Algemeen werfreglement

Vergelijkbare documenten
1. ORGANISATIE VAN DE PREVENTIE EN BESCHERMING

Bouwplaatsreglement. Definities:

Het veiligheidsplan: Onderaanneming Betontrappen Geerts bvba

ALGEMEEN VEILIGHEIDS- & GEZONDHEIDSPLAN MACOBO

Veiligheidsinstructiekaart Rolsteiger ARAB - artikel 54 quater 4. en het KB Arbeidsmiddelen (Codex Titel VI Hoofdstuk I artikel 7)

ABESCO ACTIVITEITEN SITUATIES PREVENTIEMAATREGELEN INSTRUCTIES RISICO'S ALGEMENE RISICO S

Task Safety Requirements Working at Height Scaffolding NL. Approved by: HSSE Manager

1. Organisatie veiligheid, gezondheid en milieu:

Afbraakwerken Wettelijk kader. 17 maart 2016 ir. Tom Vermeersch sociaal inspecteur TWW- FOD WASO

VEILIGHEIDSADVIEZEN VOOR DE BOUWNIJVERHEID

Werken op hoogte PREVENTIEMAATREGELEN

Veiligheidsaspecten bij bekistingswerken

VEILIG WERKEN OP HOOGTE IN EEN SCHOOL. Jan Goos

1 COÖRDINATIE-INSTRUMENTEN

Richtlijn voor Aannemers

Task Safety Requirements Working at Height Roof Work NL. Approved by: HSSE Manager

Algemene risicoanalyse voor de werkpost : Booglassen Versie 99/1 Blz. 1/5

ONTHAALBROCHURE WELKOM OP DE WERF THV SCHUMAN - JOSAPHAT

Toolboxfiche /2017

Reglement veiligheidsregels voor derden.

VEILIGHEIDSTIPS VOOR JOBSTUDENTEN

-1- Over welke domeinen gaat de V&G-wetgeving? -1- Voor wie geldt de V&Gwetgeving? -1- Noem de twee vormen van overleg.

Codex over het welzijn op het werk. Boek IX.- Collectieve bescherming en individuele uitrusting. Titel 1. Collectieve beschermingsmiddelen

Plafond- en wandmonteur

Preventietoolbox Onthaal van aannemers Werken met Derden Tijdelijke & Mobiele Bouwplaats

ALGEMEEN BOUWPLAATSREGLEMENT (Procedure werken met derden)

Task Safety Requirements Working at Height Roof Work NL. Approved by: HSSE Manager

V&G-deelplan uitvoeringsfase Nummer : Versie : 1. VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSGEVAREN Status : invulform

Veilig omgaan met asbest

Veilig werken & doen veilig werken

Toolboxfiche U011 09/2016

UW DAK, UW EN ONZE VEILIGHEID! LIMBURG DAKWERKERS

COORDINATIEVERSLAG V&G Datum: 24/03/2017 Fase ontwerp

Betonboorder. Het belangrijkste bouwwerk ben je zelf. Alles wat je moet weten over gezond en veilig betonboren. Informatie voor de werknemer

1 Orde, zorg en netheid

Veiligheidsbrochure. EOC Belgium Latex Division II. Gelieve badge en nekkoord steeds zichtbaar te dragen. Alarmnummer EOC

Type functie DMC code 34 : elektromecanicien

Algemeen Ziekenhuis Vesalius Studenten- Stagiairs

Veiligheids- en gezondheidsrisico s in de garage- en carrosseriesector

Wat staat er in de Codex over het Welzijn op het Werk over asbest? Luc Neyens Toezicht op het welzijn op het werk

VEILIGHEIDSPLAN PREVENTIEMAATREGELEN INSTRUCTIES. regelmatig onderhoud van de. machines wegnemen of signaleren van de

VEILIGHEIDSINSTRUCTIEKAART Versie 1 dd VIK-040 Laagwerker

PREVENTIEMAATREGELEN ACTIVITEIT ARBEIDSMIDDELEN RISICO S AR RR NVT. Risicoanalyse : WERKEN OP HELLENDE DAKEN

Veiligheidsvoorschriften voor contractanten

Informatiebrochure voor de standenbouwer A:Checklist voorbereiding opbouw B: Richtlijnen ivm veilig werken

Koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten (B.S )

FICHE UITRUSTING VAN DE ARBEIDSPLAATSEN

Het kader van het Welzijn op het Werk Toelichting bij de wet van 4 augustus 1996

Voor noodgevallen contacteer Traffic Control: 02/

Info veiligheidsopleidingen

VEILIGHEIDSPLAN. DEEL B : GEBOUWEN/RUWBOUW HOOFDSTUK 2 : WERFINRICHTING. pagina 1

SPECIFIEK VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSPLAN RMT-GEB-VBP-SP PROVINCIE VLAAMS- BRABANT - PROVINCIEHUIS

-2- Noem voorbeelden van orde en netheid (good housekeeping). -2- Bij welke werkzaamheden kan een aanvullende werkvergunning nodig zijn?

Kerntaak 1: Waterbouwkundig werk uitvoeren

HOOFDSTUK IV: VOORBEREIDENDE WERKEN EN GRONDWERKEN

1 COÖRDINATIE-INSTRUMENTEN

Vooraf gemelde examenvragen opleiding VC A en B op TMB

Controle van hefwerktuigen. Bliksemacties van Toezicht Welzijn op het Werk

RISICO ANALYSE TORENKRANEN

Inhoud. Inleiding. Wetgeving. Algemene Preventie. Situaties eigen aan IMEC. Ladders. Stellingen. Docent: Tony Devolder IMEC restricted

Werken op hoogte. Ladders en steigers

We kennen de regels en procedures en volgen die op.

