Open call Adaptatie aan klimaatverandering. Uitnodiging tot het indienen van pre-proposals

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Open call Adaptatie aan klimaatverandering. Uitnodiging tot het indienen van pre-proposals"

Transcriptie

1 Open call Adaptatie aan klimaatverandering Uitnodiging tot het indienen van pre-proposals

2 Open call Adaptatie aan klimaatverandering Uitnodiging tot het indienen van pre-proposals

3 Copyright 2009 Stichting Kennis voor Klimaat (KvK). Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, in geautomatiseerde bestanden opgeslagen en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Stichting Kennis voor Klimaat. In overeenstemming met artikel 15a van het Nederlandse auteursrecht is het toegestaan delen van deze publicatie te citeren, daarbij gebruik makend van een duidelijke referentie naar deze publicatie. Disclaimer Hoewel uiterste zorg is besteed aan de inhoud van deze publicatie aanvaarden de Stichting Kennis voor Klimaat, de hierin deelnemende organisaties, de auteurs van deze publicatie en hun organisaties, noch de samenstellers enige aansprakelijkheid voor onvolledigheid, onjuistheid of de gevolgen daarvan. Gebruik van de inhoud van deze publicatie is voor de verantwoordelijkheid van de gebruiker. De Stichting Kennis voor Klimaat en haar organen zijn niet aansprakelijk voor enigerlei schade, primair en secundair, voortkomend uit deze open call. Indieners van proposal(s) kunnen geen rechten ontlenen aan het indienen van proposal(s). Het onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat wordt medegefinancierd door het Ministerie van VROM.

4 Inhoudsopgave 1 Inleiding 4 2 Kenmerken van de open call 10 3 Acht onderzoeksthema s Waterveiligheid op nationaal en regionaal niveau Zoetwatervoorziening op nationaal en regionaal niveau Klimaatbestendige inrichting van het landelijk gebied Klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied Infrastructuur en netwerken Verbetering klimaatprojecties en modelinstrumentarium Governance van adaptatie Beleidsondersteunend instrumentarium 20 4 Richtlijnen voor het indienen van voorstellen 21 5 Beoordelingscriteria voor pre-proposals 24 6 Uitvoering van het onderzoek 26 7 FAQs bij open call 28 8 Overige informatie 30

5 1 Inleiding 4 Open Call Adaptatie aan klimaatverandering

6 Klimaatverandering en de rol van menselijk handelen daarin, bereikten eind jaren tachtig van de vorige eeuw in korte tijd de top van de internationale politieke agenda. Inmiddels zijn er internationale afspraken gemaakt met betrekking tot beperking van de emissies van broeikasgassen. Vanwege de na-ijlende werking van het klimaatsysteem is echter ook bij een succesvolle emissiebeperking een aanzienlijke mate van klimaatverandering onvermijdelijk. Juist voor een dichtbevolkt en kwetsbaar land als Nederland is daarom een tijdige aanpassing aan de effecten van klimaatverandering belangrijk. Kennis voor Klimaat is het nationaal onderzoeksprogramma dat de benodigde kennis wil ontwikkelen om Nederland climate proof te maken. Het gaat daarbij om regionale, nationale en internationale adaptatiestrategieën, met een tijdshorizon tot 2050 en in bepaalde gevallen zelfs De missie van het programma luidt: Het ontwikkelen van wetenschappelijke en toegepaste kennis voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland en het creëren van een duurzame kennisinfrastructuur voor het omgaan met klimaatverandering. Voor dit programma is 50 miljoen beschikbaar gesteld vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Vanuit dit budget kunnen onderzoekssubsidies worden verstrekt. Daarbij geldt wel een verplichting tot cofinanciering door derden. In Kennis voor Klimaat werken kennisinstellingen nauw samen met de Nederlandse overheden en het bedrijfsleven. De kans op succesvolle en uitvoerbare adaptatiestrategieën wordt immers aanzienlijk vergroot als er een goede samenwerking bestaat tussen deze partijen en waarbij de vraag in belangrijke mate sturend is voor de kennisontwikkeling. De kennis die beschikbaar komt vanuit de domeinen klimaat, water, natuur, stad en ruimte dient als basis voor de verdere ontwikkeling en vormgeving van ideeën en plannen voor het klimaatbestendig maken van Nederland. Het gaat daarbij zowel om de natuurwetenschappelijke en technische kennis als om de sociaalwetenschappelijke kennis. Het programma beoogt tevens een bijdrage te leveren aan de versterking van het vestigingsklimaat in Nederland en de exportpositie op het gebied van klimaat- en deltatechnologie en het beheer van deltagebieden. Aanpassing aan klimaatverandering is een vraagstuk dat overal in de wereld aan de orde is. Vooral in landbouwgebieden die kwetsbaar zijn voor veranderingen in de waterbeschikbaarheid en in dichtbevolkte deltagebieden die kwetsbaar zijn voor de stijging van de zeespiegel wordt onderzoek gedaan naar beschikbare opties voor aanpassing aan een veranderend klimaat. Het nationaal onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat kiest daarom voor internationale samenwerking in de verkenning van opties voor adaptatie. Deze samenwerking strekt zich niet alleen uit tot de wetenschappers, maar ook tot de overheden en bedrijven die te maken hebben met deze problematiek. Om de internationale samenwerking te versterken worden vanuit Kennis voor Klimaat initiatieven genomen tot oprichting van een internationale Delta Alliance. Open call Adaptatie aan klimaatverandering 5

7 Adaptatieopties en de haalbaarheid ervan kunnen in de praktijk het beste worden verkend in een nationale en regionale setting, omdat daar de kennis en ervaring zit die nodig is om tot effectieve interventiestrategieën te komen. Het programma Kennis voor Klimaat is daarom gericht op een beperkt aantal gebieden, voornamelijk binnen Nederland, de zogenaamde hotspots. Deze gebieden zijn voor Nederland van groot belang, hetzij vanwege de grote investeringen die worden gedaan, hetzij door de relatief grote kwetsbaarheid voor de gevolgen van klimaatverandering. In het programma Kennis voor Klimaat worden de volgende acht Nederlandse hotspots onderscheiden. Schiphol Mainport en Schiphol Regio De regio Schiphol is een gebied met een hoge dynamiek die een groot economisch belang vertegenwoordigt, niet alleen vanwege de aanwezigheid van een internationale luchthaven, maar ook vanwege verschillende omvangrijke projecten die een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de noordvleugel van de Randstad. Tegelijkertijd is deze regio, inclusief de luchthaven, kwetsbaar voor klimaatverandering. Voor Schiphol Mainport staat centraal het klimaatbestendig maken van de operatie die erg gevoelig is voor veranderende klimatologischeen weersomstandigheden. Schiphol Regio staat in het teken van een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting en waterbeheer in het grotere gebied rondom de luchthaven. Doelstelling: het ontwikkelen van kennis om hiermee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige en duurzame inrichting van de luchthaven en haar omgeving. Haaglanden De regio Haaglanden bestaat uit de agglomeratie Den Haag, een uitgestrekt veenweidegebied en een omvangrijke concentratie glastuinbouw. De grenzen van de stedelijke uitbreiding zijn bijna bereikt. Provincie, gemeenten en bedrijfsleven hebben daarom gekozen voor herstructurering en verdichting van bestaand stedelijk- en glastuinbouwgebied. Deze keuze wordt echter bemoeilijkt door de grote vraag naar ruimte voor water, die voor een belangrijk deel samenhangt met de effecten van klimaatverandering. Doelstelling: het ontwikkelen van concrete strategieën voor adaptatie aan klimaatverandering, met specifieke aandacht voor het watersysteem, teneinde de regio Haaglanden minder kwetsbaar te maken voor klimaatverandering, haar economische kracht te behouden en de aantrekkelijkheid van het leefklimaat te vergroten. 6 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

8 Regio Rotterdam Rotterdam, het havengebied en de wijdere omgeving staan de komende 10 jaar voor grote ruimtelijke en industriële investeringen. Deze investeringen zijn gericht op een verdere industriële ontwikkeling, het vergroten van de havencapaciteit, het verbeteren van de bereikbaarheid, de verstedelijking van onder meer het oude havengebied (project Stadshavens) en de verdere stedelijke ontwikkeling langs de as van de Maas. Doelstelling: het gebied klimaatbestendig en tegelijkertijd optimaal aantrekkelijk maken voor werken en wonen, met speciale aandacht voor de haven, transport en woonfunctie van deze regio. Grote Rivieren Klimaatverandering stelt het waterbeheer van het rivierengebied voor een nieuwe uitdaging: hogere rivierafvoeren in de winter en meer droogte in de zomer. Een stijgende zeespiegel en toenemende rivierafvoeren betekenen zonder aanvullende maatregelen een toenemende kans op overstromingen. Een grotere kans op wateroverlast, maar ook op droogte, speelt niet alleen in laag-nederland, maar ook in hoog-nederland. Doelstelling: het ruimtegebruik in het rivierengebied zo goed mogelijk afstemmen op klimaatverandering. Zuidwestelijke Delta De Zuidwestelijke Delta zal in de toekomst te maken krijgen met zeespiegelstijging, veranderende windpatronen en veranderende rivierafvoeren (lager in de zomer en hoger in de winter). De gevolgen hiervan zijn verzilting en veranderingen in de waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid. Dit leidt tot effecten voor o.a. de natuur (estuaria), de landbouw en andere functies in het gebied. Doelstelling: het integraal meenemen van de gevolgen van klimaatverandering in lange termijn beleidsdoelen voor landbouw en natuur (zoet-zout gradiënt) en het formuleren van adaptatiestrategieën voor het waterbeheer en de ruimtelijke ordening die efficiënt en snel kunnen worden ingevoerd in lopende en toekomstige planprocessen. Open call Adaptatie aan klimaatverandering 7

9 Ondiepe wateren en veenweidegebieden Nederland kent een groot aantal ondiepe watersystemen, zoals meren en plassen, maar ook talrijke sloten en kanalen, kenmerkend voor veenweidegebieden. Deze ondiepe watersystemen hebben functies voor waterberging, waterafvoer, natuur, landbouw, recreatie en drinkwater. Klimaatverandering leidt tot effecten zoals verdroging, waterpieken, verzilting en verandering in waterkwaliteit. Ontwatering leidt tot (verhoogde) veenafbraak. Doelstelling: kennis ontwikkelen hoe het watersysteem aan te passen aan klimaatverandering zodat veenafbraak zoveel mogelijk wordt voorkomen en de ecologische kwaliteit van het water wordt gegarandeerd. Droge rurale gebieden Grote delen van het Nederlandse platteland van de hogere zandgronden bevinden zich in een overgang van voedselproductielandschap naar een meer multifunctioneel, aan de stedelijke omgeving verbonden, landschap. Klimaatverandering zet deze omvorming zwaar onder druk, door een toenemende dynamiek in de waterhuishouding. Wateroverlast en verdroging zullen steeds vaker tot grotere problemen leiden. Doelstelling: kennis ontwikkelen over de gevolgen van klimaatverandering voor de gebiedsontwikkeling voor de korte en de middellange termijn. Waddenzee De Waddenzee is internationaal gezien een belangrijk natuurgebied, maar heeft ook een functie voor o.a. de recreatie en als veiligheidsbuffer voor de kustzone in Noord-Nederland. Het Waddensysteem wordt gekarakteriseerd door zijn hoge ruimtelijke en temporele variabiliteit en heeft een grote veerkracht. Het Waddenecosysteem lijkt echter nu al te veranderen door klimaatverandering. Doelstelling: kennis ontwikkelen over de veerkracht en duurzaamheid van het Waddenecosysteem als veiligheidsbuffer bij een veranderend klimaat. 8 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

