DE WAARDE VAN GESTRUCTUREERDE RISICOTAXATIE
|
|
|
- Ruben Timmermans
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 DE WAARDE VAN GESTRUCTUREERDE RISICOTAXATIE EN VAN DE DIAGNOSE PSYCHOPATHIE BIJ SEKSUELE DELINQUENTEN EEN ONDERZOEK NAAR DE BETROUWBAARHEID EN PREDICTIEVE VALIDITEIT VAN DE SVR-20, STATIC-99, HKT-30 EN PCL-R H.J.M. SCHÖNBERGER M. HILDEBRAND M. SPREEN O. BLOEM
2 INHOUDSOPGAVE Voorwoord Dankwoord Samenvatting Summary 1. Inleiding Methoden van risicotaxatie Risicotaxatie in Nederland: de predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99 en PCL-R bij mannelijke seksuele delinquenten Onderzoeksvragen Indeling rapport 2. Methoden van onderzoek Instrumenten Onderzoekspopulatie Karakteristieken onderzoeksgroep Procedure Statistische analyses 3. Beschrijvende statistiek en psychometrische kwaliteit Recidive Beschrijvende statistiek Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid Risicobeoordelingen 4. Predictieve validiteit voor de totale onderzoeksgroep Predictieve validiteit SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R Risicobeoordeling en recidive Survival analyses voor seksuele recidive 2
3 5. Predictieve validiteit voor dadergroepen verkrachters/aanranders en pedoseksuele delinquenten Predictieve validiteit instrumenten bij verkrachters/aanranders Predictieve validiteit instrumenten bij pedoseksuele daders 6. De rol van (de combinatie van) seksuele deviatie en psyschopathie voor het voorspellen van seksuele recidive Seksuele deviatie en seksuele recidive Psychopathie en seksuele deviatie in relatie tot seksuele recidive 7. Exploratieve analyses Statische achtergrondvariabelen en seksuele recidive Delictverleden en (seksuele) recidive 8. Discussie Recidive Psychometrische kwaliteiten SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R Predictieve validiteit SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R Vergelijking resultaten met eerder (internationaal) onderzoek Statische factoren en (seksuele) recidive Seksuele deviatie, psychopathie en seksuele recidive Beperkingen onderzoek Aanbevelingen Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Afkortingen Operationalisatie achtergrondvariabelen Predictieve validiteit van de (items van de) SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R voor de subgroep verkrachters/aanranders Predictieve validiteit van de (items van de) SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R voor de subgroep pedoseksuele daders Over de auteurs 3
4 VOORWOORD De afgelopen jaren is het gebruik van gestructureerde klinische risicotaxatie-instrumenten voor het inschatten van recidiverisico s gemeengoed geworden in de Nederlandse forensisch psychiatrische centra. Het is noodzakelijk gestructureerde risicotaxatie-instrumenten op hun merites te beoordelen in verschillende forensische populaties en verschillende forensische settings. Dergelijk wetenschappelijk onderzoek kan bijdragen aan kennis over de bruikbaarheid van risicotaxatie-instrumenten bij diverse populaties en mogelijkheden bieden voor verbeteringen. In navolging van een eerder door het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie geïnitieerd multicenter onderzoek naar de voorspellende waarde van verschillende risicotaxatieinstrumenten bij gewelddadige delinquenten is de algemene doelstelling van het huidige onderzoek na te gaan wat de waarde is van de risicotaxatie-instrumenten die in de Nederlandse forensisch psychiatrische centra worden gebruikt voor het inschatten van het risico van seksueel gewelddadig gedrag onder voormalige tbs-gestelde zedendelinquenten. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat de onderzochte instrumenten enige predictieve validiteit hebben, blijft het zaak aan verbetering te werken, omdat deze validiteit te gering is om er belangrijke beslissingen op te baseren. Het huidige project biedt aanknopingspunten om tot verfijningen en verbeteringen te komen. Dit rapport moet dan ook worden gezien als een stap in een proces van voortdurende verbetering. In de nabije toekomst zullen de zwakkere elementen uit de schalen nauwgezet worden geanalyseerd en zullen daarvoor alternatieven worden ontwikkeld en getoetst. Het is van groot belang dat de sector als geheel zich aan dit proces committeert en dat de forensisch psychiatrische centra daarin eensgezind samenwerken. Iva Embley Smit Directeur Expertisecentrum Forensische Psychiatrie Utrecht, april
5 DANKWOORD Deze multicentre studie naar de waarde van gestructureerde risicotaxatie en van de diagnose psychopathie voor het voorspellen van toekomstig seksueel gewelddadig gedrag van ex-ter beschikking gestelde seksuele delinquenten, is een vervolg op een eerdere studie onder een niet-seksueel gewelddadige populatie in de tbs-sector. In dit onderzoek worden verschillende (risicotaxatie) instrumenten bij dezelfde populatie, afkomstig uit meerdere instellingen, op hun merites worden beoordeeld. De huidige studie is uitgevoerd in negen forensisch psychiatrische centra. In totaal werkten 35 beoordelaars mee aan het onderzoeksproject. Op deze plaats willen wij de beoordelaars zeer bedanken voor hun tijd en inzet voor het project. Een aantal beoordelaars willen we in het bijzonder bedanken voor hun bijdrage: Cécile Vandeputte-van de Vijver, Maartje Köster, Maartje Miggiels, Erwin Schuringa, Caroline Place, Tialda Hoekstra en Meine Bosma. Brenda Hesper heeft zich in de beginfase van dit onderzoek, naast het beoordelen van dossiers, bezig gehouden met het coördineren van de dataverzameling. Wij zijn de directies van deelnemende instellingen erkentelijk voor het beschikbaar stellen van beoordelaars en/of dossiers voor het onderzoek. Onze dank gaat verder uit naar de medewerkers van de Justitiële Informatie Dienst (JustID) in Almelo voor het leveren van de recidivegegevens, alsmede naar Bouke Wartna, programmaleider WODC-Recidivemonitor, voor het advies inzake de recidivegegevens van enkele patiënten. Tot slot willen we Henk Nijman, Martien Philipse en Koen Koster bedanken voor hun commentaar op een eerdere conceptversie van het rapport. Andere collega s die eerdere versies van dit rapport van commentaar hebben voorzien zijn wij eveneens erkentelijk voor hun bijdrage. De auteurs 5
6 SAMENVATTING De afgelopen jaren is het gebruik van gestructureerde klinische risicotaxatie-instrumenten voor het inschatten van het recidiverisico gemeengoed geworden in de Nederlandse forensisch psychiatrische centra (FPC s). Vanaf januari 2003 zijn met alle FPC s afspraken gemaakt vastgelegd in het zogenaamde verloftoetsingskader over de fase(n) waarin toepassing van een risicotaxatie-instrument gebruikt wordt voor beslissingen over het eventueel aan een tbsgestelde te verlenen verlof of over een verlengingsadvies. In dit verloftoetsingskader is vastgesteld dat een risicotaxatie uitgevoerd dient te worden met behulp van de risicotaxatieinstrumenten HCR-20 en/of HKT-30. Voor seksuele delinquenten dient daarnaast de SVR-20 te worden toegepast voor een taxatie van het risico op een toekomstig seksueel delict. Ook dient de PCL-R te worden afgenomen. Doelstelling onderzoek De doelstelling van het huidige onderzoek is te bepalen of de twee risicotaxatie-instrumenten voor seksueel gewelddadig gedrag die in de Nederlandse forensisch psychiatrische centra gebruikt worden de SVR-20 en de Static-99 geschikt zijn voor de beoordeling van het risico op toekomstige seksueel recidive bij voormalig ter beschikking gestelden die een seksueel delict hebben gepleegd, en die vervolgens (al dan niet na eerst een gevangenisstraf te hebben uitgezeten) zijn behandeld. Voor deze groep is ook nagegaan wat de voorspellende waarde is van de HKT-30. Ten slotte is onderzocht wat de voorspellende waarde van de diagnose psychopathie, zoals vastgesteld middels de PCL-R, voor deze groep is, aangezien uit eerder onderzoek naar voren is gekomen dat dit een goede voorspeller voor verschillende vormen van recidive kan zijn. Het onderzoek is de eerste multicentre studie waarin meerdere instrumenten, bij dezelfde populatie seksueel delinquenten, op hun merites werden beoordeeld. De algemene doelstelling wordt verwoord in de volgende twee onderzoeksvragen: 1. Wat zijn de psychometrische kwaliteiten van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en van de PCL-R? 2. Wat is de predictieve waarde van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en van de PCL-R voor (seksuele) recidive bij ex-ter beschikking gestelde seksuele delinquenten? Onderzoekspopulatie 6
7 De onderzoekspopulatie was afkomstig uit negen FPC s en bestond uit 88 mannelijke expatiënten, die tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2002 uit de betreffende instelling waren ontslagen (opnamedatum tussen mei 1983 en april 1999). Alle patiënten in de onderzoeksgroep hadden een tbs-maatregel opgelegd gekregen voor een seksueel delict; 41 patiënten waren veroordeeld voor (poging tot) verkrachting, 12 voor (poging tot) aanranding en 33 voor pedoseksuele delicten (waarvan 22 pedoseksuele daders met extrafamiliaire meisjes als slachtoffer en twee daders met extrafamiliaire jongens als slachtoffers). Van twee patiënten had het indexdelict zowel betrekking op een pedoseksueel delict als een verkrachting of aanranding. De gemiddelde behandelduur bedroeg 84 maanden (7.0 jaar), variërend van ruim zes maanden tot ruim 15 jaar. Procedure Op basis van de dossiers van de voormalige patiënten bestaande uit onder meer processenverbaal, Pro Justitia rapportage(s), een geschreven voorgeschiedenis, behandelplannen, evaluaties en verlengingsadviezen werden de instrumenten (SVR-20, Static-99, HKT-30, PCL-R) retrospectief gescoord. Elk dossier werd door twee onafhankelijke beoordelaars gescoord; één beoordelaar scoorde de SVR-20 (en de Static-99 en de PCL-R), de andere de HKT-30 (evenals de Static-99 en de PCL-R). Voor 30 dossiers werden de SVR-20 en de HKT- 30 dubbel gescoord, zodat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van deze instrumenten kon worden bepaald. De beoordelaars waren niet op de hoogte van de feitelijke recidivestatus van de ex-patiënten. De risico-inschattingen voor seksuele recidive op basis van de risicotaxatieinstrumenten (SVR-20, Static-99, HKT-30) en de aanwezigheid van de diagnose psychopathie (PCL-R) werden vervolgens gerelateerd aan de daadwerkelijke recidive van de onderzochte personen om inzicht te krijgen in de aantallen correcte en incorrecte inschattingen. Recidivegegevens werden opgevraagd bij de Justitiële Informatie Dienst van het Ministerie van Justitie te Almelo. Seksuele recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een seksueel delict (bijvoorbeeld verkrachting, ontucht, of een poging daartoe), zoals omschreven in het Wetboek van Strafrecht. Gewelddadige niet-seksuele recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een gewelddadig, niet seksueel, delict (bijvoorbeeld mishandeling, doodslag, diefstal met geweld) en algemeen gewelddadige recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een gewelddadig delict, inclusief seksuele delicten. 7
8 De gemiddelde follow up duur na ontslag uit de tbs bedroeg 120 maanden (10 jaar), variërend van 18 maanden tot ruim 15 jaar. Belangrijkste resultaten Recidive Aan het einde van de follow up periode waren 15 van de 88 (17%) (ex-)ter beschikking gestelden opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict. Daarnaast was er bij 28 van de 88 expatiënten (32%) sprake van gewelddadige niet-seksuele recidive. Het aantal ex-patiënten dat recidiveerde met een algemeen gewelddadig delict was 40% (n = 35). De base rate van seksuele recidive voor de onderscheiden dadergroepen verkrachters/aanranders (n = 53) was 17% en voor pedoseksuele daders (n = 33) was dat 13%. Voor de andere recidivecategorieën lag het recidivepercentage eveneens hoger bij verkrachters/ aanranders dan bij pedoseksuele daders (voor gewelddadige niet-seksuele recidive 34% versus 24%; voor algemeen gewelddadige recidive 43% versus 30%). Voor seksuele delinquenten mét een delictverleden van gewelddadige- en vermogensdelicten (n = 35) gold dat het percentage seksuele recidive hoger was dan voor zedendelinquenten zonder een dergelijk delictverleden (n = 53), respectievelijk 26% en 11%. Voor gewelddadige niet-seksuele recidive bedroegen de percentages respectievelijk 40% en 26%, en voor algemeen gewelddadige recidive respectievelijk 54% en 30%. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de instrumenten Tabel A geeft de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (single measure intraklasse correlatie coëfficiënt (ICC)) van de totaalscores, het eindoordeel en subschalen van de SVR-20, Static- 99, HKT-30 en de PCL-R instrumenten. TABEL A Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R SVR-20 Static-99 HKT-30 PCL-R Totaalscore.78 Totaalscore.83 Totaalscore.81 Totaalscore.84 Eindoordeel.63 Risicocategorie.73 Eindoordeel.61 Factor 1 (1 e ed.).71 Psychosociale.77 Historische items.79 Factor 2 (1 e ed.).77 aanpassing Seksuele delicten.58 Klinische items.76 Interpersoonlijk (2 e ed.).75 Toekomstplannen.66 Toekomst items.72 Affectief (2 e ed.).57 Levenstijl (2 e ed.).84 8
9 Antisociaal (2 e ed.).76 Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). SVR-20. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de SVR-20 (Tabel A) was over het geheel genomen redelijk tot goed te noemen (ICC =.78 voor de SVR-20 totaalscore en.63 voor het gestructureerd klinisch oordeel). De betrouwbaarheid varieerde per subschaal. Deze was goed voor Psychosociale aanpassing (ICC =.77), redelijk voor Toekomstplannen (ICC =.66) en matig voor Seksuele delicten (ICC =.58). De mate van overeenstemming was voor het merendeel van de afzonderlijke items acceptabel (ICC-waarden.60). Static-99. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de Static-99 was, over het geheel genomen, goed tot uitstekend (ICC =.73 voor de risicocategorie en.83 voor de totaalscore). Voor het merendeel van de items was de mate van overeenstemming hoog (ICC-waarden.75), met uitzondering van een aantal items aangaande slachtofferkenmerken die een redelijke overeenstemming tussen beoordelaars liet zien. HKT-30. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de HKT-30 was uitstekend voor zowel de totaalscore als de Historische items (ICC s respectievelijk.81 en.79) en voor de Toekomst en Klinische subschalen was de betrouwbaarheid redelijk tot goed (ICC s respectievelijk.72 en.76). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de afzonderlijke items varieerde sterk. PCL-R. Voor de PCL-R gold dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de totaalscore uitstekend was (ICC =.84) en van Factor 1 en 2 goed (ICC =.71 en.77 respectievelijk). Voor het vier-factorenmodel was de betrouwbaarheid voor de factoren Interpersoonlijk (ICC =.75), Antisociaal (ICC =.76) en Levensstijl (ICC =.84) goed, maar matig voor de factor Affectief (ICC =.57). De betrouwbaarheid van de meeste individuele PCL-R items was redelijk goed. De items van Factor 1 van het twee-factorenmodel lieten verhoudingsgewijs vaker een lagere overeenstemming tussen beoordelaars zien dan de items van Factor 2. 9
10 Voorspellende waarde instrumenten (predictieve validiteit) De voorspellende waarde van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R werd onderzocht met Receiver Operating Characteristics (ROC) analyses. De ROC analyse leidt tot een ROC curve, waarbij de Area under the Curve (AUC) de maat voor de voorspellende waarde van het instrument weergeeft. Tabel B geeft de AUC-waarden, met 95% betrouwbaarheidsinterval, van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R voor de verschillende recidivecategorieën. TABEL B Predictieve validiteit van (subschalen van) de SVR-20 (N=86), Static-99 (N=77), HKT-30 (N=83) en PCL-R (N=84) voor recidive Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Instrument AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI SVR-20 Totaalscore * * Risico-inschatting * * Psychosociale aanpassing * * Seksuele delicten Toekomstplannen * Static-99 Totaalscore ** Risicocategorie * HKT-30 Totaalscore Risico-inschatting Historische/statische indicatoren * Klinische/dynamische indicatoren Toekomstig/situatieve indicatoren * * PCL-R Totaalscore Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) * * Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.)
11 Antisociaal (2 e ed.) * * Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist- Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). Om een inzicht te geven in de percentages correcte en incorrecte inschattingen die ten grondslag liggen aan de gevonden AUC-waarden, wordt de risico-inschatting (laag-matighoog) van elk instrument gerelateerd aan de daadwerkelijke recidive na behandeling. SVR-20. De waarde van de SVR-20 totaalscore voor het voorspellen van seksuele recidive was zeer matig (Tabel B), wat ook gezegd kan worden van de predictieve validiteit van de subschalen van de SVR-20 (AUC-waarden <.60). Ook van de eindbeoordeling (het gestructureerd klinisch oordeel) bleek het onderscheidend vermogen voor seksuele recidive zeer beperkt. De predictieve validiteit van de SVR-20 was enigszins beter voor gewelddadige nietseksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive dan voor seksuele recidive. Voor gewelddadige niet-seksuele recidive bleek de voorspellende waarde redelijk voor de totaalscore, voor het eindoordeel en voor de subschaal Psychosociale aanpassing (significante AUC-waarden respectievelijk.63,.64 en.66). Voor algemeen gewelddadige recidive lieten de SVR-20 totaalscore, het eindoordeel en de subschalen, met uitzondering van de subschaal Seksuele delicten, eveneens een redelijke predictieve validiteit zien (significante AUC-waarden van.63 tot.65). De SVR-20 risicobeoordelingen (laag-matig-hoog) werden gerelateerd aan de daadwerkelijke seksuele recidive na ontslag om inzicht te krijgen in de percentages juiste en onjuiste inschattingen. Veertien procent (n=3) van de laag risico patiënten (volgens de SVR- 20) werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 15% (n=5) van de matig risico en 23% (n=7) van de hoog risico patiënten. Deze verschillen waren niet significant. Static-99. De predictieve validiteit van de Static-99 totaalscore en van de risicocategorie voor seksuele recidive voor de totale groep was zeer matig. Dit gold eveneens voor gewelddadige niet-seksuele recidive. Voor algemeen gewelddadige recidive gold dat de predictieve validiteit van de Static-99 totaalscore en van de risicocategorie redelijk was (significantie AUC-waarden van.67 en.63 respectievelijk). 11
12 Géén enkele patiënt in de risicocategorieën laag en laag gemiddeld (volgens de Static-99) werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict. Daarentegen werden de patiënten (35%; n=9) in de categorie hoog gemiddeld risico significant vaker opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict dan de patiënten in de categorie hoog risico (15%; n=5). HKT-30. De predictieve validiteit van de HKT-30 voor seksuele recidive was zeer matig. Voor gewelddadige niet-seksuele recidive werden significante AUC-waarden gevonden voor de subschalen Historische/statische indicatoren en Toekomstige/situatieve indicatoren van respectievelijk.65 en.63. Voor algemeen gewelddadige recidive bleek de subschaal Toekomstig/situatieve indicatoren een acceptabele voorspellende waarde te hebben (AUC =.65, p <.05). De HKT-30 risicobeoordelingen (laag-matig-hoog) werden gerelateerd aan de daadwerkelijke seksuele recidive na ontslag om inzicht te krijgen in de percentages juiste en onjuiste inschattingen. Acht procent (n=1) van de laag risico patiënten werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 14% (n=6) van de patiënten met een matig risico en 25% (n=7) van de hoog risico patiënten. De verschillen waren niet significant. PCL-R. Voor zowel de PCL-R totaalscore als voor Factor 1 Agressief narcisme en Factor 2 Antisociale levensstijl werden geen significante AUC-waarden gevonden met betrekking tot het voorspellen van seksuele recidive. Met betrekking tot het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele recidive werd een redelijke predictieve validiteit gevonden voor PCL-R Factor 2 Antisociale levensstijl en Factor 4 Antisociaal van het vier-factorenmodel van de PCL-R (AUC-waarden van respectievelijk.63 en.68, p <.05). Deze variabelen waren ook redelijk goede voorspellers van algemeen gewelddadige recidive (AUC-waarden respectievelijk.63 en.65, p <.05). Twintig procent (n=14) van de niet-psychopathische delinquenten (PCL-R < 26) werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 6% (n=1) van de psychopathische delinquenten (PCL-R 26). Voorspellende waarden instrumenten voor onderscheiden subgroepen patienten In de huidige studie is ook nagegaan in hoeverre de predictieve validiteit van de onderzochte instrumenten verschilde voor subgroepen patiënten, te weten verkrachters/aanranders, pedoseksuele daders, patiënten met een geschiedenis van vermogens- en geweldsdelicten en patiënten zonder een dergelijk verleden. 12
13 Verkrachters/aanranders. De SVR-20 had geen voorspellende waarde voor seksuele recidive en gewelddadige niet-seksuele recidive bij verkrachters/aanranders. Wat betreft algemeen gewelddadige recidive was de SVR-20 totaalscore de enige matig significante voorspeller bij verkrachters/aanranders (AUC-waarde van.66, p <.05). De Static-99 totaalscore bleek eveneens geen goede voorspeller te zijn voor seksuele recidive, maar had wel een matig tot redelijke voorspellende waarde voor algemeen gewelddadige recidive onder verkrachters/aanranders (AUC =.68, p <.05). De HKT-30 had evenmin enige voorspellende waarde voor seksuele recidive onder de dadergroep verkrachters/aanranders. Voor algemeen gewelddadige recidive bleek alleen de subschaal Toekomstige/situatieve indicatoren enige predictieve waarde te hebben (AUC =.68, p <.05). De PCL-R, ten slotte, voorspelde noch seksuele recidive, noch gewelddadige nietseksuele recidive en algemeeen gewelddadige recidive bij de groep verkrachters/aanranders. Pedoseksuele daders. Voor zowel de SVR-20, Static-99 en de HKT-30 bleken de totaalscore, subschalen en het eindoordeel geen predictieve waarde te hebben voor het voorspellen van seksuele recidive. De PCL-R liet voor deze groep evenmin een signficante relatie zien met seksuele recidive. Factor 4 ( Antisociaal ) van het vier-factorenmodel van de PCL-R bleek echter een goede voorspeller te zijn van zowel gewelddadige niet-seksuele recidive als algemeen gewelddadige recidive bij pedoseksuele daders (AUC-waarden respectievelijk.78 en.79, p <.01). De SVR-20 subschalen Psychosociale aanpassing en Toekomstplannen lieten beiden een redelijk onderscheidend vermogen zien voor algemeen gewelddadige recidive door pedoseksuele daders (AUC-waarden van.73 en.72, p <.05). Onderscheid naar delictverleden. Voor de subgroep patiënten met vermogens- en geweldsdelicten in het verleden bleek het onderscheidend vermogen van de instrumenten voor het voorspellen van seksuele recidive achter te blijven bij het onderscheidend vermogen van de instrumenten voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. De Static-99 liet voor geen van de recidivecategoriëen een significant positieve samenhang zien. Voor gewelddadige niet-seksuele recidive gold dat de totaalscore van de SVR-20 en de subschaal Psychosociale aanpassing, alsmede de HKT-30 subschaal Toekomstige/situatieve indicatoren dergelijke recidive redelijk voorspelden (AUC-waarden >.70, p <.05). Voor algemeen gewelddadige recidive bleken de HKT-30 totaalscore, de subschalen (uitgezonderd 13
14 de Historische/statische indicatoren ) en het eindoordeel van de HKT-30, alsmede de SVR-20 totaalscore en subschalen Psychosociale aanpassing en Toekomstplannen (AUC-waarden >.70, p <.05) allen een redelijk tot goed vermogen te hebben om recidivisten van nietrecidivisten te onderscheiden. Ook de PCL-R totaalscore, Factor 2 Antisociale levensstijl en de Factor Affectief van het vier-factorenmodel bleken significant geassocieerd met algemeen gewelddadige recidive (AUC-waarden.69 tot.71). Voor de subgroep patiënten met alléén zedendelicten in het verleden (zogenaamde zuivere zedendelinquenten) viel op dat géén van de onderzochte instrumenten over voldoende voorspellende waarde beschikte om seksuele recidive te voorspellen. Opvallend was dat zowel de PCL-R totaalscore (AUC =.20, p <.05) als Factor 1 (Agressief narcisme) van de PCL-R (AUC =.21, p <.05) negatief samenhingen met seksuele recidive bij zuivere zedendelinquenten. Wat betreft gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive bleek eveneens dat géén van de onderzochte instrumenten voor deze groep voldoende voorpellende waarde had, met uitzondering van de Static-99 totaalscore (AUC-waarden respectievelijk.75 en.78, p <.01) en de Static-99 risicocategorie (AUCwaarden respectievelijk.73 en.75, p <.01). Seksuele deviatie, psychopathie en seksuele recidive Zowel voor de totale onderzoeksgroep als voor de groep pedoseksuele daders was er geen duidelijke positieve relatie tussen de aanwezigheid van een seksueel deviante voorkeur en seksuele recidive. Verkrachters/aanranders met een seksueel deviante voorkeur bleken echter wel significant vaker te recidiveren met een seksueel delict dan verkrachters/aanranders zonder seksueel deviante voorkeur (32% versus 9%). Noch bij de totale onderzoeksgroep noch bij de onderscheiden dadergroepen bleek er een samenhang te zijn tussen de combinatie psychopathie/seksueel deviante voorkeur enerzijds en seksuele recidive anderzijds. Conclusies Psychometrische kwaliteit en betrouwbaarheid van de instrumenten De items van SVR-20, Static-99, HKT-30 als de PCL-R blijken betrouwbaar te scoren, al varieert de mate waarin de beoordelaars overeenstemmen op afzonderlijke items soms sterk. Op basis van zowel de SVR-20 als de HKT-30 blijkt het merendeel van de patiënten ingeschat als matig risicovol of hoog risicovol op toekomstige seksuele recidive. Het blijkt niet dat 14
15 één van deze twee instrumenten in vergelijking met de andere het risico structureel hoger of lager inschat. Predictieve validiteit van de instrumenten Voor de totale groep seksuele delinquenten is het onderscheidend vermogen van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R om seksuele recidivisten van niet-seksuele recidivisten te scheiden onvoldoende. Op schaal- of subschaalniveau hebben géén van de instrumenten een onderscheidend vermogen als het gaat om het voorspellen van seksuele recidive. De waarde van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R voor het voorspellen van seksuele recidive in de onderscheiden groepen verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders is beperkt. Voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive geldt dat zowel de SVR-20, de Static-99 en de HKT-30 als de PCL-R een matig tot redelijke validiteit hebben. Met betrekking tot gewelddadige niet-seksuele recidive is Factor 4 Antisociaal van het vier-factorenmodel van de PCL-R relatief gezien de beste voorpeller. Voor algemeen gewelddadige recidive is dit de Static-99 totaalscore. De waarde van de SVR-20, HKT-30 en de PCL-R voor het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive bij verkrachters/aanranders is beperkt, met uitzondering van de Static-99 die een matig tot redelijk onderscheidend vermogen heeft. Voor pedoseksuele daders blijkt evenens beperkte predictieve waarde van de instrumenten, met uitzondering van Factor 4 (Antisociaal) van het vier-factorenmodel van de PCL-R, die een goede predictieve validiteit voor gewelddadige niet-seksuele en algemene gewelddadige recidive toonde. De SVR-20 subschalen Psychosociale aanpassing en Toekomstplannen lieten beiden een redelijk onderscheidend vermogen zien voor algemeen gewelddadige recidive door pedoseksuele daders. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de SVR-20, HKT-30 en de PCL-R een betere predictieve validiteit hebben voor zedendelinquenten met een verleden van vermogensen geweldsdelicten in vergelijking met zedendelinquenten die alléén zedendelicten pleegden. De Static-99 heeft daarentegen voor de zedendelinquenten die alléén zedendelicten pleegden een redelijk tot goede voorspellende waarde voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat de onderzochte instrumenten enige predictieve validiteit hebben, is het zaak aan verbetering te werken, omdat deze validiteit te gering is om er 15
16 belangrijke beslissingen op te baseren. Het huidige project biedt aanknopingspunten om tot verfijning en verbeteringen te komen. Dit rapport moet dan ook worden gezien als een stap in een proces van voortdurende verbetering. Het is van groot belang dat de sector als geheel zich aan dit proces committeert en dat de FPC s daarin eensgezind samenwerken. 16
17 SUMMARY According to the Dutch Code of Criminal Law, a defendant who, at the time of the alleged crime, suffered from a mental defect or disorder may receive what is called a disposal to be involuntarily admitted to a forensic psychiatric hospital on behalf of the state (maatregel van terbeschikkingstelling, tbs-order). The legitimacy of the tbs-order lies in the right for society to protect itself against unacceptable risks of (severe) criminal behaviour. Nowadays, as a general policy, Dutch forensic psychiatric institutions perform structured risk assessments of tbspatients and base their judgement of termination of the tbs-order with acceptable risk for society on these structured methods. The question which instrument is best suited for the prediction of sexual recidivism and should therefore be used in the forensic hospitals as a general procedure, has yet to be answered. Aim of the study The main goal of the current research was to investigate whether the SVR-20, Static-99 and HKT-30 lead to accurate predictions of future sexual and/or nonsexual violence after discharge of male mentally disordered sex offenders in the Netherlands. Also, the predictive validity of psychopathy, according to the Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R), is examined. An important question is whether one risk assessment instrument predicts more accurately than the other(s). Sample The sample consisted of 88 treated high-risk sex offenders, who were involuntarily admitted between May 1983 and January 1999, to one of nine forensic psychiatric hospitals, and were discharged between January 1, 1992 and January 1, The mean treatment duration was 84 months (7 years), varying from six months to more than 15 years. Of the sample, 53 of the patients were convicted for rape or assault and 33 were child molesters (n=33). The remaining two patients were convicted for both rape and child molestation. Procedure 17
18 The study had a retrospective design. The study variables (SVR-20, Static-99, HKT-30 and PCL-R) were coded from institutional files. In general, these files were extensive and contained police records, psychiatric and psychological evaluations, a written criminal history, family background data, treatment plans, treatment evaluations, and the hospital s (bi-) annual advice to the court about the need for prolongation of the tbs-order. All files were reviewed by two independent raters; one rater coded the SVR-20 (and the Static-99 and PCL-R), the other rater coded the HKT-30 (and the Static-99 and PCL-R), without knowledge of recidivism data. In order to establish interrater reliability for the HKT-30 and SVR-20, two raters (in different compositions out of the total group of 35 raters) independently rated 30 files that were randomly selected from the 88 cases. Redivism data were retrieved from the Judicial Documentation register of the Dutch Ministery of Justice. Sexual recidivism was defined as a new conviction by the court for a sexual offense in accordance with Dutch criminal law. Violent nonsexual recidivism was defined as a new conviction by the court for a violent, nonsexual, offense in accordance with Dutch criminal law. Violent recidivism was defined as a reconviction for a violent nonsexual or sexual offense. The mean follow up period after discharge was more than 120 months (10 years), varying from 18 months to more than 15 years. Main results By the end of the follow up period, according to the Judicial registration system, 15 of 88 sexual offenders (17%) were reconvicted for a sexual offense; 28 patients (35%) were reconvicted for a violent nonsexual offense. A total of 35 patients (40%) were reconvicted for a violent (including sexual) offense. For rapists/assaulters, the base rate of sexual recidivism was 17%, for child molesters 13%. The base rates for violent nonsexual and violent recidivism were also higher among rapists (34% versus 24% and 40% versus 30%, respectively). Furthermore, sex offenders with a history of property and/or violent offenses were more likely to reoffend with a sexual offense than sex offenders without a history of property and/or violent offenses (26% versus 11%). In addition, for sex offenders with a history of property and/or violent offenses, the failure rate for violent nonsexual recidivism is 40%, for violent recidivism 54%. For for sex offenders without a history of property and/or violent offenses, the failure rate for violent nonsexual recidivism is 26%, for violent recidivism 30%. 18
