OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H1-11

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H1-11"

Transcriptie

1 OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H , HU, oktober POLARITEIT, WATERSTOFBRUGGEN Zie het apart uitgedeelde stencil voor extra theorie (is tentamenstof!) en een oefenopgave. 2. CHEMISCH REKENEN Opgave 2.1 Er zijn twee zoutoplossingen: 30 ml 0,169 M natriumfosfaat-oplossing en 47 ml 0,123 M ijzer(ii)chloride-oplossing. De oplossingen worden bij elkaar gevoegd. Er treedt een reactie op. Geef van alle ionsoorten de concentratie in mol L 1 nadat de reactie is voltooid. Opgave 2.2 Bereken uit een oplosbaarheidsproduct (Binas) wat de ph van verzadigd kalkwater is. 3. ZUREN EN BASEN Opgave 3.1 a) Bereken de ph van een 0,45 M oplossing van HF. b) Idem voor 0,00045 M HF-oplossing. c) Idem voor 1, M zoutzuur (pittig!) Opgave 3.2 Tafelazijn moet minstens 4,0 gram ethaanzuur per 100 cm 3 product bevatten (Warenwet 1904). We gebruiken in deze opgave tafelazijn, die exact aan deze norm voldoet. Om het gehalte ethaanzuur in tafelazijn te controleren, wordt de tafelazijn vijfmaal verdund en vervolgens wordt hiervan 10,00 ml getitreerd met 0,1002 M natronloog. a) Stel de reactievergelijking op tussen ethaanzuur en natronloog. b) Bereken hoeveel ml van het genoemde natronloog bij deze titratie moet worden toegevoegd. c) Bereken de ph in het equivalentiepunt. Opgave 3.3 Kalkaanslag op tegels (CaCO 3 (s) ) kan worden verwijderd met behulp van zwavelzuur. Men neemt 4,0 M zwavelzuur en laat het reageren met de kalkaanslag op een betegeld terras. Het terras is 40 m 2 groot en heeft een gemiddelde aanslag-oppervlaktedichtheid van 3 g m 2. a) Geef de reactievergelijking van de reactie tussen zwavelzuur en de kalkaanslag. b) Bereken hoeveel dm 3 gas er bij deze reactie maximaal kan ontstaan (standaardomstandigheden). c) (pittig) Bereken de ph van 4,0 M zwavelzuur (zonder verder gebruik van deze oplossing). Ga er daarbij vanuit, dat de tweede stap niet sterk is. Gebruik Binastabel 49. Logarithmische significantieregel: aantal significanten in [H 3 O + ] is aantal decimalen in ph

2 OEFENOPGAVEN VWO6sk1 TENTAMEN H1-11 oktober 2006, HU Noot vooraf: het stencil over waterstofbruggen bevat tevens de antwoorden; deze worden hier niet opnieuw gegeven. Opgave 2.1 Er zijn twee zoutoplossingen: 30 ml 0,169 M natriumfosfaat-oplossing en 47 ml 0,123 M ijzer(ii)chloride-oplossing. De oplossingen worden bij elkaar gevoegd. Er treedt een reactie op. Geef van alle ionsoorten de concentratie in mol L 1 nadat de reactie is voltooid. Bij het rekenen aan reacties is het vaak noodzakelijk te weten, wat de uitgangssituatie is én wat er vervolgens gebeurt. Er treedt een neerslagreactie op tussen de ijzer(ii)ionen en de fosfaationen (zie Binastabel 45). Daardoor nemen de hoeveelheden en dus de concentraties van die ionen af. Daarnaast worden twee oplossingen samengevoegd, waardoor het totaalvolume toeneemt; ook dit heeft een effect op de concentraties van alle aanwezige opgeloste deeltjes. Reactie: Uitgangssituatie: 3 Fe 2+ (aq) + 2 PO 4 3 (aq) Fe 3 (PO 4 ) 2 (s) Oplossing I 0,169 M Na 3 PO 4 -oplossing betekent, dat er per liter oplossing 0,169 mol Na 3 PO 4 is opgelost. Dat noemen we ook wel de formele concentratie: de daadwerkelijke [Na 3 PO 4 ] is immers 0, omdat er geen deeltjes Na 3 PO 4 in deze oplossing aanwezig zijn. Een zout valt bij oplossen immers uiteen in losse ionen. 30 ml van deze oplossing bevat 0,030 * 0,169 5,07*10 3 mol PO 4 3 en driemaal zoveel Na + -ionen, ofwel 1,521*10 2 mol Na +. Oplossing II Deze oplossing bevat 0,047 * 0,123 5,781*10 3 mol Fe 2+ en tweemaal zoveel chlorideionen, dus 1,1562*10 2 mol Cl. Reactie: Er reageert Fe 2+ met PO 4 3 in de molverhouding Fe 2+ : PO 4 3 is 3 : 2. Voor elke 2 mol fosfaationen is dus 3 mol ijzer(ii)ionen nodig. Let bij reacties altijd op de overmaat/ondermaat-kwestie: van welk deeltje is er in verhouding (!) het minst? Dát deeltje bepaalt hoeveel van alle andere deeltjes meereageren. Het deeltje in ondermaat is dus bepalend voor de hoeveelheden van álle reagerende deeltjes. Je moet dus altijd rekenen met de ondermaat. We hebben hier de volgende situatie 3 Fe 2+ (aq) + 2 PO 3 4 (aq) Fe 3 (PO 4 ) 2 (s) 5,781*10 3 mol 5,07*10 3 mol. 1

3 Je kunt bij beide getallen beginnen: uitgaande van het aantal mol fosfaat kun je berekenen, dat er 2 3 maal zoveel ijzerionen moeten zijn, ofwel 2 3 * 5,07*10 3 7,605*10 3 mol Fe 2+. Dat is er niet: er is slechts 5,781*10 3 mol aanwezig. Conclusie: Fe 2+ is in ondermaat Dit ondanks het feit, dat 5,781*10 3 mol Fe 2+ > 5,07*10 3 mol PO 4 3. De molverhouding moet je dus ook meerekenen! Rekenen met Fe 2+ vertelt je, dat er 3 2 *5,781*10 3 mol PO 4 3 reageert, ofwel 3,85*10 3 mol PO 4 3. De rest van de fosfaationen blijft over: dit is 5,07*10 3 3,85*10 3 1,216*10 3 mol PO 4 3. De nieuwe aantallen mol zijn nu duidelijk: Fe 2+ : dit raakt op, dus er is na de reactie 0 mol over. PO 4 3 : hiervan is 1,216*10 3 mol over Na + : hier gebeurt niets mee: er was en blijft 1,521*10 2 mol Na + Cl - : ook hiermee gebeurt niets: er was en blijft 1,1562*10 2 mol Cl De nieuwe concentraties volgen uit de algemene relatie hoeveelheid (mol) concentrat ie. volumeoplossing (L) Let erop dat het nieuwe volume 30 ml + 47 ml 77 ml 0,077 L bedraagt! Voor de nieuwe concentraties geldt: [Fe 2+ ] 0 M [PO 4 3 ] 1,58*10 2 M [Na + ] 1,98*10 2 M [Cl ] 1,50*10 1 M Opgave 2.2 Bereken uit een oplosbaarheidsproduct (Binas) wat de ph van verzadigd kalkwater is. Situatie Kalkwater is een oplossing van calciumhydroxide in water (moet je weten, zie eventueel de tabel Triviale Namen in Binas). In een verzadigde zoutoplossing is het vaste zout in evenwicht met zijn ionen in oplossing. Er geldt dus: Ca(OH) 2 (s) Ca 2+ (aq) + 2 OH (aq) Wat wordt gevraagd? Oplossingstactiek Gevraagd wordt, om de ph te berekenen met behulp van een oplosbaarheidsproduct. Dat moet wel het oplosbaarheidsproduct van calciumhydroxide zijn, ofwel K sp [Ca 2+ ][OH ] 2. Kennelijk kun je hieruit de ph berekenen. Dat kan ook, namelijk via [OH ] en vervolgens de poh. Bedenk, dat poh + ph 14 (bij standaardtemperatuur en druk, maar daar mag je zonder verdere gegevens vanuit gaan). In Binas is te vinden (tabel 46), dat K sp voor dit zout een waarde heeft van 4,7*10 6. Uitwerking Bij het oplossen van Ca(OH) 2 (s) kun je stellen, dat er tweemaal zoveel ionen OH als ionen Ca 2+ zullen ontstaan. We kunnen een voor-tijdens-na-schema opstellen. Daarbij is het doel het berekenen van [OH ] ; deze onbekende zullen we dus x noemen 2