10 Uitnodiging tot indienen van pre-proposals Deze open call is gericht op onderzoek naar nationale en regionale adaptatiestrategieën, waarbij de focus vooral is gericht op de Nederlandse situatie. In een parallel programma (dus los van deze open call) wordt gekeken naar een beperkt aantal internationale hotspots en naar de opzet van de eerdergenoemde Delta Alliance. Met deze open call worden onderzoeksconsortia verzocht pre-proposals in te dienen voor onderzoek naar klimaatadaptatie, waarbij een verbinding wordt gelegd tussen generieke onderzoeksvragen en gebiedsspecifieke onderzoeksvragen. Voor deze open call is maximaal 20 miljoen aan subsidiemiddelen beschikbaar, waaraan, volgens de subsidiebeschikking van het ministerie van VROM, een bedrag van tenminste 13,7 miljoen moet worden toegevoegd door co-financierende partijen. Over 50 jaar hebben we in Nederland een ander klimaat dan nu. We moeten nu al beginnen om ons aan te passen aan meer neerslag, aan hogere temperaturen, vaker droogte en aan een stijgende zeespiegel. Samen met andere ministeries, provincie, gemeenten en waterschappen heeft VROM een strategie gemaakt hoe we dat op kunnen pakken. Die strategie bevat uitgangspunten en de grote lijnen. Op basis daarvan zijn veel partijen al begonnen met plannen voor aanpassing aan klimaatverandering. Veelal zijn dat geen-spijt maatregelen. VROM juicht dat toe. We weten dat er nog veel kennis ontbreekt om de juiste maatregelen te kunnen nemen. Kennis voor Klimaat zal een waardevolle bijdrage leveren om deze kennis boven water te krijgen. Die kennis moet wel aansluiten bij de praktijk en daarom is gekozen voor de hotspot benadering: in acht regio s werken onderzoekers samen met mensen uit de praktijk. Dat is voor beide partijen een uitdaging. VROM steunt dit proces en kijkt reikhalzend naar de resultaten uit. Chris Kuijpers Directeur Generaal Ruimte VROM Open call Adaptatie aan klimaatverandering 9

11 2 Kenmerken van de open call Voorbereiding van de programmering Ter voorbereiding van de programmering zijn op nationaal en regionaal niveau vragen over klimaatadaptatie geïnventariseerd. Kennis voor Klimaat heeft een zorgvuldig traject doorlopen om tot identificatie van deze vragen te komen. In de voorbereidende fase is binnen elke hotspot een gemengd team van overheden, bedrijven en wetenschappers (het zogenaamde hotspotteam) samengesteld om de behoefte aan kennis te inventariseren. Daarnaast is door experts een aantal verkenningen op natuurwetenschappelijke, technische en sociaalwetenschappelijke thema s uitgevoerd. Ook is afgestemd met het nationale beleidsprogramma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK), een gemeenschappelijk programma van de ministeries van VROM, VenW, LNV en EZ en de koepelorganisaties IPO, VNG en UvW. De rapporten die uit deze verkenningen zijn voortgekomen zijn beschikbaar op de website van Kennis voor Klimaat. Programmering in drie tranches Door Kennis voor Klimaat wordt onderzoek gesubsidieerd in drie tranches, waarvan de eerste tranche inmiddels in uitvoering is. In de eerste tranche hebben de hotspots onderzoeksprojecten geformuleerd, die op gesloten wijze zijn aanbesteed. Het betreft vooral projecten met een korte en middellange looptijd, gericht op de meest urgente kennisbehoeften. Het overzicht van deze projecten is te vinden op de website van Kennis voor Klimaat. Deze open call betreft de tweede tranche van het programma Kennis voor Klimaat. In deze fase gaat het vooral om verdiepende en langlopende studies, waarbij de verbinding tussen generieke vragen en gebiedsspecifieke vragen centraal staat. Met deze tweede tranche wordt een substantieel deel van de onderzoeksmiddelen van Kennis voor Klimaat besteed. In de derde tranche, die een gecombineerd gesloten/open karakter heeft, zullen de hotspots de resultaten uit de diverse onderzoekslijnen moeten samenbrengen ten behoeve van de ontwikkeling van adaptatiestrategieën. 10 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

12 Tweede tranche: acht onderzoeksthema s In het programma Kennis voor Klimaat is ervoor gekozen om vooraf te sturen op samenhang. Het betreft niet alleen de samenhang tussen generieke en gebiedsspecifieke vragen, maar ook de samenhang tussen diverse disciplinaire en sectorale kennislijnen. Teneinde de samenhang te bevorderen zijn acht thema s geselecteerd, die tezamen de adaptatieagenda bepalen. De acht thema s worden gezien als leidend voor de ontwikkeling van nationale en regionale adaptatiestrategieën. De thematische invalshoek draagt ook bij aan de stimulering van wetenschappelijke vernieuwing en verdieping. Deze open call bevat een beschrijving van de acht onderzoeksthema s. Het betreft: Waterveiligheid op nationaal en regionaal niveau Zoetwatervoorziening op nationaal en regionaal niveau Klimaatbestendige inrichting van het landelijk gebied Klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied Infrastructuur en netwerken Verbetering klimaatprojecties en modelinstrumentarium Governance van adaptatie Beleidsondersteunend instrumentarium Wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke toepasbaarheid Kennis voor Klimaat verwacht dat in deze fase van het programma vooral vernieuwend en verdiepend wetenschappelijk onderzoek wordt verricht, met een maximale duur van vier jaar. De voorstellen die kunnen worden ingediend, dienen van een hoge wetenschappelijke kwaliteit te zijn en aan te sluiten bij het internationale wetenschappelijk debat. Hoewel de focus vooral op Nederland is gericht, dient het onderzoek ook bij te dragen aan de internationale kennisontwikkeling op het gebied van klimaatadaptatie. Tegelijkertijd, en van even groot belang, dient het onderzoek een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling en succesvolle uitvoering van nationale en regionale adaptatiestrategieën. Daartoe dienen de voorstellen aan te sluiten bij de kennisbehoefte vanuit de hotspots, overheden en andere belanghebbenden. Kortom, het is de ambitie om een hoge wetenschappelijke kwaliteit te koppelen aan maatschappelijke relevantie en toepasbaarheid. Onderzoeksvoorstellen zullen dan ook vooral vanuit dit gecombineerde perspectief worden beoordeeld. Kennis voor Klimaat heeft als belangrijk nevendoel het versterken van de nationale kennisinfrastructuur op het gebied van aanpassing aan klimaatverandering. Daarom wordt in het programma voorrang gegeven aan onderzoeksprojecten en onderzoeksconsortia die gericht zijn op vernieuwing en multidisciplinariteit, waarbij tegelijkertijd een brug wordt geslagen met de lopende, meer sectorale en disciplinaire onderzoeksprogramma s van de verschillende departementen. Voorstellen voor sectoraal en disciplinair onderzoek zullen door Kennis voor Klimaat alleen worden gesubsidieerd wanneer zij essentieel zijn voor het slagen van het programma als geheel en wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat het onderzoek niet in de reguliere onderzoeksprogrammering van de departementen is of zal worden opgenomen. In het navolgende hoofdstuk worden de acht thema s kort beschreven. Op de website van Kennis voor Klimaat is een meer uitvoerige beschrijving van de thema s te vinden in een zogeheten brondocument. Dit document bevat ook informatie over de specifieke onderzoeksvragen vanuit de hotspots, overheden en andere belanghebbende partijen. Relatie met het NWO-programma Integratie Duurzame Aarde Onderzoek NWO en de Stichting Kennis voor Klimaat hebben 1,5 miljoen euro gereserveerd voor postdoc-projecten, waarin dwarsverbanden zullen worden gelegd tussen de diverse onderzoeksprogramma s van de partners binnen het Nederlands Partnerschap voor Duurzame Aarde. Kennis voor Klimaat is één van de partners in het NPDA. De open call voor dit specifieke programma Integratie Duurzame Aarde Onderzoek wordt tegelijk met deze open call gepubliceerd. Het programma heeft betrekking op drie speerpunten, namelijk modellering, onzekerheid en governance. Centraal daarbij staan de onderliggende relaties tussen schaalniveaus en feedbacks in het systeem aarde leven maatschappij. Details over deze open call zijn te vinden op de websites van NWO en Kennis voor Klimaat. Open call Adaptatie aan klimaatverandering 11

