TROONOPVOLGING DE NEDERLANDSCHE ZAAK BESCHOUWINGEN DE VADERLANDSGHE PROF. MR. D. P. D. .. ^ ^^^ Prijs 30 CENT, bij inteekening ƒ 0.

Vergelijkbare documenten
DE GRONDWET - ARTIKEL 25 - ERFOPVOLGING

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

STAATSBLAD 'VAN HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

Emma van Waldeck-Pyrmont: Arolsen, 2 augustus 1858 Den Haag, 20 maart 1934

DE GRONDWET - ARTIKEL 39 - LIDMAATSCHAP KONINKLIJK HUIS WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR ARTIKEL 39 - LIDMAATSCHAP KONINKLIJK HUIS - G.

DE GRONDWET - ARTIKEL 28 - AFSTAND KONINGSCHAP DOOR HUWELIJK

Oscar II van Zweden: Stockholm, 21 januari 1829 aldaar, 8 december 1907

Wilhelm I van Duitsland: (Berlijn, 22 maart 1797 aldaar, 9 maart 1888

Willem III der Nederlanden: Brussel, 19 februari 1817 Apeldoorn, 23 november 1890

DE GRONDWET - ARTIKEL 40 - UITKERING KONINKLIJK HUIS

DE GRONDWET - ARTIKEL 34 - OUDERLIJK GEZAG MINDERJARIGE KONING

Tweede Kamer der Staten-Generaal

DE GRONDWET - ARTIKEL 74 - RECHTSPOSITIE LEDEN

Gew. bij S.B no. 104.

VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. Vil Û\JO%) W mt van den \2den December 1892, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.

Wet van 24 december 1927, houdende nadere regeling van de Collectieve Arbeidsovereenkomst

1 Het ontstaan van het Koninkrijk De geboorte van een prins De jeugd van prins Willem-Alexander 20

Wet voor het Natuurkundig Gezelschap te Middelburg. Vastgesteld den 13 december Artikel 1.

Wilhelm II van Duitsland: Berlijn, 27 januari Doorn, 4 juni 1941

Wet van 25 mei 1937, tot het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

Monarchie? vmbo. Korte omschrijving werkvorm Leerlingen maken zelf een nieuwe grondwet en debatteren over deze nieuwe grondwet.

Eerste Kamer der Staten Generaal

PUBLICATIEBLAD. LANDSVERORDENING van de 8'*^mei 2010 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek^ (Landsverordening herziening namenrecht)

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Leopold I van België: Coburg, 16 december 1790 Laken, 10 december 1865

WET MINISTERIËLE VERANTWOORDELIJKHEID... 2

Wet op de loonvorming Wet van 12 februari 1970, houdende regelen met betrekking tot de loonvorming

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Frederik Willem III van Pruisen: Potsdam, 3 augustus Berlijn, 7 juni 1840

Eerste Kamer der Staten-Generaal

TRACTATENBLAD KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. JAARGANG 1975 Nr. 132

1/2. Verenigde Vergadering Regeling van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. Vergaderjaar

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

STAATSBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN.

STAATSBLAD VAN HBT KONINKRIJK DER NEDERLANDEN.

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

verwerkingsopdrachten Willem-Alexander

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wet van 25 mei 1937, tot het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Verruiming spreekrecht in rechtszaal van kracht

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN

SJb Mei Maart 1938,Nr.1295,Afd.H.0. Wijziging en aanvulling der hooger-onaerwijswet#

Par.1 De verkiezing van de deken

Bijlage behorende bij Eilandsverordering vaststelling diverse ontwerp-landsverordeningen land Curaçao (A.B no. 87)

Rederlandschlndisde laatschappij

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

VOORSTEL VAN RIJKSWET. Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.

Albert I van België: Brussel, 8 april Marche-les- Dames, 17 februari 1934

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname

Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

STATUTEN. van de HELLEVOETSLUIS

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

VREEMDELINGEN? DOOR MR. B. DE GAAY FORTMAN.