INTENTIEVERKLARING VAN DE AANNEMER. Ik (aannemer)

De aannemer kan een attest VCA of Be Sacc voorleggen. In elk geval dient de aannemer zich minstens te houden aan volgende vereisten:

Milieuwetgeving rond asbest:

7 Documenten te bezorgen door aannemer bij zijn inschrijving

Persoonlijke Beschermingsmiddelen

Betonstorter / gietbouwer

Toolbox-meeting Gevaarlijke stoffen

Toelichting en gebruik V&G-deelplan.

Hoofdstuk I. - Bepalingen betreffende de collectieve beschermingsmiddelen. Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Blokkensteller ruwbouw

Activiteit Middel Risico Preventiemaatregelen Evaluatie. Van en naar werf voertuig verkeersongeval rijbewijs B

Veiligheid- en gezondheidsplan ontwerp

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM s)

BVBA Na-iso-inventaris Versie nr 01 Datum: 01/01/2004 Blad 1/8

Veiligheidsvoorschriften Werken met Derden

1 Beschrijving. Figuur 1: Voorbeeld van een steiger als opvangvloer

TOOLBOXMEETING April 2016 Deze Toolbox dient gegeven te worden tussen 11/04/2016 en 15/04/2016

1 Beschrijving. 2.1 KB Risico s van blootstelling aan asbest. mutagene agentia Titel 3: Asbest 2 idem 3 idem

De doelstellingen van de Arbowet zijn: het verbeteren van de veiligheid en gezondheid van medewerkers

Werken met hoogwerker en vorkheftruck. Maandthema maart 2014

REGLEMENT WERKEN MET DERDEN

Algemene risicoanalyse voor de werkpost : Tafelcirkelzaagmachine Versie 99/1 Blz. 3/5

Arbochecklist Productie/Technisch/Logistiek

Metaalbewerker / bankwerker

Blokzijltcl installatietechniek B.V.

DEEL B : GEBOUWEN/RUWBOUW HOOFDSTUK 4 : GRONDWERKEN pagina 1

Type functie : elektromecanicien

COORDINATIEVERSLAG V&G Datum: 13/03/2017 Fase ontwerp

Werkmethode toeleveranciers tuinbouw

Door slecht onderhoud en verkeerd gebruik van handgereedschap gebeuren er nog vaak ongelukken op de werkplek.

Toolboxfiche /2017

Hoofdstuk Paragraaf Eindterm Toetsterm 1. Wetgeving 1.5 Grondbeginselen arbeidstijdenwetgeving De kandidaat kan de doelstellingen van de

Transcriptie:

Algemeen werfreglement

Inhoud 1 Werfreglement... 3 1.1 Algemeen... 3 1.2 Werfinrichting... 4 1.3 Materieel en werfinstallaties... 5 1.3.1 Elektrische installaties... 5 1.3.2 Ladders... 6 1.3.3 Stellingen... 6 1.3.4 Gevaarlijke producten... 6 1.3.5 Torenkraan... 7 1.3.6 Arbeidsmiddelen en toebehoren... 8 1.4 Collectieve beschermingsmiddelen... 9 1.5 Persoonlijke beschermingsmiddelen... 10 1.6 Werkmethoden... 10 1.6.1 Heffen en tillen, rugbescherming.... 10 1.6.2 Graafwerken... 10 1.6.3 Asbesthoudende toepassingen... 11 1.6.4 Lassen en Branden... 11 1.6.5 Grondverzet... 11 1.6.6 Werken in putten en sleuven... 12 1.6.7 Vervuilde bodems... 12 1.6.8 Milieu... 12 1.6.9 Gemeenschappelijk gebruik van stellingen, gereedschap, etc.... 12 1.6.10 Besloten ruimten... 13 1.6.11 Blootstelling aan biologische agentia... 13 1.6.12 Werken met teerhoudend asfalt... 14 1.6.13 Werken met kalk... 14 1.6.14 Blootstelling aan kwartsstof... 14 1.6.15 Signalisatie voor wegeniswerken en werken nabij of op de openbare weg... 14 1.6.16 Werken nabij spoorwegen... 15 1.6.17 Wat te doen bij asbest... 16

1 Werfreglement Hierna wordt een overzicht gegeven van de elementen die risico s veroorzaken en waarvoor bijgevolg preventiemaatregelen en/of aandachtspunten nodig zijn. Het zijn situaties die tot stand komen door de activiteiten van de (onder)aannemer en die een risico kunnen vormen voor werknemers van de desbetreffende aannemer, maar ook gevolg kunnen hebben voor latere projectfases of voor derden. In dit werfreglement zijn de minimum preventiemaatregelen in algemene termen opgesomd of wordt verwezen naar de wettelijke context. De aannemers worden geacht deze maatregelen te kennen en zonder meer toe te passen. In het V &G plan worden aangegeven welke projectspecifieke aanvullende maatregelen deze minimumvoorzieningen overstijgen en die noodzakelijk zijn voor een gecoördineerde uitvoering van de werken. 1.1 Algemeen De V&G-eisen gesteld in het lastenboek dienen te allen tijde nageleefd te worden. Elke aannemer verplicht er zich toe de hem toegewezen werken uit te voeren conform de wettelijke bepalingen betreffende de arbeidsveiligheid. De aannemer is volledig verantwoordelijk en aansprakelijk voor het naleven en doen naleven (door al zijn werknemers en onderaannemers) van alle wettelijke bepalingen in het veiligheids- en gezondheidsplan voor onderhavig project. De aannemers worden gewezen op al hun verplichtingen in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gewijzigd bij de wetten van 13-02-1998, 28-02-1999 en 05-03-1999 en de geldende uitvoeringsbesluiten. Dit reglement doet geen afbreuk aan verplichtingen opgelegd door ARAB, Welzijnswet, AREI Elke aannemer en onderaannemer verbindt er zich toe de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan en het specifieke veiligheids- en gezondheidsplan (van de aannemer zelf), de bijkomende adviezen van de veiligheidscoördinator op te volgen in overleg met de opdrachtgever. Elke onderneming die op de werf werken uitvoert en/of laat uitvoeren en iedere persoon die op de bouwplaats aanwezig is, moet dit werfreglement naleven. Ondernemingen die deze voorschriften overtreden, zullen instaan voor de te maken kosten. Elke onderneming moet zelf instaan om dit reglement ter kennis van zijn personeel, leveranciers, onderaannemers en bezoekers te brengen en de toepassing ervan op te volgen. Alle arbeiders op de werf dienen minstens een basiskennis te hebben van de officiële landstalen of dienen Engels te spreken. Indien niet mogelijk dient de werfverantwoordelijk op de werf de opmerkingen kunnen vertalen zodat alle arbeiders op de hoogte zijn van de gemaakte opmerkingen. Alle aannemers zullen zich er toe verbinden op de bouwplaats enkel gekwalificeerde personen tewerk te stellen, die op de hoogte zijn van alle risico s, verbonden aan de uitvoering van hun werk, en de daarbij horende preventiemaatregelen. De toegang tot de werf wordt formeel verboden voor personen die de veiligheidsinstructies niet kennen of toepassen. De aannemer heeft de plicht om elk ongeval en elke onveilige situatie op de werf te melden aan de veiligheidscoördinator verwezenlijking. De aannemer zal in zijn eigen VGP alle aanwezige risico s voor derden ten gevolge van zijn werken opnemen. Hij zal tijdens de uitvoering onmiddellijk nieuw opgedoken veiligheids- en gezondheidsrisico s signaleren aan zijn opdrachtgever.