19 Interrater reliability SVR-20, Static-99, HKT-30, and PCL-R Table A shows the interrater reliabilities (single measure intraclass correlation coefficients (ICCs)) of the instruments. TABLE A Interrater reliability of the SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R SVR-20 Static-99 HKT-30 PCL-R Total score.78 Total score.83 Total score.81 Total score.84 Risk judgement.63 Risk category.73 Risk judgement.61 Factor 1 (1 st ed.).71 Psychosocial Historical items.79 Factor 2 (1 st ed.).77 adjustment.77 Sexual offenses.58 Clinical items.76 Interpersonal (2 nd.75 ed.) Future plans.66 Future items.72 Affective (2 nd ed.).57 Lifestyle (2 nd ed.).84 Antisocial (2 nd ed.).76 Note. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historical Clinical Future-30. PCL-R = Psychopathy Checklist- Revised. 1 st ed. = first edition of the PCL-R (Hare, 1991). 2 nd ed. = second edition of the PCL-R (Hare, 2003). SVR-20. Overall, the interrater reliability of the SVR-20 was fair to good (Table A), with an ICC for the SVR-20 total score of.78 and.63 for the structured risk judgement. Interrater reliability was good for the Psychosocial adjustment subscale, (ICC =.77), fair for the Future plans subscale (ICC =.66) and poor for the Sexual offenses subscale (ICC =.58). Also, interrater reliability for most of the individual items of the SVR-20 was acceptable (ICCvalues.60). Static-99. Interrater reliability of the Static-99 totalscore was excellent (ICC =.83), and for the risk category it was good (ICC =.73). Also, for most of the individual items interrater reliabilities were good to excellent (ICC-values.75). HKT-30. The interrater reliability of the HKT-30 total score and Historical scale were excellent (ICCs.81 and.79, respectively). The Future and Clinical scales revealed fair to good interrater reliability (ICCs.72 and.76, respectively). Some individual items of the Clinical and Future subscales, however, had poor interrater reliability.. PCL-R. The interrater reliability of the PCL-R total score was excellent (ICC =.84), for Factor 1 and 2 good interrater agreement was obtained (ICC =.71 and.77, respectively). The factors Interpersonal (ICC =.75), Antisocial (ICC =.76) and Lifestyle (ICC =.84) of the 19
20 PCL-R four-factormodel also revealed good interrater reliability. Moderate interrater reliability was obtained for the Affective factor (ICC =.57). Predictive validity SVR-20, Static-99, HKT-30, and PCL-R The predictive validity of the instruments was established with Receiver Operating Characteristics (ROC) analyses. The ROC analyses result in a plot of the true positive rate against the false positive rate for every possible cut off score of the instrument. The area under the curve (AUC) can be interpreted as the probability that a randomly selected recidivist would score higher on the instrument than a randomly selected non-recidivist. Table B shows the AUC values, with 95% confidence intervals, of the SVR-20, Static-99, HKT-30, and PCL-R for sexual, violent nonsexual and violent recidivism. TABLE B Predictive validity of (subscales of) the SVR-20 (N=86), Static-99 (N=77), HKT-30 (N=83) and PCL-R (N=84) for sexual, violent nonsexual recidivism and violent recidivism Recidivism Sexual Violent nonsexual Violent Instrument AUC SE 95% CI AUC SE 95% CI AUC SE 95% CI SVR-20 Total score * * Risk judgement * * Psychosocial adjustment * * Sexual offenses Future plans * Static-99 Total score ** Risk category * HKT-30 Total score Risk judgement Historical indicators * Clinical indicators Future indicators * * PCL-R 20
21 Total score Factor 1 (1 st ed.) Factor 2 (1 st ed.) * * Interpersonal (2 nd ed.) Affective (2 nd ed.) Lifestyle (2 nd ed.) Antisocial (2 nd ed.) * * Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historical Clinical Future-30. PCL-R = Psychopathy Checklist- Revised. 1 st ed. = first edition of the PCL-R (Hare, 1991). 2 nd ed. = second edition of the PCL-R (Hare, 2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Violent nonsexual recidivism includes convictions for homicide offenses (n=7). * p <.05; ** p <.01 (two-tailed). Predictive validity SVR-20. All AUC-values for the SVR-20 total score, and final risk judgement were non-significant. The AUC-values demonstrating the strength of the association with sexual recidivism of the SVR-20 scales (total score, final risk judgement, Psychosocial adjustment, Sexual offenses, Future plans ) were poor. The predictive validity of the SVR- 20 for violent non-sexual recidivism and violent (including sexual) recidivism was better than it was for sexual recidivism. For violent non-sexual recidivism, the predictive validity was fair with significant AUC-values of.63 for the SVR-20 total score,.64 for the final judgement and.66 for the Psychosocial adjustment subscale. For violent recidivism, the SVR-20 total score, the final risk judgement, and the SVR-20 subscales, with the exception of the scale Sexual offenses, demonstrated fair predictive validity (AUC-values from.63 to.65). Fourteen percent (n=3) of the patients considered low risk, according to the SVR-20, were reconvicted for a sexual crime versus 15% (n=5) of the moderate risk and 23% (n=7) of the high risk patients. These differences, however, were not significant. Predictive validity Static-99. No predictive validity for sexual recidivism was found for the Static-99 total score and risk category. Also no predictive validity for violent non-sexual recidivism was found. The predictive validity for violent (including sexual) reoffending, however, was fair for the Static-99 total score (AUC =.67, p <.01) and risk category (AUC =.63, p <.05). None of the patients in the risk categories low or moderate-low (according to the Static-99) was reconvicted for another sexual offense. The patients in the category moderatehigh, however, were more often reconvicted for sexual offenses, 35% (n=9), than patients in the highest risk category ( high ) of the Static-99, 15% (n=5). 21
22 Predictive validity HKT-30. As for the SVR-20 and Static-99, AUC-values for the HKT-30 total score, final risk judgement, and subscales, were non-significant. Thus, the HKT- 30 had no discriminative power for sexual reoffending. The predictive validity of the HKT-30 Historical and Future subscales for violent nonsexual recidivism, however, was significant (AUCs of.65 and.63, p <.05). The HKT-30 Future subscale also had fair predictive validity for violent recidivism (AUC =.65, p <.05). Eight percent (n=1) of the HKT-30 low risk patients were reconvicted for a sexual crime versus 14% (n=6) of the moderate risk, and 25% (n=7) of the high risk patients. The differences were non-significant. Predictive validity PCL-R. With regard to sexual reoffending, only non-significant AUC-values were found for the PCL-R. For violent nonsexual recidivism, a fair predictive validity was found for PCL-R Factor 2 Antisocial Lifestyle of the two-factormodel and Factor 4 Antisocial of the four-factormodel (AUCs.63 and.68, p <.05), which is comparable to the predictive validity of these factors for violent (including sexual) recidivism (AUCs.63 and.65, p <.05). Twenty percent (n = 14) of the non-psychopathic offenders were reconvicted for a sexual offense versus 6% (n = 1) of the psychopathic patients (PCL-R score 26). Predictive accuracy instruments for different subgroups Rapists/assaulters. The SVR-20 had no predictive value for sexual and violent nonsexual reoffending. Only the SVR total score was a moderately significant predictor for violent (including sexual) reoffending in this study (AUC =.66, p <.05). The predictive validity of the Static-99 for sexual recidivism is also insufficient, although it was a moderate to fair predictor for violent reoffending (AUC =.68, p <.05). The HKT-30 demonstrated no discriminative power for sexual recidivism. Only the HKT-30 Future subscale showed moderate discriminative power for violent reoffending (AUC =.68, p <.05). Finally, the PCL-R demonstrated no predictive validity for sexual, violent nonsexual and violent reoffending. Child molesters. The SVR-20, Static-99, HKT-30 and PCL-R did not have any predictive power for sexual reoffending. The SVR-20 subscales Psychosocial adjustment and Future plans, however, showed a fair discriminative power for violent recidivism (AUC- 22
23 values.73 and.72, p <.05). Factor 4 (Antisocial) of the PCL-R four-factor model was a good predicitor for violent nonsexual and violent reoffending (AUC-values of.78 and.79, p <.01). Sex offenders with a history of property and/or violent offenses versus sex offenders without a history of property and/or violent offenses. For sex offenders without a history of property and/or violent offenses, none of the instruments had sufficient predictive validity with regard to sexual recidivism. Remarkably, the PCL-R total score and Factor 1 were negatively associated with sexual reoffending (AUCs.20 and.21, p <.05). For violent nonsexual and violent reoffending, the Static-99 total score and risk category had sufficient to strong predictive value for violent nonsexual (AUCs.75 and.78, p <.01) and violent reoffending (AUCs.73 and.75, p <.01). In general, for sex offenders with a history of property and/or violent crimes prior to their (sexual) index offense, the discriminative power of the instruments was more sufficient when compared to sex offenders without a history of property and/or violent offenses. Although the instruments lacked any predictive power for sexual recidivism, it was found that the SVR-20 total score, the SVR-20 Psychosocial adjustment subscale, and the HKT-30 Future subscale were fairly strong associated with violent nonsexual reoffending (AUCvalues >.70, p <.05). For violent (including sexual) recidivism, the HKT-30 total score, as well as the HKT-30 Clinical and Future subscales and the structural clinical judgement had fair to good discriminative power (AUCs >.70, p <.05). The PCL-R totalscore, Factor 2 Antisocial lifestyle, and, surprisingly, Factor 2 (Affective) of the PCL-R four-factor model were significantly associated with violent (including sexual) reoffending (AUCs.69 to.71 p <.05). Sexual deviance, psychopathy and sexual recidivism For the total group, as for child molesters, no positive relation was found between the presence of sexual deviant preferences and sexual reoffending. For rapists/assaulters, however, it was found that those with sexual deviant preferences were significantly more often reconvicted (32% versus 9%) for a sexual offense after treatment than rapist/assaulters without sexual deviant preferences. The association between the combination of psychopathy and sexual deviant preferences on one hand and sexual reoffending on the other hand was not confirmed in this study. 23
24 Conclusions The present study examined the psychometric quality, reliability and the predictive validity of the structured risk assessment tools for a group of released Dutch offenders, convicted for a sexual offense, involuntarily admitted to a forensic psychiatric hospital. The main results are summarized below. Psychometric quality and reliability of the instruments The SVR-20, Static-99, HKT-30 and the PCL-R can be coded consistently and reliably from patient files, although interrater reliability on individual items varies. Based on structured risk judgements of both the SVR-20 and the HKT-30 the greater part of the patients was assessed as moderate risk or high risk on future offending. Neither of these two risk assessment instruments appears to assess risk of future offending structurally higher or lower in comparison to the other. Predictive validity of the instruments For the total group of sex offenders, the discriminative power of the SVR-20, Static-99, HKT- 30 and the PCL-R to discriminate those who sexually reoffend after treatment from patients that do not reoffend is insufficient. Dividing subjects according to type of index offense (rapists/assaulters versus child molesters) revealed that the SVR-20, Static-99, HKT-30 and the PCL-R did not predict sexual reoffending in both goups. For the prediction of violent nonsexual and violent reoffending, the SVR-20, Static-99, HKT-30 and PCL-R have moderate to fair discriminative power. With regard to violent nonsexual reoffending, Factor 4 (Antisocial) of the PCL-R four-factor model was the best predictor, for violent (including sexual) recidivism the Static-99 totalscore was the best predictor. For rapists/assaulters, the predictive validity of the SVR-20, HKT-30 and the PCL-R for violent nonsexual and violent (including sexual) reoffending is weak to moderate, the Static-99 has moderate to fair discriminative power. For child molesters, the predictive validity of the SVR-20 Psychosocial adjustment and Future plans for violent nonsexual and violent (including sexual) reoffending was moderate. PCL-R Factor 4 (Atisocial) of the four factor model of the PCL-R was a good predictor of violent nonsexual and violent recidivism. Divding subjects according to crime history (sex offenders with a history of property and/or violent crimes versus sex offenders without a history of property and/or violent offenses) revealed that, for all categories of reoffending, the predictive accuracy of the risk 24
25 assessment tools was better for sex offenders with a history of property and/or violent crimes. The Static-99, however, had fair to good discriminative power for violent nonsexual reoffending and violent reoffending in the group of sex offenders without a history of property/violent crimes. 25
26 1. INLEIDING De afgelopen jaren is het gebruik van gestructureerde klinische risicotaxatie voor het inschatten van recidiverisico s gemeengoed geworden in de Nederlandse forensisch psychiatrische centra. Vanaf januari 2003 zijn met alle forensisch psychiatrische centra afspraken gemaakt over de fase(n) waarin toepassing van een risicotaxtie-instrument bijdraagt aan de beslissing over het eventueel aan een tbs-gestelde te verlenen verlof of verlengingsadvies. In het Vernieuwde verlofbeleidskader TBS (Werkgroep verlof en veiligheidsbeleid TBS, 2004) staat voorgeschreven, dat in een verlofaanvraag de inschatting van het risico voor (seksueel) gewelddadig gedrag dient te worden vastgesteld met behulp van enkele risicotaxatieinstrumenten. Onlangs is het beleidskader voor verlofaanvragen aangepast naar de laatste (wetenschappelijke) inzichten over belangrijke factoren die mogelijk wijzen op een verhoogd (recidive)risico ( Verloftoetsingskader 2007 ). In dit zogenaamde verloftoetsingskader is vastgesteld dat een risicotaxatie dient te gebeuren met behulp van de risicotaxatie-instrumenten HCR-20 en/of HKT-30. Voor seksuele delinquenten dient daarnaast de SVR-20 te worden toegepast voor een taxatie van het risico op een seksueel delict. Daarnaast dient de PCL-R te worden afgenomen. In 2005 werd in een multicenter retrospectief onderzoek de betrouwbaarheid en predictieve validiteit van de HCR-20, HKT-30 en de PCL-R onderzocht (Hildebrand, Hesper, Spreen & Nijman, 2005) bij een groep uitgestroomde ex-ter beschikking gestelden. De onderzoekspopulatie, afkomstig uit acht klinieken, bestond uit 156 mannelijke patiënten die veroordeeld waren voor een gewelddadig niet-seksueel delict. In dat onderzoek werd aangetoond dat zowel HCR-20 als de HKT-30 en de PCL-R van zowel voldoende psychometrische kwaliteiten als predictieve validiteit waren voor risicotaxatie. In onderhavig onderzoek staan de psychometrische kwaliteiten en de predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99 en de HKT-30 voor seksueel delinquenten centraal. Daarnaast wordt de PCL-R meegenomen in het onderzoek, omdat dit instrument veel gebruikt wordt in de forensische psychiatrische praktijk. Het uitvoeren van gedegen risicotaxatie bij zedendelinquenten is in vele opzichten van belang. Er dient regelmatig een uitspraak gedaan te worden over het risico op toekomstig gewelddadig gedrag alvorens een (proef)verlof te starten en/of de TBS (voorwaardelijk) te beëindigen (Nieuwenhuijzen & Philipse, 2002). Deskundigen die zich bezighouden met het inschatten van (recidive) risico s bij seksuele delinquenten dienen zich bewust te zijn van de specifieke kenmerken van verschillende typen zedendelinquenten (zoals pedoseksuele daders, 26
27 verkrachters, etc.) om in het individuele geval een goede inschatting van het recidiverisico te kunnen maken. Steeds vaker wordt benadrukt dat zedendelinquenten een zeer heterogene groep vormen (Doren, 1998; Prentky, Lee, Knight, & Cerce, 1997; de Vogel, 2005). Voor pedoseksuele daders of verkrachters/aanranders geldt bijvoorbeeld dat zij van elkaar verschillen in termen van socio-demografische kenmerken. De Ruiter en De Vogel (2004) geven een overzicht van achtergrondkenmerken zoals leeftijd, intelligentie, hulpverleningsgeschiedenis (zoals aantal klinische opnames) en dader- en delictkenmerken van pedoseksuele daders en verkrachters/aanranders. Zo blijkt uit een studie van de Vogel, de Ruiter, Beek & Mead (2003), in een overigens zeer beperkte steekproef (N=10) van pedoseksuele daders die onbekende jongens als slachtoffer hebben, dat deze vaker recidiveerden dan verkrachters. Pedoseksuele daders met meisje als slachtoffer recidiveren minder vaak dan verkrachters, en incestdaders recidiveren over het algemeen het minst (Quinsey, Lalumière, Rice & Harris, 1995). Opgemerkt wordt verder dat de base rate niet alleen afhankelijk is van dadertype, maar ook van factoren als de duur van de observatieperiode, het recidivecriterium (bijvoorbeeld arrestatie, veroordeling, detentie of zelfrapportage) en de aard van de recidive (bijvoorbeeld: niet-seksueel of seksueel) (o.a. Nieuwenhuijzen & Philipse, 2002). Alvorens een overzicht te geven van het Nederlandse onderzoek naar het gebruik van bovengenoemde risicotaxatie instrumenten bij forensisch psychiatrische patiënten die een tbs-maatregel opgelegd hebben gekregen voor een seksueel delict, worden eerst de verschillende methodes van risicotaxatie besproken. Methoden van risicotaxatie In de meeste Nederlandse forensisch psychiatrische centra werd toekomstig gewelddadig gedrag tot zo n 10 jaar geleden ingeschat volgens het zogenaamde ongestructureerd klinisch oordeel. Bij de ongestructureerde klinische inschatting van het risico (de klinische blik ) worden de risico s op basis van een subjectieve inschatting door de behandelaar(s) bepaald. Kenmerkend voor deze benadering is dat er geen beperkingen zijn opgelegd aan de beoordelaars wat betreft de wijze waarop zij een beslissing nemen (Grove & Meehl, 1996). Bovendien zijn zij volledig vrij in de manier waarop zij hun informatie verzamelen en gebruiken; de aard en het aantal van de risicofactoren ligt niet vast en is niet gestandaardiseerd. Deze traditionele klinische inschatting doet een sterk beroep op de autoriteit en werkervaring van de deskundige (de Ruiter, 2002). Uit onderzoek is komen vast te staan dat aan deze ongestructureerde inschatting een aantal nadelen kleven, zoals lage betrouwbaarheid en validiteit (Monahan, 1981). Vanwege deze nadelen zijn gestructureerde/ gestandaardiseerde 27
28 instrumenten ontwikkeld. Op basis van het onderzoek dat de laatste 20 jaar is verricht naar risicofactoren voor gewelddadig gedrag zijn er een tweetal typen risicotaxatie instrumenten ontwikkeld: (1) actuariële instrumenten en (2) instrumenten volgens het gestructureerde klinisch oordeel (structured professional judgement). Beide typen instrumenten worden hieronder toegelicht (zie ook Philipse, 2005; de Vogel, 2005). Actuariële risicotaxatie Bij de actuariële benadering wordt de inschatting van het delictgevaar gebaseerd op factoren waarvan in wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat ze verband houden met delictgedrag. De actuariële benadering is voornamelijk gebaseerd op historische factoren. Beoordelaars maken op grond van de hun ter beschikking staande informatie volgens vaststaande en expliciete regels een uiteindelijke beoordeling over het ingeschatte risico. Een voorbeeld van een actuarieel instrument is de Static-99 (Hanson & Thornton, 1999; Nederlandse bewerking: Van Beek, de Doncker & de Ruiter, 2001), die in Nederland wordt gebruikt voor onderzoek en risicotaxatie om toekomstig seksueel gewelddadig gedrag in te schatten. Zowel de aard van de risicofactoren als hun scoring is gestandaardiseerd; de eindconclusie van de taxatie wordt vastgesteld aan de hand van een vastliggend algoritme. Vergelijkend onderzoek heeft aangetoond dat de actuariële risicotaxatie betere resultaten geeft dan het voorspellen van risico op grond van een ongestructureerde klinische inschatting (bijvoorbeeld Mossman, 1994). Een belangrijk voordeel is dat met de actuariële benadering de consistentie en nauwkeurigheid van de risicotaxatie verbeterd is, waardoor de conclusie voor de hand ligt, dat de gesystematiseerde aanpak van de actuariële benadering de voorkeur verdient boven een zuiver klinische benadering. Aan het gebruik van actuariële instrumenten kleven echter ook een aantal nadelen, zij bevatten vaak slechts een beperkt aantal factoren. Bovendien zijn actuariële instrumenten vooral gericht op historische (statische) factoren, zoals demografische kenmerken en criminele voorgeschiedenis. Daardoor hebben zij slechts een beperkt praktisch nut, omdat zij nauwelijks geschikt zijn om behandeldoeleinden te identificeren en veranderingen te meten door middel van herhaalde metingen (Grubin, 1997). Gestructureerd klinische risicotaxatie Zowel op de ongestructureerde klinische inschatting als op de zuiver actuariële benadering zijn de nodige op- en aanmerkingen gemaakt. De vraag rijst op welke manier het risico van toekomstig (seksueel) gewelddadig gedrag vastgesteld dient te worden. Eén van de 28
29 alternatieven is het maken van een gestructureerde klinische inschatting: een risicotaxatie uitgevoerd volgens enkele expliciete richtlijnen die gebaseerd zijn op uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. De laatste tien jaren wordt door deskundigen het gebruik van dergelijke gestandaardiseerde instrumenten zoals de Historical Clinical Risk Management- 20 (HCR-20; Webster, Douglas, Eaves, & Hart, 1997; Nederlandse bewerking: Philipse, de Ruiter, Hildebrand, & Bouman, 2000) en het in Nederland ontwikkelde instrument de HKT-30 (Historisch Klinisch Toekomst-30) voor gewelddadige delinquenten en de Sexual Violence Risk-20 (SVR-20; Boer, Hart, Kropp, & Webster, 1997; Nederlandse versie: Hildebrand, de Ruiter, & van Beek, 2001) voor seksuele delinquenten sterk aanbevolen om de betrouwbaarheid en de predictieve validiteit van de taxatie te verbeteren en vergroten (Borum, 1996; Douglas, Cox, & Webster, 1999). Deze instrumenten bevatten de belangrijkste statische (historische) en dynamische (in principe veranderbare) risicofactoren voor het betreffende delictgedrag, waarvoor in de meeste gevallen empirische onderbouwing gevonden is. Bij het gestructureerd klinisch oordeel wordt op een gestandaardiseerde wijze de risicotaxatie uitgevoerd door een deskundige met behulp van een checklist met vastgestelde risico-items. Kenmerkend voor deze methode is dat de deskundige niet alleen de items scoort en bij elkaar optelt om tot een conclusie over het risico te komen, maar daarnaast zijn/haar kennis en ervaring gebruikt om de items te interpreteren, te integreren, te combineren en te wegen. Het eindoordeel over het risico van toekomstig geweld wordt door de deskundige ingeschat als laag, matig of hoog. Door het scoren van de checklist van risicofactoren krijgt de deskundige meer inzicht in de risicofactoren van de patiënt en kan op basis daarvan behandelingsstrategieën opstellen gericht op het verminderen van recidiverisico. Uit wetenschappelijk onderzoek zijn aanwijzingen dat deze risicotaxatie instrumenten betrouwbaar zijn te scoren door getrainde beoordelaars, zelfs op basis van alléén dossierinformatie (bijvoorbeeld Douglas, Ogloff, Nicholls, & Grant, 1999) en dat zij een goede voorspellende waarde bezitten (o.a. Strand, Belfrage, Fransson, & Levander, 1999). 29
30 Risicotaxatie in Nederland: de predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99 en PCL-R bij mannelijke seksuele delinquenten 1 Onderstaand wordt ingegaan op recent Nederlands empirisch onderzoek naar de predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R 2 bij seksuele delinquenten. Omdat het er ons om gaat de wetenschappelijke stand van zaken in Nederland te schetsen, wordt op deze plaats niet ingegaan op buitenlands onderzoek naar de voorspellende waarde van de SVR- 20, Static-99 en PCL-R. In het afsluitende hoofdstuk zullen de onderzoeksresultaten die in dit rapport worden gepresenteerd uiteraard ook worden bezien in het licht van internationale bevindingen. De SVR-20 De Vogel en collega s (De Vogel, de Ruiter, van Beek, & Mead, 2003) voerden een retrospectief onderzoek uit onder 121 zedendelinquenten die tussen 1974 en 1996 waren opgenomen in de van der Hoevenkliniek. Uit de resultaten bleek dat het eindoordeel (laag, matig of hoog risico) na een gestructureerde risicotaxatie met behulp van de SVR-20 een goede voorspeller was van seksuele recidive, bepaald met behulp van ROC AUC waarden 3 (AUC =.82, zie Tabel 1). TABEL 1 Predictieve validiteit SVR-20 (N=121). Bron: De Vogel e.a., (2003). Recidivecategorie Seksueel (n = 47) Gewelddadig nietseksueel a (n = 55) Enig (n = 89) SVR-20 AUC SE r AUC SE r AUC SE r 1 Tot op heden is geen onderzoek verricht naar de waarde van de HKT-30 voor het voorspellen van seksuele recidive bij zedendelinquenten. Vooralsnog is dan ook onbekend in hoeverre bij seksuele delinquenten hoge scores op de HKT-30 risicoindicatoren en/of het gestructureerd klinisch oordeel gerelateerd zijn aan seksuele recidive, of aan andere vormen van crimineel gedrag. Eerder valideringsonderzoek naar de (individuele items van de) HKT-30 richtte zich uitsluitend op (ex) tbs-patiënten die de maatregel opgelegd hadden kregen vanwege een ernstig (niet-seksueel) gewelddadig delict (Hildebrand, e.a., 2005). 2 De Psychopathie Checklist-Revised (PCL-R; Hare, 1991, 2003; Nederlandse bewerking: Vertommen, e.a., 2002) is geen risicotaxatie-instrument, maar een checklist om de diagnose psychopathie vast te stellen. Vanwege de goede voorspellende waarde van de PCL-R score voor (seksueel) gewelddadig gedrag wordt de PCL-R in de bespreking van Nederlands onderzoek ook meegenomen. 3 ROC AUC betekent: Receiver Operating Characteristic Analysis Area Under the Curve. De AUC is een veelgebruikte maat voor predictieve validiteit (Mossman, 1994). 30
31 Totaalscore.77 *** **.66 ** **.70 *** ** Gestructureerd.82 *** **.64 * **.67 ** ** klinisch oordeel Psychosociale.65 ** **.67 ** **.70 *** ** aanpassing Seksuele delicten.76 *** ** ** Toekomstplannen.75 *** **.67 ** **.72 *** ** Noot. AUC = Area Under the Curve. SE = Standard Error. r = Pearson s correlatie coëfficiënt a Exclusief levensdelicten * p <.05; ** p <.01; *** p <.001 (tweezijdig). Koster, van Lankveld, en Spreen (2006) onderzochten retrospectief de psychometriche kwaliteiten en de predictieve validiteit van de SVR-20 gebruikmakend van dossierinformatie van 58 zedendelinquenten die in de jaren 1984 tot 2002 uitgestroomd zijn uit de Dr. S van Mesdag kliniek. Dertig van de 58 zedendelinquenten zijn na de tbs at risk geweest na uitstroom uit de tbs, anders gezegd, zij hebben de mogelijkheid gehad om een recidive te plegen in de maatschappij. Uit de resultaten (Tabel 2) bleek dat zowel de SVR-20 totaalscore als het gestructureerde klinisch oordeel een positieve echter niet significante samenhang hebben met zowel seksuele als gewelddadige niet-seksuele recidive (AUC-waarden tussen.63 en.74). Mogelijk waren de kleine aantallen van de onderzoeksgroep en de lage base rate van recidive debet aan de niet significante resultaten. Op basis van hun resultaten, bleken voor algemeen gewelddadige (dus inclusief seksuele) recidive het gestructureerde klinisch oordeel en de totaalscore van de SVR-20 goede voorspellers te zijn. De somscores op de subschalen, met uitzondering van de subschaal Seksuele delicten, waren redelijk tot goed in staat de recidivisten van de niet-recidivisten te onderscheiden. TABEL 2 Predictieve validiteit SVR-20 (N=30). Bron: Koster e.a., (2006) Recidivecategorie Seksueel (n = 4) Gewelddadig nietseksueel (n = 7) Gewelddadig (incl. seksueel) (n = 10) SVR-20 AUC 95% BI AUC 95% BI AUC 95% BI Totaalscore *
32 Gestructureerd klinisch oordeel Psychosociale aanpassing * * Seksuele delicten Toekomstplannen * Noot. AUC = Area Under the Curve. 95% BI = 95% betrouwbaarheidsinterval. * p <.05 (tweezijdig). De Static-99 In eerder genoemd onderzoek van De Vogel e.a. (2003) werd ook de predictieve validiteit van de Static-99 onderzocht (Hanson & Thornton, 1999). In vergelijking met het eindoordeel van de SVR-20 waren de predictieve waarden van zowel de Static-99 totaalscore als de risicocategorie beduidend lager (respectievelijk AUC =.69 en AUC =.65, zie Tabel 3). Voor de inschatting van gewelddadige niet-seksuele recidive als enige recidive bleek de Static-99 minder geschikt te zijn. TABEL 3 Predictieve validiteit Static-99 (N=121). Bron: De Vogel e.a., (2003). Recidivecategorie Seksueel (n = 47) Gewelddadig nietseksueel a (n = 55) Enig (n = 89) Static-99 AUC SE r AUC SE r AUC SE r Totaalscore.69 ** ** Risicocategorie.65 ** ** Noot. AUC = Area Under the Curve. SE = Standard Error. r = Pearson correlatie coëfficiënt a Exclusief levensdelicten * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). Recent onderzochten Van Horn, Mulder, en Scholing (2006) recidive bij subgroepen zedendelinquenten in een ambulante forensische setting alsook de predictieve waarde (met behulp van survival analyses, geen AUC-waarden werden gepresenteerd) van de Static-99 in deze populatie. In dit onderzoek zijn 149 zedendelinquenten gevolgd over een periode van 32
33 gemiddeld 32 maanden; in deze periode recidiveerden 10% met een seksueel delict en 4% met een geweldsdelict. Bij 133 van de 149 onderzochte zedendelinquenten die (vrijwillig of binnen een justitieel kader) behandeld werden in de Waag het centrum voor ambulante forensische psychiatrie van de Van der Hoeven Stichting werd aan de hand van de Static-99 totaalscore bepaald of zij een hoog recidiverisico (Static-99 totaalscore van 4 of meer) dan wel een laag recidiverisico op een nieuw zedendelict hadden. Het bleek dat degenen waarvan het recidive risico aan de hand van de Static-99 als hoog werd ingeschat ook daadwerkelijk meer recidiveerden met een zedendelict (20% versus 3%, p <.05). De diagnose psychopathie volgens de PCL-R De predictieve validiteit van de PCL-R voor het voorspellen van recidive bij verkrachters/aanranders is redelijk (Tabel 4), zo kan worden geconstateerd op basis van onderzoek verricht door Hildebrand, de Ruiter, en de Vogel (2003, 2004). De auteurs onderzochten de relatie tussen psychopathie (PCL-R) en (seksuele) recidive in een groep van 94 verkrachters/aanranders die tussen 1975 en 1996 was opgenomen in de Van der Hoeven Kliniek. Alle delinquenten werden retrospectief gevolgd vanaf de datum van ontslag (definitief vertrek uit de kliniek), dan wel overplaatsing naar een andere kliniek, tot een nieuwe veroordeling of tot de einddatum van het onderzoek (gemiddelde follow up periode = 11.8 jaar). Voor de PCL-R totaalscore, als mede voor Factor 2 (Antisociale levensstijl), werden significante AUC waarden (AUC.65) gevonden voor vier onderzochte recidivecategorieën: gewelddadige niet-seksuele recidive, seksuele recidive, gewelddadige recidive, en enige recidive. Voor Factor 1 (Agressief narcisme) werd een redelijke predictieve validiteit gevonden voor wat betreft seksuele en enige recidive. Factor 1 bleek echter geen significante voorspeller te zijn van veroordelingen voor (niet-seksuele) gewelddadige delicten. Tabel 4 geeft de AUC waarden, met bijbehorend 95% betrouwbaarheidsinterval (BI), weer. TABEL 4 Predictieve validiteit PCL-R (N=94). Bron: Hildebrand e.a., (2003). Recidivecategorie Seksueel (n = 32) Gewelddadig niet-seksueel (n = 44) Gewelddadig (+ seksueel) (n = 52) Algemeen (n = 69) 33
34 AUC 95% BI AUC 95% BI AUC 95% BI AUC 95% BI PCL-R Totaalscore.68 ** * ** ** Factor 1.67 ** ** Factor 2.65 * ** ** ** Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. AUC = Area Under the Curve. 95% BI = 95% betrouwbaarheidsinterval. * p <.05; ** p <.01 (tweezijdig). De resultaten van het onderzoek toonden tevens aan dat delinquenten met een hoge score op de PCL-R ( 26) in vergelijking met laagscoorders een sterk verhoogd (ongeveer twee-eneen half keer zo hoog) recidive percentage hadden: 55% van de psychopathische delinquenten werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 23% van de niet-psychopaten [ 2 (1, 94) = 9.52, p <.01]. Psychopathische delinquenten werden ook vaker opnieuw veroordeeld voor niet-seksuele gewelddadige delicten dan niet-psychopaten [64% vs. 38%, 2 (1, 94) = 5.78, p <.05]. Met behulp van survival analyses werd aangetoond dat psychopathische verkrachters/aanranders significant sneller recidiveren met een gewelddadig (inclusief seksueel) delict dan niet-psychopatische delinquenten (Hildebrand, e.a., 2003). Ook in het onderzoek van Koster en collega s (2006) is gekeken naar de voorspellende waarde van de PCL-R. De resultaten die betrekking hadden op de voorspellende waarde van de PCL-R totaalscore van, alsmede Factor 1 en Factor 2 van de PCL-R, zijn enigszins beperkt door het kleine aantal van de populatie at risk, en de lage base rate van seksuele en gewelddadige recidive (zie Tabel 5). Zowel de PCL-R totaalscore als de Factor scores vertoonden een positieve, niet-significante samenhang met seksuele recidive. Voor gewelddadige (inclusief seksuele) recidive bleken vooral de PCL-R totaalscore en de score op Factor 2 (Antisociale levensstijl) een significante samenhang te vertonen met toekomstig gewelddadig gedrag (AUC respectievelijk.82 en.83). TABEL 5 Predictieve validiteit PCL-R (N=30). Bron: Koster e.a. (2006) Recidivecategorie 34
35 Seksueel (n = 4) Gewelddadig nietseksueel (n = 7) Gewelddadig (incl. seksueel) (n = 10) PCL-R AUC 95% BI AUC 95% BI AUC 95% BI Totaalscore * ** Factor Factor * *** Interpersoonlijk (2 e ed.) * Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) ** Antisociaal (2 e ed.) * Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. AUC = Area Under the Curve. 95% BI = 95% betrouwbaarheidsinterval. * p <.05; ** p <.01; *** p <.001 (tweezijdig). Onderzoeksvragen In navolging van een eerder multicenter onderzoek naar de voorspellende waarde van verschillende risicotaxatie-instrumenten bij gewelddadige delinquenten (Hildebrand e.a., 2005) is de algemene doelstelling van het onderhavige onderzoek te onderzoeken of de risicotaxatieinstrumenten voor het beoordelen van het risico van seksueel gewelddadig gedrag de SVR- 20 en de Static-99 die in de Nederlandse forensisch psychiatrische centra gebruikt worden, geschikt zijn voor het inschatten van het risico van seksuele recidive onder ex-ter beschikking gestelden zedendelinquenten. Daarnaast wordt onderzocht wat de waarde is van de HKT-30 voor deze groep tbs-patiënten, aangezien in de HKT-30 ook enkele specifieke risicofactoren voor seksuele recidive zijn opgenomen (de items Seksuele deviatie en Seksuele preoccupatie ). Tenslotte onderzoeken wij de voorspellende waarde van de diagnose psychopathie, zoals vastgesteld met behulp van de PCL-R, om na te gaan of de aanwezigheid van deze diagnose een belangrijke onderscheidende factor is. Zoals gezegd: de PCL-R is geen risicotaxatie instrument maar vanwege de eerder aangetoonde relatie met gewelddadige (seksuele) recidive bij forensisch psychiatrische patiënten (bijvoorbeeld, Grann, Langström, Tengstrom & Kullgren, 1999; Hildebrand e.a., 2004; Rice & Harris, 1995, Olver & Wong, 2006) is deze in veel risicotaxatie-instrumenten opgenomen (zie ook Hildebrand & de Ruiter, 2005). 35
