Installatievoorschrift. Intergas Verwarming BV



Vergelijkbare documenten
Intergas Verwarming BV

Montagevoorschrift Intergas Kompakt HR - gaswandketel

Kombi Kompakt HR 22 HR 28 HR 28/24 HR 36/30

Kombi Kompakt HR 28/24 HR 36/30. Installatievoorschrift. Intergas Verwarming BV 1

Intergas Verwarming BV

Kombi Kompakt HR 28/24 36/30

Kompakt Solo HR 12 HR 22 HR 28

Kompakt Solo HRE 12 HRE 18 HRE 24 HRE 30 HRE 48

CW 6. Montage handleiding Lees voor het installeren en gebruiken van het toestel de installatievoorschriften zorgvuldig door. Intergas Verwarming BV 1

Kombi Kompakt HReco 24 HReco 30 HReco 36

Kombi Kompakt HRE 24/18 HRE 28/24 HRE 36/30 HRE 36/48

Kombi Kompakt HRE 24/18 A HRE 28/24 A HRE 36/30 A HRE 36/48 A

Installatievoorschriften. Bel-Ro-combi CLV systeem

MONTAGEVOORSCHRIFT INTERGAS VR LOW NOx-ps STAANDE C.V. KETEL

MONTAGEVOORSCHRIFT INTERGAS LOW NOx-ps STAANDE C.V. KETEL

Nefit Economy cv-boilers

4 INSTALLATIE. 4.1 Inbouwmaten Toestel met leidingen naar onderen aangesloten: Brink Climate Systems BV 10. Toestel + montagebeugel

Product-Data-Blad. Avanta CW6. De compacte ketel met grootse prestaties

Cascade-opstelling Nefit EcomLine HR pakket L2A. Lijnopstelling

5 AANSLUITEN Vloerverwarming. Vloerverwarming met pomp

Handleiding rookgascondensor INHOUDSOPGAVE: WERKING. 1.1 Algemeen 1.2 Werking INSTALLATIE

Twister Condenserende HR RVS boiler

Installatievoorschriften. CRB systeem

XTREME 36. BEDIENINGSVOORSCHRIFT Hoog Rendement Gaswandketel INHOUDSOPGAVE

SGE. warmtewisselaar SGE - 40/60. Innovation has a name.

5 AANSLUITEN Vloerverwarming. Vloerverwarmingsverdeler met pomp. Brink Climate Systems BV 15

Kompakt HRE eco 18/24 eco 24/28 eco 30/36

4 INSTALLATIE. 4.1 Inbouwmaten. Brink Climate Systems BV 10. Toestel met leidingen naar onderen aangesloten: Toestel + montagebeugel

SGE HR-Condenserende gas-zonneboiler met geïntegreerde

SGE. warmtewisselaar SGE - 40/60. Innovation has a name.

Kortsluiting van de aanvoer- Defecte of niet (goed) aangesloten aanvoer- of retourtemperatuursensor. Geen doorstroming

Montage handleiding BM kunststof PP rookgasafvoerleidingen

Kombi Kompakt HRE Kompakt Solo HRE. Onderdelenboek September Intergas Verwarming BV 1

Rogafa. Het nieuwe beugelen! Rogafa. Nieuw advies Wat is de beste manier om een rookgasafvoersysteem

Het cascadesysteem. in één compact toestel

Quinta Pro 45/65/90/115

Het nieuwe beugelen! Wat is de beste manier om een rookgasafvoersysteem

Nefit houdt Nederland warm. Gebruikersinstructie. Nefit Economy HR

Winterwarm. Het warme gevoel van Winterwarm. Technische Documentatie. the heat is on. HEATER Type HR30

Kombi Kompakt HRE 24/18 HRE 28/24 HRE 36/30. Installatievoorschrift. Intergas Verwarming BV 1

Voor de installateur. Montage-instructie. muur- en dakdoorvoerset Nefit EcomLine HR-toestellen (07/2013) NL

Het nieuwe beugelen!

Kompakt Solo HRE 12 A HRE 18 A HRE 24 A HRE 30 A HRE 48 A

GEBRUIKERSHANDLEIDING

Augustus 2013 Pagina 1

SGE. warmtewisselaar SGE - 40/60. Innovation has a name.

MYSON. Kickspace 500, 600 & 800. Installatie-, bedienings- en onderhoudsvoorschriften. Deze instructies dienen bij het toestel bewaard te worden

Bosch solar Pakket. Montage- en Gebruikershandleiding (2008/03)

Gebruikshandleiding. 8A /05.08 Wijzigingen voorbehouden.

Installatievoorschrift. ATAG Comfort Boilers. 8A /09.11 Wijzigingen voorbehouden.

Nefit EcomLine HR. Gebruikersinstructie. Nefit houdt Nederland warm

7 INSTELLING EN AFREGELING

Kompakt HRE eco 18 Solo 30 Solo 40 Solo

HET NIEUWE BEUGELEN CHECKLIST. Burgerhout PARTNER INNOVATIVE

Kombi Kompakt HRE 24/18 HRE 28/24 HRE 36/30. Installatievoorschrift. Brink Climate Systems BV 1

Installatie-instructie

CV module Plus Installatievoorschriften

Kombi Kompakt HR 22 A HR 28 A HR 28/24 A HR 36/30 A. Installatievoorschrift. Intergas Verwarming BV 1

Kombi Kompakt HR 22 A HR 28 A HR 28/24 A HR 36/30 A

Kompakt HR eco 28/24 eco 36/30

Kompakt HRE eco 18 Solo eco 30 Solo

Intergas Verwarming BV

5 AANSLUITEN Vloerverwarming. Vloerverwarmingsverdeler met pomp. Brink Climate Systems BV 15

P ROL INE HRC VOOR DE ZAKELIJKE MARKT. Nefit houdt Nederland warm P ROL INE HRC

Intergas Kompakt HR. onderdelenboek

6 INSTELLING EN AFREGELING

Systeemoplossing Zehnder CombiFlow

Kompakt Solo HRE 18 HRE 24 HRE 30

Itho Daalderop Condenserende cv-ketels. comfortabel. & efficiënt

BM Kunststof Systemen voor afvoer van rookgassen en toevoer van verbrandingslucht

Kunststof rookgasafvoersystemen. Dat installeert wel zo makkelijk!

Brink Climate Systems BV 40. Maatvoering rookgasafvoermateriaal: De rookgasafvoerdelen dienen te voldoen aan de volgende maatvoering:

Twister Condenserende HR RVS boiler

5 AANSLUITEN Vloerverwarming. Vloerverwarming met pomp

Cascade-opstelling Nefit EcomLine HR pakket L2B. Lijnopstelling

Kompakt HR eco 24 solo

Calenta. De meest doordachte CV-ketel ooit. 25s / 28c. met unieke warmtewisselaar

Internet: Nefit B.V., Postbus 3, 7400 AA Deventer. Nefit houdt Nederland warm. Gebruikersinstructie

Gebruikshandleiding. BUVA EcoHeat 14-4 BUVA EcoHeat 16-4 BUVA EcoHeat 18-5

TopLine HR 70/100 II Nieuwe generatie met groot vermogen

De professionele standaard voor kwaliteit, flexibiliteit en comfort

Quinta 25/30s en 28/35c

Nefit EcomLine HR. Gebruikersinstructie. Nefit houdt Nederland warm

Installatievoorschrift. ATAG Cascade. 8A /10.06 Wijzigingen voorbehouden.

TECHNISCHE INFORMATIE. HEAT PIPE 160 Easy

CW 6. Intergas Verwarming BV 1

E-Serie. De meest compacte, betrouwbare en zuinigste CV-ketel

Kunststof rookgasafvoersystemen. Geen kunst met kunststof!

CW 6. Intergas Verwarming BV 1

Collectieve kunststof rookgasafvoersystemen. Geen kunst met kunststof!

KICKSPACE 500, 600 & 800.

Rogafa. Het nieuwe beugelen! Rogafa. Nieuw advies Wat is de beste manier om een rookgasafvoersysteem

Kompakt Solo HR 24 HR 32

STORINGSHANDLEIDING GASGESTOOKTE LUCHTVERWARMERS

Itho Daalderop Zonneboilers en zonnecollectoren. product-

Bedienings- en servicehandleiding

De ET31F (die alleen de vloertemperatuur meet) kan in een andere ruimte geplaatst worden.

Stadsverwarming verdeler

Quality Heating elektrische vloerverwarmingsfolie

60.51 CENTRALE WARMTE-OPWEKKINGSAPPARATEN

Transcriptie:

Installatievoorschrift Lees voor het installeren en gebruiken van dit toestel deze installatie voorschriften zorgvuldig door. Bewaar dit installatievoorschrift in de buurt van het cv-toestel. Handel altijd volgens de aangegeven voorschriften. Intergas Verwarming BV 1

Intergas Verwarming BV 2 Inhoud 1 Technische specificaties.......................................................................... 3 1.1 Algemeen:....................................................................................................... 3 1.2 Afmetingen en montagematen:........................................................................................ 3 1.3 Componenten.................................................................................................... 4 1.4 Elektrisch aansluitschema:........................................................................................... 5 2 Toestelomschrijving.............................................................................. 6 2.1 Leveringsomvang:................................................................................................. 6 2.2 Werking algemeen................................................................................................. 6 2.2.1 Werking CV...................................................................................................... 6 2.2.2 Werking tapwaterbereiding........................................................................................... 6 3 Installatie....................................................................................... 6 3.1 Normen:........................................................................................................ 6 3.2 Uitpakken:....................................................................................................... 6 3.3 Ophangen....................................................................................................... 6 3.4 Aansluiten....................................................................................................... 7 3.4.1 Condensafvoer................................................................................................... 7 3.4.2 CV-installatie..................................................................................................... 7 3.4.3 Sanitairwater:..................................................................................................... 7 3.4.4 Gaszijdig........................................................................................................ 8 3.4.5 Elektrotechnisch.................................................................................................. 8 3.4.6 Rookgasafvoer en luchttoevoer....................................................................................... 8 4 Inbedrijfstelling................................................................................. 18 4.1 Vullen en ontluchten van toestel en installatie............................................................................ 18 4.1.1 CV-systeem:.................................................................................................... 18 4.1.2 Warmwatervoorziening:............................................................................................ 18 4.2 Starten van het toestel............................................................................................. 18 4.3 Buiten bedijf stellen............................................................................................... 19 4.3.1 Vorstbeveiliging.................................................................................................. 19 5 Instellen en afregelen............................................................................ 19 5.1 Branderautomaat................................................................................................. 19 5.1.1 Direct via display................................................................................................. 19 5.1.2 Via de installateurscode............................................................................................ 19 5.2 Maximaal cv vermogen............................................................................................ 20 5.3 CV-pomp....................................................................................................... 20 5.4 Tapwater temperatuur............................................................................................. 20 5.5 Gas-lucht regeling:................................................................................................ 20 5.5.1 Afstelling gasblok d.m.v. meting CO2 gehalte verbrandingsgassen:........................................................... 21 5.5.2 Afstelling gasblok d.m.v. drukmeting................................................................................... 21 6 Onderhoud.................................................................................... 22 6.1 Reiniging exterieur:............................................................................................... 22 6.2 Periodieke reiniging/controle wisselaar:................................................................................ 22 7 Storingsanalyse................................................................................ 23 7.1 Storingscodes................................................................................................... 23 7.2 Brander ontsteekt niet............................................................................................. 23 7.3 Brander ontsteekt luidruchtig........................................................................................ 24 7.4 Brander resoneert................................................................................................ 24 7.5 Geen C.V....................................................................................................... 24 7.6 C.V. komt niet op temperatuur....................................................................................... 25 7.7 Warmwater komt niet op temperatuur.................................................................................. 25 7.8 Onvoldoende hoeveelheid warmwater................................................................................. 25 7.9 Boiler wordt niet opgewarmd........................................................................................ 26 8 Garantie....................................................................................... 27 8.1 Garantiebepalingen:............................................................................................... 27 8.2 Overeenkomstigheidsverklaring volgens ISO IEC GUIDE 22:................................................................ 27