13 3 Acht onderzoeksthema s 12 Open Call Adaptatie aan klimaatverandering

14 3.1 Waterveiligheid op nationaal en regionaal niveau Waterveiligheid staat in het laag gelegen Nederland van oudsher hoog op de agenda. De afgelopen eeuwen zijn een goede waterbouwtechnische infrastructuur en een efficiënt waterbeheer ontwikkeld om ons land tegen hoogwater te beschermen. Klimaatverandering en de daarmee samenhangende versnelde zeespiegelstijging, extremen in zomerneerslag en hogere afvoeren van de rivieren Rijn en Maas leiden echter tot nieuwe opgaven in de bescherming tegen hoogwater. De tweede Deltacommissie heeft in 2008 een aantal aanbevelingen gedaan voor de bescherming tegen hoogwater en het aanpassen aan de effecten van klimaatverandering op de waterhuishouding op regionaal en nationaal niveau. Er ligt een belangrijke uitdaging om ons dichtbevolkte en laaggelegen land tijdig aan de (deels nog onzekere) effecten van klimaatverandering aan te passen en om te gaan met de risico s. Momenteel zijn er diverse onderzoeksprogramma s met betrekking tot waterveiligheid in uitvoering. Kennis voor Klimaat wil zich op basis van de vragen uit de hotspots vooral richten op de ontwikkeling van additionele en verdiepende kennis met betrekking tot adaptatiemaatregelen. Daarbij moeten de te nemen maatregelen voor de waterveiligheid voldoende duurzaam en robuust zijn om weerstand te bieden aan de onzekerheid in de te verwachten klimaateffecten. Ruimte voor oplossingsrichtingen is schaars in het dichtbevolkte en dichtbebouwde Nederland. Adaptatiemaatregelen zijn daarom nauw verweven met de ruimtelijke inrichting en er zal rekening gehouden moeten worden met de specifieke omstandigheden en de belangen en functies die voor elke locatie gelden. Gezocht moet worden naar duurzame en locatiespecifieke maatregelen die gericht zijn op het verbinden van blauwe, groene en rode functies. Zo kunnen bijvoorbeeld natuurlijke processen worden benut om waterveiligheid te vergroten. Wellicht kunnen we leren van de wijze waarop andere landen omgaan met de effecten van klimaatverandering op waterveiligheid en de maatregelen die zij nemen. De kennisontwikkeling binnen dit thema is gericht op handelingsperspectieven waarbij met name het verdiepen van het concept robuustheid in functionele, milieutechnische, economische en sociale zin belangrijk is. Hoofdvragen Welke adaptatiemaatregelen met betrekking tot waterveiligheid zijn voldoende robuust om weerstand te bieden tegen een waaier aan mogelijke effecten van klimaatverandering? Welke mogelijkheden zijn er om de waterveiligheidsfunctie van een nieuw type klimaatrobuuste dijken (waaronder brede dijken) te combineren met andere functies (natuur, wonen, recreatie, infrastructuur et cetera) Welke kansen bieden natuurlijke klimaatbuffers voor de waterveiligheid? Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van flexibele waterkerende kunstwerken? Hoe effectief zijn deze handelingsperspectieven in relatie tot de regionale en landelijke veiligheidrisico s? In hoeverre kunnen gevolgbeperkende maatregelen een bijdrage leveren aan reductie van risico s? Wat kan Nederland leren van de wijze waarop in andere landen wordt omgegaan met deze problematiek? Betrokken hotspots Grote Rivieren, Zuidwestelijke Delta, Regio Rotterdam, Mainport Schiphol/Regio Schiphol en Waddenzee. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Veiligheid staat in Zeeland natuurlijk voorop, maar we hebben ook steeds meer oog voor andere belangen. Vooral de natuurlijkheid en de toegankelijkheid scoren daarbij hoog. Voorbeeldprojecten zijn Perkpolder en Waterdunen. De wetenschappelijke klimaatprognoses kennen nogal wat onzekerheden. Wij moeten in de praktijk op safe spelen,. Dat kan alleen als de politiek (en dus het publiek) overtuigd is van de noodzaak om maatregelen te nemen. We moeten ingrepen doen in de komende jaren die over 50 jaar nog steeds de juiste zijn. De wetenschap kan helpen door geen-spijt-strategieën te ontwikkelen, maar ook door meer zekerheden te bieden, bijvoorbeeld over de stormopzet voor de kust bij worst-case-klimaatscenario s. De Zandmotor is een nieuw concept om kusten mee te laten groeien met de zeespiegelstijging. We willen weten hoe aangebracht zand wordt verspreid door wind en waterstromen. Ook hebben we nog geen goede oplossing voor de zandhonger in de Oosterschelde. Als Kennis voor Klimaat onderzoeksvoorstellen doet, die relevant zijn voor onze praktijk, dan zijn we een natuurlijke partner. Dan kunnen we ook zorgen voor een goede afstemming. Een mooie uitdaging voor de consortia van onderzoekers. Rein van der Kluit Directeur RWS Zeeland Open call Adaptatie aan klimaatverandering 13

15 3.2 Zoetwatervoorziening op nationaal en regionaal niveau De zoetwatervoorziening in Nederland is via een uitgebreide infrastructuur van kanalen, sloten, meren en gemalen gericht op het ondersteunen van een breed scala aan functies, zoals voor de drinkwater- en landbouwwatervoorziening, de natuur, de recreatie en het stedelijke water. Klimaatverandering zal leiden tot zeespiegelstijging en hogere maar ook lagere afvoeren van de rivieren Rijn en Maas. Daardoor zullen de hydrodynamica en ook de verziltingsituatie in verschillende regio s van Nederland aanzienlijk veranderen. Samen met de klimaateffecten op het weer (neerslag- en verdampingextremen) heeft dat directe gevolgen voor de drinkwater- en landbouwwatervoorziening, natuur, recreatie en andere rivierwater- en grondwatergebonden functies. Voorgestelde beheersmaatregelen (hogere waterstand IJsselmeer, verzilting Volkerak-Zoommeer, transport van zoetwater, et cetera) kunnen lokaal die negatieve gevolgen verder versterken en/of juist reduceren. Er ligt daarom een belangrijke opgave om tot een adequate en duurzame aanpassingsstrategie te komen voor de watervoorziening die zoveel mogelijk de diverse rivierwater- en grondwatergebonden functies ondersteunt maar die ook rekening houdt met de waterkwaliteit en ecologische waarden. Momenteel zijn er diverse onderzoeks- en uitvoeringsprogramma s met betrekking tot zoetwatervoorziening. De kennisontwikkeling binnen dit thema is gericht op de wetenschappelijke onderbouwing van duurzame en innovatieve regionale en landelijke adaptatiestrategieën ten behoeve van de lange termijn watervoorziening en waterkwaliteit. Er zal steeds voeling gehouden moeten worden met lopend en reeds voorgenomen onderzoek om daadwerkelijk additioneel en verdiepend te zijn. De ontwikkeling van een adaptatiestrategie ten behoeve van de watervoorziening en waterkwaliteit is niet alleen voor Nederland een belangrijke opgave. De watervoorziening voor nagenoeg alle plaatsen op de wereld wordt beïnvloed door klimaatverandering. Overal in de wereld worden daarom studies uitgevoerd naar de wijze waarop de samenleving efficiënter kan omgaan met water. Voor dit thema is daarom een internationale oriëntatie op de problematiek van groot belang. Hoofdvragen Op welke wijze kan de watervoorziening op een robuuste wijze worden ingericht zodat flexibel kan worden geanticipeerd op een waaier aan mogelijke effecten van klimaatverandering? Welke kansen bieden reducties in de waterbehoeften en/of het waterhergebruik voor de zoetwatervoorziening op de lange termijn? Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van het aanvoeren van zoetwater van elders en/of het bergen/bufferen van wateroverschotten voor de watervoorziening? Welke kansen bieden watertechnologische en inrichtingsmaatregelen voor het behouden en verhogen van de waterkwaliteit en ecologie? Hoe kunnen wij ons aanpassen aan en omgaan met periodes van waterschaarste en waterkwaliteitveranderingen? Hoe effectief zijn deze handelingsperspectieven in relatie tot de regionale en landelijke watervoorziening- en waterkwaliteitrisico s? Wat kan Nederland leren van de wijze waarop in andere landen wordt omgegaan met deze problematiek? Betrokken hotspots Grote Rivieren, Zuidwestelijke Delta, Regio Haaglanden, Regio Rotterdam en Mainport Schiphol/Regio Schiphol. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Het klimaat verandert. Als waterbeheerder krijgen we te maken met diverse gevolgen hiervan. Voor de regio Haaglanden is de zoetwatervoorziening, ook in droge perioden, van essentieel belang voor diverse functies en bestemmingen. Zoet oppervlaktewater wordt bijvoorbeeld gebruikt in de glastuinbouw in het Westland. Maar het is ook van belang voor flora en fauna en voor het veenweidegebied in Midden-Delfland. Wij zetten ons in voor een veilige en leefbare delta, zowel in droge als in natte periodes. We willen ons daarom nu voorbereiden op klimaatverandering. Om goede keuzes te maken in de benodigde ruimte en investeringen hebben we kennis en inzichten nodig. Michiel van Haersma Buma dijkgraaf Hoogheemraadschap van Delfland 14 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

16 3.3 Klimaatbestendige inrichting van het landelijk gebied Tot het landelijk gebied behoort naast de gronden in gebruik voor landbouw en natuur ook het regionale watersysteem. Nederland herbergt een grote variëteit aan landschapstypen en belangrijke natuurwaarden, maar staat ook bekend om zijn intensieve manier van landbouw en hoge agrarische productie. Het landelijk gebied heeft niet alleen belangrijke functies op het gebied van landbouw, natuur en landschap, maar ook voor recreatie, drinkwatervoorziening, wonen en werken en het is de drager van zichtbare infrastructuur als wegen en waterkeringen en ondergrondse infrastructuur als riolering en waterleidingen. Vooral rond de dichtbevolkte Randstad kent het landelijk gebied een mix van agrarisch landgebruik, natuur en medegebruik vanuit urbaan gebied, zoals recreatie, wonen en mobiliteit. Het waterbeheer kan een belangrijke sturende factor zijn voor de ontwikkeling van een regionale ruimtelijke planning en infrastructuur. Een belangrijke vraag voor het waterbeheer is of de beste waterbeheerstrategie voor landbouw, natuur of drinkwatervoorziening bestaat uit aanpassen of meebewegen met de door klimaatverandering veroorzaakte verandering in de waterhuishouding. Gezocht moet worden naar adaptatiemaatregelen die rekening houden met of zelfs gebruik maken van de specifieke gebiedseigenschappen en gebiedsfuncties. De uitdaging is om zoveel mogelijk functies te combineren. Voor zo n integrale, multifunctionele benadering van het ruimtegebruik is aandacht nodig voor zowel de fysieke als de sociaaleconomische aspecten van adaptatiemaatregelen. Bovendien moeten de adaptatiemaatregelen in het landelijk gebied ook worden afgestemd met de mitigatie-opgave waaraan Nederland zich via internationale afspraken heeft gecommitteerd. Deze mitigatie-afspraken bieden wellicht zelfs een kans voor de ontwikkeling van nieuwe functies, zoals het binden van broeikasgassen of het leveren van klimaatneutrale energie. Ook lijken er met betrekking tot adaptatie interessante kansen voor de ontwikkeling van zogenaamde klimaatdiensten, zoals buffergebieden om de effecten van weersextremen op te vangen en om de steden te koelen tijdens een hittegolf. Voor het landelijk gebied is daarnaast het natuurbeleid een belangrijk onderwerp. Momenteel lijkt een referentiekader te ontbreken voor natuurdoelen die in een veranderend klimaat realistisch en inpasbaar zijn. Misschien zijn er kansen om aan te sluiten bij mogelijke klimaatdiensten die door kleine landschapselementen worden geleverd. Hoofdvragen Wat is de impact van klimaatverandering op het landelijk gebied en de daaraan verbonden functies? Welke combinaties van functies dragen bij aan een klimaatneutrale, robuuste en optimale inrichting van het landelijk gebied en hoe kan het peri-urbane landelijk gebied worden ingericht om de ongunstige effecten van klimaatverandering in het stedelijk gebied op te vangen of te verminderen? Welk perspectief voor zowel landbouw als natuur biedt de ontwikkeling van een zogenaamde klimaatdienst en hoe zou een transitie van het landbouwsysteem, het watersysteem en het natuurbeheer naar een klimaatdienst als nieuwe economische drager kunnen plaatsvinden? Wat zijn adequate adaptatiestrategieën voor de landbouw, de natuur en het watersysteem en op welke uitgangspunten moeten deze strategieën en het daaruit voortkomende beleid (waaronder het natuurbeleid) worden gebaseerd? Kan op regionale schaal het watersysteem zo worden ontworpen en beheerd dat het de landbouw- en natuurfuncties ondersteunt? Betrokken hotspots Regio Haaglanden, Droge rurale gebieden, Ondiepe wateren en veenweidegebieden, Regio Rotterdam, Waddenzee en Zuidwestelijke Delta. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Om de watervoorziening in hoog Nederland klimaatbestendig te maken is een forse impuls nodig. Rijk en regio moeten samen aan de slag om de toenemende verdroging het hoofd te kunnen bieden. Om zicht te krijgen op de aard en de gevolgen van klimaatverandering op de hoge zandgronden en om innovatieve maar ook werkbare en betaalbare oplossingen aan te kunnen dragen is een breed palet aan actuele kennis en gebiedspecifiek onderzoek nodig. Lambert Verheijen dijkgraaf Aa en Maas Open call Adaptatie aan klimaatverandering 15