4 concentraties in mol L 1 Ca 2+ (aq) OH (aq) voor 0 0 tijdens + ½x +x na ½x x We weten dat K sp [Ca 2+ ][OH ] 2 ofwel 4,7*10 6 ½x * x 2. Daaruit volgt dat x 2,1 * 10 2 ofwel [OH ] 2,1 * 10 2 M (2 sign. vanwege K sp ). Daaruit volgt dat poh 1,68 (2 decimalen vanwege 2 sign. in [OH ]) en ph 12,32 Opgave 3.1 a) Bereken de ph van een 0,45 M oplossing van HF. b) Idem voor 0,00045 M HF-oplossing. c) Idem voor 1, M zoutzuur (pittig!) Allereerst: bedenk dat HF het enige waterstofhalogenide is, dat als zwak zuur reageert! Zie Binastabel 49. Deze opgaven komen regelmatig voor. Ze kunnen eigenlijk altijd met dezelfde systematiek worden opgelost: gebruikmakend van de evenwichtsvoorwaarde en via de tactiek van het voor-tijdens-na-schema. Zelfs moeilijke situaties laten zich heel vaak met zo n (v,t,n)-schema oplossen. Opmerking: in hoofdstuk 11 van Pulsar-Chemie wordt dit type opgave ook vrij uitgebreid besproken. opgave a) De reactievergelijking luidt: HF (aq) + H 2 O (l) H 3 O + (aq) + F (aq) Met als evenwichtsvoorwaarde K z Q ofwel Voor HF geldt, dat K z 6,3*10 4 K z [ H 3 O + ][ F [ HF] ] We stellen de gevraagde [ H 3 O + ] op x (we willen immers naar de ph). Het (v,t,n)-schema luidt dan: concentraties in mol L 1 H 3 O + (aq) F (aq) HF (aq) voor 0 0 0,45 tijdens + x + x (molverhouding 1 : 1) x na x x 0,45 x Invullen in de evenwichtsvoorwaarde levert 6,3* [ H 3O ][ F [ HF] 2 ] x 0,45 x 3

5 Dit is een tweedegraads vergelijking in x, die kan worden opgelost: 1) met de ABC-formule (analytische oplossing, exact) 2) met behulp van de GR (snijpuntbepaling van de functie links en rechts van het -teken, intersect ) 3) onder verwaarlozing van x in de noemer, zodat een eenvoudige vergelijking ontstaat Methode 3) was vroeger (voor de introductie van de GR) regelmatig in zwang, omdat de exacte oplossing met de ABC-formule wat tijdrovender is. Met de mogelijkheden van de GR is een nauwkeurige oplossing vrij snel bereikbaar. Het verwaarlozen mag alleen, wanneer dit de uitkomst (en dus de vergelijking) niet drastisch wijzigt. Ga zelf na, dat x alleen in de noemer mag worden verwaarloosd en sowieso nooit in de teller. Bereken vervolgens x onder verwaarlozing van x in de noemer en controleer of de waarde van x veel kleiner is dan 0,45. Als vuistregel wordt vaak gehanteerd, dat verwaarlozen mag wanneer x kleiner is dan 10% van het getal ernaast. Hier mag x dus niet groter zijn dan 4,5*10 2. Wanneer x niet aan dit criterium voldoet, moet de berekening worden overgedaan zonder verwaarlozing (dus met de ABCformule). De exacte oplossing (met ABC-formule) levert, dat x 0,017 (de andere oplossing voor x is fysisch onmogelijk, want een negatieve concentratie bestaat immers niet). Verwaarlozen had hier dus gemogen. De methode met verwaarlozen geeft als oplossing eveneens x 0,017. Hier volgt dus, dat [H 3 O + ] 1,7*10 2 M (2 sign. vanwege K z ) en dat ph 1,78 (2 decimalen vanwege 2 sign. in [H 3 O + ] opgave b) De opgave wordt analoog aan opgave a) opgelost. Ga na, dat het verwaarlozen van x ten opzichte van 4,5*10 4 niet is toegestaan. Uitwerking geeft, dat ph 3,52 (weet 2 decimalen vanwege 2 significanten in [H 3 O + ] door toedoen van 2 significanten in K z ). opgave c) Het betreft hier een sterk zuur (HCl). Met iets teveel haast zou je kunnen redeneren, dat 1,0*10 7 M HCl een evenwichtsconcentratie van [H 3 O + ] 1,0*10-7 veroorzaakt en dus dat ph 7,00. Enige reflectie is op zijn plaats: je lost een zuur op in zuiver water en de ph is niet gedaald? Dat kán haast niet waar zijn, en dat is ook niet waar. In water vindt namelijk altijd het waterevenwicht plaats (ook wel de autoprotolyse van water genoemd): 2 H 2 O (l) H 3 O + (aq) + OH (aq) De evenwichtsconstante van deze reactie wordt wel de waterconstante genoemd en heeft onder standaardomstandigheden een waarde van 1,0* K w [H 3 O + ][OH ] 1,0*10 14 Het is hierom, dat in evenwicht geldt, dat [H 3 O + ][OH ] 1,0*10 14 ofwel (trek overal de log maar van!) dat ph + poh 14. Normaal is in een zure oplossing practisch alle H 3 O + afkomstig van het opgeloste zuur. We verwaarlozen de invloed van het waterevenwicht op de ph (dat aantal H 3 O + is veel kleiner en valt dus in het niet). Pas als de ph nabij de 7 komt, gaat dit waterevenwicht wél meetellen en mag je het waterevenwicht niet meer verwaarlozen. Het sterke zuur HCl biedt geen mogelijkheden om te rekenen met evenwichtsconstanten. Alle HClmoleculen staan in water hun H + af en genereren ionen H 3 O + en ionen Cl. Het gevolg is, dat het waterevenwicht naar de H 2 O-kant wordt gedwongen. Het aantal ionen H 3 O + afkomstig van de autoprotolyse van water zal dus dalen. De totale concentratie H 3 O + is een combinatie van ionen H 3 O + ten gevolge van HCl-protolyse én ionen H 3 O + ten gevolge van het waterevenwicht. 4

6 Gelukkig biedt de theorie rondom evenwichtsvoorwaarden houvast. In evenwicht geldt immers, dat K w [H 3 O + ][OH ] 1,0*10 14 Of die ionen H 3 O + nu door de ene of door de andere oorzaak ontstaan, dat doet er niet toe. Déze regel staat vast. We kunnen dus stug een (v,t,n)-schema opstellen voor het waterevenwicht. Ook dit doen we in concentraties (mol L 1 ). We losten per liter 1,0 * 10 7 mol HCl op (dus vandaar 1,0 * 10 7 M HCl) en vervolgens verschuift het waterevenwicht naar de H 2 O-kant en wel met een onbekend bedrag x: concentraties in mol L 1 H 3 O + (aq) OH (aq) voor (zuiver water, ph 7,00) 1,0 * ,0 * 10 7 tijdens + 1,0 * 10 7 x x na (nieuw evenwicht ingesteld) 2,0 * 10 7 x 1,0 * 10 7 x We vullen in, dat K w 1,0*10 14 [H 3 O + ][OH ] (2,0 * 10 7 x )*(1,0 * 10 7 x) en lossen x op uit deze tweedegraadsvergelijking. Dit levert met de ABC-formule x 3,82 * 10 8 en x + 2,62 * Let op: x is hier niet [H 3 O + ], dus we moeten kijken wélke x de juiste [H 3 O + ] oplevert. Alleen x 3,82 * 10 8 is reëel (de andere waarde van x levert bijvoorbeeld een negatieve [OH ] op). In evenwicht geldt dus, dat [H 3 O + ] 2,0 * 10 7 x 2,0 * ,82 * ,62 * 10 7 M. We vinden daarmee dat ph 6,79 Reflectie: de oplossing is inderdaad een beetje zuur geworden, zoals je zou verwachten. Alternatief: deel de evenwichtsconcentratie van H 3 O + in gedachten op in twee delen: de ionen H 3 O + van het HCl (staat vast: 1,0 * 10 7 ) en de ionen die ontstaan ten gevolge van het waterevenwicht (die noem je bijvoorbeeld y). Je vindt dan, dat K w 1,0*10 14 [H 3 O + ][OH ] (1,0 * y)y. Berekenen van y levert ook de [H 3 O + ] de dus de ph. Dit moet uiteraard hetzelfde antwoord opleveren. Opgave 3.2 Tafelazijn moet minstens 4,0 gram ethaanzuur per 100 cm 3 product bevatten (Warenwet 1904). We gebruiken in deze opgave tafelazijn, die exact aan deze norm voldoet. Om het gehalte ethaanzuur in tafelazijn te controleren, wordt de tafelazijn vijfmaal verdund en vervolgens wordt hiervan 10,00 ml getitreerd met 0,1002 M natronloog. a) Stel de reactievergelijking op tussen ethaanzuur en natronloog. b) Bereken hoeveel ml van het genoemde natronloog bij deze titratie moet worden toegevoegd. c) Bereken de ph in het equivalentiepunt. opgave a) Do as you re told! CH 3 COOH (aq) + OH (aq) CH 3 COO (aq) + H 2 O (l) 5

