enen, daer hi mede gecavelt soude hebben. 90 Mer alst God woude, so voersach Josephus dat hi niet en wist op wien die cavel vallen mocht van hem beijden. Ende oec omdat hi sin handen niet besmetten en woude aen niemant van sijnre wet, daer om en woude hi niet cavelen, mer met bloten swaerde dreigende, so dwanc hi sinen geselle dat hi hem op geven moste. Dus gaf hem Josephus ende sijn geselle op Nichanorre, ende hi leidse t hant voer Vespasiaen. Alle die Romeijnen liepen te hoep om Josephum te sien, ende die sulcke waren blide dat hi dus gevangen 89. Leeu 1482: sterve 90. Leeu 1484: noch enen daer hi mede ghecauelt soude hebben - dittografie

41 was, ende veel wass er die baden dat men doden soude. Sulcke die verwonderden oec seer van der Aventuren dat si so wandelbaer is, omdat si nu Josephum gevangen hadden, die aldaer te voren cortelijc enen groeten heer gesien hadden. Want alle die princen die te voren op Josephum gram waren, als si hem sagen so worden si sachtmoedich ende hadden ontfermenis op hem. Ende Titus hadde ontfermenisse op hem boven al den Romeinen, want hi mercte aen hem sijn gestadicheit, ende sijn goede manieren, die hi hadde in sinen verliese, ende oec hoe vroem hi te voren geweest had in den strijt. Ende hi mercte oec hoe hi nu gevangen stont onder sijn vianden. Ende hi hiet elcken an hem mercken, die waenden waerheit van der Avonturen. Ende hi seide dat men aen Josephus wel sien mochte, dat geen dinc in aertrijc vast noch gestade en waer. Ende Titus halp Josephum al dat hi mocht voer sinen vader boven alle die gene die in t heer waren. Ende Vespasiaen beval Josephum vast te houden, ende geliet hem als of hi hem den keiser senden woude. Doe woude Josephus Vespasiaen heimelike dingen van Goods wegen seggen, mer hi en woude niet datt et iemant hoerde, sonder twe van sinen heren, ende Titus sijn soen. Doe seide hi: Heer Vespasiaen, ic wil dattu weets dat ic tot di gesent ben bode van Goods wegen, di te seggen dat geschien sal. Du wilste mi senden tot Neronen als of hi heer boven di waer, Mer ic segdi dese niemaer, dattu selver keiser ende heer sijtste, ende Titus dijn soen oec. Ende om hier of die waerheit te proeven, soe wil ic dattu mi vast doeste houden. Ende en vintstuu t niet waer, so doet mi jammerlijc mijn lijf nemen. Ende Vespasiaen en hielt hier niet of, want hi waende dat hij t geseit hadde geveinsdelijc, omdat hi hem dies te meer goets doen soude. Mer daer na vernam hi dat Josephus geseit hadde dien van Jothabata, doe die Romeinen daer voer quamen, dat si na XLVII dagen die stat verliesen souden ende haer volc, ende het was waer ende also geschiede t. Ende hier bi geloefde hi hem te bet, dat hi hem voerseit had van den keiserrijc Mer nochtant dede n Vespasiaen spannen in iser, mer hi gaf hem giften ende dede hem eer. Mer Titus, sijn soen, dede hem altoes die meeste eer. Hier na so brac Vespasiaen op, ende toech te Ptholomaiden waert, ende die stat hiete nu Akers. Hier na toech hi te Cesariën waert, ende daer dede hi een deel binnen van sinen heer, ende t ander sende hi te Cicapoles, omdat si daer leggen souden den winter doer, ende hem daer rusten. Want sijn heer was so groot, had hij t altegader houde leggende, si souden gebrec hebben gehad van fitaelgien. Doe quam daer niemaer dat een deel Joden weder vesten Jaeff, dat Testius daer neder geworpen

42 hadde, ende dat si scepen maecten, mede te roven op die zee. Mer Vespasiaen sender van sinen ridders ende van sinen voetgangers, ende si ondergingen doe des nachts den Joden die stat. Mer die Joden gingen in haren scepen, ende voeren van den lande, so dat mense niet crigen en mocht. Mer des nachts rees enen storm so groot, so dat die scepe d een aen d ander ontweën staken, ende si scoerden oec op die roetsen, soe datt er veel van den Joden dus verdorven. Mer wie ten lande ontzwemmen mochte, die sloegen die Romeinen doot. Dus blevend er daer doot van den Joden XII hondert Joden. Ende die Romeinen wonnen aldus Jaeff sonder striden, ende si slechten t al ter neder, ende aldus wort Jaeff twewerf gewonnen ende geslecht. Hoe men in Jherusalem Josephum beclaechde. Capitulum XXVI. [D]aer omdat Vespasiaen woude dat hier nimmermeer voert an Joden vergaderen en souden, soe sei[n]de 91 hi daer t volc te orsse ende te voet op een starcke veste, die hi daer dede maken, omdat si alle die Joden uut dien lande verdriven soude. Ende dese voeren uut ende woesten t lant al om ende omme. Hier na quam niemaer te Jherusalem dat Jothabata gewonnen waer, ende dat Josephus aldaer verslagen waer. Doe wort in dier stat groot geween ende hantgeslach, ende sonderlinge die haer magen ende vrienden daer doot gebleven waren, mer boven al beclaechden si den edelen man Josephus, beide groot ende clein. Ende desen rouwe duerde XXX dagen binnen Jherusalem. Hier na quam die niemaer in Jherusalem dat Josephus in t Roemsche heer waer, in groter eren, ende levende ende wel varende. Alle die gene die te voren droevich op hem waren, die worden doe zwaerlijc op hem verbolgen, ende seiden dat hi een verrader waer, ende sulcke seiden s hem openbaer grote scande ende lachster. Want so hart waren die Joden: so si meer verloren, so si grammer worden. Want si worden so vermaledijt, dat si de quader worden van daer hem ander luden of castien, want si lieten hem om Josephus wille als oft si alle confuust waren. Ende of si niemant anders en geerden te creincken dan hem, aldus gelieten si hem in Jherusalem, ende spaerden die Romeinen. 92 Nu so toech 91. Leeu 1482: seyde 92. Verkeerd begrepen. Bedoeld is: ze vochten nog feller tegen de Romeinen in de hoop daarmee Josephus te treffen. Sparen = sparren

43 Vespasi[a]en 93 voert in des conincs Agrippen lant, daer hi eerlic ontfangen wort. Daer nae heeft hi vernomen dat Tharissen ende Tiberiën, beide dese steden die op die mere 94 van Galilea stonden, wouden noch oerlogen tegen die Romeinen. Doe voer hi derwert met groter macht, ende wan staphans Tiberiën, want dat volc gaf hem te hant op. Daer na voer hi te Tharissen. Ende die poorters hadden scepen gemaect, of sij t lant verloren, dat si ter zee op die Romeinen souden oerlogen. Ende Vespasiaen, diese winnen woude, hi logeerde verre buten der stat. Ende daer quamen een deel van den Joden, die op die Romeinen stormden. Mer die Romeinen drevense weder in der stat. Ende doe sij t lant lieten, liepen si weder in haren scepen, ende dan scoten si weder op t lant. Hier na vernam Vespasiaen overwaer dat daer bi te velde lagen een groot hoop Joden. Doe sende hi derwert Titum, sinen soen, met V hondert vromer ridders. Ende doe Titus vernam datt er veel vianden waren, ende hi had luttel volcx, doe ontboet hi [al rene] 95 sinen vader, dat hi behoefde meer volcx. Mer hi sach sijn volc soe schoen, 96 dat mit hem was, al was t dat si som bloet waren, hi woude mit hem striden. Daer ginc hi op t hoge staen, daer hem sijn volc horen mocht, ende hi sprac hem toe met dustanigen woerden: Gi Romeinen, mi denckt nu goet, dat ic u vermane wien wi sijn, ende op wat volc dat wi striden. Nie en ontfinc onse macht viant die tegen ons stac in alder werelt. Ende mi denct recht dat men dese Joden prise, omdat si niet verwonnen en sijn noch oec m[o]ede 97 te vechten, want om haer ongelijc moeten si stoutelijc vechten, want het staet hem soe. Ende wi moeten vechten met gelijc ende met crachte, omdat wij t daer mede al dat in die werelt is crigen. Ende nu so bin ic harde blide, omdat ic in uwe ogen sie dat gi stoutelijc ende blidelijc vechten wilt, ende u in aventueren keren. Mer nochtant ontsie ic mi dat onder u enige luden sijn, die hem vervaren in vresen, omdat si al hier tegens ons sien soe veel vianden. Mer gi selt weten dat veel luden van den stride niet vroet en sin. Mer wi sijn goet te wapenen, ende oec sijn wi wreet ende stout, 98 want wi en waren nie misdaen. Ende hier om weest elc nu vroem ende stout, ende wi willen stoutelic te betaelgien waert an, want 93. Leeu 1482: Vespasien 94. Leeu 1482: stede 95. Leeu 1482: alleen 96. Lees?: coene 97. Leeu 1482: mede 98. Verminkt: de Joden zijn wreet ende stout...

44 die Avontuer is wel mit ons, want mijn vader ende ic hebben altoes goede sege gehad. Ende ic en sel tot minen vader niet keeren als een verwonnen man, soe dat ic van onsen vianden niet vlien en sal, want ic wil nu beginnen te strijden tegen onse vianden! Als Titus dit geseit hadde, so worden alle sijn ridders also willich te striden datt et wonder was. Mer eer men den strijt begonste, so quam Tr[a]iane 99 Titum te hulpe mit CCCC ridderen te orsse. Mer dit was Titus ende sijn volc leet, dat hem enige hulp quam, so willich waren si ten stride, want hem docht dat sij s te min eren bejagen souden. Ende Vespasiaen sende hem luden oec II dusent ridders, die op t volc stormen soude ter mueren, omdat si niet uut trecken en souden, den Joden te hulpe, die te velde lagen. 100 Hoe Titus Tharissen wan. Capitulum XXVII. [T]Itus sloech vast mit enen groten houwe in der betaelgie van den Joden, ende si verweerden hem een stuc tijts harde seer, mer in t leste mosten si vlien in hare poerten Ende daer si dus vlogen ter poort waert an, so worter menich Jode dootgeslagen eer si binnen mochten comen. Ende doe si binnen der poort waren comen, so wort tusschen den poerters ende hem groot twist in der stad, want die poorters wouden pais hebben mit den Romeinen, ende hem haer stat op geven, mer die 101 van buten ingecomen waren, wouden dat wederstaen. Dit gevecht hoerde Titus die buten was, ende hi seide t sinen volc: Vast trecket an. Nu is t tijt dese stat te winnen sonder beiden, want si vechten binnen! Ende doe hi dit seide, nam hi sijn aventuer, ende reet op die zee side ende doer der zee in die stat, want daer en was die stat niet bemuert. Ende Titus volchde menich man na, ende alle die in der poort waren, worden gescoffiert ende vervaert van den Romeinen, ende som van den volc die vlogen afterwaert ende som ter zee waert. Ende die opter zee woenden roeiden wech met scepen, ende men sloech t al doot dat men crigen mocht, soe dat Titus den Romeinen verboet meer te slaen. Ende doe die Joden die stat verloren sagen, so sloegen si in t lant, ende daer vluchten oec veel mit haren scepen. Ende doe ontboet dit Titus al sinen vader, ende die wort seer blide van deser boetscap. Ende ten naesten 99. Leeu 1482: troiane 100. Leeu 1482: iagen 101. Leeu 1482: doe die

45 dage beval hi scepe te maken, daer men die Joden mede winnen soude, die te sceep te watere gevlogen 102 waren. Ende als die sceep gemaect waren, so voeren die Romeinen striden op den Joden, die hem in den laec ontvaren waren. Mer die Joden deden doe luttel weren tegen die Romeinen, ende sulcke storven voer t swaert, ende sulke sprongen in t water van anxt 103 ende verdroncken, so datt er niemant den Romeinen en ontginc. Ende onder die te velde ende in dije poort ende in der zee doot bleven, waren VI dusent ende V hondert. Dus nam Vespasiaen die stede, ende die oude van den Joden, die hi gevangen hadde, XII hondert, die 104 dede hi doden, mer hi sende Nero, den keiser, VI dusent starcke jongelinge. Gevangen van den Joden vercoft hi, ende t getal daer of was XXX dusent ende IIII hondert, sonder die gevangen die hi Agrippen gaf. Ende t achertste einde van desen stride geviel op den achten dach van wedemaent. Hoe Vespasiaen Gamala begonde te bestrijden. Capitulum XXVIII. [A]Ldus was die poort Tharissen gewonnen, die op t een einde van Galilea stont. Ende al t volc van Galilea gaven hem nu den Romeinen op, sonder twee steden, die een hiet Giscola, d ander Gamala, ende oec waren veel Joden gevlogen op enen berch, hiet Taberius. Gamala was so vasten stat, dat si den Romeinen niet en ontsagen, want si was veel vaster van roetschen dan Kothabata was. Den berch daer dese stat op stont, was gemaect als een kemel, ende stont al op roetschen, ende hadde die dale alte wonderlike diep. Ende hier toe hadde Josephus, eer die Romeinen quamen, om d een muer 105 met eenre starcker hoger muer al om ende om. Ende diegene die in dier stat waren getogen, hem was wel van sekerheden, omdat si vaster was dan Jothabatha. Mer in Gamala was min volcx dan in Jothabata was, ende si en waren oec niet also stout als die waren, mer hier waren veel Joden in getogen, die hem verlieten op die vastheit van der stat. Ende eer Vespasiaen daer quam, so had Agrippa seven maende voer die stat gelegen, mer hi en mocht er niet winnen. Doe quam Vespasiaen ende belach die stat, mer hi mochtse altemael niet beleggen, want die dale waren te diep ende te groot, so 102. Leeu 1482: ghegheulogen - dittografie Leeu 1482: anxr 104. Leeu 1482: ende die 105. corrupt

46 dat men t niet doen en mocht. Mer Vespasiaen ginc die stat aen ter oest siden, waer 106 eenen vasten hogen toorn stont boven alle der stat. Ende daer tegen deede hi drachte dragen, ende die grafte ende die dale vollen. Ende Agrippa ginc doe ter mueren spreken tegen den Joden, of si die stat opgeven wouden. Ende een Jode die boven op der muer stont, werp doe mit eenre slinger nae hem, ende raect en mit enen steen aen sinen ellenboge, dat hi hem zeer quetste. Doe worden die Romeinen so gram, omdat die coninc Agrippa gequetst was, ende si peinsden wel dat die Joden soe quaet waren, dat si niemant mieden en souden, omdat si Agrippa niet en mieden, die van haerre wet was. Dus ginc daer doe menich man dragen, so dat die graften gevellet worden. Ende men stellede daer ramme op der muer. Binnen waren Joden van Tharissen, ende die begonden hem tegen den storme te verweren, want si waren die voerbaerste van der stat, ende dat ander gemeen volc dat halp hem. Mer haer weren was t hant gedaen, want die scutters van buten dedense achter keren, 107 so dat men met den ram die muer begonste ontwe te stoten, ende maecten een gat. Ende die Romeinen togen binnen met groter gerufte, soe dattie van binnen die weer verloren, ende vlogen alle op t hoechste van der stat. Ende die Romeinen togen starckelijc in, ende volchden hem na. Mer die Joden quamen tot enen keer, van boven lopen op die Romeinen weder, ende stakense daer neder 108 vielen ende van groten anxt vlien mosten in den husen, die opten hangenden roetschen stonden, want si en mochten hem niet verweren. Mer dat si dus in den husen vlogen dat verderftse, want daer vloecher so veel in dat die husen van bedrange ende laste soe verladen worden, datt et een huus op t ander viel ende rolleden alle die roetsen neder, ende der Romeinen bleven daer binnen veel doot. Ende om desen anxt mosten die Romeinen wederkeren, ende vlien ten gate wert, daer si in gecomen waren, mer dat gestof van den gemul was so groot, dat sij t gat cume mochten vinden. Ende Vespasiaen selver was ingecomen tot desen gate, ende bleef daer voer staen met een luttel volcx. Mer Titus, sijn soen, en wasser niet, want hi hadd en in Siriën gesent. Ende Vespasiaen docht oneerlijc hier te vlien, want hi peinsde om die eer die hem voer gesciet was, ende hi bleef dat gat doe houdende, so dat s den vianden wonderde. Ende doe liepen si alle mit enen gerucht op hem vechtende, so dat hi achterwert weec mitten rugge 106. Leeu 1482: waert 107. Leeu 1482: kerenren 108. Vul aan: so dat si

47 tot buten der muer, eer hi hem den rugge keerde. In dit assant bleef een prince van Romen doot, ende menich ander man. Ende in deser noot ontvloech al heimelijc een prince van Romen, hiet Gallus, in een huus mit hem elften, ende berchden hem daer. Ende t savonts quamer lude in eten. Ende Gallus hoerde hem over maeltijt vertellen den raet van der stat, hoe hi binnen was. Ende des nachts sloech hi alle die luden doot, ende ontscoot alsoe van daer sonder hechte. Hoe Gamala ende Taberius gewonnen worden, ende hoe men tot Giscol wert toech. Capitulum XXIX. [V]Espasiaen sach sijn heer staen seer bescaemt ende droeve, want si scaemden hem dat si haren heer gelaten hadden in sulcker aventueren, ende si waren bedroeft dat si haer volc sommich ende die stat dus verloren hadden, want alsulcken misval en gesciede hem nie. Mer Vespasiaen troestse soe dat si alle weder tot hem selven quamen. Ende die van binnen troesten hem een deel nu wel, omdatt et hem in t begin aldus wel viel. Nochtant hadden si binnen so grote braec, dat hem veel luden mit crachte ontscoten, ende liepen wech. Ende die Romeinen gingen weder dragen dracht om die stat te winnen. Doe men dus voer Gamala lach, so sende Vespasiaen een heer om te bestaen die borch Taberius, die wel XXX stadiën hoech was - ende die XVI stadiën maken een mijl - ende desen borch was XX stadiën wijt. Ende Josephus had desen borch al om ende om doen mueren met eenre starcker muren, dien hi binnen XL dagen nochtant volmaecte. Ende in deser stat was alte veel volcx. Op dese wort Placidus gesent, mer hi mercte ende sach dat op dese stat geen striden en was om te winnen. Daer om ginc hi an dat volc boven, ende riep hem, dat si hem op gaven ter genaden ende te paise. Ende die Joden quamen goedertierliken uut, als of si hem opgeven wouden. Ende Placidus sprac hem vriendeliken toe, omdat hij t volc uut woude doen comen op t slechte lant, op dat hijse daer honen mocht met gevechte. Mer die Joden begonden eerst te striden. Ende Placidus vloech nederwaert mit den sinen, den Romeinen, omdat si hem volgen souden tot beneden anden berch. Ende doe si beneden comen waren, so keerden hem die Romeijnen ende ondergingen hem den berch, ende sloegender veel van den Joden doot. Ende hem ontlieper veel in der stat te Jherusalem, ende d ander die boven bleven, gaven die stat op. Te Gamala stormdmen vreseliken dach ende nacht op die poert.

48 Ende die van binnen weerden hem vreselic, ende die van buten deden enen toorn vallen, met al den wachters di er op lagen, soe dat al die ander wachters in vaer waren. Ende die Romeinen liepen hier ende daer, ende sloegen t al doot, dat si vonden. Ende men scoot doe daer doot op den muren 109 die voerbaerste van der poort. Die stat wort doe in groten anxt. Ende Cares, die doe van enen evel siec lach, vernam t ende hi starf 110 van anxt. Mer die Joden dochten hoe si eerst binnen der muren gevaren hadden, ende en liepen al niet binnen, nochtant waren si gram. Doe quam Titus, die harde gram was op die poorters van der stat, omdat si den Romeinen so groten scade gedaen hadden. Ende Titus nam 111 hem II hondert ridders ende voetgangers oec, ende mit dien so besocht hi die stede, soe dat si binnen quamen mit gemake. Ende als die aweiters dat vernamen, so liepen si te samen in wapen, ende setten hem ter weer. Ende doe dat volc van der stat dat vernam, worden si alle in roer, ende vlogen met wive ende met kinder alle ten hoec[h]sten 112 wert van der stat. Ja sulcke waren die vlogen ende liepen onder der Romeinen zwaerde, ende die slogen si alle doot, ende t bloet liep al root die straten neder. Want men sloech er daer soe veel dat men t getal niet en wiste. Vespasiaen toech vast mit sijnre macht ten hoechsten toorn wert, daer dat volc al binnen vloech. Ende dien toorn stont op soe hogen roetsche, dat mer qualijc toecomen mocht. Ende die Joden scoten ende worpen steen sterckelijc op die Romeinen. Mer den Joden quam van boven also groten storm op, die hem God sende tot haerre doot, dat haer scut ende haer steen niet vliegen en mochten, die si scoten ende worpen ten Romeinen waert. Ende si en conden doer den storm oec niet sien. Mer den storm dreef alle der Romeinen scutten op den Joden. Ende binnen desen storm clommen die Romeinen op totten Joden, ende vingense, ende slogense doot bi groten hopen. Want om dat grote verdriet, dat si te voren in den stat hadden, so en wouden si niemant sparen. Ende veel van den Joden sagen dat si niet ontvlien en mochten, so lieten si hem selven vallen van den toorn met wive ende met kindere, ende oec van der rootsen nederwert in t dal. Ende aldus bleeff er daer doot V dusent, ende daer wass er verslagen VI dusent. Ende van alle den genen die in der stat waren, en ontgingenre geen, clein noch groot, den doot sonder alleen twe wiven, die men daer vant 109. Vul aan?: Josen 110. Leeu 1482: start 111. Vul aan?: met 112. Leeu 1482: hoecsten

49 na den stride, ende daer om liet mense leven. Gamala was aldus gewonnen opten XXIIIIsten dach in october. Ende die Romeinen lagen daer voer een deel meer dan een maent. Dus soe wort al Galilea gedestrueert, so datt er niet geheels binnen en bleef sonder Giscola. Die Romeinen hadden t al gewonnen, dat binnen der gemuerden steden was. Mer die luden die binnen Giscola waren, begeerden pais ende vrede met den Romeinen. Mer daer was binnen die quade valsche overdadige Jan, Levijs 113 soen, daer ic voer of geseit hebbe, dat hi Josephum verraden woude. Dese overdadige jongelinc had met hem een grote scaer rovers Ende hi troeste die van der stede [ten nijt spul] 114 om te houden haer poorte. Want hi pijnde hem altoes quaet te roeren, ende altoes te stridene omdat hi selver altoes heer woude wesen. Ende dit wisten veel luden wel. Ende Vespasiaen sende derwert Titum, sinen soen, met CCC ridders, ende liet al dat ander heer rusten, omdat si [te] 115 vromeliker striden souden op Jherusalem. Want hi had verhoert datt et een vaste stat was, ende alte vaste van mueren, soe dat haers gelijc niet wesen en mochte van vas[t]heden. 116 Ende hi hadde wel gehoert dat hi hier om coste soude moeten hebben ende pijn, eer hi die stat wonne. Ende hier om dede hi sijn volc wesen te gemake, ende aisiredse [der] 117 jegen, omdat si te willichliker op Jherusalem pinen souden. Ende Titus voer voor Giscola, ende omleide die stat met sinen volcke, ende hi mercte ende sach dat men die stat sonder grote pijn soude mogen winnen. Mer hi had ontfermenisse dat men die goede met den quaden ende wiue ende kinder ende ontsculdige mitten sculdigen soude doden Ende hier om was hi in die wille dat hijse gaerne opnemen soude Ende doe sach hi ter muer scilde voerwert hangende tot enen teiken, dat si die stat souden willen houden. Ende hi sprac inwert ende seide: Mi verwondert dat gi uwe stat tegen ons houden wilt, ende wi gewonnen hebben die starckste ende die vaste steden die wesen mochten. Ende alle die boven waren, die mosten om Jans wille zwigen, ende niemant en mocht hem antwoorden. Dese valsche Jan stac sijn hoeft uutwaert, ende antwoorde Titus, ende seide dat hi garne soude voerwaerde mit hem maken van paise of genade. Mer omdatt et saterdach was, dien die Joden seer moeten vieren nae haren wet, soe en 113. Leeu 1482: Lenijs 114. Leeu 1482: een quaet spul 115. Leeu 1482: die 116. Leeu 1482: valscheden 117. Leeu 1482: aisareedser

50 mochten si op dien dach niet spreken om opgeven noch oec van strijden, omdat si die vierte van den heiligen saterdage niet breken en wouden. Ende hi bat doe ter tijt Titus dat hi om die eer van der Joden wet hem dien dach in vreden geven wouden. Mit deser logene woude dese valsche man Titum bedriegen, want hi en achte niet op die vierte niet van den heilige saterdage, mer hi dee t omdat hi s nachts, alst niemant sien en soude, woude mit sinen rovers vlien in Jherusalem. Mer God liet dit geschien, omdat hi daer soude worden gevaen, ende tot meerre pijn gedogen, ende dat hi oec enen scandeliken doot smaken soude. Hoe die valsche Jan uut Giscola vloech. Capitulum XXX. [T]Itus, die een alte goedertieren man was, ende hem niet en hoede voer scamp, hi gaf hem dien dach vrede, ende logeerde voer die stat. Ende s nachts vloech d[o]e 118 Jan, ende menich man mit hem, te Jhersusalem waert, mit wiven ende kinderen. Mer daer si vlogen, quam so groten anxt om hem, dat si haer wive ende kinder afterlaten mosten, die hem niet volgen en konden, ende doe maecten die wive ende kijnder die afterbleven groot misbaer. Ende alst dach worden was, so quam Titus ter stede, ende die poorters ondeden hem die poort, ende ontfing en met groter eren. Ende si seiden hem hoe die valsche Jan ontvlogen was. Ende Titus seinde doe haestelijc nae hem, mer hi was te Jherusalem binnen, so dat si hem niet crigen en mochten. Mer si onderhaelden wel na II dusent man, ende die wive ende kinder, die met hem gevlogen waren. Die mannen sloegen si alle doot, ende en vingen niet veel min dan III dusent menschen onder wive ende kinder. Ende Titus was harde gram, dat hem Jan dus ontvaren was, ende hi toech te Giscola in der stat, ende dede een deel van der muer neder vellen. Aldus, als gi te voren gehoort hebt, so wonnen die Romeinen al Galilea, daer si grote pijn ende verdriet om doechden. Ende dat si menigen man verloren, so deden die Joden oec. N[u] sul[l]en 119 wi voert scriven van den gevecht ende den strijt op Jherusalem, hoe Onse Heer God Jhesus Cristus op die Joden aldaer der heiligen onnosel bloet wrac, dat si daer van den begin uutgestort hadden. Want nimmermeer tot den 118. Leeu 1482: d[ ]se 119. Leeu 1482: Na sulken

51 doemsdage toe en seldi soe grote plage horen als hier geviel den Joden, die God op hem sende, omdat si boven allen menschen zwaerlijc tegen Gode misdaen hadden. Hoe die moerdenaren verheven worden, ende dwongen t al dat binnen Jherusalem was. Capitulum XXXI. [A]Ls die voerseide valsche Jan binnen Jherusalem quam, so quam al t volc tegen hem, ende jegen die gene die mit hem quamen, om te vragen van niemaer. Mer si waren so ademloes van vlien, datt er cume waren si X die den volc vertellen mochten dat verdriet dat die Romein[en] 120 den volcke deden in Galilea. Mer die van Jherusalem en geloefdens niet dat die Romein[en] 121 soe machtich waren van volcke, ende seiden dat si al willens waren gecomen gevlogen in Jherusalem, omdat die stede soe vast was, dat si daer seker in wesen souden. Mer die valsche Jan, die hem niet en scaemde dat hi dus scandelic ontvlogen was, hi ginc smeeken mit den volc, ende mit sijnre logenen bedriegen, ende seide dat die scare der Romeinen niet groet en was noch niet starc. Ende hi seide voert, dat die Joden starc waren ende vroem. Ende wouden si hem voert houden wel, die Romeinen en souden niet mogen winnen op die mueren van Jherusalem, mit geenre aventueren noch mit list. Want si die cleine steden winnen mochten in Galilea, si haddenre so groot pijn om, ende verloren der soe menigen man omdatt et ontalliken was. Mit aldustanigen troost, ende mit ander bedriechliken logenen, toech hi die sotte ende dwase jongelingen aen hem, ende sij worden stout ende bout, ende wouden die stede houden, watt er na quaem. Mer die oude, die vroet waren, ende veel gehoert hadden, si weenden om dese verradenis, want si voerpeinsden t wel wat daer na of comen soude, ende waren in anxt om dat si wel wisten datt et al verloren waer, mer si en dorstenre niet tegen seggen, want men soudse dootgeslagen hebben. Vespasianus wan Jammien, ende leid er sijns self[s] 122 volc binnen. Het geschiede onder den Joden, so wanneer dat si enigen pais hadden met den Romeinen, so worden si onderlinge vechtende. Want dat oude volc, dat veel wist ende veel gesien hadden, begeerden paeis mitten vianden, mer die jongelingen, die sot ende kintsch waren, si 120. Leeu 1482: Romein 121. Idem Leeu 1482: self

52 begeerden striden. Ende hier bi wort al t tlant verloren. Want die jongelingen wonnen die ouerhant, ende roefdent volc binnen ende buten dorperlijc, ende daer op setten si al haer harte. Ende hier om quamen alle die rovers te gader gescaert in der stat van Jherusalem, die onberaden ende sonder hulpe was. Mer die Joden, die binnen der stat in groten anxt saten tot deser tijt, si waenden dat die quade rouers in der stat quamen om die stat salcoers te doen, ende te helpen in deser noot. Mer hier mede wort die stat meest onteert, want dit quade volc verteelde die vitaelgie, daer men die stat mede soude hebben gehouden. Ende hier om most die stat verwonnen worden mit [h]onger. 123 Nochtant was t boven alle quaet ende onverdrachlijc die quaetheit, die dat volc in der stat dede d een op d ander. Si sloegen die beste van der poort doot, ende namen haer goet, beide clein ende groot. Mer wie hier in deser tijt die macht of hadde, ende die overdade, dat laet ic cortelijc liden, want des jammers was alte veel ende alte groot. Want soe wie tot deser tijt die macht hadden hier of binnen Jherusalem, ende den riken, dien tegen die rovers an, dat si die stat verraden wouden tegen die Romeinen, ende dodense jammerlijc, ende namen hem dan haer goet. Dese moerdenaren, die dus die poert tot haren wille hadden, hieten hem Zeloten, dat bediet bescermers nae dier wet, nochtant besmetten si jammerlijc die wet. Want si maecten enen sotten onedelen tiran biscop van den Tempel, die geen paep en was, noch die der papen dienst niet en conde, want si hilden t al over spot, dat si doen mochten al dat si wouden. Hier na wart et volc te rade, dat sij s niet dogen en wouden om den doot te sterven, dat dese Zeloten, die dese stat al onteerden, langer die overhant hebben souden in der stat. Als dit Ananus ende d ander heren vernamen, die te voren princen waren, ende biscop van den stat, so troesten sij t volc, ende rieden hem, dat si stoutelic op die Zeloten vechten souden, al waren si starc met haren geselscap. Ende alle die gemeente van der stat wort hier toe alte willich. Hoe die Zeloten in den Tempel belegen waren van die van Idumea. Capitulum XXXII. [D]Ie Zeloten worden des raets gewaer, ende si togen mit groten scaren om in den Tempel, dien si hielden tegen die van der stat, ende si 123. Leeu 1482: bonger