Indien werknemers van verschillende ondernemingen op eenzelfde werf aanwezig zijn, moeten deze samenwerken bij de uitvoering van de preventiemaatregelen en elkaar op de hoogte brengen van de aanwezige risico s op de werf. De aannemer zorgt er te allen tijde voor dat de brandveiligheid van het/de (aanpalende) gebouw(en) gegarandeerd blijft. Voor aanvang van werken met open vlam en slijpwerkzaamheden dient de aannemer in voorafgaandelijk overleg met de opdrachtgever de nodige middelen te voorzien om brand te voorkomen en te bestrijden (vuurvergunning, brandwacht, brandblussers). Code van goede praktijk De werken worden uitgevoerd in overeenstemming met: het AREI (Algemeen Reglement inzake Elektrische Installaties) de welzijnswet (Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, BS 18 september 1996) het KB van 27 maart 1998 (BS 31 maart 1998) betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk VLAREBO en vzw Grondbank (wettelijke de laagspanningsrichtlijn 73/23/EEG van 19 februari 1973 (PB van 26 maart 1973), richtlijn 93/68/EEG van 22 juli 1993 (PB van 30 augustus 1993), KB van 23 maart 1977 (BS van 31 maart 1977) als Belgische omzetting van de laagspanningsrichtlijn de EMC-richtlijn 89/336/EEG gewijzigd door de richtlijn 92/31/EEG, KB van 18 mei 1994 als Belgische omzetting van de EMC-richtlijn de richtlijn betreffende persoonlijke beschermmiddelen (89/686,93/68,93/95), KB van 31/12/1992 en 05/05/1995 (BS 04/02/1993 en 31/05/1995). het KB van 25/01/2001 (e.v.), inzake tijdelijke of mobiele bouwplaatsen (BS 07/02/2001) Vlarem I en II (Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, voorschriften, ); Vlarea (Vlaams reglement betreffende de afvalstoffen) Bepalingen inzake grondverzet ) 1.2 Werfinrichting De omgeving en omtrek van de bouwplaats dienen te worden gemarkeerd Verboden toegang voor onbevoegden en te zijn omgeven door een fysieke afsluiting, zodat zij duidelijk zichtbaar en als zodanig herkenbaar zijn (KB25/01/01, bijlage III, deel A-18a). De werf dient zodanig ingericht dat hij voldoet aan de vereiste veiligheidsnormen. Rondom de bouwplaats plaatst de aannemer een werfafsluiting en de nodige signalisatie, die voldoende doeltreffend is om onbevoegden te weren van de werf. Voor bouwwerken is deze afsluiting min. 2m hoog. De aannemer treft de nodige voorzieningen voor zijn personeel (aparte eetruimte/vergaderruimte en een apart toilet) en ten behoeve van een veilige en ordelijke opslag van materialen. De aannemer zorgt ervoor dat de bouwplaats te allen tijde ordelijk is. Hij zal dagelijks de werf gesorteerd opruimen en op regelmatige basis bouwafval afvoeren. Elke (onder)aannemer staat in voor de opkuis van zijn persoonlijk huishoudelijk afval. Het verbranden van afval op de bouwplaats is verboden op de werf.