1. Technische specificaties 1.1 Algemeen: Toestel Type: Gesloten toestel met geïntegreerde warmwatervoorziening Toestel categorie C13: C33: C43: C:53 C63 C:83: Inbouwmaten (zie ook figuur): Gasvoordruk 20-30 mbar Hoogte 1070 mm Geschikt voor gas II 2 L 3 P Breedte 870 mm Nom. belasting bovenwaarde 9,7-32,3 kw Diepte 450 mm Nom. belasting onderwaarde 8,7-29,1 kw Gewicht (ledig) Ca. 64 kg Nom. vermogen bij 80/60 8.5-28,1 kw Nom. vermogen bij 50/30 9,3-28,7 kw Aansluitingen: Gasverbruik 1,0-3.5 m 3 /h A=Aanvoer CV ø22 mm knel R=Retour CV ø22 mm knel Max. CV-waterdruk 3 bar Ww=Warm water ø15 mm knel Max. CV-watertemperatuur 90 C Kw=Koud water ø15 mm knel Tapdrempel geen G=Gas ø15 mm knel Tapwaterhoeveelheid 60 C 10,2 ltr/min C=Condensafvoer (afvoer sifon) ø25 mm flexibel Tapwaterhoeveelheid 40 C 17 ltr/min Max. tapwatertemperatuur 60 C rookgasafvoer / luchttoevoer dubbelpijps ø80 / ø80 mm rookgasafvoer / luchttoevoer concentrisch * ø80/ ø125 mm Elektrische beschermingsgraad IP40 * met op bestelling leverbare adapterset 1.2 Afmetingen en montagematen: De minimaal vrij te houden ruimte links van het toestel bedraagt 20mm en rechts 70 mm. Intergas Verwarming BV 3

1.3 Componenten 1. Ventilator 19. Voorplaat warmtewisselaar 2. Gasblok + ontsteekunit 20. Rookgaskoker 3 Meetnippel branderdruk 21. Ontsteekpen 4. Meetnippel CO 2 22. Boiler 5. Branderautomaat, display en manometer 23. Boilersensor S4 6. Schermkap onder 24. Tapwaterpomp 7. Aanvoersensor S1 25. Regelventiel 1 8. Retoursensor S2 26. Regelventiel 2 9. Gaskraan 27. Stromingsschakelaar 10. Kwartslagsluiting mantel (2x) 28. Inlaatcombinatie 11. Schermkap boven 29. Warmwatersensor S3 12. Achterhelft mantel 30. Aanvoerbuis 13. Montagebeugel 31. Ontluchter 14. Bollen (boven en onder) 32. Retourbuis 15. Voorhelft mantel 33. Vulaftapkraan 16. Syphon 34. CV-pomp 17. Sluiting ketelunit 35. Overstortventiel 18. Warmtewisselaar Intergas Verwarming BV 4

1.4 elektrisch aansluitschema: Intergas Verwarming BV 5

2 Toestelomschrijving 2.1 Leveringsomvang: Het toestel wordt in één verpakking in delen geleverd en tijdens de installatie samengevoegd. Geleverd worden: Ophangstrip, aansluitbeugel (met aansluitkoppelingen) en bevestigingsmateriaal (pluggen en schroeven) Manteldelen Ketelunit Boiler Leidingenset (Inclusief: inlaatcombinatie, overstortventiel, vul/aftapkraan en gaskraan). 2.2 Werking algemeen De Intergas Prestige is een modulerende HR ketel. Dit betekent dat het vermogen wordt aangepast aan elke gewenste warmtebehoefte. Het toestel is bedoeld voor het leveren van warmte aan het water van een CV-installatie en het verwarmen van tapwater. De beide systemen zijn dubbelwandig van elkaar gescheiden. Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorziening de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt. De ketel is geschikt voor het naverwarmen van een zonneboiler, hiervoor is op bestelling een ombouwset leverbaar. 2.2.1 Werking CV De warmtevraag ontstaat doordat de ruimtetemperatuur lager is als de ingestelde temperatuur van de kamerthermostaat. Wanneer het toestel dan geen warmwatervraag heeft, gaat het toestel aan op CV-bedrijf. De CV-temperatuur regeling moduleert op basis van de ingestelde ketelwatertemperatuur (instelbaar tussen 30 en 90 C). Dit betekent dat als de gewenste keteltemperatuur wordt benaderd het toestel het vermogen aanpast. De circulatiepomp heeft een nadraaitijd van 1 minuut Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. De automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostaat even omhoog gezet te worden. 2.2.2 Werking tapwaterbereiding Het toestel bestaat uit een warmtewisselaar deel en een Quickfillboiler deel. De boiler zorgt voor de opslag van warmwater. Het warme water is vervolgens direct beschikbaar voor de gebruiker. Het mengventiel zorgt voor een stabiele uitstroomtemperatuur. Bij gelijktijdige CV- en warmwatervraag zal de warmwaterfunctie altijd voorrang hebben op de CV-functie. Tijdens het tappen wordt warmwater onttrokken aan de boiler. Als de temperatuur van de boiler daalt zal het toestel aanslaan. Het water wordt nu opgewarmd in het tapspiraal van de warmtewisselaar. Zolang de gewenste temperatuur nog niet is bereikt zal het water de boiler instromen. Als het water de gewenste temperatuur heeft bereikt zal het thermostatisch omschakelventiel omschakelen en wordt het water uit de warmtewisselaar vermengd met het water uit de boiler. Door het schakelen van het omschakelventiel wordt de in- en uitstroom van de boiler minder. De doorstroming van de warmtewisselaar is beperkt tot 7,3 L/min, bij een afname van meer warmwater wordt de bypass aangesproken. De in- en uitstroom van de boiler wordt hierdoor vergroot. De boiler wordt opgewarmd als de temperatuur van de boilersensor is gedaald. De tapwaterpomp zorgt voor de circulatie van het water. Het omschakelventiel zorgt ervoor dat er alleen water van 60 C de boiler instroomt. Zolang het water de gewenste temperatuur niet heeft bereikt zal er alleen circulatie plaatsvinden over de warmtewisselaar. Hierdoor is de warmtewisselaar sneller op temperatuur. Als het omschakelventiel heeft geschakeld zal het water de boiler instromen. Als de boiler-sensor de gewenste temperatuur heeft bereikt wordt het toestel uitgeschakeld. De nadraaitijd van de pomp zorgt ervoor dat de restwarmte van de wisselaar in de boiler wordt gebracht. De nadraaitijd van de sanitairpomp is 1 minuut. De nadraaitijd van de beide pompen (cv en sanitair) wordt onderbroken als er zich een tapwatervraag voordoet. NB. De Intergas Prestige voldoet aan het CW-label klasse 5. Dit houdt in dat het toestel ten minste 7,5 liter water per minuut van 60 C levert, een douche met 6 tot 12,5 liter water per minuut van 40 C kan voeden en een bad van 150 liter kan vullen met tenminste 15 liter water per minuut van 40 C gemiddeld. Gelijktijdigheid van de functies is hierbij niet vereist. De specifieke leidinglengte bij een leidingdiameter van 12/10 mm bedraagt 29,25 meter. Bij een leidingdiameter van 15/13 mm bedraagt dit 17,15 meter. Het CW tapdebiet en het specifieke badvuldebiet bedragen 10,2 l/min 3 Installatie 3.1 Normen: De installateur dient er zorg voor te dragen dat de gehele installatie voldoet aan de geldende (veiligheids-)voorschriften zoals die vermeld zijn in: Dit Installatievoorschrift NEN 1078, NEN 3028 Voorschriften voor aardgas installaties NEN 1006 Algemene voorschriften voor drinkwater installaties. NEN 1087 Ventilatie van woongebouwen. NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspannings installaties NEN 2757 Toevoer verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoestellen. NEN 2920 Eisen voor huishoudelijke gasverbruikinstallaties. NEN 3028 Veiligheidseisen voor CV installaties. NEN 3215 Binnenriolering in woningen en woongebouwen NPR 1088 Toelichting op NEN 1087 NPR 3378 Toelichting bij 1078 Het bouwbesluit en de mogelijk plaatselijke voorschriften van gemeente, brandweer en nutsbedrijven. 3.2 Uitpakken: De manteldelen, ketelunit, boiler, en leidingenset worden in één doos geleverd. Deze zijn min of meer in de uiteindelijke montagepositie verpakt. Controleer het toestel na het uitpakken op eventuele vervoersbeschadegingen. Deze direct melden aan de leverancier. 3.3 Ophangen (zie ook de meegeleverde Montage Handleiding) Verzeker u ervan dat de muur waarop het toestel wordt gemonteerd vlak is en het gewicht van het met water gevulde toestel kan dragen (±110kg). Houdt ten behoeve van montage en het onderhoud enige ruimte vrij rond de ketel (de minimaal vereiste Intergas Verwarming BV 6

ruimte is aangegeven in de figuur Afmetingen en montagematen onder 1.2) Boor de gaten voor het bevestigen van het ophangprofiel. Monteer het ophangprofiel. Zorg ervoor dat het ophangprofiel horizontaal gemonteerd is. Boor de gaten voor de montagebeugel. Monteer de montagebeugel. Sluit de installatie aan op de koppelingen van de montagebeugel. Dicht de uitgangen van de T-stukken die niet gebruikt gaan worden af met de meegeleverde afsluitkapjes. Hang het achterdeel van de buitenmantel op het ophangprofiel. Hang het ketelunit aan het ophangprofiel. Hang de boiler in het achterdeel van de buitenmantel aan het ophangprofiel. Na het aansluiten van de verschillende functies, zoals hierna beschreven, kunnen de overige manteldelen geplaatst worden. Plaats eerst de bollen (lange lip links). Daarna de voorhelft van de mantel, rechts inhaken en dicht draaien. Afsluiten met de kwartslag sluitingen achter het display venster. Plaats tot slot de schermkap onder met de haken in de getrapte sleuven in de onderzijde van de mantel. 3.4.2.1 Vloerverwarming Indien de installatie geheel of gedeeltelijk is uitgevoerd met vloerverwarming, moet voorkomen worden dat ongewenste circulatie door het toestel kan optreden als gevolg van een tweede pomp in de installatie. Dit i.v.m. de goede werking van de warmwatervoorziening. Een vloerverwarming dient indirect hydraulisch neutraal aangesloten te worden volgens fig.2 of te worden voorzien van een extra elektrische afsluiter (230V~), die de doorstroming door het toestel bij geen CV-warmtevraag voorkomt. Deze dient parallel over de CV-pomp aangesloten te worden (zie 1.4 Elektrisch aansluitschema) Fig. 2: Vloerverwarming (hydraulisch neutraal) 3.4 Aansluiten 3.4.1 Condensafvoer Sluit de condensafvoer (sifon) eventueel tezamen met de overstortleiding van de inlaatcombinatie en het overstortventiel aan op het riool via een open aansluiting (zie fig.1). Handel hierbij altijd volgens de laatste eisen NEN 3215 (binnenriolering). Vul de sifon met water. NB.: De bovenste wartelmoer van de sifon zit al op het keteldeel gemonteerd. Fig. 1: Voorbeeld open rioolaansluiting 3.4.2 CV-installatie Spoel de installatie goed schoon. Monteer de aanvoer- en retourleiding aan de montagebeugel en de ketelunit. Let op dat alle leidingen spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de leidingen ed. te voorkomen. Bestaande verbindingen mogen niet verdraaid worden i.v.m. lekkages die hierdoor kunnen ontstaan. De Intergas Prestige is standaard voorzien van een vulaftapkraan. De Intergas Prestige is standaard voorzien van een overstortventiel van 3 bar. Plaats in de retourleiding een expansievat. N.B. Bij toepassing van een niet veerbediende terugslagklep dient deze verticaal gemonteerd te worden. 3.4.2.2 Thermostatische radiatorkranen Bij een CV installatie waarvan alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsluitbare radiatorkranen dient een shuntleiding aangebracht te worden voor een minimale watercirculatie. De shuntleiding dient minimaal 6 meter van het toestel verwijderd te zijn om oververhitting van het toestel te voorkomen. 3.4.3 Sanitairwater: Spoel de installatie goed schoon. Sluit de tapwaterleidingenset aan te beginnen bij de linker aansluiting op de boiler, daarna de rechter en van rechts naar links de overige aansluitingen. Eerst handvast daarna in dezelfde volgorde natrekken. (Denk om de afdichtingen) In de ketel is in de stromingsschakelaar een doseerventiel gemonteerd waarmee automatisch een tapwaterhoeveelheid wordt ingesteld. Indien de waterdruk voor het doseerventiel lager is dan 0,8 Bar, dan dient het doseerventiel verwijderd te worden en de doorstroming met behulp van een reduceer afgesteld te worden. Indien het toestel tijdens de winter buiten gebruik wordt gesteld, dient om bevriezing te voorkomen, het sanitairwater afgetapt te worden. Intergas Verwarming BV 7