36 Een belangrijke vraag is of en in hoeverre de instrumenten is staat zijn (seksuele) recidivisten van niet-recidivisten te scheiden. De algemene doelstelling wordt verwoord in de volgende twee onderzoeksvragen: 1. Wat zijn de psychometrische kwaliteiten van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en van de PCL-R? 2. Wat is de predictieve waarde van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en van de PCL-R voor (seksuele) recidive bij ex-ter beschikking gestelde seksuele delinquenten? Indeling rapport In Hoofdstuk 2 wordt de methode van onderzoek beschreven. Aan de orde komen de gebruikte instrumenten, de karakteristieken van de onderzoeksgroep, de gehanteerde scoringsprocedure, en een beschrijving van de en de statistische analyses. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van de belangrijkste resultaten met betrekking tot de psychometrische eigenschappen van de instrumenten. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de resultaten van de totale onderzoeksgroep met betrekking tot de predictieve validiteit van de onderzochte instrumenten in relatie tot recidive, waarna in Hoofdstuk 5 deze analyses worden weergegeven voor twee onderscheiden dadergroepen, te weten (1) verkrachters/aanranders en (2) pedoseksuele daders. In Hoofdstuk 6 worden analyses gepresenteerd met betrekking tot de relatie tussen seksuele deviatie, psychopathie en seksuele recidive. In Hoofdstuk 7 worden enkele exploratieve analyses beschreven, onder andere naar de relatie tussen statische achtergrondvariabelen en recidive. Hoofdstuk 8, ten slotte, biedt een beschouwing van de belangrijkste resultaten, waarbij vergeleken wordt met eerdere resultaten van soortgelijke (buitenlandse) studies, alsmede enige conclusies en aanbevelingen voor vervolgonderzoek. 36
37 2. METHODEN VAN ONDERZOEK In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de de gebruikte instrumenten, de karakteristieken van de onderzoekspopulatie, de gevolgde (scorings) procedure, en van de gebruikte statistische analyses. Instrumenten Sexual Violence Risk-20 (SVR-20; Boer e.a., 1997; Nederlandse bewerking: Hildebrand e.a., 2001) De SVR-20 is een instrument voor het inschatten van het risico op toekomstig seksueel gedrag bij volwassen seksuele delinquenten. De SVR-20 is ontwikkeld op basis van literatuurstudie van empirisch onderzoek en op ervaringen van clinici. De checklist bestaat uit 20 items verdeeld over drie subschalen: (1) psychosociale aanpassing (11 items), (2) seksuele delicten (7 items) en (3) toekomstplannen (2 items), die door een beoordelaar op basis van alle beschikbare gegevens over de onderzochte worden gescoord op een driepuntsschaal, waarbij 0 betekent dat het item volgens de beschikbare informatie niet aanwezig is, 1 weergeeft dat het item, wellicht of gedeeltelijk aanwezig is, en een 2 betekent dat het item duidelijk aanwezig is. 4 In Tabel 6 worden de items van de SVR-20 weergegeven. De SVR-20 biedt tevens de ruimte om andere overwegingen op te nemen, specifieke risicofactoren die voor een individuele casus van belang zijn en niet onder de definitie van één van de 20 items vallen. Voor iedere risicofactor wordt eveneens recente veranderingen aangegeven. Vervolgens volgt een klinische beschouwing van de scores op de individuele items en wordt een risico-inschatting in termen van laag risico, matig risico of hoog risico op een seksuele recidive vastgesteld (final risk judgement). Bij deze procedure moeten een aantal kanttekeningen worden gemaakt. Het is, in zijn algemeenheid, redelijk om aan te nemen dat hoe meer risicofactoren er in een bepaald geval aanwezig zijn, hoe groter het risico van gewelddadig gedrag. Echter, de relatie tussen het aantal aanwezige risicofactoren en het risico van seksueel gewelddadig gedrag is niet lineair. Het risico hangt mogelijk af van een specifieke combinatie van factoren en niet alleen van het aantal. Bovendien is ieder in te schatten risico individu-specifiek. Ook is het theoretisch mogelijk dat een patiënt een hoog risico heeft, gebaseerd op de aanwezigheid van slechts één enkele risicofactor, zoals Seksuele deviatie (SVR-20 item 1). Er kunnen tevens externe factoren bestaan (bijvoorbeeld de aanwezigheid 4 In de SVR-20 handleiding wordt gebruikt gemaakt van de symbolen N,? en J. 37
38 van een ernstige lichamelijke handicap) die kunnen leiden tot de conclusie laag risico, terwijl tevens sprake is van veel risicofactoren. De eindbeoordeling in termen van laag, matig of hoog risico geldt voor een specifieke periode (bijvoorbeeld gedurende een bepaalde behandelfase), en dient voor iedere nieuwe context opnieuw te worden afgenomen. TABEL 6 Items van de Sexual Violence Risk-20 (SVR-20; Boer e.a., 1997) Psychosociale aanpassing Seksuele delicten Toekomstplannen 1 Seksuele deviatie 12 Hoge dichtheid van seksuele delicten 2 Slachtoffer van 13 Meerdere typen van seksuele kindermishandeling delicten 3 Psychopathie 14 Lichamelijk geweld bij slachtoffer(s) van seksuele delicten 4 Ernstige psychiatrische 15 Gebruik van wapens of stoornis bedreigingen met de dood tijdens plegen seksueel delict 5 Problemen met het 16 Escalatie in frequentie of ernst gebruik van middelen 6 Suïcidale/homicidale gedachten van seksuele delicten 17 Extreme minimalisering of ontkenning van seksuele delicten 7 Relatieproblemen 18 Opvattingen waaruit goedkeuring of vergoeilijking van seksuele delicten blijkt 8 Problemen met betrekking tot het arbeidsverleden 9 Eerder gepleegde, niet seksueel gewelddadige delicten 10 Eerder gepleegde, nietseksueel, nietgewelddadige delicten 11 Eerdere schending van voorwaarden 19 Ontbreken van realistische toekomstplannen 20 Negatieve houding ten opzichte van interventies Static-99 (Hanson & Thornton, 1999; Nederlandse bewerking: Van Beek e.a., 2001 ) De Static-99 (Hanson & Thornton, 1999) is een actuarieel instrument voor het inschatten van het risico van seksuele recidive bij volwassen seksuele delinquenten. Het instrument is ontstaan uit een integratie van twee eerder ontwikkelde actuariële risicotaxatie-instrumenten voor 38
39 seksueel delictgedrag, de Rapid Risk Assessment of Sexual Offense Recidivism (RRASOR; Hanson, 1997) en de Structured Anchored Clinical Judgement (SACJ-Min; Grubin, 1998). De Static-99 bestaat uit 10 historische factoren die allen gecodeerd worden op basis van dossierinformatie. De items worden weergegeven in Tabel 7. Van de codeur worden geen specifieke kwalificaties vereist. De totaalscore varieert van 0 tot 12 en er zijn vier risicocategorieën: laag (score 0-1), laag gemiddeld (score 2-3), hoog gemiddeld (score 4-5) en hoog (score 6). TABEL 7 Items van de Static99 (Hanson & Thornton, 1999) 1 Eerdere seksuele delicten 2 Data van eerdere veroordelingen (inclusief huidige veroordeling) 3 Veroordelingen voor hands-off seksuele delicten 4 Het huidige delict bevat veroordeling voor niet seksueel geweld 5 Veroordeling voor eerder niet-seksueel geweld 6 Niet-verwant slachtoffer 7 Onbekend slachtoffer 8 Mannelijk slachtoffer 9 Jonge leeftijd (< 25 jaar) 10 Alleenstaand (niet langer dan twee jaar samengewoond) Historisch Klinisch Toekomst-30 (HKT-30; Werkgroep Risicotaxatie Forensische Psychiatrie, 2002) In 2000 is door het Comité Instrumentarium Forensische Psychiatrie (CIFP) een uit 30 risicoindicatoren bestaand instrument geformuleerd: de HKT-30 (CIFP, 2000). De rationale achter de ontwikkeling van de HKT-30 was een risicotaxatie instrument te ontwikkelen dat optimaal is aangepast aan de eigen context (Werkgroep Pilotstudy Risicotaxatie Forensische Psychiatrie, 2002). Bepaalde formuleringen van items werden aangepast, wat resulteerde in de publicatie van de HKT-30, versie 2 (Werkgroep Risicotaxatie Forensische Psychiatrie, 2002). De 30 items van de HKT-30 zijn verdeeld over drie domeinen: historische en statische indicatoren (11 items), klinische en dynamische indicatoren (13 items) en toekomstige situatieve indicatoren (6 items). Alle items dienen te worden gescoord op een vijfpuntsschaal, variërend van 0 tot 4 ; hoe hoger de score, des te hoger de mate waarin de betreffende indicator aanwezig is. Per item worden de scores omschreven. In een pilot studie (N = 68), waaraan alle 12 forensisch psychiatrische instellingen deelnamen, werd de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de HKT-30 in de klinische praktijk getoetst. Geconcludeerd werd dat 39
40 zowel de interne consistentie als de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van het instrument voldoende waren (Werkgroep Pilotstudy Risicotaxatie Forensische Psychiatrie, 2002). In Tabel 8 worden de items van de HKT-30 weergegeven. TABEL 8 Items van de Historisch Klinisch Toekomst-30 (HKT-30; Comité Instrumentarium Forensische Psychiatrie, 2000) Historische en statische indicatoren Klinische en dynamische indicatoren Toekomstige situatieve indicatoren H1 Justitiële voorgeschiedenis K1 Probleeminzicht T1 Overeenstemming over voorwaarden H2 Schending voorwaarden K2 Psychotische T2 Materiële indicatoren omtrent behandeling en toezicht Symptomen H3 Gedragsproblemen voor 12 e K3 Middelengebruik T3 Dagbesteding jaar H4 Slachtoffer van geweld in K4 Impulsiviteit T4 Vaardigheden jeugd (tot 18 jaar) H5 Hulpverlenings- Geschiedenis K5 Empathie T5 Sociale steun en netwerk H6 Arbeidsverleden K6 Vijandigheid T6 Stresserende omstandigheden H7 Middelengebruik K7 Sociale en relationele vaardigheden H8 Psychotische stoornissen K8 Zelfredzaamheid H9 Persoonlijkheidsstoornissen K9 Acculturatieproblematiek H10 Psychopathie K10 Attitude ten opzichte van behandeling H11 Seksuele deviatie K11 Verantwoordelijkheid voor het delict K12 Seksuele preoccupatie K13 Copingvaardigheden Noot. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30 Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R; Hare, 1991, 2003; Nederlandse versie: Vertommen e.a., 2002) De PCL-R is een instrument dat wordt gebruikt om de diagnose psychopathie vast te stellen. De PCL-R bestaat uit 20 items; 17 daarvan kunnen worden onderverdeeld in twee factoren. Factor 1 omvat affectieve en interpersoonlijke aspecten van de stoornis (zoals: gebrek aan empathie, sterk opgeblazen gevoel van eigenwaarde); Factor 2 omvat gedragskenmerken die 40
41 behoren bij een antisociale levensstijl (zoals impulsiviteit, onverantwoordelijk gedrag, jeugdcriminaliteit en schending van voorwaarden). De originele twee-factorstructuur is een aantal jaren geleden door Cooke en Michie (2001) ter discussie gesteld. Zij concludeerden dat de PCL-R beter kan worden onderverdeeld in een drie-factorenmodel, bestaande uit 13 items. Deze drie factoren zijn: een Interpersoonlijk, een Affectieve en een Levensstijl factor. In de meer recentelijk verschenen tweede editie van de PCL-R (Hare, 2003) is de factorstructuur herzien (de items bleven inhoudelijk ongewijzigd). In de herziene versie wordt een uit 18 items bestaand vierfactorenmodel gepresenteerd, waarin de eerste drie factoren identiek zijn aan de drie factoren van Cooke en Michie, en waarin een vierde factor is toegevoegd: Antisociaal. Tabel 9 geeft de items van de PCL-R weer, alsmede de factoren waartoe de items behoren volgens het tweefactor model (Hare, 1991) en het in 2003 gepresenteerde vier-factorenmodel (Hare, 2003). TABEL 9 Items van de Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R; Hare, 1991, 2003), onderverdeeld in de originele twee-factormodel en het vier-factorenmodel PCL-R Item Omschrijving 1e editie (Hare, 1991) a 2e editie (Hare, 2003) b 1 Gladde prater / oppervlakkige charme Sterk opgeblazen gevoel van eigenwaarde Prikkelhongerig / neiging tot verveling Pathologisch liegen List en bedrog / manipulerend gedrag Gebrek aan berouw of schuldgevoel Ontbreken van emotionele diepgang Kil / Gebrek aan empathie Parasitaire Levensstijl Gebrekkige beheersing van het gedrag Promiscue seksueel gedrag 12 Gedragsproblemen op jonge leeftijd Ontbreken van realistische doelen op de lange termijn Impulsiviteit Onverantwoordelijk gedrag Geen verantwoordelijkheid nemen voor eigen gedrag Veel kortstondige partnerrelaties 18 Jeugdcriminaliteit Schending van voorwaarden bij voorwaardelijke veroordeling en/of achterwege blijven van vervroegde
42 of voorwaardelijke invrijheidstelling 20 Veelsoortige criminaliteit 4 Noot. a Factor 1 = Agressief narcisme, Factor 2 = Antisociale levensstijl. b Factor 1 = Interpersoonlijk, Factor 2 = Affectief, Factor 3 = Levensstijl, Factor 4 = Antisociaal. = niet ingedeeld onder één van de factoren De PCL-R items worden gescoord op een driepuntsschaal (0 = niet van toepassing; 1 = in een aantal opzichten van toepassing; 2 = geheel van toepassing). De PCL-R levert een dimensionele score die aangeeft in hoeverre de onderzochte volgens de beoordelaar overeenkomt met de prototypische psychopaat. Hare (1991) adviseert om een score van 30 of meer te hanteren om te spreken van psychopathie, maar in Europa wordt vaak een score van 26 of meer gehanteerd als grenswaarde. Teneinde vergelijking met eerder Nederlands onderzoek (Hildebrand, 2004; de Vogel e.a., 2003) mogelijk te maken wordt in de huidige studie eveneens een kritische waarde van 26 gehanteerd. Onderzoekspopulatie Onderhavig onderzoek richt zich op ex-ter beschikking gestelden, die waren veroordeeld voor een seksueel delict, waarvan de tbs-maatregel was beëindigd in de periode Voor deze jaartallen is gekozen, omdat vanaf 1992 de dossiers van alle tbs-gestelden elektronisch zijn ingevoerd op MITS nummers en administratief verblijf, terwijl door de uitstroomperiode te laten lopen tot 1 januari 2002 ook relatief nieuwe forensisch psychiatrische centra (zoals De Kijvelanden) kunnen participeren in het onderzoek. De aangeleverde integrale landelijke populatie van mannelijke tbs-gestelden, die waren veroordeeld voor een seksueel delict, waarvan de tbs-maatregel tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2002 is beëindigd, bestond uit 119 personen. De volgende inclusiecriteria zijn gehanteerd voor het definiëren van de onderzoekspopulatie: Er zijn alleen mannen geselecteerd; Patiënten zijn veroordeeld voor een strafbaar feit, betreffende een van de artikelen 239, Sr. (misdrijven tegen de zeden). Uitval In totaal zijn 88 persoonsdosssier afkomstig uit negen forensisch psychiatrische centra gebruikt voor deze valideringsstudie. Een aanzienlijk aantal dossiers (ongeveer 30%) kon niet meegenomen worden in het onderzoek, omdat zij onvindbaar bleken, of omdat er sprake was 42
43 van uitwijzing naar het buitenland na beëindiging van de maatregel, overlijden na tbs of herplaatsing in kliniek. Bij een aantal dossiers bleek bij bestudering dat het indexdelict geen seksueel delict was, maar een gewelddadig delict. Een andere vorm van uitval werd veroorzaakt doordat een tweetal dossiers uit de jaren 1992 en 1993 van de GGz Eindhoven waren vernietigd vanwege de privacy wetgeving. In Tabel 10 wordt de uiteindelijke onderzoeksgroep weergegeven. TABEL 10 Herkomst dossiers van onderzoeksgroep (N=88) Kliniek Aantal % GGz Drenthe 1 1 Hoeve Boschoord 8 9 Oostvaarderskliniek 3 3 GGz Eindhoven 3 3 FPC Veldzicht FPC Oldenkotte Van der Hoevenkliniek Dr. S. van Mesdag Kliniek 9 10 Pompekliniek Totaal Karakteristieken onderzoeksgroep De uiteindelijke onderzoeksgroep bestond uit 88 mannelijke patiënten die tussen mei 1983 en april 1999 werden opgenomen (ontslagdatum tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2002) in negen forensische psychiatrische centra. De gemiddelde behandelduur bedroeg 84 maanden (7.0 jaar), met een standaarddeviatie van 37 maanden (3.1 jaar) en een bereik van maanden. In Tabel 11 worden enkele demografische- en achtergrondgegevens van de onderzoeksgroep weergegeven. Voor de operationalisatie van de meest relevante onderzochte variabelen wordt verwezen naar Bijlage 2. TABEL 11 Karakteristieken onderzoeksgroep (N=88), verder onderverdeeld naar verkrachters /aanranders (n=53) en pedoseksuele daders (n=33) 43
44 Totale groep (n = 88) Verkrachters/ aanranders (n = 53) Pedoseksuele daders (n = 33) p Geboorteland (%) a Nederland ns Buiten Nederland Intelligentie (dossier) b Totaal 94.7 (15.7) 93.8 (14.5) 95.2 (17.2) ns Verbaal 89.8 (15.7) 88.8 (13.4) 89.9 (18.3) ns Performaal (17.3) (16.1) (19.3) ns Zwakzinnig c (50-69) ns Zwakbegaafd (70-84) ns Laaggemiddeld (85-89) ns Gemiddeld (90-109) ns Bovengemiddeld ( ) ns Begaafd (> 114) ns Hulpverleningsgeschiedenis d Eerdere klinische opnames ns Middelengebruik (meerdere middelen) ns Basisonderwijs afgerond (%) e Ja ** Ja, speciaal onderwijs Nee Justitieel verleden/delictkenmerken Gemiddelde leeftijd 1 e veroordeling 22.2 (7.8) 20.6 (6.1) 24.9 (9.8) * Eerder veroordeeld voor een zedendelict ns Eerdere veroordelingen geweldsdelict ns vermogensdelict * Eerder tbs opgelegd gekregen (%) ns Slachtoffer indexdelict is een bekende ** Leeftijd bij tbs- opname (%) jaar ** jaar > 40 jaar Gemiddelde leeftijd bij opname 30.4 (9.4) 27.5 (6.8) 35.3 (11.2) ** Behandeling Gemiddelde duur behandeling (maanden) 84.1 (37.1) 85.9 (34.9) 80.9 (41.5) ns Proefverlof voor beëindiging tbs (%) ns Contraire beeindiging (%) ns Noot. Vanwege ontbrekende waarden tellen de aantallen voor de variabelen niet op tot 88. ns = geen significant verschil tussen groepen. a n=71; b n=59; c n=74; d n=66; e n=80; f n=72; g n=84 * p <.05; ** p <.01 (tweezijdig). 44
45 Demografische- en achtergrondgegevens onderzoeksgroep Het merendeel van de groep seksuele delinquenten is van Nederlandse afkomst en is gemiddeld intelligent. De gemiddelde leeftijd van de totale onderzoeksgroep bij opname was 30.4 jaar (SD = 9.4; bereik = jaar). Voorafgaand aan de tbs-maatregel heeft meer dan de helft eerdere (klinische) opnames gehad (al dan niet onder dwang). Daarnaast is bij 60% van de seksuele delinquenten in het verleden sprake geweest van ernstig misbruik van middelen. De gemiddelde leeftijd bij de eerste veroordeling bedraagt ongeveer 22 jaar (SD = 7.8; bereik = jaar). In het verleden is éénderde van de populatie eerder veroordeeld voor een zedendelict. Achtentwintig procent blijkt voorafgaande aan de tbs maatregel eerder veroordeeld te zijn geweest voor een gewelddadig (niet seksueel) delict, en in 34% van de gevallen was er sprake van een eerdere veroordeling voor vermogensdelicten. Negenenveertig patiënten (61%, gegevens van zes patiënten ontbreken) waren tenminste éénmaal eerder veroordeeld (gemiddeld aantal eerdere veroordelingen voor enig delict was 4.3, SD = 5.2; bereik = 1-26). Voor wat betreft het delict waarvoor de tbs-maatregel is opgelegd valt op dat ruim 35% van de zedendelinquenten een delict pleegde terwijl het slachtoffer een bekende was. De gemiddelde behandelduur van de seksuele delinquenten bedroeg 84 maanden (SD = 37 maanden), oftewel zeven jaar. In de meerderheid van de gevallen (ongeveer 78%) was er sprake van een proefverloffase voor de beëindiging van de maatregel. In de helft van de gevallen is de behandeling niet afgerond: de tbs-maatregel is contrair aan het advies van de kliniek beëindigd. In Tabel 7 wordt een overzicht gegeven van een aantal achtergrondgegevens van twee onderscheiden dadergroepen: pedoseksuele delinquenten 5 en verkrachters/aanranders. 6 Te zien is dat 41 patiënten waren veroordeeld voor (poging tot) verkrachting; 12 voor (poging tot) aanranding, en 33 voor pedoseksuele delicten (waaronder onder andere 22 pedoseksuele daders met extrafamiliaire meisjes als slachtoffer en twee daders met extrafamiliaire jongens als slachtoffer). In 18 van de 33 gevallen (55%) had een slachtoffer de leeftijd van 12 jaar nog niet bereikt. In negen gevallen was er sprake van incest (drie slachtoffers waren jongens, en zes waren een meisje). 5 Onder pedoseksuele daders wordt verstaan: patiënten die een tbs-maatregel opgelegd kregen voor een hands-on zedendelict (ontucht, gemeenschap, incest), waarbij het slachtoffer de leeftijd van 16 jaren nog niet heeft bereikt. 6 Voor twee patiënten gold dat zij een tbs opgelegd kregen voor meer dan één type zedendelict. In het geval dat er sprake was van meerdere type delicten (een pedoseksueel delict en een verkrachting/aanranding van een volwassene) is de persoon buiten de analyses voor de subgroepen gelaten. Overigens recidiveerden deze beide 45
46 Vergelijking tussen verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders Om na te gaan of pedoseksuele daders en verkrachters/aanranders verschillen op de hierboven genoemde achtergrondkenmerken zijn beide dadergroepen met elkaar vergeleken (Tabel 7). Er kan worden geconcludeerd dat beide groepen op een aantal karakteristieken significant van elkaar verschillen: Pedoseksuele daders hebben in het verleden vaker speciaal onderwijs gevolgd dan nietpedoseksuele daders (39.9% versus 14.0 %) of rondden het basisonderwijs niet af; In vergelijking met de groep verkrachters/aanranders zijn pedoseksuele daders gemiddeld vier jaar ouder bij de eerste veroordeling (24.9 versus 20.7 jaar); Verkrachters/aanranders zijn in het verleden vaker veroordeeld voor vermogensdelicten dan pedoseksuele daders (43.1% versus 17.2%); Pedoseksuele daders bleken ten tijde van hun opname in de tbs instellingen gemiddeld acht jaar ouder dan verkrachters/aanranders (respectievelijk 35.5 en 27.5 jaar); Met betrekking tot het slachtoffer van het delict waarvoor de tbs-maatregel is opgelegd valt op dat bij pedoseksuele daders het slachtoffer veel vaker een bekende is dan bij verkrachters/aanranders (55.5% versus 23.1%); Procedure Het onderzoek heeft een zogenaamd retrospectief follow-up design. Alle patiënten zijn retrospectief gevolgd; vanaf de ontslagdatum uit de tbs tot een veroordeling óf tot de einddatum observatieperiode (31 augustus 2007) van het onderzoek. In het laatste geval werd de patiënt niet opnieuw veroordeeld. Op basis van de dossiers van (ex) ter beschikking gestelden die over het algemeen bestaan uit processen-verbaal, Pro Justitia rapportage(s), een geschreven voorgeschiedenis, behandelplannen, behandelevaluaties en verlengingsadviezen werden de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R gescoord. Elk dossier werd door twee onafhankelijke beoordelaars gescoord. Eén beoordelaar scoorde de SVR-20 (en de Static-99 en PCL-R), de andere de HKT-30 (alsmede de Static-99 en de PCL-R). Teneinde bias voor een instrument te voorkomen scoorden codeurs die meerdere dossiers beoordeelden ongeveer even vaak de SVR- 20 als de HKT-30. De scoringsprocedure wordt in Figuur 1 samengevat. Wat betreft de te scoren dossiers geldt dat uit het laatste verlengingsadvies dat over betrokkene is uitgebracht de conclusie/het advies is verwijderd, omdat kennis daarvan de score op de risicotaxatie-instrumenten zou personen na hun tbs-behandeling met een seksueel delict. 46
47 kunnen beïnvloeden. De overige delen van het verlengingsadvies mochten wel in het dossier aanwezig blijven, voor zover deze de weergave van de afgelopen behandelperiode betroffen. De codeurs waren niet op de hoogte van de feitelijke recidivegegevens. 47
48 Te beoordelen instrumenten per dossier SVR-20 Static-99 HKT-30 PCL-R Beoordelaar 1 SVR-20 Static-99 PCL-R Beoordelaar 2 HKT-30 Static-99 PCL-R SVR-20 FIGUUR 1 Scoringsprocedure Beoordelaars In totaal werkten 35 verschillende codeurs mee aan het onderzoek. Zij hadden allen tenminste een officiële, driedaagse, PCL-R training gevolgd. De beoordelaars zijn/waren als diagnosticus, behandelaar of onderzoeker werkzaam in forensisch psychiatrische centra. De overgrote meerderheid had praktijkervaring en tenminste een eendaagse training in het gebruik van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten die (1) voorzag in een overzicht van relevante literatuur over risicotaxatie en (2) waarin aan de hand van dossierinformatie en videomateriaal werd geoefend met casus uit de praktijk. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid Teneinde de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de respectievelijke instrumenten te bepalen codeerden twee beoordelaars in wisselende samenstellingen uit de totale groep van beoordelaars in totaal 30 dossiers voor de SVR-20 en 30 voor de HKT-30. Voor de instrumenten Static-99 en PCL-R is de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid bepaald over respectievelijk 61 (Static-99) en 62 (PCL-R) dossiers. Recidivegegevens Recidivegegevens werden opgevraagd bij de Justitiële Informatie Dienst van het Ministerie van Justitie te Almelo. Recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een delict, zoals 48
49 omschreven in het Wetboek van Strafrecht. Alleen procesverbalen voor een delict die tot een veroordeling hebben geleid worden meegerekend (zowel onvoorwaardelijke, voorwaardeliijke gevangenisstraf, boetes als andere sancties). Het betreft voornamelijk delicten waarvoor een minimale strafdreiging van vier jaar op bestaat, De volgende categorieën recidive worden onderscheiden: Seksuele recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een seksueel delict (bijvoorbeeld verkrachting, ontucht, of een poging daartoe), zoals omschreven in het Wetboek van Strafrecht; Gewelddadige, niet seksuele, recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een gewelddadig, niet-seksueel, delict (bijvoorbeeld mishandeling, doodslag, diefstal met geweld), zoals omschreven in het Wetboek van Strafrecht; Algemeen gewelddadige recidive is gedefinieerd als een nieuwe veroordeling voor een gewelddadig niet-seksueel delict en/of een seksueel delict, zoals omschreven in het Wetboek van Strafrecht. Het betreft dus recidives uit beide voorgaande categorieën. Delicten die door patiënten werden gepleegd tijdens hun verblijf in de tbs-kliniek, bijvoorbeeld tijdens proefverlof, en waarvoor zij opnieuw werden veroordeeld, werden ook meegenomen als een nieuw delict. Alle delinquenten werden retrospectief gevolgd van de datum ontslag uit de tbs (bovenstaande uitzondering daargelaten) tot een veroordeling όf (als er geen sprake was van een nieuwe veroordeling) tot de einddatum van het onderzoek (31 augustus 2007). De gemiddelde follow up duur bedroeg 120 maanden (10 jaar) (SD = 38 maanden of 3.2 jaar), met een bereik van 18 tot 187 maanden (1.5 tot 15.6 jaar). Statistische analyses Onderstaande paragraaf biedt een overzicht van de belangrijkste gehanteerde analyses. Alvorens een statistische toets werd uitgevoerd, is nagegaan of de verdeling van de betreffende variabele voldoende normaal verdeeld was. Indien dit het geval was werd de t-toets voor gemiddelden gebruikt. Indien dit niet het geval was, werd de Mann-Whitney toets gebruikt. Voor de Chi-kwadraat toets is dit onderscheid minder relevant. De Chi-kwadraat toets is gebruikt om het verschil tussen twee onafhankelijke populaties op een bepaalde variabele van nominaal meetniveau statistisch te toetsen. De interne consistentie voor de PCL-R wordt bepaald aan de hand van de Cronbach s alfa coefficiënt. 49
50 Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de ordinale data is onderzocht met behulp van de single measure intraklasse correlatie coëfficiënt (ICC) (Sheskin, 2004), gebruikmakend van het variantie model en consistency type (McGraw & Wong, 1996). Bij de interpretatie van de ICC s in dit onderzoek zijn de volgende richtlijnen aangehouden: ICC <.40 = slecht;.40 ICC <.60 = matig;.60 ICC <.75 = goed; ICC.75 = uitstekend (Landis & Koch, 1977). Ter vergelijking is per item nagegaan wat het percentage absolute overeenstemming was. Predictieve validiteit De predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R werd onderzocht met Receiver Operating Characteristics (ROC) analyses, een statistische methode die vaak wordt om de discriminerende waarde van instrumenten vast te stellen. 7 Een belangrijk voordeel van deze methode is de onafhankelijkheid van de base rate van de uitkomstmaat (hier: recidive). In een ROC-analyse worden individuen op basis van een reeks hypothetische cut off scores op het instrument ingedeeld in groepen recidivisten en niet-recidivisten. Voor elke cut off waarde wordt vervolgens bepaald welk deel van de individuen terecht als recidivist is ingedeeld (dus: daadwerkelijk opnieuw is veroordeeld) en welk deel onterecht als recidivist is ingedeeld. In een grafische weergave (curve) wordt het percentage juiste indelingen (ookwel correct positieven) op de Y-as afgezet tegen het percentage fout positieven op de X-as. Aan de oppervlakte onder de curve, de Area Under the Curve (AUC) is de waarde van de voorspelling de predictieve validiteit af te lezen, dit is de kans dat een willekeurig gekozen recidivist een score boven iedere cut-off waarde van het instrument behaalt en een willekeurig gekozen niet-recidivist een score beneden deze waarden. Voor de interpretatie van resultaten zijn de volgende richtlijnen aangehouden: AUC waarden van.50 wijst op geen discriminerend vermogen, waarden tussen.50 tot.65 worden als matig beschouwd, waarden tussen de.65 tot.70 als redelijk, waarden tussen de.70 en.75 als voldoende en waarden van.75 en meer als goed (Hosmer & Lemeshow, 2000). In dit onderzoek is een significantie niveau van.05 aangehouden. Recidivepercentages Het recidivepercentage (de base rate) en de gemiddelde duur van de delictvrije periode zijn afhankelijk van de duur van de observatieperiode. Met behulp van survival analyses (Kaplan- Meier methode) werden de cumulatieve recidivekansen voor de verschillende categorieën 7 Zie ook Mossman (1994) en Quinsey, Harris, Rice, & Cormier (1998) voor een uitleg over ROC-analyses. 50
51 recidive op elk moment dat een delinquent zijn eerste recidivedelict pleegde berekend. 8 De cumulatieve overlevingskans is gelijk aan het product van de overlevingskansen op alle voorgaande momenten. Deze waarde geeft de kans voor een bepaalde groep om tot aan dat moment te overleven, dat wil zeggen niet te recidiveren. Als bijvoorbeeld de cumulatieve overlevingskans 40% is, bedraagt het geschatte recidivepercentage 60% (100% min 40%). Bij een survival analyse wordt de kans dat men recidiveert vastgesteld op elk moment tussen de start en het eind van de totale observatieperiode. Op elk tijdstip binnen deze periode worden de waarden bepaald van (1) het aantal personen dat had kunnen recidiveren (personen at risk) en (2) het aantal personen dat daadwerkelijk opnieuw veroordeeld is. Als personen slechts korte tijd werden gevolgd, bijvoorbeeld omdat zij in een later stadium werden opgenomen en/of omdat de datum van ontslag later was, zijn zij op bepaalde momenten niet at risk en worden ze niet meegeteld in de kansberekening en wordt er dus rekening gehouden met individuele verschillen in observatieperiode (follow up tijd). Survival analyse richt zich alleen op het eerste recidivedelict van een bepaalde categorie recidive (bijvoorbeeld seksuele recidive). De Log rank toets (Hosmer & Lemeshow, 2000) werd gebruikt om verschillen in het verloop van de overlevingsfuncties van subgroepen (bijvoorbeeld PCL-R hoogscoorders versus PCL-R laagscoorders) statistisch te toetsen. 8 Voor een uitgebreide beschrijving van de statistische techniek survival analyse en het gebruik ervan bij recidiveonderzoek, zie bijvoorbeeld Wartna (1999, 2000). 51
52 3. BESCHRIJVENDE STATISTIEK EN PSYCHOMETRISCHE KWALITEIT In onderstaande paragraaf wordt een overzicht gegeven van de recidivepercentages voor seksuele en gewelddadige delicten voor de totale onderzoekspopulatie, en voor enkele subgroepen zedendelinquenten. Recidive Aan het einde van de follow up periode (M = 10 jaar) waren 15 van de 88 (ex-) ter beschikking gestelde seksuele delinquenten (17%), waarvan recidivegegevens beschikbaar waren, opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict. 9 Daarnaast was er bij 28 van de 88 ex- patiënten (32%) sprake van gewelddadige niet-seksuele recidive; het aantal ex-patiënten dat recidiveerde met een gewelddadig (inclusief seksueel) delict is 40% (n=35). De algemene recidive bedraagt 56% (n=49). 10 De totale onderzoeksgroep is onder te verdelen in een groep verkrachters/aanranders (n=53) en een groep pedoseksuele daders (n=33). Van de dadergroep verkrachters/aanranders recidiveerden negen personen met een seksueel delict (17%); van de dadergroep pedoseksuele daders (n=33; van twee daders waren geen recidivegegevens beschikbaar) waren dat er vier (zie Tabel 12). Voor de overige recidivecategorieën ligt de recidive eveneens hoger bij verkrachters/aanranders dan bij pedoseksuele daders (voor gewelddadige niet-seksuele recidive 34% versus 24%; voor algemeen gewelddadige recidive 43% versus 30%). TABEL 12 Percentages en aantallen recidive per recidivecategorie voor subgroepen zedendelinquenten Recidivecategorie N Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig N (%) N (%) N (%) Totale groep (17) 28 (32) 35 (40) Verkrachters/aanranders 53 9 (17) 18 (34) 23 (43) 9 De recidive delicten betroffen (poging) tot verkrachting (n=8), aanranding (n=3), ontucht < 16 jaar (n=2), vervaardigen kinderpornografie (n=1) en schennis van de eerbaarheid (n=1). 10 Alle veroordelingen voor delicten exclusief overtredingen van verkeerswet, verzekeringswet, wapenwet etc. 52
53 Pedoseksuele daders 31 4 (13) 8 (24) 10 (30) Noot. De aantallen patiënten van de dadergroepen pedoseksuele daders (n=33) en verkrachters/aanranders (n=53) tellen samen niet op tot een totaal van 88, omdat twee patiënten niet in één van de subgroepen konden worden ondergebracht. De totale onderzoeksgroep is ook onderverdeeld naar het delictverleden van de patiënten (zie Tabel 13). Voor seksuele delinquenten met een delictverleden van gewelddadige en vermogensdelicten (n=35) waren de seksuele recidivepercentages hoger dan voor zedendelinquenten zonder een dergelijk delictverleden (n=53; 26% versus 11%). Voor gewelddadige niet-seksuele recidive bedroegen de percentages respectievelijk 40% en 26%, en voor algemeen gewelddadige recidive respectievelijk 54% en 30%. Voor beide subgroepen is een onderscheid te maken naar patienten mét en zónder veroordelingen voor eerdere zedendelicten (d.w.z. voorafgaand aan het index-zedendelict). De percentages seksuele recidive bleken voor zowel de subgroep zeden-patiënten mét als zónder een verleden van vermogens- en geweldsdelicten hoger bij de patiënten die in het verleden tevens eerdere zedendelicten pleegden (vergelijk 36% met 19%, en 36% met 5% respectievelijk). In de subgroep patiënten met een verleden van vermogens- en geweldsdelicten bleek het percentage gewelddadige niet-seksuele recidive aanzienlijk hoger (bijna 50%) voor degenen die géén eerdere zedendelicten hebben gepleegd, dan voor zedendelinquenten mét zedendelicten in het verleden (29%). In de subgroep patiënten zonder een verleden van vermogens- en geweldsdelicten, was het percentage seksuele recidive na de tbs-behandeling, voor de patiënten zonder eerdere zedendelicten laag (5%), in vergelijking met patiënten die eerdere zedendelicten hadden gepleegd (36%). 53