17 3.4 Klimaatbestendige inrichting van het stedelijk gebied Klimaatverandering heeft invloed op de stad en haar omgeving. Aanpassing van het stedelijk patroon, van de openbare ruimte en het watersysteem, en van woningen/gebouwen is noodzakelijk om op termijn de stad leefbaar te houden en te behoeden voor maatschappelijke ontwrichting en ongemak. De stad is een complex systeem van fysieke, economische en sociale structuren; een systeem dat ook nauw verbonden is met het landelijk gebied eromheen en met de stedelijke structuur in het omliggend gebied. Veel onderdelen hangen met elkaar samen. Zo zal het onderzoek zich moeten richten op de verschillende schalen, die we in de stad onderscheiden (gebouw, straat, wijk, stad, stedelijke agglomeratie) en op de interactie daartussen. Ook is in de stad het element tijd van groot belang. In de eerste plaats omdat in de stad meestal investeringen worden gedaan, die van lange duur zijn (rioleringen, gebouwen, openbare ruimten, infrastructuur van wegen, water en ICT, et cetera). Willen die investeringen rendabel zijn en een bijdrage blijven leveren aan een leefbare stad, dan moet nu al bij planning, ontwerp en beheer rekening worden gehouden met het klimaat van de toekomst met alle onzekerheden die daaraan verbonden zijn. In de tweede plaats speelt tijd een rol bij het vinden van tijdsopeningen om ingrepen te doen. Transities in de stad die een andere inrichting en ruimteverdeling vereisen, zijn lastig te bewerkstelligen. Daarom zal handig moeten worden ingespeeld op gelegenheden die zich voordoen. Herstructurering van wijken of bedrijfsterreinen, aanleg van een nieuw hoofdriool en herinrichting van een park of straat kunnen zo n opening bieden. Hoofdvragen Wat is het klimaatsysteem in de stad nu en in de toekomst en welke meetsystemen en modellen zijn nodig om daar meer inzicht in te krijgen? Welke bedreigingen en kansen zijn er als gevolg van klimaatverandering en hoe kunnen we die kwantificeren en prioriteren? Wat is de optimale configuratie van rood, groen en blauw in de stad op verschillende schaalniveaus, rekening houdend met klimaat en klimaatverandering, met een optimale bijdrage aan het welbevinden van de stedeling en met minimale impacts op de leefkwaliteit? Hierbij dient ook de relatie tussen binnen- en buitenklimaat meegenomen te worden. Deze vraag betreft nieuwbouw, herstructurering van wijken en bedrijfsterreinen. Inherent onderdeel van deze vraag is: hoe functioneert de stad in 2050? Hoe kunnen waterstromen en -partijen zodanig worden ingezet dat ze s winters warmte leveren aan gebouwen en s zomers koelte aan gebouwen en aan wijken? Hoe kunnen maatregelen voor klimaatadaptatie worden gewogen binnen een breder afwegingskader met het oog op de lange termijn, in de context van stedelijke verdichting en met het oog op de wens van veel steden om vóór 2050 klimaatneutraal te zijn? Wat kunnen wij leren van de wijze waarop buitenlandse steden met adaptatievraagstukken omgaan? Betrokken hotspots Regio Haaglanden, Mainport Schiphol/Regio Schiphol en Regio Rotterdam. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Kennis voor Klimaat maakt het mogelijk dat Rotterdam onderzoek kan doen naar de lange termijn effecten van de klimaatverandering op het stedelijk watersysteem en de leefbaarheid in de stad. Een belangrijke bijdrage aan de uitdagende klimaatopgave waar onze stad voor staat! Lucas Bolsius Wethouder Rotterdam 16 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

18 3.5 Infrastructuur en netwerken Als het klimaat verandert, kan dat grote invloed hebben op ondergrondse en bovengrondse netwerken en op de infrastructuur. Maar over de invloed van klimaatverandering op het functioneren van netwerken en infrastructuur is nog weinig bekend. Wat is de invloed van een hogere temperatuur en verzilting op corrosie van ondergrondse kabels en (pijp-) leidingen? Waar is opdrijven van pijpleidingen aan de orde gelet op andere grondwaterstanden? Ook over de effectiviteit van adaptatiebeleid is nog weinig bekend. Onder infrastructuur wordt binnen dit thema zowel de lijninfrastructuur bedoeld (wegen, spoorlijnen en waterwegen) alsook de puntinfrastructuur (RWZI s, elektriciteitscentrales, kunstwerken et cetera). Dit thema richt zich op de functionaliteit op systeemniveau van infrastructuur en netwerken. Het thema heeft niet alleen betrekking op de huidige infrastructuur en netwerken, maar ook op de infrastructuur en netwerken die over 50 jaar zullen functioneren. Hoe zien de netwerken en infrastructuur er over 50 jaar uit? Welk klimaat kan er dan zijn en wat betekent dat voor adaptatieopgaven nu? Hoofdvragen Wat zijn effecten van klimaatverandering op infrastructuur en netwerken? Hoe kwetsbaar of veerkrachtig zijn infrastructuur en netwerken? Wat is de schade voor de nationale en regionale economieën, als ten gevolge van klimaatverandering de infrastructuur (zowel wegtransport als scheepvaart), netwerken, nutsvoorzieningen, mainports en stedelijke agglomeraties in hun functioneren worden belemmerd of als bepaalde nutsvoorzieningen, (punt-) infrastructuur of netwerken voor een bepaalde periode uitvallen? Welke adaptatiestrategieën zijn mogelijk en welke zijn economisch, sociaal, ecologisch en ruimtelijk haalbaar en nodig gezien de levensduur van de ruimtelijke investering in relatie tot de tijdschaal waarop en de snelheid waarmee klimaatverandering naar verwachting zal optreden? Wat kunnen wij leren van de wijze waarop andere landen omgaan met deze problematiek? Betrokken hotspots Mainport Schiphol/Regio Schiphol en Regio Rotterdam. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Samenwerken met de regio binnen het Kennis voor Klimaat programma is erg belangrijk. De luchthaveninfrastructuur en de operatie op een luchthaven zijn gevoelig voor veranderingen in het weer en klimaat. Schiphol en haar regio liggen ook nog eens vier meter onder de zeespiegel. Het veranderende klimaat en de daarbij verwachte effecten zoals stijging van de zeespiegel en toename van heftige regenbuien zijn grote uitdagingen. Daar is veel onderzoek en tijd voor nodig. Met elkaar nu de krachten bundelen maakt dat je op tijd aanpassingen kunt realiseren. Wij hebben er alle vertrouwen in dat door deelname aan het Kennis voor Klimaat programma deze zaken op een adequate wijze worden opgepakt. Jos Nijhuis President & CEO Schiphol Group Open call Adaptatie aan klimaatverandering 17

19 3.6 Verbetering klimaatprojecties en modelinstrumentarium Hotspots en overheden, die zich richten op de adaptatie aan klimaatverandering hebben behoefte aan informatie over het toekomstige klimaat voor het gebied waar zij zich op richten. Dat vraagt om klimaatmodellen en klimaateffectmodellen die zinvolle informatie geven op regionale en lokale schaal, rekening houdend met onzekerheden. Met behulp van modeluitkomsten worden klimaat- en zeespiegelscenario s gemaakt die weergaves zijn van een mogelijk toekomstig klimaat. De huidige modellen hebben als schaal Europa, of een deel daarvan, en de klimaatscenario s geven informatie over een beperkt aantal klimaatparameters binnen een beperkt ruimtelijk en temporeel domein. In dit thema moet onderzoek zich richten op regionale klimaatprojecties, koppelingen van klimaat naar klimaateffecten en methodes van scenarioontwikkeling en interpretatie. Van belang is tevens dat er een kennisinfrastructuur ontstaat, die blijft bestaan en die service verleent aan gebruikers van klimaatinformatie in de nabije toekomst en dat de kennis kan worden geproduceerd, die op langere termijn nodig is om up-to-date klimaatinformatie te blijven genereren. Aansluiting moet worden gezocht bij internationale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij instituties voor climate services in het buitenland. Verder moet worden bijgedragen aan en gebruik worden gemaakt van nieuwe data en kennis, die voor IPCC 5 th Assessment gegenereerd worden. Hoofdvragen Hoe kan relevante, consistente, wetenschappelijk gefundeerde informatie over het toekomstige klimaat en klimaateffecten op regionale en lokale schaal, effectief en klantgericht geleverd worden op basis van wensen van stakeholders (in hotspots)? Wat zijn betekenisvolle koppelingen tussen klimaatmodellen en bestaand nationaal instrumentarium van effectmodellen die inzetbaar zijn op schalen en problemen die relevant zijn voor hotspots? Wat zijn op basis van nieuwe klimaatinformatie en modellen relevante nieuwe scenario s voor het toekomstige klimaat op regionale en lokale schaal en hoe kunnen die betekenisvol toegepast worden, rekening houdend met onzekerheden? Wat zijn de mechanismen van regionale klimaatverandering en hoe kunnen modellen van regionale klimaatverandering worden verbeterd met speciale aandacht voor natuurlijke variabiliteit en ruimtelijke differentiatie met ruimtespecifieke risico-informatie? Betrokken hotspots Droge rurale gebieden, Grote rivieren, Mainport Schiphol/ Regio Schiphol, Ondiepe wateren en veenweidegebieden en Waddenzee. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Klimaatverandering heeft grote invloed op het hydrologisch regime van de Rijn en Maas. De verwachting is dat de zomerafvoeren minder en de piekafvoeren in de winter juist hoger worden. Om het waterbeheer goed af te stemmen op deze toekomstige trends heeft de Nederlandse overheid behoefte aan klimaatprojecties over hoe de hydrologie van de grote rivieren gaat veranderen. Het is belangrijk om daarin de inzichten in de buurlanden mee te nemen en te komen tot gemeenschappelijk klimaatprojecties. Naast de internationaal afgestemde projecties is ook inzicht gewenst in de bandbreedtes en hoe omgegaan kan worden met die onzekere toekomst. Hendrik Buitenveld Rijkswaterstaat Waterdienst, senior adviseur 18 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