3.4.4 Gaszijdig (Handel altijd volgens NEN 1078, NEN 3028 en eventuele plaatselijke voorschriften.) Monteer de meegeleverde gaskraan in de knie op de aansluitbeugel. (Bedienings handel naar beneden.) Monteer de gasleiding tussen de gaskraan en de ketelunit. (Denk om de afdichtingen) Plaats bij te verwachten vuil in het gas een gaszeef in de aansluiting voor het toestel. Indien het gasblok op dichtheid wordt gecontroleerd dan dient dit te geschieden met een druk van ten hoogste 50 mbar. Sluit het geheel spanningsvrij aan. Het maximaal cv vermogen wordt in de fabriek ingesteld op 50% (=ca. 14kW). Indien voor de cv installatie meer of minder vermogen nodig is, dan kan het maximaal cv vermogen gewijzigd worden door het ventilatortoerental te wijzigen (zie Tabel 2 blz. 21: Instelling cv-vermogen). 3.4.5 Elektrotechnisch (Handel altijd volgens de laatste eisen NEN 1010 en eventuele plaatselijke voorschriften.) Sluit de bedrading onder de ketelunit aan op de tapwaterleidingset (warmwater-sensor, boiler-sensor, stromingsschakelaar en tapwaterpomp). Voor het aansluiten van diverse regelingen is op de branderautomaat een connector met schroefaansluitingen geplaatst. Deze kunnen als volgt bereikt worden: Ontgrendel de kwartslagsluitingen achter het displayvenster m.b.v een schroevendraaier en neem de voorzijde van de mantel weg. Draai de schroef boven de display los en trek de display met automaat naar voren. Voer de kabels door de daarvoor bestemde doorvoeren in de achterwand van de branderautomaat behuizing en sluit ze volgens elektrisch aansluitschema aan op de connectoren (zie 1.4 blz. 5). Het opgenomen vermogen bedraagt tijdens vollast 105 Watt, tijdens deellast 40 Watt en tijdens standby 2,4 Watt. 3.4.5.3 Weersafhankelijke regeling Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler om de cv aanvoerwater temperatuur te regelen. De buitenvoeler kan in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat worden toegepast. De buitentemperatuurvoeler wordt op bestelling geleverd art.nr. 203.207. Voor de stooklijninstelling zie 5.4 blz. 21. 3.4.5.4 Modulerende thermostaat De Intergas Prestige is geschikt voor het aansluiten van een modulerende thermostaat werkend volgens het OpenTherm communicatie protocol. Herkenbaar aan het OpenTherm symbool. De OpenTerm kamerthermostaat is een thermostaat met een speciaal communicatieprotocol, het OpenTherm protocol. De belangrijkste taak van deze thermostaat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, zodat er optimaal gebruik gemaakt kan worden van het moduleren. 3.4.5.1 Netvoeding De netvoeding 230V~ is volgens het elektrisch aansluitschema (zie 1.4 blz. 5) aangesloten d.m.v. een snoer met randaarde stekker. Sluit deze aan op een wandcontactdoos met randaarde die zich binnen het bereik van de randaarde stekker bevindt (lengte snoer Ca. 1 meter). Deze moet te allen tijde bereikbaar zijn. Indien het netsnoer moet worden vervangen, dient dit te worden uitgevoerd door de fabrikant of zijn vertegenwoordiger. Het toestel is geschikt voor opstellingen volgens IP40. 3.4.5.2 Kamerthermostaat aan/uit De kamerthermostaat wordt volgens het elektrisch aansluitschema (zie 1.4 blz. 5) op de branderautomaat aangesloten. Indien er een terugkoppelweerstand aanwezig is op de kamerthermostaat stel deze dan in op 0,1 A. Bij twijfel moet de stroom worden gemeten en overeenkomstig worden ingesteld. De maximale weerstand van de thermostaatleiding en de kamerthermostaat bedraagt tezamen 15 Ohm. De klokthermostaat kan met maximaal 3VA 24V gevoed worden. Intergas Verwarming BV 8

3.4.6 Rookgasafvoer en luchttoevoer De verbrandingsgasafvoerleiding en luchttoevoerleiding dienen in minimaal ø 80 mm uitgevoerd te worden. Of bij een concentrische afvoer in minimaal ø80x125. De rookgasafvoer en luchttoevoerinstallatie moet voldoen aan: NEN 1078 sectie vier, gesloten toestellen in opstellingsruimten, toestel met ventilator met een schoorsteenverlies kleiner dan 17% (condenserend). Plaatselijk geldende voorschriften De verbrandingsgasafvoer moet op afschot naar het toestel gemonteerd worden. Het toestel is voorzien van een condensaatafvoer. 3.4.6.1 Open toestel aansluiting Indien het toestel als open toestel wordt geplaatst, dan dient de opstellingsruimte voorzien te zijn van de noodzakelijke verbrandingsluchttoevoeropeningen (NEN2757). Fig. 3. Opstellingsmogelijkheden voor gesloten toestellen 3.4.6.2 Gesloten aansluiting Tweepijps Verwijder t.b.v. van de luchttoevoer de linker uitbreekpoort uit de afdekkap aan de bovenzijde van het toestel. Monteer de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer. De verbrandingsgasafvoer en luchttoevoerleiding van ø 80 mm kunnen eenvoudig in de afvoer- en toevoerstomp van ø 80 mm geschoven worden. Deze verbindingen behoeven niet afgeplakt te worden, omdat de ingebouwde siliconen afdichtring voor een luchtdichte aansluiting zorgt. Indien de kans op condensatie aan de buitenzijde van de luchttoevoerleiding aanwezig is, als gevolg van een lage wandtemperatuur en een hoge ruimtetemperatuur met een hoge relatieve vochtigheid, kan de luchttoevoerleiding geïsoleerd worden met 10 mm dampdicht isolatiemateriaal. Concentrische aansluiting Door middel van de op bestelling leverbare Rookgasadapterset Prestige kan de standaard tweepijps aansluiting (2x ø80mm) eenvoudig worden gewijzigd in een concentrische aansluiting (ø80/125mm). Sluit de luchttoevoeraansluiting in het ketelunit af met de meegeleverde dop ø 80 mm. Verwijder de uitbreekring rond de rookgasafvoer uit de afdekkap aan de bovenzijde van het toestel. Verwijder de afdichtring rond de rookgasafvoer in het ketelunit en plaats de bij de afvoerset geleverde afdichtring. Plaats de adapter t.b.v. de concentrische afvoer. 3.4.6.4 Doortocht, materiaal en isolatie a.verbrandingsgasafvoer: De verbrandingsgasafvoerleiding dient in minimaal ø 80 mm uitgevoerd te worden. Het materiaal van de verbrandingsgasafvoer dient gekozen te worden volgens tabel 8 van NEN 1078 (schoorsteenverlies tot 17%). b.luchttoevoer: De luchttoevoerleiding dient in minimaal ø 80 mm uitgevoerd te worden. Het materiaal van de luchttoevoerleiding kan afhankeiijk van de plaatselijke voorschriften van bijv. brandweer en/of energiebedrijf naar keuze uitgevoerd worden in bijv. aluminium, verzinkt plaatstaal (spiralobuis) roestvaststaal of kunststof. Indien de kans op condensatie aan de buitenzijde van de luchttoevoerleiding aanwezig is, als gevolg van een lage wandtemperatuur en een hoge ruimtetemperatuur met een hoge relatieve vochtigheid, kan de luchttoevoerleiding geïsoleerd worden met 10 mm dampdicht isolatiemateriaal. N.B. In overleg met de fabrikant kunnen kleinere diameters voor verbrandingsgasafvoer en luchttoevoer toegepast worden. 3.4.6.5 Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte wordt bepaald door de maximaal toegestane weerstand. De Intergas Prestige is standaard voorzien van een gas/lucht regeling waardoor een hogere weerstand een lagere belasting tot gevolg heeft. De maximaal toegestane weerstand van de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer bedraagt voor de Intergas Prestige 90 Pa. Bij de maximale weerstand bedraagt de belastingafname 5%. Als de weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer meer dan 90 Pa bedraagt, zal het toestel niet uitschakelen maar zal de belasting meer dan 5% afnemen. De weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de leidingdiameter, het aantal bochten, de toegepaste bochten en de in- en uitstroomweerstanden van het uitmondingssysteem. Afhankelijk van het uitmondingssysteem wordt de maximaal toegestane leidinglengte van de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer tezamen in meters bij een leidingdiameter van 80 mm, opgegeven. De vervangende lengte van de afvoeronderdelen staan weergegeven in tabel a. Tabel a: Vervangende lengte van afvoeronderdelen. Voor R/D verhouding zie figuur 4a en 4b. afvoeronderdeel diameter vervangende lengte lengte pijp 1 meter Ø 80 mm 1 meter bocht 90º R/D=1 Ø 80 mm 2 meter knie 90º R/D=0.5 Ø 80 mm 4 meter bocht 45º R/D=1 Ø 80 mm 1 meter knie 45º R/D=0.5 Ø 80 mm 2 meter Intergas Verwarming BV 9