Eventuele gevaarlijke afvalstoffen worden gescheiden afgevoerd. In dat geval dient de opdracht- gever op de hoogte te worden gesteld van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, zodat in overleg met de veiligheidscoördinator de juiste behandelingsmethode kan worden gevolgd. De hoofdaannemer is verantwoordelijk voor de organisatie van de EHBO. Zij voorzien tenminste een niet vervallen brandblusser, een verbanddoos en een brancard op de werf. Per 20 werknemers dient één EHBO hulpverlener permanent op de werf aanwezig te zijn. Deze worden aangesteld door de hoofdaannemer. De namen worden doorgegeven aan de veiligheidscoördinator. 1.3 Materieel en werfinstallaties Het gebruik van materieel en installaties op de werf mag enkel gebeuren door bevoegd en opgeleid personeel. Bij gebruik van materieel, installaties van collega-aannemers op de werf dient hiervoor diens toestemming gevraagd te worden. Gebruik van onveilig materieel op de werf is verboden. Het advies van de veiligheidscoördinator hieromtrent dient te worden gevolgd. 1.3.1 Elektrische installaties De elektrische installatie moet door een erkend organisme gekeurd zijn en conform met het A.R.E.I. Elk defect moet onmiddellijk aan de coördinator-verwezenlijking worden gemeld. Verdeelborden moeten steeds gesloten blijven. Het aansluiten kan enkel met aangepaste stekkers. Alle verbindingen (stekker/stopcontact) moeten geschikt zijn voor gebruik in vochtige omstandigheden, min IP 44. Kabels moeten steeds opgehangen en/of afgeschermd worden tegen mogelijke beschadiging. Zorg voor een ordelijke bekabeling. Het is verboden trekkrachten uit te voeren op stroomkabels of deze te plaatsen op scherpe randen. Dominostekkers en tafelcontactdozen, alsook niet conforme stekkers, stopcontacten of verbindingsdozen zijn verboden op de werf. Elektrisch materiaal moet geschikt zijn voor zijn doel en onderhouden door competente personen. Elke onderneming staat zelf in voor de verlichting van haar werkposten. Deze verlichting moet worden uitgevoerd volgens de geldende wetgeving. De trappenhallen en de circulatieruimtes dienen steeds voorzien te worden van verlichting volgens de geldende wetgeving. Draagbaar elektrisch materiaal moet een veiligheidscontrole ondergaan op geregelde tijdstippen, uitgevoerd door competente personen. Het materiaal moet tevens visueel gecontroleerd worden op regelmatige tijdstippen. Wanneer een onderdeel als onveilig wordt beoordeeld, mag dit niet langer gebruikt worden zolang het niet hersteld en elektrisch getest. Indien mogelijk moet het draagbaar elektrisch materiaal aangedreven worden door batterijen of werken op veiligheidsspanning. Enkel bevoegde personen mogen met elektriciteit werken (min. opleiding B/A4 of B/A5). Ze moeten voldoen aan ARAB, CODEX en AREI. Ze moeten voorzien zijn van een aarding.

Kabels op de werf: Kabels mogen geen obstakels, struikelgevaar of elektrocutie gevaren inhouden. Waar dit niet mogelijk is, moeten de kabels beschermd worden d.m.v. een stabiele en goed zichtbare versperring. Kabels moeten geschikt zijn voor hun doel. Elektrische kabels moeten getest worden op regelmatige tijdstippen en eveneens visueel getest worden voor ieder gebruik. De testfrequentie moet vastgesteld worden door en competent persoon. De elektriciteitskabels mogen nooit gemanipuleerd of nagezien worden terwijl de kabel onder spanning staat. Elk defect moet direct gemeld worden aan de verantwoordelijke, welk een bevoegd persoon aanstelt voor de onmiddellijke herstelling van het defect. 1.3.2 Ladders Ladders zijn eigenlijk alleen bedoeld om een hoogteverschil te overbruggen, en dus niet om op te werken. Ze moeten onderaan verankerd worden om wegschuiven en wegzakken te voorkomen en worden bovenaan vast gemaakt zodat het risico op omkantelen verkleint. Bovenaan steekt de ladder 1 meter uit en een goede hellingshoek voor opstelling van de ladder is 75. Er mag steeds maar 1 persoon de ladder beklimmen. Reik niet verder dan 1 armlengte naar buiten maar verplaats de ladder. Bij een windkracht vanaf 6 Beaufort worden alle werken op hoogte stil gelegd. Ladders die gebreken vertonen, moeten onmiddellijk uit dienst genomen worden. Dit wordt door elke gebruiker gecontroleerd. 1.3.3 Stellingen Een stelling en een steiger behoren volgens het KB van 31.08.2005 en het ARAB-artikel 434 tot de werkplatforms, hoger dan 2 m, en moeten bij gevolg voorzien zijn van een borstleuning (1 à 1,2 m), een tussenleuning (+/- 50cm) en een kantplint onderaan van 15cm. Indien dit niet mogelijk blijkt, moet persoonlijke valbescherming gebruikt worden (bvb. montage van de steiger). Voor elke steiger dient een steigerdocument aanwezig te zijn, zichtbaar opgehangen onderaan de steiger. Dit omvat de montage- en gebruiksinstructies en de berekeningsnota van de steiger. De werkgever is verplicht om bevoegd personeel (via opleiding) aan te stellen voor de montage, demontage en ombouwing van de steiger. De regelgeving is van toepassing voor zowel vaste als voor rolsteigers. De toegang gebeurt bij voorkeur via de binnenzijde. Stel geen steigers op die toegangen, nooduitgangen en/of vluchtwegen versperren. De weersomstandigheden mogen geen risico s inhouden voor het veilige gebruik van de steiger. De wielen van de rolstelling worden geblokkeerd tijdens het gebruik. De maximale werkvloerhoogte bedraagt 3 maal de kleinste afmeting van de steunbasis. Installeer geen loopplank tussen twee rolsteigers. Elke gebruiker controleert de staat van de steiger. 1.3.4 Gevaarlijke producten De aannemer zorgt ervoor dat een lijst van alle producten die gebruikt worden op de werf beschikbaar is met vermelding van de maximum hoeveelheid aanwezig op de werf. De aannemer overhandigt VIB (veiligheidsinformatiebladen = vroegere MSDS fiches) aan de veiligheidscoördinator en heeft een exemplaar van de VIB op de werf. Alle producten moeten bewaard worden in hun originele verpakking