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Frederik Willem IV van Pruisen: Berlijn, 15 oktober Potsdam, 2 januari 1861

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

AFKONDIGINGSBLAD VAN SINT MAARTEN

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal

1. De wetgever heeft reeds in uw plaats gedacht

Wilhelmina der Nederlanden: Den Haag, 31 augustus 1880 Apeldoorn, 28 november 1962

Transcriptie:

.. ^ ^^^ Prijs 30 CENT, bij inteekening ƒ 0.25 DE NEDERLANDSCHE ZAAK VLUGSCHRIFTEN UITGEGEVEN DOOR DE VADERLANDSGHE ^ ^_ CLUB I DE TROONOPVOLGING BESCHOUWINGEN VAN PROF. MR. D. P. D. FABIUS! AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF /

DE TRO(3NOPVOLGlNG IN NEDERLAND

r j um ^ DE TROONOPVOLGING IN NEDERLAND

DE TROONOPVOLGING IN NEDERLAND BESCHOUWINGEN VAN PROF. MR. D. P. D. FABIUS AMSTERDAM - VAN HOLKEMA & WARENDORF

I.

Den zevenden October j.l. hield Prof. Mr. D. P. D. FABIUS voor de leden van de Vaderlandsche Club" een voordracht over de Troonopvolging in Nederland. Een verzoek om deze zeer belangrijke beschouwingen aanstonds in brochurevorm te willen gieten, moest door den heer FABIUS worden afgewezen, wijl hem daartoe de tijd ontbrak. Met het oog op de actualiteit van het onderwerp heeft daarop het Secretariaat der Club, met verlof en onder toezicht van den hooggeleerden spreker, den hoofdinhoud van de gehouden voordracht in de volgende bladzijden neergelegd. Twee bijlagen: een afdruk van de artikelen der Grondwet, tot dit onderwerp betrekkelijk, en een schematische opsomming der nakomelingen van Koning Willem I bedoelen het volgen dezer Beschouwingen" te vergemakkelijken. Amsterdam, lo Oct. 1916.

Uit het Voorloopig Verslag, door de Tweede Kamer uitgebracht over het voorstel tot wijziging van de Hoofdstukken II, III en IV en de additioneele artikelen van de Grondwet blijkt, dat verscheiden" leden betreurden den opzet van die wijziging op zoo beperkte schaal. Onder die leden waren er, die eene herziening van de regeling der Troonopvolging zeer gewenscht noemden. Daarbij echter bleef het. Waarom en hoe die heeren dit onderwerp gewijzigd wenschten te zien, werd in het Voorloopig Verslag althans, niet gezegd, en de Minister heeft kortweg geantwoord, dat hij alleen in beperking kans van slagen zag. Bij den thans zoo kort nog toegemeten tijd, zoo meende de Minister, zou het aan de orde stellen van nieuwe vraagstukken noodwendig tot mislukking leiden. Uit het voorgaande blijkt, dat de waarschijnlijkheid niet zeer groot is, dat nog bij deze Grondwetsherziening het onderwerp der Troonopvolging aan de orde zal komen.

8 Hier worde intusschen onmiddellijk aan toegevoegd, dat, komt de nu aanhangig gemaakte herziening tot stand, het zeer onwaarschijnlijk is, dat dan binnen redelijk korten termijn kans zoude bestaan op wijziging van de Troonopvolging. Van de nu aanhangige kan men in zekeren zin zeggen, dat zij gedurende elf jaar werd voorbereid! Toch kan de behandeling dezer materie van actueel belang geacht worden; ja, mag het voor den Nederlander een plicht heeten dit vraagstuk onder de oogen te zien. Zoo staan we dus allereerst voor de vraag: hoc is de toestand nu? Wie worden volgens ons tegenwoordig staatsrecht aangewezen als Troonopvolgers, als verwachters? Men kan de door ons staatsrecht tot den Troon geroepenen verdeden in twee groote groepen : ^u'-tt' ^' ^^ wettige nakomelingen van Koning Willem I, mannelijke zoowel als vrouwelijke. Dit is het systeem van erfopvolging. Arri5 ^' ^^ wettige, mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem V, en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg.

9 Dit is wel Troonopvolging, maar geen e r f- opvolging; deze verwachters toch zijn geen afstammelingen van den stamvader van ons Koningshuis, van Koning Willem I; de bepaling gaat boven dien stamvader uit. Mocht nu vóór het openvallen van den Troon geen vertegenwoordiger van deze beide groepen bestaan, en daarmede geen Troonopvolger volgens de aanwijzingen van de Grondwet, dan kan op initiatief van den Koning een opvolger benoemd worden bij een wet, door de in dubbelen getale bij geroepen Staten-Generaal te behandelen. Bestaat bij het overlijden van den Koning geen Troonopvolger, dan geschiedt die benoemine rechtstreeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. Een samenvatting toont ons dus, dat de Troonopvolger aangewezen wordt door: 1. erfopvolging, of 2, een in de Grondwet uitgewerkt systeem van Troonopvolging zonder erfopvolging, of 3. benoeming. Hier valt echter onmiddellijk aan te teekenen, dat het hoogst waarschijnlijk naar de bestaande bepalingen tot een benoeming volgens de artt. 20 of 21 wel nooit zal komen. Het aantal rw. Qrw. Art. 21.