7 Opmerkingen: Een reactie tussen sterk - sterk en sterk - zwak is aflopend. Een reactie tussen zwak en zwak (kom je niet vaak tegen) is een evenwichtsreactie. Hier dus een aflopende reactie (OH is een sterke base). Bedenk dat azijnzuur een zwak zuur is, en dat in evenwicht de meeste azijnzuurmoleculen hun H + niet hebben afgestaan. Er zit dus een hoop CH 3 COOH (aq) in de oplossing. Als je OH toevoegt aan een azijnzuuroplossing, moet je kiezen: reageert OH nou met H 3 O + (aq) of met CH 3 COOH (aq)? Het maakt in wezen niet uit. Als er moleculen CH 3 COOH (aq) verdwijnen, wordt het protolyse-evenwicht naar de kant van het CH 3 COOH gedwongen en kost dit ook een H 3 O + -ion. Reageert OH met H 3 O +, dan verschuift het protolyse-evenwicht naar de vrije-ionen-kant en verdwijnt er CH 3 COO. Elke H 3 O + in de oplossing is hoe dan ook uiteindelijk het resultaat van één gesplitst CH 3 COOH-molecuul. De totale hoeveelheid benodigd OH is dus gelijk aan het aantal H + -en, dat je kunt vrijmaken uit het aanwezige zuur. In dit geval is dat één H + per molecuul CH 3 COOH, dus kun je uit de hoeveelheid toegevoegde OH (getitreerd uit de buret) berekenen, hoeveel moleculen CH 3 COOH er in de gepipetteerde hoeveelheid zaten. Hiermee kun je terugrekenen wat het gehalte CH 3 COOH in het oorspronkelijke monster was. opgave b) Dit sluit aan bij het laatstgenoemde punt. Je hebt 4,0 g azijnzuur per 100 cm 3. Dit betreft uiteraard de formele concentratie en niet de evenwichtsconcentratie CH 3 COOH, ook al liggen deze waarden niet ver uiteen. Zie voor het begrip formele concentratie de uitwerking van opgave 2.1. Alle moleculen azijnzuur moeten reageren met OH. Je kunt dus de bruto-hoeveelheid azijnzuur nemen bij je berekening en dus kun je de formele concentratie gebruiken. c zuur 40,0 g L 1 (let op: stap 100 cm ml naar 1 L!!). Via de molaire massa van azijnzuur (60,08 g mol 1 ) komt dit overeen met [CH 3 COOH] 0,666 M. Dit wordt vijfmaal verdund, dus tot 0,133 M. In 10,00 ml (pipet) zit dus 1,33 * 10 3 mol CH 3 COOH. Dit reageert met evenveel mol OH (molverhouding bij opgave a) was immers 1 : 1). Die 1,33 * 10 3 mol OH komt uit V liter 0,1002 M natronloog. Het volume V is dan eenvoudig te berekenen: aantal mol [ X ] in M ofwel aantal L aantal mol aantal L [ X ] in M Dit levert V 13,3 ml (moet eigenlijk in 2 sign. vanwege 4,0 g per 100 cm 3 ). opgave c) Bedenk weer wat er aanwezig is! Je in het equivalentiepunt alle CH 3 COOH omgezet in CH 3 COO. Het acetaation is een zwakke base met K b 5,5 * Dus: Als je een zwak zuur (ph < 7) met een sterke base titreert, hou je in het eq.punt een oplossing van de geconjugeerde base over! De ph in het eq. punt ligt dan dus boven de 7! Als je een zwakke base (ph > 7) met een sterk zuur titreert, houd je de oplossing over van het geconjugeerde zuur. De ph in het eq. punt ligt dan dus onder de 7! Alleen als je een sterke base met een sterk zuur titreert, is de ph in het eq. punt gelijk aan 7. In het eq. punt zijn dan geen basische of zure deeltjes aanwezig. Voorbeeld: titratie van zoutzuur met natronloog. In het eq. punt heb je dan Na + (aq) en Cl (aq) over en die hebben geen invloed op de ph. De ph in het eq. punt is dan dus 7. Er is hier 1,33 * 10 3 mol van de base CH 3 COO ontstaan. Het volume is 10,00 ml (pipet) + 13,3 ml (uit buret) 23,3 ml. Bereken zelf dat [CH 3 COO ] 5,70 * 10 4 M Deze CH 3 COO reageert als zwakke base en er stelt zich een evenwicht in: CH 3 COO (aq) + H 2 O (l) CH 3 COOH (aq) + OH (aq) 6

8 Een klein deel van de acetaationen verdwijnt, zodat [CH 3 COO ] in evenwicht een fractie lager zal liggen (vergelijk met de vraag over het HF!). Ook hier kun je prima een (v,t,n)-schema in gaan vullen en de evenwichtsvoorwaarde vervolgens invullen. Dit levert voor de [OH ] maar één reële waarde (een waarde die hoger is dan 1 * 10 7, want het moet immers basisch zijn!). De poh wordt dan 6,25 en je vindt voor het eq. punt dus, dat ph 7,75. Opgave 3.3 Kalkaanslag op tegels (CaCO 3 (s) ) kan worden verwijderd met behulp van zwavelzuur. Men neemt 4,0 M zwavelzuur en laat het reageren met de kalkaanslag op een betegeld terras. Het terras is 40 m 2 groot en heeft een gemiddelde aanslag-oppervlaktedichtheid van 3 g m 2. a) Geef de reactievergelijking van de reactie tussen zwavelzuur en de kalkaanslag. b) Bereken hoeveel dm 3 gas er bij deze reactie maximaal kan ontstaan (standaardomstandigheden). c) (pittig) Bereken de ph van 4,0 M zwavelzuur (zonder verder gebruik van deze oplossing). Ga er daarbij vanuit, dat de tweede stap niet sterk is. Gebruik Binastabel 49. opgave a) Zwavelzuur is een tweewaardig zuur. Je mocht altijd aannemen, dat beide protolysestappen volledig verlopen (beide stappen sterk ), hoewel de tweede stap eigenlijk zwak is (zoek in Binastabel 49 de K z -waarde van het zuur HSO 4 maar eens op). Voor de reactie met de base CaCO 3 maakt dat niet uit. De tweewaardige base CO 3 2 wordt omgezet in H 2 CO 3 (aq), dat uiteenvalt in CO 2 (g) en H 2 O. Het gas ontwijkt en de zuur-basereactie is dus sowieso aflopend. Je kunt dus vaststellen, dat 2 H 3 O + (aq) + CaCO 3 (s) 2 H 2 O (l) + Ca 2+ (aq) + [H 2 CO 3 (aq)] Met de wetenschap, dat H 2 CO 3 uiteenvalt in CO 2 (g) + H 2 O volgt als eindantwoord, dat 2 H 3 O + (aq) + CaCO 3 (s) 3 H 2 O (l) + Ca 2+ (aq) + CO 2 (g) Let op het extra watermolecuul! 2 H 2 O is de rest van 2 H 3 O + en het derde H 2 O-molecuul komt uit het koolzuurmolecuul. opgave b) Je hebt 40 m 2 terras met een aanslagdichtheid van 3,0 g m 2. Er is dus, kortom, 120 g vast CaCO 3 dat wegreageert. De molaire massa van CaCO 3 is 100,1 g mol 1 (zie Binastabel 98 voor een snelle waarde!) en dus is er 1,199 mol CaCO 3 aanwezig. Dit levert (zie reactievergelijking) evenveel mol CO 2 (g), dus er ontstaat 1,199 mol CO 2 (g). Via het molaire volume van een gas (Binastabel 7, bij 298 K en p 0 geldt V m 2,45 * 10 2 m 3 mol 1 ) is te berekenen, hoeveel ruimte deze 1,199 mol CO 2 -gas inneemt. Let erop dat het antwoord gevraagd wordt in dm 3 (ofwel liters) en houd hier rekening mee. Je vindt zo een antwoord van 3 * 10 1 dm 3 CO 2 -gas (1 sign. vanwege aanslagdichtheid van 3 g m 2 dus 29 dm 3 is qua significantie een fout antwoord!) opgave c) Weer een lastige ph-vraag, die rekening moet houden met twee protolysestappen van 4,0 M H 2 SO 4 - oplossing. En daarbij is de tweede stap nog zwak ook! Een pittige opgave, die toch kan worden geklaard met een (v,t,n)-schema. 7