die voorzien is van het originele etiket met gevaarsymbolen of CLP symbolen. De producten worden naar gelang de compatibiliteit van de producten opgeslagen, indien het vloeistoffen zijn is het gebruik van een lekbak of opvangbak verplicht. Werknemers zijn getraind voor het herkennen van de gevaarsymbolen en om met de gevaarlijke producten te werken. 1.3.4.1 Brandstofopslagtanks (mobiele werftanks voor mazout) Enkelwandige houders moeten in of boven een inkuiping geplaatst worden. Dubbelwandige houders dienen niet in of boven een inkuiping geplaatst mits ze uitgerust zijn met een permanent lekdetectiesysteem. De tank moet voorzien worden met een etiket (zie gevaarlijke producten in dit VGP) en CLP symbool of gevaarsymbool. 1.3.4.2 Gasflessen Gasflessen die niet in gebruik zijn worden buiten op een vaste plaats rechtop en vastgemaakt gestockeerd, beschermd tegen zonnestralen en hittebronnen. Gasflessen die in gebruik zijn moeten buiten het vonkbereik staan. Gasflessen mogen nooit in een gesloten ruimte gebracht worden. Gasflessen worden bij het einde van de dagtaak dichtgedraaid en de slangen en manometers worden ontspannen. Gasflessen zijn voorzien van een permanente beschermkraag (nieuwe type gasflessen) of de gasflessen worden, wanneer deze niet in gebruik zijn, voorzien van de beschermkap. Transport van gasflessen mag enkel gebeuren in transportkooien voor gascilinders of stevig vastgezet tegen een stevige structuur. Verticaal transport kan enkel wanneer de gascilinders stevig vastgemaakt zijn zodat deze niet kunnen schuiven, wegglijden of vallen tijdens het transport. 1.3.5 Torenkraan De plaatsbepaling van torenkraan en kraanspoor zal zodanig gebeuren dat: het giekuiteinde, de hijskabel en de opgehangen lasten voldoende ver verwijderd blijven van elke elektrische luchtlijn; om elke verzakking te voorkomen, geen enkele uitgraving in de onmiddellijke omgeving van het kraanspoor nodig is; geen lasten boven elektrische luchtlijnen draaien. Als aan bovenstaande niet kan voldaan worden, zullen maatregelen genomen worden om te verhinderen dat de kraan in de verboden zone komt (bijvoorbeeld zwaaibeperking). Wanneer de actievelden van verschillende kranen elkaar overlappen zullen deze uitgerust worden met een antiaanrijdingssysteem om elke botsing te voorkomen. Bovendien zullen, om alle problemen uit te sluiten, volgende maatregelen genomen worden: aan de kraanmannen radio zend- en ontvangstposten ter beschikking stellen om hen toe te laten met elkaar en met de werfleider in verbinding te staan; de giekuiteinden en tegengiekuiteinden uitrusten met knipperlichten die de aandacht van de kraanmannen trekken op het gevaar voor botsing; voorrangsregels en voorschriften vastleggen en doen toepassen; maatregelen nemen om conversatiestoringen, veroorzaakt door de radio zend- en ontvangstposten, te voorkomen tussen stuurmannen en de aangestelde verantwoordelijke tijdens de handelingen.

1.3.6 Arbeidsmiddelen en toebehoren Enkel elektrisch materieel conform het AREI mag op de bouwplaats aanwezig zijn en aangesloten worden op de daartoe voorziene verdeelborden. Elke aannemer moet zijn arbeidsmiddelen zodanig markeren dat ze identificeerbaar zijn. Het identificatiesysteem moet beschreven worden in de risicoanalyse van de aannemer. De arbeidsmiddelen moeten geschikt zijn voor het uit te voeren werk en regelmatig gekeurd door een bevoegd persoon zodat bij het gebruik de veiligheid en gezondheid steeds gewaarborgd zijn. Op vraag van de veiligheidscoördinator moeten de gebruiksaanwijzingen en veiligheids- en gezondheidsinstructies kunnen voorgelegd worden. Bij gebruik van arbeidsmiddelen van derden is de gebruiker verantwoordelijk voor de veiligheid. 1.3.6.1 Bekisten en ontkisten Voor de bekisting wordt een systeem gekozen dat het best past bij de te bouwen constructie (traditionele planken en platenbekisting, zelfdragende panelensysteem,...). Deze bekisting wordt opgebouwd met in acht name van de grondregels van de arbeidsveiligheid, namelijk orde en netheid bij stapelen en werken. Voorziet men dat met de houtcirkelzaag zal gewerkt worden, dan dient daarvoor een plaats gekozen die gemakkelijk bereikbaar blijft en van waar men de afvalresten op een vlotte manier kan verwijderen. Op voorhand dient ook bepaald op welke manier de valbeveiliging van de werknemers verzekerd zal worden. Dit kan door middel van stellingen bij traditionele opbouw of door middel van door de fabrikant bijgeleverde elementen zoals draagconsoles, leuningstijlen en -planken, bevestigingstoebehoren, loopvloeren, geïntegreerde ladders en zo verder. De loop- en werkvloeren moeten steeds voldoende breed zijn om ook het eventueel nodige materieel een plaats te geven evenals schoringsplanken of stutten. Bij het bepalen van de breedte van een werkvloer moet ook rekening worden gehouden met de behoeften bij het ontkisten voor bijvoorbeeld het tijdelijk stapelen van de bekistingplanken of -panelen plus de nodige ruimte voor het uittrekken van nagels en verder kuisen van het materieel. Trekstangen en wachtwapening moeten afdoend afgeschermd worden en wel met een doorlopende afscherming als meerdere uiteinden zich op een rij bevinden, afzonderlijk in de andere gevallen. Het dient strikt gecontroleerd dat de bekistingpanelen nooit los staan behalve als deze met een hijstoestel aangeslagen zijn. Om ernstige of dodelijke ongevallen te vermijden, gebeurt dit onder strikt toezicht. Het gebruik van ontkistingsolie moet met overleg gebeuren. In het V&G-plan dient vermeld welke ademhalingsbescherming nodig is bij verstuiven en op welke manier rookverbod (altijd verplicht) aangeduid wordt. Bij een verticale tussen stockage van bekistingelementen moeten de nodige schoringen voorzien worden tegen de invloed van de wind. 1.3.6.2 Betonpompen en betonstorten Vooraleer het betonstorten aan te vatten worden de geschikte loopvloeren aangebracht om voldoende armslag te geven bij het werken zelf, om de werknemers tegen het vallen te beveiligen en om het nodige materieel een plaats te geven zoals trilnaalden, hun aandrijfmotoren en verlengkabels. Betonneren gebeurt nooit met ontbloot bovenlichaam, opgerolde mouwen of korte broek. Voor het reinigen van de betonmixers of het achterlaten van betonoverschotten worden gepaste voorzieningen getroffen en richtlijnen gegeven om te vermijden dat men op alle mogelijke plaatsen hoopjes verhard beton aantreft die de werfcirculatie ernstig hinderen en om te vermijden dat cementwater zijn weg vindt naar de riolering. Men kan bijvoorbeeld een welbepaalde plek aanduiden waar het reinigen