53 sloegen veel luden van binnen doot. Mer die gemeente van der stat wort hem te starc, want Ananus ende sijn hulper wonnen opten Zeloten met groter pinen die butenste muer van den Tempel ende sloten die poorten. Mer Ananus diese met craft winnen woude, hi beleidse bi dage ende bi nacht mit VI dusent man. Mer die moertda[di]ge 124 Jan, die uut Giscola gevlogen was, daer ic voer of seide, hi verrietse al mit sijnre valsheit, want Ananus riep en altijt t sinen rade, ende da[n] 125 liet hi den Zeloten den raet al heimelijc weten. Hier om sende Ananus desen Jan binnen, om vasten vrede te maken mitten Zeloten, want die guede luden van der stat en wouden niet den heiligen Tempel ontsuveren met bluede, want dat wouden si verhoeden. Dese valsche Jan ginc binnen in ten Zeloten, ende daer toende hi sijn valscheit, ende dede den Zeloten verstaen, dat Ananus boden senden woude an Vespasiaen, om die stat op te geuen. Ende dat hi die Zeloten immer woude winnen des eersten daechs of hi mochte. Aldus verriet hij t al met sijnre valscheit, ende met sinen doen, ende hem docht wel, dat hijse had gevaen. Dus soe waren die Zeloten in groten vresen, ende en wisten niet wat doen. Mer si senden haestelijc twee boden tot dien van Idumea, die daer bi waren, ende ontboden hem, dat Ananus boden gesent hadde an Vespasiaen, dat hi haesteliken quam ende 126 hi soude hem Jherusalem op geven. Ende si ontboden hem, datse Ananus verdreven hadde mit sijnre partien in den Tempel, om dat si die vriheit van der stat houden wouden. Ende dat hijse daer beleit hadde, ende dat hijse saen soude moeten winnen. Als die van Idumea dit verhoerden, so worden si seer gram. Ende van daer quamen te Jherusalem wert XX dusent man om die stede op Ananus te winnen, ende om den Zeloten te helpen. Mer Ananus wert s gewaer, ende dede hem die poort voer sluten, ende hi sette wachters ten mueren. Ende hi ende een hiete Jhesus, die d outste was van der stat, gingen op enen toorn staen uut sprekende. Ende Jhesus hilt die tale tegen die van Idumea: waer om dat si hem tegen der stat setten wouden, ende die Zeloten helpen, die om haerre quaetheit ende omden moert, die si daden in den Tempel besloten waren. Dustanige woerden seide Jhesus dien van Idumea toe die buten waren. Mer si en hildender niet of ende waren harde gram dat si niet in en mochten Mer men woudse niet in laten, si en deden haer harnasch of, ende si en woudens niet of doen Leeu 1482: moertdaghe 125. Leeu: 1482: daer 126. Leeu 1482: quamen

54 Ende daer was een onder die van Idumea, hiet Simon, die 127 voerbaerste was van hem luden. Ende die seide tot hem: Die van sinen heer, si doen tegen haer wet dat si haer poerten sluten, ende besmetten haer wet tegen die gene, die van hare wet sijn, want na recht soude dese stat open wesen allen Joden. Ende hier om hielden sij t te bet over waer, dat si binnen den Zeloten sonder scout ende misdaet beleit hadden in den Tempel. Doe seiden si: Na dien dat men ons in der steden niet en wil laten, die hier om goet gecomen sijn, noch in den Tempel oec, so willen wi hier buten bliven leggende, ende wederstaen de Romeinen, op dat si op deser stat comen willen. Ende oec sellen wi ons pinen te wreken die quaetheit, die gi ons doet, ende oec die Zeloten, die gi belegen hebt, om dat si die stat houden willen in hare vriheit! Om deese woerden waren droevich Ananus ende Jhesus. Ende die van Idumea sloegen haer tenten neder voer Jherusalem op t velt, ende waren seer toornich ende gram. Ende binnen dier nacht so quam so grote koude ende tempeest, dat die van Idumea wel nae op t velt verdorven waren. Wantt et donrede ende blixemde so seer, datt et scheen dat die aerde bevede, so dat elc mensche mercken mucht, dat dit een voerteiken was van den groten ongevalle, dat der porten nakende was. Die van Idumea die buten lagen, cropen te gader van anxt ende van kouden, als of het verkens geweest hadden, ende si decten hem mit haren scilden. Mer die Zeloten die den Tempel hadden, waren seer droevich om die pijn, die die van Idumea gedoechden, die buten lagen, ende si aventuerden hem, ende togen uten Tempel, ende liepen al in t heer van die Idumea, dat buten lach, eer t die van binnen ontwaer worden. Ende h[et] 128 wort ten conrote die Zeloten ende die van Idumea, ende si slogen t al doot, beide clein ende groot, dat si vonden. Som sloegen sise slapende, 129 som wakende, som vliende ende som vechtende, so dat si binnen dier nacht doot sloegen VIII dusent menschen. Ende si sloegen oec Ananum ende Jhesum doot, ende roefden al t volc haer goet. Ende doe si Ananum jammerlijc gedoot hadden ende Jhesum, so en lieten sijse niet begraven. Mer si dedense uutwerpen in t velt, om datse die honde eten souden. Nochtans was dit seer tegens Moises wet, die den doden beveelt te begraven voer der sonnen onderganc. Daer sach men dese twe grote heren, die biscop 127. Leeu 1482: een die 128. Leeu 1482: hi 129. Leeu 1482: slapender

55 waren in den Tempel ende [die] 130 Gode eerlijc plagen te dienen voer den outaer, onwaerdeliken ende jammerliken leggen als of [si] 131 beesten waren geweest. Dus geeft d Avontuer t suer na den zoeten... Hoe die Zeloten weder haer moertdaet deden in Jherusalem. Capitulum XXXIII. [A]Ls die Zeloten ende [die] 132 van Idumea Ananum ende Jhesum hadden verslagen, soe sloegen si te gader t volc van der stat. Ende si vengen die oude lude ende die jonge, om dat si dien tweën geholpen hadden. Ende als sijse in vangenissen hadden, so pijnden sijse alte seer jammerlijc, ende dan sloegense sijse doot, ende dadense onbegraven daer buten werpen. Dus lagenre veel edelre Joden ende gemeen volc verslagen mit hem. Ende niemant en dorst om sinen vrient wenen, want wie daer om weende, sloegen si oec doot. Mer bi nacht alst niemant en sach, soe verdroech sulc op sinen vrient, daer hi doot lach, een luttel aerden mett er hant, ende met groten vresen. Met dusdaniger onwaerden sloegen deese quade moerdenaers doot wel XII dusent volcx, ja, dat alle edel Joden waren. Dat iammer was, waren die Joden waert, dat mense beclagen soude. Hieren boven, doe si dit volc aldus verslagen hadden, so gingense valsche vonnisse jagen. In dier poort was een eersaem rijc man, die Zacharias hiet, dien si haten om sijn doecht, ende om sijn goet, ende si vingen hem. Ende hier om riepen si LXX van den gemeenen volc, die beste van der stat rechters ende 133 die wethouders. Die Zeloten leiden desen Zacharias an, dat hi boden gesent had tot Vespasiaen, om die stat te verraden. Ende soe suverde hem Sacharias van deser valscheit, dat hi des onschuldich was, ende proefd et oec wel soe dat die LXX wethouders daer of quijt hielden. Doe quamen twe van den boutsten Zeloten, die hem zeer bolgen, ende sloegen desen man in den Tempel doot, ende spotten met hem, ende seiden: Nu bistu van allen geabsolveert! Als dit die van Idumea sagen soe deerd et hem seer, ende si verstonden wel datt et logen was, dat hem voertijts die Zeloten ontboden hadden, doe si in den Tempel belegen waren. Ende hem was leet, ende si scaemden hem dat si dus in der stat gecomen waren ter 130. Leeu 1482: ende 131. Leeu 1482: of 132. Leeu 1482: ende 133. Met overtollige abbreviatuur op de letter n

56 Zeloten hulpe. Ende si ontboden 134 haer luden di[e] 135 mit hem daer gecomen waren, ende vergaderden wel na XX dusent man, ende togen uut tot haren lande waert. Ende die gemeente van der stat wort hier of blide, want si hoepten dat si nu die Zeloten souden wederstaen. Ende die Zeloten waren s oec blide van der ander side, want si scaemden hem voer die van Idumea al haer quaetheit te doen. Want doe die van Idumea wech waren, gingen si moerden ende roven ende slaen, dat si wouden, die schoenste ende beste van der poert. Ende om der d ander 136 van der stat vingen si enen eersamen man, ende dien ontlijfden si buten der stat. Ende doe hi sterven soude, soe bat hi dat men begraven soude na sijnre doot. Mer si ontseiden t hem. Ende doe bat hi om wrake van den Romeinen. Ende datse God plagen woude mit honger, met oerloge, ende mitter gaadoot. Ende Onse Heere verhoerde sine bede, want alle deese plagen quamen corteliken op hem. Deese Zeloten sloegen doe soe veel volcx binnen doot, dat die stat al omme ende 137 bebloet was van der geenre bloet, die si doot slogen. Daer en mocht niemant ontgaen dan die oude, ende die crancke die geen goet en hadden. Alle die Romeinen groet ende clein hadden also grote begeerte voer Jherusalem te trecken, ende lagend er Vespasiaen om an, ende seiden dat si lichtelijc die stat souden winnen, om dat si binnen vochten. Mer Vespasiaen peinsde, waer t dat hi voer die stat toge, dat si dan binnen versoenen souden. Oec seide hi datt et God dus tot haren profijt wel bet ordineerde, want si sellen soe veel binnen doen op den anderen verslaen, dat haer grote volc minnen sel. Ende dus sellen wi dese stat mogen winnen sonder striden. Want si en begeren binnen harnasch noch mueren, want elc vermoert daer den anderen, daer hi mach. Ende dus is t ons beter, dat wi noch een luttel verbeiden. Ende desen raet dochte alden Romeinen goet. Hoe Vespasiaen tot Jherusalem wert toech. Capitulum XXXIIII. [H]Ier na vernam men saen wat profiteliker raet datt et verbeiden was, want alle dage quamen in t Roemsche heer Joden gelopen met groten hopen, die den Zeloten ontvlien mochten. Mer die uut Jherusalem vlien 134. Corrupt. Bedoeld is dat de Ydumeërs hun gevangenen ontbonden Leeu 1482: dit 136. Corrupt Vul aan: omme

57 woude, t moste hem veel costen, want men liet er niemant uut gaen sonder miede. Ende soe wie uut Jherusalem gaen woude, was t wijf of man, op dat si niet geven en mochten, men sloechse staphans doot. Want dese Zeloten en hadden geen ontfermenis, noch en hielden geen wet. Mer die valsche Jan van Giscola, daer wi voer of seiden, die altoes stont na heer te worden boven al, hi vergaderde ene grote scaer tot sijnre hulpen ende ginc den Zeloten of ende wederstontse, so dat si utermaten seer vochten, den enen opten anderen, lange tijt. Hier om toech menich man uter poort, ende seiden dit Vespasiaen. Ende si baden alle dat men die poort wonne eer ment volc binnen al vermoerde. Ende Vespasiaen begond es te ontfermen, ende hi toech te Jherusalem waert, als of hij t beleggen soude. Mer hi woude eerst winnen alle steden ende borge, daer hem scade of scande of mochte comen als hi daer voer lage. Die van Gasa ontfingen in paise, ende deden hem haer poerten op. Nochtant waren daer enige binnen, die s niet ontfangen en wouden. Ende doe men die stat op gaf, ende sij s niet weren en mochten, so vlogen die wech. Ende Vespasiaen dede breken die mueren van Gasa, om datt er geen Joden weder in comen en soude, die hem deren mochten. Ende Vespasiaen sende na die gene die r ontvlogen Placidum met een deel ridders ende met IIII hondert man te voet. Ende dese vluchtige togen in een vast casteel, daer si jongelingen in vonden, die met hem begonden te striden op die Romeinen. Ende Placidus reet voer om hem den casteel te onderriden ende t onder gaen. Mer dat folc 138 sloten daer buten, want die Joden vlogen voer sijn volc ten casteel waert. Ende hi volchde hem so cort na opte voet, dat hi wel na mit sijnre scaer mede binnen gebroken hadde. Want si streden so seer voer der poort, dat die van binnen met groter pinen haer poorten sloten. Op dese borch stormde dese stoute man Placidus seer met sijnre hulp, ende si slogen alle die Joden, die si buten vonden, doot. Ende die van binnen deden so clein weer op hem, dat hijse wan, ende sloech t al doot: wijf ende kinder ende man, ende al datt er binnen gevonden wort. Mer die Joden, die dapperste ende starcste waren, si ontvloegen sonder beiden. Ende men roefde al die stede. Ende hier mede worden die Joden seer gebloet. Ende Placidus toech hier nae te [J]hericon[t]a, 139 daer die Joden vlogen waren. Mer die Joden togen al voer uten landen. Ende die Romeinen jaechdense alle totter Jordanen, ende die si vingen 138. Leeu 1482: tfolc 139. Leu 1482: thericonia

58 sloegen si doot. Ende doe Placidus aldus die Joden gedreven 140 op die rivier, die doe zeer gewassen was metten regen, so dat si niet over en mochten vlien, so bestreet hise aldaer, ende si mochten vechten weer si wouden of en wouden. Daer sloegenre die Romeinen doot VIII dusent. Mer t getal van den Joden, die daer in der Jordaen verdroncken, was soe groot dat men s niet weten en conde. Ja, men leest dat so groten hoop Joden lach in der Jordaen, so dat si der Jordaen benamen haren stroem, dat si niet loepen en mocht. Ende die zee daer die Jordaen in valt, was so vol doder Joden gedreven, dat men t te wonder ansach. Nochtant hadden si gevangen XII hondert Joden, ende die Romeinen wonnen so groten roef, datt et ontellijc te segen is. Dus verwan Placidus alle die steden die tegen hem streden tott er Roeder Zee toe. Ende hi bedwanck oec die gene die hem ontvloegen waren in der Doder Zee. Ende aldus so dede hi al t lant tonder. Van Nero des keisers doot, ende hoe Simon van Massaida rees. Capitulum XXXV. [H]Ier nae wan Vespasiaen al 141 dat lant van Idumea. Ende hi versloech daer wel tien dusent man ende vinck er doe wel dusent. Aldus vriede hi doe alle dat lant. Ende hi sochte een stat, die hem best dochte, daer hi die Joden, die achter waren, best soude mede weder staen. Ende daer dede hi ene vaste borch maken, ende leide daer een deel van sinen volcke binnen, om dat si die Joden wederstaen souden, dat si den heer geen ongelijc en deden, als si voer Jherusalem leggen souden. Ende Vespasiaen besloot aldus nauwe t lant ende Jherusalem, dat hem die Joden nergent en souden ontvlien. Nochtant wachten t die Zeloten so nauwe, dat niemant ontvlien en mocht, si en slog en doot. Hier na voer Vespasiaen voer Jherusalem, ende in den wege quam hem die bootscap dat die keiser doot waer, die geregneert had XIIII jaer ende VIII dagen, dit was die quade Nero, die die quaetste keiser was die te Romen ie croen droech. Met sijnre quaetheit so dede hi doden sinte Peter ende sinte Pouwels in t leste van sinen rike, ende in leste dode hi hem selven. Na desen wort Gabba keiser, mer hi was t onlange. Ende om dese sake en woude Vespasiaen niet trecken voer Jherusalem, hi had oerlof gehad van 140. Vul aan: hadde 141. Leeu 1482: alt

59 den keiser. Ende hi sende Titus, sinen soen, totten keiser Gabba waert, wat hi woude gedaen hebben metten lande van Judea, dat hij t hem ontbode. Dus voer Titus ende Agrippa mit hem te Romen totten keiser Gabba. Ende eer si te Romen quamen, so quam hem die niemaer dat die keiser Gabba doot was geslagen, doe hi geregneert hadde seven maenden ende seven dagen. Ende na hem wort Otto keiser, die drie maende regneerde. Hier om keerde Titus weder t sinen vader in Cesariën, ende si waren alle in twivel hoe t met den Rijc van Romen dus cortelijc varen soude. Hier en binnen was bijnnen Jherusalem een groot orloge ende gevecht van den Joden. Hier was een Jode, een stout jongelinc ende een scalc man, die Simon hiet, ende was een rover, ende vloech te Messaida waert, dat een vast casteel was, ende vol van rovers. Ende daer voer hi uut roven mitten anderen op t lant. Nochtan en was dese Simon soe scalc niet als die valsche Jan van Giscola was, daer wi voer of geseit hebben. Dese Simon stont altemael om heerscappe te crigen, ende vergaderde een groete scaer, daer hi al t lant mede rovede. Dese Simon ontsagen sommige steden in Idumea, so groot was sijn macht. Ende hi maecte in Idumea een grote starcke borch ende vast. Ende hi peinsde te maken holen ende hagedochten, daer hi mitten sinen den Romeinen ontsculen mochte, ende daer leide hi sinen roef in, ende veel vitaelgien bi te leven. Si pijnde hem soe veel te doen, dat die van Jherusalem vervaert worden voer hem. Ende doe dat die Zeloten vernamen, so beleiden si en. Ende hi stret er tegen, ende hi sloech er veel doot, ende jaechse weder in Jherusalem. Mer hi en dorst hem niet steken tegen die stat van Jherusalem. Ende hi wan een heer van die van Idumea van XX dusent mannen, ende hi wan Cedren, een oude poort, die vijf stadiën van Jherusalem is. Dese Simon roefde al Idumea met sinen volcke, so dat hem na volchden XL dusent man, sonder d ander die gewapent waren in Idumea. Ende hier bi worden die Zeloten gecran[c]t. 142 Mer Simon en dorste noch tegen die Zeloten niet striden. So dat si sijn wijf vingen, ende voeren daer mede blidelijck in Jherusalem. Ende Simon volchde hem na, ende swoer: si en senden hem sijn wijf weder, hi soude doer die mueren breken, ende dat volc al doen doot slaen, soe dat hi niemant sparen en soude, wijf noch sculdich noch ontschuldich. Ende si worden des binnen te rade, dat si hem sijn wijf weder seinden, om dat hi te vreden wesen soude Leeu 1482: ghecrant

60 Van den quaden feiten die Jan in Jherusalem deede. Ende hoe si Simon ontfingen. Capitulum XXXVI. [A]Lle dat Joetsche volc was aldus verwoet, so dat die een opten anderen vacht. So wi voerseiden, so was Gabba die keiser van Romen lachsterlijc op der mart verslagen, ende nae hem wort Otto keiser gecoren. Ende na desen koren si te Romen enen keiser, die Vitillius hiet, dat een sot 143 was, zoe dat Otto ende Vitillius oerlochden om t rijc te Galachas in Griecken. Otto wan den eersten strijt opten eersten dach. Mer ten anderen dage verloes hij t, want sijn volc vloech van den velde. Ende doe dode Otto hem selven. Hi had geregneert III maende seven dage. Otten ridders quamen Vitillius te wille, so dat hi voer in t lant van Romen. Tot deser tijt [l]ach 144 Vespasiaen mit sinen heer in Siriën. Ende hi wan t hoechste Idumea, ende vellede alle die steden ende bergen, so dat die Joden geen gemuerde stat en hadden sonder Jherusalem alleen, dat 145 die starcste stat was ende haer hoefstat. Mer hier toe hadden si drie gemuerde vesten: Massaida, Herodium ende Macheronta. In desen driën borgen lagen die rovers ende moerdenaers, die t volc ende t lant vermoerden. Als Simon sijn wijf weder hadde, soe bleef hi daer leggende buten voer Jherusalem, ende hi sloech alle die metselaers 146 doot, daer hijse crijgen mocht, die die muer van Jherusalem versekerden. Want deese Simon was buten veel felre op die Joden dan die Romeinen waren. Binnen in der stat waren die Zeloten veel arger om der Romeinen wille dan Simons geselschap die buten lach, want si binnen vermoerden mannen, wiven ende kinder, dronckenscap roef ende die[f]te 147 hielden si al over spul. Ende si vercrachten die maechden ende vrouwen binnen Jherusalem. Ende dese oncuisheit hilden si al over spot. Van desen quaden was dese Jan hoeftman, ende sijn partie had hier of die heerscappie. Hier om scheide hem t gemeen volc van binnen, ende d een pertie wort stridende tegen Jan, ende sloegen veel Zeloten doot, ende wonnen Jan of die zael, daer hi in lach, ende si verdrev en en[de] 148 sijn partie in den Tempel, ende si namen hem al 143. Corrupt, het gaat niet om dulle mannen, maar om de Alemannen Leeu 1482: sach 145. Leeu 1482: dat dat - dittografie Corrupt, het gaat om akkerbouwers Leeu 1482: dieste 148. Leeu 1482: en

61 sijn guet, dat [hi] 149 geroeft hadde. Doe gingen si Jan ende sijn partie beleggen in den Tempel, ende sochten raet, hoe si Jan souden mogen onteren. Mer God, die die Joden altemael verderven woude, hi keerden haren raet ten arch[s]ten, 150 want si wouden Simon daer binnen ontfangen om Jan daer mede te verderven. So dat si Simon baden, dat hi die stat in hoeden name, ende Jan verderven woude. Alsoe saen als Simon binnen Jherusalem gecommen was, soe besette hi 151 met sinen volc alle die stat, so dat si hem niet en mochten omkeren, si en mosten onder hem bliven, want hi en had geen betrouwen op die gene di en ontboden hadden, noch op die Zeloten oec, noch op Jan ende sijn partie, die in den Tempel gevlogen waren. Ende Simon toech voer den Tempel ende beleid en, mer Jan ende sijn volc weerden hem sterckelijck. Ende si maecten daer binnen vier grote starcke toornen, om hem daer in te verweren als sijs noot hadden. Aldus jammerlijc stont et in die heilige stat binnen. Hoe Vespasiaen keiser wort, ende hoe hi Josephum verloste. Ende hoe Titus te Jherusalem wert toech. Capitulum XXXVII. [V]Itillius quam in der stat van Romen mitten Duitschen, ende lagen in der poort met craft, ende beroefdent volc. Ende als Vespasiaen dit vernam, soe was hij s harde gram, dat Vitillius keiser van Romen worden woude. Ende oeck noch meer om die overdaet, die hi ende sijn volc binnen Romen deden. Ende en hadde hi niet soe verre van daen geweest, hi had t gewroken. Als Vespasiaens princen dit oec vernamen, so togen si te gader tot enen raet, ende worden des te rade, om datt et dus in den lande stont, dat si Vespasiaen keiser maken wouden. Want si hilden hem alle hier an, dat s Vespasiaen ende sijn soen bet waerdich waren dan Vitillius. Ende si hadden vast gelove, dat alle menschen mit hem dit vast consentieren souden. Ende doe gingen si alle gemeenlic mit alle den heer, ende si baden hem, of hi dat rijc woude helpen te vreden, ende Vitilium verdriven. Hi ontseit hem, ende dat heer most er hem toe 152 dwingen met getogen swaerden, eer hi dat keiserijc 149. Ontbreekt in Leeu Leeu 1482: archten 151. Leeu 182: hit 152. Leeu 1482: toen

62 ontfangen woude. Doe creech Vespasiaen eer[s]t 153 in sijnre hulpen ende hulden Egipten ende Alexandriën, dat Tiberius Alexander 154 mit menigerhande heren hil[t] 155 van den keiser. Doe dese hoerden datt et heer van Romen Vespasiaen keiser gecoren hadde, soe waren sij s alle blide, ende swoeren hulde met hem, ende met al haren lande. Dus wort Vespasiaen eerst keiser in Oriënten, ende alle die van Siriën ontfing en blidelic. Hier of quam die niemaer in Pannonien ter stat Meesijn, ende al t volck swoer hem hulde. Als Vespasiaen dus keiser geworden was, so docht hi op Josephum, die hem dit voerseit hadde dat [hi] 156 keiser worden soude. Ende doe dede hi hem uten iseren boeien slaen altemael, ende delibereerd en stapphans. Ende van dier tijt voert an so dede hi groot eer Josephum, ende geloefde hem in allen dingen. Vespasiaen sende Mussiaen mit enen groten heer van Siriën tegen Vitilium te Romen waert. Mer eer hi daer quam so hadde een, hiet Antonius, die van Vespasiaens side was, enen strijt op Vitilium gewonnen, daer hi in verslegen hadde wel XXX dusent ende II honder[t] 157 man. Ende ANTONIUS had verloren IIII dusent ende v hondert man. Ende hi tide vast te Romen waert. Ende aldaer street Vitilius seer tegen hem van binnen der poort. Ende alle die van Vitilius heer waren, bleven van Anthonius heer verslagen. Ende Vitillius wort gevangen, ende voer Antonijs gebrocht, daer hem grote scande gedaen wort, want men sleept en ende sloech hem seer. Ende in t midden der poort sloech men doot, doe hi VIII maende ende VI dagen geregneert hadde. Desen strijt die Anthonius binnen Romen tegen Vitillium hadde, geschiede opten derden dach van october. Ende daer waren verslagen L dusent man. In desen strijt bleef doot Sabint, Vespasiaens brueder. Ende des dages hier nae quam Musiaen mit sinen heer ende [maecte] 158 Trajanum, Vespasiaens soen, rechter binnen Romen, die op die selver tijt te Romen quam. Ende die dede die stat besetten van sijns vaders wegen, want God ordineerd et aldus, dat Vespasiaen binnen so corter tijt keiser wort, ende heer van aertrijck. Hier na geerde hem Vespasiaen om te varen te Romen waert, ende hi sende Titum sinen soen mit enen groten heer om Jherusalem te winnen. Hier laten wi van Vespasiaen die 153. Leeu 1482: eert 154. Leeu 1482: ende dat Tiberius ende Alexander 155. Leeu 1482: hilden Ontbreekt in Leeu Leeu 1482: honder 158. Ontbreekt in Leeu 1482.

63 reden, ende sellen voert tellen, hoe Titus, sinen soen, Jherusalem beleide. Titus scheide van den vader in Alexandriën, dat s in Egipten, ende haeste hem seer te comen te Jherusalem waert. Hi quam doer der wildernis van Siriën met sinen heer te Cesariën daer t grote heer vergaderde, om mit hem te trecken voer Jherusalem. Ende eer Titus uut Egipten quam, soe wist hi wel datt et volc binnen Jherusalem seer vacht onderlinge, ende in tweën partien gedeilt was, om dat die Zeloten binnen den Tempel beleit waren, daer die valsche Jan heer of was. Ende oeck dattie quade man Simon die beleit hadde, ende dat hi heer was van der stat, ende seer opten Tempel street, om die Zeloten ende Jan te winnen. Mer dese partie daer Jan boven was, ende die in den Tempel waren, si scheiden hem an tweën: Want die Zeloten ende Eleazarus, die te voren haer hoeftmannen hadden geweest, si hadden t onwaert dat Jan alleen die heerscappie boven hem allen hebben woude. Want alsoe t hier te voren geseit is, was t meest des Eleazarus scout, dat men vacht tegen die Romeinen. Ende dese Eleazarus ende die Zeloten namen tot haren behoef van Jans geselscap die hem mede wesen wouden, ende si ondergingen Jan die binnenste muer van den Tempel, soe dat si boven togen ende Jan bleeff er onder. Want so in Der coningen booc gescreven staet, so gingen omtrent den Tempel drie paer mueren. Dus was dese valsche Jan in t achsterste deel, want Eleazarus ende die Zeloten streden op hem van boven, ende Simon met sinre partie van onder. Dus was den strijt an driën gedeilt, die dach ende nacht, d een opten anderen streden. Mer dese Jan ginc maken van groten cederen bomen, die Agrippa in den Tempel geset hadde, om den Tempel daer mede te versekeren, een stellinge also hoech dat hi daer of soude tegen Eleazarus mogen striden. Ende oeck soe sette hi die op, dat hem Eleazarus met sijnre partie niet veel hinderen en mocht van boven. Mer eer Jan dit volmaect hadde, so quam Titus met sinen heer voer der stat, die hem dit werc 159 benam, ende hi sloech sijn getelde wel XXX stadiën van der poort, dat was wel na twe milen van der poorten. Mer Titus selve logeerde tot an dier poorte mit VI hondert uutgecoren mannen, om te besien of si van binnen hem iet versagen souden, of si hem sagen. Want hi hadde wel gehoert, datt et gemeen volc den pais begeerde. Ende hadden t hem die moerdenaren, die binnen waren, niet benomen, diese, haers ondancs, dwongen te vechten tegen die Romeinen. Mer Titus en sach binnen geen volc. Mer doe hi der stat bi was, so worpen si 159. Leeu 1482: wereck

64 binnen haer poorten op, ende t folc quam tot hem uut lopen, so dat si Titum an beiden ziden omgaen hadden, ende dat hi ende sijn volck wel schenen al verloren. Want si waren in tweën gescheiden ende en mochten nergent henen vlien Als titus sach dat hi dus omringt was, dat hi nergent keren en mochte met sinen volc, ende om dat hi soe gesceiden was van sinen volc, ende dat tusschen hem ende sijn volc menigen viant was, soe mercte hi wel datt er geen ontvlien en was anders dan midden doer t volc. Ende doe bat hi sinen vrienden vriendelijc, dat si hem stoutelijc ende naerstelijc na souden volgen. Ende hi noepte t ros mitten sporen al sijn macht, ende brac midden doer die vianden in grammen moede. Ende hier mocht men mercken dat God Titum ende sijn volc beschermde, want si vromelijc doer die Joden vochten, ende ontbraken sonder anxt. Ende si scoten na hem sijn quarele ende gaveloten, mer si misten alle sins. Nochtant sloech Titus menigen man doot in den strijt in beiden ziden als hi doerbrack. Mer daer bleeff er twe verslagen in die perse van der pinen. Ende dus wort Titus verlost met alle sinen luden. Om dat die Joden dit vordel in den begin hadden, soe worden si stout ende bout. Titus quam bi nachte tot Emaus grote hulp, ende als t dach geworden was, so logeerde hi naere der stat op enen berch, hiet Scoffos. Ende van daen mocht men sien die stat, ende den Tempel van Jherusalem. Desen berch lach seven stadiën van der poort, dat was omtrent een half mile. Ende hi dede den berch al omme mueren met eenre vaster muer, al om ende omme, om datt et heer seker soude mogen leggen. Want hier binnen leide hi twee legioen[en]. 160 Ende dit was een starck verwaren tegen den oploep van den Joden. Nota: Een legioen is een scaer volcx van VI dusent, VI hondert ende LXVI mannen. Achterste vier stadiën verre dede Titus noch een legioen logeren Ende haer logeringe oec wel ommemueren. Ende s nachts quam daer dat derde legioen van Jhereconta. Ende dien deede hi [op] 161 enen berch, die hiete Alecon, ende die hietede hi bevesten ende daer toe leggen. Desen berch leit oestwert van der stat, ende tusschen desen berch ende der poort lach een grote valeie, die Cedron hiet. Van den driën bergen die Titus voer Jherusalem maken dede. Capitulum 160. Leeu 1482: legioen 161. Ontbreekt in Leeu 1482.