9 De eerste protolysestap is sterk. Uitgaande van 1 liter ontstaat daarbij dus 4,0 mol H 3 O + en 4,0 mol HSO 4. De concentratie H 3 O + wordt verder opgevoerd door de ionen H 3 O + uit de tweede protolysestap. [H 3 O + ] zal dus in totaal hoger moeten zijn dan 4,0 mol per liter. De tweede protolysestap is zwak en daarvoor geldt in evenwicht, dat K z van HSO 1,0*10 + [ H 3O ][ SO [ HSO ] Het (v,t,n)-schema voor de tweede protolysestap luidt als volgt (berekend per liter, dus in mol L 1 ): concentraties in mol L 1 H 3 O + (aq) SO 2 4 (aq) HSO 4 (aq) voor 4,0 0 4,0 tijdens + x + x x na 4,0 + x x 4,0 x 2 4 ] Invullen in de evenwichtsvoorwaarde levert 1,0*10 2 (4,0 + x) x 4,0 x Ook dit levert een oplosbare tweedegraadsvergelijking. Los x op en bereken [H 3 O + ] in evenwicht door 4,0 + x te berekenen. Daaruit volgt dan tenslotte de ph. Ook hier ontstaat slechts één reële waarde van x als oplossing. Dit levert (ga zelf na) dat [H 3 O + ] 4,0095 en dat ph -0,60 (2 sign. vanwege zwavelzuurconcentratie van 4,0 M). Opmerking: je ziet dat de tweede stap bijna geen extra ionen H 3 O + oplevert. In de eerste stap is al zoveel H 3 O + ontstaan, dat de tweede protolysestap heel sterk naar links (HSO 4 ) wordt gedwongen. HSO 4 wordt dus stevig tegengewerkt bij het afgeven van zijn H +. 8

ZUUR-BASE BUFFERS Samenvatting voor het VWO

ZUUR-BASE BUFFERS Samenvatting voor het VWO ZUUR-BASE BUFFERS Samenvatting voor het VWO versie december 2014 INHOUDSOPGAVE 1. Vooraf 2. Wat is een buffer? 3. Hoe werkt een buffer? 4. Geconjugeerd zuur/base-paar 5. De ph van een buffer De volgende

Nadere informatie

5.4 ph van oplossingen van zwakke zuren of zwakke basen

5.4 ph van oplossingen van zwakke zuren of zwakke basen Opmerking: We gaan ervan uit, dat bij het mengen van oplossingen geen volumecontractie optreedt. Bij verdunde oplossingen is die veronderstelling gerechtvaardigd. 5.4 ph van oplossingen van zwakke zuren

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN VWO ZUREN EN BASEN + ph-berekeningen

OEFENOPGAVEN VWO ZUREN EN BASEN + ph-berekeningen OEFENOPGAVEN VWO ZUREN EN BASEN + ph-berekeningen OPGAVE 1 01 Bereken hoeveel mmol HCOOH is opgelost in 40 ml HCOOH oplossing met ph = 3,60. 02 Bereken ph van 0,300 M NaF oplossing. 03 Bereken hoeveel

Nadere informatie

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het VWO. versie mei 2013

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het VWO. versie mei 2013 ZUREN EN BASEN Samenvatting voor het VWO versie mei 2013 INHOUDSOPGAVE 1. Vooraf 2. Algemeen 3. Zuren 4. Basen 5. Het waterevenwicht 6. Definities ph en poh 7. ph BEREKENINGEN 7.1. Algemeen 7.2. Water

Nadere informatie

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het HAVO. versie mei 2013

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het HAVO. versie mei 2013 ZUREN EN BASEN Samenvatting voor het HAVO versie mei 2013 INHOUDSOPGAVE 1. Vooraf 2. Algemeen 3. Zuren 4. Basen 5. Het waterevenwicht 6. Definities ph en poh 7. ph BEREKENINGEN 7.1. Algemeen 7.2. Water

Nadere informatie

ANTWOORDEN Herhaling zuren, basen en buffers

ANTWOORDEN Herhaling zuren, basen en buffers ANTWOORDEN Herhaling zuren, basen en buffers 1) Wat geeft de onderstaande afbeelding weer? Je ziet deze deeltjes afgebeeld: het zwakke zuur HA (want veel deeltjes zijn niet geïoniseerd), de zwakke base

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Zuren en basen

Hoofdstuk 3: Zuren en basen Hoofdstuk 3: Zuren en basen Scheikunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken Koolstofchemie

Nadere informatie

vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012

vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 Toetsing in periode 4! 6 juni! DTM-T zuur/base t/m 6.6! Tabel 6.10,6.13,6.17 en ph-berekeningen (zoals in vragen 14,15,26 en 27)! Toetsweek einde periode! TW441 H1

Nadere informatie

5 Water, het begrip ph

5 Water, het begrip ph 5 Water, het begrip ph 5.1 Water Waterstofchloride is een sterk zuur, het reageert als volgt met water: HCI(g) + H 2 0(I) Cl (aq) + H 3 O + (aq) z b Hierbij reageert water als base. Ammoniak is een zwakke

Nadere informatie

5 VWO. H8 zuren en basen

5 VWO. H8 zuren en basen 5 VWO H8 zuren en basen Inleiding Opdracht 1, 20 min in tweetallen Nakijken; eventueel vragen stellen 8.2 Zure, neutrale en basische oplossingen 8.2 Zure, neutrale en Indicator (tabel 52A) Zuurgraad 0-14?

Nadere informatie

Scheikunde SE2. Hoofdstuk 8

Scheikunde SE2. Hoofdstuk 8 Scheikunde SE2 Hoofdstuk 8 Paragraaf 2 Indicatoren: stoffen waarmee je kunt bepalen of een oplossing zuur of basisch is. Zuur: als een oplossing een ph heeft van minder dan 7. Basisch: als een oplossing

Nadere informatie

BUFFEROPLOSSINGEN. Inleiding

BUFFEROPLOSSINGEN. Inleiding BUFFEROPLOSSINGEN Inleiding Zowel in de analytische chemie als in de biochemie is het van belang de ph van een oplossing te regelen. Denk bijvoorbeeld aan een complexometrische titratie met behulp van

Nadere informatie

Protolyse van zwakke zuren en basen

Protolyse van zwakke zuren en basen Protolyse van zwakke zuren en basen Zwakke protolyten protolyseren in oplossing slechts gedeeltelijk. Waterstoffluoride bv. is een zwak zuur: HF + H 2 O H 3 O + + F De evenwichtsvoorwaarde is: K = [H 3

Nadere informatie

Hoofdstuk 12 Zuren en basen

Hoofdstuk 12 Zuren en basen Hoofdstuk 12 Zuren en basen bladzijde 1 Opgave 1 Reactie van de volgende zuren met water: HNO 3 HNO 3 H 2O H 3O NO 3 C 2H 5NH 3 C 2H 5NH 3 H 2O H 3O C 2H 5NH 2 HCN HCN H 2O H 3O CN HClO 4 HClO 4 H 2O H