gebeurt en waar de betonresten regelmatig met de graafmachine opgeschept en afgevoerd kunnen worden. 1.3.6.3 Funderingen De toegang tot de putten gebeurt met aangepaste, veilige middelen (ladder, hellend vlak, trap,...). Die putten dienen voldoende ruim gegraven te worden om circulatie rond de bekisting, waar die nodig is, mogelijk te maken. Wachtwapening dient bij voorkeur in beugelvorm uitgevoerd. Indien toch staafpunten blijven uitsteken dan worden deze van bij het begin, d.w.z. van bij de bewapeningsfase van de nodige bescherming voorzien. De bekistingen zullen voorzien zijn van gepaste middelen om een gemakkelijke en veilige manipulatie mogelijk te maken. De stabiliteit van de bekisting wordt op een doeltreffende manier verzekerd door middelen voorzien door de constructeur. Elke improvisatie tijdens de montage zal verboden worden. De arbeiders zullen voor het plaatsen van de bewapening geschikte handschoenen dragen. Over de rand van de bekisting dient een loopplank van voldoende breedte (60 tal cm) geplaatst te worden zodat klauterpartijen over de opstaande bekisting voorkomen worden. 1.3.6.4 Hef- en hijstoestellen Alle heftoestellen en hijstoestellen (inclusief de hoogwerkers en schaarliften), evenals grondverzetmachines die gebruikt worden om lasten te hijsen, die op de bouwplaats binnengebracht worden moeten voorzien zijn van een geldig keuringsattest. Alle hef- en hijsmaterieel (machines en toebehoren) dient driemaandelijks gekeurd te worden. Een kopie van de keuringsattesten moet beschikbaar (= ter inzage) zijn op de werf. Een hijsplan is verplicht bij gebruik van meerdere heftoestellen met overlappend werkbereik, indien de kraan op minder dan 10 meter + de eigen hoogte van de kraan opgesteld staat van een hoogspanningslijn of bij het hijsen van gecompliceerde lasten, zeer zware lasten, lasten met een niet centraal gelegen zwaartepunt of bij moeilijke omgevingssituatie (in stad, slechte zichtbaarheid voor de rigger etc. ). Het is absoluut verboden om hangende lasten boven personen te laten bewegen. 1.4 Collectieve beschermingsmiddelen Elke onderneming is verplicht zijn eigen personeel te beschermen tegen vallen. Het gebruik van collectieve beschermingsmiddelen zoals leuningen, veiligheidsnetten, afbakening van putten en vloeropeningen en afscherming van machines is verplicht waar het noodzakelijk is voor de veiligheid van de op de werf of in de nabijheid ervan (bv. openbaar verkeer). De onderneming die de collectieve beschermingsmiddelen wegneemt om bepaalde werkzaamheden uit te voeren, moeten deze voorzieningen achteraf zo snel mogelijk terugplaatsen. Randbeveiligingen moeten voldoen aan de norm NBN EN13374 (klassen A, B, C). Men plaatst best een drie-leuningen-systeem: Borstleuning op 1m à 1m20, een tussenleuning op +/- 50cm en een stootplank onderaan. Deze laatste belet het vallen van materieel (hamer, ) naar lager gelegen verdiepingen en mag niet vergeten worden. Allen voldoende stevig en goed verankerd. Veiligheidsnetten moeten voldoen aan de norm NBN EN1263-1 en 2). Bij de technische onmogelijkheid om collectieve beschermingsmiddelen te voorzien zorgt elke onderneming voor zijn werknemers vervangende persoonlijke beschermingsmiddelen (vb. valharnas).

1.5 Persoonlijke beschermingsmiddelen Elke onderneming moet op zijn kosten instaan voor de levering, het onderhoud en de vernieuwing van de voorgeschreven, individuele beschermingsmiddelen. Hij moet er ook op toezien dat deze middelen adequaat gebruikt worden. Het gebruik van individuele beschermingsmiddelen (conform de vigerende wetgeving) is op de werf verplicht als dit zo werd opgelegd door de veiligheids- coördinator. Het betreft hier o.a. veiligheidshelm, -schoenen, -handschoenen, -bril, anti- valapparatuur en gehoorbescherming. Veiligheidsschoenen zijn steeds verplicht te dragen op elke bouwplaats. Veiligheidshelm dient verplicht gedragen te worden zodra men onder een last werkt en als de kans bestaat op stoten van het hoofd of vallen van voorwerpen op het hoofd. Handschoenen verplicht te dragen bij het hanteren van scherpe of ruwe materialen, chemische producten, Veiligheidsbril verplicht te dragen bij allerhande slijp- en boorwerken en bij werken boven het hoofd waarbij deeltjes in het oog kunnen terecht komen (bv. verfwerken, boren van gaten in plafonds, ) Bij las- en branderwerken zullen de lassers of andere in de omgeving werkende uitvoerders hetzij laskappen, branderbrillen of UV-afschermende veiligheidsbrillen moeten dragen. Anti-valapparatuur: veiligheidsharnassen moeten gedragen worden bij elk werk waar valgevaar bestaat en niet kan worden gewerkt met collectieve bescherming. Het veiligheidsharnas kan ook als extra veiligheid worden gevraagd in. bv hoogtewerkers. Gehoorbescherming: bij een gehoorbelasting van meer dan 80 db(a) is gehoorbescherming aan te raden. Deze moet vanaf dit geluidsniveau ter beschikking zijn gesteld door de aannemer aan zijn werknemers. Bij een belasting hoger dan 85 db(a) is het dragen van gehoorbescherming verplicht. (Wegwerp) stofmaskers: verplicht in stofrijke werkplaatsen (vb. Slijpen). Half- of volgelaatsmasker/ P3-filter: t.b.v. vermijden van inademen van gevaarlijke stoffen (asbest, pesticiden, ) Fluo kledij in geval van wegenwerken: om zichtbaarheid voor verkeer te vergroten 1.6 Werkmethoden 1.6.1 Heffen en tillen, rugbescherming. Ter bescherming van de rug tijdens het uitvoeren van werken gelden volgende aanbevelingen. Gebruik bij het tillen je beenspieren, dit zijn je sterkste spieren. Zo spaar je je rug. Zet je benen wat uit elkaar en zorg voor een stabiele houding. Zak door uw benen in hurkhouding. Til de last met gestrekte rug. 1.6.2 Graafwerken Bij graafwerken dient de aannemer de liggingsplannen van alle ondergrondse kabels en leidingen op te vragen. Dit kan op elektronische wijze via www.klip.be (Kabel en LeidingInformatiePortaal). Het bezitten van een plan met ondergrondse leidingen ontslaat de aannemer niet om voorzichtig te werk te gaan. Een plan garandeert immers niet de correcte ligging van ondergrondse leidingen. Wanneer de graafwerken dieper gaan dan 1,2 m dient in functie van de omstandigheden de noodzaak van een beschoeiing bekeken te worden. Er dienen echter steeds voldoende uitgangen voor handen zijn.