Fig. 4a. Fig. 4b. 3.4.6.6 Rekenvoorbeeld Om vast te stellen dat het toegepaste rookgasafvoersysteem voldoet aan de toegestane leidinglengte moeten de lengtes van de buizen en de weerstand van de bochten bij elkaar worden opgeteld. Het toestel wordt aangesloten volgens onderstaande opstelling. De toegestane leidinglengte voor deze opstelling (met verticale dakdoorvoer) bedaagt 90 Meter. De toegepaste buis heeft een diameter van 80 mm en de knieën hebben een radius/diameterverhouding van 0,5. Luchttoevoer: 2 m + 2 m + 2,5 m + 2 X 4 m = 14,5meter Rookgasafvoer: 1,5 m + 2 m + 3m + 2 X 4 m = 14,5 meter Totaal is dit 29 meter Conclusie: het rookgasafvoer voldoet aan de toegestane leidinglengte. Fig. 5; Rekenvoorbeeld 3.4.6.7 Uitmonding systemen Levering materialen bij verschillende toestelcategorien: Toestelcategorie Materialen: C13 Doorvoer Intergas Overige onderdelen Gastec QA of IG C33 Doorvoer Intergas Doorvoer bij Prefab door Gastec QA of IG derden Overige onderdelen C43 Alle materialen Gastec QA of Intergas Bij de CLV systeem door derden C53 Inlaatrooster Intergas Overige onderdelen en afvoerkap Gastec QA of Intergas C63 Alle materialen en doorvoer Gastec QA C83 Inlaatrooster Intergas Hoofdkanaal door derden Overige onderdelen Gastec QA of Intergas 3.4.6.7 Geveluitmonding dubbelpijpsdoorvoer horizontaal Toestelcategorie : C13 Voor een geveluitmonding middels een dubbelpijpsdoorvoer dient de Intergas dubbelpijpsdoorvoer-horizontaal toegepast te worden volgens fig. 6. De Intergas dubbelpijpsdoorvoer-horizontaal kan t.b.v. een balkongalerij uitmonding met één of twee standaardleidingen van rond 80 mm verlengd worden. De verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen de ketel en de dubbelpijpsdoorvoer dient uitgevoerd te worden met leidingen van rond 80 mm. Fig.6. Intergasdubbelpijpsdoorvoersethorizontaal A.Doortocht, materiaal en isolatie zie par. 3.4.6.4. B.Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoer bedraagt tezamen 85 meter, inclusief de lengte van de dubbelpijpsdoorvoer. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. C. Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven. Monteer de verbrandingsgasafvoerleiding met een afschot van tenminste 5 mm/m naar de ketel. Monteer een eventuele felsnaad naar boven gericht. Plak de verbindingen indien deze niet gasdicht zijn af met een hitte en vochtbestendige aluminiumtape. D. Montage luchttoevoerleiding Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoerstomp van de ketel Plak de verbindingen indien deze niet luchtdicht zijn af met een vochtbestendige tape. Breng de isolatie aan indien noodzakelijk (zie par. 3.4.6.4.). Intergas Verwarming BV 10

Fig. 7. Geveluitmonding dubbelpijpsdoorvoer horizontaal Fig. 9a. Balkon/galerij uitmonding dubbelpijps doorvoerhorizontaal: (verbrandingsgasafvoer en luchttoevoer verlengd) Fig. 9b. Balkon/galerij uitmonding dubbelpijpsdoorvoerhorizontaal (alleen verbrandingsgasafvoer verlengd) Fig. 8. Geveluitmonding dubbelpijpsdoorvoer horizontaal F.Montage dubbelpijps verlengpijp(en) t.bv. balkon / galerij uitmonding E. Montage dubbelpijpsdoorvoer. Zorg voor een vrije uitmonding volgens hoofdstuk 9.3 van NEN 1078. Maak op de plaats van uitmonding twee sparingen van rond 90 mm. Kort de dubbelpijpsdoorvoer in op de juiste lengte volgens de in fig. 7 en 8 aangegeven maten. Schuif de toe- en afvoerpijp in de sparingen en breng de muurafdekplaten aan om de sparingen af te dekken. Monteer de uitblaasroosters op de toe- en afvoerpijp en bevestig deze vast aan de pijpen. Monteer de dubbelpijpsdoorvoer met een afschot van tenminste 5 min/m naar binnen. Indien de vrije uitmonding wordt gehinderd door een dakoverstek, balkon, galerij etc. dient de verbrandingsgasafvoerleiding en luchttoevoerleiding verlengd te worden tot tenminste de voorzijde van het overstekende deel, zie fig. 9a. Indien de luchttoevoer niet verstoord kan worden door obstakels, zoals een console of scheidingsmuurtje en de uitmonding zich niet aan de rand van een gebouw bevindt behoeft de luchttoevoerleiding niet verlengd te worden, zie figuur 9b. Verleng de afvoerpijp en zonodig de toevoerpijp van de dubbelpijpsdoorvoer met respectievelijk een standaard verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding op de juiste lengte volgens de in fig. 9a en 9b aangegeven maten. Schuif de verbrandingsgasafvoer- en zonodig de luchttoevoerleiding in respectievelijk de afvoer- en toevoerpijp van de dubbelpijpsdoorvoer. Monteer de verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding met een afschot van tenminste 5mm/m naar binnen. Monteer de uitblaasroosters op de toe- en afvoerpijp en bevestig deze aan de pijpen. Intergas Verwarming BV 11

3.4.6.9 Gevel- en dakuitmonding kombidoorvoer-horizontaal Toestelcategorie : C13 Voor een gevel- of dakuitmonding middels een kombidoorvoerhorizontaal dient de Intergas kombidoorvoer-horizontaal toegepast te worden volgens fig. 10. De Intergas kombidoorvoer-horizontaal kan t.b.v. een balkon- /galerij uitmonding verlengd worden met de Intergas kombiverlengpijp-horizontaal. De verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen de ketel en de combidoorvoer dient uitgevoerd te worden met leidingen van rond 80 mm. Fig. 12. Geveluitmonding combidoorvoer-horizontaal Fig. 10. Intergas combidoorvoer-horizontaal Fig. 11. Intergas combiverlengpijp-horizontaal A.Doortocht, materiaal en isolatie zie par. 3.4.6.4. B.Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoerleiding bedraagt tezamen 70 meter exclusief de lengte van de combidoorvoer. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. C.Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven. Monteer de verbrandingsgasafvoerleidingen met een afschot van tenminste 5 mm/m naar de ketel. Monteer een eventuele felsnaad naar boven gericht. Plak de verbindingen indien deze niet gasdicht zijn af met een hitte en vochtbestendige aluminium tape. D.Montage luchttoevoerleiding Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoerstomp van de ketel Plak de verbindingen indien deze niet luchtdicht zijn af met een vochtbestendige tape. Breng de isolatie aan indien noodzakelijk. E.Montage combidoorvoer-horizontaal geveluitmonding Zorg voor een vrije uitmonding volgens hoofdstuk 9.3 van NEN 1078. Maak op de plaats van uitmonding een sparing van rond 130 mm. Kort de combidoorvoer in op de juiste lengte volgens de in fig. 12 aangegeven maten. Monteer het uitblaasrooster en bevestig deze aan de binnenpijp. Schuif de combidoorvoer in de sparing en breng de rozetten aan om de sparing af te dekken. Monteer de combidoorvoer met een afschot van tenminste 5 mm/m naar binnen. Fig. 13. Balkongalerij uitmonding combidoorvoer met combiverlengpijp-horizontaal F.Montage combiverlengpijp t.b.v. balkon-/galerij uitmonding Indien de vrije uitmonding wordt gehinderd door een dakoverstek, balkon, galerij etc. dient de combidoorvoer verlengd te worden tot tenminste de voorzijde van het overstekende deel zie fig. 13. Monteer zo nodig de combiverlengpijp op de combidoorvoer. De combiverlengpijp wordt met de binnenpijp en met de buitenpijp in de combidoorvoer geschoven. Kort de combidoorvoer of de combiverlengpijp in op de juiste lengte volgens de in fig. 13 aangegeven maten. Monteer het uitblaasrooster en bevestig deze aan de binnenpijp. Monteer de combidoorvoer en combiverlengpijp met een afschot van tenminste 5 mm/m naar binnen. Intergas Verwarming BV 12

Fig. 14. Horizontale dakdoorvoerpan N.B. De horizontale dakdoorvoerpan geschikt voor een pijpdiameter van 120 mm dient besteld te worden bij de groothandel. Fig. 15. Dakuitmonding combidoorvoer horizontaal A. Doortocht, materiaal en isolatie zie par. 3.4.6.4. B. Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoerleiding bedraagt tezamen 70 meter, exclusief de lengte van de combidoorvoer of de dubbelpijpsdoorvoer. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. Verticale dakdoorvoerpan met schaal 126 mm,geschikt voor een pijpdiameter van 126 mm. Deze dient besteld te worden bij de groothandel. Fig. 16 Dakuitmonding combidoorvoer verticaal G.Montage combidoorvoer-horizontaal dakuitmonding Zorg voor een vrije uitmonding volgens hoofdstuk 9.3 van NEN 1078. De uitmonding kan op een willekeurige plaats in het dakvlak plaatsvinden. Monteer op de plaats van de uitmonding een horizontale dakdoorvoerpan (zie fig. 14). geschikt voor pijpdiameter 120 mm. Monteer het uitblaasrooster op de combidoorvoer en bevestig deze aan de binnenpijp. Schuif de combidoorvoer van binnen naar buiten door de horizontale dakdoorvoerpan, volgens de in fig. 15 aangegeven maten. Monteer de combidoorvoer met een afschot van tenminste 5 mm/m naar binnen. 3.4.6.10 Dakuitmonding combi- en dubbelpijpsdoorvoer-verticaal Toestelcategorie : C33 Voor een dakuitmonding middels een combidoorvoerverticaal dient de Intergas combidoorvoer-verticaal toegepast te worden, volgens fig. 16. Indien de Intergas combidoorvoer-verticaal niet toegepast kan worden in b.v. een bouwkundige schoorsteen of schacht kan de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer apart uitgevoerd worden middels respectievelijk een standaard dakdoorvoer rond 80 mm met kruiskap en een standaard dubbelwandige dakdoorvoer rond 80 met Gastec QA kap 83-1.De verbinding van de luchttoevoer en de verbrandinggasafvoer tussen de ketel en de combidoorvoer of dubbelpijpsdoorvoer dient uitgevoerd te worden met leidingen van rond 80 mm. Intergas Verwarming BV 13

3.4.6.11 Dakuitmonding combi- en dubbelpijpsdoorvoer-verticaal Toestelcategorie : C33 Voor een dakuitmonding middels een combidoorvoer-verticaal dient de Intergas combidoorvoer-verticaal toegepast te worden, volgens fig. 16. Indien de Intergas combidoorvoer-verticaal niet toegepast kan worden in b.v. een bouwkundige schoorsteen of schacht kan de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer apart uitgevoerd worden middels respectievelijk een standaard dakdoorvoer rond 80 mm met kruiskap en een standaard dubbelwandige dakdoorvoer rond 80 met Gastec QA kap 83-1.De verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen de ketel en de combidoorvoer of dubbelpijpsdoorvoer dient uitgevoerd te worden met leidingen van rond 80 mm. A. Doortocht, materiaal en isolatie zie par. 3.4.6.4. B. Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoerleiding bedraagt tezamen 70 meter, exclusief de lengte van de combidoorvoer of de dubbelpijpsdoorvoer. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a blz 9. Verticale dakdoorvoerpan met schaal 126 mm,geschikt voor een pijpdiameter van 126 mm. Deze dient besteld te worden bij de groothandel. C. Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven. Monteer niet verticale gedeelten van de verbrandingsgasafvoerleidingen met een afschot van tenminste 5mm/m naar de ketel. Monteer een eventuele felsnaad in een horizontaal gedeelte naar boven gericht. Plak de verbindingen indien deze niet gasdicht zijn af met een hitte- en vochtbestendige aluminiumtape. D. Montage luchttoevoerleiding Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoerstomp van de ketel. Plak de verbindingen indien deze niet luchtdicht zijn met een vochtbestendige tape. Breng de isolatie aan indien noodzakelijk. E.Montage combidoorvoer-verticaal Zorg voor een vrije uitmonding volgens hoofdstuk 9.3 van NEN 1078. De uitmonding kan op een willekeurige plaats in het schuine of platte dakvlak plaatsvinden. Monteer op de plaats van uitmonding in geval van een schuin dakvlak een verticale doorvoerpan met schaal en in geval van een plat dak een plakplaat geschikt voor een pijpdiameter van 126 mm. Demonteer het spruitstuk van de combidoorvoer. Schuif de combidoorvoer van buiten naar binnen in geval van een schuin dak door de verticale doorvoerpan met schaal volgens fig. 16 en in geval van een plat dak door de plakplaat volgens fig. 17. Monteer het spruitstuk van de combidoorvoer en borg deze met een plaatschroef of popnagel. Fig. 18. Dakuitmonding dubbelpijpsdoorvoer verticaal (plat dak) Fig. 19. Dakuitmonding dubbelpijpsdoorvoer-verticaal (bouwkundige schoorsteen) Fig. 17. Dakuitmonding combidoorvoer verticaal (plat dak) Intergas Verwarming BV 14