54 TABEL 13 Aantallen en percentages recidives per risicocategorie, verder onderverdeeld naar subgroepen met en zonder een verleden van vermogens- en geweldsdelicten Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Groepen N (%) N (%) N (%) Verleden van vermogens- en (26) (40) (54) geweldsdelicten Met eerdere zedendelicten (n=14) 5 (36) 4 (29) 8 (57) Zonder eerdere zedendelicten (n=21) 4 (19) 10 (48) 11 (52) Geen verleden van vermogens- en (11) (26) (30) geweldsdelicten Met eerdere zedendelicten (n=11) 4 (36) 3 (25) 5 (42) Zonder eerdere zedendelicten (n=41) 2 (5) 11 (27) 11 (27) Noot. Gewelddadige, niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). Aantallen patiënten tellen niet op tot 88 in verband met ontbrekende waarden. Beschrijvende statistiek In onderstaande paragraaf worden de gemiddelde waarden van de totaalscores en subschalen per instrument (SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R) kort besproken voor zowel de totale onderzoeksgroep als de subgroepen verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders (zie ook Tabel 14). SVR-20 De gemiddelde SVR-20 totaalscore in de onderzoeksgroep was 20.2 (SD = 5.9, bereik = 9-40), de mediaan bedroeg De gemiddelde score op de subschaal Psychosociale aanpassing was 12.0 (SD = 3.5, bereik = 5-22), op de subschaal Seksuele delicten 6.2 (SD = 2.9, bereik = 0-14) en op de subschaal Toekomstplannen 1.9 (SD = 1.4, bereik = 0-4). De verdeling van patiënten op basis van het SVR-20 eindoordeel is als volgt: vierentwintig procent is beoordeeld in de categorie laag, 40 % in de categorie matig en 36 % in de categorie hoog. Static-99 54
55 De gemiddelde Static-99 totaalscore in de onderzoeksgroep was 5.0 (SD = 1.9, bereik = 0-9), de mediaan bedroeg 5.0. De verdeling van de patiënten in de risicocategorieën die aan de hand van de Static-99 worden onderscheiden is als volgt: 3% in de risicocategorie laag gemiddeld, 19% in de categorie gemiddeld, 36% in de categorie hoog gemiddeld en 42% in de categorie hoog. HKT-30 De gemiddelde HKT-30 totaalscore bedroeg 51.2 (SD = 15.6, bereik = 20-84), de mediaan bedroeg De gemiddelde score op de subschaal Historische indicatoren was 22.7 (SD = 7.2, bereik = 9-38), op de subschaal Klinische indicatoren 18.7 (SD = 7.7, bereik = 5-37) en op de subschaal Toekomst indicatoren 10.1 (SD = 5.0, bereik = 1-22). De verdeling over het HKT-30 eindoordeel is als volgt: veertien procent is beoordeeld in de categorie laag, 50 % in de categorie matig en 36 % in de categorie hoog. PCL-R De gemiddelde PCL-R totaalscore voor de onderzoeksgroep was 19.5 (SD = 7.3; bereik ), de mediaan bedroeg De gemiddelde score op Factor 1 bedroeg 8.1 (SD = 7.3), en op Factor (SD = 4.3). Zeventien delinquenten (20 % van de 88 patiënten) hadden een PCL-R score 26. TABEL 14 Beschrijvende statistiek van SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R (N=88) M SD SVR-20 Totaalscore Psychosociale aanpassing Seksuele delicten Toekomstplannen Static-99 Totaalscore HKT-30 Totaalscore Historische/statische indicatoren
56 Klinische/dynamische indicatoren Toekomstige/situatieve indicatoren PCL-R Totaalscore Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). In Tabel 15 worden enkele resultaten voor de dadergroepen verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders weergegeven. Bij verkrachters/aanranders bleken gemiddeld minder dynamische risicofactoren aanwezig te zijn dan bij pedoseksuele daders (vergelijk de HKT-30 subschaal Klinische/dynamische indicatoren ; M = 17.5 versus M = 21.1, p <.05). Ook valt op dat verkrachters/aanranders significant lager scoorden dan de pedoseksuele daders op PCL-R Factor 2 Affectief van het vier factorenmodel (M = 5.0 respectievelijk M = 6.1; p <.05). TABEL 15 Beschrijvende statistiek voor subgroepen van SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R Verkrachters/ Aanranders Pedoseksuele daders M SD M SD p SVR-20 Totaalscore ns Psychosociale aanpassing ns Seksuele delicten ns Toekomstplannen ns Static-99 Totaalscore ns HKT-30 Totaalscore ns Historische/statische indicatoren ns Klinische/dynamische indicatoren * 56
57 Toekomstige/situatieve indicatoren ns PCL-R Totaalscore ns Factor 1 (1 e ed.) ns Factor 2 (1 e ed.) ns Interpersoonlijk (2 e ed.) ns Affectief (2 e ed.) * Levensstijl (2 e ed.) ns Antisociaal (2 e ed.) ns Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). ns = groepen verschillen niet significant van elkaar * p <.05 (tweezijdig). Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid In deze paragraaf wordt voor de onderzochte instrumenten de mate van overeenstemming tussen beoordelaars gepresenteerd. Er wordt ingegaan op de mate van overeenstemming op de subschalen (Tabel 16) en op de afzonderlijke items van de instrumenten (Tabellen 17-20). Voor de PCL-R (factor)scores is de interne consistentie berekend. TABEL 16 Iinterbeoordelaarsbetrouwbaarheid van SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R ICC a Cronbach s alfa SVR-20 Totaalscore.78 Risico-inschatting.63 Psychosociale aanpassing.77 Seksuele delicten.58 Toekomstplannen.66 Static-99 Totaalscore.83 Risicocategorie.73 HKT-30 Totaalscore.81 Risico-inschatting.61 Historische/statische indicatoren.79 Klinische/dynamische indicatoren.76 57
58 Toekomstige/situatieve indicatoren.72 PCL-R Totaalscore Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) Noot. ICC = Intraclass Correlation Coefficient. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). a Voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid analyses geldt, dat N=30 voor de SVR-20 en HKT-30, N=61 voor de Static-99 en N=62 voor de PCL-R. = niet berekend Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid SVR-20. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de SVR-20 was goed. De single measure ICC voor de totaalscore van de SVR-20 bedroeg.78. Voor de risico-inschatting was deze lager (.63). Voor de totaalscore van de subschaal Psychosociale aanpassing werd een ICC van.77 gevonden, wat goed is. Voor de totaalscores van de subschalen Seksuele delicten en Toekomstplannen bedroeg de ICC.58 respectievelijk.66 (Tabel 16). In Tabel 17 wordt de mate van overeenstemming op de individuele items van de SVR- 20 gepresenteerd. De mate van overeenstemming tussen de beoordelaars op de afzonderlijke items van de SVR-20 is wisselend, variërend van matig tot goed. Voor de items Seksuele deviatie, Ernstig psychiatrische problematiek, Hoge dichtheid van seksuele delicten en Meerdere typen van seksuele delicten waren de ICC slecht tot matig. Het percentage absolute overeenstemming is over het algemeen eveneens laag voor deze items. Zowel het item Relatieproblemen als Ernstige psychiatrische stoornis laten bijzonder lage ICC-waarden zien. Voor het item Relatie problemen geldt dat alle personen deze in enige of ernstige mate ondervonden (uitsluitend scores 1 en 2 ), en het percentage absolute overeenstemming tussen beoordelaars is zeer hoog. Voor het item Ernstige psychiatrische stoornis geldt dit niet; het percentage absolute overeenstemming was zeer laag. TABEL 17 Frequentie verdeling van item scores, beschrijvende statistiek en betrouwbaarheid van individuele SVR-20 items (N=88) 58
59 Waarde Betrouwbaarheid a Item beschrijving M SD ICC % ov. Psychosociale aanpassing 1 Seksuele deviatie Slachtoffer van kindermishandeling Psychopathie Ernstige psychiatrische stoornis Problemen met het gebruik van middelen Suïcidale/homicidale gedachten Relatieproblemen Problemen met betrekking tot het arbeidsverleden 9 Eerder gepleegde, niet seksueel gewelddadige delicten 10 Eerder gepleegde, niet-seksueel, nietgewelddadige delicten 11 Eerdere schending van voorwaarden Seksuele delicten 12 Hoge dichtheid van seksuele delicten Meerdere typen van seksuele delicten Lichamelijk geweld bij slachtoffer(s) van seksuele delicten 15 Gebruik van wapens of bedreigingen met de dood tijdens plegen seksueel delict 16 Escalatie in frequentie of ernst van seksuele delicten 17 Extreme minimalisering of ontkenning van seksuele delicten 18 Opvattingen waaruit goedkeuring of vergoeilijking van seksuele delicten blijkt Toekomstplannen 19 Ontbreken van realistische toekomstplannen 20 Negatieve houding ten opzichte van interventies Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20; = aantal maal dat item ontbreekt (is opengelaten); % ov. = percentage absolute overeenstemming tussen twee beoordelaars; ICC = Intraclass Correlation Coefficient. a Voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid analyses, N=30. Vanwege ontbrekende waarden geldt dat voor items 1, 15,16, 18, n=29 en voor item 4, n=27. Static-99. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de Static-99 was redelijk tot goed (ICC s.62). De single measure ICC voor de totaalscore van de Static-99 bedroeg.83 en voor 59
60 de risicocategorie.73 (zie Tabel 16). In Tabel 18 worden de ICC s van de individuele Static-99 items gepresenteerd. De betrouwbaarheid voor de afzonderlijke items van de Static-99 was redelijk goed tot uitstekend (ICC-waarden van.62 tot.90). De percentages absolute overeenstemmingen tussen beoordelaars zijn zeer hoog, variërend van 80% voor item 1 Eerdere seksuele delicten tot 97% voor item 3 Veroordelingen voor hands-off seksuele delicten. Voor een aantal items die betrekking hebben op kenmerken over slachtoffers van eerdere zedendelicten (items 6, 8 en 9) was de mate van overeenstemming relatief lager (ICC-waarden van.62 tot.69). Ook voor het item Allenstaand was de overeenstemming relatief laag (ICC =.65). De overige items die betrekking hebben op informatie eerdere veroordelingen laten een zeer hoge mate van overeenstemming zien (Tabel 18). TABEL 18 Frequentie verdeling van item scores en interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van individuele items van de Static-99 (N=83) Waarde Betrouwbaarheid a Item beschrijving M SD ICC % ov. 1 Eerdere seksuele delicten Eerdere veroordelingen (inclusief huidige veroordeling) 3 Veroordelingen voor hands-off seksuele delicten 4 Huidige delict bevat veroordeling voor niet seksueel geweld 5 Veroordeling voor eerder nietseksueel geweld 6 Niet-verwant slachtoffer Onbekend slachtoffer Mannelijk slachtoffer Jonge leeftijd (< 25 jaar) Alleenstaand (niet langer dan twee jaar samengewoond) Noot. = aantal maal dat item ontbreekt (is opengelaten); % ov. = percentage absolute overeenstemming tussen twee beoordelaars; ICC = Intraclass Correlation Coefficient. a Voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid analyses, N=61. Vanwege ontbrekende waarden geldt dat voor items 6 en 7, N=60. 60
61 HKT-30. Voor de HKT-30 totaalscore (ICC =.81) en de totaalscore op de subschaal Historische/statische indicatoren (ICC =.79) was de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid uitstekend, maar lager voor de risico-inschatting (ICC =.61) (vergelijk Tabel 16). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de totaalscores op de subschalen Klinische/dynamische indicatoren en Toekomstige situatieve indicatoren was goed (ICC s van.76 en.72). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de individuele items van de HKT-30, bepaald aan de hand van ICC-waarden, liep sterk uiteen (Tabel 19). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de historische items was over het algemeen goed tot zeer goed, behalve voor de items Slachtoffer van geweld in jeugd (ICC =.56), Persoonlijkheidsstoornissen (ICC =.51), Seksuele deviatie (ICC =.41). Vergelijkbaar met de lage single measure ICC s percentages zijn ook de percentages absolute overeenstemmingen op de eerdergenoemde klinische items laag. Opvallend was dat de items Psychotische stoornissen en Acculturatie problematiek een lage single measure ICC vertoonden, terwijl het percentage absolute overeenstemming tussen beoordelaars zeer hoog was. 11 De items van de Klinische / dynamische subschaal laten verhoudingsgewijs vaker een lage overeenstemming zien (percentages 55%), zoals de items Probleeminzicht, Vijandigheid, Impulsiviteit, Empathie en Seksuele preoccupatie. De ICC s van een aantal toekomst items waren laag, voor Vaardigheden (ICC =.37), voor Sociale steun en netwerk (ICC =.33) en voor item Stresserende omstandigheden (ICC =.38), en lieten eveneens een lage mate van absolute overeenstemming zien. 11 Deze tegengestelde resultaten zijn mogelijk te verklaren door een gebrek aan variatie over de antwoordcategorieën (score 0 t/m 4) van deze items. 61
62 TABEL 19 Frequentie verdeling van item scores, beschrijvende statistiek en betrouwbaarheid van individuele HKT-30 items (N=88) Waarde Betrouwbaarheid a Item beschrijving M SD ICC % ov. Historische / statische indicatoren H1 Justitiële voorgeschiedenis H2 Schending voorwaarden H3 Gedragsproblemen voor 12 e jaar H4 Slachtoffer van geweld in jeugd H5 Hulpverleningsgeschiedenis H6 Arbeidsverleden H7 Middelengebruik H8 Psychotische stoornissen H9 Persoonlijkheidsstoornissen H10 Psychopathie H11 Seksuele deviatie Klinische / dynamische indicatoren K1 Probleeminzicht K2 Psychotische symptomen K3 Middelengebruik K4 Impulsiviteit K5 Empathie K6 Vijandigheid K7 Sociale en relationele vaardigheden K8 Zelfredzaamheid K9 Acculturatie problematiek K10 Attitude t.o.v. behandeling K11 Verantwoordelijkheid voor delict K12 Seksuele preoccupatie K13 Copingvaardigheden Toekomstige / situatieve indicatoren T1 Overeenstemming voorwaarden T2 Materiële indicatoren T3 Dagbesteding T4 Vaardigheden T5 Sociale steun en netwerk T6 Stresserende omstandigheden Noot. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30; = aantal maal dat item ontbreekt (is opengelaten); % ov. = percentage absolute overeenstemming tussen twee beoordelaars; ICC = Intraclass Correlation Coefficient. a Voor interbeoordelaarsbetrouwbaarheid analyses, N=30. Vanwege ontbrekende waarden geldt dat voor items H5, H10, K6 en K8, n=29; voor items H3, H6, T1 en T3, n=28; voor item K9 en T2, n=27; voor item H11 en K5, n=26; voor item K11 en K12, n=25; voor item H9, n=23. 62
63 PCL-R. Voor de PCL-R geldt dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de totaalscore (vergelijk Tabel 16) uitstekend was (ICC =.84) en van Factor 1 en 2 goed (ICC s respectievelijk 71. en respectievelijk.77). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de factoren van het vierfactor model was goed ( Interpersoonlijk ICC =.75; Levensstijl ICC =.84; Antisociaal ICC =.76), met uitzondering van de factor Affectief waar een matige interbeoordelaarsbetrouwbaarheid voor werd gevonden (ICC =.57). ). De overeenstemming over de categoriale diagnose psychopathie (PCL-R score 26), vastgesteld middels Cohen s kappa, bedroeg.63. Ook wordt voor de PCL-R de interne consistentie weergegeven. De interne consistentie van de PCL-R was goed, de Cronbach s coëfficiënt alpha is.80 voor de totaalscore,.76 voor Factor 1 en.74 voor Factor 2. Over het algemeen was de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid voor de items van de PCL-R matig tot redelijk, [ICC-waarden van.18 tot.81]. Het merendeel van de items met een lage mate van overeenstemming (ICC <.60) behoorden tot PCL-R Factor 1 (twee factor model) en tot Factor Affectief van het vier factormodel. De meer gedragsgerelateerde items die deel uit maken van Factor 2 (Antisociale levensstijl) bleken meer betrouwbaar te scoren uit de dossiers. In Tabel 20 worden de ICC s van de individuele PCL-R items gepresenteerd. Het percentage absolute overeenstemmingen tussen beoordelaars op de individuele PCL-R items varieerde van 55% tot 83%. De meeste items van Factor 1 (Agressief Narcisme) vertoonden verhoudingsgewijs een lager percentage overeenstemming dan de items van Factor 2 van de PCL-R (vergelijk Tabel 20). TABEL 20 Frequentie verdeling van item scores, en interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van individuele PCL-R items (N=88) Waarde Betrouwbaarheid a Item beschrijving M SD ICC % ov. 1 Gladde prater/oppervlakkige charme Opgeblazen gevoel van eigenwaarde Prikkelhongerig/neiging tot verveling Pathologisch liegen List en bedrog/manipulerend gedrag Gebrek aan berouw of schuldgevoel Ontbreken van emotionele diepgang
64 8 Kil/gebrek aan empathie Parasitaire levensstijl Gebrekkige beheersing van het gedrag Promiscue seksueel gedrag Gedragsproblemen op jonge leeftijd Ontbreken realistische doelen op lange termijn 14 Impulsiviteit Onverantwoordelijk gedrag Geen verantwoordelijkheid nemen voor eigen gedrag 17 Veel kortstondige partnerrelaties Jeugdcriminaliteit Schending van voorwaarden Veelsoortige criminaliteit Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised; = aantal maal dat item ontbreekt (is opengelaten); % ov. = percentage absolute overeenstemming tussen twee beoordelaars; ICC = Intraclass Correlation Coefficient. a Voor interbeoordelaarsbetrouwbaarheid analyses, N=62. Vanwege ontbrekende waarden geldt dat voor items 3, 4, 14, 16, 19, n=61; voor items 6, 7, 8, 9, n=60 ; voor items 13 en 15 n=59; voor items 17 en 18, n=58, voor item 12, n=54. Risicobeoordelingen Op basis van de dossiers van ieder patiënt is met behulp van de SVR-20, de HKT-30 en de Static-99 een oordeel gegeven over het risico op een nieuw seksueel delict. In Tabel 21 staan de gemiddelde scores van de SVR-20 en HKT-30 per risicobeoordelingscategorie (in termen van laag, matig, hoog ) weergegeven. Voor beide instrumenten is hetzelfde patroon zichtbaar. Voor de SVR-20 geldt dat de gemiddelde totaalscore (15.2) van de groep expatiënten met een gestructureerd klinisch oordeel laag risico daadwerkelijk lager was dan dat van de groep ex-patiënten met een matig (18.6) en hoog risico (25.2). Voor de HKT-30 was de gemiddelde totaalscore voor de groep ex-patiënten met een gestructureerd klinisch oordeel laag risico 37.9, voor matig risico was deze 45.8, en voor het gestructureerde klinisch oordeel hoog risico was deze 65. De gemiddelde totaalscores van de laag, matig en hoog risicocategorieën waren zowel voor de SVR-20 (F = 33.6, p <.001) als voor de HKT-30 (F = 30.9, p <.001) significant verschillend. Het onderstaande patroon dat oplopende gemiddelden gerelateerd zijn aan oplopende risico inschattingen is consistent met de rationale achter het gestructureerd klinisch oordeel: hoe hoger een totaalscore, hoe hoger over het algemeen de risico-inschatting. Het gestructureerd klinisch oordeel benadrukt echter ook de invloed van de klinische ervaring van de beoordelaar en vraagt de beoordelaar rekening te houden met zogenaamde patiënt specifieke omstandigheden. Zo zijn er patiënten waarvan de totaalscore van de HKT-30 of SVR-20 laag is, maar die door de patiëntspecifieke omstandigheden desalniettemin als hoog risico worden 64
65 beoordeeld. Dit uit zich bijvoorbeeld in de overlap in het bereik van de totaalscores voor de eindoordelen laag, midden en hoog, zowel voor de SVR-20 als voor de HKT-30 (zie Tabel 21). TABEL 21 SVR-20 en HKT-30 scores per risicobeoordelingscategorie (laag, matig, hoog) (N=86) Eindoordeel Laag risico Matig risico Hoog risico Instrument M N bereik M N bereik M N bereik sig. SVR p <.001 HKT p <.001 Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. De aantallen patiënten tellen niet op tot n=86 in verband met ontbrekende waarden. De risico inschattingen op een nieuw seksueel delict van de SVR-20 en de HKT-30 worden met elkaar vergeleken voor de dossiers waarover beide instrumenten gescoord zijn. De verdeling van de eindbeoordelingen van de SVR-20 versus die van de HKT-30 wordt weergegeven in Tabel
66 TABEL 22 Risicobeoordelingen middels de SVR-20 versus de HKT-30 (N=82) SVR-20 eindoordeel Laag Matig Hoog Totaal Laag HKT-30 eindoordeel Matig Hoog Totaal Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. Met behulp van de SVR-20 werd bij 29 (35%) van de 82 delinquenten, het risico op toekomstig gewelddadig gedrag als hoog ingeschat, bij 33 delinquenten (40%) werd het risico ingeschat als matig en bij 20 (25%) als laag. De percentuele verdeling van eindbeoordelingen met behulp van de HKT-30 was enigszins vergelijkbaar met die van de SVR-20. Bij 30 (36%) delinquenten werd met behulp van de HKT-30 het risico ingeschat als hoog, bij 40 (49%) als matig en bij 12 (15%) als laag. Uit de Tabel 22 blijkt verder dat 60% van de eindoordelen (49 patiënten) volledig in overeenstemming waren; voor deze personen maakte het niet uit of de inschatting voor een seksueel delict vastgesteld is aan de hand van de HKT-30 of de SVR-20. In 34% van de eindoordelen was er een verschil tussen beide instrumenten (laag versus matig of matig versus hoog); in 5% van de eindoordelen (n=4) was er sprake van een maximaal verschil (laag-hoog). Met behulp van de Bowker test of internal symmetry (Sheskin, 2004) werd de hypothese getoetst dat deze gevonden verschillen in eindoordelen tussen de SVR-20 en HKT-30 random verdeeld zijn, dat wil zeggen, dat geen van beide instrumenten een systematische afwijking in een bepaalde richting heeft ten opzichte van de andere. Uit de Bowker toets blijkt dat er geen indicatie is dat de verschillen in oordelen niet symmetrisch verdeeld zijn, 2 df=3 = 4.1, ns. Er is voor de onderzoekspopulatie geen sprake van een verschil tussen risico inschattingen met behulp van de HKT-30 en de SVR
67 In Tabel 23 wordt de indeling over de actuariële risicocategorieën van de Static-99 afgezet tegen het gestructureerd klinisch oordeel op basis van de SVR-20, voor de dossiers waarover beide instrumenten gescoord zijn. Bij het merendeel (25 van de 29 patiënten; 86%) van de personen van wie de risico-inschatting op basis van de SVR-20 hoog was, bleek de eveneens de risicocategorie hoog gemiddeld en hoog van de Static-99 van toepassing. TABEL 23 Risicobeoordelingen middels de SVR-20 versus de Static-99 (N=77) SVR-20 eindoordeel Laag Matig Hoog Totaal Laag Static-99 risicocategorie Laag gemiddeld Hoog gemiddeld Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. Hoog Totaal Zowel voor de SVR-20 als de Static-99 (van dezelfde dossiers) geldt dat slechts eenvijfde van de patiënten op basis van risicofactoren laag / laag gemiddeld van de Static-99 scoorde, en laag op de SVR-20. Dit komt overeen met het beeld uit Tabel 23 waarin te zien is dat op basis van deze instrumenten bij weinig patiënten een laag risico wordt ingeschat. Dit betekent dat het overgrote deel van patiënten als matig of zeer risicovol voor het herhaling van delicten werd ingeschat (74% voor de SVR-20 en 78% voor de Static-99). 67
68 4. PREDICTIEVE VALIDITEIT VOOR TOTALE ONDERZOEKSGROEP Dit hoofdstuk biedt een overzicht van de resultaten die betrekking hebben op het discriminerend vermogen van de onderzochte instrumenten voor de totale onderzoeksgroep. Tevens wordt inzicht gegeven in de verhoudingen juiste en onjuiste recidivebeoordelingen op basis van de instrumenten. Tot slot worden voor ieder de instrumenten per risicocategorie de overlevingsfuncties voor seksuele recidive gepresenteerd. Predictieve validiteit SVR-20, Static-99, HKT-30, PCL-R Tabel 24 geeft van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R, de AUC-waarden, met bijbehorend 95% betrouwbaarheidsinterval, weer voor seksuele recidive, gewelddadige nietseksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. In de Tabellen wordt de voorspellende waarde van de individuele items van de SVR-20 (Tabel 25), Static-99 (Tabel 26), HKT-30 (Tabel 27) en de PCL-R (Tabel 28) vermeld. TABEL 24 Predictieve validiteit van de SVR-20 (N=86), Static-99 (N=79), HKT-30 (N=83) en PCL-R (N=84) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Instrument AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI SVR-20 Totaalscore * * Risico-inschatting * * Psychosociale aanpassing * * Seksuele delicten Toekomstplannen * Static-99 Totaalscore ** Risicocategorie * HKT-30 Totaalscore Risico-inschatting Historische/statische indicatoren * Klinische/dynamische indicatoren
69 Toekomstige situatieve indicatoren * * PCL-R Totaalscore Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) * * Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) * * Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist- Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). SVR-20 De predictieve validiteit van de SVR-20 totaalscore (AUC =.52) voor seksuele recidive was onvoldoende, wat ook gezegd kan worden van de predictieve validiteit van de subschalen van de SVR-20 (Psychosociale aanpassing, AUC =.51; Seksuele delicten, AUC=.49; Toekomstplannen, AUC =.59). Van de eindbeoordeling (het gestructureerd klinisch oordeel) bleek het onderscheidend vermogen beperkt, AUC =.57 (zie Tabel 24). De predictieve validiteit van de SVR-20 voor gewelddadige niet-seksuele recidive was enigszins beter dan die voor seksuele recidive, met AUC-waarden van.63 voor de totaalscore (p.05) en.66 voor de subschaal Psychosociale aanpassing (p <.05). Het gestructureerde eindoordeel had een matige predictieve validiteit (AUC =.64; p <.05) voor gewelddadige nietseksuele recidive. De predictieve validiteit van de SVR-20 voor de categorie algemeen gewelddadige recidive (inclusief seksuele recidive) was eveneens beter dan die voor seksuele recidive. Met uitzondering van de subschaal Seksuele delicten, lieten de SVR-20 subschalen een redelijke predictieve validiteit zien, met AUCs variërend van.65 (subschaal Psychosociale aanpassing) tot.64 (eindbeoordeling). Individuele items SVR-20. Voor wat betreft de individuele items van de SVR-20, gold dat geen van de afzonderlijke items een duidelijk onderscheidend vermogen had om de seksueel recidivisten te onderscheiden van de niet-recidivisten; voor geen enkel item werd een significante AUC-waarde gevonden (vergelijk Tabel 25) Met betrekking tot gewelddadige niet-seksuele recidive werd voor de items Eerder gepleegde, niet seksueel gewelddadige delicten (AUC =.64, p <.05) en Eerder gepleegde, niet seksueel, niet-gewelddadige delicten (AUC =.67, p <.05) een positieve, significante 69
70 samenhang gevonden. Opvallend was verder dat het item Seksuele deviatie een negatieve significante samenhang vertoonde met gewelddadige niet-seksuele recidive (AUC=.30; p <.05). Met betrekking tot algemeen gewelddadige recidive gold dat een redelijke predictieve validiteit werd gevonden voor zowel het item Eerdere gepleegde, niet seksueel, nietgewelddadige delicten (AUC=.68; p <.01) als het item Eerdere schending van voorwaarden (AUC=.65; p <.05). Het item Seksuele deviatie liet een negatieve significante samenhang zien (AUC=.34; p <.05) met algemeen gewelddadige recidive. Static-99 De predictieve validiteit van de Static-99 totaalscore en van de risicocategorie voor seksuele recidive was beperkt (AUC-waarden respectievelijk.56 en.57) voor de totale groep (Tabel 24). Voor gewelddadige niet-seksuele recidive gold, dat de predictieve validiteit van de Static-99 totaalscore en van de risicocategorie eveneens matig was (AUC respectievelijk.62 en.59) voor de totale groep. Voor algemeen gewelddadige recidive was de predictieve validiteit van de Static-99 totaalscore (AUC =.67, p <.01) en van de risicocategorie (AUC =.63, p <.05) matig tot redelijk te noemen. Items van de Static-99. Geen enkel item van de Static-99 vertoonde een duidelijke samenhang met seksuele recidive; geen van de AUC-waarden bleek significant (Tabel 26). Voor het item Het huidige delict bevat veroordeling voor niet seksueel geweld (AUC=.67; p <.05) werd zowel een matige samenhang gevonden met algemeen gewelddadige recidive (AUC=.65; p <.05). HKT-30 De predictieve validiteit van de HKT-30 voor het voorspellen van seksuele recidive was matig (Tabel 24), met AUC-waarden variërend van.45 voor de subschaal Historische/statische indicatoren tot.61 voor de eindbeoordeling (het gestructureerd klinisch oordeel). Met betrekking tot het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele recidive gold eveneens dat de predictieve validiteit van de HKT-30 onvoldoende was, met uitzondering van de subschalen Historische/statische indicatoren (AUC =.63, p <.05) en Toekomstige situatieve indicatoren (AUC =.65, p <.05), waarvoor een matige predictieve validiteit werd gevonden. 70
71 De subschaal Toekomstige situatieve indicatoren (AUC =.65, p <.05) vertoonde eveneens een matige positieve samenhang met algemeen gewelddadige recidive. Voor de andere subschalen, alsmede voor de HKT-30 totaalscore en het eindoordeel, werd een zwakke predictieve validiteit gevonden voor algemeen gewelddadige recidive. Items HKT-30. Met uitzondering van het item Vaardigheden (AUC =.68; p <.05) bleek geen van de individuele items van de HKT-30 een duidelijke samenhang te vertonen met seksuele recidive (Tabel 27). Voor gewelddadige niet-seksuele recidive lieten enkele items een matige samenhang zien. Het betreft de historische items Schending van voorwaarden (AUC =.65; p <.05) en Arbeidsverleden (AUC =.64; p <.05). Ook het klinische item Middelenmisbruik (AUC =.63; p <.05) vertoonde een matige significante samenhang met gewelddadige niet-seksuele recidive. Een aantal individuele items van de HKT-30 lieten een matige positieve en significante samenhang zien met algemeen gewelddadige recidive. Dit had betrekking op de historische items Schending van voorwaarden..., Arbeidsverleden, het klinische item Copingvaardigheden en de toekomst items Materiële indicatoren en Vaardigheden (AUCwaarden varieerden van.64 tot.68), vergelijk Tabel 27. PCL-R Zowel voor de PCL-R totaalscore als voor de factorscores werden geen significante AUCwaarden gevonden met betrekking tot het voorspellen van seksuele recidive (Tabel 24). Met betrekking tot het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele recidive werd een matig tot redelijke predictieve validiteit gevonden voor PCL-R Factor 2 (AUC =.63, p <.05) en Factor 4 Antisociaal van het vier-factoren model (AUC =.68, p <.05). PCL-R Factor 2 Antisociale levenstijl en Factor 4 Antisociaal van het vier-factoren model vertoonden eveneens een significante, matige samenhang met algemeen gewelddadige recidive (AUC-waarden respectievelijk.63 en.65). Items van de PCL-R. Geen van de individuele items vertoonde een toereikende mate van predictieve validiteit met betrekking tot seksuele recidive (vergelijk Tabel 28). Met betrekking tot gewelddadige niet-seksuele recidive werd slechts een significante samenhang gevonden met item 20 (Veelsoortige criminaliteit; AUC =.64; p <.05). 71
72 Slechts één item (Parasitaire levenstijl) vertoonde een matige predictieve validiteit met algemeen gewelddadige recidive (AUC =.64; p <.05). TABEL 25 Predictieve validiteit van individuele items van de SVR-20 (N=86) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI Psychosociale aanpassing 1 Seksuele deviatie * * Slachtoffer van kindermishandeling 3 Psychopathie Ernstige psychiatrische stoornis Problemen met het gebruik van middelen 6 Suïcidale/homicidale gedachten Relatieproblemen Problemen met betrekking tot het arbeidsverleden 9 Eerder gepleegde, niet seksueel * gewelddadige delicten 10 Eerder gepleegde, niet-seksueel, * ** niet-gewelddadige delicten 11 Eerdere schending van voorwaarden * Seksuele delicten 12 Hoge dichtheid van seksuele delicten 13 Meerdere typen van seksuele delicten 14 Lichamelijk geweld bij slachtoffer(s) van seksuele delicten 15 Gebruik van wapens of bedreigingen met de dood tijdens plegen seksueel delict 16 Escalatie in frequentie of ernst van seksuele delicten 17 Extreme minimalisering of ontkenning van seksuele delicten
73 18 Goedkeuring/vergoeilijken van seksuele delicten Toekomstplannen 19 Ontbreken van realistische toekomstplannen 20 Negatieve houding ten opzichte van interventies * Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige nietseksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). TABEL 26 Predictieve validiteit van individuele items van de Static-99 (N=79) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI 1 Eerdere seksuele delicten Data van eerdere veroordelingen (inclusief huidige veroordeling) 3 Veroordelingen voor hands-off seksuele delicten 4 Het huidige delict bevat * veroordeling voor niet seksueel geweld 5 Veroordeling voor eerder nietseksueel * geweld 6 Niet-verwant slachtoffer 7 Onbekend slachtoffer Mannelijk slachtoffer Jonge leeftijd (< 25 jaar) Alleenstaand (niet langer dan twee jaar samengewoond) Noot. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n = 7). * p <.05 (tweezijdig). 73
74 TABEL 27 Predictieve validiteit van individuele items van de HKT-30 (N=83) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI Historische/statische indicatoren H1 Justitiële voorgeschiedenis H2 Schending voorwaarden * * H3 Gedragsproblemen voor 12 e jaar H4 Slachtoffer van geweld in jeugd H5 Hulpverleningsgeschiedenis H6 Arbeidsverleden * * H7 Middelengebruik H8 Psychotische stoornissen H9 Persoonlijkheidsstoornissen H10 Psychopathie H11 Seksuele deviatie Klinische/dynamische indicatoren K1 Probleeminzicht K2 Psychotische symptomen K3 Middelengebruik * K4 Impulsiviteit K5 Empathie K6 Vijandigheid K7 Sociale en relationele vaardigheden K8 Zelfredzaamheid K9 Acculturatie problematiek K10 Attitude t.o.v. behandeling K11 Verantwoordelijkheid voor delict K12 Seksuele preoccupatie K13 Copingvaardigheden * Toekomstige situatieve indicatoren T1 Overeenstemming voorwaarden T2 Materiële indicatoren ** T3 Dagbesteding T4 Vaardigheden.68 * * T5 Sociale steun en netwerk T6 Stresserende omstandigheden