65 XXXVIII. [D]Ie binnen Jherusalem waren, vochten dach ende nacht op malcander. Mer doe si sagen dat die Romeinen buten drie vesten makeden, ende dat si op quamen so datt et hem allen aen t lijf ginc, so verwonderde si hem des seer, ende si lieten onderlinge haer vechten in der stat, ende maecten enen vasten vrede in dier manieren. Mer binnen waren si in so groten hate dat sulcke Joden seiden: Wi sijn stout genoech d een op den anderen quat te doen ende moort. Hier om sellen ons die Romeinen die stat of winnen buten haer verlies! Ende aldus troesten si d een den anderen binnen, ende liepen ten wapen, ende liepen doer die valeie Cedron striden op dat legioen van den Romeinen, dat lach op den berch Alentoen, daer men metselde, ende die muer makede. Mer dit legioen en wist niet dat die Joden dus op hem quamen, ende dus vondense die Joden onversien ende ongewapent, want die Joden hadden dat legioen wel gescoffiert. Mer Titus quam hier toe met eenre scaren, ende versprac dit legioen, waer om dat si sus bloede waren. Ende si vercovereerden doe weder, ende Titus gout desen Joden haer gescal, ende dreefse weder neder, tot in der valeie. Ende doe die Joden neder gecomen waren ten slechten lande, so scaerden si hem ten gevechte, ende vochten daer tegen Titum ende sijn geselschap te middage toe. Ende doe t een luttel over middach was, ende Titus dus gevochten hadde, so sende hi een deel volcx achterwaert, om die muer te maken. Mer niet veer van Titussce stont een spier op enen berch, ende maecte een teiken te Jherusalem waert met enen clede. Ende doe quamen die Joden uut lopen als verwoede beesten, ende doer braken die naeste scaer van den Romeinen. Som vlogen hier ende daer, ende worden weder gedreven binnen Alencon. Mer Titus bleef staende met menigen edelen man tegen den Joden ant hange van den berge. Ende den sulcken duchte dat hi daer verslagen soude worden, ende die baden Titum dat hi achterwert keerde, ende seiden hem dat hi niet alleen peinsen en soude om dat hi ridder waer, mer dat hi heer waer van alle aertrijc. Ende Titus geliet hem of hi dese woerden niet gehoert noch verstaen en hadde, ende wederstont die Joden daer vromelijc, ende en woude niet vlien. Ende alle die bi hem waren vlogen van hem achterwaert van groten vare. Hoe die valsche Jan opten Paesdach den binnensten Tempel wan.

66 Capitulu[m] 162 XXXIX. [A]Ls Titus dus alleen bleef staende, daer alle die Romeinen vlogen, soe worden hem die Romeinen scamende, dat si haren heer lieten in sulcker noot, ende keerden hem vromelijc wederom opten Joden, so dat sise weder neder dreven van den berge, ende daer bleven si staen vechten in t dal. Dus wan Titus hier den prijs, ende hielt mit hem een deel lude om die Joden te wederstaen, dat si den berch nimmermeer winnen en souden. Ende hi beval den anderen, dat si die muer vast maken souden, ende die vesten, op dat si hem daer in tegen den oploep van den Joden onthouden souden mogen. Ende die Joden togen achterwaert met haren scaren in Jherusalem. Ende die Romeinen gingen vast mueren ende ende vesten, ende beleide dus die stat van Jherusalem mitten drien bergen, die si maecten, ende stormden altoes daer op. Ende die Joden, die daer binnen waren, si en ware[n] 163 noch niet moede haers oerlogens, die een op den anderen, al was t dat si iet ophilden, als si tegen die Romeinen uut togen. Nochtant wanneer si binnen quamen, gingen si onderlinge vechten. Gi sult hier wonderlike dingen horen! Een Paesdach quam, dien die Joden grotelijck vierden, want alsoe voer in Exedo 164 staet, so waren haer vaders op dien dach verlost uut Egipten van Pha[ra]ons 165 dienst. Ende Pharao verdranc mit al sinen heer in die Rode Zee, doe hi hem navolchde om weder te vaen t sinen dienst. Hier of is Paeschen gecomen, ende hier om vierden die Joden dien dach. Nu seldi horen hoe dese quade Joden, die men honde hiet, alle doecht varen lieten. Eleazarus, daer ic voer of seide, die mitten Zeloten die binnenste muer van den Tempel tegen Jan hielt, hi ondede op desen Paesdach, om die eer van den dage, een poorte van der binnenster muer van den Tempel, om datt et volc daer in soude comen, om te beden soe t gewoenlijc was. Nu hoert wat die valsche Jan dede. Die gene die van sijnre partie waren ende diemen niet en kende die dede hi wapenen an doen onder haer clederheimelic Ende deedse opgaen in der binnenster muer, om dat hi den Tempel alsoe winnen woude. Ende also saen als si binnen comen waren, so worpen si haer cleren uut, ende gingen slaen op die Zeloten. Hier bleeff er veel doot van den gemenen volc, dat daer om beden binnen comen was, ende dat niet misdaen en 162. Leeu 1482: Capitulus 163. Leeu 1482: wareu 164. Lees?: Exodus 165. Leeu 1482: Phamons

67 hadde. Dus besmette dese moortdadige Jan desen goeden dach. Ende die Zeloten versoenden weder mit hem, ende dus worden die drie partien weeder gedeilt in tweën, want Jans compaengie ende die Zeloten worden een partie, ende vochten op Simon die buten was. Hoe die Joden de Romeinen hoonden, ende hoe Jherusalem gemaect was. Capitulum XL. [T]Itus sloech sijn getelde bet naere der poort, ende hi dee t al slechten ter muer toe, berch ende dal, ende dede menigen boemgaerde roden ende die boem of houwen. Ende doe die Joden dit sagen, so pijnden si hem den Romeinen lagen te leggen. Want die stoutste togen tot eenre poort uut, ende toenden litteiken of si pais begeerden, ende dat si daer om uut quamen. Ende d ander lagen oec ter mueren ende toenden gelaet als of si paeis begeerden. Ende baden den Romeinen dat si naerre comen wouden, si souden hem die poort ondoen. Ende dit seiden die Roemsche ridders Titum, ende waenden t hant die poort te wille te hebben. Mer Titus hilt dit al over valscheit, want hi had hem dicke den vrede gepresenteert mit Josepho, die daer bode of was, mer si en woudens niet ontfaen. Hier om hiet hi hem, dat si hem wachten souden van den Joden. Mer sommige die stout waren en hilden van sinen woerden niet, ende liepen tott en poorten, mer dat becoften si swaerlijc. Want doe si bi der poort quamen ende si geleden waren, die gene die uut quamen ende baerden als ofte si pai[s] 166 wilden, dese begonden doe van after op die Romeinen te slaen. Ende die opt er muer waren, scoten op hem ende worpenre steen op, so dat si daer op een corte wijl veel Romeinen te doot sloegen ende wonden, want die Romeinen mochten qualijc ontvlien om dat men van voren ende van afteren op hem sloech. Si scaemden hem oec dat si sonder raet der stat so na getogen waren, ende si begonden die Joden weder te slaen, diese van achter sloegen, ende braken doer haer scaer. Ende aldus quamen die Romeinen som tot haren volcx met groten verliese. Ende die Joden spotten achter haren rugge met hem, dat si hem also hadden laten honen ende oec quecten si haer scilde te Romeinen waert ende haer spere, also oft sijse al verwonnen hadden. Titus balch hem alte seer dat si sonder raet ter stat wert togen Ende hi sprac hem aldus toe: Dese 166. Leeu 1482: pain

68 Joden die altoes in wanhopen sijn, si doen haer saken wijselijc, ende connen wel lagen maken. Ende d aventuer valt hem mede, om dat si eendrachtich sijn van haren daden, want si sijn d een den anderen trouwe. Ende die Romeinen, die geroerich wesen souden, daer ons d avontuer om pleech[t] 167 mede te wesen, si doen anders dan si doen souden na castume, dat si sonder gebot ende ongescaert voer enige stat hem pinen te trecken tot onsen vianden wert, ja, daer die keiser voer ogen 168 is... Seker dit s grote misdaet! Wat sal mijn oudevader seggen, als hi dit hoort, die van sijnre joncheit oec oerloge gevolcht heeft, ende nu soe verre gecomen is, ende hi en dede nie om genen noot tegen t gebot ende die castume van der Roemscher wet. Want die Roemsche wet bewijst dat men doden sel, so wie sonder raet ende ongesceert enigen strijt bestaet. Ende hier in heeft al ons heer misdaen. Nu mercket wel ende besiet, gi die dese overdaet gedaen hebt tegen die wet van Romen, wat gi daer mede verdient hebt! Dit seide Titus tott en heren, om dat hise mitt er wette verdomen woude, die sonder sijn bevelen getogen waren dus voer de poort van Jherusalem onder der vianden handen. Die heren die hier in misdadich waren, ende haer lijf te verliesen waenden, vlogen van anxt van Titus. Mer doe quamen d ander heren, ende baden Titum, dat hi hem dese misdaet verliet. Ende hi bat hem, dat si voert meer voer hem sagen, ende wachten hem van der Joden verradenis, die fel ende quaet waren. Ende Titus peinsde selver, hoe hi dese valscheit mochte wreken op die Joden. Binnen driën dagen hadden t die Romeinen al geslecht tott er stat toe, beide berch ende dal, ende al dat hinderen mochte. Ende binnen desen driën dagen dede Titus al t heer naerre der stat trecken. Ende als t heer in porre was, soe dede hij t wel bewaren mitten scutters, dat hem die Joden genen oploop doen en souden. Ende die scutters die schoten menich quareel in den hoop van der Joden, ende niemant en dorste uter stat comen. Ende drie legioen leden die stat, ende logeerden twe stadiën van der stat; nochtan bleef een legioen leggen opt en berch Alentoen. Ende Titus sloech sijns selfs tenten op een hoecheit van der muer, daer een toorn stont, die vast en starc was, ende hiet Phineos. Ende hi ded et ander heer logeren tegen enen toorn die Ipitor hiet. Ende si logeerden so si naest mochten der muer, ja, even na. Nu sal ic u seggen hoe Jherusalem gemaect was tot desen tiden, doe Titus daer voer viel. Jherusalem was al om ende omme 167. Leeu 1482: pleech 168. Lees?: jegenwoorden

69 gemuert mit twe paer mueren, sonder an d een zide, want daer lagen so diepe daelen ende graften, die so vast ende so seker waren, dat onder die zide mer een muer en was. Want die stat stont op tweën bergen ende tusschen desen tweën bergen was een grote diepe valeie, die al wel betimmert was mit schonen husen, d een an d ander staende opt en hoechtsten berch. Om dat hi so seker was, soe dede coninc David wilen daer op maken een borch, die Davids Steede hiet, ende die was wijt ende starc. Ende hier tegen lagen buten der stat twe hoge berge, die die valeie so diep hadden, dat men van daer die stat nimmermeer en had mogen winnen met striden. Ende daer waren noch starcke mueren, die noch stonden van Davids ende Salomons tiden, die si ende ander coningen hadden doen stichten. Die binnenste muer ginc die stat al om ende umme, d ander muer ginc al omme die dale ter zuitziden van der poort, ende oec al die poort om, beide west ende noort ende oest. Ende die dorde muer ginc oec al verre die stat om an de oestzide ende noortside. Ende dat binnen desen mueren was, dat hiet die Nie Stat. Want dese derde muer was gemaect an der stat om t volcx wille, dat daer buten den mueren husede, om dat si binnen den tweën muren alle niet husen en conden, die an die stat vielen te wilen doe si wel voer. Van den III toornen en van s sconincs sael, die de Grote Herodes maken dede. Capitulum XLI. [H]Erodes Ascolonita maecte dese derde muer groot ende dicke. Nie en sach man starcker muer noch bet gemaect dan dese was, hadse volmaect geweest. Mer om dat Ascolonita den coninc Tiberius ende den keiser ontsach, so en dorste hijse niet volmaken, want hi ontsach hem dat men had mogen seggen, dat hi hem tegen die Romeinen steken woude. Ende om dese sake so en leide hi mer t fondament van deser muren, ende lietent also leggen gelijc der poort slecht. Want had hi daer die muer volmaect, men had daer die stat niet mogen winnen, so starc soude daer die muer geweest hebben. Want die steen waren so groot, dat men die muer mit genen engienen en had mogen breken. Dese muer waren XX cubitus hoech ende x cubitus dicke. Ende doe Herodes doot was, so maecten die Joden op deser starcker muer enen toorn, XV cubitus hoech, ende daer op enen anderen, die XX cubitus hoger was dan d ander muer was van der stat, ende dien toren was vierkant, ende elke zide was XX cubitus wijt. Op dese niewe muer maecten si XX toornen

70 aldus gewrocht, ende tusschen elken toorn was spacie van XX cubitus, Ende die stat van Jherusalem was XII omgange wijt, ende elc ommeganc hielt XX stadiën, ende XVI stadiën maken een grote mile, ende aldus waren dese muren seer te verwonderen. Nochtan was daer an dier muer enen toorn, die boven al te verwonderen was, ende desen toren hiet Sophines, ende stont opt en noertwesten hornich, ende was LX cubitus hoech. Ende die boven in desen toren stont als die sonne [up]gegaen 169 was, die sach van daer Arabien. Ende van daer mocht men oec die zee sien, al t lant van Judea al om ende om. Hi was gemaect met VIII hoeken, ende men vant nie van dustanigen toorn lesende. Ende in den ouden hoeck 170 soe stonden drie toornen. Men vant nie geen schoenre noch so wel gemaect, ende die dede d Oude Herodes oec maken. Ende desen toren leken 171 allen toornen in hoecheden in schoenheden ende in grootheden, die men wist. Want die Grote Herodes, die sinen soen doden deede, hi leid er al sinen sin an, om dat hi dese toornen alte schoen ende starc maken woude. Den enen maecte hi in Mariannen, sijns wijfs, naem, dien hi doden dede, ende hiet en na haer. Den anderen in Facelus, sijns broeders, naem. Den derden hiet Hipitos, ende desen was driehokich, ende elcke zide was XV cubitus wijt ende XXX cubitus hoech van steen. Daer binnen was gemaect een cisterne, om water in te houden, dat daer vergaderde van regenwater, ende desen put was XX cubitus diep. Ende boven was t huus dubbelt met tween wanden, d een boven d ander daer men in wonen mocht ende wanderen, mit menigerhande solaes gemaect, ende daer waren oeck veel winkelen gemaect. Desen toren was oeck wel gebarbe[c]aent 172 ende gekarteelt om te striden daer of, ende hi was hoge mit den daecke LXXXV cubitus. Aldus was Ipitos gemaect. D ander toorn hiet Facelion na Herodes brueder Facellus. Desen toorn was effen wijt, mer hi was recht ront ende XXX cubitus hoech gemuert. Daer waren hoge behagelike woningen in gemaect, cameren ende salen, die seer costelijck daer waren. [ ] Daer waren oeck an gemaect toornen, barbecaen ende kartelen, die men niet licht en soude hebben doerbroken. An desen toorn en gebrack geen dinck, dat eens conincs gemake toebehoren mochte, ende hi was oec wel tnegentich cubitus hoech met allen. In deesen toorn lach Simon den quaden tiran. Ende den dorden toorn hiet 169. Leeu 1482: ondergegaen 170. Lees: muur 171. Lees: overleden 172. Leeu 1482: gebarbetaent

71 Herodes na sinen wive Marianne, die hi ontliven dede. Ende desen toorn was schoenre ende voerbariger ende edelre dan d ander twee. Mer d ander hadden meer werens, ende dat was om dat si na mans naem hieten. Dese was den schoensten, om dat hi in der coninginnen naem gemaect was, ende hi was L cubitus hoech. Die twe eerste toornen waren groot ende hoech, ende stonden op enen berch, ende die coninginnen toren, daer hi stont, dat was XXX cubitus neerre of lager 173 dan die stat boven, ende hi was al gemaect van edelen witten mermorsteen, die men nu seer luttel vint, ende die wel geeffent waren. Ende die steen waren XX cubitus lanc ende X 174 breet ende vijf dicke. Deese steen waren soe subtijlic geleit in der mueren, dat men niet gewaer worden en conde waer si d een op den anderen vergaderden, mer si schenen al van enen steen. Dese drie toornen stonden in den hoeck van der muer an der noertzide van der stat bet inwaert stont die sael die Coninginnen Sael 175 hiete. Nie man en sach schoenre werck dan desen sael was van maecsel. Die muren daer of waren XXX cubitus hoech, ende daer op waren gemaect behagelike toornen ende gariten ende woningen, daer die luden groot solaes in nemen mochten. Niemant en mocht vertellen van den mermerstenen, daer hi of gemaect was, van hoe menigerhande verwen dat si waren. Ende die al duer ende doer wel vergadert ende gevoecht, beide clein ende groot, datt et genoechlijc an te sien was. Daer waren so veel proieel ende colummen, seer duerbaer, ende cisternen ende duifhuse ende seer springende claer fonteinen, soe dat ic niet en weet daer of t getal. Desen sael en had men niet te vollen mogen prisen. Mer die dieve ende die moordenaers, di er binnen waren, hadden t al verbarnt doe si onderlinge vochten. Mer dat mineerden die Romeinen oec ende slechten t. t Gesticht van den Tempel, ende hoe Herodes Davids gram op dede. Capitulum XLII. [N]U wil ic scriven t werc van den Tempel, dien die Joden deden destrueren met haerre quaetheit. Men sal weten dat dien Tempel, die Salomon makede, dien destrueerden dat volck van Babiloniën. Mer daer 173. Lees: meere - de toren staat op een heuvel, waardoor hij extra hoog is Leeu 1482: XI 175. Niet goed, lees: Coninclike Sael

72 nae stichten die Joden weder bi [Cirus], 176 des conincs van Persen, oerlove. Ende hi was LX cubitus hoge ende LX lanc binnen muren ende XX cubitus wijt. Ende doe die Grote Herodes coninc worden was, so vercierde hi den Tempel seer, ende deden hogen so dat hi also hoge was alsen Salomon eerst maken dede, want doe die Joden van Babiloniën gecomen waren, so en maecten si en niet so hoech alsen Salomon eerst hadde doen maken. Herodes ded en dus hogen in t leste jaer van sinen rijc. Nie man voer noch na en sach alsulcken werck. Herodes leide[r] 177 an groten scat, want al was hi fel ende overdadich, hi was nochtant milde ende vroet ende stout. [ ] Mer hi en roecte niet waer hij t goet gecrigen mocht. Ende doe hi sinen scat dus verdaen hadde, so quam hem in den moet hoe hier voertijts Ja[n] Hircan coninc Davids graf op gedaen hadde, ende hadd er groten scat uut gewonnen. Hier om ginc die coninc Herodes des nachts datt et niemant en wist met hulpe tot Davids grave, ende hi dede den inganc van den grave ontgraven. Mer hi en vant daer geen graf als Hir[c]aen 178 deede, mer hi vant er grote duerbaer juwelen ende gulden vaten, ende die deede hi dragen in sijn behout. Ende doe hi wel nauwe graven ende soken dede, so dat hi tot er tomben quam, daer David ende Salomon in lagen, doe quam daer een vlamme uutgeschoten, die d[a]er 179 twee van sinen serjanten verbernde. Ende doe en woude hi niet meer soken, ende scheide vervaert met anxt van daer van den grave, ende en quam niet meer darwaert. Dese felle milde Herodes vercierde den Tempel, ende deed en maken also en Salomon te voren hadde doen maken, als voer in der Coningen Boec wel gescreven is. In desen Tempel so was vergadert gout ende sulver uut al aertrijc, om dat in der werelt niet en was gemaeckt properre tempel ter eren Goods sonder desen alleen. Men leest oec van tweën tempelen hier voer: den enen dede maken Onias, een paep van den Joden in Egipten, ende den anderen deede maken een hiet Manasses, bi Alexanders des conincs wille op den berch van Garifim. Mer op dese twee en acht men niet als men dede op den Tempel van Jherusalem Want an desen Tempel was alte grote cierheit, ende hi was omme bemuert mit driën muren, ende die blade van desen poorten die in deese mueren stonden, waren al beslagen mit gulden ende sulveren platen menich sijns, onder ende boven, ende die posten 176. Leeu 1482: Titus 177. Leeu 1482: leide 178. Leeu 1482: Hirtaen 179. Leeu 1482: der

73 ende stilen oec. Ende die monster binnen was oec al meest overdect mit goude, soe gebruneert, dat als er iemant op sien woude, dat hem docht van claerheit die ogen verkeren. Ende soe waer die muer ni en bedeckt en was, soe was si al wit van witten marmerstenen, daer die muer of gemaeckt was, wel effen ende verhouwen, soe datt et van verren scheen eenen witten berch. In die hoecheit van den Tempel, boven an den kant van der muer, ginc al omme enen scarpen gulden bant, om datt er geen vogel op biten 180 en soude, die den Tempel onrein maken mochte. Ic en mach 181 u niet seggen t honderste deel van desen schonen werc, want ic ducht dat gij s niet loven en sout. Ter noort westziden van den Tempel stont op een roetsche wijt ende groot een toorn die vijftich cubitus hoech was, ende die hiet 182 Anthonia. Dus schoenen toren en mocht men cume gevinden. Deesen dede die Grote Herodes maken in der eren Anthonijs, sijns vrients. Hi was hoge van sinen voet, daer hi op 183 stont XL cubitus. Desen toorn was binnen gemaect als eens conincs sale: schoon ende mogelijc. Daer waren plaetsen, prieel ende badesalen ende gariten, ende menigerhande ander dinc daer men genoechte ende solaes an nemen mochte; nochtant scheen t al een muer te wesen. Ende op die vier hoeken stonden vier corvele, ende elc was LIII cubitus hoech. Ende den toorn die ten zuitoesten hoec stont, die was LXX cubitus hoech van den voet, daer hi op stont. Van op desen toorn soe sach men den Tempel alte[m]ael. Mer desen toorn ende desen Tempel was of gewonnen, so voer geseit is, Jan ende sijn partie. Ende die Joden velled en oec, omdat daer die Romeinen in leggen en souden, ende dat si den volc geen pijnlicheit daer uut doen en souden. Nu laet u genoegen, dat ic u aldus veel geseit hebbe van den gesticht van der poort ende van den Tempel, want ic laet meer dan die helft after om dat s niemant verdrieten en sel. Ende nu sal ic voert tellen hoe men op die stat ginc stormen. Hoe die partiën binnen Jherusalem gedeilt waren. Capitulum XLIIII. 184 [S]Imon, die binnen was, had t sijnre partiën wert wel X dusent man, al 180. Lees?: sitten 181. Leeu 1482: macht 182. Leeu 1482: hiete 183. Leeu 1482: opt 184. In Leeu 1482 volgorde conform kapittelnummer.

74 sonder die van Idumea, die met hem daer gecomen waren. Uut desen coes hi vijftich princen, die haer hoeftmannen waren, mer hi was selver prince boven al. Voert hadd er dese quade Simon t sijnre ziden van die van Idumea L dusent man, ende die hadden XX heren. Mer die valsche Jan, die in den Tempel lach, had VI dusent man, ende daer boven waren XX hoeftmannen. Ende an Jans partie waren oec die Zeloten gevallen, die hadden II dusent volcx ende CCC, ende daer was Eleazarus heer of. Dese simon ende dese Jan, die dus onderlinge vochten, si roefden t volc van der stat, ende slogen t doot, die hem dede an enich van den pertiën. Ende nochtant dat dese vermaledide lude sagen dat die Romeinen voer der stat lagen, nochtant en lieten si haer vechten niet in der stat. Want dit was den Joden alte groot afterdeel, mer t was den Romeinen voerdel, dat si dus binnen vochten. Want dese moerda[d]ige 185 pertiën vochten binnen felliker d een opten anderen dan die Romeinen deden op hem, die nochtant die stat wouden winnen. Ende die wijl als dit volc binnen dus vacht, so ginc Titus als een wijs man al omme mercken ende besien, waer hi best die muer van der stat aengaen mochte, ende bestormen. Ende hi vant wel, dat die stat aen d een zijde mer één muere en hadde. Mer daer lagen so grondelose diepe daelen v[o]er, 186 dat aldaer geen winnen an en was. Ende oec vant hi ende mercten 187 dat die butenste muer van der stat hoecheden gebrac, ende dat si niet volmaect en was. Ende hi wort te rade, dat hi die stat daer anvaerden woude. Ende daer Titus dus om die muer ginc met sijn geselscap, soe wort Nichanor, die neffen hem ginc, gescoten in sinen arm. Want hi ende Josephus waren een luttel naerre der muer dan Titus, omdat si den volc gaerne geraden hadden om pais te soecken. Als Titus dese moerdadicheit sach, so beval hi vast dat men drach[t] 188 ginc dragen om die muer te breken, ende dee t al vellen ende breken datt er voer stont. Ende hi settede veel scutters voer die wercluden, dat si dat volc van der mueren jagen souden. Hoe men die eerste muer bestormde ende wan. Capitulum XLIII Leeu 1482: moerdanighe 186. Leeu 1482: veer 187. Leeu 1482: mercten - de meervoudsvorm is/lijkt typisch Hollands Leeu 1482: drach 189. In Leeu 1482 volgorde conform kapittelnummer.

75 [A]Lle die poerters van der stat gereiden hem ter weer. Mer die quade Jan ontsach hem, dat Simon hem den Tempel ondergaen [mochte], 190 waer t dat hi hem pijnde weer te doen op die Romeinen. Want Simon bleef stille leggen als hi die Romeinen drachte sach dragen. Ende die Romeinen drogen so hoge haer drachte, dat si met gewelt rechten drie bocken ende mangen ende predieren, ende si worpen vast met stenen op der muer. Ende hier na gingen si maken grote brede damme, ende rechtenre twe ramme op. Ende al was t dat men die poorters seer sloech, nochtan wederstonden si die Romeinen seer in haerre dracht te dragen, want si vochten dach ende nacht op hem, ende deden hem veel scaden. Mer die Romeinen vochten altoes met rade ende met avise, ende quamen s te boven, soe dat si haer ramme rechten. Ende Titus beval vaste die muer te breeken ende te stekene. 191 Ende b[ute]n 192 wort groot gescal, so [dat] 193 die poorters binnen seer vreselijc worden roepende ende misbarende, soe dat allen den roveren ende moerdenaren docht, dat si vervaren mochten. Want hem docht: bleven si aldus sonder weer, datt et hem allen te groten scanden ende scade comen mochte. Ende si riepen, dat si alle gemeenlijc wouden dat Roemsche heer wederstaen. Ende Simon riep op tott en valschen Jan, dat hi hem ende den sinen enen vasten vrede gave, dat sijn mannen behendeliken strijden gingen teegen die Romeinen mit hem, als of si gebroeders waren. Doe liepen si alle ter muren, ende scoten starckelijc, ende worpen in den dracht ende op die engienen, die die Romeinen gerecht hadden. Die stoute gingen buten mueren, ende braken ende sloegen ontweën die mantele die die Romeinen bedecten. Mer alle haer manlicheit die si daden, quam hem van stoutheden sonder raet. Titus was bi sinen luden, ende troestese, ende settede neffen den ram scutters die de Romeinen bescermden, ende si dreven die Joden met driën met vieren altemet dat si quamen. Ende die ramme worden so seer stotende op die mermerstenen muer, soe dat si den 194 hoec van enen toren of staken. Mer si en mochten die muer mit den toorn niet doen vallen te gader. Hier mede begaven die Joden haer uut lopen, want Jan geboot hem selven, dat si alle wech togen te gader. Ende daer lieten si haer striden onderlinge. Mer die Romeinen waenden dat die Joden dus 190. Ontbreekt in Leeu Leeu 1482: sterkene 192. Leeu 1482: binnen 193. Ontbreekt in Leeu Leeu 1482: den enen

76 ofgetogen waren van anxt, ende dat si van pinen stille stonden, ende si hoeden hem des te min, ende dat loende hem qualijc. Want die Joden liepen uut met groten hopen tot eenre posternen, die bi den toorn Ipitos stont, ende quamen met vier gelopen ten engienen, om die te verbernen, ende van daen liepen si ten Roemschen tenten wert. Mer die Romeinen die vroet van stride waren quamen s saen te boven. Daer wort seer gevochten, ende die Joden ontstaken al dat si mochten. Ende die Romeinen bluschten oec den brant met al hare macht over d ander side. Daer was menich stout Jode, daer die Romeinen ende haer enginen seer mede gearcht worden. Die stoute liepen buten mueren, ende braken ende slogen t al ontweën dat si mochten, so dat die Joden met haren vier wel na te boven bleven waren. Mer die van Alexandrien quamen met hare scaren, ende wederstonden die Joden, soe datt et Titus oec toe quam met sijnre betaelgiën. Ende Titus sloech selver doot alleen XII Joden van den stoutsten. Ende aldus ontvloech elc 195 Jode die mocht binnen muren. Ende met deser aventuren behielt men die enginen. Daer wort gevangen een Jode. Dien deede Titus crucen, omdat hi daer mede d ander vervaren woude ende soude. Daer wort oec een Jode doot gescoten, dat een leitsman was van der scaren van Idumea, ende hiete Jan, ende hi was vroet, starc ende stout. Op enen nacht hier na geviel den Romeinen groten vaer, want Titus hadde drie vaste toornen gemaect van houte, ende wel met iser gedect, dat mense niet verbernen soude, ende elc was vijftich cubitus hoech daer men den Joden veel quaets uut dede. Hier gevil dat een van desen toornen op eenre nacht viel, soe dat met dien gerufte die Romeinen waenden, dat alle dat Joetsche heer in [r]oere 196 waer, [eer] 197 si vernamen hoe dit toe quam. Want op desen toornen deed men den Joden so veel quaets mitt en scut ende mitt en slingeren, soe dat si den stoot van den ramme qualijc mochten beletten. Mer doe die Joden sagen dat die muer verre buten der stat lach, ende si noch twe muren binnen hadden, daer mense soude moeten winnen, dus so lieten si dese muere varen, ende togen alle gemeenlijc binnen der ander muer. [ ] Ende die Romeinen wonnen aldus desen muer, ende quamen binnen, ende deden die poorten op, ende al t heer quam in. Opten XVden dach na dat si op dier muer begonden te stormen, so wonnen si en, ende dat was opten sevenden dach in meie. Ende Titus dede vellen die huse ende al datt er binnen 195. Leeu 1482: elc [-die] 196. Leeu 1482: poere 197. Leeu 1482: want