F. Montage dubbelpijpsdoorvoer-verticaal Zorg voor een vrije uitmonding volgens hoofdstuk 9.3 van NEN 1078. De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer en de luchttoevoer kan op een willekeurige plaats in het schuine- of platte dakvlak plaatsvinden. De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer en de luchttoevoer dient in hetzelfde drukvlak plaats te vinden. De luchttoevoer uit het schuine dakvlak en de verbrandingsgasafvoer middels een bouwkundige schoorsteen is ook mogelijk, omgekeerd niet. Monteer op de plaats van de uitmonding in geval van een schuin dakvlak t.b.v. de verbrandingsgasafvoer een standaard dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer rond 80 mm met Gastec QA kap 83-1 en t.b.v. de luchttoevoer een standaard ventilatiedoorvoer rond 80 mm met kruiskap in een bijbehorende dakdoorvoerpan volgens fig. 19. Monteer op de plaats van de uitmonding in geval van een plat dak of en bouwkundige schoorsteen t.b.v. de verbrandingsgasafvoer en standaard dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer rond 80 mm met Gastec QA kap 83-1 en t.b.v. de luchttoevoer een standaard ventilatie doorvoer rond 80 mm met kruiskap in een bijbehorende plakplaat volgens fig. 18 of fig. 19. Fig.21. Dakuitmonding prefab schoorsteen 3.4.6.12 Dakuitmonding prefab schoorsteen Toestelcategorie : C33 Een dakuitmonding middels een prefab schoorsteen kan noodzakelijk zijn indien weinig ruimte in b.v. een schacht aanwezig is. Voor een dakuitmonding middels een prefab schoorsteen bestaat geen bezwaar mits aan de in fig. 19 of fig. 20 aangegeven minimale maten wordt voldaan en de goede werking van de prefab schoorsteen ten aanzien van windaanval, ijsvorming, inregenen etc. door de leverancier van de prefab schoorsteen wordt gegarandeerd. Omdat de prefab schoorsteen in veel verschillende uitvoeringen wordt geleverd en de maatvoering vaak aangepast moet worden op de bouwkundige situatie ter plaatse is geen gaskeur aangevraagd.de verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgas afvoer tussen de ketel en de prefab schoorsteen dient uitgevoerd te worden met leidingen rond 80 mm. Fig.20. Prefab schoorsteen (minimale constructie eisen) A. Doortocht, materiaal en isolatie zie par. 3.4.6.4 B. Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoerleiding bedraagt tezamen 90 meter. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. C. Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven. Monteer niet verticale gedeelten van de verbrandingsgasafvoerleidingen met een afschot van tenminste 5 mm/m naar de ketel. Monteer een eventuele felsnaad in een horizontaal gedeelte naar boven gericht. Intergas Verwarming BV 15

Plak de verbindingen indien deze niet gasdicht zijn af met een hitte- en vochtbestendige aluminiumtape. D. Montage luchttoevoerleiding Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoerstomp van de ketel. Plak de verbindingen indien deze niet luchtdicht zijn af met een vochtbestendige tape. Breng de isolatie aan indien noodzakelijk. E.Montage prefabschoorsteen Zorg voor een vrije uitmonding volgens hoofdstuk 9.3 van NEN 1078. De uitmonding kan op een willekeurige plaats in het schuine of platte dakvlak 3.4.6.13 Dakuitmonding met luchttoevoer vanuit de gevel Toestelcategorie : C53 Een dakuitmonding met een luchttoevoer vanuit de gevel (zie fig. 21) volgens NPR 3378 art. 8.1.2 is toegestaan.de luchttoevoer in de gevel dient voorzien te worden van een Intergas inlaatrooster.de verbrandingsgasafvoer vindt plaats middels een prefab schoorsteen volgens fig. 23 of middels een dubbelwandige dakdoorvoer rond 80 mm met Gastec QA kap 83-1. De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer kan volgens de NPR 3378 art. 8.1.2 op een willekeurige plaats in het schuine dakvlak plaatsvinden, mits de uitmonding in het dakvlak dezelfde oriëntatie heeft als de luchttoevoer in de gevel. In geval van een plat dak, dient de uitmonding van de verbrandingsgasafvoer in het vrije uitmondingsgebied (gebied I volgens NEN 1078) plaats te vinden. Fig. 23. Prefab schoorsteen (minimale constructie-eisen) Fig. 22. Dakuitmonding met luchttoevoer vanuit de gevel A. Doortocht, materiaal en Isolatie zie par. 3.4.6.4. B. Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoerleiding, bedraagt tezamen 85 meter, inclusief de lengte van de doorvoer. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. C. Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven.monteer een eventuele felsnaad naar boven gericht. Plak de verbindingen, indien deze niet gasdicht zijn, af met een hitte en vochtbestendige aluminiumtape. D. Montage luchttoevoerleiding Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoerstomp van de ketel. Plak de verbindingen, indien deze niet luchtdicht zijn, af met een vochtbestendige tape. Breng de isolatie aan, indien noodzakelijk. E. Montage verbrandingsgasdoorvoer - verticaal Zorg voor een uitmonding volgens NPR 3378 art. 8.1.2. Zorg in geval van een plat dak voor een uitmonding in het vrije uitmondingsgebied (gebied I volgens NEN 1078). Monteer op de plaats van uitmonding in geval van een schuin dakvlak een doorvoerpan met schaal. In geval van een plat dak een plakplaat, geschikt voor een dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer rond 80 mm (diameter rond 96 mm). Schuif de dubbelwandige verbrandingsgasdoorvoer van buiten naar binnen door de dakdoorvoer. De uitmonding dient minimaal 500 mm boven het dakvlak uit te monden. Intergas Verwarming BV 16

F. Montage luchttoevoer- horizontaal De luchttoevoer kan op een willekeurige plaats in de gevel plaatsvinden. Maak op de plaats van de toevoer een sparing van rond 90 mm. Kort de luchttoevoerleiding in op de gewenste lengte, b.v. 50 mm uit de muur. Monteer het Intergas inlaatrooster en bevestig deze aan de pijp. Schuif de luchttoevoerleiding in de sparing en breng, indien noodzakelijk, een rozet aan om de sparing af te dekken. Monteer de luchttoevoer ter plaatse van de geveldoorvoer met een afschot van 5 mm/m naar buiten om inregenen te voorkomen. 3.4.6.14Dakuitmonding met luchttoevoer vanuit de gevel en gemeenschappelijk afvoersysteem Toestelcategorie : C83 Een dakuitmonding met een luchttoevoer vanuit de gevel en een gemeenschappelijk afvoersysteem is toegestaan. Zie fig. 24. De luchttoevoer in de gevel dient voorzien te worden van een Intergas inlaatrooster. Het gemeenschappelijk afvoersysteem heeft een minimale doorlaat volgens fig. 25. De verbrandingsgasafvoerleiding dient voorzien te zijn van een trekkende afvoerkap. Fig. 24. Dakuitmonding gemeenschappelijke afvoer met luchttoevoer vanuit de gevel Fig. 25. Minimale diameter van het gemeenschappelijk afvoersysteem Aantal Prestige toestellen Diameter afvoersysteem 2 130 3 150 4 180 5 200 6 220 7 230 8 250 9 270 10 280 11 290 12 300 N.B. Het gemeenschappelijk afvoersysteem is in combinatie met de ketel gekeurd. A. Doortocht, materiaal en isolatie Zie par. 3.4.6.4. B. Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer tussen de ketel en de gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer en de luchttoevoerleiding bedraagt tezamen 85 meter. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. C. Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven. Monteer een eventuele felsnaad naar boven gericht. Plak de verbindingen, indien deze niet gasdicht zijn, af met een hitte en vochtbestendige aluminiumtape. D. Gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer De doortocht van het gemeenschappelijk afvoersysteem moet voldoen aan fig. 25. Het gemeenschappelijk afvoersysteem moet minimaal 1,5 meter tot boven de bovenste ketelaansluiting doorlopen. De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer kan volgens de NPR 3378 art. 8.1.2. op een willekeurige plaats in het schuine dakvlak plaatsvinden, mits de uitmonding in het dakvlak dezelfde oriëntatie heeft als de luchttoevoer in de gevel. In geval van een platdak, dient de uitmonding van de verbrandingsgasafvoer in het vrije uitmondingsgebied (gebied volgens NEN 1078) plaats te vinden. Het gemeenschappelijk afvoersysteem moet voorzien worden van een trekkende afvoerkap. Indien het gemeenschappelijk afvoersysteem in de buitenlucht inlaatrooster wordt opgesteld dient de afvoerleiding dubbelwandig of geïsoleerd uitgevoerd te worden. Onder het gemeenschappelijk afvoersysteem dient een condensaatafvoer aangebracht te worden. Intergas Verwarming BV 17

3.4.6.15 Dakuitmonding CLV-systeem Toestelcategorie : C43 Een dakuitmonding middels een Combinatie-Luchttoevoer Verbrandingsgasafvoersysteem (CLV-systeem) is toegestaan, mits het systeem voldoet aan de eisen volgens hoofdstuk 8.7 van NEN 1078. Voor de gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoerkap en luchttoevoerkap is een verklaring van geen bezwaar of een gaskeur van Gastec nodig.de gemeenschappelijke luchttoevoer en de gemeenschappelijke afvoer van de verbrandingsgassen mogen hetzij concentrisch hetzij afzonderlijk zijn aangebracht (zie fig. 26). De verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen de ketel en de combidoorvoer of dubbelpijpsdoorvoer dient uitgevoerd te worden met leidingen van rond 80 mm. Fig. 26 Dakuitmonding CLV-systeem C. Montage verbrandingsgasafvoerleiding Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoerstomp van de ketel. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar en wel zo dat vanaf de ketel iedere pijp in de voorgaande is geschoven. Monteer de verbrandingsgasafvoerleiding met een afschot van tenminste 5 mm/m naar de ketel. Monteer een eventuele felsnaad naar boven gericht. Plak de verbindingen indien deze niet gasdicht zijn af met een hitte- en vochtbestendige aluminiumtape. D. Montageluchttoevoerleiding Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoerstomp van de ketel. Plak de verbindingen indien deze niet luchtdicht zijn af met een vochtbestendige tape. Breng de isolatie aan indien noodzakelijk. E. Gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer De doortocht van het gemeenschappelijke afvoersysteem moet voldoen aan tabel 1. F. Gemeenschappelijke luchttoevoer De doortocht van het gemeenschappelijke toevoersysteem moet voldoen aan tabel 2. N.B. De doortocht van het gemeenschappelijke toe- en afvoersysteem voor de Prestige dient door de fabrikant van het CLV-systeem bepaald te worden. A. Doortocht, materiaal en isolatie Zie par. 3.4.6.1. B.Toegestane leidinglengte De toegestane leidinglengte van de verbrandingsgasafvoer- en de luchttoevoerleiding tussen de ketel en het CLV-systeem bedraagt tezamen 85 meter. De vervangende lengten voor diverse afvoeronderdelen zie tabel a. Intergas Verwarming BV 18