75 Noot. HKT-30 = Historisch Klinisch toekomst-30. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). TABEL 28 Predictieve validiteit van individuele items van de PCL-R (N=84) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95%BI AUC SE 95% BI 1 Gladde prater / oppervlakkige charme 2 Opgeblazen gevoel van eigenwaarde 3 Prikkelhongerig / neiging tot verveling 4 Pathologisch liegen List en bedrog / manipulerend gedrag 6 Gebrek aan berouw of schuldgevoel 7 Ontbreken van emotionele diepgang 8 Kil/gebrek aan empathie Parasitaire levensstijl * Gebrekkige beheersing gedrag Promiscue seksueel gedrag Gedragsproblemen op jonge leeftijd 13 Ontbreken realistische doelen op lange termijn 14 Impulsiviteit Onverantwoordelijk gedrag Geen verantwoordelijkheid voor eigen gedrag 17 Veel korte partnerrelaties Jeugdcriminaliteit Schending van voorwaarden Veelsoortige criminaliteit * Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige, niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 75
76 Risicobeoordeling en recidive Om een beter inzicht te geven in de verhouding tussen juiste en onjuiste recidive-inschattingen, die ten grondslag liggen aan de gevonden AUC-waarden, voor de drie risicotaxatieinstrumenten (SVR-20, Static-99 en HKT-30), is in Tabel 29 (SVR-20), in Tabel 30 (Static-99) en in Tabel 31 (HKT-30) de relatie tussen de risico-inschatting (voor de Static-99: de risicocategorie) en recidive (zowel seksuele als gewelddadige niet-seksuele recidive) weergegeven. In Tabel 32 wordt de relatie tussen de diagnose psychopathie en recidive voor deze populatie vermeld. SVR-20 Veertien procent (n=3) van de laag risico patiënten (volgens de SVR-20) werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 15% (n=5) van de matig risico en 23% (n=7) van de hoog risico patiënten. Het verschil is niet significant. Het recidivepercentage voor gewelddadige niet-seksuele recidive van hoog risico patiënten was significant hoger dan dat van laag risico en matig risico patiënten [48% vs. 21% respectievelijk 24%, 2 (1, 2) = 6.6, p <.05]. Het recidivepercentage voor algemeen gewelddadige recidive van hoog risico patiënten was eveneens significant hoger dan dat van laag risico en matig risico patiënten [58% vs. 29 % respectievelijk 29%, 2 (1, 2) = 7.0, p <.05]. TABEL 29 SVR-20 risico-inschatting en recidive (N=86) Recidivecategorie Seksueel (n = 15) Gewelddadig niet-seksueel (n = 27) Algemeen gewelddadig (n = 34) SVR-20 eindbeoordeling N (%) N (%) N (%) Laag risico (n = 21) 3 (14) 5 (24) 6 (29) Matig risico (n = 34) 5 (15) 7 (21) 10 (29) Hoog risico (n = 31) 7 (23) 15 (48) 18 (58) Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). Aantallen recidives tellen niet op tot respectievelijk 28 en 35 in verband met ontbrekende waarden. 76
77 Static-99 Géén van de patiënten in de risicocategorieën laag en laag gemiddeld (volgens de Static-99) werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict. Daarentegen werd 35% (n=9) van de patiënten in de categorie hoog gemiddeld risico en 15% (n=5) van de patiënten in de categorie hoog risico opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict. Het verschil was significant [ 2 (1, 3) = 8.9, p <.05]. Het recidivepercentage voor gewelddadige niet-seksuele recidive van patiënten in de categorie hoog risico was eveneens hoger dan dat van patiënten in de categorieën laag risico en laag gemiddeld risico, maar niet hoger dan het recidivepercentage van de patiënten in de categorie hoog gemiddeld risico [37% versus resp. 0%, 11%, 37%]. Het recidivepercentage voor algemeen gewelddadige recidive van hoog risicocategorie patiënten was significant hoger dan dat van de patiënten in de categorieën laag risico, laag gemiddeld risico en hoog gemiddeld risico [49% versus resp. 0%, 7% en 48%), 2 (1, 3) = 8.7, p <.05]. TABEL 30 Static-99 risico-inschatting en recidive (N=79) Recidivecategorie Seksueel (n = 14) Gewelddadig niet-seksueel (n = 24) Algemeen gewelddadig (n = 34) Static-99 risicocategorie N (%) N (%) N (%) Laag (n =0) Laag gemiddeld (n =18) 0 2 (11) 2 (7) Hoog gemiddeld (n = 27) 9 (35) 10 (37) 13 (48) Hoog (n =33) 5 (15) 12 (36) 16 (49) Noot. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). Aantallen recidives tellen niet op tot respectievelijk 15, 28 en 35 in verband met ontbrekende waarden. 77
78 HKT-30 Acht procent (n=1) van de laag risico patiënten werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 14% (n=6) van de matig risico en 25% (n=7) van de hoog risico patiënten. Het recidivepercentage voor gewelddadige niet-seksuele recidive van laag risico patiënten bedroeg 25%, tegenover 31% voor matig risico patiënten en 37% voor hoog risico patiënten. Het recidivepercentage voor algemeen gewelddadige recidive van laag risico patiënten bedroeg 25%, tegenover 38% voor matig risico patiënten en 50% voor hoog risico patiënten. TABEL 31 HKT-30 risico-inschatting en recidive (N=82) Recidivecategorie Seksueel (n = 14) Gewelddadig niet seksueel (n = 27) Algemeen gewelddadig (n = 34) HKT-30 eindbeoordeling N (%) N (%) N (%) Laag risico (n =12) 1 (8) 3 (25) 3 (25) Matig risico (n =42) 6 (14) 13 (31) 16 (38) Hoog risico (n =28) 7 (25) 11 (37) 15 (50) Noot. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. Gewelddadige, niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). Aantallen recidives tellen niet op tot respectievelijk 15, 28 en 35 in verband met ontbrekende waarden. PCL-R Twintig procent (n=14) van de niet-psychopathische delinquenten werd opnieuw veroordeeld voor een seksueel delict versus 6% (n=1) van de psychopathische delinquenten (PCL-R 26). Het verschil was niet significant [ 2 (1, 1) = 2.1, ns], zie Tabel 33. Het recidivepercentage voor gewelddadige niet-seksuele recidive van psychopathische patiënten verschilt niet van dat van niet-psychopathische zedendelinquenten [respectievelijk 33% en 31%], wat ook geldt voor het percentage algemeen gewelddadige recidive [respectievelijk 39% en 40%]. 78
79 Ook werden patiënten met een PCL-R score 30 versus een PCL-R score < 30 vergeleken. Voor de recidivecategorie seksuele recidive werd gevonden dat patiënten met een PCL-R score 30 niet vaker recidiveerden dan patiënten met een PCL-R score < 30 (respectievelijk 14% en 28%). Patiënten met een PCL-R score 30 recidiveerden vaker dan niet-psychopathische patiënten (PCL-R score < 30) met een gewelddadig niet-seksueel delict (35% versus 32%) en algemeen gewelddadig delict (39% versus 57%). TABEL 32 Psychopathie en recidive (N=85) Recidivecategorie Seksueel (n = 14) Gewelddadig niet-seksueel (n = 27) Algemeen gewelddadig (n = 34 ) PCL-R N (%) N (%) N (%) PCL-R < 26 (n = 68) 14 (20) 21 (31) 27 (40) PCL-R 26 (n =17) 1 (6) 6 (33) 7 (39) PCL-R < 30 (n = 77) 13 (28) 24 (32) 30 (39) PCL-R 30 (n = 8) 1 (14) 3 (35) 4 (57) Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. Gewelddadige, niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). Aantallen recidives tellen niet op tot respectievelijk 15, 28 en 35 in verband met ontbrekende waarden. Survival analyses seksuele recidive In de Figuren 2-6 zijn de overlevingsfuncties voor seksuele recidive weergeven. De overlevingsfuncties geven (in maanden), voor elk tijdstip in de follow up periode, aan wat de verhouding is tussen het aantal recidivisten en niet-recidivisten voor SVR-20 laag, matig of hoog beoordeelden (Figuur 2), voor de Static-99 risicocategoriëen (Figuur 3), en voor HKT- 30 laag, matig of hoog risico beoordeelden (Figuur 4). In Figuur 5, tenslotte, wordt de verhouding tussen het aantal recidivisten en niet-recidivisten voor patiënten met een PCL-R score 26) en patiënten met een PCL-R score < 26 weergegeven). De overlevingsfuncties tonen niet alleen de prevalentie; ook de recidivesnelheid kan uit de grafiek worden afgeleid. Voor de recidivecategorieën gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive gold dat voor ieder instrument de overlevingsfuncties van de afzonderlijke risicocategoriëen niet significant van elkaar verschilden. 79
80 SVR-20 Met betrekking tot seksuele recidive gold, dat de gemiddelde delictvrije periode (survival tijd) voor hoog risico delinquenten (M = 150; 12.5 jaar) weliswaar korter was, maar niet significant korter dan van delinquenten waarbij het risico als matig (M = 163; 13.6 jaar). Opvallend was dat laag risico patiënten een gemiddeld een korte overlevingsfunctie hadden (M =140; 11.9 jaar) dan patiënten waarvan het risico hoger werd ingeschat. De survival functies voor seksuele recidive voor de afzonderlijke risicocategorieën waren niet significant verschillend van elkaar (Log rank =.82, ns). Static-99 De overlevingsfunctie van hoog gemiddeld risico delinquenten (M = 128; 10.6 jaar) verschilde significant met die van hoog risicocategorie delinquenten (M = 163; 13.6 jaar) vielen (Log rank = 8.2, p <.05). Dit was opvallend aangezien verwacht werd dat degenen met het hoogste aantal risico-indicatoren op de Static-99 een korte delictvrije periode zouden hebben. Géén van de personen in de categorie laag en laag gemiddeld recidiveerden. HKT-30 De overlevingsfuncties van hoog risico patiënten (M = 143; 11.9 jaar), zoals vastgesteld met de HKT-30, verschilden niet significant met die van delinquenten met een matig risico (M = 163; 13.6 jaar) of laag risico (M = 174; 14.5 jaar)(log rank = 2.3, ns). PCL-R Onderverdeling van de onderzoeksgroep in psychopathische (PCL-R 26) en nietpsychopathische patiënten (PCL-R < 26) liet zien dat de overlevingstijden van psychopathische en niet-psychopathische delinquenten voor wat betreft seksuele recidive niet significant van elkaar verschilden. De curve van niet-psychopathische delinquenten bevond zich weliswaar gedurende de hele observatieperiode onder die van de psychopathische delinquenten, wat erop wijst dat er zich op elk gemeten tijdstip in de subgroep niet-psychopathische delinquenten meer recidivisten bevonden dan in de subgroep psychopaten (vergelijk Figuur 5), maar het verschil is niet significant (Log rank = 1.9, ns). 80
81 Cumulatieve overlevingskansps 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 SVR-20: laag risico SVR-20: matig risico SVR-20: hoog risico 0, Follow-up periode in jaren FIGUUR 2 Kaplan-Meier survival-functies voor SVR-20 laag, matig en hoog risico patiënten, met betrekking tot seksuele recidive (N=85) 81
82 Cumulatieve overlevingskansps 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 Static-99: laag risico Static-99: laag gemiddeld risico Static-99: hoog gemiddeld risico Static-99: hoog risico 0, Follow-up periode in jaren FIGUUR 3 Kaplan-Meier survival-functies voor laag, laag gemiddeld, hoog gemiddeld en hoog risicocategorie patiënten, volgens de Static-99, met betrekking tot seksuele recidive (N=77) 82
83 Cumulatieve overlevingskansps 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 HKT-30: laag risico HKT-30: matig risico HKT-30: hoog risico 0, Follow-up periode in jaren FIGUUR 4 Kaplan-Meier survival-functies voor laag, matig en hoog risico patiënten, beoordeeld met de HKT-30, met betrekking tot seksuele recidive (N=82) 83
84 C u m u l a ti e v e o v e r l e v i n g sk a n sps 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 N ie t -p s y c h o p a t e n 0,1 P s y c h o p a t e n 0, Fol l ow-u p pe r i ode i n jar e n FIGUUR 5 Kaplan-Meier survival-functies voor psychopathische (PCL-R 26) en niet-psychopathische (PCL-R < 26) seksuele delinquenten met betrekking tot seksuele recidive (N=83) 84
85 5. PREDICTIEVE VALIDITEIT VOOR DE ONDERSCHEIDEN DADERGROEPEN VERKRACHTERS/AANRANDERS EN PEDOSEKSUELE DELINQUENTEN In dit hoofdstuk worden de resultaten weergegeven van de predictieve validiteit van de SVR- 20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R voor twee verschillende dadergroepen: verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders. 12 Tot op heden is weinig bekend over de waarde van deze instrumenten bij subgroepen seksuele delinquenten. Nagegaan wordt of de predictieve validiteit van de onderzochte instrumenten verschilt voor beide subgroepen. Achtereenvolgens wordt beschreven in welke mate de eindbeoordeling, de totaalscore en de subschalen van de betreffende instrumenten recidivisten van niet-recidivisten weten te scheiden (zie ook de Tabellen 33 en 34). In de Bijlagen 3 en 4 worden de resultaten van de afzonderlijke items weergegeven. Eerst worden de resultaten van de subgroep verkrachters/aanranders besproken, vervolgens wordt ingegaan op de resultaten van de subgroep pedoseksuele daders. Predictieve validiteit instrumenten bij verkrachters/aanranders Onderstaande resultaten hebben betrekking op de voorspellende waarde van de onderzochte instrumenten bij de subgroep verkrachters/aanranders (n=53). De AUC-waarden staan weergegeven in Tabel 33. TABEL 33 Predictieve validiteit van de SVR-20 (N=53), Static-99 (N=47), HKT-30 (N=51) en PCL-R (N=51) voor verkrachters/aanranders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Instrument AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI SVR-20 Totaalscore * Risico-inschatting Psychosociale aanpassing Seksuele delicten Belangrijk is het te vermelden dat de base rate van (seksuele) recidive laag was, en de aantallen personen in de onderscheiden dadergroepen relatief laag waren. 85
86 Toekomstplannen Static-99 Totaalscore * Risicocategorie HKT-30 Totaalscore Risico-inschatting Historische/statische indicatoren Klinische/dynamische indicatoren Toekomstige situatieve indicatoren * * PCL-R Totaalscore Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). SVR-20 De SVR-20 totaalscore en de subschalen, alsmede het gestructureerd klinisch oordeel bleken geen enkele significante voorspellende waarde te hebben voor wat betreft seksuele recidive (AUC-waarden varieerden van.53 tot.62), gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige, uitgezonderd de SVR-20 totaalscore (AUC =.66, p <.05 voor algemeen gewelddadige recidive). Items. Een aantal SVR-20 items toonde een significante samenhang met recidive. Met betrekking tot gewelddadige niet-seksuele recidive werd voor het item seksuele deviatie een negatieve associatie gevonden (AUC=.33, p <.05). Het item Eerder gepleegde, niet-seksueel, niet-gewelddadige delicten had een redelijke predictieve validiteit (AUC =.68, p <.05) voor het voorspellen van algemeen gewelddadige recidive. Static-99 86
87 De predictieve validiteit voor seksuele recidive van de Static-99 totaalscore en van de risicocategorie bij verkrachters/aanranders was zeer matig (AUC respectievelijk.55 en.53). Opvallend was dat de totaalscore van de Static-99 voor gewelddadige niet-seksuele recidive een matig net niet significant- onderscheidend vermogen kende (AUC =.67, p =.06), en een significant onderscheidend vermogen voor wat betreft algemeen gewelddadige recidive (AUC =.68, p <.05). Items Slechts voor het item Huidige delict bevat veroordeling voor niet-sekuseel geweld werd een redelijke predictieve validiteit gevonden voor wat betreft gewelddadige nietseksuele recidive bij verkrachters/aanranders (AUC =.68, p <.05). Verder werd geen significant verband gevonden tussen de individuele items van de Static-99 en de verschillende recidivecategorieën. HKT-30 De HKT-30 totaalscore, alsmede de onderscheiden subschalen en het gestructureerd klinisch oordeel bleken bij verkrachters/aanranders niet significant bij te dragen aan het onderscheidend vermogen voor seksuele recidive (zie Tabel 33). De score op de schaal Toekomstige situatieve indicatoren liet een matige, krap significante predictieve validiteit zien voor gewelddadige niet-seksuele recidive (AUC =.66, p <.05) en algemeen gewelddadige recidive (AUC =.68, p <.05). Items. Een aantal HKT-30 items had een redelijke predictieve validiteit voor seksuele recidive. Het betreft de items Impulsiviteit (AUC =.79, p <.05) en Vaardigheden (AUC =.75, p <.05). Voor gewelddadige niet-seksuele recidive gold dat de risicofactor Arbeidsverleden (AUC=.68; p <.05) een redelijke predictieve validiteit liet zien. Hetzelfde gold voor de items Zelfredzaamheid (AUC =.66, p =.07), Copingvaardigheden (AUC =.68, p <.05) en Materiële indicatoren (AUC =.69, p <.05). Voor algemeen gewelddadige recidive gold dat de risicofactor Arbeidsverleden (AUC=.67; p <.05) een redelijke predictieve validiteit liet zien, wat ook gezegd kon worden van het items Copingvaardigheden (AUC =.69, p <.05), Materiële indicatoren (AUC =.69, p <.05) en Vaardigheden (AUC =.70, p <.05). PCL-R 87
88 Zowel de PCL-R totaalscore als de scores op de afzonderlijke factoren lieten geen van allen een significante associatie zien met seksuele recidive en niet-seksuele recidives bij verkrachters/aanranders (Tabel 33). Items. Geen van de PCL-R items had een voldoende vermogen om de seksuele recidivisten van de niet-seksuele recidivisten te onderscheiden. Voor de recidivecategorieën gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive bleken de items Parasitaire levenstijl (AUC-waarden respectievelijk.67 en.68, p s <.05) en Ontbreken van realistische doelen op lange termijn (AUC-waarden respectievelijk.66, p >.05 en.67, p <.05) in de huidige onderzoek een matige predictieve validiteit te hebben. Predictieve validiteit instrumenten bij pedoseksuele daders Onderstaand worden de resultaten gepresenteerd met betrekking tot de voorspellende waarde van de onderzochte instrumenten bij de subgroep pedoseksuele daders (n=33). De AUCwaarden staan weergegeven in Tabel 34. TABEL 34 Predictieve validiteit van de SVR-20 (N=31), Static-99 (N=27), HKT-30 (N=31) en PCL-R (N=33) voor pedoseksuele daders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Instrument AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI SVR-20 Totaalscore Risico-inschatting Psychosociale aanpassing * Seksuele delicten Toekomstplannen * Static-99 Totaalscore Risicocategorie HKT-30 Totaalscore Risico-inschatting
89 Historische/statische indicatoren Klinische/dynamische indicatoren Toekomstige situatieve indicatoren PCL-R Totaalscore Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) ** ** Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error.gewelddadige niet seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05; ** p <.01(tweezijdig). SVR-20 De SVR-20 totaalscore, subschaalscores, alsmede het gestructureerd klinisch oordeel (de eindbeoordeling) bleken niet significant bij te dragen aan de predictieve validiteit voor seksuele recidive bij pedoseksuele daders (Tabel 34). Met betrekking tot de predictieve validiteit voor gewelddadige niet-seksuele recidive werd een aantal trends gevonden; de subschaal Psychosociale aanpassing toonde een redelijk tot goede predictieve validiteit (AUC =.72, p =.06), wat ook gold voor de subschaal Toekomstplannen (AUC =.71, p =.08) en het eindoordeel (AUC =.71, p =.09). Soortgelijke resultaten werden ook gevonden voor de relatie met algemeen gewelddadige recidive ( Psychosociale aanpassing AUC =.73, p <.05; Toekomstplannen AUC =.72, p <.05); Eindoordeel AUC =.71, p =.06). Items. Met betrekking tot de individuele items van de SVR-20 werd gevonden dat bij de pedoseksuele daders geen van de afzonderlijke items een duidelijk, significant, onderscheidend vermogen had om de seksuele recidivisten te onderscheiden van de nietrecidivisten (zie Tabel A in Bijlage 4). Voor gewelddadige niet-seksuele recidive is te zien dat slechts één items een matig onderscheidend vermogen had om gewelddadige recidivisten te onderscheiden van de nietrecidivisten. Het item Negatieve houding ten opzichte van interventies liet een significante AUC-waarde van.77 (p <.05). 89
90 Voor het voorspellen van algemeen gewelddadige recidive bleken de items Eerdere schending van voorwaarden (AUC =.76, p <.05) en Negatieve houding ten opzichte van interventies (AUC =.72, p <.05) een goed onderscheidend vermogen te hebben. Static-99 De predictieve validiteit van de totaalscore van de Static-99 en risicocategorieën bij pedoseksuele daders was zeer matig; geen van de AUC-waarden was significant (Tabel 34). Ook de afzonderlijke Static-99 items bleken niet in staat de recidivisten van de niet-recidivisten te onderscheiden. HKT-30 De HKT-30 totaalscore, schaalscores, alsmede het gestructureerd klinisch oordeel (de eindbeoordeling) bleken bij pedoseksuele daders niet significant bij te dragen aan de predictieve validiteit voor seksuele recidive, gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. Items. Slechts twee items lieten een significante predictieve validiteit zien met betrekking tot het voorspellen van seksuele recidive, te weten de items Hulpverleningsgeschiedenis (AUC =.83, p <.05) en Verantwoordelijkheid voor delict (AUC =.14, p <.05). Geen enkel item had een onderscheidend vermogen voor gewelddadige niet-seksuele recidive. Het item Schending van voorwaarden is redelijk sterk geassocieerd met algemeen gewelddadige recidive (AUC =.72, p <.05), evenals Materiële indicatoren (AUC =.77, p <.05). PCL-R Noch de PCL-R totaalscore noch de factorscores op de afzonderlijke factoren lieten een significante associatie zien met seksuele recidive bij de subgroep pedoseksuele daders (Tabel 34). Met betrekking tot gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive werd een significante samenhang gevonden met Factor 4 Antisociaal van het vierfactorenmodel (AUC-waarden respectievelijk.79 en.78, p s <.01). Items. Voor wat betreft de afzonderlijke PCL-R items kan gezegd worden dat het item Jeugdcriminaliteit sterk geassocieerd is met seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive (AUC-waarden respectievelijk.91, p <.01 en.74, p <.05). Algemeen gewelddadige 90
91 recidive was verder redelijk sterk geassocieerd met het item Schending van voorwaarden (AUC =.72, p <.05). 6. DE ROL VAN (DE COMBINATIE VAN) SEKSUELE DEVIATIE EN PSYCHOPATHIE VOOR HET VOORSPELLEN VAN SEKSUELE RECIDIVE De base rate voor seksuele recidive verschilt niet alleen per type dader (bijvoorbeeld verkrachters versus pedoseksuele daders, vergelijk hoofdstuk 5), maar wetenschappelijk onderzoek suggereert ook dat met name zedendelinquenten bij wie de aanwezigheid van psychopathie en een deviante seksuele voorkeur is vastgesteld, een verhoogd risico hebben op het opnieuw plegen van een seksueel delict (bijvoorbeeld Hildebrand e.a., 2004; Rice & Harris, 1997). In dit hoofdstuk wordt gerapporteerd over de relatie tussen seksuele deviatie, psychopathie en seksuele recidive bij de totale onderzoeksgroep, alsmede voor de onderscheiden dadergroepen verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders. Alvorens in te gaan op de invloed van de combinatie psychopathie en seksuele deviatie in relatie tot seksuele recidive worden de resultaten gepresenteerd van de relatie tussen de aanwezigheid van een deviante voorkeur en seksuele recidive, aangezien een aantal wetenschappelijke onderzoeken laat zien dat er bij zedendelinquenten bij wie er sprake is van seksuele deviatie een verhoogd risico is op nieuwe seksuele delicten (bijvoorbeeld Hanson & Morton-Bourgon, 2005). Resultaten worden gepresenteerd voor zowel de totale onderzoeksgroep als voor verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders afzonderlijk. Seksuele deviatie en seksuele recidive Voor het doel van dit onderzoek werd de aan- of afwezigheid van een deviante seksuele voorkeur vastgesteld aan de hand van item 1 (Seksuele deviatie) van de SVR De aanwezigheid van seksuele deviatie is gedefinieerd als een score 1 (item is mogelijk aanwezig) of 2 (item is duidelijk aanwezig) op item 1 van de SVR-20. Totale groep De aanwezigheid van een deviante seksuele voorkeur bleek voor de totale onderzoeksgroep 13 Het bleek dat zowel op basis van het SVR-20 item 1 Seksuele deviatie als het HKT-30 item H11 Seksuele deviatie ongeveer de helft van de totale onderzoeksgroep door beoordelaars als seksueel deviant beschouwd werd, respectievelijk 45% (score 1 of 2 op de SVR-20 item 1) en 48% (score 2 of hoger op HKT-30 item H11). 91
92 niet significant samen te hangen met een sterk verhoogde kans op een nieuwe veroordeling voor een seksueel delict (Tabel 35), 2 (1,2) = 3.4. TABEL 35 Relatie tussen seksuele deviatie en seksuele recidive voor de totale groep (N=88) en voor de onderscheiden dadergroepen verkrachters/aanranders (n=53) en pedoseksuele daders (n=33) Seksuele recidive Groepen n a (%) Totale groep Seksuele deviatie aanwezig (n=40) 8 (20) Seksuele deviatie afwezig (n=46) 7 (15) Verkrachters/aanranders Seksuele deviatie aanwezig (n=19) 6 (32) Seksuele deviatie afwezig (n=34) 3 (9) Pedoseksuele daders Seksuele deviatie aanwezig (n=21) 2 (10) Seksuele deviatie afwezig (n=10) 2 (20) Noot. Aantallen patiënten tellen niet op tot respectievelijk N=88 (totale groep), n=53 (verkrachters/aanranders) en n=33 (pedosekusele daders) in verband met ontbrekende waarden. a Aantallen recidives tellen niet op tot n=15 in verband met ontbrekende waarden. Verkrachters/aanranders Voor de groep verkrachters/aanranders bleek de aanwezigheid van een deviante seksuele voorkeur wel significant samen te hangen met een verhoogde kans op een nieuwe veroordeling voor een seksueel delict; zes van de 19 verkrachters/aanranders (32%) die voldeden aan het criterium voor seksuele deviatie werden opnieuw veroordeeld voor (tenminste) één nieuw seksueel delict (Tabel 35), terwijl drie van de 34 delinquenten (9%) zonder deviante seksuele voorkeur opnieuw werden veroordeeld voor een nieuw seksueel delict [ 2 (1,1) = 4.8, p <.05]. De overlevingsfunctie van verkrachters/aanranders met een aantoonbare seksuele deviatie verschilde significant met die van delinquenten zonder deviante seksuele voorkeur voor wat betreft seksuele recidive (M = 138, 11.5 jaar versus M = 171, 14.3, Log rank = 4.4, p <.05). Op nagenoeg elk gemeten tijdstip in de follow-up periode bevonden zich in de subgroep deviante verkrachters/aanranders méér recidivisten dan in de subgroep niet-deviante verkrachters/aanranders (zie Figuur 6). Ook recidiveerden zij eerder met een seksueel delict. Pedoseksuele daders Twee van de 21 pedoseksuele daders (10%) die voldeden aan het criterium voor seksuele 92
93 C u m u la tie v e o v e r le v in g s k a n s PS deviatie werden opnieuw veroordeeld voor (tenminste) één nieuw seksueel delict, terwijl twee van de 10 delinquenten (20%) zonder deviante seksuele voorkeur opnieuw werden veroordeeld voor een nieuw seksueel delict (Tabel 35). Het verschil is echter niet significant [ 2 (1,1) =.66, ns]. De overlevingsfunctie van pedoseksuele daders met aantoonbare seksuele deviatie verschilde eveneens niet significant met die van daders zonder deviante seksuele voorkeur voor wat betreft seksuele recidive (M = 172, 14.3 jaar versus M = 139, 11.6 jaar; Log rank =.89, ns). 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 N ie t-s e k s u e e l d e v ia n te v e rk ra c h te rs/a a n ra n d e rs 0,1 S e k s u e e l d e v ia n te v e rk ra c h te rs/a a n ra n d e rs 0, F o llo w -u p p e r io d e in ja r e n FIGUUR 6 Kaplan-Meier survival-functies voor seksueel deviante en niet-seksueel deviante verkrachters/ aanranders met betrekking tot seksuele recidive (N =53) 93
94 Psychopathie en seksuele deviatie in relatie tot seksuele recidive Totale groep Psychopathische patiënten (PCL-R 26) en niet-psychopaten (PCL-R < 26) zijn verder onderverdeeld op basis van de aan- of afwezigheid van een deviante seksuele voorkeur. Zo werden vier groepen gecreëerd: seksueel deviante psychopaten (n=13), niet-deviante psychopaten (n=4), deviante niet-psychopaten (n=27) en niet-deviante niet-psychopaten (n=39). Hierbij dient te worden opgemerkt dat het kleine aantallen patiënten betreft, en dat de resultaten terughoudend geïnterpreteerd dienen te worden. Het percentage seksuele recidives voor de subgroep seksueel deviante psychopaten was hoger dan bij niet-seksueel deviante psychopathische patiënten, namelijk 8% (slechts één van de 13 seksuele delinquenten in deze groep recidiveerde met een seksueel delict), géén van de niet-deviante psychopathische delinquenten recidiveerde (zie Tabel 36). Het recidivepercentage voor de groep deviante niet-psychopaten was 26% (n=7). Dit was hoger dan voor de nietdeviante niet-psychopathische groep: 18% (n=7). Het verschil is echter niet significant [ 2, (1, 2) = 3.4]. TABEL 36 Relatie tussen psychopathie, seksuele deviatie en seksuele recidive voor de totale onderzoeksgroep (N=88) Seksuele recidive Groepen n (%) PCL-R 26 / seksueel deviant (n=13) 1 (8) PCL-R 26 / niet seksueel deviant (n=4) 0 (0) PCL-R < 26 / seksueel deviant (n=27) 7 (26) PCL-R < 26 / niet seksueel deviant (n=39) 7 (18) Noot. Aantallen patiënten tellen niet op tot n=88 in verband met ontbrekende waarden In Tabel 37 staan de recidivepercentages weergegeven voor de dadergroepen verkrachters/aanranders en pedoseksuele daders, verder onderverdeeld naar de aan- of afwezigheid van seksuele deviatie en psychopathie. 94
95 TABEL 37 De relatie tussen psychopathie, seksuele deviatie en seksuele recidive voor de dadergroepen verkrachters/aanranders (N=53) en pedoseksuele daders (N=33) Seksuele recidive Groepen n a (%) Verkrachters/ aanranders PCL-R 26 / seksueel deviant (n=5) 1 (20) PCL-R 26 / niet seksueel deviant (n=4) PCL-R < 26 / seksueel deviant (n=14) 5 (36) PCL-R < 26 / niet seksueel deviant (n=27) 3 (11) Pedoseksuele daders PCL-R 26 / seksueel deviant (n=8) PCL-R 26 / niet seksueel deviant (n=0) PCL-R < 26 / seksueel deviant (n=13) 2 (15) PCL-R < 26 / niet seksueel deviant (n=10) 2 (20) Noot. Aantallen patiënten tellen niet op tot respectievelijk n=53 (verkrachters/aanranders) en n=33 (pedoseksuele daders) in verband met ontbrekende waarden a Aantallen recidives tellen niet op tot n=15 in verband met ontbrekende waarden. Verkrachters/aanranders Het recidivepercentage voor seksuele recidive bij verkrachter/aanranders is in de groep Seksueel deviante psychopathische patiënten (n=1) hoger dan in de groep Niet-seksueel deviante psychopathische patiënten (20% versus geen recidives). Voor niet-psychopathische, seksueel deviante verkrachters/aanranders is het recidivepercentage significant hoger dan bij niet-psychopathische, niet-seksueel deviante verkrachters/aanranders [36% versus 11%; 2 (1, 1) = 3.6, p <.05]. Pedoseksuele daders Het percentage seksuele recidives van zowel de subgroepen psychopaten met en zonder seksuele deviatie waren lager dan de subgroepen niet-psychopaten met en zonder seksuele deviatie (respectievelijk geen recidives versus 15% en 20%). 95
96 7. EXPLORATIEVE ANALYSES Statische achtergrondvariabelen en seksuele recidive De gemiddelde intelligentie van de seksueel recidivisten (n=15) verschilde niet significant van die van de niet-recidivisten. Voorafgaande aan de tbs-maatregel bleken de patiënten die recidiveerden met een seksueel delict, significant vaker te zijn veroordeeld voor eerdere zedendelicten (57% versus 22%) dan degenen die niet recidiveerden. Het bleek dat de kans op een veroordeling bepaald aan de hand van een odds ratio analyse voor een seksueel delict voor hen bijna vijf maal groter is dan voor zedendelinquenten die niet eerder zijn veroordeeld voor een seksueel delict [OR = 4.7 ( )]. Tevens bleken seksueel recidivisten in het verleden eveneens vaker veroordeeld te zijn voor vermogensdelicten in vergelijking met degenen die niet recidiveerden met een seksueel delict (57% en 29%, 2 (1, 1) = 4.0, p <.05). Wat betreft het index delict (het delict waarvoor de tbs-maatregel is opgelegd) viel op dat recidivisten vaker een onbekende als slachtoffer hadden dan de niet-recidivisten. De leeftijd ten tijde van de tbs-opname in een kliniek en de leeftijd bij ontslag na de tbs was aanzienlijk lager bij seksuele recidivisten dan bij nietrecidivisten (respectievelijk 27 versus 31 jaar, en 34 versus 38 jaar); deze verschillen zijn echter net niet significant (p =.06). Delictverleden en (seksuele) recidive Om na te gaan of de predictieve validiteit van de instrumenten verschilt al naar gelang het delictverleden van patiënten, is besloten de onderzoeksgroep onder te verdelen in de volgende subgroepen: 1. Patiënten die alléén veroordelingen hebben voor zedendelicten (N=53); 2. Patiënten die in het verleden behalve veroordelingen voor zedendelicten ook veroordelingen voor vermogens- en/of geweldsdelicten hebben (N=35). Voor beide groepen afzonderlijk is onderzocht wat de voorspellende waarde is van de SVR-20, de Static-99, de HKT-30 en de PCL-R. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 38 (patiënten met alléén zedendelicten) en Tabel 39 (patiënten met ook vermogens- en/of geweldsdelicten in het verleden). Voor patiënten met in het verleden alléén veroordelingen voor zedendelicten (zogenaamde zuivere zedendelinquenten) valt op dat géén van de onderzochte instrumenten voldoende voorspellende waarde had voor het voorspellen van seksuele recidive. Opvallend 96
97 was dat zowel de PCL-R totaalscore (AUC =.20, p <.05) als Factor 1 van de PCL-R (AUC =.21, p <.05) negatief samenhingen met seksuele recidive. Ook wat betreft gewelddadige niet-seksuele recidive bleek dat geen van de onderzochte instrumenten voldoende voorpellende waarde had, met uitzondering van de totaalscore (AUC =.75, p <.01) en de risicocategorie (AUC =.73, p <.01) van de Static-99, wat een opvallend resultaat is, aangezien de Static-99 ontwikkeld is voor het inschatten van seksueel gewelddadige recidive bij volwassen seksuele delinquenten. De Static-99 totaalscore en de risicocategorie bleken eveneens een goede voorspellende waarde te hebben voor algemeen gewelddadige recidive (AUC-waarden van respectievelijk.78 en. 75) bij deze subgroep. TABEL 38 Predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R, voor zedendelinquenten zonder een verleden van gewelds-en vermogensdelicten (N=53) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Instrument AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI SVR-20 Totaalscore Risico-inschatting Psychosociale aanpassing Seksuele delicten Toekomstplannen Static-99 Totaalscore ** ** Risicocategorie ** ** HKT-30 Totaalscore Risico-inschatting Historische/statische indicatoren Klinische/dynamische indicatoren Toekomstige situatieve indicatoren PCL-R 97