77 stont, ende hi sloech binnen deser eerster muer sijn getelt, buten scoten van der stat, ende Titus stormde seer op dese stat. Ende die Joden deelden hem ter muren ende wederstonden die Romeinen seer. Jan lach op Anthonia - die toorn stont bi den Tempel - ende Simon vacht oec ter steede waert uut. Dicwijl deden si die poorten op ende vochten tegen die Romeinen gebateliert. Mer die Romeinen waren den Joden te starc, ende si deden haer dinc bi rade ende avise, al waren die Joden oec stout ende starc. Dus vochten si datse die nacht verscheiden. Mer die Joden en ontsagen hem niet, dat si die stat verliesen souden, 198 mer die Romeinen ontsagen hem dattie Joden hem haer getelt of winnen souden. Hier om lagen si alle nacht in haren wapen, ende also saen alst dach was, soe gingen si op beiden siden op malcander striden. Ende die Joden namen haer schilde voer haer borste, die stout waren ende eer voer haren heer bejagen wouden, ende liepen die Romeinen op. Ende die van Simons side waren alte willich ten stride, ende si waren Simon so onderdaen: hadd [i] 199 hem bevolen dat si hem selven doot souden hebben, si souden t gedaen hebben. Mer die Romeinen en lieten hem niet verbloden, omdat si altoes gewoen waren sege te hebben, want men condse niet verwinnen. Oec en was geen volc onder der sonne, die meer ende bet van wapen wisten. Ende oec was Titus altoos gereet die sijn te troesten als si streden, want wie datt en in sijn aensicht sach, hi en pijnde hem niet afterwaert te keren, want si en onsagen hem niet, ende om haers heren eer soe pijnden si hem veel te meer. Hoe Titus d ander muer bestormde. Capitulum XLV. [I]N desen stride geviel dat een betaelgie van den Joden stont gescaert buiten. Ende onder die Romeinen was een stout starc man die Longinus hiet, ende hi toech over ende sloech in der Joden betaelgie twee Joden doot van den schoensten, ende toech weder te sinen ongescaet. Hier om worden die Romeinen so verstout, dat si hem niet en ontsagen. Die Joden waren oec stout in die weer, ende en achten niet wat Titus dootsloech, op dat si oec mochten enige Romeinen dootslaen. Titus beval oec sinen volc, dat si wijsselijc met rade vechten souden, want hi seide hem datt et geen eer en waer sottelijc seer te striden, mer hi hiet 198. Hierna volgt in Leeu 1482 abusievelijk: Mer die Romeinen ontsaghen hem niet dat si die stat verliesen souden Leeu 1482: hadden

78 hem vriendelijc vechten sonder oplopen. Want die Joden en vechten niet anders dan in wanhopen van haren live, ende daer om aventueren sij t sottelijc. Ende Titus deede rechten met grooter pinen ende met gevecht enen ram an der noortzide van der poort tegen enen toorn, daer een valsch Jode op lach die Castor hiet. Ende doe den ram an den toren stiet, soe boot Castor sijn handen tot Titum waert, als of hi hem opgeven woude. Ende Titus waende waers, ende verboet dat menre niet meer an en stiet noech en scoot, ende hi vraechde Castor wat hi woude. Ende Castor antwoerde dat hi hem garen opgeven soude. Doe seide Titus: 200 Des bin ic blide. Ic woude alle die stat soe doen woude, ende ic hem gewarigen pais ende vrede mocht geven. Opten toorn waren si thien mit hem. Die vive seiden dat si hem gaerne opgeven souden, behouden haers lijfs. Mer d ander vi[v]e 201 seiden dat si nimmermeer den Romeinen dienen en souden, ende si hadden liever voer t swaert te sterven. Dus wort dien strijt opte muer after gelaten. Ende Castor die scalc was, ende Titum den keiser honen woude, soe seide hi sinen gesellen, dat si voer Titum gebaren souden, of si d een den anderen genade baden om hem op te geven den keiser, ende dat dan d een op den anderen schieten souden, ende gelaten of si hier om d een den anderen dootsteken souden. Ende si deden aldus, ende vielen te gader neder of si doot geweest hadden. Doe had Titus op dese ontfermenisse ende bat Josephum, dat hi desen Castor op naem. Josephus antwoerde dat hij s niet en dede, want hi sach wel datt et verradenis was. Want Titus stont veer beneden, ende en mercte haer valsscheit niet also wel als Josephus dede. Hier en binnen wort Castor gescoten van beneden uten Roemschen heer. Mer Titus ontsculdichde hem, ende seide datt et hem leet waer. Ende doe Castor bat den keiser, dat hi sijn gelt ontfinge, soe sende Titus lude die t ontfaen souden. Ende die een ondede sinen scoot, ende Castor warp van boven enen groten steen. Ende Eneas die den scoot ondaen hadde, hi ontscoot van onder mer een Roemsch ridder wort met den worp seer gewont. Ende doe Titus die valscheit vernam, so wort hi herde gram. Mer hi peinsde dat men in den stride niet togen en soude tot grote ontfermherticheit ende goedertierenheit, ende Titus beval veel te stuerliker den ram te stoten, dat dien toorn began te wagen. Ende doe Castor ende sijn gesellen sagen dat den toorn begonste te gaen, so staken si t fier daerin, ende vlogen of. Mer die van 200. Leeu 1482: hi Titus 201. Leeu 1482: vine

79 buten waenden, dat si hem selven in den toorn mede verbarnt hadden. Dus wan Titus daer d ander muer opten vijften dach nadat hi die eerste gewonnen hadde. Ende Titus die toech daer binnen dier muer met dusent man, die bi hem waren gewapent. Ende die Joden togen achterwert. Mer om dat Titus t hant die muer daer niet en dede vellen, so quam hem daerof groten scade, want hi lietse van goedertierenheit omdat hi garne daer mede die Joden toe gebrocht hadde, dat si pais begeert hadden. Want doe si in der stat waren, doe en lieten si genen gevangen doden, noch huus noch hof verbarnen. Mer die Joden die vechten wouden, daer vacht men tegens. Mer die hem opgauen, dien beloefde Titus haer goet ende lijf weder te geven. Mer die vechters ende rovers die binnen der stat waren, hadden dat onwert, ende si seiden dat Titus dit dede van blootheden, ende si dreichden die poorters: so wie die hem op gave of om pais sprake, wie hi waer, clein of groot, men soud en dootslaen. Nu waren die straten ter muren wert herde nauwe, ende oec den Romeinen niet kondich. Ende die Joden quamen mit hopen ende sloegen der Romeinen veel doot, ende om sijn geldense so dat sulc ten mure ende toornen uutsprongen. Die Romeinen die buten waren, hoerden binnen dat parlement ende gevecht van den Romeinen, die van den Joden om besingelt waren. Hier bleven veel Romeinen doot. Want die straten ende t gat van der muer waren so nauwe, al hadden die Romeinen willen vliën, si en hadden niet geweten waer. Ende en had Titus die Joden niet afterwert gedreven met sinen scutters, al die Romeinen die daer binnen waren, hadden daer doot gebleven. Mer doe die Joden achterwert togen, doe togen die Romeinen weder doer t gat van der ander muer, die si so eerliken hadden gewonnen mer oneerlijc weder verloren. Hoe Titus d ander muer anderwerf wan ende velledese. Capitulum XLVI. [N]U worden die Joden stout ende overmoedich ten striden, ende waenden dattie Romeinen nimmermeer en souden weder dorren comen op die poort. Ende om dat si quaet waren, so was God haren raet tegen. So dat si niet en micten op t grote heer, dat die Romeinen hadden, noch si en ontsagen niet die grote gebreke die si hadden, ende honger die hem nacht ende dach aenwiesch, daer nu die lude of sterven souden. Want die moerdenaren die binnen waren, lieten t volc van honger sterven, ende si namen hem haer spijse, ende deilden t met

80 haren gesellen mit maten ende gewichten. Oec worden si binnen te rade, dat si gemeenlic die Romeinen wederstonden doe si ter scuren weeder incomen wouden van der stat. Die Joden stonden gewapent drie dage voer t gat, ende gedoechden daer grote slage. Mer op den vierden dach bestontse Titus selver so vromelic, dat hijse achter waert dede keren, so dat hi mit sijnre betaelgien in quam ter scueren. Ende hi dede [vellen] 202 alle die muer van der noortziden, so verre so nae, ende hi leide ter zuitziden wiselijc sijn ridders voer enen toorn. Ende peinsde, dat hi die muer bestaen woude, want hem docht dat hise wel winnen soude, waer t dat hij s hem pijnde. Ende hi woude noch een luttel beiden, om dat hi hoepte dat hem die moerdenars van binnen opgeven souden van honger. Want haer roven was al gedaen, ende die Romeinen waren so veer gecomen, dat si hem rusten mochten ende leedich wesen of si wouden. Op den dach als die ridders van Romen haer soudie ontfingen, so beval hem Titus dat si haren roef ende haer goet deilen souden. Dat die Joden sien mochten al haer goet ende rijcheden, die die Romeinen deilden. Want dit was den Joden alte grote droefheit, dat si den Romeinen aldus sagen haer goet deilen. Ende des hadden die Romeinen te meerre bliscap. Niemant en was soe stout onder den Joden, hi en vervaerde hem doe si die Romeinen aldus leggen sagen in so groter sekerheit, ende dat hem die Aventuer so wel mede was. 203 So dat die scaren van der moerdenaren die binnen waren gaerne in der Romeinen hant gegaen waren, hadden si om der poorters wille die stat op derren geven. Want so hadden si misdadich geweest tegen der stat, die in soe groten wanhopen waren gecomen, dat si liever in den strijt voer t zwaert hadden te sterven dan hem op te geven. Binnen waren die moerdenaren so quaet ende soe fel, dat si den goeden mitten quaden ende al te verraden hadden dat mense verbarnde. Drie dagen lach dus Titus met den Romeinen der ander muer in groter weeldichheit ende solaes, daer t die Joden sagen, ende peinsden dat si hem opgeven souden ten paise. Daer na gereide hi hem als te striden, want hi sach wel dat die Joden van der stat pais noch vrede en wouden. Ende Titus deilde sijn heer in tweën, ende dede tot tweën steden dracht dragen. D een dracht an t overste einde van der stat, daerse crancste scheen tegen den toorn Anthonia. Want hem docht dat hi den Tempel niet winnen en mocht, hi en wonne den toorn mede. Ende nochtant bleef 202. Ontbreekt in Leeu Vermoedelijk corrupt.

81 die stat ongewonnen. Ende daer om deede hi d ander dracht tegen der stat starckelijc dragen. Ende Simon wederstont dat volc starckelijc, dat tegen der stat droech. Ende Jan wederstont die, die tegen Anthonia drogen, want Jan lach op Anthonia. Ende si worpen seer nederwert mitt en enginen, dien si hier voertijts op Testius wonnen, do en die Joden uten lande dreeven, want si wonnen doe op hem IIII hondert [s]elscote 204 ende XL magnelen Ende hier mede scoten si starckelijc, ende worpen in die Romeinen, die die dracht droegen. Mer Titus wist wel dat hem d Aventuere mede was, al gedoechde hi verlies van sinen volke, ende hi street vast op die stat. Nochtan so mide hi hem al dat hi mocht, ende bat den Joden, dat si hem opgaven, want si en mochten s niet langer houden. Ende Titus bat Josephum, dat hi die saken in Hebreeusche vertrecken woude, want hi hoepte, dat si te bet daer nae horen souden, omdat hi een man van haerre wet was, ende uut dier stat geboren. Doe ginc Josephus staen veer buten scoots, ende sprac ter stat wert in aldus: Gi heren, hebt ontfermenis op u selven ende berat u. Ende en sijt er niet felre noch arger in dan die Romeinen sijn. Dat is wel gedaen, want die Romeinen die eren den Tempel daer hi staet. Ende waerom en doe dij s dan selver niet? Oec sidi quaet daer an, want gi den Tempel moecht houden staende, is t dat gi den vrede ontfaet van den Romeinen, dien [si] 205 u gaerne geven sellen. Ende en doe dij s niet, so seld i met uwer quaetheit den Tempel doen vallen, ende ter aerden neder werpen. Besiet hoe die Romeinen u die mueren of gewonnen hebben met crachte, ende den [mure], 206 die noch staet. Merct die grote cracht van Romen, dat men daer thegen niet steken en mach. Daer om weest hem onderdaen om uwes selfs profijt. Mer ic wil dat gi verstaet ende weet dat ic wel weet datt et grote eer is te sterven om die vriheit te behouden. Mer dat en is nu ter stede geen noot, want men sout van den beginnen gedaen hebben, soe hadt te prisen geweest. Mer wi sijn lange tijt t onder gedaen, ende hebben onse vriheit verloren. Ende op dat wi nu dies ontbreken willen, so dunct mi dat wi meer begeren te sterven dan eer te vercrigen ende vriheit. Oec sullen wi merken ende besien dat die Romeinen onder [hem] 207 hebben alle die werelt, ende waer souden wi dan hem mogen ontvlien? Ja, ende merct oec hoe d Aventuer hem 204. Leeu 1482: felscote 205. Ontbreekt in Leeu Leeu 1482: tempel 207. Ontbreekt in Leeu 1482.

82 mede is, ende hoe dat God van hemelrijc, die alle die werelt maect, 208 dien van Romen t onder gedaen heeft alle menschen ende oec die beesten, so dat si den mogenste dienen moeten. Voert so leest ende besiet uwer voervaders avontuer, die beter ende starker waren dan gi, nochtan dienden si die van Romen. Josephus sermoen op die van der stat. Capitulum XLVII. [S]I en hadden niet onderdaen geworden, en hadden si niet van Gode verstaen datt et sinen wille waer, dat si die heerscappie hebben souden boven al der werelt. Dit hebd i wel verhoert, ende gi mocht et nu oec wel merken ende besien. Wild i of en wild i, gi selt moeten die van Romen in die hant comen, levende of doot, want gi siet wel, dat si u t meeste deel thant of gewonnen hebben, uwes ondancs, ende uwe muer doerbroken. Uwe poorters sijn sonder weer ende sonder macht. Wat waend i? Men wet et in dit heer wel den honger ende gebreke, die gi binnen der stat hebt ende gedoecht, want uwe gemeen volc is van honger onmachtich, ende sterft er of met groten hopen. Ende uwe wachters sellenre oec saen of verdorven sijn, want al lieten die Romeinen haer striden op die stat, gi hebt binnen alte groten strijt, dien gi niet verwinnen en moecht, ten si dat gi wapen hebt, daer gi hem mede uter stat driven moecht. Hier om so is t nu die beste raet om der jammerliker plagen wille, dat gi overeen draecht, ende geeft u den Romeinen op in handen. Want si sijn goedertieren, ende willen u gaerne vergeven datt er misdaen is, op dat gi dit doen wilt, want si sijn van natueren goedertieren. Ende hem dunct oec datt et jammerlic ende scade waer, dat si dustanigen schonen vermaerden stede destrueren soude, ende dat si alt lant datt er omtrent leit, oec souden laten verwoest leggen sonder volc. Want Titus is bereet ju te ontfangen met allen paeis ende vreden ende met sekeren geloften, op dat gi wilt. Mer wint hi u stede mit stride, hi en sel niemant sparen, clein noch groet, hoge noch nederen. Nu merct dat hi u twee muren of gewonnen heeft, ende hi waent oec die derde saen te winnen. Ende al en mocht hise niet winnen, so vecht daer binnen voer hem den groten honger die u volc doot! Aldus sprac Josephus den Joden an, die op die toorn ende op die mueren waren. Mer die quade honden en hildenre niet of, mer si 208. Leeu 1482: maecth

83 vloecten seer ende scoten na hem ende versprakene. Ende doe hi sach datt et volc sijn tale niet horen en woude, so hoopte hi dat hijse te bet hem selven soude doen kennen, ende brengense tot doechden met exempelen van den heiligen vaders van hare wet, die voer geweest hadden, ende hi riep lude: Cative en achti niet op uwe wive 209 ende clein kinder die u minnen? Waend i die Romeinen te verwinnen? Waer vond i ie enich die haers gelijc waren. God, die Heer is van al der werelt, hi heeft van den beginne altoes geweest met onsen vaders als hem iemant quaet of onrecht deede. Ende en merct i niet, dat gi [met] 210 uwen quaden daden ende wercken dese heilige ende gebenedide stat ontsuvert hebt ende jammerlijc besmet. Wildi mit desen exempelen onser voervaderen volgen, die Gode so seer verbolgen hebt? Onse voervaderen hebben dicke dese stat verloren met stride. Mer ic ontsie mi nu te vertellen, ja die des onwaerdich sijt te horen Goods woorden ende sijn wercken, ende mi om niet daer mede te pinen. Of gi niet mercken en wilt op Romeinen, soe peinst op dat wonder dat God voertijts mit onsen vaders gedaen heeft in haren dagen. Op den tijt dat Abraham toech in Egipten om den honger te scuwen, so was in Egipten coninc Dothias, 211 die Pharao hiet. Ende want Sara, Abrahams wijf, onser alre moeder seer schoen was, so namense die van Egipten Abraham onsen vader, ende brochtense den coninc Pharao. Mer wat dede doe Abraham? Al wast dat hi hadde CCC ende XVIII knapen, hi en wrack hem selven niet met stride, mer hi vaste ende bat Gode oetmoedeliken, ende keerde sijn handen te Jherusalem waert in bedingen, dat gi nu selver ontreint ende besmet hebt mit uwer quaetheit. Ende God plagede selver Pharao so, dat men Abraham des anderen dages Sara wederseinde onbesmet, ende men gaf hem silver ende gout te soene voer sinen laster. Oeck en gedenct i niet hoe onse geslachte woende in Egipten in swaren dienst, ende waren eigen ende kative CCCC jaer, so datt er daer veel haer lijf verloren. Wat plagen ende hoe veel ded er God om in dien lande? Onse vaderen hadden hem doe wel mogen wreken met gevecht, hadden si gewilt, mer si en wouden s niet doen, ende gaven Gode al haer liden op, ende lieten t hem wreken. Hier om leidse God uut Egipten doer die Rode See, ende hieltse onbesmet van bluede te storten, ende daer in verdranc hi Pharao ende al sijn geselscap, doe hi onsen vaders volchde. Aldus so wracse God. Daer nae doe die Philistinen oerloechden op 209. Lees?: live 210. Ontbreekt in Leeu Lees: Nechias

84 onsen vaders, ende si met strijden hem ofgewonnen hadden Goods Arke, en plaechdese niet al ja Hi? Ende Dagon, haer god, wort onthoeft, om dat si en setten bi Goods Arke. Ende ten lesten, doe si seer geplaecht waren van Gode, so waren si blide, dat sise weder senden mochten mit gi[f]ten 212 in onse lant. Ende hier om als onse vaders die wapen leiden ende hem te bedinge gaven ende leiden Gode haer dogen op, so wrac Hise. Sennacherib, die coninc van Assiriën, en lach hi oec niet voer der stat met groten heer? Mer wie scoffierd en ende verdreeff en? Mer geen man en deet! Want doe onse volc in anxt lach, soe quam Goods engel binnen der nacht, ende versloech binnen sinen heer C dusent ende LXXX dusent man. Ende doe most hi mit scaeden van der stat vliën. Gi weet oec wel hoe onse vaders om hare sonden wille waren gevangen gevoert in t lant van Babiloniën LXX jaer. Mer si en mochten niet ontgaen van daer, voer datt et Gode tijt dochte... Want weet voerwaer: wat onse vaders doen wouden mit wapen sonder Goods hulpe, dat verginc hem ten quade. Want als si met overmoede vechten wouden, so worden si mit scanden verwonnen ende verdreven. Mer als sij t Gode opgaven, so verwonnen si, ende bleven te boven. Peinst oec hoe Zedechias, die coninc, street tegen Nabugodonosor tegen Jheremias rade. Ende en wort hi niet daerom gewonnen ende gevaen? Ende en wort dese stat ende den Tempel niet omgeworpen ende gevellet? Nu peinst oec wat Zedechias dede. Ende merct oec wat gi lude doet, hoe ongelijc gi hem sijt, want te dier tijt riep Jheremias al dat hi mocht, dat men die stat destrueren soude ende t folc vaen, nochtan en woude [men hem] 213 niet dootslaen. Mer - sonder die quaetheit ende den moort die gi doet in der stat, die ic u niet seggen en mach, op dat ic s die stonde niet en hebben - omdat 214 ic u uwe salicheit segge, mocht gi, gi sout mi dootslaen. Mer sonder den moort ende quaetheit die gi doet, so en wild i niet dat men u vermiede. Ende en denct i niet hoe Anthiochus wilen oec dese stat beleide, ende hoe onse voervaders tegen hem uut togen, ende worden verslagen ende die stat gewonnen? Ende hi nam oec den Tempel, ende roefd en ende vermeensaemd en. Ende dit viel oec om onser voervaderen sonden. Ende den Tempel bleef doe lange woest. Ende wat helpt et dat ic u meer castie!? Wie brocht den Romeinen eerst, dat si striden souden op dese poort? Sonder die quade valsche moert ende werringe, die begonde tusken Hircaen ende 212. Leeu 1482: gisten 213. Leeu 1482: hi 214. Leeu 1482: ende omdat

85 Aristobole! Want den onvrede, die tusschen desen tweën bruederen was, brochte Pompeium eerst in deser poort. Ende God dede die Joden t onder, omdat si niet waerdich en waren vri te bliven. Hier nae geviel t in Aristobolus dagen, doen Antigonus die stat gewonnen hadde, ende hi heer was, dat Herodus, Antipaters soen, ende [Sosius] 215 mitt en Roemschen heer, ons beleiden ses maende, ende wonnen die stat op ons, soe dat wi swaerlijc onse sonden mosten becopen, ende wi worden waerlijc beroeft. Weet oec dat [niet] 216 is geoerloft wapen te bezigen na onser wet ende andere niet, 217 want waerlijc sett i u tegen die Romeinen, so sal destructie u afterste slach wesen. Want ic wane dat die gene die de stat houden, dat si niet en misdoen, op dat sij re Gode mede laten gebruken, ende pinen hem te doen dat die wet gebiet. Mer nu segt mi wat [doet] 218 gi cleen of groot van dien dat Moises in der Wet geboden heeft? Gi sijt veel quader dan Dathan ende Abiron die d aerde verswalch! Wat quaetheden is t gi en doetse?! Dat s diefte, logen, moortdaet, verradenisse, roef, hoerdom boven maten. Ende hier en boven soe fisierd[i] 219 uwe quaetheden in den Tempel ende duetse ende ontreinten dan mede, dien die van Romen tot hier comen ende aenbeden om sijn heilicheit. Ende si hebben dicwijl onse stede gebetert na onse wet, meer dan gi doet! Sel u dan dese heilige stat in staden staen, daer gi soe veel quaetheden in gedaen hebt? Gi sijt exempelen van onrecht, want gi in onsuverheden Gode aengebeden hebt om hulpe. Ezechias, die wi[l]en 220 coninc was van desen stat, hi boet oetmoedeliken sijn handen te Gode waert in desen Tempel doe sijn vianden hem beleit hadden, ende God verhoerd en, ende versloechse, om dat Sennacherib sinen eet brac, ende daer in Gode blasphemeerde. Ende Titus, die hier leit, en wil niet dat gi hem alsoe dient mit sulcken goede als uwe vaders gaven den sinen. Ende wildi dit doen hi geeft v warachtige vrede ende pais ende vergeeft v alle misdaet Ende laet v die stat ende den tempel ende alt lant ende uwe goet ende wette sal hi v gebruken laten tot uwen wille Hier is grote verwoetheit dat wi willen dat god den quaden also goet si als den goeden En peinsdi niet wat god chennacerib dede opten eersten nacht dat hi voer die stat gecomen was 215. Leeu 1482: Julius 216. Niet in Leeu Verkeerd begrepen Ontbreekt in Leeu Leeu 1482: fisierde 220. Leeu 1482: wisen

86 Ende wildijt wel mercken hadt god gewilt dat wi in vriheiden gebleuen hadden so wel had hi dat self gedaen pompeio ende sinen heer Ende festius ende ander princen oec die dese stat wonnen Ende vespasiaen oeck doe hi galilea destrueerde wie dede hem quaet of wederstonten Mer god heeft hem zeder eer gedaen ende heeften keiser doen kiesen bouen al die werelt. Titus leit oec hier voer die stat die grote ontfermenisse daer op heeft nochtant toentet god bi miraculen dattet sinen wille is. want doe hi hier quam waren die fonteinen verdroecht voer Ende die fonteine van siloe daermen cume water in vant Ende al dander sijn nv soe rein ende soe vol waters als si begeren Merct ende peinst wat god wilen togede dat die fontein sijn loep verdroechde doe nabugodonosor dse stat destrueerde ende den tempel Nochtant was doe beter volc inder stat dant nv is om die grote quaetheit die gi daer binnen doet. want die fontein die doe verdroegede geuet nv allen vianden water genoech. waendi dat god met uwen sonden is die alle heimelicheden claer ende condich sijn want hi hoert al datmen swijcht wat ist dat gi soe heimeliken hebt uwe vianden en wetent. want si weten uwe quaetheden nv Ende gi strijt alle dage deen opten anderen als of elc om eer dede Mer merct ende besiet dat gi nv mer een straet en hebt van salicheden Dats soe wie sijn sonden beliet dat hijse vrie ende quijt ende daer na gewarige penitencie doet Daer om soe werpt of uwe wapen gi vermaledide lude ende scaemt v Ende merct ende besiet terre ende nae dat om vwen wille dit lant is verwoest besiet wat scoenheden gi gedestrueert hebt die stat ende den tempel die vri waren brenct gi ter vianden handen diet om uwe quaetheden verbernen sellen ten si dat gi v op geeft. Ende wat is vaster ende starcker inder werelt dan steen nochtan machmen breken ende scoren Ende al sidi soe hart dat gi op den tempel op der stad ende opt lant niet en acht Merct en hebt ontfermenis op uwe wiue v kinderen v magen die saen van honger ende gebreke verdoruen sullen wesen ic weet wel dat mijn wijf ende mijn magen die daer binnen sijn haer lijf niet auontueren Sulcke wanen dat ic om haren wille v dus anspreke Ende gi slaetse daer om ter doot van quaetheden Stort mijn bloet ende slaet mijn doot want ic om beters wille mi pijn v te raden v salicheit dunc v groot eer ende vrome dattet lant om uwen wille dus verderft wort [ ] Vanden gebreken die inder stat waren. [ ] Capitulum xlviij

87 [D]Oe iosephus dese woerden ter stat waert riep met groten geween die moernaers daer binnen waren die en hilder niet of wan si vuaren in groten vuanhopen geuallen dat si niet vueldoen en consten Mer tgemeen volc vander stat had hem gaern op gegeuen den romeinen mer si en mochten ende daer vuaren luden die al haer goet ende haren scat gauen om haer lijf ende si zvuelchden gout in om dattet hem die romeinen niet nemen tn souden Ende dan vlogen si ten romeinen waert ende baden ontfermicheit ende coften haer lijf mitten gelde dat si in haer lichaem hadden Mer titus ontfencker veel sonder gelt ende deliuereedse ende hier om lieper vter stat veel meer om die plage tontulien ende titus lietse al vri ende quijt Mer doe ian ende simon ende die met hem waren dit wisten so deden si grote hoede doen dat niemant vter stat lopen en soude. Mer wie ten romeinen waert vlien woude die sloechmen doot op dier stat Want arm ende rijc togen si wt bleuen si binnen si waren in auentueren van haren liue Sonder dat si hopen mochten an haren vianden genade te vercrigen of haer lijf te copen. want een der plage vander honger wast vreselijck inder stat binnen. Ende den honger wesch vreselijck inder stat So datter veel van honger storuen. want daer en was geen coren binnen Ende die diefs dier binnen waren namen den luden thaer openbaer ende si doer sochten husen ende hoecken Ende daer si iet vonden coren of spise daer slogen si die gene diest was of stakense ende dan namen sijt hem Ende daer si niet en vonden daer tormenten ende pijnden si wijf of man dat si hem spise wisen souden si waenden dat wat was Ende wien dat si iet sagen hebben si nament hem Ende dien si vonden geswollen van honger dien wonden si daer totter doot Mer dien si sagen dat thant steruen souden si en wouden die niet doot slaen. Die rike luden gauen alle haer goet om een muddekijn gerste Ende dan sloten si hem in huis met groter ellendicheit ende maecter of iammerlijc broot van groter noot Sulc namen taru ende kaudense ende nergent in dier poort en dectmen tafel Si togent broet half deech wt den ouen of vten vuer ende atent als beesten Die machtige luden die hadden luttel mer die arm en hadden niet. Desen honger nam alle vrientscap ende trouwe want die wiuen namen haren mannen teten Ende tkijnt der moeder ende die moeder den kijnde Men had niemant daer of so lief Men vergat sijns alsmen iet teten hadde Ende die rouers mercten dit Ende so waer si die huse gesloten sagen daer braken si in om dat si waenden dat men daer at Ende vonden si daer iet si nament al Sulcke kauwede haer spise nauwe half ende sulcke sw[a]lchse al geheel. Daer en was wijf noch kint die

88 enich vordel hadde Dese rouers stoerden die poerteren om eten als of si honden geweest hadden ende si togent den kinderen vten monde dat eeten datsi daer in hadden. Ende als die kijnder dan an hem hengen soe worpen sijse met groter onwaerden tegen der aerden ende sloegense Ende som die gewaer wort datmen hem sijn spise nemen soude hi swalchse al geheel l eer die rouers quamen Ende dan daden si hem grote lelicheit want si togense bi haer scamelheit ende staken hem stocken ten fondamente in omdat si hem met toorne of dwingen wouden een broot Ende dan deed men hem pinen so groot datmens niet en soude willen gelouen Sulcke scoten vter poort ende liepen ondert roemsche heer in auenturen ende lasen daer cruut opt velt Mer alloe saen als si weder inder poort quamen so worden si vernielt ende men namt hem al dat si brochten Ende hoe ontfermelijc dat si baden datmens hem een luttel gaue ten mocht hem niet geschien Mer si mochten herde blide wesen dat mense niet doot en sloege [ ] Hoe men die ioden cruuste ende hoemen die derde muer bestont [ ] Capitulum xlix [D]Je gemeente vander stat gedoechden dese iammerlike ouerdaet. Mer rike lude leidemen voer simon den tiran ende leiden hem verradenis op Of dat si omme lopen wouden ten romeinen daer en mocht hem niemant ontschuldigen ten most hem tleuen costen. want die gene die simon verdreef ende roefde die ontfenc ian Ende die ian verdreef ontfinc simon Dus scuerde deen den anderen altemael ende namen den luden lijf ende goet Haer onsalicheit deden si deen den anderen al dat si mochten want elck wouden van desen tween die ouerhant inder stat hebben. Jc waen dat nie stat en was die dustanige ouerdaet gedoechde Noch nie en was so quaet noch ongenadich volc deen op den anderen als dese ioden onderlinge waren Titus dede met groter haesten die drachte voldragen an die muer ende dede wel wachten die iode die doer die valeie liepen om cruit te lesen ende om spise so dat men daer op een tijt vijf ioden vinc ende die cruustemen alle mer eermense cruuste soe geseldmense seer Titus had hier op grote ontfermenisse Mer hem en docht niet goet datmen dus veel dols volcx soude laten gaen ende hem dochtet grote pijn ende verlies datmen dus veel dols volcs soude in geuangenisse houden Ende hier bi en verboet hijse niet te crucen. Des volckx wort soe velen geuangen ende gecrucet dat den romeinen hout gebrack crucen of te maken. ende oeck lants bider stat die crucen op te