4 Inbedrijfstelling 4.1 Vullen en ontluchten van het toestel en installatie Let. op: pas na het vullen en ontluchten van het toestel en de installatie de netspanning op het toestel aansluiten. 4.1.1 CV-systeem: Sluit de vulslang aan op de vul- /aftapkraan onder aan het toestel en vul het toestel en de installatie met schoon drinkwater. Gebruik geen toevoegmiddelen om kalkafzetting of bevriezing te voorkomen. Dit kan schadelijk voor het toestel zijn. Indien toch een toevoegmiddel aan het cv water wordt toegevoegd dan dient het geschikt te zijn voor de in het toestel toegepaste materialen zoals koper, messing, rvs, staal (pomp), kunststof en rubber. Ontlucht het toestel aan de linker bovenkant d.m.v. de handontluchter (zie 1.3 blz. 4). Indien gewenst kan de handontluchter vervangen worden door een 3/8 automatische ontluchter. Ontlucht de installatie d.m.v. de ontluchtingskraantjes op de radiatoren. Zorg voor een waterdruk van minimaal 1 bar en maximaal 2 bar bij een koude installatie. Controleer de koppelingen op lekkages. 4.1.2 Warmwatervoorziening: Breng het tapwatergedeelte van het toestel op druk door de hoofdkraan en/of inlaatcombinatie te openen. Ontlucht de boiler, de wisselaar en het leidingsysteem door een warmwaterkraan te openen. Laat de kraan zolang open staan totdat alle lucht uit de boiler en leidingen is verdwenen. Draai de warmwaterkraan dicht. Controleer de aansluitingen op lekkages. 4.2 Starten van het toestel Stel het toestel in bedrijf nadat deze CV technisch, gastechnisch en elektrotechnisch is aangesloten en gecontroleerd. Controleer of de installatie cv-zijdig goed is gevuld en ontlucht. De waterdruk van de CV moet minimaal 1 bar en maximaal 2 bar zijn bij afgekoeld water. Controleer of de ketel tapwater-zijdig goed is gevuld. Controleer op doorstroming. Controleer alle water- en gasverbindingen van het toestel en montagebeugel op dichtheid. Ontlucht de gasleiding indien nodig door schroef E op het gasblok open te draaien (zie figuur 29 blz 22). Zorg ervoor dat de sifon gevuld is met water. Controleren of de installateursinstelling van de branderautomaat voldoet voor de gebruikssituatie. (Zie Tabel parameterinstellingen) Plaats de stekker in de wandcontactdoos. Op het service display verschijnt een -, indien de warmtewisselaar warm is zal het toestel eerst een zelftest uitvoeren ( 2 op het servicedisplay) dit kan enkele minuten duren. Druk op de aan/uit toets. Het toestel treedt in werking. De boiler wordt opgewarmd. Op een volgend 3, 4, 7, 9 (op service display). Stel de kamerthermostaat hoger in dan de ruimte temperatuur. Het toestel gaat nu op CV-bedrijf. (service display). 5 Stook de installatie en ketel op tot ca. 80 C en controleer of het temperatuurverschil tussen de aanvoer en retour van het toestel en de radiatoren ca. 20 C bedraagt. Stel hiervoor het maximaal vermogen in 5.2 tabel 2. Zonodig pomp stand en of radiatorafsluiters instellen. Ontlucht het toestel en installatie nogmaals na het afkoelen. Controleer het toestel op goede werking. Controleer de gasvoordruk. Tijdens branden op vollast moet deze minimaal 20 mbar bedragen. Controleer alle ontluchtingnippels en verbindingen in de gasleidingen en controleer het gasblok op dichtheid. Controleer de verwarming-, en warmwatervoorziening op de goede werking. Instrueer de gebruiker omtrent het vullen, ontluchten en de werking van de verwarming en de warmwatervoorziening. 4.3 Buiten bedijf stellen Als de netspanning wordt onderbroken en er is kans op bevriezing, dienen het toestel en de installatie afgetapt te worden. Voor het aftappen het cv- gedeelte van het toestel kan gebruik gemaakt worden van de vul-/aftapkraan. Voor het aftappen van de installatie dient op het laagste punt van de installatie eveneens een aftapmogelijkheid aangebracht te worden. Sluit voor het aftappen van het warmwater gedeelte eerst de kraan op de inlaatcombinatie van het toestel. Tap de boiler af door de koppeling op de voorzijde van de tapwaterpomp los te nemen. De tapwaterleidingset wordt afgetapt door de warm-, en koudwater aansluiting van het toestel los te nemen. 4.3.1 Vorstbeveiliging Vul de installatie niet met antivries omdat dit schadelijk voor het toestel kan zijn. I.v.m. mogelijke bevriezing van de condensafvoer leiding dient het toestel in vorstvrije ruimte geïnstalleerd te worden. Om bevriezing van het toestel te voorkomen is de Intergas Prestige voorzien van een vorstbeveiliging die het toestel inschakelt. Wanneer de temperatuur van de warmtewisselaar te ver daalt, gaat de brander aan, tot dat de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende gestegen is. Indien de mogelijkheid bestaat dat de installatie (of deel daar van) kan bevriezen dan dient op de koudste plaats een vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht te worden en volgens het elektrisch bedradingschema aangesloten te worden (zie 1.4 blz. 5). N.B. De externe vorstthermostaat is niet actief wanneer de Intergas Prestige uit staat.. ( op service display.) - Intergas Verwarming BV 19

5 Instellen en afregelen Het functioneren van het toestel wordt hoofdzakelijk bepaald door de (parameter)instellingen in de branderautomaat. Een deel hiervan is direct via het display in te stellen, een ander deel kan alleen m.b.v. de installateurscode worden aangepast. Verder zijn op de CV-pomp drie snelheden instelbaar, kan de tapwatertemperatuur ingesteld worden en kan m.b.v. het gasblok de gas-luchtverhouding ingesteld worden. 5.1 Branderautomaat 5.1.1 Via de display De volgende instellingen kunnen direct via het display aangepast worden. Toestel aan/uit M.b.v. de aan/uit toets wordt het toestel in werking gezet. Wanneer het toestel in werking is zal de groene LED oplichten. Wanneer het toestel uit is brandt er één balkje op de service display ( - ) om aan te geven dat er voedingsspanning aanwezig is. De CV aanvoertemperatuur Tijdens CV-bedrijf (de LED cv brand) kan de CV aanvoertemperatuur m.b.v. van de + en - toets gewijzigd worden. Wanneer het toestel in rust is kan m.b.v. de CV/TAP toets cv of tap gekozen worden. Kies cv en stel de temperatuur in. Reset toets Wanneer een vergrendelende storing wordt aangegeven d.m.v. een knipperend cijfer op de service display en het oplichten van de LED boven de reset toets kan door het gedurende 5 seconden ingedrukt houden van de reset toets het toestel opnieuw gestart worden. Controleer aan de hand van de storingscodes (zie 7.1 blz. 24) de aard van de storing en los zomogelijk de oorzaak van storing op alvorens het toestel te resetten. 5.1.2 Via de installateurscode De branderautomaat van het toestel is in de fabriek ingesteld op de in tabel 1. aangegeven parameters. Deze kunnen alleen m.b.v. de installateurscode gewijzigd worden. Om het programmageheugen te activeren gaat u als volgt te werk: Breng het toestel in de uit modus m.b.v. de aan/uit toets ( - op het service display). Druk gelijktijdig op de service en reset toets totdat op het service- en het temperatuurdisplay een verschijnt. Stel met de + en - toets 15 (installateurscode) in op het temperatuurdisplay. Stel met de service toets de in te stellen parameter in op het service display. Stel met de + en - toets de parameter in op de gewenste waarde op het temperatuur display. Druk nadat alle gewenste veranderingen zijn ingegeven de reset toets in totdat op het service display verschijnt. Zet het toestel weer aan met de e aan/uit toets. De branderautomaat is nu opnieuw geprogrammeerd. - 0 Tabel 1. Fabrieksinstelling parameters Parameter (Code op service display) Instelling (Op temperatuur display) Code fabriek Beschrijving 0 Servicecode [15] - Om toegang te krijgen tot installateurinstellingen moet eerst de servicecode ingegeven worden(15). 1 Installatietype 4 0=Kombi-Kompakt 1=Kompakt Solo + boiler 2=Kompakt Tap 3=Kompakt Solo 4=Prestige 5=Prestige Tap 2 CV-pomp nadraaitijd en continue 0 0=alleen cv-pomp nadraaien 1=cv-pomp continue actief 2=cv-pomp continue actief met externe spaarschakelaar 3 Ingesteld cv vermogen 70 Instelling maximale cv vermogen 4 Ingesteld ww vermogen 99 Instelling maximaal ww vermogen 5 Min.aanvoertemperatuur van de stooklijn 25 Instelbereik 10 C tot 50 C 6 Min.buitentemperatuur van de stooklijn -7 Instelbereik -30 C tot 10 C 7 Max. buitentemperatuur van de stooklijn 25 Instelbereik 15 C tot 30 C 8 CV-pomp nadraaitijd na cv bedrijf 1 Instelbereik 1 tot 15 minuten 9 Tapwaterpomp nadraaitijd na boiler bedrijf 1 Instelbereik 1 tot 15 minuten A Stand driewegklep 0 0=tijdens cv bedrijf bekrachtigd 1=tijdens ww bedrijf bekrachtigd C Stappenmodulatie 1 0=stappenmodulatie tijdens cv bedrijf uit 1=stappenmodulatie tijdens cv bedrijf aan d Minimaal toerental 30 30=aardgas/methaan 40=propaan E Min.aanvoertemperatuur tijdens OT vraag 40 Instelbereik 10 C tot 60 C. Alleen van toepassing indien tap (OT = Open Therm thermostaat) comfort op eco of maximaal ingesteld is. F Starttoerental 70 Instelbereik 50 tot 99% Max.toerental ventilator 45 Instelbereik 50 tot 99. M.b.v. deze parameter kan het absoluut maximaal toerental (instelwaarde x10) worden ingesteld. Het is belangrijk dat deze parameter niet zodanig wordt ingesteld dat de maximale branderdruk van het toestel wordt overschreden. Intergas Verwarming BV 20