1.6.3 Asbesthoudende toepassingen Verwijderen van de asbesthoudende toepassingen binnen dit project dient conform de vigerende wetgeving te worden georganiseerd: KB van 16/03/2006 m.b.t de bescherming van de werknemers tegen de risico s van blootstelling aan asbest (B.S. 23/3/2006). De aannemer dient er zich tijdens de sloopwerken van te vergewissen dat er bij ontdekken van asbesthoudende toepassingen dit onmiddellijk wordt gemeld aan de opdrachtgever, zodat in overleg met de veiligheidscoördinator de juiste verwijderingsmethode kan worden gevolgd. 1.6.4 Lassen en Branden Bij de uitvoering van las- en snijwerken dient steeds minimaal één poederblusser binnen handbereik te zijn. De lasapparatuur moet door de uitvoerder voor het werk gecontroleerd worden. De apparatuur moet voldoen aan de veiligheidseisen. Las- en snijwerken steeds met lasscherm en lashandschoenen. Elektrisch: De aardingsklem bevestigen aan het stuk waaraan gelast wordt, dicht bij het punt van het lassen. De las- en massakabel, evenals de aansluitingen zijn geïsoleerd en in perfecte staat. De lasser zal zich steeds beschermen tegen elektrocutie. Wanneer het elektrisch lassen in open lucht gebeurt, is de natuurlijke ventilatie voldoende om beschadiging aan de ademhalingswegen te voorkomen. Het is daarbij aangeraden met de wind in de rug te werken. Autogeen lassen en branden: Hou de slangen verwijderd van hete pijpen, scherpe kanten en elektrische kabels. Het gebruik van branders, reduceerafsluiters, gasflessen en diverse toebehoren voor laswerk is verboden voor onbevoegden. Bij niet gebruik worden gasflessen afgesloten, na aflaten van de darmen. Samengeperste gassen in cilinders worden steeds rechtstaand opgeslagen en geketend op de voorziene plaatsen (ook op de kar zelf). De volle en lege flessen worden gescheiden opgeslagen. Projecties van metaal, slak en elektrodeuiteinden, alsook de hoge temperatuur van het werkstuk vormen een rechtstreeks gevaar voor brandwonden. Omdat UV-stralen een schadelijke invloed hebben op huid en ogen is het nodig een aangepaste beveiliging te dragen. Het werkpak moet tevens uit katoen zijn omdat kunststof-weefsels UV-straling doorlaten. Bij lassen, alsook bij branden of slijpen moeten de nodige schermen oordeelkundig aangebracht worden om geen andere werfdeelnemers te hinderen. Het spreidingsoppervlakte van de gensters, vonken of intense lichtstraling moet tot een minimum herleidt worden. Lassers en eventuele helpers dienen daarom individueel beschermd te worden als volgt: dragen van lederen lasserhandschoenen; brandvrij katoenen werkpak met kraag, gesloten aan de mouwen en voorzien van zakken met kleppen; gelaatsscherm met veiligheidsglas en aangepast UV- filter voor de lasser zelf; lasbril voor de helper; een lederen lasschort is aan te bevelen; de hoofdharen dienen beschermd te worden door een aangepast hoofddeksel zoals pet of muts veiligheidsschoenen speciaal voor lassers. 1.6.5 Grondverzet De aannemer voert alle grondverzet-werken (afgraven, verplaatsen, ) uit volgens de wettelijke bepalingen (Vlarea, VLAREBO en vzw Grondbank). Indien grondverzethoeveelheden groter zijn dan 250 m³ (ook indien deze ter plaatse worden herbruikt) wordt er een technisch verslag en bodembeheerrapport opgesteld door een erkend bodemdeskundige. Deze deskundige wordt