lo verwachters volpens die reg-elino- is daarvoor te groot. Zelfs is de kans zeer gering, dat men te eeniger tijd tot Troonopvolging naar artikel 15, dus door het Huis Nassau-Weilburg zal komen. De nakomelingen van Koning Willem I, zij het dan ook alleen in de vrouwelijke lijnen, zullen niet spoedig zijn uitgestorven. Gaan wij thans na, wie, indien onverhoopt uit Koningin Wilhelmina geene kinderen behalve Prinses Juliana geboren worden, en Deze kinderloos overlijdt, volgens de geldende regeling den Troon zouden bezetten. De eerstgeroepenen zijn dan de afstammelingen van wijlen Prinses Sophie, zuster van wijlen Koning Willem III, wijl deze prinses als tante aan Koningin Wilhelmina, en als oudtante aan Prinses Juliana het naaste bestaat. Vervolgens komen de afstammelingen van Prinses Marianne aan de beurt daar dan deze als oud-tante van Konino-in Wilhelmina en als over-oud-tante van Prinses Juliana aan de laatstgestorven Vorstin het naaste zoude bestaan. (Uit Prinses Marianne bestaan drie lijnen: Prinses en Prinsessen van Pruisen, Saksen-Meininsfen-Hildburghausen en Reuss jongere linie).

II Daarna worden geroepen de afstammelingen van wijlen Prinses Louise, de oudste dochter van wijlen Prins Frederik (broeder van wijlen Konino- Willem II) en eindelijk die van wijlen Prinses Marie, jongste dochter van dien Prins en gehuwd geweest met wijlen Prins Wilhelm von Wied, daar ook deze beide groepen zouden stammen uit Prinsessen, die der laatsto-estorvene Vorstin het naast zouden bestaan (als volle nichten van wijlen Koning Willem III; 5de graad van Koningin Wilhelmina, 6de graad van Prinses Juliana). Zoo komen dus de Prinsen en Prinsessen von Wied, schoon geboren uit een Prinses van Oranje, eene HoUandsche, het laatst aan de beurt, omdat zij worden voorgegaan door kleinkinderen en achter-kleinkinderen uit Prinsessen die der Koningin of Prinses Juliana nader bestaan. Op dit oogenblik zijn dus na Prinses Juliana het eerst geroepen de nakomelingen van wijlen Prinses Sophie, zuster van wijlen Willem III. Onder hen zou thans in de eerste plaats aanspraak hebben haar kleinzoon: Wilhelm Ernst, regeerend Groothertog van Saksen Weimar Eisenach geboren uit haar eenigen zoon.

ill jl :, Grw. 12 Deze echter wordt uitaesloten door de bepaling van onze Grondwet, die den Koning verbiedt een vreemde Kroon te drao-en, behalve die van Luxemburg. In zijn plaats treedt dus aanstonds zijn zoon en erfopvolger Wilhelm Ernst (geboren 28 Juli 1912) en na deze diens zuster, Prinses Sophie (geboren 20 Maart 1911). Na het Huis SAKSEN WEIMAR komen als afstammelingen van Prinses Sophie haar oudste 1 dochter, die gehuwd is geweest met een Prins van Reuss, thans echter reeds 6y jaar oud, en na Haar, hare kinderen en wel de Prinsen Pleinrich XXXII, Heinrich XXXIIl, Heinrich XXXV en Prinses Sophie, van Reuss jongere linie. Met deze korte opsomming kunnen we hier volstaan; de vraag, wie naar de bestaande regeling verwachters zijn mag hiermede voldoende beantwoord worden eeacht. Alvorens over te gaan tot eene beschouwine van de mogelijke en wenschelijke veranderingen in deze regeling, willen wij nog een oogenblik terugkeeren tot de eerste verwachters, die uit het Groothertogelijk Huis Saksen Weimar. Zooals we zooeven zagen, zou, werden deze nakomelingen van Prinses Sophie inderdaad tot den Troon geroepen, Ernst Wilhelm, als 't -f' 11 I