98 Totaalscore.20 * Factor 1 (1 e ed.).21 * Factor 2 (1 e ed.) Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). Voor de subgroep patiënten met veroordelingen voor vermogens- en geweldsdelicten in het verleden bleek het onderscheidend vermogen voor seksuele recidive van de instrumenten (AUC-waarden variërend van.40 tot.71, ns) achter te blijven bij de predictieve waarde van deze instrumenten voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. Voor gewelddadige niet-seksuele recidive, gold voor de subschalen Psychosociale aanpassing en de totaalscore van de SVR-20, dat er sprake was van een redelijke samenhang met gewelddadige (al dan niet seksuele) recidive (AUC-waarden boven de.70). Ook de Toekomstige situatieve indicatoren van de HKT-30 toonde een positieve samenhang (AUC =.69, p <.05). Voor algemeen gewelddadige recidive bleken de instrumenten van redelijke tot goede predictieve waarde, met uitzondering van de Static-99. Voor de SVR-20 had zowel de totaalscore, als de subschalen Psychosociale aanpassing en Toekomstplannen een positieve samenhang met algemeen gewelddadige recidive (AUC-waarden van.73). Behalve de klinische/dynamische indicatoren (AUC =.70, p <.05), toekomstige/ situatieve indicatoren (AUC =.77, p <.01) en de HKT-30 totaalscore (AUC =.71, p <.05), bleek ook het gestructureerde oordeel van de HKT-30 (AUC =.71, p <.05) een redelijk tot goed vermogen te hebben voor het onderscheiden van recidivisten en niet-recidivisten. Wat betreft de PCL-R, tot slot, hadden de totaalscore van de PCL-R (AUC =.71, p <.05) en Factor 2 (AUC =.69, p <.05), als ook de factor Affectief (AUC =.70, p <.05) een redelijk onderscheidend vermogen voor algemeen gewelddadige recidive. 98
99 TABEL 39 Predictieve validiteit van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R voor zedendelinquenten met een verleden van gewelds-en vermogensdelicten (N=35) Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Instrument AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI SVR-20 Totaalscore * * Risico-inschatting Psychosociale aanpassing ** * Seksuele delicten Toekomstplannen * Static-99 Totaalscore Risicocategorie HKT-30 Totaalscore * Risico-inschatting * Historische/statische indicatoren Klinische/dynamische * indicatoren Toekomstige situatieve indicatoren * ** PCL-R Totaalscore * Factor 1 (1 e ed.) Factor 2 (1 e ed.) * Interpersoonlijk (2 e ed.) Affectief (2 e ed.) * Levensstijl (2 e ed.) Antisociaal (2 e ed.) Noot. SVR-20 = Sexual Violence Risk-20. HKT-30 = Historisch Klinisch Toekomst-30. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. 1 e ed. = 1 e editie PCL-R (1991). 2 e ed. = 2 e editie PCL-R (2003). AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05, ** p <.01 (tweezijdig). 99
100 8. DISCUSSIE In dit retrospectieve onderzoek werd de waarde van twee risicotaxatie-instrumenten voor toekomstig seksueel gewelddadig gedrag, die momenteel worden gebruikt in de forensisch psychiatrische centra in Nederland (de SVR-20 en de Static-99), onderzocht en met elkaar vergeleken. Bovendien is nagegaan wat de bruikbaarheid van de HKT-30 is bij een populatie zedendelinquenten en werd de onderscheidende waarde van de diagnose psychopathie (vastgesteld middels de Psychopathy Checklist-Revised) onderzocht. De onderzoeksgroep bestond uit 88 mannelijke (ex) ter beschikking gestelde patiënten, afkomstig uit negen forensisch psychiatrische centra, die allen destijds waren veroordeeld voor seksuele delicten (verkrachting, aanranding of ontucht). Zij werden in de periode mei 1983 tot april 1999 opgenomen in een forensisch psychiatrische instelling, de ontslagdatum viel tussen 1 januari 1992 en 31 december De gemiddelde behandelduur was 84 maanden (7 jaar), met een standaarddeviatie van 37 maanden (3 jaar) en een bereik van 6 tot 185 maanden. De gemiddelde follow up duur (time at risk) was 120 maanden (10 jaar) met een standaarddeviatie van 38 maanden (3 jaar) en een bereik van 18 tot 187 maanden (1.5 tot ruim 15 jaar). Recidive De base rate voor seksuele recidive in dit onderzoek bedroeg 17%. Het percentage gewelddadige niet-seksuele recidive was 32%, terwijl de base rate voor de categorie algemeen gewelddadige recidive 40% was. Verschillen in onder andere (1) operationalisatie van de uitkomstvariabele recidive, (2) dadertype en (3) gehanteerde follow up termijnen maken het lastig om de base rates uit deze studie te vergelijken met resultaten uit eerder onderzoek. Met inachtneming van genoemde verschillen kan niettemin gezegd worden dat de base rate voor seksuele recidive, zoals in deze studie gerapporteerd, overeenstemt met eerder gerapporteerde bevindingen (vergelijk o.a. Hanson & Morton-Bourgon, 2005; Koster e.a, 2006; Wartna, el Harbachi, & van der Knaap, 2005). De Ruiter en De Vogel (2004) rapporteerden voor hun onderzoekspopulatie een hogere base rate voor seksuele recidive, namelijk 39%. De bevinding dat de base rate van gewelddadige niet-seksuele recidive hoger is dan de base rate voor seksuele recidive bij een populatie seksuele delinquenten is in overeenstemming met eerder Nederlands onderzoek (Hildebrand, 2004; Koster e.a., 2006; de Ruiter & de Vogel, 2004). Ook uit een meta-analyse van Hanson & Morton-Bourgon (2005) bleek dat seksuele delinquenten gemiddeld gezien vaker met een algemeen gewelddadig delict (gemiddelde base rate is 36%) recidiveerden dan met een seksueel delict (gemiddelde base rate is 14%). 100
101 Niet alle seksuele delinquenten vormen eenzelfde recidiverisico (bijvoorbeeld Bartosh, Garby, Lewis, & Gray, 2003; Doren, 1998). Zo is uit de wetenschappelijke literatuur bijvoorbeeld bekend dat zeker bij een lange follow-up periode pedoseksuele daders met extrafamiliaire slachtoffers een hogere base rate voor seksuele recidive hebben dan andere typen zedendelinquenten (o.a. Prentky e.a., 1997). De base rate van seksuele recidive was in de huidige studie bij verkrachters/aanranders enigszins hoger (17%) dan bij pedoseksuele daders (13%). Wanneer deze bevinding wordt vergeleken met door De Ruiter en de Vogel (2004) gerapporteerde resultaten valt op dat het in hun studie juist de pedoseksuele daders zijn die, in vergelijking met verkrachters/aanranders, vaker recidiveren (59% respectievelijk 33%). Een mogelijke verklaring kan liggen in het feit dat in de studie van De Ruiter en de Vogel (2004) verhoudingsgewijs meer extrafamilaire pedoseksuele daders met jongens als slachtoffer in hun onderzoekspopulatie hadden, 14 waarvan maar liefst 80% recidiveerde. Bartosh e.a. (2003) benadrukten in hun studie terecht dat het van belang is te weten welk type zedendelinquent (intra- of extrafamilair, incest, hands-off delinquenten, verkrachters) wordt onderzocht, alvorens studies met verschillende base rates voor (seksuele) recidive zuiver te kunnen vergelijken. In de huidige studie bleek verder dat verkrachters/aanranders in vergelijking met pedoseksuele daders ook vaker recidiveerden met gewelddadige niet-seksuele recidive (respectievelijk 34% en 24%) en algemene gewelddadige recidive (43% versus 30%). Hanson en Morton-Bourgon (2005) rapporteerden in hun meta-analyse vergelijkbare resultaten (zie ook Hanson & Bussière, 1998). Onderverdeling van de onderzoeksgroep in seksuele delinquenten mét een delictverleden van vermogens- en/of gewelddadige niet-seksuele delicten en zedendelinquenten zonder een dergelijk verleden (zogenaamde zuivere zedendelinquenten) liet zien dat de recidivepercentages voor deze laatste groep beduidend lager waren. De percentages voor seksuele recidive bedroegen respectievelijk 26% versus 11%, voor gewelddadige niet-seksuele recidive 40% en 26%, en voor algemene gewelddadige recidive 54% respectievelijk 30%. Psychometrische kwaliteiten van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R (onderzoeksvraag 1) In dit onderzoek werd aangetoond dat zowel de SVR-20, Static-99, HKT-30 als de PCL-R over het geheel genomen betrouwbaar zijn te scoren, al varieert de mate waarin de beoordelaars daders tegenover twee in de huidige studie. 101
102 overeenstemmen op afzonderlijke items soms aanzienlijk. Zowel op basis van de SVR-20 als de HKT-30 werd het risico op een seksuele recidive bij het merendeel van de patiënten door de beoordelaars ingeschat als matig of hoog. Geen van beide instrumenten schatte het risico structureel hoger of lager in vergeleken met het andere instrument. SVR-20 De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de SVR-20 was over het geheel genomen redelijk tot goed te noemen (ICC =.78 voor de SVR-20 totaalscore; ICC =.63 voor het gestructureerd klinisch oordeel) en voor wat betreft de totaalscore vergelijkbaar met eerder gerapporteerde resultaten in een Nederlandse tbs-populatie (Koster e.a., 2006; De Vogel e.a., 2004). De Vogel e.a. (2004) rapporteerden weliswaar een goede overeenstemming tussen beoordelaars voor de SVR-20 totaalscore (ICC =.75), maar een matige overeenstemming voor de eindbeoordeling (ICC =.48). Het gevonden verschil per subschaal [uitstekende betrouwbaarheid voor Psychosociale aanpassing (ICC =.77), redelijke betrouwbaarheid voor Toekomstplannen (ICC =.66), matige betrouwbaarheid voor de schaal Seksuele delicten (ICC =.58)] komt deels overeen met eerdere onderzoeksbevindingen (vergelijk Koster e.a., 2006). De ICC waarden voor de subschalen zijn op een aantal punten echter beduidend lager dan de door De Vogel en collega s (2004) gerapporteerde bevindingen ( Psychosociale aanpassing ICC =.74; Seksuele delicten ICC =.74; Toekomstplannen ICC =.78). De mate van overeenstemming tussen de beoordelaars op de afzonderlijke items van de SVR-20 was wisselend. Static-99 De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de Static-99 was, over het geheel genomen, goed tot uitstekend (ICC =.83 voor de totaalscore, en.73 voor de risicocategorie), en vergelijkbaar met de studie van de Vogel e.a. (2004). In andere betrouwbaarheidsstudies met relatief kleine aantallen dossiers werden ICC-waarden gerapporteerd voor de Static-99 totaalscore variërend van.63 (Ducro & Pham, 2006) tot.99 (Van Horn e.a., 2006). In de huidige studie lieten met name de items over eerdere slachtoffers van zedendelicten een relatief lagere overeenstemming tussen beoordelaars zien. HKT-30 De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de HKT-30 was, over het geheel genomen, eveneens goed tot uitstekend (ICC =.81 voor HKT-30 totaalscore; ICC =.61 voor het eindoordeel). Het patroon van het gevonden verschil per subschaal (uitstekende betrouwbaarheid voor de 102
103 Historische/statische items (ICC =.79), goede betrouwbaarheid voor de Klinische/dynamische items (ICC =.72) en Toekomstige/situatieve items (ICC =.76) is overeenkomstig de gevonden verschillen per subschaal in een studie naar de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de HKT-30 onder gewelddadige niet-seksuele tbspatiënten ( Historische/statische items, ICC =.87; Klinische/dynamische items, ICC =.68; Toekomstige/situatieve items, ICC =.65) (Hildebrand e.a., 2005). De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de afzonderlijke items varieerde sterk. PCL-R De betrouwbaarheid van de totaalscore is uitstekend (ICC =.84), die van Factor 1 en 2 is goed (ICC respectievelijk.71 en.77). Verhoudingsgewijs lieten de afzonderlijke items van Factor 1 vaker een lagere betrouwbaarheid zien dan items van Factor 2. De gevonden waarden zijn enigszins lager dan de mate van overeenstemming die door Hildebrand, de Ruiter, de Vogel, & van der Wolf (2002) werd gevonden in een studie naar de betrouwbaarheid van de PCL-R. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de factoren Interpersoonlijk (ICC =.75), Antisociaal (ICC =.76) en Levensstijl (ICC =.84) van het vier-factoren model is goed te noemen, die van de factor Affectief blijft hierbij duidelijk achter (ICC =.57). Predictieve validiteit SVR-20, Static-99, HKT-30 en PCL-R (onderzoeksvraag 2) Met betrekking tot de predictieve validiteit van de onderzochte instrumenten (SVR-20, Static- 99, HKT-30 en PCL-R) kan het volgende worden geconcludeerd. Totale onderzoekspopulatie Het vermogen van de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R om seksuele recidivisten van niet-seksuele recidivisten te onderscheiden is onvoldoende voor de totale onderzoekspopulatie. Op schaal- of subschaalniveau hebben géén van de instrumenten een statistisch voldoende onderscheidend vermogen voor het voorspellen van seksuele recidive in de totale groep. Wel dient benadrukt te worden dat er in de huidige studie sprake is van een relatief lage base rate van seksuele recidive, waarvan vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat dit enig effect heeft gehad op de resultaten. Opvallend is dat, in zijn algemeenheid, de predictieve validiteit van de HKT-30 voor het voorspellen van toekomstig seksueel gewelddadig gedrag niet onder doet voor die van de SVR-20 en de Static-99, instrumenten die speciaal ontworpen zijn voor het beoordelen van het risico van seksueel gewelddadig gedrag. Verder blijkt dat de voorspellende waarden van de eindbeoordelingen het gestructureerd klinisch oordeel op de SVR
104 (AUC =.57) en de HKT-30 (AUC =.61) niet significant beter zijn dan die van de totaalscore of de subschalen van de respectievelijke instrumenten. Het systematisch in beschouwing nemen van een veelheid aan statische en dynamische indicatoren, alsmede het wegen en integreren van de verschillende indicatoren in een eindoordeel kwam de nauwkeurigheid van de risicotaxatie in de huidige studie, voor wat betreft het inschatten van toekomstige seksuele recidive, blijkbaar niet ten goede. Hoewel de SVR-20 en de Static-99 speciaal ontwikkeld zijn voor het beoordelen van toekomstig seksueel gewelddadig gedrag komt uit de studie naar voren dat beide instrumenten relatief beter in staat zijn gewelddadige niet-seksuele recidive van zedendelinquenten te voorspellen, zij het hooguit matig (AUC-waarden variërend van.53 voor de SVR-20 subschaal Seksuele delicten tot.66 voor de SVR-20 subschaal Psychosociale aanpassing). Voor de HKT- 30 werden overeenkomstige waarden gevonden, wat wellicht enigszins teleurstellend is, aangezien de HKT-30, meer dan de SVR-20 en Static-99, ontwikkeld is voor het voor het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele recidive. Voor de categorie algemeen gewelddadige recidive bleek dat de SVR-20 een redelijke predictieve validiteit heeft evenals de Static-99. Voor deze recidivecategorie bleek ook de Toekomst schaal van de HKT-30 van enige predictieve waarde. De relatief beste voorspellende waarde voor gewelddadige nietseksuele recidive werd gevonden voor Factor 4 (Antisociaal) van het vier-factorenmodel van de PCL-R (AUC =.68, p <.05), voor algemeen gewelddadige recidive was de Static-99 totaalscore relatief gezien de beste voorspeller (AUC =.67, p <.05). Verkrachters/aanranders Voor de subpopulatie verkrachters/aanranders (N = 53) gold dat de SVR-20, Static-99, HKT-30 en de PCL-R geen enkele significante voorspellende waarde bleken te hebben voor het voorspellen van seksuele en gewelddadige niet-seksuele recidive. Algemeen gewelddadige recidive werd in de groep verkrachters/aanranders redelijk voorspeld door de SVR-20 totaalscore (AUC =.66, p <.05), de Static-99 totaalscore (AUC =.68, p <.05) en de subschaal Toekomstige situatieve indicatoren van de HKT-30 (AUC =.68, p <.05). Pedoseksuele daders Voor de subpopulatie pedoseksuele daders (N = 33) werd eveneens gevonden dat de SVR-20, Static-99 en de HKT-30 geen enkele significante voorspellende waarde hadden voor het voorspellen van seksuele en gewelddadige niet-seksuele recidive. Gewelddadige niet seksuele recidive werd wel voldoende voorspeld door Factor 4 (AUC =.79, p <.01) van het vier- 104
105 factorenmodel van de PCL-R. Algemeen gewelddadige recidive werd eveneens goed voorspeld door Factor 4 (AUC =.78, p <.01) en redelijk goed door de SVR-20 subschalen Psychosociale aanpassing (AUC =.73, p <.05) en Toekomstplannen (AUC =.72, p <.05). Zedendelinquenten mét een verleden van vermogens- en/of geweldsdelicten versus zedendelinquenten zonder een dergelijk verleden Onderverdeling van de onderzoekspopulatie in zedendelinquenten mét een verleden van vermogens- en/of geweldsdelicten (N = 35) en zedendelinquenten zonder een dergelijk verleden (N = 53), ten slotte, leidde tot een aantal interessante bevindingen. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de SVR-20, HKT-30 en de PCL-R een betere predictieve validiteit vertoonden bij zedendelinquenten met een verleden van vermogens- en geweldsdelicten in vergelijking met zedendelinquenten die alléén zedendelicten pleegden. De Static-99 daarentegen had voor de zedendelinquenten die alléén zedendelicten pleegden een redelijk tot goede voorspellende waarde voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. Voor beide groepen bleken de SVR-20, Static-99 en de HKT-30 geen enkele significante voorspellende waarde te hebben voor het voorspellen van seksuele recidive. De PCL-R totaalscore (AUC =.20, p <.05) en Factor 1 van de PCL-R (AUC =.21, p <.05) hangen bij de groep zedendelinquenten zonder verleden van vermogens- en geweldsdelicten negatief samen met seksuele recidive, wat wellicht te maken heeft met het feit dat recidivisten in deze studie vaker niet dan wel voldeden aan de diagnose psychopathie. Gewelddadige niet seksuele en algemeen gewelddadige recidive werd bij deze groep goed voorspeld door de totaalscore en risicocategorie van de Static-99 (AUC-waarden.73, p <.01). Voor zedendelinquenten mét een verleden van vermogens- en/of geweldsdelicten werd gevonden dat gewelddadige niet-seksuele recidive redelijk tot goed voorspeld werd door de SVR-20 totaalscore (AUC =.73, p <.05) en de SVR-20 subschaal Psychosociale aanpassing (AUC =.74, p <.01), alsmede door de HKT-30 subschaal Toekomstige situatieve indicatoren (AUC =.69, p <.05). Deze variabelen waren eveneens redelijk tot goede voorspellers van algemeen gewelddadige recidive bij deze groep (AUC-waarden.73). Ook de SVR-20 subschaal Toekomstplannen, de HKT-30 totaalscore, het gestructureerde oordeel, de subschaal Klinische/dynamische indicatoren, alsmede de PCL-R totaalscore, Factor 2 Antisociale levenstijl en Factor 2 Affectief van het vier-factorenmodel van de PCL-R (AUC-waarden allen.69, p <.05) voorspelden algemeen gewelddadige recidive redelijk tot goed in de groep zedendelinquenten mét een verleden van vermogens- en/of geweldsdelicten. 105
106 Vergelijking resultaten met eerder (internationaal) onderzoek Predictieve validiteit seksuele recidive Zoals vermeld werd in de huidige studie, voor verschillende indelingen in groepen (totale groep, verkrachters/aanranders, pedoseksuele dader, seksuele delinquenten mét een verleden van vermogens- en/of geweldsdelicten, seksuele delinquenten zonder een verleden van vermogens- en/of geweldsdelicten), voor geen enkele schaalscore (totaalscores, subschalen) van de onderzochte instrumenten een significante positieve associatie gevonden met seksuele recidive. Met name voor wat betreft de SVR-20 en de Static-99, instrumenten die speciaal zijn ontworpen voor het beoordelen van het risico van seksueel gewelddadig gedrag, zijn deze resultaten tegenvallend te noemen. De huidige onderzoeksbevindingen staan niet op zichzelf. In een ander kleinschalig Nederlands onderzoek (Koster e.a., 2006) werden vergelijkbare resultaten resultaten gevonden voor de voorspellende waarde van de SVR-20 voor de categorie seksuele recidive (vergelijk Tabel 2, p....). Hierbij dient te worden aangetekend dat zowel in de huidige studie als in de studie van Koster e.a. (2006) de base rate van recidive (zeer) laag was, wat mogelijk de significantie van de AUC-waarden heeft beïnvloed. In een aantal buitenlandse studies naar de voorspellende waarde van de SVR-20 voor het voorspellen van seksuele recidive werden resltaten gevonden die overkomen met de huidige bevindingen. Sjöstedt en Langström (2002), bijvoorbeeld, vonden AUC-waarden van.49 respectievelijk.56 voor de SVR-20 totaalscore en eindbeoordeling. Craig, Beech en Browne (2006) rapporteerden een AUC-waarde van.51 voor de SVR-20 totaalscore bij een follow-up periode van 10 jaar. Daarentegen toonden een aantal andere buitenlandse studies wel een onderscheidend vermogen van de SVR-20 voor wat betreft seksuele recidive (bijvoorbeeld Craig, Browne, & Stringer, 2004; Dempster, 1998; Macpherson, 2003). Een Nederlandse studie van De Vogel e.a. (2004) toonde eveneens aan dat de SVR-20 wel degelijk in staat is seksuele recidive te voorspellen. Men kan dus niet zonder meer concluderen dat de SVR-20 ongeschikt zou zijn voor het voorspellen van seksuele recidive. De Vogel en collega s (2003, 2004) vonden significante associaties met seksuele recidive (en gewelddadige niet-seksuele recidive) voor alle onderzochte schalen van de SVR-20, alsmede voor de risico-inschatting; met name het gestructureerd klinisch oordeel, de totaalscore en de schaal Seksuele delicten bleken in hun studie goede voorspellers van seksuele recidive te zijn (zie Tabel 1, p....). Een mogelijke verklaring voor de grote verschillen tussen de resultaten van de Vogel e.a. en de resultaten van 106
107 de huidige studie zou kunnen zijn dat de achtergrondkenmerken van de onderzoekspopulaties op een aantal punten verschillen. Onderzoek van Bartosh e.a. (2003) impliceert dat de mate van predictieve validiteit verschilt tussen studies al naar gelang de populatiekenmerken (in hun studie: het type zedendelinquent). Vooralsnog is onduidelijk of de predictieve validiteit van instrumenten bij populaties, waarin sprake is van een uiteenlopend delictverleden en uiteenlopende persoonlijke en delictkenmerken, (sterk) varieert. Zo is, in vergelijking met de onderzoeksgroep van de huidige studie, de onderzoeksgroep uit de Van der Hoevenkliniek bijvoorbeeld aanmerkelijk jonger en heeft deze voorafgaande aan de tbs-maatregel aanzienlijk vaker zeden- en andersoortige delicten gepleegd dan in de huidige studie het geval was (vergelijk ook De Vogel, 2005, p. 68). In die zin is ook de bevinding uit de huidige studie dat de predictieve validiteit van de gestructureerde instrumenten voor zedendelinquenten met een verleden van zeden- en andersoortige delicten aanzienlijk hoger is dan voor ander subgroepen interessant (vergelijk Tabel 39, p....). Mogelijk vertoont de onderzoekspopulatie van de Van der Hoevenkliniek (de Vogel e.a., 2003, 2004) meer gelijkenis met deze subgroep dan met de totale groep zedendelinquenten van de huidige studie. Hoewel de HKT- 30, in tegenstelling tot de SVR-20 en de Static-99, niet speciaal ontwikkeld is voor het beoordelen van toekomstig seksueel gewelddadig gedrag, presteert de HKT-30 niet slechter dan beide andere instrumenten, wat de vraag oproept naar de meerwaarde van risicotaxatie-instrumenten die speciaal ontwikkeld zijn voor zedendelinquenten (SVR-20, Static-99). In dit verband zijn de resultaten van de studie van Stadtland en collega s (2005) relevant. Zij onderzochten de predictieve validiteit (follow-up periode 9 jaar) van de SVR-20, HCR-20, Static-99 en de PCL-R in een groep seksuele delinquenten (N = 134). Uit de resultaten kwam naar voren dat de SVR-20 seksuele recidive niet beter voorspelde dan de HCR-20. Evenals in de huidige studie vonden ook Stadtland e.a. (2005) dat de PCL-R geen goede voorspeller is van seksuele recidive, een resultaat wat bijvoorbeeld ook door Barbaree, Seto, Langton en Peacock (2001) werd gerapporteerd. In de huidige studie vertoonde de diagnose psychopathie eveneens geen significante samenhang met seksuele recidive (vergelijkbaar met Brown & Forth, 1997; Firestone e.a., 1998). Ook de Static-99 voorspelde in de huidige studie het risico op seksuele recidive onvoldoende. Géén van de afzonderlijke items bleek sterk gerelateerd aan seksuele recidive, wat ook gold voor de risicocategorie. Wellicht zijn de huidige resultaten beperkt door de lage base rate van de in te schatten seksuele recidive. In Nederland vonden De Vogel e.a. (2004) een redelijke predictieve validiteit (AUC =.71 voor de Static-99 totaalscore) voor seksuele recidive. Uitzonderingen daargelaten (Ducro & Pham, 2006; Harris e.a., 2003; Looman, 2006) 107
108 laten ook buitenlandse studies over het algemeen een redelijke tot zeer goede predictieve validiteit zien (AUC-waarden.70) als het gaat om het voorspellen van toekomstig seksueel gewelddadig gedrag (bijvoorbeeld Hanson, 2006; Sjöstedt & Langström, 2001), en beter dan uit de huidige studie naar voren komt. Verkrachters/aanranders. De SVR-20 heeft in de huidige studie geen voorspellende waarde voor seksuele recidive bij verkrachters/aanranders. Dit komt overeen met eerdere bevindingen van Sjöstedt en Langström (2002) in een studie onder 51 verkrachters. De SVR-20 vertoonde in hun studie een sterkere associatie met gewelddadige niet seksuele recidive. Wat betreft de voorspellende waarde van de Static-99: deze blijkt in de huidige studie eveneens geen voorspeller te zijn voor seksuele recidive, maar wel een matig tot redelijke voorspeller voor algemene gewelddadige recidive en niet-seksuele gewelddadige recidive bij verkrachters/aanranders. Eerder rapporteerden ook Bartosh, e.a. (2003) in een onderzoek onder 70 verkrachters een beperkte predictieve validiteit van de Static-99 voor seksuele recidive, en voor algemene recidive. Sjöstedt and Langström (2001) vonden echter wel een verband (AUC >.75) tussen de Static-99 en seksuele recidive bij verkrachters. De PCL-R toont geen predictieve validiteit voor seksuele recidive onder verkrachters/aanranders, hetgeen niet overeenkomt met eerder Nederlands onderzoek van Hildebrand, e.a. (2003). Pedoseksuele daders. Voor zowel de SVR-20, de Static-99 en de HKT-30 geldt dat de totaalscore, subschalen en het eindoordeel in de huidige sudie niet van (sterke) predictieve waarde zijn voor seksuele recidive bij pedoseksuele daders. Wat betreft de afzonderlijke items van de instrumenten bleek dat bij deze pedoseksuele daders het HKT-30 item Hulpverlenersgeschiedenis sterk positief geassocieerd is met seksuele recidive (AUC =.83, p <.05). De PCL-R laat zowel op schaal- als itemniveau geen relatie zien met seksuele recidive, met uitzondering van het item Jeugdcriminaliteit. In een eerdere studie van Harris, e.a., (2003) bleek dat de Static-99 voor pedoseksuele daders matige predictieve validiteit voor seksuele recidive had (AUC =.65). Bartosh e.a. (2003) daarentegen vonden redelijke tot goede voorspellende waarde van de Static-99 voor zowel gewelddadige recidive (AUC van.87 tot.92) en seksuele recidive (AUC van.65 tot.74) bij pedoseksuele daders met extra- en intrafamilaire slachtoffers. Hanson (2006) toonde ook een goede predictieve waarde van de Static-99 aan voor seksuele recidive bij pedoseksuele daders. 108
109 Predictieve validiteit gewelddadige recidive In de huidige studie bezitten zowel de SVR-20, Static-99, HKT-30 als de PCL-R een matig tot redelijke predictieve validitieit voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. Met betrekking tot gewelddadige niet-seksuele recidive is Factor 4 Antisociaal van het vier-factorenmodel van de PCL-R de relatief krachtigste voorpeller, en voor algemeen gewelddadige recidive is de Static-99 totaalscore de relatief beste voorspeller. Opvallend was dat het SVR-20 item Seksuele deviatie negatief geassocieerd was met gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive. Koster e.a. (2006) vonden in hun studie onder 30 zedendelinquenten eveneens dat de SVR-20 voor algemeen gewelddadige recidive grotere predictieve waarde (AUC-waarden variërend van.66 voor Seksuele delicten tot.75 voor het gestructureerd klinisch oordeel en.78 voor de SVR-totaalscore) dan voor seksuele recidive. In de huidige studie werd voor gewelddadige niet-seksuele recidive en algmeen gewelddadige recidive een significant matige predictieve validiteit gevonden voor de SVR-20 totaalscore, het eindoordeel en de subschaal Psychosociale aanpassing. Deze resultaten komen overeen met onderzoek van Sjöstedt en Langström (2001)(AUC =.64). Ook voor gewelddadige recidive geldt dat vergelijking van de huidige resultaten met de door De Vogel e.a. (2004) uitgevoerde studie naar de predictieve validiteit van de SVR-20 laat zien dat de huidige resultaten daar enigszins bij achterblijven. Zo vonden De Vogel e.a. (2004) bijvoorbeeld een redelijke, significante, voorspellende waarde voor de schalen Psychosociale aanpassing (AUC =.71, p <.01), Toekomstplannen (AUC =.70, p <.01) en de totaalscore van de SVR-20 (AUC =.71, p <.01). De Static-99 kwam in deze studie naar voren als instrument met voldoende predictieve validiteit voor algemeen gewelddadige recidive (AUC =.63 voor totaalscore en AUC =.67 voor de Static-99 risicocategorie, wat overeenkomt met door Harris e.a. (2003) gerapporteerde bevindingen. Bartosh e.a. (2003) rapporteerden eveneens dat de Static-99 beter in staat was algemeen gewelddadige recidive te voorspellen dan seksuele recidive. Uit onderzoek van Ducro en Pham (2006) bleek dat de Static-99 eveneens naar voren komt als voorspeller voor gewelddadige niet- seksuele recidive, zij het matig tot redelijk. Evenals de SVR-20 en de Static-99 voorspelde ook de HKT-30 in de huidige studie niet-seksuele gewelddadige recidive beter dan seksuele recidive. Met name de subschalen Historische/statische indicatoren en de Toekomstige/situatieve indicatoren hebben een acceptabele predictieve waarde (AUC van.65 en.63, p s <.05). De PCL-R toonde in deze studie een redelijke predictieve validiteit voor wat betreft gewelddadige niet-seksuele recidive en algemeen gewelddadige recidive, maar niet voor 109
110 seksuele recidive. Met betrekking tot het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele recidive bij deze populatie seksuele delinquenten kan gezegd worden dat met name Factor 2 Antisociale levensstijl (AUC =.63, p <.05) en Factor 4 Antisociaal (AUC =.68, p <.05) van het vierfactoren model redelijke voorspellers zijn. De bevinding dat Factor 2 van de PCL-R een betere voorspeller is van gewelddadig gedrag dan Factor 1 komt overeen met de bevindingen van Hildebrand e.a. (2003). Verkrachters/aanranders versus pedoseksuele daders. De voorspellende waarde van de SVR-20, HKT-30 en de PCL-R voor het voorspellen van gewelddadige niet-seksuele en algemeen gewelddadige recidive is over het algemeen beperkt als het gaat om verkrachters/aanranders. De Static-99 en de SVR-20 totaalscore bleek daarentegen bij deze groep patienten voor deze recidivecategorieen een matig tot redelijk onderscheidend vermogen te hebben. Ook werd een trend gevonden voor predicteive waarde van de PCL-R Factor 2 Antisociale levensstijl en Factor 3 Levenstijl van het vierfactoren-model voor gewelddadige niet-seksuele recidive. Sjöstedt en Langström (2002) vonden in hun studie geen significante relatie onder een groep van 51 verkrachters tussen PCL-R scores en seksuele recidive, maar wel een sterke relatie met gewelddadige niet seksuele recidive. Voor de dadergroep pedoseksuele delinquenten bleken de SVR-20 subschalen Psychosociale aanpassing en Toekomstplannen (AUC waarden >.70, p s <.05) een redelijke predictieve waarde te hebben, terwijl Factor 4 Antisociaal van het vier-factoren model van de PCL-R een goede predictieve validiteit liet zien. Statische factoren en (seksuele) recidive In de huidige studie bleken een aantal statische factoren (sterk) samen te hangen met seksuele recidive. De belangrijkste statische factor was het plegen van eerdere zedendelicten: seksuele delinquenten die voorafgaande aan het tbs-delict reeds eerder veroordeeld waren voor een zedendelict hadden een aanzienlijk grotere kans op een seksuele recidive, een bevinding die overeenkomt met de bevindingen van Craig, Browne, Stringer & Beech (2005), alsmede met de meta-analyse van Hanson en Morton-Bourgon (2005). Een opvallende bevinding in deze studie is dat met name risicofactoren die gerelateerd zijn aan een criminele levensstijl (eerdere veroordelingen, jeugdcriminaliteit) en een gebrekkige psychosociale inpassing (problemen arbeidsverleden, hulpverlenersgeschiedenis, gebrekkige (coping)vaardigheden, overtreden voorwaarden) in deze studie consistent gerelateerd zijn aan recidive (al dan niet seksueel) bij 110
111 diverse subgroepen zedendelinquenten, hetgeen in de lijn ligt van resultaten uit eerder genoemde meta-analyse. Statische achtergrondkenmerken die sterk geassocieerd zijn met een vorm van recidive kunnen beschouwd worden als kenmerken die een basisrisico vormen. Individuen met deze achtergrondkenmerken hebben a priori een verhoogd risico om te recidiveren. De af- of aanwezigheid van dynamische risicofactoren bij een individu kunnen daarbij het risico op toekomstig gewelddadig gedrag verminderen of verhogen. Seksuele deviatie, psychopathie en seksuele recidive Er kwam in deze studie voor wat betreft de totale onderzoeksgroep geen duidelijke relatie naar voren tussen seksuele recidive en de aanwezigheid van een seksueel deviante voorkeur. De groep verkrachters/aanranders met een deviante seksuele voorkeur bleek echter wel significant vaker te recidiveren met een seksueel delict dan verkrachters/ aanranders zonder deviante voorkeur, wat overeenkomt met de resultaten die door Hildebrand e.a. (2004) en Olver enwong (2006) zijn gerapporteerd. Een dergelijk verband werd in deze studie niet gevonden voor pedoseksuele daders. In tegenstelling tot een aantal (buitenlandse) onderzoeken waarin een sterke samenhang tussen enerzijds de aanwezigheid van de specifieke combinatie psychopathie en seksueel deviante voorkeur en anderzijds seksuele recidive werd gevonden onder (bepaalde typen) zedendelinquenten (bijvoorbeeld Hildebrand e.a., 2004; Olver & Wong, 2006; Rice & Harris, 1997) kwam dit niet naar voren uit de gegevens van deze studie. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat onderzoekspopulatie een zeer diverse groep zedendelinquenten is. Echter, bij nadere bestudering blijkt bij de pedoseksuele daders en de verkrachters/aanranders deze relatie eveneens afwezig. Beperkingen onderzoek Het huidige onderzoek kent een aantal beperkingen, die vergelijkbaar zijn met de beperkingen die door Hildebrand e.a. (2005) werden genoemd in hun studie naar de waarde van gestructureerde risicotaxatie instrumenten bij gewelddadige niet-seksuele delinquenten. Een eerste beperking is de onderschatting van de werkelijke recidivecijfers. Daarnaast was de grootte van de onderzoekspopulatie en de relatief grote uitval van persoonsdossiers een beperking voor de statistische power van de analyses. Van de oorspronkelijke integrale landelijke uitstroom tussen van in totaal 119 zedendelinquenten in de onderzoeksperiode, konden om diverse redenen (ontbrekende of 111