Nadere informatie

Opgave 1. Opgave 2. b En bij een verbruik van 10 ml? Dan wordt de procentuele onnauwkeurigheid 2 x zo groot: 0,03 / 20 x 100% = 0,3% Opgave 3

Opgave 1. Opgave 2. b En bij een verbruik van 10 ml? Dan wordt de procentuele onnauwkeurigheid 2 x zo groot: 0,03 / 20 x 100% = 0,3% Opgave 3 Hoofdstuk 13 Titratieberekeningen bladzijde 1 Opgave 1 Wat is het theoretisch eindpunt? Het theoretisch eindpunt is het titratievolume waarbij de bedoelde reactie precies is afgelopen. En wat is dan het

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN VWO EVENWICHTEN

OEFENOPGAVEN VWO EVENWICHTEN OPGAVE 1 OEFENOPGAVEN VWO EVENWICHTEN In een ruimte van 5,00 liter brengt men 9,50 mol HCl(g) en 2,60 mol O 2 (g). Na evenwichtsinstelling is 40,0% van de beginstoffen omgezet en is er Cl 2 (g) en H 2

Nadere informatie

6 VWO SK Extra (reken)opgaven Buffers.

6 VWO SK Extra (reken)opgaven Buffers. 6 VWO SK Extra (reken)opgaven Buffers. Opgave I. 1 Je wilt een buffermengsel maken met ph = 4,20. Welke stoffen kun je het beste als uitgangsstoffen nemen? Opgave II. 2 In 1,00 liter water is opgelost

Nadere informatie

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO Gesloten vragen 1. Carolien wil de zuurgraad van een oplossing onderzoeken met twee verschillende zuur-baseindicatoren en neemt hierbij het volgende waar: I de oplossing

Nadere informatie

ph-berekeningen aan tweewaardige zuren

ph-berekeningen aan tweewaardige zuren ph-berekeningen aan tweewaardige zuren Een korte beschouwing over zwavelzuur en oxaalzuur door dr.ir. R.C.M. Jakobs versie januari 2015 Dit document is samengesteld ter ondersteuning en verdieping van

Nadere informatie

De waterconstante en de ph

De waterconstante en de ph EVENWICHTEN BIJ PROTOLYSEREACTIES De waterconstante en de ph Water is een amfotere stof, dat wil zeggen dat het zowel zure als basische eigenschappen heeft. In zuiver water treedt daarom een reactie van

Nadere informatie

Zelfs zuiver water geleidt in zeer kleine mate elektrische stroom en dus wijst dit op de aanwezigheid van geladen deeltjes.

Zelfs zuiver water geleidt in zeer kleine mate elektrische stroom en dus wijst dit op de aanwezigheid van geladen deeltjes. Cursus Chemie 4-1 Hoofdstuk 4: CHEMISCH EVENWICHT 1. DE STERKTE VAN ZUREN EN BASEN Als HCl in water opgelost wordt dan bekomen we een oplossing die bijna geen enkele covalente HCl meer bevat. In de reactievergelijking

Nadere informatie

Uitwerkingen van de opgaven uit: CHEMISCHE ANALYSE ISBN , 1 e druk, Uitgeverij Syntax Media Hoofdstuk 3 Acidimetrie bladzijde 1

Uitwerkingen van de opgaven uit: CHEMISCHE ANALYSE ISBN , 1 e druk, Uitgeverij Syntax Media Hoofdstuk 3 Acidimetrie bladzijde 1 Hoofdstuk 3 Acidimetrie bladzijde 1 Opgave 1 a We titreren HCl met NaOH. Welke van de boven gegeven indicatoren kunnen we gebruiken? Elke genoemde indicator, de phverandering gaat ongeveer van ph = 3 tot

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 af te nemen in de periode van woensdag 5 januari 01 tot en met woensdag 1 februari 01 Deze voorronde bestaat uit 4 meerkeuzevragen verdeeld over

Nadere informatie

Scheikunde hoofdstuk 8 en 9 VWO 5 SE 2 Hoofdstuk 8

Scheikunde hoofdstuk 8 en 9 VWO 5 SE 2 Hoofdstuk 8 Scheikunde hoofdstuk 8 en 9 VWO 5 SE 2 Hoofdstuk 8 2 Een oplossing kan zuur, basisch of neutraal zijn. Om het verschil in zuurgraad in een getal te kunnen uitdrukken gebruik je de ph. Is de ph < 7 is de

Nadere informatie

Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11. Opgave 1 [HCO ] [H O ] x x. = 4,5 10 [CO ] 1,00 x 10

Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11. Opgave 1 [HCO ] [H O ] x x. = 4,5 10 [CO ] 1,00 x 10 Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11 Zuren en basen Opgave 1 1 Ga na of de volgende zuren en basen met elkaar kunnen reageren. Zo ja, geef de reactievergelijking. Zo nee, leg duidelijk uit waarom niet.

Nadere informatie

Oefenopgaven ZUREN en BASEN vwo

Oefenopgaven ZUREN en BASEN vwo Oefenopgaven ZUREN en BASEN vwo OPGAVE 1 Men lost de volgende zouten op in water: (i) ammoniumnitraat (ii) kaliumsulfide (iii) natriumwaterstofsulfaat 01 Geef voor elk van deze zouten de oplosvergelijking.

Nadere informatie

Een reactie blijkt bij verdubbeling van alle concentraties 8 maal zo snel te verlopen. Van welke orde zou deze reactie zijn?

Een reactie blijkt bij verdubbeling van alle concentraties 8 maal zo snel te verlopen. Van welke orde zou deze reactie zijn? Hoofdstuk 19 Reactiesnelheid en evenwicht bladzijde 1 Opgave 1 Voor de volgende reactie: 4 NH 3(g) + 5 O 2(g) 4 NO(g) + 6 H 2O(g) blijkt onder bepaalde omstandigheden: S = 2,5 mol/l s. Hoe groot zijn:

Nadere informatie

TITRATIES Een korte inleiding en voorbeelden voor het HAVO en VWO

TITRATIES Een korte inleiding en voorbeelden voor het HAVO en VWO TITRATIES Een korte inleiding en voorbeelden voor het HAVO en VWO versie juli 2017 WOORD VOORAF De in dit document besproken titratiemethoden vormen de basis van de diverse varianten die in de loop der

Nadere informatie

CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE. datum : donderdag 29 juli 2010

CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE. datum : donderdag 29 juli 2010 CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE datum : donderdag 29 juli 2010 tijd : 14.00 tot 17.00 uur aantal opgaven : 6 Iedere opgave dient op een afzonderlijk vel te worden gemaakt

Nadere informatie

Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo

Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo OPGAVE 1 Men lost de volgende zouten op in water: (i) ammoniumnitraat (ii) kaliumsulfide (iii) natriumwaterstofsulfaat 01 Geef voor elk van deze zouten de oplosvergelijking.

Nadere informatie

Hoofdstuk 6: Zure en base oplossingen / ph

Hoofdstuk 6: Zure en base oplossingen / ph Hoofdstuk 6: Zure en base oplossingen / ph 6.1 Herhaling: zure en basische oplossingen Arrhenius definieerde zuren als volgt: zuren zijn polaire covalente verbindingen die bij het oplossen in water H +

Nadere informatie

PbSO 4(s) d NH 4Cl + KOH KCl + H 2O + NH 3(g) NH 4. + OH - NH 3(g) + H 2O e 2 NaOH + CuCl 2 Cu(OH) 2(s) + 2 NaCl

PbSO 4(s) d NH 4Cl + KOH KCl + H 2O + NH 3(g) NH 4. + OH - NH 3(g) + H 2O e 2 NaOH + CuCl 2 Cu(OH) 2(s) + 2 NaCl Hoofdstuk 11 Chemische reacties bladzijde 1 Opgave 1 De ionen die in water ontstaan: a NaCl Na Cl - b AgNO 3 Ag - NO 3 c (NH 4) 2SO 4 2 NH 4 SO 4 d KOH K OH - e NiSO 4 Ni 2 SO 4 Opgave 2 Schrijf de volgende

Nadere informatie

Oefenopgaven TITRATIES

Oefenopgaven TITRATIES Oefenopgaven TITRATIES vwo ZUURBASE-TITRATIES OPGAVE 1 Tijdens een titratie wordt 10,00 ml 3,00 10-4 M zwavelzuur getitreerd met natronloog van onbekende molariteit. Er is 21,83 ml natronloog nodig om

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE af te nemen in de periode van januari tot en met 5 februari 04 Deze voorronde bestaat uit 0 meerkeuzevragen verdeeld over 8 onderwerpen en open opgaven

Nadere informatie

Chemisch rekenen, zo doe je dat!