13 regeerend Groothertog uitgesloten worden. Artikel 23 van de Grondwet zegt duidelijk:, De Koning kan geene vreemde Kroon draden met uitzondering van die van Luxemburg." Sterft de regeerende Koning, dan i s op hetzelfde oogenblik zijn opvolger Koning Le Roi est mort, vive le Roi!" zooals het in het oude adagium heet. De drager van een vreemde Kroon kan dus geen opvolger zijn. Tot welke voor ons land ongewenschte gevolgen dit zou kunnen leiden, leert de volgende veronderstelling. De regeerende Groothertog zou, wanneer zijn Huis tot den Nederlandschen Troon geroepen werd, zijn zoon den Groothertogopvolger kunnen toestaan, de Kroon van. Nederland te dragen. Viel dan door overlijden van den Groothertog de Saksisch-groothertogelijke Troon open, dan zou de Nederlandsche Koning afstand van den Troon alhier kunnen doen, en misschien zijn zoon dien Troon bezetten, tot ook deze zich weer naar Saksen Weimar begaf om daar als Groothertog op te treden. Dat deze troonsverwisseling ad infinitum werkelijkheid zou worden, moge onwaarschijnlijk zijn, mogelijk is zij volgens onze tegenwoordige regeling.

^(tmrra 14 Maar er schuilt een wellicht ernstiger gevaar in het feit, dat van artikel 23 der Grondwet nog eene andere lezing, dan hierboven gegeven werd, en ook door de grondwetscommissie van 1905 gehuldigd werd, gegeven wordt. Sommigen toch leeren, dat de drager van een vreemde Kroon wel volgens ons staatsrecht tot den Troon kan geroepen worden, maar dan door artikel 23 der Grondwet den plicht heeft, hetzij van de Nederlandsche, hetzij van de vreemde Kroon afstand te doen.' In dezen gedachtengang, welke men vindt bij de Grondwetscommissie van 1910, zou dus thans, na Prinses Juliana, niet de Erfgroothertog van Saksen Weimar de eerstgeroepene zijn, maar diens Vader. Zoo bestaat er dus zelfs verschil over de vraag, wie thans de naastgerechtigde na Prinses Juliana is. De Grondwetscommissie van 1905 en die van 1910 hebben een voorstel gedaan, waardoor den Groothertog een termijn, en dus de gelegenheid tot beraden werd gegeven. Was een dier voorstellen aangenomen, zoo ware alle twijfel vervallen. Geen dier voorstellen werd echter wet. Wij komen thans tot de behandeling van mogelijke wijziging in de bestaande regeling.

wmmnmmujnm*"^^^ -" 15 Daarbij worde vooropgesteld, dat er in de orde der opvolging verandering kan worden gebracht, zender dat men daarvoor de Grondwet behoeft te wijzigen. Wil men b.v. de Prinsen van Reuss vóór het huis Saksen Weimar laten gaan 5 wil men de afstammelingen van wijlen Prinses Marianne roepen, vóór de laatstgenoemden, of zelfs acht men het wenschelijk, deze allen achter te stellen bij de afstammelingen van wijlen de Prinses Von Wied, dan kan dit geschieden bij een wet, waarvoor het initiatief door een Koning moet worden genomen en de Staten-Generaal in dubbelen getale beraadslagen. Bestaat er voor zoodanige verandering eenige aanleiding? De Vorst die bij ontstentenis van nakomelingen van wijlen Koning Willem III het eerst geroepen zou worden, is, zooals werd betoogd, Ernst Wilhelm, Erfprins van Saksen Weimar, en na Hem zijn zuster. Zou er nu eenige wenschelijkheid bestaan, om de volgende groep expectanten", de Prinsen en de Prinses van Reuss voor te trekken? De band tusschen hen en ons vaderland, is evenals bij het huis Saksen Weimar, hunne Grootmoeder van moederszijde, een Prinses van Oranje, die gehuwd was met een