89 rechten Als die moerdenaers die binnen waren dit sagen so veruaerden si die ioden binnen ende seiden merckt dit ende besiet hoemen die ioden begaet die vter stat vlien hoe iammerlijc datmense alle doot Ende die ioden die binnen waren doe si haer volc dus sagen verdoen ende gaern wt gegaen hadden ten romeinen Die en dorsten niet vlien ten romeinen van anxt tot dier tijt want si vernamen die waerheit waer om dat mense dode. Nochtant waren veel Joden die wt liepen Ende hadden veel lieuer gecruust te worden dan binnen van honger te steruen Mer men hinck daer niemant dan die men met cracht vinck Titus hadde oec veel geuangen ende hi dede hem die hant of slaen ende dan sende hise binnen tot simon ende tot ian om dat si daer en souden mercken dat hi hem geen quaetheit en soude doen die tot hem geulogen quamen Ende dat hi oec niet en meende te verderuen die goede stat noch den tempel op dat si noch genade hadden willen soeken Mer en wouden si des niet doen soe toende hi hem dat si eer iet lanc souden moeten gedogen sijn bi haers ondancx Mer si waren so quaet dat si hier of niet en hilden Mer daer si bouen op der muer stonden so vloecten si TYTUM wtwaert ende VESPASIAEN Ende seyden dat si lieuer hadden te steruen dan eyghen te worden Hier en binnen droeghen die ROMEYNEN met groter pinen haer dracht ende volleden die graft opten xxisten dach van meye Ende als IAN sach dat si hadden een drachte ende effen hoech ghemaect teghen den toren ANTHONIA. Soe mimeerde hi onder die dracht nacht ende dach ende ondersettedet myt hout Ende dan droeghen si daer in smout ende vier ende doe verbarnde dat hout daer die aerde op lach ende sloech so neder met die dracht ende gaf enen groren slach ende wort een alte groten vier dus bleef der ROMEYNEN arbeit verloren ende doe waren si harde gram Mer ouer twe daghen hier nae toech SIMON wt want die ROMEYNEN begonden haer ramme ten muren te setten om die ontween te steken. Dus liep SIMON ende sijn partye Ende barnden den ROMEYNEN twe rammen of. Want si en weecken cluppel noch swaert Want hoemense sloech si liepen vast doer ten ramme waere ende ontstaken die engiene Als die ROMEYNEN dit saghen liepen sy toe om die enginen te ontsetten Mer die IODEN wederstondensen starckelijc tot dat die engyenen al verbarnden. Ende doe ontsaghen hem die ROMEYNEN seer om dat si besinghelt waren int vier ende toghen haestelijck achterwaert tot haren tenten Mer die IODEN volchden hem tot daer na ende lenerden hem daer wijch Dus so vachtmen daer harde seer die IODEN vochten van node ende die ROMEYNEN om eer Hier en binnen vernam TYTUS dat dye strijt groot wort Ende hy quam daer [-soe] toe gheslaghen met den sinen

90 ende versprac sijn volc ende bescudse van desen stride Want die IODEN en mochten niet langher dueren Ende en hadden si niet ghekeert in hare stat men hadse alle gheuanghen ende doot gheslaghen [ ] Hoe TYTUS een muer maecte al om ende omme IHERUSALEM [ ] Capitulum.l. [N]V waren die engiene ende dye drachte mit crachte al verbarnt Hier om waren alle die ROMEYNEN seer gram want hem dochte datmen die stat niet winnen en mochte sonder drachte ende engiene TYTUS nam raet hoe hi nv die stat bestaen mochte Ende sommige rieden hem die stat te bestormen met alden volke opter muer om dat die IODEN teghens alt volc niet ghestreden en hadden Ander rieden datmen dye graft mit drachten weder vollen soude. Ander rieden datmen die dalen al beleyde so dat nyemant vter stat comen en mochte ende also soudemen die stat mit hongher winnen Sonderlinghe om dattet quaet striden is op luden die lieuer hebben te steruen dan te leuen TYTUS dochtet scande dat hi soe langhe stille legghen soude mit so groten heer als hy met hem hadde Oec dochtet hem zwaer wesen te vechten op dat volc dat verwoet was van wanhopen ende hem en dochtet niet oerbaerlijc wesen drachten te draghen oec so dochtet hem grote pijn ende vrese dustanighen stat te belegghen in alle die diepe dale Ende liet men hem binnen doer dese dale spise of lijftoch halen so mostmen te langher voer die stat legghen. Voert ontsach hem TITUS dattet te minre eer wesen soude laghe hi daer langher voer Doe docht hem best dat si die stat al omme muerden mit eenre muer Want hy daer mede alle dye slope besloten om dat sy binnen hier mede in wanhopen souden moghen vallen ende dan die stat opgheuen als si van hongher amachtich waren Dus gheboet TYTUS alle den heer dat si dese muer maken ghinghen sonder langher beyden. Ende god gaf alle den volck te mael goeden wille daer toe. Dat sijt garen ende willichliken ghinghen doen. Deese muere was omme gaende lanc lx stadien dat waren twe grote milen ende een half ende buten der muer maecte hy xij castelen den enen veer vanden anderen staende Ende si volmaecten dyt werck al binnen tween daghen Mer dit gheloeft cume yemant dan diet saghen Jn elken casteel lach veel volck ghewapent Ende si deden int heer binnen der nacht drie sciltwachten Deerste sciltwacht hielt TYTUS met den sinen Dander hielt ALEXANDER van EGIPTEN met den sinen Die derde die maerscalc vanden heer Want si en hadden rust noch vrede. want eer deen slapen ghinc so

91 was dander ghereet ende dit duerde alden nacht doer Nv verloren die IODEN al haren hoop van tontgaen ofte ontlopen. want binnen wies den honger seer ende die husen waren vol doder luden beyde van mannen ende van wiuen ende van kinderen dye van hongher ghestoruen waren ende die straten laghen oec vol doder luden Ende die ionghelinghen ende die maechden zwollen sommighe van hongher ghelijc blasen ende al gaende vielen si doot Men mochte binnen der stat doer gheen straten gaen cleen noch groot om den stanc vanden doden luden die daer in laghen Ende die leuende waren so cranc dat sijse niet begrauen en mochten Som daer hi sinen vrient grauen woude so viel hi op hem doot Menich mensche ghinc binnen IHERUSALEM al leuende tsinen graue waert Ende nyement en weender om noch en claechde want die hongher dwancse ende haren quaden wille die stede was vol droefheden ende die huse ende die graue waren vol doder luden Ende dan quamen die moerdenaren ende toghent den IODEN wt dat si an hadden ende droghent wech al grymmende Nochtan doerstake si die doden ende saghen of si enich leuen in hadden Mer die lude die om den anxt vanden hongher den moorders baden dat sijse dootslaen wouden om haer pijn te corten dien ontseiden sijt Hier na deden die moerdenaren om den groten stanc ghebieden datmen die doden grauen soude Mer die binnen waren en mochtent niet ghedoen Doe werpmense ter vesten wt in die diepe dalen so datmenre veel vollede Als TYTUS dese doden dus sach legghende so iammerlijc gheswollen van hongher so wiende hy ende hief sijn handen op tot onsen heer ende toende daer goods wrake ende dattet sijn scout niet en was dat si daer aldus verdoruen. Als die ROMEYNEN saghen dat die moerdenaers stille binnen laghen soe waren sijs blide ende waenden gaen breken die muer want si hadden bi na haren wille ouer den IODEN Ende veel vanden ROMEINEN stonden ende toonden die van binnen veel spise omdat si hem daer mede lede doen wouden Nochtant en mochten sijse daer toe niet brenghen dat si hem op gheuen wouden TYTUS hadde grote ontfermenis dat ghemeen volc dus van hongher starf ende hi hadt garen weder verlost Ende hi dede weder dracht draghen ende die starck ende dicke maken nochtant mosten sijt hout halen ouer xx stadien. TYTUS dede starckelijck teghen den toren ANTHONIA draghen drie dammen veel meerre dan dander waren. Ende hy troeste sijn volc seer ende seyde Pijnt nv blidelijc ghy hebt die moerdenaers v vianden in uwen handen Mer die ongheuallighe katijfs en achten op haer lijf niet. want al mocht hem dat lijf bliuen nochtant bleuen si verhongherde luden. SYMON dede binnen

92 vermoerden enen eersamen man die hem die stat halp houden ende dese hietede MATHIAS. Ende noch dede hi veel ander heren dootslaen ende beual datmense niet begrauen en soude Ende si vinghen oeck IOSEPHUS vader ende leyden oec in enen kerker ende boden dat nyemant so coen en waer dat hi teghen hem sprake Want si seyden dat hi een groot verrader waer Ende die ghene dien beclaechden sloechmen doot. Dit sach een hiet IUDAS die van SYMONS partye was ende hielt enen toorn van hem Ende hi seyde den thienen die mit hem waren aldus Hoe langhe sellen wy in bedwanghe wesen aldus onder den quaetsten dief ende tyran dye wesen mach Want den hongher torment ons totter doot Oec mercket dat alle die ROMEYNEN saen rijc wesen sellen van goede dat si op ons sellen winnen Hets beter dat wi gaen in handen ende ons ende die stede behouden Want SYMON sel groot misual an comen ende selt becopen dat hi doet Dese IUDAS ende sijn tien ghesellen worden des eens ende riepen anden ROMEYNEN ende seydent hem Mer som en woudens sijt niet ghelouen mer si haddent onwaert dat si seyden Want si waenden thant die stat te wille hebben Als TYTUS darwaert toech om dese op te nemen Soe vernamt SYMON ende hy wan die toorn op dien dach daert die ROMEYNEN ansaghen Ende sloghen al dese ghesellen doot ende worpense ter muren wt [ ] Hoe die ROMEYNEN dat gout sochten inden IODEN buuc ende tghetal vanden doden Ca li [I]OSEPHUS was doe bider muer gegaen ende riep opwaert altoes ende badt hem dat si hem op gauen. Mer hi wort daer gheworpen met enen steen van bouen op sijn hoeft dat hi sitten ghinc ende was verdroeft mitten worp Ende die IODEN ronnen wt dat sien binnen halen wouden Mer TYTUS deden halen die in twiuel was waer hi doot of leuende was Ende die mordenars maecten binnen grote bliscap om dat si waenden dat hi doot waer Ende doet IOSEPHUS moeder vernam daer si lach inden kerker so maecte si groet hantgheslach van rouwen Mer dese loghen wort thant becort Want hi stont op ende riep anden moerdenaren ende syde Jc sal waerlijc eer yet lanc ghewroken worden ouer v Ende tghemeen volc was harde blide dat IOSEPHUS der doot ontgaen was Mer het was den moerdenaren harde leet Sulcke vanden ghemenen volc spronghen ten toornen wt ende sulcke namen steen als of si vechten ghinghen Ende dus ontliepen si den ROMEYNEN Mer van desen volc so nammer veel haer seluen tlijf Want als si int heer quamen ende

93 begonden teten so aten si soe veel van hongher dat si daer of storuen Ende ander waren die hem wachten Mer doe quam hem een ander plaghe an Die van SIRIEN saghen enen ontulogen IODE ter camer gaen ende si gaderde alte schoon gout vten drecke. want veel IODEN die vlien wouden verswolghen gout om tontdraghen Als dyt int heer condich wort dat die vluchtighe IODEN vol gouts waren Soe quamen die van SYRIEN ende van ARABIEN ende en snedense op ende sochtent gout in haren lichaem dat si gheswolghen hadden Dit was een quade plaghe want in eenre nacht wasser wel twe dusent op gesneden Hier om wort TYTUS soe gram dat hijt vernam dat hi welna had doen dootslaen dye ghene die dit deden Mer den wille vanden ghewinne was soe groot dat si wouden ewelijc rijck wesen. want gheen sonde en is ghelijc ghiericheyt God diet werck verbannen hadde hy verkeerde alle der IODEN salicheyt ghelijc der verdomenis Hier om wortet also veel verderft Hoe grotelijc dattet TYTUS sinen volc verboot dat si die IODEN niet ondersoeken en souden si en lietens niet want bi nacht sloeghen si dye IODEN al heymelijc doot ende sochten tgout in haren lichamen dat si gheswolghen hadden. Ende om desen iammerliken moert keerden die IODEN die vter stat vloghen waren weder ter stat waert in Nv hoet wat die valsche IAN dede als hi niet meer ant volc en vant dat hi rouen mochte soe stal hi ende nam die vaten daermen mede diende inden tempel Mer die cierheyt inden tempel die AUGUSTUS die keyser syn wijs ouer menich iaer hier te voren den tempel ghesent hadde die en nam hi niet. want die keyser van ROMEN had dien tempel hier te voren in groter waerdicheyt ende dede hem grote eer Ende sende hem grote presente. Mer nv wast daer toe ghecomen dat een IODE die presente vten tempel roefde die daer van veer gesent waren Ende hi verteerde mit sinen ghesellen den wijn ende dolye daermen gode mede ghedient soude hebben Mer ic waen dat dieghene die dese ouerdaet deden sellen argher einde nemen waren die ROMEYNEN binnen gecomen dan of si versoncken waren optier stat of verdroncken inder diluuien of dat si verbarnt waren mytter blixeme ende versoncken want waerlijc dese IODEN waren quader van leuen dan dye SODOMITEN waren nochtan en soude ic niet micken den torment die si in die stat deden Ende van SYMONS pertyen een die ANNANUS hiet ende had een partye in sijnre hoden die quam ghelopen int ROEMSCHE heer ende seyde voer TYTUS datmen vanden xiijsten daghe van aprille totten eersten daghe van hoeymaent tsijnre poorten wt brocht by ghetalle C dusent ende xxv dusent ende lxxx doden. Nochtant seyde hi datmenre veel vanden

94 besten groef Ende datmen veel vanden doden ouer die muer werp in die vesten [ ] Mer hier na quamen veel edelre luden vter stat gheronnen die seijden voerwaer dat wt elker poort vander stat meer dan C dusent doden ghedraghen waren Ende dat binnen niet volcx ghenoech en was dat dye leuende dye doden wt draghen mochten nochtant laghenre grote hopen inden husen besloten want seer die ROMEYNEN omtrent den poorten ghewaect hadden soe een mochten die ghemeen luden geen cruyt buten halen tot haerre nootorft. Hier om doersachten si die messenen ende priueyten ende aten van groten hongher menschen drec dat alte eysschelic an te sien was Ende als dyt die ROMEYNEN vernamen soe hadden si daer op ontfermenisse Mer die moerders binnen diet mitten oghen ansaghen ten deerde hem niet. want dat ongheual ende wanhope maectse blint so dat hem god ouer sende dat si daer nyet om en gauen Dus stontet een langhe tijt in IHERUSALEM [ ] Hoemen derdewerf die muer bestont Ca. lij [N]V wil ic voert bescriuen hoe dat IHERUSALEM ghewonnen wert Jnder stat merede die plaghe alle daghe Want so die moordenaers meer ghebrecs hadden so hem haren luste ende begeerte meer wiesch om moortdaet te doen Want die stat was so vol van moerdenaren dattet ysschelijc was an te sien Si quamen bi viuen bi tienen te gader om te rouen dye lude die noch leefden daer si yet vinden waenden Hier toe was den stanc binnen soe groot als of een heer aldaer verslaghen waer so veel volcx lach daer doot Ende die leuende waren soe verscouen dat si niet en peinsden dat si oec van hongher verderuen souden ghelijc den anderen Ende als die ROMEYNEN die dracht voldraghen wouden si mosten hout daer toe halen ouer xc stadien veer Want si en vonden gheen naerre ende dat was wel na ses grote mylen verre Mer die ROMEYNEN pijndent soe seer dat si haer dracht voldroghen binnen xxx daghen Mer si waren altoes in groter vresen dat hen die IODEN haer drachte of winnen souden mitten vier Ende dat was om dat niet en wisten waer si ander hout halen souden. Ende dye IODEN waren binnen oeck in groter vresen vander hogher dracht want si ontsaghen dat si vanden vier ouerscieten souden inder poort. Mer die ROMEYNEN si stonden myt groter craft voer haer dracht ende beschermdense nochtant toech die valsche IAN wt mit sijnre partye mit vier ende waende den ROMEYNEN die drachte of winnen die si ghedraghen hadden voer ANTHONIA ende die enginen die si daer op ghestelt hadden Opten

95 eersten dach van hoymaent gheuiel daert menich man sach dat die IODEN vander muren ghinghen Ende die ROMEYNEN staken den ram starckelijc van bouen met scut Ende die IODEN weerdent mit stenen die si worpen op die ROMEYNEN totter nacht toe dat die donckerheyt beyde pertyen verscheyde Ende dye muer en wert niet seer ghefaelgeert sonder te dier stat daerse die valsche IAN eerst ghemuert hadde ende deerste dracht verbarnde soe wy voerseyden Mer des daches hier te voren hadde hi teghen die scuer doen maken binnen een nyewe muer Des anderen daghes waren dye ROMEYNEN vroech ter muer Mer doe si vernamen datter binnen teghen der scuer een muer ghemaect was so waren si harde gram Mer doch vonden si daer een dinc aen dat hem wel bequam datmen die score vander muer wel op climmen mochte Mer nyemant en dorstet bestaen te doen om dat men thant van bouen ghedoot soude hebben. Ende hier om vergaderde TYTUS dye alre vroemste van sinen heer ende troestese mit schonen woerden ende seyde Soe wie eerst bestonde op die muer te clymmen op dat hi te liue bleue hi soude hem so grote ghiften gheuen dattet alt heer benyden soude Hier op en antwoerde hem nyemant dan een ridder die daer was die FILUIUS hiet ende was gheboren wt SYRIEN een stout bruyn magher man Dese vermat hem TYTUS bede te voldoen Ende hi decte sijn hoeft teghen die worpe mitten scilde ende clam ter muren op ende hem volchden si xi na Mer hi vacht bouen langhe alleen eer dander op quamen nochtant worpmen grote steen op hem dese FILUIUS clam stoutelijc op tot dat hi quam opte hoechste muer daer hi den IODEN veel onwille dede. Mer dicke valtet dat die auontuer doet den menighen swaer pijn ghelden Want des mans aenganc was seer stout Mer eer yet lanc so werpmen enen steen op hem van bouen soe dat hi plat van bouen vallen moste Ende doe die IODEN dat saghen so omringden si hem ende ghinghen op hem slaen Mer hi rechte hem op sijn knyen ende decte hem mytten scilde ende sloech seer starckelijck opten IODEN ende wonder veel. mer hi moster doot bliuen opter stat Oec so bleuender doot drie vanden eluen ende die viij ghewont dije hem na gheuolcht waren Ende die droechmen ten tenten waert ende beclaechse seer Dit gheuiel opten xiijsten dach van hoymaent [ ] Hoe den toorn ANTHONIA ghewonnen wort [ ] Capitulum liij [O]Ver twee daghen hyer nae worden si xx vter sciltwacht snachts beraden dat sy met hem namen enen standert dragher ende noch iij

96 blasers Ende si quamen bi nacht ende clommen stoutelijc op ANTHONIA ende vonden daer die wachters slapende Ende si sloeghense doot ende wonnen die muer ende ginghen doe stoutelijc storm blasende Ende alle dander IODEN vloghen vander muer Ende waenden dattet grote heer binnen ghecomen waer Doe TYTUS die trompen hoerde wapende hi hem ende dede die sijn ter wapen gaen. Ende hy seluer deerste die op clam. Ende hi vernam dat die vloghen ten binnensten tempel waert. Mer die valsche IAN ende SIMON stonden daer metten haren in groter gramscap So dat op die tijt binnen seer geuochten wort Mer die ROMEYNEN die in quamen pijnden hem den tempel te winnen Mer die IODEN weder stopdense starckelijc Ende dedense weder afterwaert fieren tot ANTHONIA Dat scut en mocht daer niet veel helpen daer om vochten si al mit zwaerden. Men mocht hier niet wel onderscheyden welc deen op dander partye was dye straten waren daer soe nauwe dat daer nyemant ontulien en mocht Mer wye voer was hi most daer doot bliuen of die weer behouden Want die daer after aen quamen benament dat deerste niet keren en mochten Dus streden si vander middernacht totten middaghe toe met groter cracht an beyden siden. Hier en wonnen dye ROMEYNEN niet veel Mer het dochte hem wel ghewonnen wesen dat si ANTHONIA den besten toorn ende die beste veste ghewonnen hadden aldus op die van binnen inden toren ANTHONIA stont Neffen TYTUS side een prin die hiet BYOKAEN Ende hi sach dat die ROMEYNEN afterwaert toghen ende hi was des droeuich nv moechdi van hem wouden horen hoe hi spranc in die betaelgie mit cracht ende brac dore totten IODEN ende iaechtse alleen afterwaert ende hy sloecher menich doot Want niemant en mochten wederstaen Soe dats TYTUS groot wonder hadde Mer hy bleef daer met ongheualle doot dat gheen man scuwen en mach Want hi gleet ende viel daer ende daer sloeghen die IODEN doot [ ] Hoe TYTUS noch den volc pays boot bi IOSEPHUS rade [ ] Cap. liiij [T]JTUS beualt fondament van ANTHONIA te breken ende die muer te slechten om dat hi een straet maken woude dat alt heer sonder commer binnen comen mocht Ende TITUS dede IOSEPHUS ropen want hi verhoerde dattet volck van binnen droeuich was om een feeste die op dien dach was dat sijse niet voldoen en souden Ende hiet IOSEPHUM an IAN ropen waert dat hi striden woude dat hijse mit hem naem dye hi hebben mochte men soude hem strijt leueren op dat hi alle die stat ende den tempel niet meer en onteerde als hi ghedaen hadde Want tis

97 quaet teghen gode te striden Oeck gaf hem TYTUS oerlof te voldoen die feesten die achter bleuen waren op dat hi woude JOSEPHUS riep dyt lude ten volke wert binnen in HEBRAYSCHER talen Ende bat hem dat si hem ontfermen lieten haers selfs ende des tempels. Want den brant was den tempel bi. Ende hi badt hem dat sijt doch deden om goods wille ende ontfinghen sinen dienst noch Dat ghemeen volc dat sinen wille gaern hadde dat was droeue ende zweech Mer die valsche tyran JAN dreychde IOSEPHUM seer ende vloecten ende seide Dat hi hem niet en ontsaghe dat hy den tempel ymmer verliesen soude Doe antwoerde hem IOSEPHUS noch meer Du heues godt wel suuer ghehouden Ende du en hebtste hem niet misdaen daer du so grote hope op hebste Mer name hy dy dijn daghelicse spise dien du nv sinen dienst benomen hebste Jc waent di wel qualiken becomen mocht in dijn harte. waenstu dat hi dy helpen sal dien du so grotelijc verbolghen hebste Du sietste die ROMEINEN onse wet bescermen ende hieten di die vier te houden soet ons beuolen is hem die welc dijn vianden sijn mit recht en vernoit hem des niet al bistu seluer so quaet ende valsch dattu daer nyet op en mickes. want si souden gaern dijn quaetheyt beteren Ende hier bistu quader dan yemant is van hemluden JAN ten is gheen scande datmen int eynde berouwenis van sonden heeft. Du seytste dattu dat lant behouden woutste Mer die coninck IECHONIAS die wilen heer van deser stat was hy ghaf hem op den coninck van BABILONIEN om dat hi dese stat niet en mocht sien breken noch destrueren Ende om dat hi dit dede so leuen noch sijn nacomelinghen ende sellen ewelijc dueren JAN merct doch ende siet op dese eer Want wilstu dit opgheuen Jc loue di dattu ghenade selste hebben Waenstu dat ic di verraden wil dat en sal ic nymmermeer doen al ben ic mitten ROMEYNEN gheuanghen Jc en sal dijns noch mijnre maghe daer icse weet nyet vergheten om gheen leet dat mi ouergaen mach Dan vloecstu mi ende vermaledijtste mi ende segste mi grote lelijcheit om dat ick hier bode an di bin Jeghen goods sentencie Merct ende denct dat die propheten voerseyt hebben dat god der IODEN quaetheyt wreken sel op dese stat. Want si seiden als deen IODE den anderen hier binnen vermoerden soude datmen dan dese stat verliesen soude ende destrueren. Nv merct ende verstaet dese woerden Want ghi en hebt niet alleen die IODEN v bruedere in deser stat vermoort. Mer ghi hebtse oec inden tempel vermoort. Ende god brenct hier dat vier mitten ROMEYNEN daer hy dese stat ende den tempel mede verderuen sal JOSEPHUS sprac seer al wenende so dat sijn suchten hem sijn spreken benam Soe dats den ROMEYNEN seer begonden te ontfermen Mer dye

98 quade IAN en achtet niet veel op Mer hy stont ende pijnde hem seer om IOSEPHUM te vanghen mer hi en mocht Ende veel edelre luden hilden hem an IOSEPHUS woerden ende ontuloghen hem onder den ROMEYNEN beide bisscopen ende bisscops kinder Ende TYTUS die keyser dede dese vluchtige wel ontfaen ende setse in een ander stat tot haren payse. Mer die moerdenaers dye in dye poert waren als si niet meer en saghen so daden si binnen die nyemaer gaen datse alle buten vermoert waren Om dat sijt volc versaghen wouden dattet ten ROMEYNEN waert niet vlien en soude Doe dit TYTUS vernam dede hi die vluchtighe weder comen ende setse bi IOSEPHUM op die muer daerse haer ghebuer ende haer vrienden sien mochten ende spreken Ende si baden JAN dat hy die ROMEYNEN ontfinghen op dat die stat staende mocht bliuen Ende of hi des niet doen en woude dat hi doch met sijnre pertyen wt den tempel toghe om goods wille ende gauen der clargien op want soen soudemens niet bernen Mer dese quade IAN en achte hier niet op een twinc wat hi sette opter muer vanden tempel scutters mit quarelen ende mangen dye hy daer op rechte Soe dat die vrijthoue wel bet schenen een put te wesen daermen dode lude grauen soude dan een vrijthof van sulcken tempel Ende den tempel scheen bet een casteel dan een monster goods Dese moerdenaren waren oec so fel dat si ghinghen ghewapent ende bestort van bloede in dier stat daer niemant gaen en most dan die bisscop ende die ouerste paep Mer die ROMEYNEN saghen den tempel an mit groter waerdicheyt ende met goods vresen aenbeden sien. Ende begheerden dat die IODEN om pays ghesproken hadden om datmen den tempel nyet en soude hebben ghedestrueert [ ] Hoemen die stat begonde tontsteken [ ] Ca lv [T]JTUS sprac selue dese valsche IAN an ende seyde. Segt valsche moerdenaer waer om verdoemstu di seluen ende besmetste dese heyghe stat. Bemuerde ghi luden den tempel omme segt hebdi vergheten wat uwe wet bescrijft So wat heyden den heylighen tempel besmetten of daer binnen quaem vorder dan die wet oerlofde dat hi daer om steruen moste Ende dit hadden wi v gheoerloft Ja al had een ROMEYN gheweest dat ghien sout hebben moeten doden Nv hebdi selue uwe lude som verslaghen inden tempel Ende so verhonghert dat si doot sijn ende ghi treet daer op inder heyliger stat Ende hebten seluer iammerlijc besmet dat nye die heyden en daden. Hier en binnen ontstaken die ROMEYNEN die stat Ende die IODEN worden so seer veruaert dat si doe niet langher

99 en wouden haer leuen sparen si en woudent auontueren Ende TYTUS quam die maer dat die ROMEYNEN die stat ontstaken Ende hi liep haestelijc ten tempel waert om den volc te verbieden dat sijs niet en ontstaken Ende die heren ende die scaren volchden den keyser na Ende die keyser riep al wenende datment vier vluschte Die ROMEYNEN en achten niet op sijn ghebot. want nyemant en hoerde wat hy riep. want tfolc was van toren al verwoet Ende al hoordet yemant hy gheliet of hijs niet en verstonde Ende si staken vaste tfier daer in [ ] Hoemen den tempel verbarnde Ende van den coninc [ ] Capitulum lvi [D]Je moerdernars dye daer binnen waren saghen nv wel dattet gheen ontgaan en was Ende datter gheen ander weer en was dan den doot. want daer was den tempel dus ghewonnen. Dye ROMEYNEN sloeghense alle doot die hem teghen quamen soe dat dat bloet alle die trappen vanden tempel neder ran ghelijc water alst reghen. Ende wye dat mocht hi ontscoet. want dye IODEN lyepen nederwaert verstroeyt hier ende daer TYTUS sach dat sijn volc al verwoet was so dattet niet en dyde wat hi dede of gheboet want tfier wies so lanc soe meer TYTUS was inden cameren ende inden tresoren die beneden al om ende om gemaect waren inden tempel Ende hy ghinc met sinen princen binnen inden monster Ende daer sach hi ende vant alte grote cierheyt Ende doe had hijs alte grote ontfermicheyt dat hi verbarnen moste Ende beual sinen ridderen al dat hi mocht dat si den brant vten deden eer hi den dueren tempel naerre quaem Want TYTUS dochte dat den brant den tempel noch soe na niet ghecomen en was men had dat monster wel moghen beschermen Mer wat dat TYTUS beual ten dyde niet Want die ridders hateden die IODEN also seer dat sijt al wouden verbarnen Sonderlinge oec om dat si daer groten roef waenden te vinden als si daden Want die doren vanden tempel waren al met goude overdeckt Want een vanden ridders die TYTUS na volchde inden tempel hi bracht al heymelijc enen brant ende ontstac die doren ende die hernen so dat TYTUS daer wt gaen most met groter gramscap als hi sach dat den tempel ontsteken was. Ende men verboet op dien dach dat nyemant dat van allen voertmeer aen en staeck Men hout dat die ROMEYNEN den tempel destrueerden ende verbarnden ende die stat oec inder seluer maent datten die coninc NABUGODONOSOR van BABILONIEN hier voertijts destrueerde ende tot dien seluen tiden datten SALOMON begonde te maken Ende van dier tijt dat