20 3.7 Governance van adaptatie In het programma Kennis voor Klimaat is de aandacht primair gericht op ruimtelijke adaptatie aan klimaatverandering en zullen strategieën moeten worden ontwikkeld die bijdragen aan het klimaatbestendig maken van Nederland (en daarbinnen te onderscheiden regio s). Die strategieën hebben naast een inhoudelijke component ook een (economische en politiek-bestuurlijke) governance component. Die laatste component staat binnen dit thema centraal. Daarbij gaat het om de vraag hoe het adaptief vermogen van onze samenleving kan worden vergroot. De analyse van het adaptief vermogen zal nadrukkelijk worden gekoppeld aan de inhoudelijke component (de fysiekruimtelijke adaptatiemogelijkheden) en aan de bestaande institutionele structuren. Strategieën en instrumenten voor adaptatie kunnen verschillen al naar gelang de inhoudelijke problematiek die aan de orde is. Daarnaast moeten de adaptatiestrategieën aansluiten bij de geldende institutionele structuren in een beleidsveld, zoals de van belang zijnde (Europese en nationale) wetgeving, de betrokken publieke en private partijen (en daarmee verbonden taken en verantwoordelijkheden) en heersende normatieve principes. Dat neemt overigens niet weg dat uit het te verrichten onderzoek ook noodzakelijke aanpassingen van de institutionele structuren naar voren kunnen komen met het oog op de gewenste effectiviteit van adaptatiebeleid. Binnen dit thema worden zes bouwstenen van belang geacht voor het bevorderen van adaptief vermogen: (1) de institutionele structuur, (2) het omgaan met onzekerheden en risicopercepties, (3) het regisseren van beleidsprocessen, (4) de inzet van beleidsinstrumenten, (5) de doorwerking van kennis naar adaptatiebeleid en (6) sociaaleconomische capaciteiten. Hoofdvragen Zijn versterkingen dan wel aanpassingen van de institutionele structuur (inclusief financieringsregimes) nodig teneinde klimaatadaptatiebeleid te kunnen effectueren? Wat is de verhouding tussen private en publieke inspanningen bij klimaatadaptatie? Hoe kan verstandig worden omgegaan met onzekerheden, risico s en percepties in regionale klimaatadaptatieprojecten, bijvoorbeeld door middel van verzekeringen? Hoe kunnen regionale beleidsprocessen gericht op klimaatadaptatie worden georganiseerd, met het oog op draagvlak, koppelingen met andere belangen, onbelemmerde uitvoering en lange termijn perspectieven? Welke bestaande en/of nieuwe beleidsinstrumenten kunnen worden ingezet in het nationale en regionale klimaatadaptatiebeleid en wat is in het bijzonder de rol van financieel-economische instrumenten daarbij? Welke verbeteringen zijn mogelijk in de relatie tussen kennisontwikkeling en beleidstoepassing? Wat kan worden geleerd van buitenlandse ervaringen op het gebied van governance van adaptatie? Betrokken hotspots Droge rurale gebieden, Grote rivieren, Regio Haaglanden, Ondiepe wateren en veenweidegebieden, Waddenzee en Zuidwestelijke Delta. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Klimaatverandering is een grensoverschrijdend probleem met grote consequenties voor de toekomst. Voor een gebied met wereldwijde betekenis voor onder meer de biodiversiteit, zoals de Waddenzee, is het van groot belang dat we hier snel en goed op inspelen. Dat kan alleen als we het met alle betrokkenen eens zijn. In de Waddenzee zijn dat er nogal wat. Het gaat dan niet alleen over verschillende overheden in verschillende landen maar ook over bewoners en belangenvereniging. Dit vraagt nogal wat aan afstemming als we het eens willen worden wat de beste manier is met klimaatverandering om te gaan in de Waddenzee. Governanceprojecten, waar wordt onderzocht hoe we dit het beste kunnen organiseren, zijn dus van groot belang om op te pakken. We moeten daar niet langer mee wachten en snel aan de slag gaan. Tineke Schokker-Strampel gedeputeerde provincie Fryslân Open call Adaptatie aan klimaatverandering 19

21 3.8 Beleidsondersteunende instrumenten Teneinde een weloverwogen klimaatadaptatiestrategie te kunnen opstellen of de effecten ervan te kunnen beoordelen, zijn bepaalde beslissingsondersteunende instrumenten nuttig. Gedacht moet worden aan zowel ex ante instrumenten die met name in de beleidsvoorbereiding een rol spelen, zoals scenario s, afwegings- en beoordelingskaders als aan ex post instrumenten die in de uitvoering en evaluatiefase kunnen worden ingezet, zoals monitoring- en evaluatiemethoden. Een belangrijke voorwaarde voor een effectieve inzet van deze instrumenten is dat ze rekening houden met de specifieke karakteristieken van klimaatverandering en adaptatiebeleid. Daartoe behoren niet alleen het inherent politieke karakter van beleidsprocessen in algemene zin, maar ook het perspectief op de lange termijn, de optredende onzekerheden en de afhankelijkheid van andere maatschappelijke belangen en ontwikkelingen, et cetera. Ofwel, bestuurders hebben behoefte aan heldere en eenduidige kennis die op korte termijn beschikbaar en toepasbaar moet zijn, terwijl zij rond het thema klimaatverandering worden geconfronteerd met de noodzaak van planning op de lange termijn en met grote onzekerheden. Enkele van deze instrumenten zijn momenteel reeds in ontwikkeling en bestaande instrumenten worden met een module klimaatbestendigheid verrijkt. Deze initiatieven zijn of worden onder andere gefinancierd vanuit het programma Klimaat voor Ruimte en één van de onderdelen van Kennis voor Klimaat, namelijk Bouwstenen Nationale Adaptatie Strategie. De bedoeling van dit onderzoeksthema is dat er een verbreding, vernieuwing en verdere verdieping plaatsvindt, tezamen met een reflectie c.q. evaluatie van het functioneren van bestaande en recent ontwikkelde tools. Nadrukkelijk zij erop gewezen dat het onderzoek dient aan te sluiten op reeds bestaande kennis. Hoofdvragen Hoe kunnen bestaande landelijke scenario s en visies (sociaaleconomisch, klimatologisch, technologisch) worden vertaald in consistente regionale ontwikkelingsscenario s voor de middellange en lange termijn teneinde watermanagement en ruimtegebruik (in ruraal en stedelijk gebied) aan te passen aan veranderende klimatologische omstandigheden? Welke beleidsondersteunende instrumenten zijn beschikbaar om verschillende beleidsopties op adaptatieterrein te ontwikkelen, zichtbaar te maken, tegen elkaar af te wegen en te beoordelen op klimaatbestendigheid? Hoe functioneren deze instrumenten en wat is de waarde ervan in het bijeen brengen van kennis en praktijk (evaluatie van bestaande praktijken ten behoeve van optimalisering van toekomstige praktijken)? Zijn nieuwe beleidsondersteunende instrumenten nodig ten behoeve van regionaal adaptatiebeleid en zo ja onderscheiden deze zich van de bestaande? Welke instrumenten kunnen in welke omstandigheden worden ingezet? Hoe kunnen de MKBA en andere economische analysemethodieken en multi-criteria-analyses verder worden ontwikkeld ten behoeve van economische afwegingen van nationale en regionale adaptatiestrategieën, zodat onzekerheden, indirecte economische effecten, reputatieschade, maatschappelijke ontwrichting, waardering van groepsrisico, timing van interventies en het lange termijn karakter van investeringen (> 50 jaar) kunnen worden meegenomen in de analyses? Welke instrumenten zijn beschikbaar of moeten nog worden ontwikkeld om regiospecifieke adaptatiemaatregelen te kunnen visualiseren (zichtbaar te maken voor betrokken burgers) en de mate van adaptatie te kunnen monitoren? Welke indicatoren kunnen bij die monitoring worden gehanteerd? Hierbij is het wenselijk dat de indicatoren voor klimaatrobuustheid in relatie worden gebracht met duurzaamheidsindicatoren. Betrokken hotspots Droge rurale gebieden, Grote rivieren, Ondiepe wateren en veenweidegebieden en Waddenzee. Zie voor specifieke vragen vanuit de hotspots het brondocument. Bij klimaat denken we allereerst aan het smelten van de ijskappen. maar wat gebeurt er nu bij ons, hier dichtbij om de hoek als gevolg van klimaatverandering. Overstromingsrisico, hittestress in de steden, versterkte bodemdaling, te kleine riolen, nieuwe plantsoorten etc. Voor inzicht hierin en aanpak daarvan benut de Provincie Utrecht bijvoorbeeld klimaateffectkaarten waarop zichtbaar is waar welk probleem speelt en kaarten met kansrijke projecten. Voor onze aanpak is kennis en het delen van kennis cruciaal, voor het begrijpen van de gevolgen en voor tempo in de aanpak. Wouter de Jong Gedeputeerde Provincie Utrecht 20 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

22 4 Richtlijnen voor het indienen van voorstellen De procedure voor het indienen van voorstellen bestaat uit twee stappen: a. Het indienen van een pre-proposal b. Het indienen van een full proposal Het indienen van een pre-proposal Aan consortia wordt gevraagd om een pre-proposal in te dienen voor de uitvoering van een in het vorige hoofdstuk beschreven thematische onderzoekslijn. Een voorstel dient betrekking te hebben op een geheel thema en te worden opgesteld in de Engelse taal. Het format voor pre-proposals is te vinden op de website van Kennis voor Klimaat. Een pre-proposal kan worden ingediend door een gekwalificeerd wetenschappelijk onderzoeker verbonden aan een Nederlandse kennisinstelling. De hoofdaanvrager wordt geacht tevens de leider te zijn van het onderzoeksconsortium. De pre-proposals worden beoordeeld door een beoordelingscommissie, bestaande uit wetenschappers en vertegenwoordigers van maatschappelijke partijen. Op basis van deze beoordeling besluit de Raad van Bestuur per thema welk consortium is geselecteerd. Samenstelling van een onderzoeksconsortium Tot een onderzoeksconsortium behoren alleen kennisinstellingen die in staat zijn op een wetenschappelijke en toegepast wetenschappelijke wijze de uitvoering van een onderzoek ter hand te nemen. Hieronder vallen universiteiten, instellingen voor toegepast wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksbureaus in het publieke en private domein. Elk consortium bestaat uit minimaal drie Nederlandse kennisinstellingen. Vanwege het internationale karakter van de klimaatverandering en de internationale ambities van het programma Kennis voor Klimaat moet in het onderzoeksconsortium ook minimaal één buitenlandse kennisinstelling worden opgenomen, die specifieke expertise inbrengt en een adviserende en/of uitvoerende rol kan spelen. Het is te verwachten dat in de consortia specifieke onderzoeksgroepen die verbonden zijn aan kennisinstellingen zullen participeren. Per thema mogen onderzoeksgroepen aan één consortium meedoen. Een kennisinstelling die deelneemt in een consortium mag per thema niet meer dan 40% van de beschikbare subsidiemiddelen gebruiken. Open call Adaptatie aan klimaatverandering 21