i6 Groothertog van Saksen Weimar. Hunne moeder, eene Prinses van Saksen Weimar dus, huwde een Prins van Reuss j.l., en zij zijn dus geheel Duitsch. Men mag veronderstellen, dat zij een volkomen Duitsche opvoeding ontvingen en het is de vraag, of zij een woord Nederlandsch verstaan. Bestond niet dit ingewikkelde stelsel van Troonopvolging in onze wet, dan zou stellig niemand aan hen hebben gedacht, wanneer de Troon openviel. Zelfs zouden er in de groep der nakomelingen van wijlen Koning Willem I anderen zijn, die naar ons gevoel eerder in aanmerking zouden komen. De Prinsen Von Wied hadden een Nederiandsche moeder en daardoor zullen die kleinkinderen van wijlen Prins Frederik der Nederianden velen onzer stellig nader schijnen te staan aan Nederiand, dan de achterkleinkinderen van wijlen Prinses Sophie, wier eigen kinderen reeds spruiten uit het huis Saksen Weimar waren. Indien dan ook aan verandering der erfopvolging gedacht moet worden, schijnt de eenige vraag, die overweging waard zou zijn, deze: zal men op de nakomelingen van Koningin Wilhelmina onmiddellijk de kinderen van wijlen Prinses Marie der Nederianden doen volgen? Zeker, haar overleden zuster Prinses Louise

IffWITII ]. lil-tlv^.--^^*ci-.-jlijl y, X',- 17 was de oudere. Maar aan dezer dochter, Prinses Louise van Zweden en Noorwegen, thans Koningin-Weduwe van Denemarken, en haar zoons zal toch wel niemand denken. Intusschen veriiest de verandering in de erfopvolging, waarbij men de Prinsen von Wied zou laten voorgaan, al weder een groot deel van de waarde, die men haar zou kunnen toedenken, als men in aanmerking neemt, dat ook de oudste dezer Prinsen reeds twee kinderen heeft, zoodat het zeer wel mogelijk ware, dat bij het openvallen van onzen Troon die oudste Prins overleden was en een zoon van hem zijn plaats vervulde. En dat dan die kleinzoon van wijlen Prinses Marie ons zooveel nader zou staan dan een achterkleinzoon van wijlen Prinses Sophie, kan bezwaarlijk worden gezegd. Zoo blijkt wel, dat er voor eene verandering van de erfopvolging in dezen zin geen gewiclitige gronden te vinden zijn; de eene lijn van cognaten staat niet verder van ons, maar stellig ook niet nader aan ons dan een andere. Gaan wij thans een stap verder en stellen we de vraag: is het mogelijk alle verwachters buiten Prinses Juliana eenvoudig te schrappen?

wmffifmlimimiiuii,. i8 Kunnen en mogen wij onze Grondwet zoodanig wijzigen, dat alle erfopvolging van andere nakomelingen dan die uit wijlen Koning Willem II wordt afgesneden? Bij het stellen van deze vraag dringt zich onmiddellijk eene andere op: ware zoodanige handeling een terugkomen op wat geschied is in 1813? En op deze laatste vraag kan het antwoord ontkennend luiden. Wij mogen zeker niet vergeten, dat de Souvereiniteit van het Huis van Oranje, gelijk ook Kappeyne heeft erkend, niet rust op de Grondwet, maar op de opdracht van 1813, in die Grondwet als een feit geconstateerd. De oorspronkelijk gestelde vraag is dus: zou een later wegvallen van de zijliniën zijn een te kort doen aan wat eenmaal aan het Huis van Oranje gegeven werd? En dan zullen we bij de beantwoording daarvan allereerst in het oog hebben te houden, dat men, toen in 1813 de souvereiniteit werd opgedragen, nog geenszins een uitgewerkte regeling in het hoofd had. Die uitvoerige regeling werd eerst in 1814 gemaakt. De quaestie, of men een deel der verwachters kan afsnijden, wordt in Duitschland heden ten dage door schrijvers van naam ontkend met betrekking tot de a g n a t e n. Naar hunne