5.2 Maximaal cv vermogen Het maximaal cv vermogen wordt in de fabriek ingesteld op 50% (=ca. 14kW). Indien voor de cv installatie meer of minder vermogen nodig is, dan kan het maximaal cv vermogen gewijzigd worden door het ventilatortoerental te wijzigen (zietabel 2: Instelling cv-vermogen). Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen het toerental van de ventilator en de ketelvermogen. Als gevolg van de lengte en vervuiling van het afvoersysteem kan er een verschuiving ontstaan van het ventilatortoerental en de bijbehorende belasting. Is de belasting op hoog toerental met meer dan 5% afgenomen, controleer dan het afvoersysteem en toestel op vervuiling. 5.4 Weersafhankelijke regeling Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler om de cv aanvoerwater temperatuur te regelen. De buitenvoeler kan in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat worden toegepast. De buitentemperatuurvoeler wordt op bestelling geleverd art.nr. 203.207. Met behulp van de parameter instelling kan de stooklijn gewijzigd worden (zie tabel 1 blz. 20) Fig. 28.: Stooklijn Tabel 2: Instelling cv-vermogen Gewenst cv vermogen Instelling op service display (Kw) (% van maximaal vermogen) 28.1 99 25.3 90 22.5 80 22.6 70 19.7 60 16.9 50 14.1 40 8.5 30 5.3 CV-pomp Stel de pompstand in afhankelijk van het ingestelde maximaal vermogen en de waterzijdige weerstand van de installatie. De opvoerhoogte van de pomp en het drukverlies van de Intergas Prestige zijn weergegeven in fig. 27. Controleer of het temperatuurverschil tussen de aanvoer en de retour van het toestel Ca. 20 C bedraagt. De minimale doorstroomhoeveelheid bedraagt: 240 L/h bij een ingesteld vermogen van 8,5 kw 600 L/h bij een ingesteld vermogen van 21,4 kw 800 L/h bij een ingesteld vermogen van 28,1 kw Fig. 27.Drukverlies ketel en opvoerhoogte pomp type Ups 15-50-130, standen 1,2 en 3 5.5 Tapwater temperatuur In het tapwater circuit is een thermostatisch mengventiel (zie 1.3 Componenten nr. 28) opgenomen. Controleer bij ingebruikname van het toestel of de uitstroom temperatuur 60 C bedraagt, indien dit niet het geval is dient dit mengventiel ingesteld te worden op 60 C. (NB: indien de tapwatertemperatuur lager wordt ingesteld dan 60 C voldoet het toestel niet meer aan alle gaskeur klasse CW5 eisen.) Intergas Verwarming BV 21

5.5 Gas-lucht regeling: De gas-/luchtregeling is in de fabriek ingesteld en behoeft in de praktijk geen aanpassingen. Het toestel is uitgerust met een gasluchtregeling (verhouding 1:1). De belasting wordt automatisch bepaaldt aan de hand van een drukverschil over het membraan in het gasblok welke afhankelijk is van het ventilatortoerental. De verhouding gas/lucht dient t.b.v. de voorgemengde brander onder alle omstandigheden constant te zijn. De afstelling is te controleren met behulp van het CO 2 percentage in de verbrandingsgassen te meten (ca. 8.8 % met geopende mantel).ook is de afstelling te controleren aan de hand van een drukmeting. Bij een eventuele ontregeling of vervanging van het gasblok kan de afstelling als volgt ingesteld worden: Fig29. Gasblok CO 2 waarden bij geopende mantel: Op laagstand (L) gelden de volgende ingestelde waarden : CO 2 8.5 +/- 0.2 % Op hoogstand (H) gelden de volgende ingestelde waarden: CO 2 8.8 +/- 0.2 % Let op : Zorg te allen tijde dat het CO 2 op laagstand 0.3 % lager is dan op hoogstand. 5.5.1 Afstelling gasblok d.m.v. meting CO 2 gehalte verbrandingsgassen: Zet het toestel op de uit modus ( -- op service display ). Verwijder de voorzijde van de mantel. Neem het deksel van het ketelunit los. In het bovenste deel van de rookgaskoker is een CO 2 meetnippel gemonteerd. Schroef de CO 2 meetnippel open (zie 1.3 Componenten nr.4.) en sluit de meetslang aan. Zet het toestel aan met de aan/uit toets. Draai de stelschroef A geheel open (linksom). Stel de ketel in op het laagste vermogen door tegelijkertijd op de toetsen service en - van het bedieningspaneel te drukken tot op de service display een L verschijnt. Meet de CO 2 waarde deze moet ca. 9.5 +/- 0.2 % bedragen. Wanneer dit niet het geval is dient de off- set met stelschroef B onder afdekdop D afgesteld te worden. Ga hierbij als volgt te werk: Verwijder de afdekdop D met een platte schroevendraaier ( zie fig.35) Stel met imbusschroef B (sleutel 4mm) de druk in.(rechtsom + en linksom ). Plaats de afdekdop D terug. Stel de ketel in op het hoogste vermogen door tegelijkertijd op de toetsen service en + van het bedieningspaneel te drukken.op het display verschijnt een. Door dit te herhalen verschijnt op het display H. Meet de CO 2 waarde. Op hoogstand dient het CO 2 percentage 8.8 +/- 0.2 % te bedragen. Stel het percentage zonodig bij m.b.v. de stelschroef A op het gasblok. Stel de ketel nogmaals in op het laagste vermogen en meet de CO 2 waarde. deze dient nu 8.5 +/- 0.2 % te bedragen Stel het percentage zonodig bij m.b.v. de stelschroef B op het gasblok. Herhaal de handelingen tot het CO 2 % in de laagste en hoogste instelling voldoen aan de opgegeven waarden. Schroef na het meten en instellen de CO 2 meetnippel weer dicht. Monteer het deksel weer op het ketelunit. 5.5.2 Afstelling gasblok d.m.v. drukmeting Zet het toestel op de uit modus ( - op service display ). Verwijder de voorzijde van de mantel. Neem het deksel van de ketelunit los. Draai de meetnippel C op het gasblok los ( zie fig. 35) en verbind de plus aansluiting van de drukmeter via een slang met de meetnippel. Zet het toestel aan met de aan/uit toets. Draai de stelschroef A geheel open (linksom). Stel de ketel in op het laagste vermogen door tegelijkertijd op de toetsen service en - van het bedieningspaneel te drukken tot op de display een L verschijnt. Lees de druk af deze moet ca. -3 Pa bedragen. Wanneer dit niet het geval is dient de off- set met stelschroef B onder afdekdop D afgesteld te worden. Ga hierbij als volgt te werk: Verwijder de afdekdop D met een platte schroevendraaier ( zie fig.35) Stel met imbusschroef B (sleutel 4mm) de druk in.(rechtsom + en linksom ). Plaats de afdekdop D terug. Stel de ketel in op het hoogste vermogen door tegelijkertijd op de toetsen service en + van het bedieningspaneel te drukken.op het display verschijnt een. Door dit te herhalen verschijnt op het display H. Draai de branderdruk meetnippel op de buis boven het gasblok open ( zie 1.3 componenten nr.3) en verbind de plus aansluiting van de drukmeter via een slang met de meetnippel. Stel met stelschroef A op het gasblok de druk in op ca. - 270 Pa. Verwijder de meetslang en draai de branderdruk meetnippel dicht. Monteer het deksel weer op het ketelunit. Let op: controleer de gebruikte meetnippels op gasdichtheid. Intergas Verwarming BV 22

6 Onderhoud 6.1 Reiniging exterieur: De mantel van het toestel kan met een vochtige doek gereinigd worden. Gebruik geen agressieve of schurende schoonmaakof oplosmiddelen. 6.2 Periodieke reiniging/controle wisselaar: Het toestel en de installatie dienen elk jaar door een erkend vakman gecontroleerd en zonodig gereinigd te worden. 26. Controleer het CO 2 percentage of de controle druk. 27. Monteer de deksel van het ketelgedeelte. 28. Controleer de verwarming en de warmwatervoorziening op zijn goede werking. 29 Monteer de voorhelft van de mantel en sluit hem af met de kwartslag sluitingen achter het display venster. 30. Plaats de schermkap onder het toestel. 1. Schakel het toestel uit m.b.v. de aan/uit toets op het bedieningspaneel. 2. Neem de stekker uit de wandcontactdoos. 3. Neem de schermkap onder van het toestel en sluit de gaskraan. 4. Neem de voorhelft van de mantel van het toestel. 5. Neem het deksel van het ketelunit los. 6. Wacht totdat het toestel en brander zijn afgekoeld. 7. Neem de bedrading van het gasblok en de ventilator los. 8. Neem de koppeling onder het gasblok los. 9. Schroef de 10 inbusbouten van het voordeksel los en neem deze compleet met gasblok en ventilator naar voren toe weg. Bij demontage van het voordeksel dient deze niet te worden vastgehouden bij het gasblok en/of ventilator. Let op dat de brander en de ventilator niet beschadigen tijdens het demonteren en het neerzetten van de voorplaat. 10. De brander behoeft geen onderhoud. N.B. De brander nooit reinigen met een borstel of perslucht omdat hierdoor de metaalvezel beschadigd. 11. Demonteer de stuwstrippen die dwars in de lamellen van de warmtewisselaar zijn geplaatst. 12. Reinig zonodig de stuwstrippen en de lamellen van de warmtewisselaar van boven naar beneden met een borstel of perslucht. 13. Reinig zonodig de onderzijde van de warmtewisselaar en de condensafvoer onder aan de afvoerleiding achter de warmtewisselaar. 14. Reinig het sifon en de condensafvoerleiding. De sifon na het reinigen geheel met water vullen. 15. Plaats de stuwstrippen in de warmtewisselaar. 16. Controleer de siliconenpakking van het voordeksel op beschadigingen, (haar)scheuren en/of verkleuringen, zonodig nieuwe pakking plaatsen. 17. Plaats het voordeksel op de warmtewisselaar en bevestig deze met de inbusbouten voorzien van tandueerringen. 18. Draai de inbusbouten gelijkmatig kruislinks handvast aan. 19. Let op, dat de siliconenpakking rondom het voordeksel goed geplaatst is. 20. Monteer de gaskoppeling onder het gasblok. Controleer de afdichtring op beschadigingen, zonodig nieuwe plaatsen. 21. Monteer de bedrading op het gasblok en de ventilator. 22. Open de gaskraan en controleer de gaskoppelingen onder het gasblok en op de wandconsole op dichtheid. 23. Controleer de C.V. en waterleidingen op dichtheid. 24. Plaats de stekker in de wandcontactdoos en stel het toestel in bedrijf. 25. Controleer het voordeksel en de verbinding van de ventilator op het voordeksel op dichtheid. Intergas Verwarming BV 23

7 Storingsanalyse Let op: Wanneer onderdelen vervangen moeten worden sluit dan eerst de elektrische stroom van het toestel af en sluit de gaskraan. 7.1 Storingscodes Indien het service display op het bedieningspaneel knippert wordt door de branderautomaat een fout gedetecteerd. Nadat de storing is verholpen kan de branderautomaat opnieuw gestart worden door de reset knop op het bedieningspaneel in te drukken. De volgende fouten worden onderscheiden: Service Temperatuur Omschrijving Mogelijke oorzaak/oplossing Display display 0 1 Sensorfout S1 -controleer bedrading -vervang S1 0 2 Sensorfout S2 -controleer bedrading -vervang S2 0 3 Sensorfout warmwatersensor S3 -controleer bedrading -vervang, warmwatersensor S3 0 4 Sensorfout boilersensor S4 -controleer bedrading -vervang boilersensor S4 0 Sensorfout na zelf controle -controleer bedrading -vervang boilersensor S1 en/of S2 1 Temperatuur te hoog -lucht in installatie -pomp draait niet (uitzondering tapbedrijf Kombi of tap toestel) -te weinig doorstroming in installatie, radiatoren dicht, controleer pompstand 2 Verwisseling S1 en S2 -controleer kabelboom -vervang S1 of S2 4 Geen vlamsignaal na 4 ontsteek -gaskraan dicht pogingen -geen of niet goede ontsteekafstand -gasvoordruk te laag of valt weg -gasblok of ontsteek unit krijgt geen spanning 5 Geen vlamsignaal na 4 herstart -condensafvoer verstopt pogingen -afstelling gasblok controleren 6 Vlam detectie fout -vervang ontsteekkabel + Bougiedop -vervang ontsteekunit -vervang branderautomaat 7 Parameters geprogrammeerd via -reset toestel computer aansluiting 8 Ventilatortoerental niet juist -ventilator loopt aan tegen mantel -bedrading tussen ventilator en mantel -controleer bedrading op slecht contact draad (tachosignaal) -vervang ventilator H Interne fout -reset het toestel -aardingsfout 7.2 Brander ontsteekt niet Mogelijke oorzaken Oplossing Gaskraan dicht Ja Gaskraan openen Lucht in de gasleiding Ja Gasleiding ontluchten Gasvoordruk te laag Ja Gasbedrijf inschakelen Geen ontsteking Ja Ontsteekpen vervangen / bougie kabel / bougie kap Ontsteekunit op gasblok defect/geen vonk Ja Ontsteekunit vervangen; controleer alvorens ontsteekkabel en bougiedop Gasluchtregeling niet goed ingeregeld Ja Controleer afstelling gas/luchtregeling volgens par. 5.5. Ventilator defect (A) Ja Ventilator vervangen Ventilator vervuild Ja Gasblok defect Ja Intergas Verwarming BV 24