100 SALOMON den tempel eerst maecte tot datten die ROMEYNEN destrueerden Dat was in VESPASIAENS des keysers ander iaer waren gheleden xv hondert ende xxx ende xv daghen Die ROMEYNEN en spaerden nyemant si sloeghent al mannen wiuen ende kinder ende so wat dat elc vant ende coes dat was sijn ende dat roefde hi ende droecht wt daer hi woude Men hoerde harde verre tgherucht ende gheroep van den brande Ende die binnen dier stat wel na doot waren van hongher doe si dat gheroep hoerden saghen si op ende ghinghen van eerst claghen ende wenen. Die berghen die al om ende om den tempel stonden dochten hem ter neder vallen. Den berch daer den tempel op stont des ghelijcs Ende vanden groten gherucht datter was doe den tempel barnde van dien anxt storuen meer luden dan sijre doot sloeghen so groot was daren anxt. Ende doe den tempel dus gewonnen was so ontdroegen die moerdenars veel haer lijf die desen moort meest toe brochten Ende si vloeghen inder poort dit was die valsche IAN ende sijn pertye Ende die ROMEYNEN ontstakent al dat onder den tempel stont Ende hier bleuen bi na al die paepen vander IOETSCHER wet doot die ROMEYNEN braken poorten ende poortalen ende daer der IODEN scat binnen lach dat sloeghen si al ontwee Daer waren oec op een poortael gheuloghen om haer lijf tontdraghen man ende wijf ende kinder wel vi dusent Mer die ridders ontstaken al van gramscappen dat van dien niemant en ontghinc hi en verbarnde. Dat dese hier dus doot bleuen dat dede een valsch propheet dyet tfolc ten tempel waert gaen hiet Ende seyde dat god daer teyken doen soude daer mede verlossen soude. Want die tyrannen die binnen waren maecten valsche propheten die den volcke dus souden hieten bliuen om dat hi hem niet ontlopen en souden ten ROMEYNEN waert Ende hier om most hem dit aldus gheschien Men sach alle dat iaer bouen dier stede een sterre staen ghemaect als een swaert Ende hier om waren die wise luden in groten vaer Men sach oec alt iaer die comete dats die sterre die grote plaghe beteykent ende heeft enen staert. Opten paesdach hier voer die doe lach opten achten dach van aprille soe wort omtrent der myddernacht alom ende om den tempel ende den outaer so claer ende soe licht alst ye op dach was Dit hielden die sotte ouer goede teyken Mer die die scriften verstonden ende daer of vroet waren dien en dochtet niet goet Op desen seluen paesdach gheuielt dat men een veerze leide ten offer ende onder des paepen handen diese offeren soude soe kalftze een lam Ende des had allen menschen wonder Die oostpoort die anden tempel stont ende die de blade diemen looc groot had ende zwaer om datse alle metalen waren so datse xx man plaghen te

101 luken die ghinck bi haer seluen op omtrent middernacht so datse gheen slot beletten en mocht datter an was Men sach oec inden meye nae dien paesdach groot wonder bouen der stat tsauonts eer die sonne onder ghinc want men sach yseren waghen seer vlieghen Ende grote ghewapende betaelgien doen teghen dander trecken Opten pinxter dach doemen voer dese stat lach worden die poorten vander stat te midnacht ende vanden binnensten tempel oec ondaen. Mer daer te voren hoortmen opter vloet vanden tempel binnen een gherucht dat wech voer. Ende daer nae hoerdense dyt gheluyt aldus scheyden wi heren van deser steede nochtant waren die teyken meer tontsien diemen voer ghesien hadde [ ] Van IHESUS gheroep [ ] Ca lvij [L]Anghe tijt eer dyt oerloghe begonde so was eens poorters soen die IHESUS hiete Ende die in ghene clergie en conste. Ende hi was tot eenre feeste in IHERUSALEM daer die meeste ende edelste van alle den IODEN vergadert waren Ende hi began aldus inden tempel te roepen met eyscheliken gherucht Gherucht van oesten ende van westen Gherucht van vier wijnden des hemels Gherucht op IERUSALEM ende op den tempel. Gherucht op mannen ende wiuen. Gherucht op alt voclk ende in elke strate ende in elker steede. Deese woerden riep hi nacht ende dach Ende men sloech hem iammerlijc daer om. Mer hy riep altoes die woerden Hier om vinghen dye IODEN ende leyden voerden rechter van ROMEN dien die keyser dear gheset hadde ende daer sloechmen seer mer hi een weender niet om noch hi en badt niet. Mer hi riep vast wee wee op IHERUSALEM Die rechter vraechde hem wie hi waer Mer hy en antwoorde hem niet te mael daer op [ ] Soe dat dye rechter doe seyde dat hy wt sinen sinne waer Mer tot dyer tijt toe datten strijt van ROMEN begonde op der IODEN lant so riep dese man altoes wee wee IHERUSALEM der stede Ende so watmen hem noch dede of hoe zeer datmen sloech hi en sprac anders niet noch hy en vloecte noch hi en achtes niet Mer so wye hem teten gaf of broot gaf hy en antwoerde hem anders niet dan dat hy hem een droeuich ghelaet toende Mer op die hoghe daghen soe plach hi dit alre meest te roepen. Want aldus riep hi seuen iaer lanc ende vijf maenden Hi en wort binnen dier tijt nye te vreden noch moede dus te roepen voer der tijt dat IHERUSALEM dus belegen was ende hi seluer op dye muer liep ende riep Wach der stat ende den tempel Ende doe quam van buyten een steen wt enen engiene ende werpen doot Dus

102 liet hi sijn roepen mit sinen leuen [ ] Waer mede die IODEN bedroghen worden [ ] Cap. Iviij [O]P datter yemant waer die weldoen woude ende mercken. Hi vonde altoes gode ende god soude hem laten weten Ende doen verstaen waer mede dat dat arm volc meest bescut wort Mer die IODEN en achten op gheen weldaet niet tot deser tijt want si worden bedroghen mit eenre prophecien die si bescreuen vonden in enen heylighen boec daer si dus in lasen dat een man wt haren lande heer soude wesen bouen alder werelt alsmen die heilighe stat van IHERUSALEM destrueren soude Ende si waenden dat dese man een IODE wesen soude Mer het bedude dat VESPASIAEN in haer lant keyser gecoren wort ende ghemaect doe hi in IUDEA lach met sinen heer soet hem IOSEPHUS voerseyt hadde Die prophecie wort voldaen op den dach dat VESPASIAEN ghecoren wort keyser te wesen. want nyemant en mach scuwen dat hem te geschien is al mach hijt voersien ende voerweten. want ten is gheen man so wijs int lant noch in steden die hem wachten mach teghen die saeken dye hem ghescien moeten. Ende aldus wort den tempel ghedestrueert na die dat die moerdenaers vten tempel inder stat gheuloghen waren Doe setten die ROMEYNEN menighen banier daer omtrent den tempel ende riepen lude ende openbaer dat daer was TYTUS die keyser. Binnen der stat soe wort ghemeenlic roef. want den tempel vuas alte rijc van goede Mer die tyranne die inder stat gheuloghen waren Si saghen vuel datsi nerghent ontgaen en mochten Ende si ontboden TITUM dat si hem gaern spreken souden Ende dat si hem om sine goedertierenheit baden dat hi die stat behouden woude Ende TYTUS hoerde segghen dat ende vuestzide vanden tempel een stat was daermen ter poortwert in spreken mocht Ende hi ghinc staen naest der poort. Ende daer ghinc een brug tusschen den tempel ende der stat Ende daer stonden TYTUS baroenen bi hem Ende in beiden ziden stont menich man Ende die IODEN stonden omtrent SYMON ende IAN dye doe garen ghenade ontfanghen hadden Ende die ROMEYNEN quamen te besien hoe si die IODEN ontfaen souden Ende si maecten daer een gheswijch om pays te maken [ ] TYTUS woerden totten IODEN ende hoe si weder scyeden [ ] Cap lix [G]Hi heren die inder stat sijt sidi noch niet sat van uwen oerloghen ende van uwen ongheualle. waer om mercti niet uwe crancheyt ende

103 onse moghentheyt Ende ghi verderft vwe stat ende v volc Ende den tempel hebdi dus doen destrueren. want van dier tijt dat v POMPEYUS dwanc soe hebdi altoes teghen ons ghesteken Mer ghi wort altoes weder cranc ende mat Quam v dit van uwer moghentheit Merct wat volc wast dat ons ye dwanc waendi ons dwinghen wat lude soude v helpen ende ons laten Troesti v op uwe macht Haddi op uwes selues vordel yet ghemiet so soudi die van ROMEN hebben onderdaen gheweest. want si sijn v te machtich. Ende troesti v op uwe mueren ende op uwe diepe vesten Ghi sout ghedocht hebben opt GROTE BURTAENGIEN dat vesten groot ende wijt heeft bouen allen landen ende aldat lant omgaen Nochtant sijn si onder die van ROMEN waerdy oec stut ende vroet So soudi ghepeinst hebben om SPAENGEN ende AFFRIKE hoe stout ende coen dat volc is Mer ic weet wel dat v anders niet en heeft doen steken teghent rijc van ROMEN dan dat wi te goedertieren waren. want wi volchden uwen wille te seer. wi gauen v tlant ende coninghen wt uwen lande gheboren ende daer toe uwe wet niet v luden alleen die in dit lant wonen Mer oec alden IODEN al aertrijc doer waer si woenden dat si uwe wet ghebruken mochten also ghise ontfaen hebt. Behoudelijc dies dat gi ons onder cleynen seyns onderdaen wesen sout Mer om dat ghi ghelijc serpenten sijt so mindi die gene die op v striden Mer het mach schien so peinsdi om NERONS rokeloesheden ende daer op verlieti v ende worter bouaerdich op. Hi seynde hier int lant minen vader niet dat hy v destrueren soude mer om pays met v te maken ende uwe dinghen ten besten te keren want had hy hier gecomen om tlant ende tfolc te bederuen so soude hi eerst voer derse stat geuallen hebben om te destrueren mer om v vrese te geuen bestont hi eerst GALILEA om uwe ouerdaet te wreken mer myn vaders goedertierenheyt maecte v quaet ende fel Ende doe NERO doot was ende dat rijc van ROMEN an minen vader ende an my quam daer al die werelt om verblide soe ghereydi v om striden Hier en binnen vochti onderlinghe dat bouen reden ende recht was Ja so dorperlijc mit groten scanden dye ghi wel waerdich sijt Daer nae nochtan ontfenc ick te ghenaden die van v luden tot ons gheuloghen quamen Hier en bouen nochtan hoe dicke ic v verwan ic boet v nochtant pays ende vrede altoes Ende ghi hebt oec den tempel ontsteken ende nv wildi ghi quade tyranne spreken teghen mi wes sydy nv waerdich na al dit gheual nochtant stadi tot int eynde houaerdeliken ghewapent Ay quade katiue Jc sweer v dat ghi mi in gheenre wijs ontlopen en selt Ghi die so veel heyden ende IODEN vermoert hebt als quade honden Mer laet den tempel tsel v baten Want daer en sel gheen

104 ROMEYN in comen hi en sellen behouden al waert oeck dat gijs niet en wilt Mer dese vermaledide IODEN waenden dat TYTUS noch in vresen was ende worden weder houaerdich ten stride Ende TITUS sach wel dat dit ongheuallighe volc noch niet en achte opten tempel noch op haer lijf Ende hi began anderwerf op hem te striden ende beual dat men tsnachts sciltwachte doen soude Ende hi wapende hem seluen ende woude mede vechten Mer sijn lude verbodent hem om dat bi nacht den strijt vreselijc was Want dye ROMEYNEN en wouden niet slapen mer altoes bereet wesen ter weer ende si streden mit groten wille Ende die ROMEYNEN riepen haer gheselschap ende si wiesschen ende ghinghen te stride wijsselic ende decten hem mit haren scilden Die IODEN quamen oec an lopende ende si sloeghen deen opten andere ten daghe toe dat si sien mochten Want nachts en mochten si malcander nyet onderkennen Op desen dach waren die ROMEYNEN veel te vromer inden strijt want elc vacht om eer Ende die IODEN vochten daer oec starckelijc om haer leuen te verweren Want die moertdadighe IAN stont seluer ende iaechde die IODEN ten stride waert Mer te teroy tide vanden daghe so streden beyde die pertyen Ende nyemant en was vanden anderen verdreuen Nochtant deden si menich swaer ontmoet onderlinghe [ ] Hoe die IODEN den heylighen tempel eerst ontstaken [ ] Capitulum lx [O]P desen seluen dach demen al ter neder van onder dat fondament van den toren ANTHONIA ende de muer daer omtrent oec. Ende men maecte daer een brede straet ten tempel waert daer die IODEN noch bouen laghen nochtant haelden sijt hout ses stadien verre Ende si pijnden hem seer den tempel bouen te winnen Ende die IODEN die bouen laghen hadden grote ghebreke Mer si visierden ene scalcheyt hoe si op die ROMEYNEN enighe vitalie winnen mochte. Ende si toghen op een scaer vanden ROMEYNEN die si sonder hoede waenden gheuonden hebben. Ende daer op deden si enen loop Mer dye ROMEYNEN wordens ghewaer ende wederstonden die IODEN starckelijc si vochten seer an beiden siden deen om noot dander om eer Ende daer ghesciede dit wonder aldus. Daer was een ROEMSCH ridder die PYRDANIUS hiet Ende doe die IODEN achter toghen ouer noot so noepte hi sijn goede ros mit sporen ende boech hem so bider aerden dat hi een ionghelinc venc enen IODE die vloe want hi grepen onder biden voeten ende senden den keyser TYTUS gheuanghen ende hem verwonderde seer van sinen cracht

105 want hi vacht altoes TYTUS vraechde desen ionghelinc hoe hi den tempel winnen soude ende die IODEN waren seer ghepijnt want hem ducht dat een voortael vanden tempel daer si laghen te na den toorn ANTHONIA stont Ende doe ontstaken sijt ende barndent ande noertwestezyde. ende brakent al ende voldent. Ende aldus waren si deerste die den tempel braken ende ontstaken Ende altoes was omtrent den tempel groot gheuecht Tot dier tijt so was onder den IODEN een man een IODE die IONATHAS hiete ende sprac anden ROMEYNEN yet stoutelic of yemant onder hem luden waer die teghen hem enen camp dorste vechten Des hadden die ROMEYNEN groet onwaerde mer hi verspracse ende seide dat si blode waren ende veruaert Mer dit verhoerde een ROMEYN ende balchs hem seer Ende nam den camp teghen hem an Mer die auontuer viel hem teghen Want IONATHAS sloechen doot ende ghincker bouen op staen ende seyde ouerdadighe woerde Ende dat ontgout hi thant want een ROMEYN scoten doer ende hi stort neder ende starf ende dus wort sijn moertdaet ghewroken Die moerders die den tempel hilden si rusten selden van gheuecht want het stonter hem toe. Ende si visierden noch dese moert an die westzide stont enen toorn hoech doert poertael vanden tempel ende daer droeghe si dracht onder van hout Ende worpen daer in harsche ende sulphur [ ] Ende doe toghen si achterwaert van daen als of si amachtich geweest hadden Ende veel sotten vter ROEMSCHER scaren toghen op dyt portael ende clommer op met lederen. Mer dit docht som vanden ROMEYNEN quaet wesen Ende die IODEN vernamen datttet poortael vol was vanden ROMEYNEN Ende si stakent vuer int hout ende thant onstacket dat poortael of Ende aldus waren die ROMEYNEN inden brant aldaer beuaen met der IODEN quade treken so dat si daer niet wt vlien en mochten Als TYTUS dit vernam so was hi droeuich mer hi en mochts niet beteren want hier mede bleuen si welna al doot die opt poortael waren Ende die IODEN braken hier nae tportael altemael Met dustanighen treken so worden dye ROMEYNEN teghen der IODEN valscheyt meer behoet want si hem voertmeer alte nauwe wachten [ ] Hier na ontstaken die ROMEYNEN van gramscappen een poortael an die noortzide al om ende om den tempel wort dustanighen moort ghedaen Nv moechdi horen een luttel hoe grote die honger in die poorte was want nie man en hoerde des ghelijc want men vacht binnen menighen strijt om spise want omt eten was menich geuecht. want die moerdenaers ondecten dye dode lude ende sochten haer riemen ende scuwen om te eten Ende si aten dat raeu leer van hongher dat op haer scilde gedect was nochtant suldy hier meerre

106 wonder horen [ ] Vanden wiue die haer kint at [ ] Capitulum lxi [B]Jnnen was een rijc wijf die van ouer die IORDAEN gheboren was ende hiete MARIA Ende si quam met den anderen volc binnen IHERUSALEM Doe si derwert vloghen soe dat si met den anderen beleghen was Met al haer goet dat si mit haer bracht binnen IHERUSALEM hadden haer die rouers ghenomen Hier toe quamen die rouers alle daghe ende namen haer al dat si teten hadde Dese vrouwe verdroech dit qualiken ende vloecte die rouers seer om dat si gaerne sien hadde dat sise dootslaghen hadden ende haer. haer pijn ghecort Mer daer toe en conde sise nyet ghebrenghen Ende dese vrouwe wort in so groter droefheyt beuaen ende in wanhopen om datmen haer haer goet so reyn ontnam dat haer niet en bleef Ende om dat haer die hongher soe seer wiesch wort si teghen naturen gram ende bitter van moede Ende si nam haer sukende kint ende sprac hem aldus toe Verdoemt kijnt bistu dynre vermaledider moeder Wien sal ic di ophouden ende voeden in desen ghebreke Sal ic di voeden ter ROMEYNEN behoef Want behiltstu tlijf du waerste arm ende geheuanghen. Hier om salt iammerlijc met di vergaen Want water of comen mach ic sal di in desen hongher eten Nochtant sellen dese moorders quader blyuen dan ic ende ghi want du selste mijn spise wesen Ende die moorders sellender toornich om worden Ende men sel hier of langhe ende verre vertellen Want dustanich dinc en is nie gheuallen onder den IODEN Dit sprac si ende sloech haer kint doot ende soutet som ende brietet som. Mer si decte deen helft ende verwaerdet Ende die moerdenaers ende rouers gheroken dat vleysch ende braken in haer huus myt cracht ende dreychdese doot te slaen si en brochte die spise ende dat vleysch voert Si antwoerde ic heb een groot deel der spise voer v ghehouden Ende si hief dat decsel op daer haer kindekijns lede onder ghedect waren Ende alle die rouers worden doe beuaen mit soe groten vaer dat si niet spreken en conden doe si des kints lede saghen Ende doe seyde dit wijf hoe ghebaerdi dus Jc hebber eerst of ghegheten Ende daer om en weest niet ontfermygher dan ic die de moeder daer of ben ende neemt dit dat mi ghebleuen is Die rouers ghinghen al beuende van haer van anxt ende lieten haer tkijnt houden die maer ginc hier alle die stat doer ende oec soe verre dat sy buten onder den ROMEYNEN quam Mer veel luden en woudens niet ghelouen ende hildent ouer spot. Sulck haddens ontfermenis. Ende som hatense

107 daer om al die stat doer TYTUS claechde dyt onsen heer ende toende dat hy hem dicke den pays gheboden hadde Ende had hem garen vergheuen alle misdaet ende alle scout. Mer si waren binnen so quaet dat si lieuer strijt hadden dan vrede ende hongher dan weelde Ende om dat si dus den tempel ontstaken mit haren handen ende so quade moortdaet binnen daden soe waren si waerdich sulcke spise teten mer hi peynsde hi sout wreken so seer dat hijt lant ende stat destrueren soude hier om So dat die stat nymmermeer man heel sien en soude staen Daer een wijf dus iammerlijc haer kint ghedoet ende verteert hadde Hier om claechde TYTUS iammerlijc te gode waert Opten xviijsten dach van oestmaent wort met groter cracht die dracht voldraghen ande westzide vanden tempel ende si rechten opter dracht den starcken ram daer si viij daghen mede staken ande muer dat si niet en wonnen so starck ende vast was die muer Mer doe gingen si die noortpoerte hem tondergaen mer ten vroemde hem niet Want wat si daer an deden en dyde niet Ende vonden sijt [-het] in haren raet dat si daer lederen an rechten Mer doe die ROMEYNEN op clommen so versloeghenre die IODEN so veel dattet ongeloeflic was Ende hier om wort TITUS seer tongemake ende hiet die poort ontsteken Doe quamen twe van dien die ouerdadichte mannen die SIMON onder hem hadden gheuloeghen tot TYTUM om ghenade Mer hi hadse doen ontbinden sonder dat hi hem niet versweren en woude want si waren harde quaet Die ridders droghen starckelijc vier ende ghinghen die poorten ontsteken Ende die IODEN en mochtent nerghent ontkeren Ende suluer daert goude mede beslagen was begonde smouten ende dat hout ontstac daer mede. Ende doe die IODEN den brant sagen so faelgierde hem therte want si en hadden gene hulpe daer teghen nochtant droefden si om niet want si peynsden also langhe alst yet stont si soudent houden Mer den brant wiesech seer nacht ende dach [ ] Hoe den groten tempel ontsteken wort [ ] Cap. lxij [T]JTUS boet ten naesten daghe om dat syn heer den wech maken wouden om den groten brant te blusschen. Ende doe nam hy raet mitten vroetsten van sinen rade wat hy best doen mocht mitten tempel Sulcke seyden het waer best datmen brake. want bleue hy staende die IODEN soudenre hem op verlaten Ende weder beghinnen te striden op een nuwe want al werden si alle gheuanghen Si souden naemaels ten tempel waert wederkeren want het scheen bet een casteel dan een

108 tempel goods. Ende hier om is hi best gheuellet altemael. TYTUS antwoerde dat hi so schonen eerliken ende starcken werc nymmermeer en brake om dattet den ROEMSCHEN RIJC grote eer waer datter sulcken werc binnen stonde Men maecte vast anden tempel die straten ende die IODEN laghen stille van vaer ende van anxten lietense hem maken mer ten naesten daghe quamen wt der poorten lopen die open stont die IODEN Ende die ROMEYNEN ontfenghense felliken Dyt versach TYTUS van ATHONIA ende quam toe varende met een scaren ten strijde soe dat die IODEN in een side achterwaert keerden van node in donderste poort Ende daer worter veel doot geslaghen Ende TYTUS keerde weder in ANTHONIA ende besette sander daechs alden tempel soe verdoemt dat hien verbernen dede so ghi thant horen selt want soe men voer leest inder CONINGHEN BOEC so wort den tempel die SALOMON maecte eens verbarnt van NABUGODONOSOR den coninc van BABILONIEN opten elften dach van oest Nv seldi horen hoe ghi weder gedestrueert wort Die IODEN bestonden weder die ROMEYNEN diet vier bluschten vanden poortalen ende vanden vrijthoue mit groten gheuecht Mer die IODEN waren seer in vaer ende keerden weder achter inden tempel Mer hier toe so quam een ridder ghesteken soet god woude ende gaf hem therte dit te doen Want hi hief sijn gheselle op die neffen hem ande muer vanden tempel stont Ende die nam enen barnenden brant sonder yemants beuelen ende scoten tot enen veynster in dat van finen goude was ende inder noortzide stont ende den tempel ontstac hier mede so dat die IODEN hier wt vlien mosten Mer daer bleeffer veel verbarnt ende verslaghen Ende doe die moerdenaers ende die rouers saghen dat si verwonnen bliuen mosten Soe riepen si om ghenade an TYTUM die hem garen ghenade ghedaen hadde ende seyde Gi quade tyranne v lijf ende v stat dat staet nv al in mynen handen Daer om doet wt v harnasch Jck gheue v weder v lijf nochtant en hebdijs nyet verdient [ ] Hoe TYTUS een ridder sijn ridderscap nam [ ] Cap. lxiij [D]Je rouers antwoerden dat si gheen trouwe noch sekerheit ontfaen en mochten. Want si hadden ghesworen dat sijse vanden ROMEYNEN niet ontfaen en sonden. Mer waert dat hijse woude laten gaen met al hare meysnyeden si wouden trecken in een wildernisse ende hem die stat opgheuen altemael Als TYTUS dit verhoerde so wort hy harde gram ende riep an hem dat si nymmermeer so koen en waren dat si ghenade an hem sochten Want hi en soudese hem nymmermeer doen Des so

109 verweerden si hem ende streden Ende dit dede hem TYTUS te lede Want hi beual sinen ridders dat si voert an vaste streden Ende die waren des harde blide hi beual hem oec die poort te verbarnen ende te rouen ende si dedent vaste Want al dat si vonden buten vesten verbarnden si Ende die moerdenaers die weerden hem seer Ende toghen ter conincliker salen waert want die vander poort hadden haer goet daer in gheleit ende geulucht want dien zael was groot ende starc Mer die ROMEYNEN veriaechdense van daer. Ende sloeghen der IODEN doot wel viij dusent van die si daer in vonden ende cccc Ende si roefden alt goet dat si daer in vonden gheulucht Die rouers vinghen hier twee roemsche ridders ende den enen ghinghen si slepen ende den anderen hadden si sijn handen after hem ghebonden Ende si ghinghen leiden om te onthoefden daer theer van ROMEN an sien soude Mer doe die IODE die hem thoeft of slaen soude sijn swaert wt toech soe ontliep hem dye ROMEYN ende TYTUS ontfincken ende nam hem sijn ridderscap ende sijn teyken Ende doe stac hy hem wt sinen heer om dat hi hem leuende had laten vanghen Ende dit was veel scandeliker enen man ende al sijn vrienden datmen hem sijn riddersccap nam datmen iammerlijc ontlijft hadde. Hoe die binnenste stede ghewonnen wort Ca lxiiij OP een anderen dach hier na wonnen die ROMEYENEN die nederste poort ende verbarndese altemael Die moorders waren des blide ende maecten groot gherucht want die ROMEYNEN en vonden daer gheen goet. want die dieuen haddent al bouen ghedraghen in dye ouerste stat daer die stede alre vaste was Ende si seyden oec wi sijn harde blide dat wy niet laten en sellen te ROMEN waert te voeren na onser doot Mer wien die ROMEYNEN vinghen dien sloeghen si doot sonder ghenade nochtan gauen hem die IODEN op met groten scaren[.] want si hadden lieuer te steruen wat doot dat men woude dan alsoe te verderuen van hongher Ende die tyrannen verlieten hem op een dinc Mer dat was tot haren lede dat was dat si in putten ende in haghedochten hem so wel te onthouden datmense niet en soude moghen vinden Ende dat si hem daer in wel souden onthouden thent dat ROEMSCHE heer wech waer. Ende dat si dan gaen souden waer sy wouden. Mer twas te peynsen als een droeme. Want si en souden gode noch den ROEMSCHEN heren niet ontgaen moghen [ ] Ende hier om binnen maecten si bynnen holen ende deden inder stat meerre scade mytten brande dan die ROMEINEN deden want die den

110 brande onulien mochten quamen in haer hole mit hem Mer si dedense hem altoes ontsien ende onderdaen wesen Ende si vochten binnen om den roef TYTUS sach ende merckte datmen thoechste van der stat niet winnen en mocht si en droghen dracht van buyten soe hoghe Dat si teghen die ghene die daer op waren striden mochten te voet effen staende daer om dede hi die drachte soe hoge draghen nochtant soe most hijt hout ouer hondert stadien halen Doe begonden hem die van YDUMEA die van SIMONS pertye waren tontsien om dat si wel saghen datter gheen ontgaen en was. Ende si senden an TYTUM om ghenade Ende TYTUS was saen beraden dat hijt hem garen dede want hi hoepte noch dat diequade tyranne die binnen waren hem oec noch op gheuen souden van vare si ende hare manne Ende die si tot TYTUS wouden gaen so vernamt SYMON Ende hi dede te hant doden die wiue die daer boden of waren Ende dede die heren van desen ghescap vaen ende tander volc dede bi nauwe wachten dat si niet wtulien en souden nochtant ontlieper hem veel Ende die ROMEYNEN namense goedertierlijc op van groter goedertierenheit ende ontfermicheit dye TYTUS in hem hadde Nv hadt hijt al vergheten dat hi te voren gheseit hadde. Ende dat hi beuolen had dat hi nyemant sparen en soude Ende die ROMEYNEN die worden oec sat volc te slaen ende si vercoftent. want vter stat waren wel comen lopen xl dusent volcx. Ende dat liet die keyser al leuende wech lopen ende gaen Men liet oeck die papen verdinghen dye vter stat ghecomen waren om goet ende cierheit dat si met hem gebrocht hadden van iuwelen dye den tempel toe hoerden alsoet scheen beide om gout ende preciose steen ende schoen duerbaer vaten die si veel mit hem brochten Daer wort een paep gheuanghen hiet PHINEES die tresorier inden tempel gheweest hadde Ende die verdingde oec sijn lijf om gout dat hi den keyser gaf Die ROMEYNEN droghen xviij daghe eer sy die dracht voldroghen. Ende inder wedemaent opten seuenden dach wert den ram gherecht tegen die muer Als dat die dieue saghen liepen si wech vander muer in haghedochten in holen ende in cisternen Oec bleuender som IODEN opter muer die vochten. Mer die ROMEYNEN wonnent al want si hadden die beste auontuer ende si waren blyde ende sat. Mer die IODEN waren van hongher verdoruen ende amachtich Ende die ROMEYNEN braken dus die muer ende streecken binnen Nv worden die tyrannen so vermaert die te voren so stout waren dat si niet en wisten wat aen gaen. Mer si hadden nv dat herte verloren. Doe peynsden die tyrannen si souden tuolc houden vechtende teghen die ROMEYNEN. Ende dat si daer en binnen ontuaren souden mer dit en consten si niet gedoen want dat

111 volc dat vloech al elc sijns weechs daer hy mochte ontgaen. Ende hier en binnen quam nyemaer dat ouer die westzide vander poort die mueren met allen gheuallen waren Ende dat die ROMEYNEN die stat beleyt hadden Ander seyden dat si die ROMEYNEN inden toorn saghen so hem dochte. Dus so worden die IODEN alle in so groten vaer dat si niet en wiste waer vlien Ende hier an mochtemen mercken goods gherechte vonnesse op die IODEN [ ] Hoe die IODEN die toornen ruymden ende hoemense doot sloech. Ca lxv [D]Oe ruymden die IODEN die toornen Die so starc waren datse alle die werelt nyet en hadde moghen winnen sonder met hongher alleen Ende dat waren PHACELUS ende YPYCOS Want men en had nymmermeer engien moghen maken daermense mede ghewonnen hadde. Dye IODEN vloghen nv hier nv daer ende ontscolen in cleynen cameren in priueyten ende in duwieren waer dat si hem berghen mochten Aldus wonnen die ROMEYNEN al die stat Ende staken haer bannieren wt ten toornen ende waren harde blide Mer inden striden en hilden si nyemant op. want si sloeghent al doot dat si vonden Mer also hem yemant inden husen ontscoet so staken si den brant daer in ende verbardense so Als die ROMEINEN die husen op braken om roef te halen die besloten waren so vonden si die husen vol doder luden legghen die van hongher doot waren ende vermoert vanden rouers dan ghinghen si wech seer veruaert Nochtant en ontfermdes hem niet so seer si en sloeghent al doot dat si vonden beyde wiue ende manne ende kinder Ende vanden doden was daer alte groten stanc Alst nacht was so lieten die ROMEYNEN haer slaen Mer dan soe wies den brant alte seer men verbarnde dus IHERUSALEM opten achten dach van speelmaent [ ] Tghetal vanden volc dat binnen IHERUSALEM beleghen was [ ] Cap lxvi [D]En IODEN en wort nye soe veel eren gedaen van ghenen heren noch van ghenen volcke Men dede hem nv wel so veel lasters ende scande Ende dit mochten si witen haren vianden van haers selfs luden Want die brachten dye IODEN hier toe Als TYTUS comen was ende besach dese toornen die die tyrannen ghelaten hadden ende haer mannen ende hi die duerheyt die starcheyt ende die subtijlheyt daer of ghemerct hadde so seyde hi Jc mercke dat god teghen den IODEN ghestreden heeft Want