23 Wanneer kan een pre-proposal worden ingediend? Een pre-proposal dient per en als PDF-document te worden ingediend op uiterlijk vrijdag 21 augustus om uur bij het Programmabureau Kennis voor Klimaat. Binnen 3 werkdagen na de deadline dient een hardcopy van het pre-proposal, ondertekend door de hoofdaanvrager, te worden aangeleverd per aangetekende post. De ingediende voorstellen kunnen na de deadline en gedurende de review niet worden aangepast of gewijzigd. Voorstellen die na de deadline binnenkomen, worden niet meer in behandeling genomen. Indieners van voorstellen ontvangen een bericht van ontvangst en van ontvankelijkheid. Vragentermijn In de periode tot 30 juni 2009 bestaat de mogelijkheid om (uitsluitend) schriftelijke inhoudelijke en procedurele vragen over deze open call voor te leggen aan de Raad van Bestuur van de Stichting Kennis voor Klimaat. De vragen en de daarbij behorende antwoorden worden gebundeld en op 6 juli 2009 gepubliceerd op de website van Kennis voor Klimaat. Beoordeling van een pre-proposal In september 2009 vindt de beoordeling plaats van de pre-proposals door een beoordelingscommissie. In hoofdstuk 5 van deze brochure wordt een overzicht gegeven van de te hanteren beoordelingscriteria. Indieners van pre-proposals ontvangen op 14 september 2009 het oordeel van de beoordelingscommissie. De indieners worden vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen één week een kort schriftelijk verweer te geven. De Raad van Bestuur zal eind september 2009 een gemotiveerd besluit nemen over het beste consortium per thema op basis van de beoordeling en het verweer van de indieners. Het besluit kan worden aangevuld met nadere voorwaarden en suggesties voor de uitwerking tot full proposals. Ook kan de Raad van Bestuur, mede op grond van de beoordeling van het pre-proposal, nadere voorwaarden verbinden aan de samenstelling van het consortium. Procedure voor het indienen van een full proposal Het geselecteerde consortium mag het onderzoeksthema uitwerken in de vorm van een onderzoeksvoorstel voor het gehele thema. Deze uitwerking zal vooral betrekking hebben op de in het pre-proposal aangeduide werkpakketten, de daaronder vallende afzonderlijke onderzoeksprojecten (inclusief de samenhang daartussen) en de wijze waarop de te verwerven kennis kan worden ingezet voor de praktische adaptatievraagstukken van de hotspots. Subsidie kan worden aangevraagd voor de aanstelling van promovendi, postdocs en senior onderzoekers voor minimaal één en maximaal vier jaar, en alle redelijkerwijs met het onderzoek samenhangende specifieke kosten die niet onder de standaardvoorzieningen van kennisinstellingen vallen. Het betreft derhalve vooral meerjarige voorstellen, waarbij de regel geldt dat een wezenlijk deel (circa 50% of meer) van het beschikbare budget wordt ingezet voor promovendi en het overige budget voor andere onderzoekers. In de periode oktober tot en met december hebben de consortia de mogelijkheid het pre-proposal uit te werken tot een full proposal. Bij de uitwerking tot een full proposal dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de wensen en belangen van de hotspots. In deze fase dient door de consortia ook de cofinanciering geregeld te worden. De geselecteerde consortia zullen in overleg met de Raad van Bestuur contact leggen met de geïnteresseerde hotspots en andere co-financierende partijen die interesse hebben getoond in deelname aan het onderzoekthema. Het doel hierbij is enerzijds het verkrijgen van focus en massa in het onderzoekprogramma en anderzijds een toespitsing op praktische adaptatievraagstukken. De Raad van Bestuur zal begin oktober 2009 eerste bijeenkomsten organiseren tussen geselecteerde consortia en vertegenwoordigers van de hotspots. De data zullen reeds medio juli op de website van Kennis voor Klimaat worden bekendgemaakt. De voorziene datum voor het indienen van een full proposal is maandag 21 december 2009 om uur. 22 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

24 Beoordeling van een full proposal Het full proposal wordt beoordeeld op wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke relevantie en toepasbaarheid. De wetenschappelijke kwaliteit wordt beoordeeld door drie buitenlandse vakreferenten. De beoordelingen door de vakreferenten worden door het Programmabureau Kennis voor Klimaat geanonimiseerd voorgelegd aan de indieners. De indieners worden vervolgens in de gelegenheid gesteld kort schriftelijk verweer te geven. Een beoordelingscommissie bediscussieert de full proposals mede op grond van de referentenoordelen en de reacties van de indieners en voegt daar ook een eigen oordeel over de maatschappelijke relevantie en toepasbaarheid aan toe. Bij dit laatste staat met name de vraag centraal of de te verwerven kennis kan worden ingezet voor de praktische adaptatievraagstukken van de hotspots. De Raad van Bestuur neemt vervolgens een gemotiveerd besluit, mede op basis van het advies van de beoordelingscommissie. Bij een positief oordeel mag het consortium doorgaan met de uitvoering van het onderzoeksprogramma. Bij een negatief oordeel bepaalt de Raad van Bestuur of een aanpassing van het voorstel door het consortium mogelijk en haalbaar is. Een format voor het indienen van een full proposal alsmede een overzicht van de beoordelingscriteria zullen begin juli 2009 worden gepubliceerd op de website van Kennis voor Klimaat. Beschikbaar subsidiebudget Het subsidiebudget dat beschikbaar wordt gesteld voor projecten in de tweede tranche bedraagt maximaal 20 miljoen. Kennis voor Klimaat heeft de verplichting op programmaniveau een bedrag aan cofinanciering te genereren. Voor deze tweede tranche bedraagt de cofinanciering die ingebracht dient te worden door aan onderzoeksprojecten deelnemende partijen en andere stakeholders tenminste 13,7 miljoen. De definitieve omvang van het beschikbare subsidiebudget voor de tweede tranche zal worden vastgesteld bij de invulling van de definitieve onderzoeksvoorstellen door de geselecteerde consortia voor de acht thema s. Het beschikbare budget per thema is afhankelijk van de mate waarin de hotspots zich verbinden aan de thema s en, daarmee in belangrijke mate samenhangend, de omvang van de cofinanciering die per thema kan worden gegenereerd. In het stadium van opstellen van pre-proposals is het dus nog niet mogelijk het beschikbare subsidiebudget per thema exact aan te geven. Wel kan op basis van een eerste inventarisatie van de belangstelling van de hotspots een indicatie worden gegeven van de bandbreedte van het subsidiebudget, de vereiste cofinanciering en het projectbudget (zie tabel 1). Deze indicatie wordt gegeven ten behoeve van het opstellen van de pre-proposals. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. Tabel 1 Indicatie van subsidiebudget, cofinanciering en projectbudget per thema Thema Subsidiebudget in * Vereiste cofinanciering in * Projectbudget in * Waterveiligheid Zoetwatervoorziening Landelijk gebied Stedelijk gebied Infrastructuur en netwerken Klimaatprojecties en modelinstrumentarium Governance van adaptatie Beleidsondersteunende instrumenten Open call Adaptatie aan klimaatverandering 23

25 5 Beoordelingscriteria voor pre-proposals

26 Onderzoek dat wordt gesubsidieerd door Kennis voor Klimaat moet voldoen aan zowel wetenschappelijke als maatschappelijke criteria. Dit betekent dat het onderzoek en de onderzoeksresultaten dienen aan te sluiten bij de actuele stand van zaken binnen de internationale wetenschapsbeoefening en bij de gebiedspecifieke vragen vanuit de praktijk. Daarnaast speelt ook de kwaliteit van het onderzoeksconsortium een rol in de beoordeling. Een onafhankelijke beoordelingscommissie zal een advies uitbrengen aan de Raad van Bestuur over de kwaliteit van de pre-proposals. De beoordelingscommissie voor de pre-proposals is breed samengesteld en betreft zowel wetenschappelijke als maatschappelijke deskundigen met competenties verdeeld over alle thema s. De ingediende pre-proposals zullen worden beoordeeld op basis van de volgende criteria: Maatschappelijke criteria: Aansluiting van het onderzoek bij strategische beleidsvragen op nationaal en regionaal niveau en de mate waarin een brug wordt geslagen tussen de lopende, meer sectorale en disciplinaire kennisagenda s van de betrokken departementen. Toepasbaarheid van de beoogde resultaten. Wijze waarop de onderzoeksresultaten worden verspreid naar potentiële gebruikers bij de departementen, decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en/of bedrijfsleven. Wijze waarop stakeholders worden betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. Doelmatigheid van de in te zetten middelen. Wetenschappelijke criteria: Wetenschappelijke probleemstelling, wetenschappelijke kwaliteit in theoretisch en methodisch opzicht en aansluiting van het voorstel op het internationaal wetenschappelijk debat. Innovatieve en multidisciplinaire karakter. Samenhang, consistentie en afbakening van het voorgestelde onderzoeksprogramma. Mate waarin in het onderzoeksprogramma een verbinding wordt gelegd tussen de lange termijn adaptatiedoelen (2050) en de korte en middellange termijn interventieopties. Visie op de verbinding tussen de generieke onderzoeksvragen en de gebiedsspecifieke onderzoeksvragen. Criteria betreffende het onderzoeksconsortium: Evenwichtige samenstelling van het onderzoeksconsortium en de mate waarin via de samenstelling diverse disciplinaire en sectorale kennislijnen worden verbonden. Kwaliteit van het onderzoeksconsortium en de samenstellende delen alsmede de mate waarin het consortium kan bijdragen aan de versterking van de kennisinfrastructuur op het gebied van klimaatadaptatie. Kwaliteit van de betrokken leidinggevende onderzoekers. Management van het onderzoeksprogramma. Organisatie van internationale samenwerking. Vereiste kwalificatie Pre-proposals worden op elk van de drie genoemde hoofdcategorieën als volgt gescoord: Excellent = 5 punten Zeer goed = 4 punten Goed = 3 punten Matig = 2 punten Slecht = 1 punt Aan een pre-proposal moet door de beoordelingscommissie ten minste 11 punten worden toegekend, teneinde te kunnen worden geselecteerd voor de volgende fase. Daarbij geldt tevens als eis dat op geen van de drie hoofdcategorieën een lagere score dan 3 punten is verkregen. Beide eisen moeten worden gezien als minimum kwalificaties en leiden niet automatisch tot selectie. Die selectie is immers mede afhankelijk van de kwaliteit van concurrerende pre-proposals. Open call Adaptatie aan klimaatverandering 25