7.3 Brander ontsteekt luidruchtig Mogelijke oorzaken Oplossing Voordruk te hoog / laag Ja Mogelijk is de huisdrukschakelaar defect -gasbedrijf inschakelen Onjuiste ontsteekafstand Ja Ontsteekpen vervangen Controleer de ontsteekpenafstand(zie fig.36) Gas/luchtregeling niet goed ingeregeld Ja Controleer afstelling vlg par. 5.5. Zwakke vonk Ja Ontsteekpen vervangen, Ontsteekunit v. gasblok vervangen Controleer de ontsteekafstand(zie fig.36) Fig. 30. Ontsteekpenafstand 27-29 mm 7.4 Brander resoneert Mogelijke oorzaken Oplossing Voordruk te laag Ja Mogelijk is de huisdrukschakelaar defect -gasbedrijf inschakelen Recirculatie van verbrandingsgassen Ja Controleer de verbrandings- en luchttoevoer Gas/luchtregeling niet goed ingeregeld Ja Controleer afstelling volgens par. 5.5. 7.5 Geen C.V. Mogelijke oorzaken Oplossing Kamerthermostaat niet gesloten of is defect Ja Bedrading kamerthermostaat controleren of kamerthermostaat vervangen Geen 24 Volt aanwezig Ja Controleer bedrading volgens 1.4 elektrisch aansluitschema Automaat defekt, vervangen Controleer connector X4 fig 1.4 Pomp draait niet Ja Pomp zit vast of is defect, vervangen. Controleer 230 Volt spanning op de pomp of automaat. Automaat defect, vervangen. Pomp defect, vervangen. Brander komt niet in op C.V., sensor S 1 of sensor S 2 defect Ja sensor S 1 of sensor S 2 vervangen. Zie display storingscode 1 of 2. Brander ontsteekt niet Ja Zie hoofdstuk 7.2: Brander ontsteekt niet. Intergas Verwarming BV 25

7.6 C.V. komt niet op temperatuur Mogelijke oorzaken Oplossing Instelling kamerthermostaat niet in orde Ja Instelling controleren evt. aanpassen.instelling is 0,1 Amp. Temperatuurinstelling staat te laag ingesteld Ja Instelling CV-temperatuur verhogen (zie par. 5.1.1.2.) Pomp draait niet goed of pompstand te laag Ja Pompstand verhogen of pomp vervangen Geen doorstroming in de installatie Ja Controleer of er voldoende doorstroming aanwezig is, tenminste 2 of 3 radiatoren moeten open staan. Minimale doorstroming is 600 L/h bij 21,4 kw Instelling C.V.-vermogen van het toestel t.o.v. de installatie Ja Pas het C.V. -vermogen aan (zie par. 5.2.). niet goed op elkaar afgestemd Kalk of vervuiling in de wisselaar/geen warmteoverdracht Ja Wisselaar C.V.-zijdig spoelen of ontkalken 7.7 Warmwater komt niet op temperatuur Mogelijke oorzaken Oplossing Tapflow door tapspiraal te hoog Ja Doseerventiel vervangen Temperatuurinstelling regelventiel 2 te laag ingesteld Ja Instelling temperatuur regelventiel 2 instellen op gewenste temperatuur Keerklep 1 blijft open staan Ja Keerklep 1 vervangen Warmwater-ntc, boiler-ntc of stromingsschakelaar Ja Controleer kabelboom op los contact defekt, kabelboom defekt of aansluitingen los controleer warmwatersensor S3, boilersensor S4 en stromingsschakelaar. Boiler is koud en wordt niet opgewarmd. Ja zie hoofdstuk 7.9, Boiler wordt niet opgewarmd Brander ontsteekt niet Ja zie hoofdstuk 7.2, Brander ontsteekt niet Vervuiling in de wisselaar tapwaterzijdig Ja Wisselaar tapwaterzijdig ontkalken 7.8 Onvoldoende hoeveelheid warmwater Mogelijke oorzaken Oplossing Watervoordruk te laag Ja Controleer de voordruk Verstopping door watervuil in tapwatercircuit Ja Controleer doseerscijf, wisselaar, regelventiel, omschakelventiel, keerklep 2, drempelklep en restrictie bypass Vervuiling in de wisselaar tapwaterzijdig Ja Wisselaar tapwaterzijdig spoelen 7.9 Boiler wordt niet opgewarmd Mogelijke oorzaken Oplossing Boiler-ntc defekt, kabelboom defekt of aansluitingen los. Ja Controleer kabelboom op los contact controleer de boiler-ntc. Nee Geen doorstroming door lucht in de tapwaterpomp of Ja ontlucht de pomp een vervuilde waaier Reinig de waaier Nee Tapwaterpomp draait niet tijdens boiler-bedrijf Ja Controleer de pomp Controleer de spanning. Nee Brander ontsteekt niet zie hoofdstuk 7.2, Brander ontsteekt niet Nee Vervuiling in de wisselaar tapwaterzijdig Ja Wisselaar tapwaterzijdig spoelen Intergas Verwarming BV 26

8 Garantie 8.1 Garantiebepalingen: Mededeling aan de gebruikers inzake fabrieksgarantie. Met inachtneming van de hieronder vermelde voorwaarden garandeert Intergas Verwarming BV tegenover de erkende installateur de deugdelijkheid van de gebruikte materialen, alsmede de goede werking van haar Centrale Verwarmingsprodukten, indien gebruikt voor het doel, waarvoor deze worden geleverd. In de voorkomende gevallen, dienen wij in de gelegenheid te worden gesteld, zonodig ter plekke ons te kunnen vergewissen omtrent de deugdelijkheid van de garantieaanspraak. De garantie omvat: De garantie beperkt zich tot het gratis herleveren van de onderdelen, die tijdens die garantieperiode geheel ter onzer beoordeling materiaal- of fabrikagefouten vertonen, die niet het gevolg zijn van normale slijtage e.d.. Deze onderdelen dienen onder aangeving van het mankement franco aan ons te worden toegezonden en worden na vervanging ons eigendom. De garantieperiode op onderdelen is 2 jaar te rekenen vanaf de installatiedatum. Van garantie zijn echter uitgesloten de onderdelen: ontsteek-, ionisatiepen, glaszekering en ontluchter. De garantieperiode op de dichtheid van de warmtewisselaar van de ketel bedraagt 15 jaar met dien verstande dat indien door corrosie ter onzer beoordeling niet ter plaatse te verhelpen lekkages ontstaan, wij dit ketelunit leveren tegen een vergoeding van oud voor nieuw gerekend vanaf de installatiedatum bij de vervanging: de eerste 5 jaar gratis, het 6e jaar 10%, het 7e jaar 20% etc. tot het 14e jaar 90% van de dagprijs van het te vervangen ketelunit. De garantie vervalt indien wordt vastgesteld, dat de gebreken, beschadigingen of overmatige slijtage te wijten zijn aan of oneigenlijk gebruik of onoordeelkundige behandeling of aan ondeskundige reparatie, instelling; installatie of onderhoud, door niet erkende installateurs of aan het onderhevig zijn aan stoffen met agressieve chemicaliën (o.a. haarlak) en andere schadelijke stoffen. De garantie vervalt tevens wanneer leidingen en koppelingen in de installatie zijn toegepast, die zuurstofdiffusie kunnen veroorzaken of het defect het gevolg is van ketelsteenafzetting (schadelijk voor de ketel en installatie). Oppervlaktebeschadigingen alsmede transportschade vallen buiten de garantie. Het recht op garantie vervalt indien niet kan worden aangetoond, dat de C.V.-ketel na ingebruikname niet tenminste 1 maal per jaar door een daartoe door of vanwege het gasbedrijf bevoegd verklaarde installateur aan een onderhoudsbeurt is onderworpen. De installatie- en gebruiksvoorschriften die wij voor de betreffende ketels/haarden afgeven, dienen geheel in acht te worden genomen. De aansprakelijkheid van de fabrikant uit hoofde van de overeenkomst is nadrukkelijk beperkt tot de nakoming van de in dit artikel omschreven garantieverplichtingen. Elke vordering tot schadevergoeding behoudens die ter zake van het niet nakomen van de garantieverplichtingen is uitgesloten. Met inachtneming van de dwingendrechtelijk bepalingen inzake(product-)aansprakelijkheid kunnen nimmer rechten worden ontleend terzake van enige bedrijfs- of gevolgschade, zuivere vermogensschade of welke schade dan ook die zou kunnen voortvloeien uit defecten aan door de fabrikant geleverde materialen of uitgevoerde werkzaamheden. Verder zijn op alle aanbiedingen tot en overeenkomsten inzake door ons te verrichten leveringen en/of diensten van toepassing de algemene leveringsvoorwaarden voor de metaal- en elektrotechnische industrie, door de Vereniging F.M.E. op 19 oktober 1998 gedeponeerd ter griffie van de arrondissementsrechtbank te Den Haag (nummer 119/1998). Een exemplaar van deze voorwaarden wordt u op aanvraag gratis toegezonden. Uitdrukkelijk worden andersluidende voorwaarden afgewezen. De garantie is uitsluitend geldig indien het door de koper ondertekend aanhangsel van het garantiebewijs binnen 8 dagen na de installatie aan ons is geretourneerd. Door ondertekening van de garantiekaart verklaart de koper zich akkoord met de goede staat van het geleverde. Indien het bedrijf van de installateur voor het verstrijken van de garantieperiode beëindigd is, kan de gebruiker een beroep doen op onze garantieverplichtingen tegenover de installateur. 8.2 Overeenkomstigheidsverklaring volgens ISO/IEC GUIDE 22: Fabrikant Adres Intergas Verwarming BV De Holwert 1, 7741 KC Coevorden Verklaart hierbij dat het CV-toestel: INTERGAS Type Prestige Voldoet aan de bepalingen van de volgende richtlijnen: Machine richtlijn (89/3921/EEG) zoals gewijzigd in richtlijn (93/68/EEG) Laagspanningsrichtlijn (73/23/EEG) zoals gewijzigd in richtlijn (93/68/EEG) Richtlijn inzake gastoestellen (90/396/EEG) Richtlijn inzake rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale verwarmingsketels (92/42/EEG) EMC richtlijn (89/336/EEG) zoals laatstelijk gewijzigd in richtlijn (93/68/EEG). Coevorden, 6 juni 2003 H. Bosscher Directeur Intergas Verwarming BV 27

Intergas Verwarming BV NE 11-03 881367-03 De Holwert 1 Postbus 6 7740 AA Coevorden Tel: 0524-512345 Fax: 0524-516868 www.intergasverwarming.nl