112 god stacse wt desen toornen ende heefter ons volc binnen brocht want dese toornen en hadmen nymmermeer moghen winnen met cracht of met engiene Ende alle die TYTUS daer binnen gheuanghen vant die die quade SIMON hadde doen vanghen die vriede hi Ende om dat die ridders mede waren van bloede te storten ende te slaen Soe beual die keyser datmen nyemant meer een sloeghe men vonden ghewapent Of hi en woude vechten Ende die ROMEYNEN deden also Mer die oude ende crancke sloghen si ende dander vinghen si doe beual TYTUS enen sinen vrient hietede FALCOEN dat hi elcken vanden vanghen sijn recht dede. Mer die valsche ZELOTEN wroechden deen den anderen van haren feyten Ende FALCOEN dede elken ionghelinc ontliuen nochtant warender alte schoen ionghelinghe Mer die hielt hy som dat mense besien soude ende vorense te ROMEN inder eer vanden zeghe TYTUS gaffer noch veel op dat si den doot verdient hadden datmen daer ouer rechten soude. Jnden tyden dat FALCOEN dus die IODEN verdede so bleeffer also ende oec van hongher doot wel xij dusent Ende in desen oerloghe warenre gheuanghen xxvij dusent. Jc waen dat nerghent alsulcken moort en gheuiel als in deser stat want doe die stat eerst beleghen wert so waren daer binnen vijfwerf hondert dusent man Want tfolc was van al IUDEA gecomen binnen IHERUSALEM ende vergadert tot haren paesschen om die feest aldaer te houden Ende doe worden si beleghen inder stat vanden ROMEYNEN daer dese grote moort of quam Niemant en hout voer logen dat ic nv seggen sel Want het gheuiel in NEROENS tiden datmen IODEN telde die in IHERUSALEM comen waren tot enen paesschen Ende men vanter daer xxiijc dusent met sekeren ghetael Want NERO en wouts niet gelouen dat des volcs so veel waer alsmen seide ende daer om dede hijse tellen alst vergadert was want in wat landen dat die IODEN woenden si wouden ter feeste varen in IHERUSALEM Om dat haer voeruaders te dien tiden wt EGIPTEN verlost worden want daer of ontfinc pascha sinen naem Ende nv so hadden dese op pascha dit ongheual Want si worden inder stat beleghen Hoe veel IODEN dat daer verslegen bleuen dat en heeft IOSEPHUS niet bescreuen. Hier na ghinghen die ROMEYNEN die IODEN soken in grauen holen in putten ende in cisternen ende in priueyten Ende alle die si vonden sloghense doot dus versloghenre dye ROMEYNEN wel ij dusent Die ROMEYNEN doersochtent al om ghiericheyt van goede winnen ende hoe vuyl die stede daer of vol stancx was die nochtant tsulker stede so groot was dats niemant ghelouen en soude Ende oec van groter ghiericheyt so ondersochten die holen die doden daer si groot goet ouer ende onder vonden Oec so

113 vonden si veel gheuanghen inden holen die die moerdenaers daer gheleyt hadden. Want die moerdenaers waren van binnen so quaet dat si totten eynde hare verderfnisse vochten ende moerden op haer volck Mer dit wrack god int eynde Want IAN wort gheuanghen wantmen vanten in een pryueyt bina van hongher amachtich Ende als hi niet vorder en mochte so bat hi den ROMEYNEN om genade des hi te voren cleinen wille hadde Ende cort hier na seldi horen hoe SIMON geuangen wort Want dese twe hilt men in die ewege vangenisse Hoe lang IHERUSALEM ghestaen hadde Cap lxvi IHERUSALEM wort aldus ghewonnen opten achten dach van speelmaent Daer nv ONSER VROUWEN DACH NATIUITAS op is. Ende hier voer was IHERUSALEM noch vijfweruen ghewonnen want na dat die IODEN IHERUSALEM gesticht hadden dat NABUGODONOSOR destrueerde So want ASOTOS die coninc van EGIPTEN Ende daer na ANTHIOCHUS EPIPHANES daer nae quam POMPEYUS van ROMEN ende want oec Daer nae HERODES met den heer van ROMEN. Mer alder eerst want NABUGODONOSOR die coninc van BABILONIEN ende destrueerdet doet ghestaen hadde MCCCC ende xl iaer viij maende ende vi daghen MELSCHISEDECH die goods pape was die stichte eerst IHERUSALEM Mer die CHANANEEN dreuen daer wt Hier na quam een coninc die LEOBIUS hiet ende vermaecte dit IHERUSALEM datter IODEN principael stat was. Ende na dien datse LEOBIUS stichte ouer iiij hondert ende lxxx iaer so destrueerdse NABUGODONOSOR Ende van LEOBIUS tiden tot datse TYTUS destrueerde waren gheleden M ende lxij iaer Ende van IHERUSAL[EM] eerst gemaect was tot datse TITUS ende die ROMEYNEN dus altemael destrueerden waren gheleden iiij dusent ende lxxij iaer Dus wort IHERUSALEM al ghedestrueert omt grote bloet datter wtghestort wort vanden heylighen Want daer mede hadden si dat verdient Als die ROMEYNEN alle die IODEN verslaghen hadden ende gheuaen ende gheroeft datter te rouen was doe beual TYTUS alle die stat ende die mueren te destrueren wt gheseit den toorn sonder craft Want die moerdenaers waren daer of gheuloghen Doe TITUS die bouenste muer wan ende si liepen in holen ende in haghedochten Nochtan waren dese toornen so starc datse al dye werelt niet en had moghen winnen dan mit hongher Dese drie toornen hieten YPITOS PHACELUS ende MARIANNES Dese liet TYTUS staen myt een deel vander muer ande westzide vander poort tot enen litteyken om datmen daer aen mercken soude hoe starc die stat was die dye ROMEYNEN hadden ghewonnen Ende al dat

114 ander dede TYTUS destrueren om dat die IODEN daer nymmermeer vergaderen en souden Ende so reyn slechtent die ROMEYNEN dat nymmermeer nyemant diet saghe segghen soude datter een poort gestaen hadde [ ] Hoe SIMON gheuanghen wort [ ] Ca. lxviij [H]Jer na ghinc TYTUS sinen heer betalen ende lonen van haren pinen Ende dancse seer dat si so vroem gheweest hadden Ende hi dede die ghierighe versaden mit ghiften Ende doe sceyde hi menich sins sijn heer Want in dien drien toornen liet hi een legioen vanden ROMEYNEN Ende hi hilt mit hem twee legioen Hier na voer hi in CESARIEN Want om dattet so na den wynter was so en woude hi te ROMEN niet varen Ende hi beual sijn gheuanghen wel te houden Ende van daen voer hi PHILIPS CESARIEN ende daer lach hi langhe Daer na als hi op enigen daghen feest hilt so dede hi van sinen gheuangen werpen voer die wilde beesten diese scoerden ende verbeten Ende hi dede oec sulc ander verdoen ende doden. Hier na quam cort blide bootscap dattie quade SIMON gheuanghen was in deser manieren dese moortdadige SIMON was mit een deel van sinen moerdenaren ghescolen in een diepe haghedochte ende daer hi fitaelgie in gedragen had bi te leuen Ende instrumenten mede te mineren ende te mueren Ende doe si daer binnen waren so vermuerden si tgat daer si gegaen waren Ende waenden tontgaen onder daerde Mer ten quam niet in sinen wille Want hi en had niet veer gemineert sijn spise en wort al verteert Ende hi pijnde hem om bie ROMEYNEN te honen ende tontgaen Ende hi dede enen witten roc an ende enen mantel van purpur daer bouen Ende hi quam also onuersienlic wt gemineert ter stat daer den tempel ghestaen hadde Ende dieghene dien eerst wt comen sagen si worden veruaert nochtant ghinghen sy tot hem ende vraechden hem wie hi waer Ende hi antwoerde hem dat si haren heer tot hem halen souden Aldus wort SIMON die valsche moerdenaer geuanghen ende men vant daer met hem veel moordenaers van sinen ghesellen int hol Aldus wrac god op hem die quade valsche moort die hi ghedaen hadde Ende men senden soe TYTUM den keyser tot enen presente daer hi seer blide of was Ende hy beual datmen dat present wel houden soude dattet niet verloren en worde tot dat hi quaem te ROMEN TITUS maecte een feeste in sijns broeders naem Ende daer waren vanden IODEN verdaen ende ontlijft so vanden besten ende anders die deen dander doerstaken wel ij dusent

115 ende v hondert Mer altoes dochte den ROMEINEN dattie IODEN veel quader doot waerdich waren te steruen danmense steruen dede Want si hatense alte seer Ende om datter IODEN lant aldus ghedestrueert wort om hare quaetheit wille. Soe worden die IODEN alte onwaert So dat die van ANTHIOCHIEN doden oec alle die IODEN die in hare stat woenden VESPASIAEN ontboet TYTUM sinen soen dat alt heer van ROMEN in groter hope waer dat si saen te ROMEN comen soude Ende doe TYTUS dese letteren ontfaen had so voer hi haestelijc te ANTHIOCHIEN wert daer vant TYTUS een wonderlike riuier daer hi in varen soude. Ende dye riuier is starc ende groot Mer alle saterdage is haren gront bloot ende si loopt tusschen DER ARKEN ende RAPHANES Ende doe TYTUS al daer quam soe quamen alle die van ANTHIOCHIEN teghen hem wt Ende si baden hem dat hi die quade IODEN van daer dede Ende TYTUS gheliet hem of hi die woerden niet gehoort en hadde of verstaen ende hi voer te EUFRATEN waert Ende daer sende hem die coninc van PERSEN een preciose croen van goude ende van duerbaer ghesteente Ende van daer voer TYTUS in EGIPTEN Ende daer so keerde hi doer IHERUSALEM dat hi gedestrueert hadde daer hi drouich ende zerich om was Ende hi badt gode dat hi die ghene most onteren die hem dat goede lant dede destrueren Men vanter onder den steen dyer om worpen was groten ontalliken scat van goede Want die IODEN wiue ende manne diemen gheuanghen voerde si wisten wel som waermen dit goet vinden soude Want si haddent seluer al daer ghehoden op auontuer of si noch yet seluer toe hadden moghen gheraken Doe TYTUS quam in ALEXANDRIEN Soe liet hi sijn heer varen elck sijns weech want hi woude seluer te ROMEN tiden Mer hi voerde met hem den valschen IAN ende SYMON Ende daer toe oec wel vij hondert man dat schoen wellatende IODEN waren Om dat hy daer mede sinen seghe tonen woude Ende die van ROMEN quamen alle teghen hem wt Ende oec VESPASIAEN sijn vader ende DOMICIAEN sijn broeder ende ontfenghen daer also eerlijc alsder yemant ontfanghen wert [ ] Vander feest vanden zege Ca lxix [D]Je senatoers van ROMEN wouden den keyseren VESPASIAEN ende TITUM sinen soen een eenpaerlike feest naden zeghe ende costume van haren zege Mer si en wouden hem beyden mer een feest doen Ende dese feeste deed men aldus. Als IOSEPHUS scrijft diese doen sach opten dach datmen dye feest dede soe en bleef nyemant thuys Mer al die lueden stonden voer der dagheraet Ende pijnden hem ter sulker stat te staen

116 dat si de feest sien mochten Ende als die dach rees endet begonde te claeren so quamen VESPASIAEN ende TYTUS sijn soen te gader ghecroent met lauwerbomen ende met purpur ghecleet soet te ROMEN castume was si ghinghen aldus ghecroent ende ghecleet toter keyserliken salen Ende daer ontbeyden alle die senatoers Ende daer waren bereet sittens van ynoe daer die keysers op ginghen sittenals si daer quamen die ridders ontfinghen die keisers met groter eren daer si leden doer die straten ende si ontfenghense met groter waerdicheit te houe Hier na verteldemen VESPASIAEN haer auontuer ende haer daet Ende des dancte hi hem allen ende bat hem dat si mit hem ghinghen eten Daer na toende men den volck inder stede menigerhande schoenheyden ende cierheden Want wat dinghen datmen in anderen lande hadde anders dan in dien lande als wonderlike beesten ende dieren ende goet dat toendemen alden volcke daert stont Dat waren iuwelen van siluer ende van goude ende van ynoer ende van menigherhande ghesteente ende schoenheden ende cleder die duerbaer waren beide vanden wercke van BABILONIEN ende menighen anderen landen Oec waren die geuanghen ghecleet mit clederen die wonderlijc fisiert waren Ende daer nae droechmen voer alt volc bescreuen Hoe die lande ghewonnen waren hoemen elc lant tonder dede ende wan Hoemen die wiue ende die manne versloech hoe dattet volck nv hier nv daer vloech. Ende hoemen die hoghe muren vellede ter neder ende ontween stac Voert hoemen anders waert doer dye viande croop ende hoemen die steden ende die husen ontstac Echter hoemen den enen dootsloech ghinder ende hoe dander bat datmen op name Mer dye IODEN wisten dit wel ofte bet dant daer bescreuen was van elcker yesten nochtant mostent daer dye luden sien ghemeenlijc als gheuallen was want si saghent daer wel ende volmaectelijc bescreuen hoemen die poorters venck ende hoe die scepe geladen quamen mit den roue Ende men brocht te ROMEN die duerbaer iuwelen vanden tempel Die bouen alle cyerheden ende iuwelen doer een preciose waren Welcken tempel men wan op den moortdadighen IAN Dat eerste was die tafel vanden tempel die al van finen goude was sy en mochte niet duerre gheweest hebben Daer na brochtmen den sulueren candelaer met den seuen armen. Daer na daer die lichtuate op stonden die gulden waren Daer na droechmen der IODEN wet die hem god ghegheuen had ende dat wast lest datmen brocht. Daer na volchde VESPASIEN ende TYTUS sijn soen daer na quam DOMICIAEN sijn broeder ghereden op een duer paert ende si voeren te IUPETERS tempel waert ende daer ghinghen si te gader staen Ende vespasiaen boet den quaden

117 SYMON te halen want het was den zede van ROMEN dat na deser feesten die keyser van ROMEN vten tempel niet en soude moghen gaen om sijn maeltijt te doen voer datmen daer niemaer brochte dattie heer ghedoot waer van dien lande dattie keyser ghewonnen hadde Tot deser feesten was die quade SYMON noch ghehouden. Nv suldi horen hoe men hem sijn moordaet gout Men brocht SIMON gheleyt onder die gheuanghen diemen daer toende ende voerbrocht omden seghe te thonen Ende SIMON was myt enen strop gebonden om sinen hals ende daer mede sleeptmen doer die stat ouer die ruwe roetsen wel scandelijc Ende daermen sleepte sloechmen ende stacken Ende ten lesten nammen hem iammerlijc tlijf Ende doe die keyser vernam dat hi doot was So wort ondert volck groot ghescal van blijsscappen Ende doe ghinc die keyser eten mit groter feesten ende alt volc met hem Dese feeste vanden zeghe was meerre dan v yemant soude mogen vertellen want het soude v te lanc vallen dyet al bescriuen woude daer om crort ict daer ic mach Als die feest van desen zeghe ghedaen was so sende VESPASIAEN enen ridder in IUDEA die BASSUS hiet Want daer int lant waren noch drie casteelen Daer echter die IODEN in vergadert waren die seer starc waren Dat waren HERODIUM MESSAYDA ende MACHERONTA. Also saen als dese ridder in IUDEA quam mitten ROMEYNEN so gauen si hem op die waren in HERODIUM. Ende BASSUS vergaderde hulp om den castelen MACHERONTA te belegghen want hem dochtet harde profitelijc mochte hi dien casteel wonnen ende slechten want dit casteel was alte vast ende starc Want die grote HERODES haddet so vastdoen maken datmens nymmer winnen en mochte en had grote auontuer gedaen Ende daer toe was hi binnenwel versien Met wapen ende van alre vitalien Hoemen MACHERONTA der starcke borch wan ca lxx [B]ASSUS beleyde den casteel MACHERONTA. Ende dede drachte dragen inder graft ende in die dale Mer voer dese berch was een poort daer in staken die IODEN haer crancke volc Mer die vroemste toghen op der borch Ende dese deden menich groot assant op die ROMEYNEN Sulc tijt verloren si somtijts sloeghen si dye ROMEYNEN Mer het verghinc hem int eynde te quade. Binnen inder borch daer BASSUS voer lach was een ende hiet ELEAZARUS die menich groot assant op den ROMEYNEN deden ende sloecher dicke veel Want hi was altoes deerste die wt toech ende die leste die vloech. Op een tijt gheuielt dat hi metten sinen wt ghetogen was Ende doe die sijn vloeghen voerden ROMEYNEN bleef hi alleen staen

118 sprekende also dander binnen ghetoghen waren want hi waende dat nyemant vanden ROMEYNEN so stout en soude wesen dat hien soude dorren bestaen. Ende dit vernam een ridder de RUFUS hiet Ende die vincken als een coen man ende voerden ten tenten waert Ende doe deden BASSUS al naect ontcleden ende deden alsoe leyden al om ende om voerder stat ende swaerlijc gheselen Dit ghinc den IODEN dier binnen lagen so na dat alle die stat om dien ionghelinc in gheween was. Ende als BASSUS dit vernam so woude hise noch meer verslaen om dat hien doden woude Dit deerden den ghenen so seer die inder borch waren Ende ELEAZARUS bat hem so seer dat sien so iammerlijc niet en lieten doden als een katijf Mer dat si om sinen wille te ghenaden quamen met allen Ende op dat sien van deser doot verlosten Dese ELEASARUS had binnen maghe die op sijn vernoy ende op sijn claghen ontfermenisse hadden Ende si worden beraden dat si om sinen wille om sijn lijf te behouden wouden dese borch op gheuen. Ende doe die ghene die de poorte voerhielden des gewaer worden so worden si alle te rade dat si des nachts ontulien wouden vter poort Mer BASSUS vernam dit Ende liet hem die vlucht nemen ende daer volchde hi hem nae Ende die starcste waren ontuloghen Mer al dander sloech hi doot tot xvij hondert toe Ende hi vinc haer wiue ende haer kinder. Mer BASSUS hilt hem haer belofte ende gaf hem weder ELEAZARUS Ende aldus wan hi MACHERONTA Hier na quam BASSUS een ander nyemaer datter een grote menichte van IODEN vergadert waren. Jn een borch die tot dier tijt doemen voer IHERUSALEM lach van daer ontuloeghen waren Ende doe BASSUS MACHERONTA wonnen hadde Soe voer hi mit groten heer darwaert ende vantet waer Ende hi belach dien borch ende beual den voetganghers dat si dat hout vellen souden dat daer omtrent stont Die IODEN dier binnen waren weerden hem seer ende men vacht ende street daer langhe. Mer die ROMEYNEN verloren mer xij man doe ter tijt inden strijt mer veel IODEN worden daer verslaghen tot iij dusent toe. Ende IUDAS haer heer mit hem die SYMONS broeder was Tot desen tiden boot die keyser datmen al tlant van IUDEA om ghelt vercopen soude Ende datmender gheen ghemuerde poorten en liet stichten Ende hier om en liet BASSUS mer xviij hondert IODEN binnen den lande. Ende hi beual hem dat si wonen souden in een poortken dat AMASSAYDA hyet Dat lach xx stadien van IHERUSALEM Ende hi sette hem Hoe veel tijns si dye van ROMEN gheuen souden alle iaer Ende hier na starf BASSUS Ende een ridder die SILUIUS heyt quam na hem Jnt lant van IUDEA in paeyse ende in bedwanghe sonder den casteel AMASSAYDA want daer lach een moorder

119 in hiet ELEAZARUS met sinen gheselscap die de werringhe ende strijt aldaer began Ende dede den tijns ontsegghen. diemen die van ROMEN plach te gheuen SILUIUS viel met enen heer voerder stat ende belachse. Ende hi dede al omme ende omme die stat een starcke muer maken omdat hem daer gheen wt ontulien en soude. Want dese borch was alte starck Ende daer om wasser veel werkers an eer hy die muer volmaecte Want dye grote HERODES hadde dese poort ende borch doen omme mueren met eenre starcker dicker muer van witten steen die lx stadien lanc omgaende was ende xx cubitus hoech Ende hy had al om ende om die muer doen maken grote starcke toorn wel lxxvij Die acht waren elc vijftich cubitus hoech. Ende daer binnen stont sconincs sael die vier toornen hadde an elcken horn die wel ghemaect waren ende elck was xl cubitus hoech Daer binnen waren cisternen ghenoech soe datter gheen water breken en mocht Si waren binnen wel voersten soe dat hem nyet en ghebrac si hadden coren olye ende wijn ende al dat si behoefden Dese borch had ELEAZARUS ghewonnen Want hi quam daer binnen dat die poorters op haer hoede niet en waren Oec so vant hy daer binnen prouancie ghenoech om mede te oerloghen ende al daer binnen gheleghen had van HERODES tiden nochtant en was si niet ghearcht Ende had al daer gheleghen meer dan hondert iaer Ende dattet niet argen en mocht quam toe omder gueder lucht dye daer was Ende hi vanter oec harnasch ghenoech binnen dat HERODES daer in vergadert hadde Want hi maecte desen casteel Ende dit was den lesten casteel dat die ROMEYNEN wonnen opten IODEN met striden [ ] Hoemen ANASSAIDA de leste borch wan [ ] Capi lxxi [S]JLUIUS viel voer dese borch. Ende wort wel ghewaer datmer nyet opwinnen en mocht met striden an deen side Ende hi dede daer den volc drachte draghen ende si droeghen enen hoep xx cubitus hoech ende daer bouen so maecten si een hoech stenen werck vijftich cubitus wijt Ende daer bouen dede hi maken enen toorn xl cubitus hoech ende dien ouerdeckte hi ouer al wel mit yser [ ]. Want dat dal ende die veste voer de borch was soe diep als al dit hoech was totter muren bouen die om die borch ghinc Op desen toorn laghen scutters Ende wien si saghen ter muer waert comen dien doerscoten si Ende verdreuen sijt volc vander muer Ende hier na dede SILUIUS den ram rechten ander muer. so dat dye toorn scuerde ontween so seer dede hi den ram stoten. Mer die IODEN die daer binnen waren ghinghen daer teghen metselen hastelijc

120 teghent gat met hout steen ende moorter ouer een recht teghen steken vanden ram Ende doe dat SILUIUS vernam so dede hi dat vier binnen werpen dattert hout mede ontstac Ende doe waeide een starc wijnt wt den noortoesten Ende dreef alt vier op die ROMEYNEN So dat si bi na hadt hadden alte quade auontuer. Mer cort daer nae alst god woude soe keerde die wint int zuden ende tfier voer ouer ten IODEN waert ende die muer verbarnde alte mael Ende die ROMEYNEN die stout ende wijs waren toghen tot haren tenten waert. want si wouden alle smorghens daer nae die borch bestaen met gheuechte Ende si wachten alle die nacht wel nauwe dat hem nyemant ontgaen en soude ELEAZARUS die oec binnen was en riet oec niet datmen ontulien soude want hy en had hem vter borch oeck nyemant laten ontgaen wan hi en peinsde anders niet dan hoe die ROMEYNEN wiue ende kinder begaden souden als si die borch te wille hebben souden. Ende tsauons dede hi alt volck vergaderen ende riet hem dese quaetheyt aldus ende seide Ghi heren wy hebben ghesworen alte gader dat wy nyemant dienen en souden nymmermeer dan god alleen die heer is bouen al Nv is die tijt ghecomen datmen v sal moghen proeuen wie ghi sijt Hier om weert v teghen die van ROMEN vromelijc want wy waren voertijts deerste dye hem dienst tijns ontseyden Ende wy sijn nv die leste daer si op strijden. Ende hyer om houde icket daer voer dat god ons luden deese eer ghegheuen heeft in desen leuen dat wi willichliken steruen moghen Niet van hongher of van ghebreke so onse voeruaders doot bleuen sijn Mer wildi minen raet doen wi sellen eerliken steruen Ende sellen om inder vriheit te steruen deen den anderen dootslaen ende onse wiue ende onse kinder cleyn ende groot. Ende aldus en sellen wi niet eyghen onder die ROMEYNEN worden als dander IODEN sijn die hem hebben laten vanghen. Ende dus en sellen wi niet sien rouwe noch verdriet an onsen wiuen ende an onse kinderen Dit ende veel ander schoenre talen seide hi den volcke ende bracht dat volc daer toe dattet al verwoet wort Ende dat hem sinen raet alte goet docht Ende si koren x man wt alden volc ende die souden alle dander doot slaen groot ende cleyn ionc ende out man ende wijf Ende daer na soude die een vanden thienen die neghen dootslaen Ende dan soude hi gaen in des conincs sale Ende ontsteken dien ende verbernen hem seluen daer Ende si droeghen alle ouer een Dat si die spise ende den dranc souden laten onghescadicht om dattet die ROMEYNEN mercken souden dat si hem niet en hadden laten doden om honghers wille ofte om enigerhande ghebreke Mer alleen om dat si niet eyghen worden en wouden Dese katyuen die dus verscouen waren dat si haers selfs lijf

121 noch haerre kinder niet sparen en wouden so sloechmense doot daer si laghen bi haren wiuen ende kinderen helsende ende cussende Hier na sloech die tiende die neghen doot. Ende daer na ontstack hi den tempel ende verbarnde hem seluen daer in Ende dese waende dat alt volc doot gheweest hadde Mer si seuen waren ontslopen in cysternen ende die beheldent tleuen Ende si verteldent namaels altemael soet gheuallen was Dese iammerlike daet gheuiel opten xvsten dach van aprille Ende in deser borch bleeffer doot onder manne wiue ende kinder omtrent ix hondert [ ] Hoe SILUIUS inder borch quam. Ca lxxij [S]JLUIUS waende wel dat hy smorghens fellen strijt ghehat soude hebben voer die borch Mer hi dede herde wijsselike ter mure gaen Ende die ghene die ter muer ghinghen si en worden anders niet ghewaer dan dat des conincs sale barnde ende si hoorden nyemant spreken noch runen Ende doe si alte samen binnen quamen ende riepen so quamen die vij voert die te lijf ghebleven waren ende vertelden den ROMEYNEN alle dese avontuer van beghinne ten eynde Ende die ROMEYNEN hadden des groot wonder. want si vonden alle die lude groot ende clein doot gheslaghen als die seuen hem seyden Ende doe ghinghen si den brant blusschen ende deden alle die doden wech Ende SILUIUS liet een deel van sinen volc in die borch Ende hier na toech hi int eynde van IUDEA ende hy en vant nerghent enen viant hi en was doot Mer noch waren omtrent ALEXANDRIEN veel moerdenaren vander IODEN scaren Mer si worden daer na gheuanghen ende ontlijft ende men pijnder veel van hem luden ende tormentse ende sleeptse. Mer watmen hem dede si en wouden den keyser niet heer hieten Ende alle storuen si dus om dat een woort Ende haer cleyn kinder oeck die lieten si scoren ende tormenten. Ende om gheen dinc en wouden si den keiser ouer haren heer houden of oec heer hieten Die keyser gheboet LINIUM dien hi bouent lant van EGIPTEN gheset hadde tot enen ruwaert dat hi sonder beyden destrueerde den tempel die ONYAS die IODE in dat lant hadde doen maken soe hier voer bescreuen is. Mer LIPPUA quam ende roefde hem desen tempel ende sloten ende doe ontuloech hi wech vten lande Ende al cort hier nae quam PAULINUS binnen den lande ende namt al dat hi in desen tempel vant Ende hy maecten alsoe dat mer niet toe gaen en mocht Ende hi destrueerder aldus na cccc en lxiij iaer na dat hi eerst ghesticht was Ende dus soe bleef den IODEN in al aertrijc ghenen tempel

122 Mer tot deser tyt was noch een scaer moerdenaren vanden IODEN die hem hier ende daer onthielden Ende si hadden enen hoeftman enen toeuenaer die IONATHAS hiete Ende CATULUS wort dies ghewaer ende versloecher of doot iij dusent IODEN ende nam hem al haer goet ende lant ende haer erue ende settent in renten tot des keysers behoef Mer hi voerde IONATHAS met hem gheuanghen te ROMEN waert Ende die keyser dede IONATHAS gheselen ende daer na barnen Dese plaghe vanden katiuighen IODEN ghesciede xlij iaer na ons liefs heren JHESUS CRISTUS passie Nie en hoerde man noch en las in boecken dat enich volc dus iammerlijc verderft ende gedestrueert wort als die IODEN worden tot menighen tiden om haerre groter sonden wille daer si gode mede verbolgen hadden Want aldus wraect god op hem so dat hi dat selue voersproken hadde inder ewangelien om dat si dat bloet van menighen heylighen man wtghestort hadden van ABELS tyden tot IHESUS CRISTUS doot toe dien si valschelijc ter doot brochten ende som van sinen iongheren oeck die si doden Nv hebs danc IHESUS CRISTUS. Ende MARIA sine ghebenedide moeder die mi soe langhe ghespaert heeft dat ict tot enen eynde ghebrocht hebbe dye historie ende twerc vander BYBELEN ende vanden IODEN yesten diet beghin ende een figuer waren vanden kersten volc thent die IODEN haren naem verloren ende haer hulde mit gode Ende dat die heylighe kerck te wassen ende voertganc begonde te hebben biden heylighen apostolen predicacie dit werc eynde vten LATIJN in DUUTSCH te maken. Jnt iaer ons heren doemen screef MCCC ende lxi op sinte IAN BAPTISTEN auont als alle kersten luden in blijscappen. ende in vroechden pleghen te wesen inder eren sijnre gheboorten Ende vanden beghinne vander werelt tot desen daghe toe waren leden v dusent vi hondert ende viij iaer ende neghen maent God si gheloeft A M E N [ ] Voleint ter GOUDE in HOLLANT bi mi GERAERT LEEU Jnt iaer ons heren MCCCClxxxij Op sinte BARTHOLOMEUS auont

V- ^ f i I I I i i C Vier Maria Legenden 5* Vier Maria Legenden De Ivoren Toren Apeldoorn J Van een heilich vader / Daer was een heilich vader in eenre vergaderinghe ende dese was coster ende diende

Nadere informatie

DE FAMILIE-AANTEKENINGEN VAN ADRIAEN CLAESZ. [VAN ADRICHEM] TE DELFT (1503-1560)

DE FAMILIE-AANTEKENINGEN VAN ADRIAEN CLAESZ. [VAN ADRICHEM] TE DELFT (1503-1560) DE FAMILIE-AANTEKENINGEN VAN ADRIAEN CLAESZ. [VAN ADRICHEM] TE DELFT (1503-1560) Nationaal Archief, archief van de familie Van Adrichem, nr. 1: Registerboeck van mijn onroerende goeden als van landen,

Nadere informatie

Hs. Stockholm KB A 159 (26vb-28ra) Hs. Amsterdam Universiteitsbibliotheek VI B 14 (40rb-42rb) Vanden onnoselen kinderen. Wat de name bediet

Hs. Stockholm KB A 159 (26vb-28ra) Hs. Amsterdam Universiteitsbibliotheek VI B 14 (40rb-42rb) Vanden onnoselen kinderen. Wat de name bediet Hs. Stockholm KB A 159 (26vb-28ra) Hs. Amsterdam Universiteitsbibliotheek VI B 14 (40rb-42rb) Vanden onnoselen kinderen Wat de name bediet Donnosel 1 kinderkinne heet men also bi drien reidenen: omme donnoselheit

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 413 Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) Nr. 5 NOTA VAN VERBETERING Ontvangen 25 januari 2006 In het voorstel van wet (stuk nr. 2) worden

Nadere informatie

tekst: Mariken van Nieumeghen fragment: Hoe Emmeken haer sondich leven een luttel beclaecht

tekst: Mariken van Nieumeghen fragment: Hoe Emmeken haer sondich leven een luttel beclaecht tekst: Mariken van Nieumeghen fragment: Hoe Emmeken haer sondich leven een luttel beclaecht r. 590 O memorie, verstandenisse, waerdii dinckende Op dleven, daer ick mi nu int ontdraghe, Het soude u duncken

Nadere informatie

[C5v] Hoe Floris metten korve vol bloemen opten toren ghedraghen wert. [6]

[C5v] Hoe Floris metten korve vol bloemen opten toren ghedraghen wert. [6] [C5v] Hoe Floris metten korve vol bloemen opten toren ghedraghen wert. [6] Nu is ghecomen den meydach, ende doen quam Floris in root purper gecleed[t], om dat hi den rooden roose gelijken soude, ende dat

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 756 Invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening

Nadere informatie

Bijlagen bij scriptie: Mariene archeologische verwachting voor de laatprehistorische. Noordzeekust

Bijlagen bij scriptie: Mariene archeologische verwachting voor de laatprehistorische. Noordzeekust Bijlagen bij scriptie: Mariene archeologische verwachting voor de laatprehistorische periode langs de Nederlandse Noordzeekust Jade Schoon, s0724718 [ii] Inhoud Inhoud... iii Bronvermelding... v Bijlage

Nadere informatie

Van Sente Paula der weduwen van Roemen

Van Sente Paula der weduwen van Roemen Van Sente Paula der weduwen van Roemen Paula was een edel vrouwe van Roemen. Haer leven bescreef Ieronimus in desen woerden: Waert dat al mijn leden worden verwandelt in tongen ende alle mijn lede spraeken,

Nadere informatie

Wat de name bediet. Donnosel 1

Wat de name bediet. Donnosel 1 Wat de name bediet Donnosel 1 kinderkinne heet men also bi drien reidenen: omme donnoselheit van leivenne, van reidenen ende van der pinen, ende omme donnoselheit die si behilden. Men heetse onnosel van

Nadere informatie

hertaling Albert Verwey (soms iets herschikt) [of een eigen variante] Hadewijch s 7e visioen

hertaling Albert Verwey (soms iets herschikt) [of een eigen variante] Hadewijch s 7e visioen Hadewijch s 7e visioen te enen cinxendage wart mi vertoont in de dageraat, ende men sanc mettenen in de kerke ende ic was daar; ende mijn herte ende mijn aderen ende alle mine leden schudden ende beveden

Nadere informatie

Die legende des heileghen bisscops Sinte Nyclaes

Die legende des heileghen bisscops Sinte Nyclaes Die legende des heileghen bisscops Sinte Nyclaes Nycholaus was portere 1 der stat van Patera. Ende hi was gheboren van heyleghen ende rike lieden. Sijn vader hiet Epyphanius ende sijn moeder hiet Johanna.