112 onvolledige dossiers, bekendheid met recidive, efficiency dataverzameling) slechts 88 dossiers beoordeeld worden. Wat betreft de uitkomstmaat (seksuele) recidive blijken er geen directe aanwijzingen dat de uitval selectief gewerkt heeft. 15 Verder zijn er beperkingen die samenhangen met de retrospectieve onderzoeksopzet; er kon alleen gebruik worden gemaakt van dossierinformatie van ex ter beschikkinggestelde patiënten. De kwaliteit van de bestudeerde dossiers varieerde, en de afwezigheid van bepaalde klinische informatie is mogelijkerwijs van invloed geweest op de risicotaxaties en op de interoordelaarsbetrouwbaarheid van de items. Beoordelaars gaven aan dat sommige informatie voor bepaalde items niet of beperkt beschreven was in de dossiers. Met name de persoonlijkheidsproblematiek aan de hand van DSM-IV criteria (APA, 1994), uitgebreide informatie over de jeugd, specifieke kenmerken van slachtoffers van zedendelicten (Static-99 items) werden genoemd, maar ook delictscenario s en informatie over de seksuele belevingen van de patiënt in het verleden en heden ontbraken vaak. Zo werd ongeveer 30% van de dossiers (25 van de 88) dossiers door minimaal één van de twee beoordelaars beoordeeld als matig of zelfs slecht 16. Bovendien konden in een aantal dossiers ondanks dat de dossiers van tevoren waren gescreend en de uiteindelijke beslissing omtrent het advies uit het dossier was verwijderd aanwijzingen worden gevonden welk advies de kliniek aan de rechter had gegeven, wat van invloed kan zijn geweest op de risicotaxaties die door de beoordelaar(s) zijn vastgesteld. Het grote aantal beoordelaars (n = 35) dat participeerde in het huidige onderzoek heeft mogelijk een negatief effect gehad op de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en predictieve validiteit voor de SVR-20, de HKT-30 en de PCL-R. Vergelijking met de bevindingen van Hildebrand e.a. (2002), voor wat betreft de PCL-R en De Vogel e.a. (2004), voor wat betreft de SVR-20, laat zien dat de huidige bevindingen daar bij achter blijven. Beargumenteerd kan worden dat instrumenten die blijkbaar gevoelig zijn voor (1) de ervaring van de beoordelaars en (2) het aantal (en de kwaliteit) van de beoordelaars, met als gevolg een lagere voorspellende waarde, geen voldoende adequate instrumenten zijn, omdat risicotaxatie-instrumenten idealiter ook voor onervaren en grote groepen beoordelaars een voldoende betrouwbaarheid en predictieve validiteit op dienen te leveren (zie ook Hildebrand e.a., 2005). Van dat laatste was 15 Van de 119 personen recidiveerden er 23 met een seksueel delict (19%). Dit is nagenoeg gelijk aan de base rate (17%) bij de uiteindelijke onderzoekspopulatie. 16 Nagegaan is of de predictieve waarde van de instrumenten door de kwaliteit van de dossiers beïnvloed is door de AUC-waarden van de instrumenten te vergelijken voor de dossiers van slechte of matige kwaliteit versus de dossiers waarvan de kwaliteit door de beoordelaars als voldoende werd beschouwd. Er werden geen significante verschillen gevonden, wat wil zeggen dat de kwaliteit van de dossiers geen effect had op de voorspellende waarde. 112
113 in de huidige studie echter geen sprake. Tenslotte dient er op gewezen te worden dat het huidige onderzoek een redelijk goede weergave is van de huidige praktijk in de tbs-klinieken, waar veel verschillende beoordelaars (per dossier twee of meer onafhankelijke beoordelingen door een behandelaar en een onderzoeker) belast zijn met de uitvoering van risicotaxaties, terwijl de kennis en ervaring van deze beoordelaars sterk uiteenloopt. Aanbevelingen Risicotaxatie-instrumenten als de SVR-20, Static-99 en HKT-30 zijn instrumenten in ontwikkeling, en gezien de resulaten die uit het onderzoek naar voren komen, wordt aanbevolen de aandacht te richten op de verbetering van de instrumenten. 17 De recente aandacht voor beschermende factoren zou eveneens van belang kunnen zijn voor de doorontwikkeling van risicotaxatie-instrumenten bij zedendelinquenten. Daarnaast is het verder ontwikkelen van theoretische modellen die het verband tussen risicofactoren en (seksueel) gewelddadig gedrag verklaren in dit kader ook van belang (Philipse, 2005; de Vogel e.a., 2003). Bij het voorspellen van een gebeurtenis met een lage base rate zoals seksuele recidive in deze studie, neemt de kans op het maken van een vals positieve beslissing toe (Craig, Brown, Stringer, & Beech, 2005). Daarbij kan ook een onjuiste beeldvorming bij deskundigen over de prevalentie van recidive bij typen zedendelinquenten en over specifieke risicofactoren wellicht bijdragen aan onjuiste inschattingen. Kennis hierover is noodzaak om tot een goede inschatting te komen. Het is om die reden van belang om continu te investeren in deskundigheidsbevordering van degenen die zich met risicotaxatie bezighouden. Naast het inschatten van een toekomstige risico op een seksueel delict na behandeling aan de hand van bijvoorbeeld de SVR-20, is het van belang ook een inschatting te maken van de kans op een gewelddadig niet-seksueel delict (vergelijk De Ruiter & de Vogel, 2004), aangezien ook uit de huidige studie naar voren komt dat seksuele delinquenten vaker met een gewelddadig niet seksueel delict dan met een seksueel delict recidiveren. In onderhavig onderzoek werd gevonden dat zedendelinquenten met in hun voorgeschiedenis een vermogens- en/of geweldsdelict(en) en het plegen van eerdere zedendelicten een hogere base rate voor seksuele en gewelddadige recidive hebben in 17 Sinds de introductie van de Static-99 en de SVR-20 zijn de instrumenten gereviseerd en aangepast. De Static wordt momenteel in het Nederlands vertaald. Ook ontwikkelden Hart en collega s in 2003 de Risk of Sexual Violence Protocol (RSVP). Dit instrument bouwt voort op de sterke punten van SVR-20, en items zijn verfijnd en aangevuld (bijvoorbeeld items over intimiteitproblemen). De HKT-30 wordt eveneens gereviseerd en aangepast, alhoewel niet specifiek bedoeld voor de populatie seksuele delinquenten. 113
114 vergelijking met seksuele delinquenten zonder een dergelijke delictgeschiedenis. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het ten behoeve van een gedegen risicotaxatie van belang is om niet alleen oog te hebben voor het delict waarvoor de tbs-maatregel is opgelegd (het indexdelict), maar er dient ook aandacht te worden besteed aan de delictgeschiedenis van de patiënt. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op het valideren van risicotaxatieinstrumenten in verschillende forensische settings en bij verschillende zedenpopulaties. Gezien het feit dat de instrumenten in de huidige studie bij de onderscheiden subgroepen verschillende voorspellende waarden lieten zien, is het relevant om dit in toekomstig onderzoek verder te onderzoeken. Om de mate van predictieve validiteit van verschillende studies over zedendelinquenten zuiver te kunnen vergelijken, dienen studies gematcht te worden op bijvoorbeeld (delict) achtergrond of type zedendelict. Deze studie geeft tevens aanwijzingen dat voor pedoseksuele daders en verkrachters/aanranders andere risicofactoren van belang zijn. Dit geldt ook voor seksuele delinquenten met een voorgeschiedenis van gewelddadige delicten versus seksuele delinquenten zonder een dergelijke geschiedenis. Dergelijke verschillen verdienen aandacht in toekomstig onderzoek. Tot slot Uit onderhavig onderzoek blijkt dat de onderzochte instrumenten beperkte predictieve validiteit hebben. Het blijft dan ook belangrijk om aan verbetering te werken op het gebied van deskundigheidbevordering en verfijning van gestructureerde risicotaxatie instrumenten. Het huidige onderzoek biedt enige aanknopingspunten om tot verfijningen en verbeteringen te komen en dient dan ook gezien te worden als een stap in een proces van voortdurende verbetering. 114
115 LITERATUUR Barbaree, H.E., Seto, M.C., Langton, C.M., & Peacock, E.J. (2001). Evaluating the predictive accuracy of six risk assessment instruments for adult sex offenders. Criminal Justice and Behavior, 28, Bartosh, D.L., Garby, D.L., & Gray, S. (2003). Differences is the Predictive Validity of Actuarial Risk Assessments in Relation to Sex Offender Type. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 47, Beek, D.J. van, Doncker, D. de & Ruiter, C. de (2001). Static-99. Inschatten van het risico van seksueel gewelddadige recidive bij volwassen seksuele delinquenten. Utrecht: Forum Educatief. Boer, D.P., Hart, S.D., Kropp, P.R., & Webster, C.D. (1997). Manual for the Sexual Violence Risk-20: Professional guidelines for assessing risk of sexual violence. Vancouver, BC: Institute against Family Violence. Borum, R. (1996). Improving the clinical practice of violence risk assessment. American Psychologist, 51, Brown, S. L., & Forth, A. E. (1997). Psychopathy and sexual assault: Static risk factors, emotional precursors, and rapist subtypes. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 65, Comité Instrumentarium Forensische Psychiatrie (2000). Risicotaxatie in de forensische psychiatrie: een Nederlands instrument in ontwikkeling. Den Haag: Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen. Cooke, D., & Michie, C. (2001). Refining the construct of psychopathy: Towards a hierarchical model. Psychological Assessment, 13, Craig, L.A., Browne, K.D., & Stringer, I. (2004). Comparing sex offender risk assessment measures on a UK sample. International Journal of Offender Therapy and Comparitive Criminology, 48, Craig, L.A., Beech, A., & Browne, K.D. (2006). Cross-validation of the Risk Matrix 2000 Sexual and Violent Scales. Journal of interpersonal Violence, 21, Dempster, R.J., (1998). Prediction of sexually violent recidivism: A comparison of risk assessment instruments. Ongepubliceerde thesis, Simon Fraser University, Vancouver. Doren, D.M (1998). Recidivism base rates, predictions of sex offender recidivism, and the sexual predator commitment laws. Behavioral Science and Law, 16, Douglas, K.S., Cox, D.N., & Webster, C.D. (1999). Violence risk assessment: Science and 115
116 practice. Legal and Criminological Psychology, 4, Ducro, C. & Pham, T. (2006). Evaluation of the SORAG and the Static-99 on Belgian Sex Offenders Committed to a Forensic Facility. Sexual Abuse: A Journal of Research and Treatment, 18, Firestone, P., Bradford, J. M., McCoy, M., Greenberg, D. M., Curry, S., & Larose, M. R. (1998). Recidivism in convicted rapists. Journal of the American Academy of Psychiatry and Law, 26, Grann, M., Långström, N., Tengström, A., & Kullgren, G. (1999). Psychopathy (PCL-R) predicts violent recidivism among criminal offenders with personality disorders in Sweden. Law and Human Behavior, 23, Grove, W., & Meehl, P. (1996). Comparative efficiency of informal (subjective, impressionistic) and formal (mechanical, algorithmic) prediction procedures: The clinical-statistical controversy. Psychology, Public Policy, and Law, 2, Grubin, D. (1997). Predictors of risk in serious sex offenders. British Journal of Psychiatry, 170, Grubin, D. (1998). Sex Offending against Children: Understanding the Risk. Police Research Series Paper 99. London: Home Office Hanson, R. K. (1997). The development of a brief actuarial risk scale for sexual offense recidivism. Ottawa, Ontario: Solicitor General of Canada. Hanson, R.K. (2006). Does Static-99 predict recidivism among older sexual offenders? Sex Abuse: A Journal of Research and Treatment, 18, Hanson, R.K. & Bussière, M.T. (1998). Predicting relapse: A meta-analysis of sexual offender recidivism studies. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 66, Hanson, R.K., & Morton-Bourgon, K.E. (2005). The characteristics of persistent sexual offenders: A meta-analysis of recidivism studies. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 73(6), Hanson, R.K. & Morton-Bourgon, K.E. (2007). The Accuracy of Recidivism Risk Assessment for Sexual Offenders: A Meta-Analysis. (User Report 07-01). Ottawa: Department of the Solicitor General of Canada. Hanson, R.K. & Thornton, D. (1999). Static-99: Improving actuarial risk assessment for sex offenders. (User Report 99-02). Ottawa, Canada: Departement of the Solicitor General. Hare, R.D. (1991). The Hare Psychopathy Checklist-Revised. Toronto, Canada: Multi-Health Systems. 116
117 Hare, R.D. (2003). Hare Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R): 2 nd edition. Toronto, Canada: Multi-Health Systems. Hart, S. D., Kropp, P. R., Laws, D. R., Klaver, J., Logan, C., & Watt, K. A. (2003). The Risk for Sexual Violence Protocol (RSVP): Structured professional guidelines for assessing risk of sexual violence. Vancouver, BC: The British Columbia Institute Against Family Violence. Harris, G. T., Rice, M. E., Quinsey, V. L., Lalumière, M. L., Boer, D., & Lang, C. (2003). A Multisite Comparison of Actuarial Risk Instruments for Sex Offenders. Psychological Assessment, 15, Hildebrand, M. (2004). Psychopathy in the treatment of forensic psychiatric patiënts: Assessment, prevalence, predictive validity, and clinical implications. Academisch proefschrift Universiteit van Amsterdam. Amsterdam: Dutch University Press. Hildebrand, M., Hesper, B., Spreen, M. & Nijman, H. (2005). De waarde van gestructureerde risicotaxatie en van de diagnose psychopathie: Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en predictieve validiteit van de HCR-20, HKT-30 en PCL-R. Utrecht: Expertisecentrum Forensische Psychiatrie (EFP). Hildebrand, M., & Ruiter, C. de (2005). Over criminele behoeften en het belang van gestructureerde risicotaxatie. In C. de Ruiter en M. Hildebrand (Red.), Behandelingsstrategieën bij forensisch psychiatrische patiënten (2 e herziene editie) (pp. 3-22). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Hildebrand, M., Ruiter, C. de, & Beek, D. van (2001). SVR-20. Richtlijnen voor het beoordelen van het risico van seksueel gewelddadig gedrag. Utrecht: Forum Educatief. Hildebrand, M., Ruiter, C. de, & Vogel, V. de (2003). Recidive van verkrachters en aanranders na tbs: de relatie met psychopathie en seksuele deviatie. De Psycholoog, 38, Hildebrand, M., Ruiter, C. de, & Vogel, V. de (2004). Psychopathy and sexual deviance in treated rapists: Association with sexual and non-sexual recidivism. Sexual Abuse: A Journal of Research and Treatment, 16, Hildebrand, M., Ruiter, C. de, & Vogel, V. de, & Wolf, P. van der (2002). Reliability and factor structure of the Dutch language version of the Hare Psychopathy Checklist- Revised (PCL-R). International Journal of Forensic Mental Health, 1, Horn, J., van, Mulder, J., & Scholing, A. (2006). Recidive bij subgroepen van zedendelinquenten in de ambulante forensische psychiatrie. Tijdschrift voor Seksuologie, 30, Hosmer, D.W., & Lemeshow, S. (2000). Applied logistic regression (2 nd edition). New York: 117
118 John Wiley & Sons. Koster, K., Lankveld, J., van, & Spreen, M. (2006). Voorspelling van recidive bij zedendelinquenten met behulp van retrospectief gebruik van de PCL-R en SVR-20. Tijdschrift voor Seksuologie, 30, Landis, J.R., Koch, G.G. (1977). The measurement of observer agreement for categorical data, Biometrics, 33, Looman, J. (2006). Comparison if two risk assessment instruments for sexual offenders. Sexual abuse: A journal of Research and Treatment, 18, 2, Macpherson, G. (2003). Predicting escalation in sexually violent recidivism: Use of the SVR- 20 and PCL:SV to predict outcome with non-contact recidivists and contact recidivists. Journal of Forensic Psychiatry and Psychology, 14, McGraw, K.O., & Wong, S.P. (1996). Forming inferences about some Intraclass Correlation Coefficients. Psychological Methods, 1, Monahan, J. (1981). Predicting violent behavior: An assessment of clinical techniques. Beverly Hills, CA: Sage. Mossman, D. (1994). Assessing predictions of violence: Being accurate about accuracy. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 62, Olver, M. E., & Wong, S. C. P. (2006). Psychopathy, sexual deviance, and recidivism among sex offenders. Sexual Abuse: A Journal of Research and Treatment, 18, Nieuwenhuijzen, C. & Philipse, M. (2002). Risicotaxatie bij zedendelinquenten: een globaal literatuuroverzicht. Tijdschrift voor Seksuologie, 26, Philipse, M.W.G. (2005). Predicting criminal recidivism. Empirical studies and clinical practice in forensic psychiatry. Academisch proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen. Enschede: Febodruk. Prentky, R.A., Lee, A.F.S., Knight, R.A. &Cerce, D. (1997). Recidivism rates among child molesters and rapists: a methodological analysis. Law and Human Behavior, 21, Rice, M. E., & Harris, G. T. (1997). Cross-validation and extension of the Violence Risk Appraisal Guide for child molesters and rapists. Law and Human Behavior, 21, Quinsey, V.L., Harris, G.T., Rice, M.E., & Cormier, C.A. (1998). Violent offenders: Appraising and managing risk. Washington, DC: American Psychological Association. Ruiter, C. de (2002). De terbeschikkingstelling. In P.J. van Koppen, D.J. Hessing, H.L.G.J. Merkelbach, & H.F.M. Crombag (Red.), Het recht van binnen: psychologie van het 118
119 recht (pp ). Deventer: Kluwer. Ruiter, de, R., & Vogel, V. de (2004). Recidive bij behandelde seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Seksuologie, 30, Sectordirectie TBS (2007). Verloftoetsingskader TBS. Dienst Justitiële Inrichtingen, Den Haag, Ministerie van Justitie. Sheskin, D.J. (2004). Handbook of parametric and nonparametric statistical procedures (3rd ed.). Boca Raton: Chapman and Hall. Sjöstedt, G., & Langström, N. (2001). Actuarial assessment of sex offender recidivism risk: a cross validation of the RRASOR and the STATIC-99 in Sweden. Law and Human Behavior, 25, Sjöstedt, G., & Langström, N. (2002). Assessment of risk for criminal recidivism among rapists: A comparison of four different measures. Psychology, Crime, and Law, 8, Stadtland, C., Hollweg, M., Kleindienst, N., Dietl, J., Reich, U., & Nedopil, N. (2005). Risk assessment and prediction of violent and sexual recidivism in sex offenders: Longterm predictive validity of four risk assessment instruments. The Journal of Forensic Psychiatry & Psychology, 16, Strand, S., Belfrage, H., Fransson, G., & Levander, S. (1999). Clinical and risk management factors in risk prediction of mentally disordered offenders: More important than historical data? Legal and Criminological Psychology, 4, Vertommen, H., Verheul, R. Ruiter, C. de, & Hildebrand, M. (2002). Handleiding bij de herziene versie van Hare s Psychopathie Checklist. Lisse: Swets Test Publishers. Vogel, V. de, & Ruiter, C. de, Beek, D.J. van, & Mead, G. (2003). De waarde van gestructureerde risicotaxatie: een retrospectief empirisch onderzoek bij behandelde seksuele delinquenten. MGv, 58, Vogel, V. de, Ruiter, C. de, Beek, D. van & Mead, G. (2004). Predictive validity of the SVR- 20 and the Static-99 in a Dutch sample of treated sex offenders. Law and Human Behavior, 28, Vogel, V, de (2005). Structured risk assessment of (sexual) violence in forensic clinical practice. The HCR-20 and SVR-20 in Dutch forensic psychiatric patiënts. Academisch proefschrift Universiteit van Amsterdam. Amsterdam: Dutch University Press. Wartna, B.S.J. (1999). Recidive-onderzoek in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie, 41, Wartna, B.S.J. (2000). Recidive-onderzoek en survival-analyse. Tijdschrift voor 119
120 Criminologie, 42, Wartna, B.S.J., el Harabachi, S. & Knaap, L.M. van der (2005). Buiten behandeling. Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van ex-terbeschikkinggestelden. Den Haag: WODC, Ministerie van Justitie. Webster, C.D., Douglas, K.S., Eaves, D., & Hart, S.D. (1997). HCR-20: Assessing the risk of violence (version 2). Burnaby, BC: Mental Health, Law, and Policy Institute, Simon Fraser University. Werkgroep verlof en veiligheidsbeleid TBS (2004). Vernieuwd verlofbeleidskader TBS. Werkgroep Pilotstudy Risicotaxatie Forensische Psychiatrie (2002). Risicotaxatie in de forensische psychiatrie: bevindingen van een landelijke pilotstudy. Den Haag: Ministerie van Justitie. Werkgroep Risicotaxatie Forensische Psychiatrie (2002). Handleiding HKT-30 versie 2. Risicotaxatie in de forensische psychiatrie. Den Haag: Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen. 120
121 BIJLAGE 1 Afkortingen AUC BI CIFP DSM FPC FPK GGz HKT-30 ICC IQ PCL-R ROC SVR-20 tbs Area under the Curve Betrouwbaarheidsinterval Comité Instrumentarium Forensische Psychiatrie Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders Forensisch Psychiatrisch Centrum Forensisch Psychiatrische Kliniek Geestelijke Gezondheidszorg Historisch Klinisch Toekomst-30 Intraclass Correlation Coefficient Intelligentie Quotient Psychopathy Checklist-Revised Receiver Operating Characteristics Sexual Violence Risk-20 terbeschikkingstelling 121
122 BIJLAGE 2 OPERATIONALISATIE ONAFHANKELIJKE VARIABELEN Leeftijd Leeftijd De leeftijd bij opname in instelling (in jaren) Intelligentie Totaal IQ Verbaal IQ Performaal IQ Score op de meest recent afgenomen IQ test in dossier. Score op de meest recent afgenomen IQ test in dossier. Score op de meest recent afgenomen IQ test in dossier. Eerdere hulpverleningscontacten (uit dossier) Eerdere klinische opnames Eerder hulpverleningscontacten (intramurale en gedwongen hulpverlening) voorafgaande aan de tbs-maatregel heeft gehad (nee/ja). Intramurale hulpverlening wordt gedefinieerd als een opname wegens verslavingsproblemen, gedragsproblemen, psychiatrische problematiek. Gedwongen hulpverlening wordt gedefinieerd als hulpverleningscontact dat in een justitieel kader heeft plaatsgevonden. Middelenmisbruik (meerdere middelen) Delictkenmerken Relatie slachtoffer index delict Voorafgaande aan de tbs-maatregel een verleden van aantoonbaar misbruik van de middelen alcohol, softdrugs, harddrugs en/of medicatie (nee/ja). Relatie met slachtoffer; slachtoffer is bekende (nee/ja) Onder bekenden worden verstaan (ex)partner ; gezin (vader, moeder, broers/zussen); familie (ooms/tantes, neef/nicht); vrienden ; (buren, collega s). Als er sprake is van meerdere slachtoffers wordt uitgegaan van het zwaarst getroffen slachtoffer. Justitieel verleden (bepaald aan de hand van Justitieel Documentatie Register) Eerdere veroordeling zeden Eerdere veroordeling voor een zedendelict voor afgaande aan de tbs-maatregel (veroordelingen voor één van de artikelen 239, Sr) (nee/ja). Eerdere veroordeling geweld Eerdere veroordeling voor een gewelddadig delict voor afgaande aan de tbs-maatregel (veroordelingen voor één van de artikelen 285, , , 312, 317 Sr) (nee/ja). Eerdere veroordeling vermogen Eerdere veroordeling voor een vermogensdelict voor afgaande aan de tbs-maatregel (veroordelingen voor één van de artikelen , , , , Sr) (nee/ja). Behandeling Behandelduur Proefverlof voor beëindiging tbs Contraire beëindiging tbs Het aantal maanden vanaf de opname in een FPC tot de datum van ontslag uit de tbs. Proefverlof gehad (nee/ja). Beëindiging niet-conform met het oordeel van een FPC (nee/ja). 122
123 BIJLAGE 3 PREDICTIEVE VALIDITEIT VAN AFZONDERLIJKE E ITEMS VAN DE INSTRUMENTEN VOOR DE SUBGROEP VERKRACHTERS/AANRANDERS TABEL A Predictieve validiteit van individuele items van de SVR-20 (N =53) voor verkrachters/aanranders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AU C SE 95% BI Psychosociale aanpassing 1 Seksuele deviatie * Slachtoffer van kindermishandeling 3 Psychopathie Ernstige psychiatrische stoornis Problemen met het gebruik van middelen 6 Suïcidale/homicidale gedachten Relatieproblemen Problemen met betrekking tot het arbeidsverleden 9 Eerder gepleegde, niet seksueel gewelddadige delicten 10 Eerder gepleegde, niet-seksueel, * niet-gewelddadige delicten 11 Eerdere schending van voorwaarden Seksuele delicten 12 Hoge dichtheid van seksuele delicten 13 Meerdere typen van seksuele delicten 14 Lichamelijk geweld bij slachtoffer(s) van seksuele delicten 15 Gebruik van wapens of bedreigingen met de dood tijdens plegen seksueel delict 16 Escalatie in frequentie of ernst van seksuele delicten 17 Extreme minimalisering of ontkenning van seksuele delicten
124 18 Opvattingen waaruit goedkeuring of vergoeilijking van seksuele delicten blijkt Toekomstplannen 19 Ontbreken van realistische toekomstplannen 20 Negatieve houding ten opzichte van interventies Noot. SVR-20 = Historical Clinical Risk Management-20. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7) * p <.05 (tweezijdig). TABEL B Predictieve validiteit van individuele items van de Static-99 (N =48) voor verkrachters/aanranders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI 1 Eerdere seksuele delicten Data van eerdere veroordelingen (inclusief huidige veroordeling) 3 Veroordelingen voor hands-off seksuele delicten 4 Het huidige delict bevat * veroordeling voor niet seksueel geweld 5 Veroordeling voor eerder nietseksueel geweld 6 Niet-verwant slachtoffer 7 Onbekend slachtoffer Mannelijk slachtoffer Jonge leeftijd (< 25 jaar) Alleenstaand (niet langer dan twee jaar samengewoond) Noot. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 124
125 TABEL C Predictieve validiteit van individuele items van de HKT-30 (N =51) voor verkrachters/aanranders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI Historische/statische indicatoren H1 Justitiële voorgeschiedenis H2 Schending voorwaarden H3 Gedragsproblemen voor 12 e jaar H4 Slachtoffer van geweld in jeugd H5 Hulpverleningsgeschiedenis H6 Arbeidsverleden * * H7 Middelengebruik H8 Psychotische stoornissen H9 Persoonlijkheidsstoornissen H10 Psychopathie H11 Seksuele deviatie Klinische/dynamische indicatoren K1 Probleeminzicht K2 Psychotische symptomen K3 Middelengebruik K4 Impulsiviteit.79 * K5 Empathie K6 Vijandigheid K7 Sociale en relationele vaardigheden K8 Zelfredzaamheid K9 Acculturatie problematiek K10 Attitude t.o.v. behandeling K11 Verantwoordelijkheid voor delict K12 Seksuele preoccupatie K13 Copingvaardigheden * * Toekomstige situatieve indicatoren T1 Overeenstemming voorwaarden T2 Materiële indicatoren * * T3 Dagbesteding T4 Vaardigheden.75 * * T5 Sociale steun en netwerk
126 T6 Stresserende omstandigheden Noot. HKT-30 = Historisch Klinisch toekomst-30. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 126
127 TABEL D Predictieve validiteit van individuele items van de PCL-R (N =51) voor verkrachters/aanranders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95%BI AUC SE 95% BI 1 Gladde prater / oppervlakkige charme 2 Opgeblazen gevoel van eigenwaarde 3 Prikkelhongerig / neiging tot verveling 4 Pathologisch liegen List en bedrog / manipulerend gedrag 6 Gebrek aan berouw of schuldgevoel 7 Ontbreken van emotionele diepgang 8 Kil/gebrek aan empathie Parasitaire levensstijl * * Gebrekkige beheersing gedrag Promiscue seksueel gedrag Gedragsproblemen op jonge leeftijd 13 Ontbreken realistische doelen * op lange termijn 14 Impulsiviteit Onverantwoordelijk gedrag Geen verantwoordelijkheid voor eigen gedrag 17 Veel korte partnerrelaties Jeugdcriminaliteit Schending van voorwaarden Veelsoortige criminaliteit Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige, niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 127
128 BIJLAGE 4 PREDICTIEVE VALIDITEIT VAN (DE ITEMS VAN) DE INSTRUMENTEN VOOR DE SUBGROEP PEDOSEKSUELE DADERS TABEL A Predictieve validiteit van individuele items van de SVR-20 (N =31) voor pedoseksuele daders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI Psychosociale aanpassing 1 Seksuele deviatie Slachtoffer van kindermishandeling 3 Psychopathie Ernstige psychiatrische stoornis Problemen met het gebruik van middelen 6 Suïcidale/homicidale gedachten Relatieproblemen Problemen met betrekking tot het arbeidsverleden 9 Eerder gepleegde, niet seksueel gewelddadige delicten 10 Eerder gepleegde, niet-seksueel, niet-gewelddadige delicten 11 Eerdere schending van voorwaarden * Seksuele delicten 12 Hoge dichtheid van seksuele delicten 13 Meerdere typen van seksuele delicten 14 Lichamelijk geweld bij slachtoffer(s) van seksuele delicten 15 Gebruik van wapens of bedreigingen met de dood tijdens plegen seksueel delict 16 Escalatie in frequentie of ernst van seksuele delicten 17 Extreme minimalisering of ontkenning van seksuele delicten
129 18 Opvattingen waaruit goedkeuring of vergoeilijking van seksuele delicten blijkt Toekomstplannen 19 Ontbreken van realistische toekomstplannen 20 Negatieve houding ten opzichte van interventies * * Noot. SVR-20 = Historical Clinical Risk Management-20. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7) * p <.05 (tweezijdig). TABEL B Predictieve validiteit van individuele items van de Static-99 (N =27) voor pedoseksuele daders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI 1 Eerdere seksuele delicten Data van eerdere veroordelingen (inclusief huidige veroordeling) 3 Veroordelingen voor hands-off seksuele delicten 4 Het huidige delict bevat veroordeling voor niet seksueel geweld 5 Veroordeling voor eerder nietseksueel geweld 6 Niet-verwant slachtoffer 7 Onbekend slachtoffer Mannelijk slachtoffer Jonge leeftijd (< 25 jaar) Alleenstaand (niet langer dan twee jaar samengewoond) Noot. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 129
130 TABEL C Predictieve validiteit van individuele items van de HKT-30 (N =31) voor pedoseksuele daders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI AUC SE 95% BI Historische/statische indicatoren H1 Justitiële voorgeschiedenis H2 Schending voorwaarden * H3 Gedragsproblemen voor 12 e jaar H4 Slachtoffer van geweld in jeugd H5 Hulpverleningsgeschiedenis.83 * H6 Arbeidsverleden H7 Middelengebruik H8 Psychotische stoornissen H9 Persoonlijkheidsstoornissen H10 Psychopathie H11 Seksuele deviatie Klinische/dynamische indicatoren K1 Probleeminzicht K2 Psychotische symptomen K3 Middelengebruik K4 Impulsiviteit K5 Empathie K6 Vijandigheid K7 Sociale en relationele vaardigheden K8 Zelfredzaamheid K9 Acculturatie problematiek K10 Attitude t.o.v. behandeling K11 Verantwoordelijkheid voor.14 * delict K12 Seksuele preoccupatie K13 Copingvaardigheden Toekomstige situatieve indicatoren T1 Overeenstemming voorwaarden T2 Materiële indicatoren * T3 Dagbesteding T4 Vaardigheden T5 Sociale steun en netwerk
131 T6 Stresserende omstandigheden Noot. HKT-30 = Historisch Klinisch toekomst-30. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 131
132 TABEL D Predictieve validiteit van individuele items van de PCL-R (N=33) voor pedoseksuele daders Recidivecategorie Seksueel Gewelddadig niet-seksueel Algemeen gewelddadig Itembeschrijving AUC SE 95% BI AUC SE 95%BI AUC SE 95% BI 1 Gladde prater / oppervlakkige charme 2 Opgeblazen gevoel van eigenwaarde 3 Prikkelhongerig / neiging tot verveling 4 Pathologisch liegen List en bedrog / manipulerend gedrag 6 Gebrek aan berouw of schuldgevoel 7 Ontbreken van emotionele diepgang 8 Kil/gebrek aan empathie Parasitaire levensstijl Gebrekkige beheersing gedrag Promiscue seksueel gedrag Gedragsproblemen op jonge leeftijd 13 Ontbreken realistische doelen op lange termijn 14 Impulsiviteit Onverantwoordelijk gedrag Geen verantwoordelijkheid voor eigen gedrag 17 Veel korte partnerrelaties Jeugdcriminaliteit.91 ** * Schending van voorwaarden * Veelsoortige criminaliteit Noot. PCL-R = Psychopathy Checklist-Revised. AUC = Area under the curve. SE = Standard error. Gewelddadige, niet-seksuele recidive is inclusief veroordelingen voor levensdelicten (n=7). * p <.05 (tweezijdig). 132
133 C u m u la tie v e o v e r le v in g sk a n sps 1,0 0,9 0,8 OVER DE AUTEURS 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0 O. Bloem, MSc., studeerde gezondheidswetenschappen (differentiatie geestelijke gezondheidkunde) aan de Universiteit Maastricht. Daarnaast volgde hij een keuzeminor Criminaliteit en samenleving aan de Rechtenfaculteit te Maastricht. Sinds september 2007 is hij als onderzoeker aan het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie verbonden. [email protected] Dr. mr. M. Hildebrand, zelfstandig onderzoeker/consultant, studeerde rechten [richtingen N ie t-p s y c h o p a te n straf(proces)recht en gezondheidsrecht] en gezondheidswetenschappen (geestelijke P s y c h o p a te n gezondheidkunde) aan de Universiteit Maastricht. Tot 1 juli 2007 was hij als onderzoeksmanager verbonden aan het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie in Utrecht. Daarvoor was hij onder meer werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker in de Dr. Henri van der F o llo w -u p p e r io d e in ja r e n Hoeven Kliniek te Utrecht, waar hij zijn promotie-onderzoek getiteld Psychopathy in the treatment of forensic psychiatric patients uitvoerde. Voor zijn dissertatie ontving hij een onderscheiding van de American Psychology Law Society. Hij heeft meerdere (internationale) artikelen gepubliceerd over psychopathie en risicotaxatie en is mede-auteur van (o.a.) de Nederlandse bewerkingen van de HCR-20, PCL-R en SVR [email protected] Mw. drs. H.J.M. Schönberger studeerde gezondheidswetenschappen (geestelijke gezondheidkunde) aan de Universiteit Maastricht. Daarna heeft zij tevens de bachelor opleiding criminologie afgerond aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zij is sinds februari 2006 als onderzoeker werkzaam bij het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie. [email protected] Dr. M. Spreen, socioloog-methodoloog, is verbonden aan de Dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen. Hij voert daar wetenschappelijk onderzoek uit naar forensisch-psychiatrische behandelvormen, etiologie, risicotaxatie en sociale-netwerkanalyse. Tevens is hij sinds 2005 op detacheringbasis verbonden aan het expertisecentrum. [email protected] 133
Tijdschrift voor Seksuologie (2006) 30, 204-214
Tijdschrift voor Seksuologie (2006) 30, 204-214 www.tijdschriftvoorseksuologie.nl Voorspelling van recidive bij zedendelinquenten met behulp van retrospectief gebruik van de PCL-R en SVR-20 Koen Koster,
de waarde van gestructureerde risicotaxatie en van de diagnose psychopathie
de waarde van gestructureerde risicotaxatie en van de diagnose psychopathie EEN ONDERZOEK NAAR DE BETROUWBAARHEID EN PREDICTIEVE VALIDITEIT VAN DE HCR-20, HKT-30 EN PCL-R M. Hildebrand B.L. Hesper M. Spreen
Onderzoek met de SAPROF
Onderzoek met de SAPROF De Vries Robbé & De Vogel SAPROF 2 e Editie handleiding, 2012 Betrouwbaarheid en validiteit Retrospectief dossieronderzoek In verschillende internationale instellingen wordt momenteel
Behandeleffecten. in Forensisch Psychiatrisch Center de Rooyse Wissel. Treatment effects in. Forensic Psychiatric Centre de Rooyse Wissel
Behandeleffecten in Forensisch Psychiatrisch Center de Rooyse Wissel Treatment effects in Forensic Psychiatric Centre de Rooyse Wissel S. Daamen-Raes Eerste begeleider: Dr. W. Waterink Tweede begeleider:
Waar moet het heen? Wat is het doel? What works? (Andrews & Bonta, 2010) What works? Hoe kunnen we het risico per individu bepalen?