IBtliBl» - in - -rtis^car^-^msrr-"''"^- 19 meening zou daartoe behalve een Rijkswet, vereischt worden een vorstelijke huiswet, waarbij die agnatcn tot de bedoelde opheffiing of verandering meewerkten, door hun toestemming te verleenen. Aldus werd betoogd door Rehni in Modernes Fürstenrecht; hij vond voor deze mecning in meerdere of mindere mate steun bij Kohier, Bernatzik, Zorn, Von Kirdsenheim. Zijn betoog schijnt niet sterk, en behoeft trouwens voor Nederland geen richtsnoer te zijn. Tegen het afsnijden van de expectanten is echter ten onzent een bedenking geuit door Kappeijne, die meende dat de erkenning van het Koninkrijk der Nederlanden door het Weener Congres zoodanige afsnijding verbood. Kappeijne meende, dat, daar artikel 65 van de Weener Congresakte de erkenning van dit Rijk als deel van het Europeesche Statenstelsel verbond aan de Koninklijke waardigheid in het Huis van Oranje overeenkomstig de toen o-eldige orde van erfopvolging, het onthouden der koninklijke waardigheid aan afstammelingen van wijlen Koning Willem I ook de erkenning van het Rijk zou doen vervallen. Hierteo-enover werd door Heemskerk aangevoerd, dat na het jaar 1839 geen internationale banden ons meer konden binden aan

NWH SMl ümilülwi 20 il V f' Itf lil 1 il t -1 i; 1, 'I de oude orde van erfopvolging, aangezien er van toen af een nieuw Rijk zou bestaan. Dit argument werd door Farncombe Sanders terecht verworpen. De gebeurtenissen van 1S30 hebben in dezen niet den minsten invloed uitgeoefend. Het ware geheel ongegrond te meenen, dat het oude Rijk toen verdwenen is, om plaats te maken voor een nieuw. Het Koninkrijk der Nederlanden bleef ongetwijfeld, zij het dan in verkleinden vorm, bestaan. Mr. Sanders echter bracht een beter arg-ument bij ter bestrijding van Kappeijnc's meenincr. Artikel 8 van de Grondwet van 1814 verklaarde den Souvereinen Vorst bevoegd om, indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maakten, een voorstel tot,,verandering in de Erfopvolging" aan de Staten- Generaal te doen. Hieruit blijkt duidelijk, dat de erkenning van Nederland als deel van het Europecsche Statenstelsel niet staat of valt met de oude orde van erfopvolging, want met de aangehaalde mogelijkheid van wijziging is die erkenning geschied. Iets anders ware het natuurlijk, wanneer men een wijziging in dien geest tot stand bracht, dat de monarchale regeeringsvorm verlaten werd. In dat geval ware een nieuwe erkenning van het Rijk ongetwijfeld vereischt.

>wwfct>eaiaaij»=»" _«--««-«.j«. *>~»-«21 Overigens dient, in aansluiting aan het boven reeds gezegde, opgemerkt, dat waar de verwachting der cognatische, der secundaire, tertiaire Huizen niet kan gezegd worden te rusten op de opdracht van 1813, deze daaraan geen recht kunnen ontleenen en dat dus de terzijdestelling van die Huizen in geen geval genoemd zou mogen worden een terugkomen op hetgeen in 1813 geschiedde. Ook schreef Van Hogendorp in zijn eerste schets: De Souvereine Vorst bezit de Souvereiniteit erfelijk, voor Hem en zijne wettige, mannelijke nakomelingen". Daarmee waren dus blijkbaar alleen bedoeld alle wettige,.agnatische descendenten van den eersten bezitter dier Souvereiniteit, met uitsluiting van de vrouwen. In de derde redactie zijner Schets nam Van Hogendorp subsidiair ook het huis Nassau- Weilburg op, en wel volgens den wensch van Koning Willem I. In 1814 werd daarop uitdrukkelijk aan de dochters of derzelver nakomelingen" recht op de Souvereiniteit verleend. Het gevolg hiervan was, dat alle vrouwelijke lijnen uit Koning Willem I werden ingeschoven tusschen het huis Nassau-Oranje en het huis Nassau-Weilburg, waardoor de kansen van het laatstgenoemde op den Ne-

22 derlandschen troon dus aanzienlijk verminderden. Of dit geschied is tegen de bedenkingen van den Souvereinen Vorst, is een open vraag. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het belang zijner dochter Marianne hier lieeft o-ewoo-en. Naar de meening van Kappeyne en Dr. Colenbrander zou de derde redactie der Schets de vrucht zijn van de tusschen Koning \A/illem I en Van Hogendorp gepleegde overleggingen. We kwamen dus tot het resultaat, dat ten onzent de verwachtingen der cognatische Huizen stellig op de Grondwet van 1814 rusten, en niet op een onafhankelijk van die Grondwet verkregen recht. Waaruit dan dadelijk volgt, dat die verwachtingen ook mopfen worden te niet gedaan, zonder dat de cosfnaten over een schending van hun recht kunnen klagen. En k fortiori geldt dit ook voor de aanspraken, die het huis Nassau-Weilburg mocht kunnen doen gelden, waar deze toch nimmer kunnen afgeleid worden uit aanspraken aan nakomelingen van Koning Willem I verleend. Wij zien dus den weg geëffend: de cognatische verwachters mogen afgewezen worden. Nu kan de vraag gesteld worden: wat is voor ons land verkieselijker, dat wij ons,