Chemisch rekenen, zo doe je dat! 1 Chemisch rekenen, zo doe je dat! GOE Opmerkingen vooraf: 1. Belangrijke schrijfwijzen: 100 = 10 2 ; 1000 = 10 3, enz. 0,1 = 1/10 = 10-1 ; 0,001 = 1/1000 = 10-3 ; 0,000.000.1 = 10-7, enz. gram/kg = gram

Nadere informatie

Toets02 Algemene en Anorganische Chemie. 30 oktober 2015 13:00-15:30 uur Holiday Inn Hotel, Leiden

Toets02 Algemene en Anorganische Chemie. 30 oktober 2015 13:00-15:30 uur Holiday Inn Hotel, Leiden Toets02 Algemene en Anorganische Chemie 30 oktober 2015 13:00-15:30 uur Holiday Inn Hotel, Leiden Naam: Studentnummer Universiteit Leiden: Dit is de enige originele versie van jouw tentamen. Het bevat

Nadere informatie

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden 2 Meten is weten 1 Nee, want bijvoorbeeld 0,0010 kg is net zo nauwkeurig als 1,0 gram. 2 De minst betrouwbare meting is de volumemeting. Deze variabele bepaald het aantal significante cijfers. 3 IJs: 1,5

Nadere informatie

TF5 Scheikunde 4 VWO H 8 en H 9 16 juni 2011

TF5 Scheikunde 4 VWO H 8 en H 9 16 juni 2011 TF5 Scheikunde 4 VWO H 8 en H 9 16 juni 2011 Deze toets bestaat uit 28 onderdelen. Hiervoor zijn in totaal X punten te behalen. Kalkwater Calciumhydroxide, Ca(OH) 2 (s) is matig oplosbaar in water. Als

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2008-I

Eindexamen scheikunde havo 2008-I Beoordelingsmodel Uraan 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal neutronen: 146 aantal protonen: 92 1 aantal neutronen: 238 verminderen met het aantal protonen 1 2 maximumscore 2 UO 2 + 4 HF UF 4 +

Nadere informatie

Zuren en basen. Inhoud

Zuren en basen. Inhoud Zuren en n Je kunt bij een onderwerp komen door op de gewenste rubriek in de inhoud te klikken. Wil je vanuit een rubriek terug naar de inhoud, klik dan op de tekst van de rubriek waar je bent. Gewoon

Nadere informatie

Weet je het nog? Welke bewerking moet in afbeelding 21.1 langs elke pijl staan?

Weet je het nog? Welke bewerking moet in afbeelding 21.1 langs elke pijl staan? Hoofdstuk 21 Chemisch rekenen (4) bladzijde 1 Opgave 1 Weet je het nog? Welke bewerking moet in afbeelding 21.1 langs elke pijl staan? Opgave 2 We lossen op: 25,0 g NaCl in een maatkolf tot 100 ml. De

Nadere informatie

2 Concentratie in oplossingen

2 Concentratie in oplossingen 2 Concentratie in oplossingen 2.1 Concentratiebegrippen gehalte Er zijn veel manieren om de samenstelling van een mengsel op te geven. De samenstelling van voedingsmiddelen staat op de verpakking vermeld.

Nadere informatie

T8: Zoutoplossingen en Zuren en Basen

T8: Zoutoplossingen en Zuren en Basen T8: Zoutoplossingen en Zuren en Basen 2009 Voorbeeldtoets maandag 25 januari 60 minuten NASK 2, 4 VMBO-TGK, DEEL A. H3: ZOUTOPLOSSINGEN 4 VMBO-TGK, DEEL B. H4: ZUREN EN BASEN Toets voor het vak Nask2.

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: SCHEIKUNDE 1,2 EXAMEN: 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: SCHEIKUNDE 1,2 EXAMEN: 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: SCHEIKUNDE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

CCVS-tentamen 16 mei 2014 - Uitwerking

CCVS-tentamen 16 mei 2014 - Uitwerking CCVStentamen 16 mei 2014 Uitwerking door Frank Povel NB. De puntentoekenning is door mij gedaan op grond van de totalen per opgave zoals weergegeven op bij het tentamen behorende voorblad. OPGAVE 1 koper

Nadere informatie

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media Hoofstuk 8 Zuren en basen blazije 1 Opgave 1 Reactie van e volgene zuren met water: a HNO 3 HNO 3 + H 2O H 3O + + NO 3 b C 2H 5NH + 3 C 2H 5NH + 3 + H 2O H 3O + + C 2H 5NH 2 c HCN HCN + H 2O H 3O + + CN

Nadere informatie

10.2. Kwantitatieve aspecten van zuurbase-reacties

10.2. Kwantitatieve aspecten van zuurbase-reacties 10.2. Kwantitatieve aspecten van zuurbase-reacties 1. ph-berekeningen van oplossingen van zuren en basen De zuurgraad ph = weergave van de zuurgraad van een oplossing ( zuurconcentratie) ph = - log a(h

Nadere informatie

H4SK-H7. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/67689

H4SK-H7. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. https://maken.wikiwijs.nl/67689 Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 28 juli 2016 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/67689 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs

Nadere informatie

Module 4 Zuren en Basen Antwoorden

Module 4 Zuren en Basen Antwoorden 1 ph en indicatoren Opmerking: informatie over zuurbase indicatoren vind je in tabel 52A. 1 Een H + ion is eigenlijk gewoon een proton (zonder elektronenwolk). 2 Er moet een elektron worden verwijderd.

Nadere informatie

Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4

Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4 Rekenen aan reacties Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4 6.1 Rekenen met de mol 6.2 Rekenen met massa s 6.3 Concentratie 6.4 SPA en Stappenplan 6.1 Rekenen met de mol Eenheden en grootheden 1d dozijn potloden 12

Nadere informatie

Frank Povel. a1. De twee factoren zijn: 1. er moeten geladen deeltjes zijn; 2. de geladen deeltjes moeten zich kunnen verplaatsen.

Frank Povel. a1. De twee factoren zijn: 1. er moeten geladen deeltjes zijn; 2. de geladen deeltjes moeten zich kunnen verplaatsen. UITWERKING CCVS-TENTAMEN 26 november 2014 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking

Nadere informatie

13 Evenwichten. Hoofdstuk 13 Evenwichten. 13.1 Omkeerbare reacties. 13.2 Dynamisch evenwicht

13 Evenwichten. Hoofdstuk 13 Evenwichten. 13.1 Omkeerbare reacties. 13.2 Dynamisch evenwicht 13 Evenwichten 13.1 Omkeerbare reacties Hoofdstuk 13 Evenwichten Het is in de praktijk vrijwel onmogelijk om beide reacties tegelijk te laten verlopen. 7 a Roze + n H 2 O Blauw.n H 2 O 3 1 a Schrijf beide

Nadere informatie

Oefenopgaven ENERGIE, REACTIESNELHEID en EVENWICHT

Oefenopgaven ENERGIE, REACTIESNELHEID en EVENWICHT Oefenopgaven vwo ENERGIE, REACTIESNELHEID en EVENWICHT OPGAVE 1 Happy en Fifax zijn merknamen van middelen die verstopte afvoeren weer ontstoppen. De inhoud van de verpakkingen blijkt te bestaan uit korrels

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 (de week van) woensdag 6 februari 2008 Deze voorronde bestaat uit 25 meerkeuzevragen verdeeld over 5 onderwerpen en 4 open vragen met in totaal

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN

OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN OEFENOPGAVEN MOLBEREKENINGEN * = voor VWO Salmiak, NH 4 Cl(s), kan gemaakt worden door waterstofchloride, HCl(g), te laten reageren met ammoniak, NH 3 (g) 01 Wat is de chemische naam voor salmiak? 02 Geef