27 6 Uitvoering van het onderzoek 26 Open Call Adaptatie aan klimaatverandering

28 Subsidieovereenkomst Na goedkeuring van het onderzoeksprogramma kan worden gestart met de onderzoeksactiviteiten. De basis voor het uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door een subsidieovereenkomst die door ieder van de consortia wordt aangegaan met de Stichting Kennis voor Klimaat. In deze Overeenkomst tot verlenen van financiële bijdrage door Stichting Kennis voor Klimaat worden zaken geregeld als: De hoogte van het maximaal te verstrekken subsidiepercentage aan projecten. Het vaststellen van de basis voor projectkosten en uurtarieven. De eisen ten aanzien van de cofinanciering. Het gebruik en de exploitatie van kennis en intellectueel eigendom. De monitoring en rapportage van inhoudelijke en financiële voortgang. Voor meer informatie betreffende regels en richtlijnen die van toepassing zijn binnen het onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat wordt verwezen naar de volgende documenten: De subsidieovereenkomst Overeenkomst tot verlenen van financiële bijdrage door Stichting Kennis voor Klimaat; Frequently Asked Questions over te verstrekken onderzoekssubsidies op de website van Kennis voor Klimaat. Stuurgroep Tijdens de uitvoering van de diverse onderzoeksthema s zullen stuurgroepen worden geformeerd. Ieder thema heeft haar eigen stuurgroep. De stuurgroepen zullen bestaan uit vertegenwoordigers van de participerende hotspots en uit vertegenwoordigers van andere co-financierende partijen. De taak van de stuurgroep is het volgen, begeleiden en waar nodig adviseren over bijsturing van de uitvoering van het onderzoek. De formele bevoegdheid tot interventie en bijsturing ligt bij de Raad van Bestuur. Kennisdisseminatie en kennisdoorwerking Eén van de doelen van het onderzoek is toepassing van de resultaten ervan door potentiële gebruikers. De consortia zijn zelf verantwoordelijk voor de disseminatie en doorwerking van de kennis die zij in hun projecten genereren. Kennis voor Klimaat, in het bijzonder het onderdeel Kennistransfer, ondersteunt hen daarbij. Van de consortia wordt verwacht dat zij in de pre-proposals kort uiteen zetten welke strategie zij willen volgen voor disseminatie en kennisdoorwerking. In de full proposals dient deze strategie nader uitgewerkt te worden. Met nadruk zij erop gewezen dat disseminatie en doorwerking een proces is dat al tijdens het onderzoek vruchten moet afwerpen. 5 Beoordelingscriteria voor pre-proposals Open call Adaptatie aan klimaatverandering 27

29 7 FAQs bij open call Wat is precies een kennisinstelling en een onderzoeksgroep? In deze open call wordt de volgende definitie van een kennisinstelling gehanteerd: een onder a en b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs of een andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke onderzoeksorganisatie, met of zonder winstoogmerk, op het gebied van wetenschappelijk en/of toegepast onderzoek, die zich ook als zodanig afficheert in publieke uitingen. Faculteiten, departementen, afdelingen, kennisinstituten en dergelijke, die onderdeel vormen van de hiervoor bedoelde organisaties, worden derhalve niet gezien als afzonderlijke kennisinstellingen. Een onderzoeksgroep is de kleinst denkbare onderzoekseenheid binnen een kennisinstelling, die zich ook als zodanig naar buiten toe afficheert (bijvoorbeeld in wetenschappelijke publicaties of via een website). Een onderzoeksgroep bestaat doorgaans uit een leidende senior onderzoeker (bijvoorbeeld een hoogleraar) en één of meerdere ondersteunende onderzoekers. Wat is de precieze rol van een buitenlandse kennisinstelling in een onderzoeksconsortium? Een buitenlandse partner dient extra kwaliteit toe te voegen aan het onderzoeksconsortium. Dit kan betekenen dat deze partner exclusieve kennis inbrengt die voor het slagen van het project van belang is, of zelf een deel van het onderzoek mee uitvoert. Mogen consortia in de fase van pre-proposals al overleg voeren met vertegenwoordigers van hotspots? Dat is niet de bedoeling. In deze fase kan de afstemming van het voorstel op de vragen van de hotspots nog niet goed worden uitgewerkt en is ook de vraag van de cofinanciering nog niet aan de orde. Het is tevens niet de bedoeling dat de vertegenwoordigers van de hotspots in deze fase al hun preferenties laten blijken ten aanzien van de samenstelling van een consortium. Uit hoeveel instellingen c.q. onderzoeksgroepen mag een consortium maximaal bestaan? Er is geen limiet, maar de samenstelling van het consortium moet wel doelmatig zijn, hetgeen betekent dat de rol van elke instelling c.q. elke onderzoeksgroep binnen het onderzoeksvoorstel helder moet worden gemotiveerd. De toegevoegde waarde van elke instelling en/of groep moet dus worden aangetoond. Mogen consortia in de fase van pre-proposals overleg voeren met mogelijke cofinanciers? In deze fase is het niet toegestaan om afspraken te maken met cofinanciers. Het belangrijkste argument is dat de ofinanciers in deze fase nog geen bindende toezeggingen kunnen doen, omdat de keuze voor het uitvoerend consortium nog niet is gemaakt. De mate van cofinanciering is dus geen criterium bij de beoordeling van de pre-proposals. 28 Open call Adaptatie aan klimaatverandering

30 Wat is de rol van hotspotteams en cofinanciers in de fase van uitwerking van pre-proposals tot full proposals? In deze fase zal intensief overleg tussen het geselecteerde consortium en de belanghebbende hotspotteams moeten plaatsvinden, teneinde onderzoeksvoorstellen te verkrijgen die ook ingaan op de vragen vanuit de hotspots. Daarnaast zal overleg plaats moeten vinden met andere potentiële co-financierende partijen die geïnteresseerd kunnen zijn in participatie in het thema. Per thema zal een stuurgroep van co-finanierende partijen worden ingesteld door de Raad van Bestuur. Deze stuurgroep zal worden ingesteld door de Raad van Bestuur mede op advies van het consortium. In welke fase moeten cofinanciers hun bijdragen aan de onderzoeksfinanciering vastleggen? Toezeggingen over cofinanciering moeten worden gedaan bij indiening van het full proposal door het consortium dat als beste is gekozen. Deze toezeggingen moeten schriftelijk worden toegevoegd aan het full proposal en mogen op dat moment de status hebben van een letter of intent. Bij het sluiten van de subsidieovereenkomst, moeten de toezeggingen definitief worden gemaakt. Hebben cofinanciers zeggenschap over de samenstelling van een consortium en mogen zij meebesluiten over de inhoud van onderzoeksvoorstellen? Draagvlak bij cofinanciers voor de onderzoeksvoorstellen is essentieel. Alle onderzoeksprojecten die door de Stichting Kennis voor Klimaat worden gesubsidieerd, behoeven immers cofinanciering. De procedures zijn zo ontwikkeld dat het beste consortium de onderzoeksvoorstellen mag uitwerken. In dat stadium is ook overleg met cofinanciers gewenst om de juiste fit te bewerkstelligen tussen de wensen van de belanghebbende publieke en private partijen en de belangen van de kennisinstellingen die tot het consortium behoren. De besluitvorming over de consortia die onderzoeksvoorstellen mogen uitwerken en over de inhoud van onderzoeksvoorstellen ligt bij de Raad van Bestuur, die wordt geadviseerd door de Programmaraad. Indien de wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie van een onderzoek tijdens de uitvoering leiden tot conflicterende eisen aan de inhoud en richting van het onderzoek, welke mechanismen zijn dan ingebouwd om die conflicten op te lossen? Problemen in de verhouding tussen wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie kunnen zich juist bij dit type onderzoek voordoen. Bij de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen wordt dan ook kritisch gekeken naar mogelijke spanningen. Dat voorkomt niet helemaal dat er tijdens de uitvoering problemen kunnen ontstaan. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de consortiumleider om het probleem op prudente wijze op te lossen. Daarnaast kan ook de stuurgroep een adviserende rol vervullen. Indien spanningen c.q. geschillen volharden, zal de Raad van Bestuur een bindend besluit nemen. Kan een stuurgroep in de fase van uitvoering van het onderzoek bijstelling van de koers eisen? Dat kan alleen indien de koers afwijkt van het goedgekeurde full proposal en als nieuwe inzichten daartoe nopen. Het is de Raad van Bestuur die formeel bijstelling kan afdwingen. In de meeste gevallen zal bijstelling kunnen worden gerealiseerd in goed overleg tussen onderzoekers en de stuurgroep. Elke bijstelling c.q. afwijking van de oorspronkelijke koers dient goedgekeurd te worden door de Raad van Bestuur. Wat is de functie van hotspotteams tijdens de uitvoering van de onderzoeksprojecten? Hotspotteams zijn vertegenwoordigd in de stuurgroepen die de diverse onderzoeksthema s begeleiden. De hotspotteams zullen daarnaast gaandeweg de onderzoeksresultaten uit de diverse thema s bij elkaar moeten brengen om in een volgende fase tot geïntegreerde adaptatiestrategieën te kunnen komen. 5 Kunnen cofinanciers zich gedurende de uitvoering van het onderzoek terugtrekken? De cofinanciers geven een garantie af dat zij meebetalen aan de uitvoering van een onderzoeksprogramma voor één of meer van de thema s. Een en ander wordt contractueel vastgelegd. Terugtrekking tijdens de uitvoering van het onderzoek is dus niet mogelijk. Wel kan de subsidie aan een onderzoeksproject door de Raad van Bestuur worden stopgezet indien niet wordt voldaan aan de toezeggingen en afspraken aangaande voortgang en levering van resultaten, of wanneer de adviezen van de genoemde stuurgroep daar aanleiding toe geven. Beoordelingscriteria voor pre-proposals Open call Adaptatie aan klimaatverandering 29

31 8 Overige informatie

Een delta in beweging. Bouwstenen voor een klimaatbestendige ontwikkeling van Nederland

Een delta in beweging. Bouwstenen voor een klimaatbestendige ontwikkeling van Nederland Een delta in beweging Bouwstenen voor een klimaatbestendige ontwikkeling van Nederland Een delta in beweging Bouwstenen voor een klimaatbestendige ontwikkeling van Nederland Planbureau voor de Leefomgeving

Nadere informatie

Klimaatdijk Een verkenning

Klimaatdijk Een verkenning Klimaatdijk Een verkenning KvK rapportnummer KvK 011/09 Klimaatdijk Een verkenning Auteurs M. Hartog 1) J.M. van Loon-Steensma 2) H. Schelfhout 3) P.A. Slim 4) A. Zantinge 1) 1) Grontmij Nederland bv 2)