23 door den toestand te laten zooals hij is, bij voorbaat vastleggen aan een Huis, dat ons allengs geheel vreemd wordt, in casu dat van Saxen-Weimar, eventueel het huis Reuss, óf dat wij de mogelijkheid scheppen, om als het tijdstip daar mocht zijn, een vrije keus te doen? En dan kan het antwoord nauwlijks twijfelachtig zijn. Doen wij het eerste, binden wij ons aan een bepaald Vorstenhuis, dan geschiedt dit eigenlijk alleen, onafhankelijk van persoon en stamhuis, om de moeilijkheid van een keus te ontgaan. Zoodat wij feitelijk evengoed elk ander Vorstenhuis daarvoor in de plaats konden stellen. Ook hebben wij niet te vergeten, dat de monarchie in Nederland in ieder opzicht een product der historie is. Reeds tijdens de Republiek bekleedden de Prinsen van Oranje hier een eminente plaats. Reeds tijdens de Republiek zochten, gelijk Groen van Prinsterer schrijft, onze vaderen in een eenhoofdig gezag, onder bestuur van het huis van Oranje, een waarborg tegen elke soort van aanmatiging. In het jaar 1813 is geenszins ten onzent een monarchie ontstaan, los van de dynastie. Een monarchie zonder meer, terwijl om zoo te

24 zeggen later de naam der dj^nastie kon worden ingevuld. Integendeel zou men niet ten onrechte de zaak zoo kunnen voorstellen, dat wij een monarchie hebben tot stand gebracht, omdat wij het Huis van Oranje hadden. Geeft Thorbecke de voorstelling, dat men uit de Grondwet te lezen heeft, wat het Koningschap is, en wat zijn rechten zijn, veel juister is Groen's opvatting, die steeds het Koningschap in verband met de historie heeft verklaard. Zoo is dan ook de monarchie, die wij in 1813 wilden, een monarchie met Oranje geweest. We wisten, gelijk we nog weten, wat we aan Oranje hadden; wat die naam Oranje beteekent; wat het Stamhuis van Oranje is. En het laat zich denken, dat men tegenover een andere dynastie in verschillend opzicht andere bepalingen in de Grondwet had gemaakt, op meer maatregelen tegen misbruik van gezag bedacht ware geweest. Alle.szins redelijk is daarom, dat, mocht Prinses Juliana het eenige kind onzer Koningin blijven, en die Prinses kinderloos sterven, dan in vrijheid over de toekomst van Nederland worde beslist.

^ ^ ^ ^ ^ ^ 1 ^ 25 Zoo mag dan als slotsom gesteld worden, dat het zeer ernstige overweging verdient om alle erfrecht van collateralen terzijde te stellen en eveneens te doen vervallen de mogelijkheid van Troonopvolging door het Huis Nassau-Weilburg, voorts ons land op geenerlei wijze te binden aan eenig Huis of eenige persoon buiten de nakomelingen van-koningin Wilhelmina, zoodat ingeval het ooit mocht geschieden, dat de Troon openviel, zonder dat nakomelingen van Koningin Wilhelmina aanwezig waren, de Staten-Generaal naar de bepaling van artikel 21 der Grondwet een nieuwen Troonopvolger zouden kunnen aanwijzen. De zeer ernstige moeilijkheden, waarvoor ons Vaderland in elk geval zou geplaatst worden als Koningin Wilhelmina en Prinses Juliana op gezegde wijze kwamen weg te vallen, mogen wel ons te meer doen waardeeren het voorrecht ons thans nog in onze geliefde Koningin geschonken, en de bede doen rijzen, dat ook het leven van Prinses Juliana worde gespaard; dat Zij worde een waardig evenbeeld van Haar Koninklijke Moeder, en vooral, zoo haar geen broeders worden geboren, dat uit Haar een geslacht voortkome, dat den Troon in lengte van dagen bezet.