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-I

Eindexamen scheikunde havo 2001-I Eindexamen scheikunde havo -I 4 Antwoordmodel Nieuw element (in de tekst staat:) deze atomen zijn eerst ontdaan van een aantal elektronen dus de nikkeldeeltjes zijn positief geladen Indien in een overigens

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties

Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties Hoofdstuk 2: Kenmerken van reacties Scheikunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 20122012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken

Nadere informatie

Hoofdstuk 8. Opgave 2. Opgave 1. Oefenvragen scheikunde, hoofdstuk 8 en 10, 5 VWO,

Hoofdstuk 8. Opgave 2. Opgave 1. Oefenvragen scheikunde, hoofdstuk 8 en 10, 5 VWO, Oefenvragen scheikunde, hoofdstuk 8 en 10, 5 VWO, Hoofdstuk 8 Opgave 1 Bruistabletten bevatten onder andere natriumwaterstofcarbonaat. Als je deze tabletten in water brengt, treedt een reactie op waarbij

Nadere informatie

Redoxreacties. Gegeven zijn de volgende reactievergelijkingen: Reactie 1: Pd Cl - 2- PdCl 4 Reactie 2: 2 Cu I - -

Redoxreacties. Gegeven zijn de volgende reactievergelijkingen: Reactie 1: Pd Cl - 2- PdCl 4 Reactie 2: 2 Cu I - - Redoxreacties 5vwo Opgave 1 Redox of niet? Gegeven zijn de volgende reactievergelijkingen: Reactie 1: Pd 2+ + 4 Cl - 2- PdCl 4 Reactie 2: 2 Cu 2+ + 5 I - - 2 CuI + I 3 Leg voor elk van beide reacties uit

Nadere informatie

Rekenen aan reacties (de mol)

Rekenen aan reacties (de mol) Rekenen aan reacties (de mol) 1. Reactievergelijkingen oefenen: Scheikunde Deze opgaven zijn bedoeld voor diegenen die moeite hebben met rekenen aan reacties 1. Reactievergelijkingen http://www.nassau-sg.nl/scheikunde/tutorials/deeltjes/deeltjes.html

Nadere informatie

scheikunde bezem vwo 2016-I

scheikunde bezem vwo 2016-I WC-reinigers 5 maximumscore 3 Cl 2 + 4 OH 2 ClO + 2 H 2 O + 2 e Cl 2 voor de pijl en ClO na de pijl 1 OH voor de pijl en H 2 O na de pijl 1 elektronen na de pijl en juiste coëfficiënten 1 6 maximumscore

Nadere informatie

Uitwerkingen van de opgaven uit: CHEMISCHE ANALYSE ISBN , 1 e druk, Uitgeverij Syntax Media Hoofdstuk 5 Argentometrie bladzijde 1

Uitwerkingen van de opgaven uit: CHEMISCHE ANALYSE ISBN , 1 e druk, Uitgeverij Syntax Media Hoofdstuk 5 Argentometrie bladzijde 1 Hoofdstuk 5 Argentometrie bladzijde 1 Opgave 1 Bereken met behulp van het oplosbaarheidsproduct de oplosbaarheid (g/l) in zuiver water bij kamertemperatuur, van: a CuBr K s = 5,2 x 10-9 CuBr Cu + + Br

Nadere informatie

Eindexamen vwo scheikunde pilot I

Eindexamen vwo scheikunde pilot I Duurzame productie van waterstof uit afvalwater 1 maximumscore 4 C 6 H 12 O 6 + 4 H 2 O 4 H 2 + 2 CH 3 COO + 2 HCO 3 + 4 H + molverhouding CH 3 COO : HCO 3 = 1 : 1 en C balans juist 1 coëfficiënt voor

Nadere informatie

Oefentoets zuren en basen havo

Oefentoets zuren en basen havo Oefentoets zuren en basen havo Opgave 1 Melk en yoghurt Zweedse voedingswetenschappers hebben in 2014 bij meer dan 10000 mensen onderzocht of melk en melkproducten gezond zijn. Het doel van het onderzoek

Nadere informatie

UITWERKING CCVS-TENTAMEN 16 mei 2014 Frank Povel

UITWERKING CCVS-TENTAMEN 16 mei 2014 Frank Povel UITWERKING CCVSTENTAMEN 16 mei 2014 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking

Nadere informatie

Oefenopgaven REDOXREACTIES vwo Reactievergelijkingen en halfreacties

Oefenopgaven REDOXREACTIES vwo Reactievergelijkingen en halfreacties Oefenopgaven REDOXREACTIES vwo Reactievergelijkingen en halfreacties OPGAVE 1 Geef de halfreactie waarbij 01 P 2 O 5 wordt omgezet in PH 3. 02 Jodaat, IO 3 - in neutraal milieu wordt omgezet in H 5 IO

Nadere informatie

OEFENSET 2007_1 OPGAVEN

OEFENSET 2007_1 OPGAVEN EFENSET 2007_1 PGAVEN werk: Evelien Veltman (secretaresse) Instituut voor eerplanontwikkeling Postbus 2041/7500 CA Enschede Telefoon: (053)4840339 privé: P.A.M. de Groot Kamperzand 1/1274 HK Huizen Telefoon:

Nadere informatie

2 H 2 O(vl) H 3 O + (aq) + OH - (aq) Deze evenwichtsreactie wordt meestal eenvoudiger als volgt geschreven:

2 H 2 O(vl) H 3 O + (aq) + OH - (aq) Deze evenwichtsreactie wordt meestal eenvoudiger als volgt geschreven: Zuren en basen 1. Autoionisatie van water Op het eerste gezicht geleidt water de elektrische stroom niet. Bij gebruik van meer gevoelige meetapparatuur blijkt water toch de elektrische stroom te geleiden,

Nadere informatie

Uitwerkingen van de opgaven uit: BASISCHEMIE voor het MLO ISBN 9789077423875, 3 e druk, Uitgeverij Syntax Media Hoofdstuk 10 Concentratie bladzijde 1

Uitwerkingen van de opgaven uit: BASISCHEMIE voor het MLO ISBN 9789077423875, 3 e druk, Uitgeverij Syntax Media Hoofdstuk 10 Concentratie bladzijde 1 Hoofdstuk 10 Concentratie bladzijde 1 Opgave 1 rekenformule: c(b) = ------- toepassen: n B V opl. Bereken de analytische concentratie (mol/l) in elk van de volgende oplossingen: a 5,00 mol NaCl in 5,00

Nadere informatie

7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen

7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen 7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen 7.1 Oxiden Vrijwel alle elementen kunnen, min of meer heftig reageren met zuurstof. De gevormde verbindingen worden oxiden genoemd. In een van de voorafgaande

Nadere informatie

Voorkennistoets De Bewegende Aarde Voorkennis voor het basisdeel H1, H2, H3

Voorkennistoets De Bewegende Aarde Voorkennis voor het basisdeel H1, H2, H3 Voorkennistoets De Bewegende Aarde Voorkennis voor het basisdeel H1, H2, H3 A. wiskunde Differentiëren en primitieve bepalen W1. Wat is de afgeleide van 3x 2? a. 3x b. 6x c. x 3 d. 3x 2 e. x 2 W2. Wat

Nadere informatie

EVENWICHTEN VOOR ZUREN EN BASEN

EVENWICHTEN VOOR ZUREN EN BASEN EVENWICHTEN VOOR ZUREN EN BASEN Een zuur is een chemisch bestanddeel dat waterstofionen afsplitst bij oplossen in water H zuurrest water H zuurrest Een base is een chemisch bestanddeel dat hydroxide-ionen

Nadere informatie

Oefenopgaven REDOX vwo

Oefenopgaven REDOX vwo Oefenopgaven REDOX vwo OPGAVE 1 Geef de halfreactie waarbij 01 P 2 O 5 wordt omgezet in PH 3. 02 Jodaat, IO 3 - in neutraal milieu wordt omgezet in H 5 IO 6. 03 Methanol in zuur milieu wordt omgezet in

Nadere informatie

Uitwerkingen Uitwerkingen 4.3.4

Uitwerkingen Uitwerkingen 4.3.4 Uitwerkingen 4.3.1 1 1,5 12 = 18 eieren 2 3,25 144 = 468 figuurzaagjes 3 25 24 = 600 bierflesjes 4 3,75 20.000 = 75.000 korrels hagelslag 5 2,25 10.000.000 = 22.500.000 zoutkorrels 6 1,5 6 10 23 = 9 10

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. [CH Hg ][Cl ] 3 [CH HgCl]

Vraag Antwoord Scores. [CH Hg ][Cl ] 3 [CH HgCl] Eindexamen vwo scheikunde 201-II Beoordelingsmodel Kwikvergiftiging in Japan 1 maximumscore 2 + [CH Hg ][Cl ] = K of [CH HgCl] K = + [CH Hg ][Cl ] [CH HgCl] Indien als antwoord slechts de juiste concentratiebreuk

Nadere informatie

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn.