Nadere informatie

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN Jaargang 2015 No. 9 Landsverordening, van de 21 e april 2015 tot wijziging van de Staatsregeling en andere landsverordeningen vanwege de invoering van het Wetboek van

Nadere informatie

MODULAIRE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING RIJK VAN NIJMEGEN. Wijzigingsbesluit

MODULAIRE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING RIJK VAN NIJMEGEN. Wijzigingsbesluit MODULAIRE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING RIJK VAN NIJMEGEN Wijzigingsbesluit 1 De colleges van burgemeester en wethouders en de raden van de gemeenten Beuningen, Druten, Groesbeek, Heumen, Mook en Middelaar,

Nadere informatie

1. Van enen brueder in welkes hande die kroemen verwandelt weren in peerlen

1. Van enen brueder in welkes hande die kroemen verwandelt weren in peerlen Tien korte exempelen, over gewone mensen, arm en rijk, jong en oud, allemaal bedoeld om er een godsdienstige waarheid mee te verduidelijken. Zie over exempelen en mirakels Wereld in woorden pag. 302 e.v.

Nadere informatie

Die coninc vraecht: Hoe comt dat men wint gevoelt ende niene sien en mach?

Die coninc vraecht: Hoe comt dat men wint gevoelt ende niene sien en mach? Hieronder volgen uit de Sidrac alle eenentwintig vragen die op pagina 110 van Wereld in woorden opgesomd worden, inclusief de complete antwoorden. Sidrac blijkt inderdaad een allesweter. Die coninc vraecht:

Nadere informatie

XVIII. Wie kan er optreden als geadresseerde bij invoer bij een kettingverkoop?...

XVIII. Wie kan er optreden als geadresseerde bij invoer bij een kettingverkoop?... INHOUD I. Is de BTW op de kosten van de organisatie van een personeelsfeest aftrekbaar?... 9 II. Geschenken aan het personeel: 35 EUR-regel of 50 EUR-regel inzake BTW?... 11 III. Is de BTW op cateringkosten

Nadere informatie

.vij xiiij A iij b c xi d PETRONILLE virgine.vij

.vij xiiij A iij b c xi d PETRONILLE virgine.vij [schutblad] Tsomer stic vander GULDEN LEGENDE [B].ij. [-4r] d Van pinxteren..i. vij e VRBANI pape.vij vi f g BEDE presbiteri.vij xiiij A iij b c xi d PETRONILLE virgine.vij KL Iunius heuet dies.xxx. luna.xxviij.

Nadere informatie

2 Petrus 1. Begin van de brief

2 Petrus 1. Begin van de brief 2 Petrus 1 Begin van de brief Petrus groet alle christenen 1 Dit is een brief van Simon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus. Aan alle mensen die zijn gaan geloven. Jullie geloof is net zo

Nadere informatie

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur.

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur. Psalmen Psalm 78 1 Een lied van Asaf. De lessen van het verleden Luister allemaal naar mijn woorden. Luister goed, want ik wil jullie iets leren. 2 Wijze woorden wil ik spreken, wijze woorden over het

Nadere informatie

Citation for published version (APA): Oderkerk, A. E. (1999). De preliminaire fase van het rechtsvergelijkend onderzoek Nijmegen: Ars Aequi Libri

Citation for published version (APA): Oderkerk, A. E. (1999). De preliminaire fase van het rechtsvergelijkend onderzoek Nijmegen: Ars Aequi Libri UvA-DARE (Digital Academic Repository) De preliminaire fase van het rechtsvergelijkend onderzoek Oderkerk, A.E. Link to publication Citation for published version (APA): Oderkerk, A. E. (1999). De preliminaire

Nadere informatie

Handelingen 10 Damascus

Handelingen 10 Damascus Damascus Handelingen 9 : 31 De gemeenten dan in heel Judea, Galilea en Samaria hadden vrede en werden opgebouwd; en zij wandelden in de vrees van de Heer en vermeerderden door de vertroosting door de Heilige

Nadere informatie

2012 M. Jonker. Manco-boekje Edgar Rice Burroughs (op hoofdnummers)

2012 M. Jonker. Manco-boekje Edgar Rice Burroughs (op hoofdnummers) 2012 M. Jonker Manco-boekje Edgar Rice Burroughs (op hoofdnummers) 1 Groot Geel Uitgeverij Blankwaardt&Schoonhoven (deels met Dalmeijer) I.01.1 Tarzan van de apen I.01.2 Tarzan van de apen 2e I.02.1 De

Nadere informatie

Welk goed nieuws kondigde Maleachi aan?

Welk goed nieuws kondigde Maleachi aan? Maleachi en Gods tempel. Welk goed nieuws kondigde Maleachi aan? Maleachi 3:1 die voor Mij de weg bereiden zal. 1 Zie, Ik zend Mijn engel, Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere, Die u aan het

Nadere informatie

Het oudste het oudste Hofje binnen Leiden.

Het oudste het oudste Hofje binnen Leiden. Het oudste het oudste Hofje binnen Leiden. Reglement voor de Conventualen van het Jeruzalem%Hof op de Cellebroersgracht (thans Kaiserstraat), gesticht door Wouter Comans in den 1467. Item dit syn die ordinacien

Nadere informatie

01.I. algemene 01.II. verkeersindividuele 01.III. collectieve 01.IV. afhankelijkheid 01.V. arbeidsongevallen wet v.

01.I. algemene 01.II. verkeersindividuele 01.III. collectieve 01.IV. afhankelijkheid 01.V. arbeidsongevallen wet v. 0 1 O N G E V A L L E N I. algemene II. verkeersindividuele III. collectieve individuele 1. algemene 2. forfaitaire 3. gemeen (2) + (3) 4. individuele recht collectieve 01.I. algemene 01.II. verkeersindividuele

Nadere informatie

VOORSTEL VAN DECREET. van de heer Norbert De Batselier TEKST AANGENOMEN DOOR DE PLENAIRE VERGADERING

VOORSTEL VAN DECREET. van de heer Norbert De Batselier TEKST AANGENOMEN DOOR DE PLENAIRE VERGADERING Zitting 2005-2006 14 juni 2006 VOORSTEL VAN DECREET van de heer Norbert De Batselier houdende aanpassing van diverse decreten aan de nieuwe benaming van de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen

Nadere informatie

Pasen (de opstanding) En dan in vers 36: De Heere is waarlijk opgestaan en daar gaan we over lezen in Lucas 24:33

Pasen (de opstanding) En dan in vers 36: De Heere is waarlijk opgestaan en daar gaan we over lezen in Lucas 24:33 - 1 - Pasen (de opstanding) De Heere is waarlijk opgestaan en daar gaan we over lezen in Lucas 24:33 De Heere Jezus had Zich tijdens het avondeten aan de twee Emmaüsgangers als de opgestane Heer geopenbaard.

Nadere informatie

Wat was de koning van Syrië van plan? tegen Israël en pleegde overleg met zijn dienaren en zei: Mijn legerkamp moet op die en die plaats zijn.

Wat was de koning van Syrië van plan? tegen Israël en pleegde overleg met zijn dienaren en zei: Mijn legerkamp moet op die en die plaats zijn. De Syriërs met blindheid geslagen. Wat was de koning van Syrië van plan? 2 Koningen 6:8 8 De koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël en pleegde overleg met zijn dienaren en zei: Mijn legerkamp moet

Nadere informatie

Een geopende hemel. Opb. 4:1 Hierna had ik een visioen. Er stond een deur open in de hemel.

Een geopende hemel. Opb. 4:1 Hierna had ik een visioen. Er stond een deur open in de hemel. Een geopende hemel Opb. 4:1 Hierna had ik een visioen. Er stond een deur open in de hemel. Opb. 14:13 Ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf op. Toen droomde hij, en zie, op de aarde stond een

Nadere informatie

Jezus zei tegen Petrus: "En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders.", vlak voor zijn ontkenning (Lukas 22:32) Petrus

Jezus zei tegen Petrus: En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders., vlak voor zijn ontkenning (Lukas 22:32) Petrus Les 6 voor 11 augustus 2018 Jezus zei tegen Petrus: "En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders.", vlak voor zijn ontkenning (Lukas 22:32) Petrus vervulde die opdracht door naar

Nadere informatie

Maranathakerk. Welkom in de. Voorganger Ds. M.F. van Binnendijk Organist Annelies van Zoelen Koster Leen van der Have.

Maranathakerk. Welkom in de. Voorganger Ds. M.F. van Binnendijk Organist Annelies van Zoelen Koster Leen van der Have. Welkom in de Maranathakerk Voorganger Ds. M.F. van Binnendijk Organist Annelies van Zoelen Koster Leen van der Have Zondag 16 April Beamerteam Centrum-Oost 87: 1, 2, 3 Christus, onze Heer, verrees, halleluja!

Nadere informatie

Citation for published version (APA): Oderkerk, A. E. (1999). De preliminaire fase van het rechtsvergelijkend onderzoek Nijmegen: Ars Aequi Libri

Citation for published version (APA): Oderkerk, A. E. (1999). De preliminaire fase van het rechtsvergelijkend onderzoek Nijmegen: Ars Aequi Libri UvA-DARE (Digital Academic Repository) De preliminaire fase van het rechtsvergelijkend onderzoek Oderkerk, A.E. Link to publication Citation for published version (APA): Oderkerk, A. E. (1999). De preliminaire

Nadere informatie

6 Stefanus gevangengenomen

6 Stefanus gevangengenomen 6 Stefanus gevangengenomen 8. En Stefanus, vol geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. 9. En enigen van hen die behoorden tot de zogenoemde synagoge van de Libertijnen, van de

Nadere informatie

De historie vanden vier heemskinderen

De historie vanden vier heemskinderen Editie Irene Spijker bron (ed. Irene Spijker). Bert Bakker, Amsterdam 2005 Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/_his003hist01_01/colofon.php 2016 dbnl / Irene Spijker 2 6 Dit is de historie

Nadere informatie

Ananias & Saffira. Het leven van de eerste christengemeente, openbaarde en meewerkte, ja, daar kunnen wij naar verlangen.

Ananias & Saffira. Het leven van de eerste christengemeente, openbaarde en meewerkte, ja, daar kunnen wij naar verlangen. - 1 - Ananias & Saffira Het leven van de eerste christengemeente, zoals God zich daar openbaarde en meewerkte, ja, daar kunnen wij naar verlangen. Maar het waren niet enkel genezingen die onder hen plaats

Nadere informatie

36 En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden. Pasen (de opstanding)

36 En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden. Pasen (de opstanding) - 1 - Pasen (de opstanding) De Heer is waarlijk opgestaan en daar gaan we over lezen in Lucas 24:33 De Heere Jezus had Zich tijdens het avondeten aan de twee Emmaüsgangers als de opgestane Heer geopenbaard.

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Karel ende Elegast door Onbekend

Boekverslag Nederlands Karel ende Elegast door Onbekend Boekverslag Nederlands Karel ende Elegast door Onbekend Boekverslag door Jona 1748 woorden 18 december 2016 6,4 14 keer beoordeeld Auteur Genre Onbekend Middeleeuws verhaal Eerste uitgave 1250 Vak Methode

Nadere informatie

Cultuurgemeenschap van België» vervangen door de woorden «Vlaamse Gemeenschap». HOOFDSTUK V. - Wijzigingen aan het decreet van 21 december 1976

Cultuurgemeenschap van België» vervangen door de woorden «Vlaamse Gemeenschap». HOOFDSTUK V. - Wijzigingen aan het decreet van 21 december 1976 VLAAMSE OVERHEID 23 JUNI 2006. - Decreet houdende aanpassing van diverse decreten aan de nieuwe benaming van de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen en gewesten (1) Het Vlaams Parlement heeft

Nadere informatie

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr.

3000 v. Chr v. Chr v. Chr v. Chr. 18 prehistorie oudheid 3000 v. Chr. 2500 v. Chr. 2000 v. Chr. 1500 v. Chr. Romeinen Het Romeinse rijk Jos en Mirthe staan voor opa s boekenkast. Opa, vraagt Mirthe, heeft u ook boeken over de Romeinen?

Nadere informatie

Collectie Ko Beuzemaker

Collectie Ko Beuzemaker Collectie Ko Beuzemaker 1940-1943 Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis Cruquiusweg 31 1019 AT Amsterdam Nederland hdl:10622/arch00047 IISG Amsterdam 2015 Inhoudsopgave Collectie Ko Beuzemaker...

Nadere informatie

ARREST IN JERUZALEM. Les 11 voor 15 september 2018

ARREST IN JERUZALEM. Les 11 voor 15 september 2018 ARREST IN JERUZALEM Les 11 voor 15 september 2018 Paulus verlangde naar het zien van een verenigde kerk (Galaten 3:28). Hij moedigde de heidengemeenten aan om hun Joodse broeders in Jeruzalem te helpen

Nadere informatie

Protestantse wijkgemeente 'Open Hof' te Kampen Morgengebed op nieuwjaarsdag, zondag 1 januari 2017 om uur. Orgelspel - Woord van welkom - Stilte

Protestantse wijkgemeente 'Open Hof' te Kampen Morgengebed op nieuwjaarsdag, zondag 1 januari 2017 om uur. Orgelspel - Woord van welkom - Stilte Protestantse wijkgemeente 'Open Hof' te Kampen Morgengebed op nieuwjaarsdag, zondag 1 januari 2017 om 10.30 uur Orgelspel - Woord van welkom - Stilte Openingsvers O HEER, open mijn lippen. Mijn mond zal

Nadere informatie

Handelingen 9 en 20. 'Blijf praten.' de power text op een steen om jou er aan te herinneren hoe zwaar Paulus het had.

Handelingen 9 en 20. 'Blijf praten.' de power text op een steen om jou er aan te herinneren hoe zwaar Paulus het had. LES Blijf praten Sabbat Lees Handelingen 9 en 20. Sta op en strek je zo hoog en wijd als je kunt uit. Hoe voelt dat aan? Stel je eens voor dat je geketend was en dat je je dus niet zou kunnen strekken

Nadere informatie

Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus.

Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus. 1 Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus. 2 Het verhaal De Goede Week Trouw, Hoop en Spijt Ik wil jullie vandaag vertellen over de Goede Week. Dat

Nadere informatie

Binnenkomst in stilte in de donkere kerk. We zingen:

Binnenkomst in stilte in de donkere kerk. We zingen: Jaargang 8, nummer 19 Voorganger: ds. Piet Jan Rebel Koor o.l.v. Tanja van Dijk Piano: Myrre van Dijk, David van Dijk Zaterdag 20 april 2019 Paaswake Een nacht vol hoop Binnenkomst in stilte in de donkere

Nadere informatie

Aantal personen < 65 jaar actief als percentage van het aantal personen met een uitkering (d.w.z. maakt gebruik v. re-integratievoorziening)

Aantal personen < 65 jaar actief als percentage van het aantal personen met een uitkering (d.w.z. maakt gebruik v. re-integratievoorziening) WIZ-Indicatoren Re-integratie Nr. Indicatoren niveau 1 I Aantal personen < 65 jaar actief als percentage van het aantal personen met een uitkering (d.w.z. maakt gebruik v. re-integratievoorziening) 52%

Nadere informatie

Pinksteren Handelingen 2 : 1 t/m 47

Pinksteren Handelingen 2 : 1 t/m 47 Pinksteren Handelingen 2 : 1 t/m 47 Muziek: Willem Datema Toelichting De tekst van Handelingen 2 : 1 t/m 47, is genomen uit de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap. De rolverdeling is als volgt:

Nadere informatie

EEN PRINS WORDT EEN HERDER

EEN PRINS WORDT EEN HERDER Bijbel voor Kinderen presenteert EEN PRINS WORDT EEN HERDER Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: E. Frischbutter en Sarah S. Vertaald door: Erna van Barneveld

Nadere informatie

Kastelen in Nederland

Kastelen in Nederland Kastelen in Nederland J In ons land staan veel kastelen. Meer dan honderd. De meeste van die kastelen staan in het water. Bijvoorbeeld midden in een meer of een heel grote vijver. Als er geen water was,

Nadere informatie

Inventaris van het Audiovisuele archief van de Stichting Breukelman

Inventaris van het Audiovisuele archief van de Stichting Breukelman Inventaris van het Audiovisuele archief van de Stichting Breukelman 767 Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) Vrije Universiteit Amsterdam De Boelelaan 1105 1081

Nadere informatie

Wie trok Juda binnen en welke stad werd bedreigd door de inval van vijandelijke troepen?

Wie trok Juda binnen en welke stad werd bedreigd door de inval van vijandelijke troepen? Sanherib belegert Jeruzalem. Wie trok Juda binnen en welke stad werd bedreigd door de inval van vijandelijke troepen? 2 Kronieken 32:1-2, eerste deel 1 Na deze gebeurtenissen en deze blijk van trouw kwam

Nadere informatie

ongelijk span (2 Kor. 6:11-7:1 HSV)

ongelijk span (2 Kor. 6:11-7:1 HSV) juk 5:11 Onze mond heeft zich vrijmoedig voor u geopend, Korinthiërs, ons hart staat wijd open. 12 U neemt geen kleine plaats in ons hart in, maar zelf bent u enghartig. 13 Zet dan ook van uw kant ik spreek

Nadere informatie

Laat het feest zijn in de huizen, mensen dansen op de straat, als het onrecht buigt voor Jezus en het volk weer bidden gaat.

Laat het feest zijn in de huizen, mensen dansen op de straat, als het onrecht buigt voor Jezus en het volk weer bidden gaat. Hartelijk welkom Laat het feest zijn in de huizen Opwekking 553 Laat het feest zijn in de huizen, mensen dansen op de straat, als het onrecht buigt voor Jezus en het volk weer bidden gaat. In de bergen,

Nadere informatie

Wat is de betekenis van urbi et orbi? Door wie is Jezus verraden? Wat vieren we op Pasen? Wanneer herdenken we het laatste avondmaal?

Wat is de betekenis van urbi et orbi? Door wie is Jezus verraden? Wat vieren we op Pasen? Wanneer herdenken we het laatste avondmaal? Wat is de betekenis van urbi et orbi? Door wie is Jezus verraden? Wat vieren we op Pasen? Wanneer herdenken we het laatste avondmaal? Wanneer herdenken we de kruisiging en dood van Jezus? Welke liturgische

Nadere informatie

Het wonder van het kruis. De omwisseling aan het kruis

Het wonder van het kruis. De omwisseling aan het kruis Het wonder van het kruis De omwisseling aan het kruis Het wonder van het kruis / De Omwisseling Vergeving Verlossing / Reiniging Genezing Bevrijding Verzoening Nieuw leven Getsemane Diezelfde avond ging

Nadere informatie

Muzikaal kerstverhaal: Ga je mee op zoek. Voorganger: Heidi Ebbers. M.m.v. Kinderdienstcommissie en figuranten. Muziek: Young Company en Cantorij

Muzikaal kerstverhaal: Ga je mee op zoek. Voorganger: Heidi Ebbers. M.m.v. Kinderdienstcommissie en figuranten. Muziek: Young Company en Cantorij Muzikaal kerstverhaal: Ga je mee op zoek Voorganger: Heidi Ebbers M.m.v. Kinderdienstcommissie en figuranten Muziek: Young Company en Cantorij Voor de dienst muziek (Harry en Johan) Welkom Gebed Samenzang

Nadere informatie

DE HEILIGE GEEST OVERTUIGD VAN RECHTVAARDIGHEID

DE HEILIGE GEEST OVERTUIGD VAN RECHTVAARDIGHEID DE HEILIGE GEEST OVERTUIGD VAN RECHTVAARDIGHEID Romeinen 8: 13 Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. 14

Nadere informatie

GEBEDEN AMEN. beland. zodat ik niet in moeilijkheid. Leid mij veilig aan Uw hand, vandaan. gaan, haal me daar dan vlug. Mocht ik verkeerde wegen

GEBEDEN AMEN. beland. zodat ik niet in moeilijkheid. Leid mij veilig aan Uw hand, vandaan. gaan, haal me daar dan vlug. Mocht ik verkeerde wegen ijn lieve engel, bewaar en help mij altijd goed. God heeft U aan mij gegeven, als een helper in dit leven. Mocht ik verkeerde wegen gaan, haal me daar dan vlug vandaan. Leid mij veilig aan Uw hand, zodat

Nadere informatie

2 U geeft mij moed, God! Ik wil muziek maken en zingen, met heel mijn hart.

2 U geeft mij moed, God! Ik wil muziek maken en zingen, met heel mijn hart. 108 1 Een lied van David. God geeft mij moed 2 U geeft mij moed, God! Ik wil muziek maken en zingen, met heel mijn hart. 3 Ik wil mijn harp laten klinken, ik wil de zon wakker maken met mijn lied. 4 Heer,

Nadere informatie

..tem doe bisscop Florens ghestorven was, doe qwamen binnen Utrecht

..tem doe bisscop Florens ghestorven was, doe qwamen binnen Utrecht 243 VERVOLG De kroniek van de Nederlandse Beke eindigt met 1393, en wel met een bericht van Sint Margriet, 13 juli. Toen is het kasteel Altena door Willem van Oostervant overgegeven. Een halve bladzij

Nadere informatie

Vanden sacramente van Aemsterdam.

Vanden sacramente van Aemsterdam. Het wonder dat Willem van Hildegaersberch in deze sproke verhaalt, voltrok zich in maart 1345 in een woning aan de Kalverstraat. Nog ieder jaar vindt in die maand in Amsterdam de Stille Omgang plaats,

Nadere informatie

Rentmeesterrekening Merode, jaar 1417/1418, inv. nummer M 691

Rentmeesterrekening Merode, jaar 1417/1418, inv. nummer M 691 Rentmeesterrekening Merode, jaar 1417/1418, inv. nummer M 691 Toelichting : Dit jaar 1417/1418 leverde voor de vrouwe van Herlaer een negatief saldo op van 63 gelderse guldens (afgerond). Afgeronde bedragen

Nadere informatie

Wie gaan het nieuwe Jeruzalem binnen?

Wie gaan het nieuwe Jeruzalem binnen? Zacharia en de definitieve overwinning in Openbaring. Wie gaan het nieuwe Jeruzalem binnen? Zie Zacharia 14:5, 4, 9 Christus daalt neer op de Olijfberg, vanwaar Hij na zijn opstanding ten hemel was gevaren

Nadere informatie

Is Jezus God? De namen van God de Vader en God de Zoon

Is Jezus God? De namen van God de Vader en God de Zoon Is Jezus God? De namen van God de Vader en God de Zoon 1 Johannes 5: 20 (Statenvertaling) Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen;

Nadere informatie

Wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings- en winningsvergunningen)

Wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings- en winningsvergunningen) Wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings- en winningsvergunningen) VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins

Nadere informatie

Waarom is het evangelie van Johannes geschreven?

Waarom is het evangelie van Johannes geschreven? Menorah 11-02-2018 Waarom is het evangelie van Johannes geschreven? Waarom is het evangelie van Johannes geschreven? A B C D E F Om Gods liefde voor de wereld te laten zien. Om mensen tot geloof in Jezus

Nadere informatie

Paasviering. Sing-in 2017

Paasviering. Sing-in 2017 Paasviering Sing-in 2017 Welkom en gebed Psalm 100:1 Juich, aarde, juich alom den HEER; Dient God met blijdschap, geeft Hem eer; Komt, nadert voor Zijn aangezicht; Zingt Hem een vrolijk lofgedicht. Wij

Nadere informatie

Bijbel voor Kinderen. presenteert JACOB DE BEDRIEGER

Bijbel voor Kinderen. presenteert JACOB DE BEDRIEGER Bijbel voor Kinderen presenteert JACOB DE BEDRIEGER Geschreven door: E. Duncan Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: M. Kerr en Sarah S. Vertaald door: Arnold Krul Geproduceerd

Nadere informatie

Is Jezus de Enige Weg? Is het christendom de enig ware religie?

Is Jezus de Enige Weg? Is het christendom de enig ware religie? Is Jezus de Enige Weg? Is het christendom de enig ware religie? Johannes 14:6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Genesis 20:1-12 1 Abraham

Nadere informatie

Paasfeest een traditie?

Paasfeest een traditie? 1Corintiërs 15: 3-7; 3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven

Nadere informatie

Liturgie 23 juni bevestiging ambtsdragers

Liturgie 23 juni bevestiging ambtsdragers Liturgie 23 juni 2019 bevestiging ambtsdragers Votum en groet Zingen Hemelhoog 475 God maakt vrij In de naam van de Vader, in de naam van de Zoon, in de naam van de Geest voor Uw troon, zijn wij hier gekomen

Nadere informatie

Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de hele wet vervuld.

Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de hele wet vervuld. Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de hele wet vervuld. Prijs en dank God Bid met en voor elkaar Romeinen1:18 32 1 Op welke manier kan ieder mens zien dat

Nadere informatie

Wat God zegt, gebeurt ook echt Abraham

Wat God zegt, gebeurt ook echt Abraham Wat God zegt, gebeurt ook echt Er is hoop voor alle mensen, dat heeft God in Zijn woord beloofd. Daarom is er een nieuw leven, voor een ieder die gelooft. Wat God zegt, gebeurt ook echt, wat God zegt,

Nadere informatie

EEN PRINS WORDT EEN HERDER

EEN PRINS WORDT EEN HERDER Bijbel voor Kinderen presenteert EEN PRINS WORDT EEN HERDER Geschreven door: Edward Hughes Illustraties door: M. Maillot en Lazarus Aangepast door: E. Frischbutter en Sarah S. Vertaald door: Erna van Barneveld

Nadere informatie

100% Romeins. op zoek naar de Romein in jezelf

100% Romeins. op zoek naar de Romein in jezelf 100% Romeins op zoek naar de Romein in jezelf 1 Wist je dat alle voorwerpen op deze tentoonstel- hoi, dit is de route, begin bij leger, dan door naar haard en huis en zo verder. dit is de 2e verdieping

Nadere informatie

Sterker dan de dood Paasprogramma 2016 Groep 1 t/m 4 Joh. Bogermanschool Houten

Sterker dan de dood Paasprogramma 2016 Groep 1 t/m 4 Joh. Bogermanschool Houten Sterker dan de dood Paasprogramma 2016 Groep 1 t/m 4 Joh. Bogermanschool Houten Kinderen zingen Vertel me eens Heer Jezus Toen u op aarde was Waarom geloofde niemand toen Dat u de koning was? Ze wilden

Nadere informatie