BIJLAGE I. GRONDWET VOOR HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN 1887. TWEEDE HOOFDSTUK. VAN DEN KONING. EERSTE AFDEELING. VAN DE TROONOPVOLGING. APT 10 ]> Kroon der Nederlaiiden is en blijft opocdrakcn aan Zijne Majesteit WILLEM FREDERIK, Pims van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen. ART II De Kroon gaat bij erfopvolgmg over op Aijne zonen" en verdere mannelijke, uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in Zijne plaats treden en de Kroon nooit in een jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de ouden lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden. ART 12. Bij ontstentenis van opvolgers m het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstoverleden Koning, bij regt van eerstgeboorte. X\RT. 13. Bij ontstentenis ook van de dochters, m tiet voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstoverleden Koning en, bij gebreke ook van deze en

28 van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen. In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in lederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang. ART. 14. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatstoverlcden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje-Nassau, het naast bestaat. Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang. Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór Hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouavelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in lederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan. ART. 15. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens écn der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat de/c over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses CAROLINA VAN ORANJE, zuster van wijlen Prins WrLLEM DEN VIJFDE en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Wcilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje Nassau, is bepaald. ART. 16. Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden. ART. 17. Het kind, waarvan ccne vrouw zwanger is op het oogcnblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan. ART. 18. Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen.

29 creboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten- Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toesternmmg. Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Konmgin atstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon. Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolgmg, hetzij ingevolge artt. 15, i9, 20 of 21 in een ander Stamhms is overgegaan, gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten. ART 19 Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, is de Komng bevoegd daaromtrent een voorstel te doen. De Staten-Generaal daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering., ART 20 Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen. De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering... ^ ^^ ART. 21. Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten-Generaal m vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen cretale binnen eene maand nahetoverlijden bijeengeroepen. ART -2. Al de bepalingen omtrent de erfopvolgmg worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege, dat het nieuwe Stamhuis ten opzigte van die opvolging van Hem zijnen oorsprong neemt op gdijke wijze en met dezelfde gevolgen als het Huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning WILLEM FREDERIK, Prins van Uranje- Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses CAROLINA VAN ORANJE., 1 ^v^c^^r. Het eeidt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen-

30 der vrouw, die bij opvolginjit tot de Kroon is geroepen, niet dien veistande, dat de Kroon eerst bij geheele ont- «^lenlenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het Stamliuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat ART. 23. De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg, In geen geval kan de zetel der Regering buiten het Pvijk Vt'orden verplaatst.

KoNiHG WILLEM II f K. WILLEM III t ^^ K. WILHELMINA (t PB. JULIANA ^ ileinv. lleini- Sophie lleiiirich XXXII XXXIII XXXV Sophie Kniest Willielm SAKSEN WEIMAK KBU8S KÜSTRITZ N.B. Mannen worden door X, vrouwen door aangeduid, t beteek 1. Koning Christiaan van Denemarken. 2. is sinds 1905 Haakon, 1 De Bomeinsche cijfers geven de volgorde aan, waann de verschillen

KONING WILLEM I 'f volgens Art. 10 14 der Grondwet. KONING WILLEM II f PE. MAEIANNE f geh. m. PEINS V. PRDISENJ K. WILLEM ni t y( Alexandrine ' ffeh. ni. Hg", v..mecklenb.-scliw. J K. WILHELMINA CUiarlottP. eeh. ni. Heinrich XYIII V. Reuss j.l. -j- PE. JULIANA Heinr. Keuir. Heinr XXXVII XXXVIII XLII Sophie Kniest Wilhelm SAKSEN WEIMAK KEUSS KÜSTRITZ SLEESWIJK HOLLSTEIN SONDERBÜBG GLÜCKSBUKG WIED SAKSEN HEININGEN PRUISEN (HOHENZOLLERN) REDSS K.ÖSTRITZ NOORWEGEN, SCHAUMBURG LIPPE, ZWEDEN N.B. Mannen worden doorx, vrouwen door # aangeduid. T 'oeteekent overleden. 1. Koning Christiaan van Denemarken. 2. is sinds 1905 Haakon, Koning van Noorwegen. 3. was gehuwd met Frederik, Prins van Scliaumburg-Lippe. 5. Is gehuwd met Karel, Prins van Zweden, De Romeinsche cijfers geven de volgorde aan, waarin de verschillende groepen van verwachters tot den troon worden geroepen.

: / I' ( '1 IK '^MVa 11

^8 ik ( ï ^ M'^v tf^.