Waar moet het heen? Wat is het doel? Wineke Smid [email protected] VFS Symposium, Utrecht, Nederland, 22-01-2014 Het terugbrengen van het aantal slachtoffers! What works? What works? (Andrews & Bonta,
Lichamelijke factoren als voorspeller voor psychisch. en lichamelijk herstel bij anorexia nervosa. Physical factors as predictors of psychological and
Lichamelijke factoren als voorspeller voor psychisch en lichamelijk herstel bij anorexia nervosa Physical factors as predictors of psychological and physical recovery of anorexia nervosa Liesbeth Libbers
Psychometrische Eigenschappen van de Youth Anxiety Measure for DSM-5 (YAM-5) Psychometric Properties of the Youth Anxiety Measure for DSM-5 (YAM-5)
Psychometrische Eigenschappen van de Youth Anxiety Measure for DSM-5 (YAM-5) Psychometric Properties of the Youth Anxiety Measure for DSM-5 (YAM-5) Hester A. Lijphart Eerste begeleider: Dr. E. Simon Tweede
Het voorspellen van recidive na de tbs-behandeling. Een vergelijkend onderzoek naar de predictieve validiteit van de HKT-EX en HCR-20
Het voorspellen van recidive na de tbs-behandeling Een vergelijkend onderzoek naar de predictieve validiteit van de HKT-EX en HCR-20 Masterthesis Forensische Psychologie, Departement Klinische Psychologie
De psychometrische eigenschappen van de HKT-R Michelle Willems
De psychometrische eigenschappen van de HKT-R Michelle Willems Symposium HKT-R: introductie van een gereviseerd instrument voor risicotaxatie en behandelevaluatie Donderdag 13 juni 2013, Conferentiecentrum
Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon
Zelfwaardering en Angst bij Kinderen: Zijn Globale en Contingente Zelfwaardering Aanvullende Voorspellers van Angst bovenop Extraversie, Neuroticisme en Gedragsinhibitie? Self-Esteem and Fear or Anxiety
Ouderlijke Controle en Angst bij Kinderen, de Invloed van Psychologische Flexibiliteit
1 Ouderlijke Controle en Angst bij Kinderen, de Invloed van Psychologische Flexibiliteit Nicola G. de Vries Open Universiteit Nicola G. de Vries Studentnummer 838995001 S71332 Onderzoekspracticum scriptieplan
De Relatie Tussen de Gehanteerde Copingstijl en Pesten op het Werk. The Relation Between the Used Coping Style and Bullying at Work.
De Relatie Tussen de Gehanteerde Copingstijl en Pesten op het Werk The Relation Between the Used Coping Style and Bullying at Work Merijn Daerden Studentnummer: 850225144 Werkstuk: Empirisch afstudeeronderzoek:
Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen. bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar
Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar Gender Differences in Crying Frequency and Psychosocial Problems in Schoolgoing Children aged 6
Beïnvloedt Gentle Teaching Vaardigheden van Begeleiders en Companionship en Angst bij Verstandelijk Beperkte Cliënten?
Beïnvloedt Gentle Teaching Vaardigheden van Begeleiders en Companionship en Angst bij Verstandelijk Beperkte Cliënten? Does Gentle Teaching have Effect on Skills of Caregivers and Companionship and Anxiety
Positieve, Negatieve en Depressieve Subklinische Psychotische Symptomen en het Effect van Stress en Sekse op deze Subklinische Psychotische Symptomen
Positieve, Negatieve en Depressieve Subklinische Psychotische Symptomen en het Effect van Stress en Sekse op deze Subklinische Psychotische Symptomen Positive, Negative and Depressive Subclinical Psychotic
Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind.
Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Bullying among Students with Autism Spectrum Disorders in Secondary
de Rol van Persoonlijkheid Eating: the Role of Personality
De Relatie tussen Dagelijkse Stress en Emotioneel Eten: de Rol van Persoonlijkheid The Relationship between Daily Stress and Emotional Eating: the Role of Personality Arlette Nierich Open Universiteit
Relatie tussen Persoonlijkheid, Opleidingsniveau, Leeftijd, Geslacht en Korte- en Lange- Termijn Seksuele Strategieën
Relatie tussen Persoonlijkheid, Opleidingsniveau, Leeftijd, Geslacht en Korte- en Lange- Termijn Seksuele Strategieën The Relation between Personality, Education, Age, Sex and Short- and Long- Term Sexual
COGNITIEVE DISSONANTIE EN ROKERS COGNITIVE DISSONANCE AND SMOKERS
COGNITIEVE DISSONANTIE EN ROKERS Gezondheidsgedrag als compensatie voor de schadelijke gevolgen van roken COGNITIVE DISSONANCE AND SMOKERS Health behaviour as compensation for the harmful effects of smoking
Voorspellers van Leerbaarheid en Herstel bij Cognitieve Revalidatie van Patiënten met Niet-aangeboren Hersenletsel
Voorspellers van Leerbaarheid en Herstel bij Cognitieve Revalidatie van Patiënten met Niet-aangeboren Hersenletsel Een onderzoek naar de invloed van cognitieve stijl, ziekte-inzicht, motivatie, IQ, opleiding,
Psychometrische stand van zaken van risicotaxatie-instrumenten voor volwassenen in Nederland
o v e r z i c h t s a r t i k e l Psychometrische stand van zaken van risicotaxatie-instrumenten voor volwassenen in Nederland g. t. b l o k, e. d e b e u r s, a. g. s. d e r a n i t z, t. r i n n e achtergrond
Jensen D., Wallace S., Kelsay P. (1994). LATCH: a breastfeeding charting system and documentation tool. JOGGN, 23,
LATCH ASSESSMENT TOOL Jensen D., Wallace S., Kelsay P. (1994). LATCH: a breastfeeding charting system and documentation tool. JOGGN, 23, 27-32. Meetinstrument Afkorting LATCH Assessment Tool LATCH Auteur(s)
Hartpatiënten Stoppen met Roken De invloed van eigen effectiviteit, actieplannen en coping plannen op het stoppen met roken
1 Hartpatiënten Stoppen met Roken De invloed van eigen effectiviteit, actieplannen en coping plannen op het stoppen met roken Smoking Cessation in Cardiac Patients Esther Kers-Cappon Begeleiding door:
De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim
De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim The Relationship between Work Pressure, Mobbing at Work, Health Complaints and Absenteeism Agnes van der Schuur Eerste begeleider:
Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten.
Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten. The Effect of Difference in Peer and Parent Social Influences on Adolescent Alcohol Use. Nadine
Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur
Invloed van het aantal kinderen op de seksdrive en relatievoorkeur M. Zander MSc. Eerste begeleider: Tweede begeleider: dr. W. Waterink drs. J. Eshuis Oktober 2014 Faculteit Psychologie en Onderwijswetenschappen
Beschermende factoren bij seksuele delinquenten
Beschermende factoren bij seksuele delinquenten Een retrospectieve studie naar de validiteit van de SAPROF bij ex-terbeschikkinggestelde seksueel delinquenten in de FPC Dr. S. van Mesdag en de Van der
De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen.
De relatie tussen intimiteit, aspecten van seksualiteit en hechtingsstijl in het dagelijks leven van heteroseksuele mannen en vrouwen. The Relationship between Intimacy, Aspects of Sexuality and Attachment
De betrouwbaarheid van risicotaxatie in de pro Justitia rapportage
o o r s p r o n k e l i j k a r t i k e l De betrouwbaarheid van risicotaxatie in de pro Justitia rapportage Een onderzoek met behulp van de hkt-30 w. j. c a n t o n, t. s. v a n d e r v e e r, p. j. a.
Bent u gemotiveerd? L.E.J. Gerretsen Studentnummer: Eerste begeleider: prof. dr. L. Lechner Tweede begeleider: Dr. A.
Bent u gemotiveerd? Een Experimenteel Onderzoek naar de Invloed van een op het Transtheoretisch Model Gebaseerde Interventie op de Compliance bij de Fysiotherapeutische Behandeling van Psychiatrische Patiënten
De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner
De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner The association between momentary affect and sexual desire: The moderating role of partner
Kinderen met Internaliserende Problemen. The Effectiveness of Psychodynamic Play Group Therapy for Children. with Internalizing Problems.
Spelgroepbehandeling voor kinderen met internaliserende problemen De Effectiviteit van een Psychodynamische Spelgroepbehandeling bij Kinderen met Internaliserende Problemen. The Effectiveness of Psychodynamic
De Relatie Tussen Persoonskenmerken en Ervaren Lijden bij. Verslaafde Patiënten met PTSS
Persoonskenmerken en ervaren lijden bij verslaving en PTSS 1 De Relatie Tussen Persoonskenmerken en Ervaren Lijden bij Verslaafde Patiënten met PTSS The Relationship between Personality Traits and Suffering
Modererende Rol van Seksuele Gedachten. Moderating Role of Sexual Thoughts. C. Iftekaralikhan-Raghubardayal
Running head: momentaan affect en seksueel verlangen bij vrouwen 1 De Samenhang Tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen van Vrouwen en de Modererende Rol van Seksuele Gedachten The Association Between
Geslacht, Emotionele Ontrouw en Seksdrive. Gender, Emotional Infidelity and Sex Drive
1 Geslacht, Emotionele Ontrouw en Seksdrive Gender, Emotional Infidelity and Sex Drive Femke Boom Open Universiteit Naam student: Femke Boom Studentnummer: 850762029 Cursusnaam: Empirisch afstudeeronderzoek:
Mentaal Weerbaar Blauw
Mentaal Weerbaar Blauw de invloed van stereotypen over etnische minderheden cynisme en negatieve emoties op de mentale weerbaarheid van politieagenten begeleiders: dr. Anita Eerland & dr. Arjan Bos dr.
PSYCHOPATHIE EN EMOTIEVERWERKING PSYCHOPATHY AND EMOTIONAL PROCESSING
PSYCHOPATHIE EN EMOTIEVERWERKING PSYCHOPATHY AND EMOTIONAL PROCESSING M.E.Slaats-Gels 836470258 Dr. M. J. Cima-Knijff Eerste scriptiebegeleider Prof. Dr. L. Lechner Tweede scriptiebegeleider Open Universiteit
Determinanten en Barrières van Seksuele Patiëntenvoorlichting. aan Kankerpatiënten door Oncologieverpleegkundigen
Determinanten en Barrières van Seksuele Patiëntenvoorlichting aan Kankerpatiënten door Oncologieverpleegkundigen Determinants and Barriers of Providing Sexual Health Care to Cancer Patients by Oncology
Verklaring van het beweeggedrag van ouderen door determinanten van. The explanation of the physical activity of elderly by determinants of
Verklaring van het beweeggedrag van ouderen door determinanten van het I-change Model The explanation of the physical activity of elderly by determinants of the I-change Model Hilbrand Kuit Eerste begeleider:
Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme
Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effects of Contact-oriented Play and Learning in the Relationship between parent and child with autism Kristel Stes Studentnummer:
Executief Functioneren en Agressie. bij Forensisch Psychiatrische Patiënten in PPC Den Haag. Executive Functioning and Aggression
Executief Functioneren en Agressie bij Forensisch Psychiatrische Patiënten in PPC Den Haag Executive Functioning and Aggression in a Forensic Psychiatric Population in PPC The Hague Sara Helmink 1 e begeleider:
Running head: BREAKFAST, CONSCIENTIOUSNESS AND MENTAL HEALTH 1. The Role of Breakfast Diversity and Conscientiousness in Depression and Anxiety
Running head: BREAKFAST, CONSCIENTIOUSNESS AND MENTAL HEALTH 1 The Role of Breakfast Diversity and Conscientiousness in Depression and Anxiety De Rol van Gevarieerd Ontbijten en Consciëntieusheid in Angst
De causale Relatie tussen Intimiteit en Seksueel verlangen en de. modererende invloed van Sekse en Relatietevredenheid op deze relatie
Causale Relatie tussen intimiteit en seksueel verlangen 1 De causale Relatie tussen Intimiteit en Seksueel verlangen en de modererende invloed van Sekse en Relatietevredenheid op deze relatie The causal
Effecten van een op MBSR gebaseerde training van. hospicemedewerkers op burnout, compassionele vermoeidheid en
Effecten van een op MBSR gebaseerde training van hospicemedewerkers op burnout, compassionele vermoeidheid en compassionele tevredenheid. Een pilot Effects of a MBSR based training program of hospice caregivers
LinkedIn Profiles and personality
LinkedInprofielen en Persoonlijkheid LinkedIn Profiles and personality Lonneke Akkerman Open Universiteit Naam student: Lonneke Akkerman Studentnummer: 850455126 Cursusnaam en code: S57337 Empirisch afstudeeronderzoek:
Running Head: INVLOED VAN ASE-DETERMINANTEN OP INTENTIE CONTACT 1
Running Head: INVLOED VAN ASE-DETERMINANTEN OP INTENTIE CONTACT 1 Relatie tussen Attitude, Sociale Invloed en Self-efficacy en Intentie tot Contact tussen Ouders en Leerkrachten bij Signalen van Pesten
De Rol van Zelfregulatie, Motivatie en Eigen Effectiviteitsverwachting op het Volhouden
De Rol van Zelfregulatie, Motivatie en Eigen Effectiviteitsverwachting op het Volhouden van Sporten en de Invloed van Egodepletie, Gewoonte en Geslacht The Role of Selfregulation, Motivation and Self-efficacy
Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van. zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten
Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten met diabetes mellitus type 2 in de huisartsenpraktijk Thinking
Zimmerman, Sheeran, & Young. Beoordelen van de aanwezigheid van depressie
DIAGNOSTIC INVENTORY FOR DEPRESSION (DID) Zimmerman, M., Sheeran, T., & Young, D. (2004). The Diagnostic Inventory for Depression: A self-report scale to diagnose DSM-IV Major Depressive Disorder. Journal
Validatie van de Depressie lijst (DL) en de Geriatric Depression Scale (GDS-30) bij Verpleeghuisbewoners
Validatie van de Depressie lijst (DL) en de Geriatric Depression Scale (GDS-30) bij Verpleeghuisbewoners van Somatische en Psychogeriatrische Afdelingen Validation of the Depression List (DL) and the Geriatric
Tahnee Anne Jeanne Snelder. Open Universiteit
Effecten van Gedragstherapie op Sociale Angst, Zelfgerichte Aandacht & Aandachtbias Effects of Behaviour Therapy on Social Anxiety, Self-Focused Attention & Attentional Bias Tahnee Anne Jeanne Snelder
Seksdrive, Stresscoping en Extrinsieke Ambitie : De Verschillen tussen Mannen en Vrouwen. Sexdrive, Stresscoping and Extrinsic Ambition :
Seksdrive, Stresscoping en Extrinsieke Ambitie : De Verschillen tussen Mannen en Vrouwen Sexdrive, Stresscoping and Extrinsic Ambition : The Differences between Men and Women Karine Garcia Eerste begeleider:
De relatie tussen Stress Negatief Affect en Opvoedstijl. The relationship between Stress Negative Affect and Parenting Style
De relatie tussen Stress Negatief Affect en Opvoedstijl The relationship between Stress Negative Affect and Parenting Style Jenny Thielman 1 e begeleider: mw. dr. Esther Bakker 2 e begeleider: mw. dr.
De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit. The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility.
RELATIE ANGST EN PSYCHOLOGISCHE INFLEXIBILITEIT 1 De Relatie tussen Angst en Psychologische Inflexibiliteit The Relationship between Anxiety and Psychological Inflexibility Jos Kooy Eerste begeleider Tweede
De relatie tussen depressie- en angstsymptomen, diabetesdistress, diabetesregulatie en. proactieve copingvaardigheden bij type 2 diabetespatiënten
De relatie tussen depressie- en angstsymptomen, diabetesdistress, diabetesregulatie en proactieve copingvaardigheden bij type 2 diabetespatiënten The relationship between depression symptoms, anxiety symptoms,
The Functional Autonomy Measurement System (SMAF): Description and Validation of an Instrument for the Measurement of Handicaps."
Système de mesure de l autonomie fonctionnelle (SMAF) Hébert R. (1988) The Functional Autonomy Measurement System (SMAF): Description and Validation of an Instrument for the Measurement of Handicaps."
Hill P.D., Humenick S.S. (1996). Development of the H&H Lactation Scale. Nursing Research, 45(3), 136-140.
H & H LACTATION SCALE (HHLS) Hill P.D., Humenick S.S. (1996). Development of the H&H Lactation Scale. Nursing Research, 45(3), 136-140. Meetinstrument H&H Lactation Scale Afkorting HHLS Auteur(s) Hill
Invloed van Mindfulness Training op Ouderlijke Stress, Emotionele Self-Efficacy. Beliefs, Aandacht en Bewustzijn bij Moeders
Invloed van Mindfulness Training op Ouderlijke Stress, Emotionele Self-Efficacy Beliefs, Aandacht en Bewustzijn bij Moeders Influence of Mindfulness Training on Parental Stress, Emotional Self-Efficacy
De Invloed van Altruïsme op de Samenhang tussen Leeftijd en Mentale Veerkracht
De Invloed van Altruïsme op de Samenhang tussen Leeftijd en Mentale Veerkracht Study of the Influence of Altruism in the Association of Age and Resilience Maik P.W. de Vos Eerste begeleider: Tweede begeleider:
De structuur van de Sexual Violence Risk-20 (SVR-20) in seksueel. gewelddadige terbeschikkinggestelden
Structuur van de SVR-20 1 Running head: Structuur van de SVR-20 De structuur van de Sexual Violence Risk-20 (SVR-20) in seksueel gewelddadige terbeschikkinggestelden Ruud H.J. Hornsveld 1, Thijs Kanters
Denken en Doen Doen of Denken Het verband tussen seksueel risicovol gedrag en de impulsieve en reflectieve cognitie.
0 Denken en Doen Doen of Denken Het verband tussen seksueel risicovol gedrag en de impulsieve en reflectieve cognitie. Denken en Doen Doen of Denken Het verband tussen seksueel risicovol gedrag en de impulsieve
Morse, J. M. (1986). Computerized evaluation of a scale to identify the fall-prone patient. Can J Public Health, 77 Suppl 1,
MORSE FALL SCALE (MFS) Morse, J. M. (1986). Computerized evaluation of a scale to identify the fall-prone patient. Can J Public Health, 77 Suppl 1, 21-25.. Meetinstrument Afkorting Morse fall scale MFS
Het nagaan van het verloop van borstvoeding bij de pasgeborene
INFANT BREASTFEEDING ASSESSMENT TOOL (IBFAT) Matthews M.K. (1988) Developing an instrument to assess infant breastfeeding behavior in early neonatal period. Midwifery, 4, 154-165. Meetinstrument Afkorting
STIGMATISERING VAN PATIENTEN MET LONGKANKER 1. Stigmatisering van Patiënten met Longkanker: De Rol van Persoonlijke Relevantie voor de Waarnemer
STIGMATISERING VAN PATIENTEN MET LONGKANKER 1 Stigmatisering van Patiënten met Longkanker: De Rol van Persoonlijke Relevantie voor de Waarnemer Stigmatization of Patients with Lung Cancer: The Role of
Auteur Bech, Rasmussen, Olsen, Noerholm, & Abildgaard. Meten van de ernst van depressie
MAJOR DEPRESSION INVENTORY (MDI) Bech, P., Rasmussen, N.A., Olsen, R., Noerholm, V., & Abildgaard, W. (2001). The sensitivity and specificity of the Major Depression Inventory, using the Present State
The Effect of Gender, Sex Drive and Autonomy. on Sociosexuality. Invloed van Sekse, Seksdrive en Autonomie. op Sociosexualiteit
The Effect of Gender, Sex Drive and Autonomy on Sociosexuality Invloed van Sekse, Seksdrive en Autonomie op Sociosexualiteit Filiz Bozkurt First supervisor: Second supervisor drs. J. Eshuis dr. W. Waterink
Knelpunten in Zelfstandig Leren: Zelfregulerend leren, Stress en Uitstelgedrag bij HRM- Studenten van Avans Hogeschool s-hertogenbosch
Knelpunten in Zelfstandig Leren: Zelfregulerend leren, Stress en Uitstelgedrag bij HRM- Studenten van Avans Hogeschool s-hertogenbosch Bottlenecks in Independent Learning: Self-Regulated Learning, Stress
De Samenhang tussen Dagelijkse Stress en Depressieve Symptomen en de Mediërende Invloed van Controle en Zelfwaardering
De Samenhang tussen Dagelijkse Stress en Depressieve Symptomen en de Mediërende Invloed van Controle en Zelfwaardering The Relationship between Daily Hassles and Depressive Symptoms and the Mediating Influence
INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren
De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren Sociale Steun The Effect of Chronic Pain and the Moderating Effect of Gender on Perceived Social Support Studentnummer:
Running head: EFFECT VAN IB-CGT OP SEKSUELE DISFUNCTIES BIJ VROUWEN
Running head: EFFECT VAN IB-CGT OP SEKSUELE DISFUNCTIES BIJ VROUWEN Het Effect van Online Cognitieve Gedragstherapie op Seksuele Disfuncties bij Vrouwen The Effectiveness of Internet-based Cognitive-Behavioural
De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie
De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en Discrepantie The Relationship between Involvement in Bullying and Well-Being and the Influence of Social Support
BISEKSUALITEIT: DE ONZICHTBARE SOCIALE IDENTITEIT. Biseksualiteit: de Onzichtbare Sociale Identiteit met Zichtbare Gezondheidsgevolgen
Biseksualiteit: de Onzichtbare Sociale Identiteit met Zichtbare Gezondheidsgevolgen Bisexuality: the Invisible Social Identity with Visible Health Consequences Maria Verbeek Eerste begeleidster: dr. N.
Het Verband Tussen Persoonlijkheid, Stress en Coping. The Relation Between Personality, Stress and Coping
Het Verband Tussen Persoonlijkheid, Stress en Coping The Relation Between Personality, Stress and Coping J.R.M. de Vos Oktober 2009 1e begeleider: Mw. Dr. T. Houtmans 2e begeleider: Mw. Dr. K. Proost Faculteit
De invloed van veerkracht op de relatie tussen pijn en psychische klachten bij revalidatiecliënten in een verpleeghuis.
De invloed van veerkracht op de relatie tussen pijn en psychische klachten bij revalidatiecliënten in een verpleeghuis. The influence of resilience on the relationship between pain and psychological symptoms
Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten
Verschil in Perceptie over Opvoeding tussen Ouders en Adolescenten en Alcoholgebruik van Adolescenten Difference in Perception about Parenting between Parents and Adolescents and Alcohol Use of Adolescents
Geloof in een Rechtvaardige Wereld en Afkeuring van Geweldsslachtoffers: De Invloed
Geloof in een Rechtvaardige Wereld en Afkeuring van Geweldsslachtoffers: De Invloed van Sociale Categorisering, Persoons-identificatie, Positie-identificatie en Retributie Belief in a Just World and Rejection
Running head: MINDFULNESS, CONTINGENTE ZELFWAARDERING EN DEPRESSIE 1. De Invloed van een Gecombineerde Mindfulnessbehandeling op
Running head: MINDFULNESS, CONTINGENTE ZELFWAARDERING EN DEPRESSIE 1 De Invloed van een Gecombineerde Mindfulnessbehandeling op Contingente Zelfwaardering en Depressieve Klachten. Tammasine Netteb Open
Persoonlijkheidskenmerken en cyberpesten onder jongeren van 11 tot 16 jaar:
Persoonlijkheidskenmerken en cyberpesten onder jongeren van 11 tot 16 jaar: is er een relatie met een verkorte versie van de NVP-J? Personality Characteristics and Cyberbullying among youngsters of 11
Onderzoeksbulletin. Recidive bij jongeren in de ambulante forensische ggz. Joan van Horn, Jaap van Slageren & Mara Eisenberg
Onderzoeksbulletin Recidive bij jongeren in de ambulante forensische ggz Joan van Horn, Jaap van Slageren & Mara Eisenberg Recidive bij jongeren behandeld bij de Waag Eerder dit jaar verscheen het onderzoeksbulletin
De Rol van Impliciete Associaties in het Seksueel Functioneren. van Vrouwen met en Zonder Seksuele Problemen
De Rol van Impliciete Associaties in het Seksueel Functioneren van Vrouwen met en Zonder Seksuele Problemen The Role of Implicit Associations in Sexual Functioning in Women with and Without Sexual Problems
Verloop bij de Politie: de Rol van Procedurele en Interactionele Rechtvaardigheid en Commitment
Verloop bij de Politie: de Rol van Procedurele en Interactionele Rechtvaardigheid en Commitment Turnover at the Police: the Role of Procedural and Interactional Justice and Commitment Inge E. F. Snyders
Type Dementie als Oorzaak van Seksueel Ontremd Gedrag. Aanwezigheid van het Gedrag bij Type Alzheimer?
Type Dementie als Oorzaak van Seksueel Ontremd Gedrag Aanwezigheid van het Gedrag bij Type Alzheimer? Type of Dementia as Cause of Sexual Disinhibition Presence of the Behavior in Alzheimer s Type? Carla
Risicotaxatie bij verslaafde justitiabelen Naar een (aanvullend)instrument
Verslag EFP Themabijeenkomst Risicotaxatie bij verslaafde justitiabelen Naar een (aanvullend)instrument 29 november 2011 Introductie De presentatie wordt verzorgd door Sylvia Lammers; psycholoog en gepromoveerd
Sociale Cognitie bij Psychisch Gezonde Volwassenen
Sociale Cognitie bij Psychisch Gezonde Volwassenen Onderzoek met het Virtuele Lab Social Cognition in Psychologically Healthy Adults Research with the Virtual Laboratory Anja I. Rebber Studentnummer: 838902147
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/56521
Quality of life Index: Cancer version
Quality of life index : cancer version Ferrans, C. E. & Powers, M. J. (1985). Quality of life index: development and psychometric properties. ANS Adv Nurs Sci., 8, 15-24. Ferrans, C. E. (1990). Development
Deze test werd ontwikkeld en aangewend om het medicatiemanagement en de verschillende aspecten hiervan te evalueren in de ambulante zorg.
Drug Regimen Unassisted Grading Scale (DRUGS) Edelberg HK, Shallenberger E, Wei JY (1999) Medication management capacity in highly functioning community living older adults: detection of early deficits.
Global TV Canada s Pulse 2011
Global TV Canada s Pulse 2011 Winnipeg Nobody s Unpredictable Methodology These are the findings of an Ipsos Reid poll conducted between August 26 to September 1, 2011 on behalf of Global Television. For
SLACHTOFFER CYBERPESTEN, COPING, GEZONDHEIDSKLACHTEN, DEPRESSIE. Cyberpesten: de implicaties voor gezondheid en welbevinden van slachtoffers en het
SLACHTOFFER CYBERPESTEN, COPING, GEZONDHEIDSKLACHTEN, DEPRESSIE Cyberpesten: de implicaties voor gezondheid en welbevinden van slachtoffers en het modererend effect van coping Cyberbullying: the implications
Spitzer quality of life index
Spitzer Quality of life index Spitzer, W. O., Dobson, A. J., Hall, J., Chesterman, E., Levi, J., Shepherd, R. et al. (1981). Measuring the quality of life of cancer patients: a concise QL index for use
Het Effect van Cliëntgerichte Speltherapie op Internaliserende Problematiek bij. Kinderen: Affect als Moderator
1 Het Effect van Cliëntgerichte Speltherapie op Internaliserende Problematiek bij Kinderen: Affect als Moderator The Effect of Client-Centered Play Therapy on Internalizing Problems of Children: Affect
Patient reported Outcomes in Cognitive Impairement (PROCOG)
Patient reported Outcomes in Cognitive Impairement (PROCOG) Bowman, L. (2006) "Validation of a New Symptom Impact Questionnaire for Mild to Moderate Cognitive Impairment." Meetinstrument Patient-reported
Het verband tussen alledaagse stress en negatief affect bij mensen met een depressie en de rol van zelfwaardering daarbij
Het verband tussen alledaagse stress en negatief affect bij mensen met een depressie en de rol van zelfwaardering daarbij Een vergelijking van een depressieve en een niet-depressieve groep met Experience-Sampling-Method
Development of the diabetes problem solving measure for adolescents. Diabetes Educ 27:865 874, 2001
Diabete Problem Solving Measure for Adolescents (DPSMA) Cook S, Alkens JE, Berry CA, McNabb WL (2001) Development of the diabetes problem solving measure for adolescents. Diabetes Educ 27:865 874, 2001
De Rol van Sense of Coherence bij de Glucoseregulatie bij Mensen met Diabetes Type 1
De Rol van Sense of Coherence bij de Glucoseregulatie bij Mensen met Diabetes Type 1 The Role of Sense of Coherence in Glucose regulation among People with Diabetes Type 1 Marja Wiersma Studentnummer:
Running head: OPVOEDSTIJL, EXTERNALISEREND PROLEEMGEDRAG EN ZELFBEELD
1 Opvoedstijl en Externaliserend Probleemgedrag en de Mediërende Rol van het Zelfbeeld bij Dak- en Thuisloze Jongeren in Utrecht Parenting Style and Externalizing Problem Behaviour and the Mediational