Nadere informatie

Veerkracht waar mogelijk. Ontwerpend onderzoek voor Klimaatbestendig Nederland

Veerkracht waar mogelijk. Ontwerpend onderzoek voor Klimaatbestendig Nederland Veerkracht waar mogelijk Ontwerpend onderzoek voor Klimaatbestendig Nederland Het klimaatbestendig maken van Nederland is een van de grootste ruimtelijke opgaven van de 21e eeuw, een opgave die in toenemende

Nadere informatie

Advies over het Deltaprogramma 2012. 13 oktober 2011 / rapportnummer 2562 58

Advies over het Deltaprogramma 2012. 13 oktober 2011 / rapportnummer 2562 58 Advies over het Deltaprogramma 2012 13 oktober 2011 / rapportnummer 2562 58 1. Inleiding Onder verantwoordelijkheid van de Deltacommissaris is en wordt gewerkt aan het Deltaprogramma. In 2015 zal aan

Nadere informatie

Rijksvisie op het duurzaam gebruik van de ondergrond

Rijksvisie op het duurzaam gebruik van de ondergrond Rijksvisie op het duurzaam gebruik van de ondergrond Aanleiding Het kabinet is van mening dat een rijksvisie op het duurzaam gebruik van de ondergrond noodzakelijk is. De ondergrond 1 biedt kansen voor

Nadere informatie

Bouwstenen voor WBP5. December 2014 versie 02. Droge voeten, schoon water

Bouwstenen voor WBP5. December 2014 versie 02. Droge voeten, schoon water Bouwstenen voor WBP5 December 2014 versie 02 Droge voeten, schoon water INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE 1. Onze ambitie: droge voeten, schoon water en een waterbewuste omgeving 7 1.1 We werken slim en innovatief

Nadere informatie

Samen verder werken aan de Delta

Samen verder werken aan de Delta Samen verder werken aan de Delta De governance van het Nationaal Deltaprogramma na 2014 Februari 2014 Rotterdam Auteurs Dr. Arwin van Buuren, Universitair Hoofddocent Bestuurskunde, Erasmus Universiteit

Nadere informatie

Visie Natuurmonumenten op natuur en landschap in 2040

Visie Natuurmonumenten op natuur en landschap in 2040 Natuurmonumenten Natuurmonumenten is een vereniging van ruim 880.000 leden, met een gezamenlijk doel: zorgen voor natuur in Nederland. Daarom verwerven en beheren we natuurgebieden het zijn er inmiddels

Nadere informatie

Hart voor Rivier en Land

Hart voor Rivier en Land Hart voor Rivier en Land Inhoudsopgave Voorwoord 5 Inleiding 7 Hoofdstuk 1: Oppervlaktewater 11 Kwaliteit 11 Voldoende zoetwater 12 Grondwater 12 Wateroverlast 12 Kwantiteit 13 Vispassages 13 Klimaat

Nadere informatie

BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN. Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid

BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN. Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid

Nadere informatie

Duurzaam dichter bij de Rotterdammer. Programma Duurzaam 2015-2018

Duurzaam dichter bij de Rotterdammer. Programma Duurzaam 2015-2018 Duurzaam dichter bij de Rotterdammer Programma Duurzaam 2015-2018 Consultatiedocument maart 2015 Duurzaam dichter bij de Rotterdammer Programma Duurzaam 2015-2018 2 Programma Duurzaam 2015-2018 Programma

Nadere informatie

MAART 2014 DOEN EN LATEN EFFECTIEVER MILIEUBELEID DOOR MENSENKENNIS

MAART 2014 DOEN EN LATEN EFFECTIEVER MILIEUBELEID DOOR MENSENKENNIS MAART 2014 DOEN EN LATEN EFFECTIEVER MILIEUBELEID DOOR MENSENKENNIS Raad voor de leefomgeving en infrastructuur De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) is het strategische adviescollege voor

Nadere informatie

Natuur voor iedereen: participeren, investeren en profiteren

Natuur voor iedereen: participeren, investeren en profiteren Natuur voor iedereen: participeren, investeren en profiteren Natuurlandschap Multifunctioneel landschap Landbouwlandschap Kees Hendriks, Ilse Geijzendorffer, Astrid van Teeffelen, Tia Hermans, Cees Kwakernaak,

Nadere informatie

"Aan tafel!" dialoogtafel. noordoost Groningen. kwartiermakers

Aan tafel! dialoogtafel. noordoost Groningen. kwartiermakers kwartiermakers dialoogtafel noordoost Groningen "Aan tafel!" Een verkenning naar de mogelijkheid om in het aardbevingsgebied Noordoost Groningen een dialoogtafel op te zetten Eindadvies van de kwartiermakers

Nadere informatie

Anne Loeber. Inbreken in het gangbare Transitiemanagement in de praktijk: de NIDO-benadering

Anne Loeber. Inbreken in het gangbare Transitiemanagement in de praktijk: de NIDO-benadering Anne Loeber Inbreken in het gangbare Transitiemanagement in de praktijk: de NIDO-benadering Binnenkant omslag Inbreken in het gangbare Transitiemanagement in de praktijk: de NIDO-benadering hoofdstuk 1

Nadere informatie

Wat moed. Dat moet. Krachten verbinden

Wat moed. Dat moet. Krachten verbinden Wat moed. Dat moet. Krachten verbinden Coalitieakkoord 2014 2018 CDA GB/VVD [Geef een citaat uit het document of de samenvatting van een interessant punt op. Het tekstvak kan overal in het document worden

Nadere informatie

Hoe bruikbaar is de Zandmotor? Eerste tussentijdse verkenning naar de haalbaarheid en bruikbaarheid van de pilot Zandmotor 2011-2013

Hoe bruikbaar is de Zandmotor? Eerste tussentijdse verkenning naar de haalbaarheid en bruikbaarheid van de pilot Zandmotor 2011-2013 Hoe bruikbaar is de Zandmotor? Eerste tussentijdse verkenning naar de haalbaarheid en bruikbaarheid van de pilot Zandmotor 2011-2013 Inhoud 1 Samenvatting 4 2 Inleiding 7 3 Doelbereik van de pilot Zandmotor

Nadere informatie

Innovatie. meteffect. Adviescommissie Bibliotheekinnovatie

Innovatie. meteffect. Adviescommissie Bibliotheekinnovatie Innovatie meteffect Adviescommissie Bibliotheekinnovatie Innovatie meteffect Adviescommissie Bibliotheekinnovatie Inhoud 4 Samenvatting 6 1 Inleiding 12 2 Programmalijnen 13 13 14 14 14 15 15 Programmalijn

Nadere informatie

De energieke samenleving

De energieke samenleving De energieke samenleving Op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie maarten hajer De energieke samenleving Op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie Maarten Hajer Planbureau

Nadere informatie

Dan denk je aan Brabant!

Dan denk je aan Brabant! Tilburg/Den Bosch, 22-1-2010 Dan denk je aan Brabant! LS, De provincie Noord-Brabant staat voor een nieuwe uitdaging. Enerzijds legt de financieeleconomische crisis een grote druk op de publieke middelen.

Nadere informatie

Werken met water. Voor nu en later. Plan MER Waterbeheerplan 2016-2021

Werken met water. Voor nu en later. Plan MER Waterbeheerplan 2016-2021 Werken met water. Voor nu en later. Plan MER Waterbeheerplan 2016-2021 MER voor het Waterbeheerplan 1 Voorwoord 3 Bestuurlijke samenvatting 4 1 MER voor het Waterbeheerplan 8 1.1 Waarom een nieuw Waterbeheerplan?

Nadere informatie

WENNEN AAN DE WESTERSCHELDE ADVIES COMMISSIE NATUURHERSTEL WESTERSCHELDE: ALTERNATIEVEN VOOR ONTPOLDERING HERTOGIN HEDWIGEPOLDER

WENNEN AAN DE WESTERSCHELDE ADVIES COMMISSIE NATUURHERSTEL WESTERSCHELDE: ALTERNATIEVEN VOOR ONTPOLDERING HERTOGIN HEDWIGEPOLDER ADVIES COMMISSIE NATUURHERSTEL WESTERSCHELDE: ALTERNATIEVEN VOOR ONTPOLDERING HERTOGIN HEDWIGEPOLDER 2 Advies Commissie Natuurherstel Westerschelde Schelde Het land draagt de rivier die schepen varen laat

Nadere informatie

Startnotitie m.e.r. Tusschenwater. Definitief

Startnotitie m.e.r. Tusschenwater. Definitief Startnotitie m.e.r. Tusschenwater Definitief Grontmij Nederland bv Assen, 13 februari 2009 Verantwoording Titel : Startnotitie m.e.r. Tusschenwater Projectnummer : 262874 Datum : 13 februari 2009 Auteur(s)

Nadere informatie

6 Thema s per sector. Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland

6 Thema s per sector. Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland 6 Thema s per sector 48 Hoofdstuk 4 schetste welke ambities de gemeenten binnen Holland Rijnland hebben. De gemeenten staan voor een aantal met elkaar samenhangende en onderling afhankelijke ruimtelijke

Nadere informatie

als beleidsadviseurs Een vergelijkend onderzoek naar acht projecten van met interactieve beleidsvorming bij drie departementen Jurian Edelenbos

als beleidsadviseurs Een vergelijkend onderzoek naar acht projecten van met interactieve beleidsvorming bij drie departementen Jurian Edelenbos ISBN 90-6473-423-2 9 789064 734236 Burgers als beleidsadviseurs Ervaringen met burgerparticipatie in het bestuur van gemeenten zijn al vaak beschreven, onderzocht en beoordeeld. Daarentegen is nog weinig

Nadere informatie

Aan de leden van de vaste Commissie voor Infrastructuur en Milieu uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de leden van de vaste Commissie voor Infrastructuur en Milieu uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Aan de leden van de vaste Commissie voor Infrastructuur en Milieu uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Utrecht, 12 juni 2012 Betreft: Algemeen overleg van 26 juni 2012,

Nadere informatie

De toekomst is nú. Balans van de Leefomgeving

De toekomst is nú. Balans van de Leefomgeving De toekomst is nú Balans van de Leefomgeving 2014 Balans van de Leefomgeving 2014 De toekomst is nú Balans van de Leefomgeving 2014 De toekomst is nú Planbureau voor de Leefomgeving Balans van de Leefomgeving

Nadere informatie

De toekomst is nú. Balans van de Leefomgeving

De toekomst is nú. Balans van de Leefomgeving De toekomst is nú Balans van de Leefomgeving 2014 Balans van de Leefomgeving 2014 De toekomst is nú Balans van de Leefomgeving 2014 De toekomst is nú Planbureau voor de Leefomgeving Balans van de Leefomgeving

Nadere informatie