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn. Antwoorden 1 Hoeveel protonen, elektronen en neutronen heeft een ion Fe 3+? 26 protonen, 23 elektronen, 30 neutronen 2 Geef de scheikundige namen van Fe 2 S 3 en FeCO 3. ijzer(iii)sulfide en ijzer(ii)carbonaat

Nadere informatie

Oefentoets zuren en basen vwo

Oefentoets zuren en basen vwo Oefentoets zuren en basen vwo Opgave 1 Melk en yoghurt Zweedse voedingswetenschappers hebben in 2014 bij meer dan 10000 mensen onderzocht of melk en melkproducten gezond zijn. Het doel van het onderzoek

Nadere informatie

Eindexamen havo scheikunde pilot 2013-I

Eindexamen havo scheikunde pilot 2013-I Beoordelingsmodel ph-bodemtest 1 maximumscore 2 Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Het tabletje bevat bariumsulfaat en deze stof is slecht oplosbaar (in water). notie dat het tabletje

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATINALE SHEIKUNDELYMPIADE RRETIEMDEL VRRNDE 1 (de week van) woensdag 4 februari 2009 Deze voorronde bestaat uit 24 meerkeuzevragen verdeeld over 5 onderwerpen en 3 open vragen met in totaal 13 deelvragen

Nadere informatie

S S. Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo 140,71. Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle. Hoofdstuk 1 Atoombouw

S S. Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo 140,71. Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle. Hoofdstuk 1 Atoombouw Errata Nova scheikunde uitwerkingen leerjaar 4 havo Met dank aan Mariëlle Marsman, Mill-Hill College, Goirle Hoofdstuk 1 Atoombouw Theorie 19 b 78,99 23,98504 10,00 24,98584 11,01 25,98259 24, 31 100 20

Nadere informatie

V5SK-H9. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

V5SK-H9. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 27 October 2016 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/81457 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs

Nadere informatie

Zuren en basen versie 28-10-2015

Zuren en basen versie 28-10-2015 Zuren en basen versie 28-10-2015 Je kunt bij een onderwerp komen door op de gewenste rubriek in de inhoud te klikken. Wil je vanuit een rubriek terug naar de inhoud, klik dan op de tekst van de rubriek

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen

Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II Vmbo 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II 1. Bouw van materie 2. Verbranding 3. Water, zuren en basen 4. Basis chemie voor beroep

Nadere informatie

Oplossingen oefeningenreeks 1

Oplossingen oefeningenreeks 1 Oplossingen oefeningenreeks 1 4. Door diffractie van X-stralen in natriumchloride-kristallen stelt men vast dat de eenheidscel van dit zout een kubus is waarvan de ribbe een lengte heeft van 5.64 10-10

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

scheikunde oude stijl havo 2015-I

scheikunde oude stijl havo 2015-I Snelle auto's 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De molecuulformule C 7 H 12 voldoet niet aan de algemene formule voor alkanen: C n H 2n+2. Het mengsel bestaat dus niet uitsluitend

Nadere informatie

Examen VWO. scheikunde 1,2. tijdvak 1 dinsdag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen VWO. scheikunde 1,2. tijdvak 1 dinsdag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen VWO 2009 tijdvak 1 dinsdag 26 mei 13.30-16.30 uur scheikunde 1,2 Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 23 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 68 punten

Nadere informatie

Zuren en basen: een moeilijk duo. Michiel Vogelezang Instituut voor Leraar en School, Nijmegen Woudschoten, 7 en 8 november 2008

Zuren en basen: een moeilijk duo. Michiel Vogelezang Instituut voor Leraar en School, Nijmegen Woudschoten, 7 en 8 november 2008 Zuren en basen: een moeilijk duo Michiel Vogelezang Instituut voor Leraar en School, Nijmegen Woudschoten, 7 en 8 november 2008 Wat vinden uw leerlingen moeilijk? Maak een onderscheid tussen: 3 h/v 4 h/v

Nadere informatie

toelatingsexamen-geneeskunde.be Vraag 2 Wat is de ph van een zwakke base in een waterige oplossing met een concentratie van 0,1 M?

toelatingsexamen-geneeskunde.be Vraag 2 Wat is de ph van een zwakke base in een waterige oplossing met een concentratie van 0,1 M? Chemie juli 2009 Laatste wijziging: 31/07/09 Gebaseerd op vragen uit het examen. Vraag 1 Geef de structuurformule van nitriet. A. B. C. D. Vraag 2 Wat is de ph van een zwakke base in een waterige oplossing

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I EXAMEN: 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I EXAMEN: 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: NIVEAU: SCHEIKUNDE HAVO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1

Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1 Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1 Opgave 1 uitrekenen en afronden Bij +/- rond je af op het kleinste aantal DECIMALEN, bij x/ rond je af op het kleinste aantal SIGNIFICANTE CIJFERS. Bij gecombineerde

Nadere informatie

25/02/2017. [H 2 S] = K b,2 [OH ] = 1,

25/02/2017. [H 2 S] = K b,2 [OH ] = 1, 25/02/207 Meerstapshydrolyse van anionen Sommige anionen, afkomstig van meerbasische zuren hydrolyseren in meerdere stappen. De mate waarin elk van die hydrolysestappen doorgaat is afhankelijk van de desbetreffende

Nadere informatie

7.4.3 - de ph-schaal van 0 tot 14 in verband brengen met zure, neutrale en basische oplossingen en met de concentratie van H+-ionen en OH--ionen;

7.4.3 - de ph-schaal van 0 tot 14 in verband brengen met zure, neutrale en basische oplossingen en met de concentratie van H+-ionen en OH--ionen; Leergebied: concentratie Leerplannen LP Chemie 2e gr KSO GO 5.5.2 - de massaconcentratie van een oplossing definiëren als het aantal gram opgeloste stof per 100 ml oplossing; de oplosbaarheid van een stof

Nadere informatie

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten 4.1 Deeltjesmassa 4.1.1 Atoommassa De SI-eenheid van massa is het kilogram (kg). De massa van een H-atoom is gelijk aan 1,66 10 27 kg. m(h) = 0,000 000 000 000 000 000

Nadere informatie

UITWERKING CCVS-TENTAMEN 27 juli 2015

UITWERKING CCVS-TENTAMEN 27 juli 2015 UITWERKING CCVS-TENTAMEN 27 juli 2015 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VWO

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VWO UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: SCHEIKUNDE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

OEFENSET 2006_1 UITWERKINGEN

OEFENSET 2006_1 UITWERKINGEN EFENSET 006_1 UITWERKINGEN werk: Evelien Veltman (secretaresse Instituut voor eerplanontwikkeling Postbus 041/7500 CA Enschede Telefoon: (0534840339 privé: P.A.M. de Groot Kamperzand 1/174 HK Huizen Telefoon:

Nadere informatie

Scheikundige berekeningen rond bereidingen

Scheikundige berekeningen rond bereidingen Scheikundige berekeningen rond bereidingen 1 Introductie Bereidingsvoorschriften zijn zo opgesteld dat er in het product precies de juiste hoeveelheden stoffen aanwezig zijn. Maar wat te doen als je niet

Nadere informatie

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M Hoofdstuk 8 Rekenen met de mol bladzijde 1 Opgave 1 n = m / M a 64,0 g zuurstofgas (O 2) = 2,00 mol (want n = 64,0 / 32,0) enz b 10,0 g butaan (C 4H 10) = 0,172 mol c 1,00 g suiker (C 12H 22O 11) = 0,00292

Nadere informatie