door de aannemer aangesteld, het verslag zal door de Coördinerend- aannemer bezorgd worden aan de bouwheer. 1.6.6 Werken in putten en sleuven Bij het graven van putten moet onderstaande richtlijn van NAVB gevolgd worden Vanaf 1,2m diepte moet er in helling uitgegraven worden. De helling is afhankelijk van de grondsoort. Een veilige hellingshoek die men voor alle grondsoorten kan toepassen is deze van 45. Indien dit in de breedte van het traject niet haalbaar is, moet er gewerkt worden met een beschoeiing (sleuvenbak). Stockage naast de bouwput best vermijden, en indien niet mogelijk een afstand van 60cm houden (boven 18 ton = 1m). 1.6.7 Vervuilde bodems Wanneer, tijdens de uitvoering van werken, vervuilde bodems worden vastgesteld (oude stortterreinen, bodemvervuiling.) die risico s inhouden voor het welzijn en de gezondheid van werknemers worden onverwijld alle nodige preventieve maatregelen genomen (staken van de werkzaamheden op de vervuilde plekken, plaatsen van afscherming rond de betrokken zone.) teneinde de werknemers te beschermen tegen deze risico s. De veiligheidscoördinator verwezenlijking en de bouwheer worden direct van deze vaststellingen op de hoogte gebracht zodat het B-PVGP kan aangepast worden in functie van de verder te ondernemen stappen. 1.6.8 Milieu Het verbranden van afval is op de bouwplaats verboden. Maatregelen dienen genomen te worden tegen bodem-, lucht- en waterverontreiniging. De milieuwetgeving is integraal van toepassing. De hoofdaannemer zorgt dat het afval en bouwafval volgens de milieuwetgeving gesorteerd wordt en is ook verantwoordelijk voor de afvoer van alle bouwafval en overig afval naar officieel erkende stortplaatsen of verwerkingscentra, hij dient hiervoor de nodige bewijzen af te leveren aan de bouwheer. Onder geen beding zullen afbraakmaterialen, puin, vuilnis of afval op de werf achtergelaten, ingegraven of verbrand worden. Bij het ontstaan van een lek of ongewenst vrijkomen van producten in het milieu (bodem, water, lucht, etc.) is het verplicht om het lek in te dijken en op te ruimen (inclusief de verontreinigde milieu component) en de VC op de hoogte te brengen. Het afval wordt verwijderd van de werf via een erkend afvalverwerkingsbedrijf. 1.6.9 Gemeenschappelijk gebruik van stellingen, gereedschap, etc. Het gemeenschappelijk gebruik van materieel door meerdere aannemers is slechts toegelaten mits aan volgende voorwaarden voldaan wordt: De aannemer-eigenaar is verantwoordelijk voor de goede staat van het materieel (onderhoud, inspecties, keuringen, ). De aannemer-gebruiker is verantwoordelijk voor het correct gebruik van het materieel, door werknemers die beschikken over de vereiste opleiding, kwalificaties en ervaring. De aannemers stellen vooraf een onderlinge gebruikersprocedure op.

1.6.10 Besloten ruimten Het werken in besloten ruimten zoals kelders, bouwputten, schachten, riolen en collectoren kunnen een reëel risico betekenen vanwege: de moeilijke toegang en moeilijke redding van personen in nood valrisico voor personen en van voorwerpen mogelijke slechte atmosfeer (zuurstoftekort, toxische gassen en explosieve dampen) geen direct contact vanwege afgezonderd werk en moeilijke verwittiging bij incident mogelijk contact met ongedierte en biologische agentia Volgende preventiemaatregelen moeten voorzien worden: permanente en gegarandeerde ventilatie met verse ademlucht de ingang van de werkzone voldoende vrij houden een permanente manwacht moet aan de ingang staan (min. 18 jaar, degelijk opgeleid en continu contact met betreder) controle van de atmosfeer door een permanente/periodieke detectie collectieve voorzieningen voor een veilige betreding (verlichting, trap, lift, ladder ) organisatorische en praktische maatregelen gericht op controle en alarmering in nood een snelle en efficiënte evacuatie in functie van de risico s en omstandigheden Bijkomende individuele voorzieningen indien nodig: o eerste lijnsredding (zuurstof producerend zelfredmiddel) o valrisico en evacuatie (harnasgordel, helm, lamp) o vluchtroute (levenslijn) o alarmering bij slechte atmosfeer (gasdetectie) o ademlucht ifv de evacuatietijd (vluchtmasker) o biologische agentia (handschoenen, laarzen, kledij) 1.6.11 Blootstelling aan biologische agentia Blootstelling aan biologische agentia(in slib, stilstaand water, uitwerpselen, schimmels, overblijfselen, etc.) Werknemers zijn verplicht om met vochtresistente handschoenen en overall te werken. Wanneer dampen of nevels kunnen vrijkomen is bijkomend een nevelmasker verplicht. De werknemers moeten zichzelf aan de blootgestelde delen kunnen wassen met antiseptische zeep. De mogelijk gecontamineerde werkkledij dient op een andere locatie bewaard te worden dan de stadskledij van de werknemers, de kledij moet regelmatig van de site verwijderd te worden (wegwerpkledij via correcte afvalstroom verwijderen of kledij laten reinigen). Het is niet toegestaan om met mogelijk verontreinigde kledij in de refter en rust ruimte te komen. Mogelijk biologisch gecontamineerde afvalstromen dienen verwijderd te worden via de correcte afvalstroom (biologisch gecontamineerd afval, krengen etc. ). Werknemers die deze werkzaamheden uitvoeren moeten getraind zijn om met de gevaren van biologische agentia om te gaan. Bij het ontgraven van menselijke overblijfselen is het aangeraden om de zone af te bakenen met HERAS hekken die voorzien zijn van ondoorzichtige bekleding.

1.6.12 Werken met teerhoudend asfalt Bitumen, het bindmiddel in asfalt, bevat weinig schadelijke stoffen. Wel bevat asfaltrook een verhoogde concentratie aan PAK s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Hoe heter het asfalt en het bitumen, hoe meer PAK s er vrijkomen. Preventiemaatregelen: Gebruik warm asfalt op een zo laag mogelijke temperatuur, dat geeft minder rook. Gebruik geen asfaltproducten die een hogere verwerkingstemperatuur noodzakelijk maken. Hergebruik alleen afvalmaterialen waarvan zeker is dat de verwerking niet tot bijkomende gezondheidsrisico s leidt. Zorg voor sociale voorzieningen (refter, kleedkamer, sanitaire voorzieningen ) die voldoen aan de CAO van 10 februari 2005 (koninklijk besluit van 24 september 2006). 1.6.13 Werken met kalk Op bouwplaatsen met een groot grondoverschot ligt het dikwijls voor de hand om de grond te hergebruiken, eventueel nadat hij gestabiliseerd werd met ongebluste kalk (calciumoxide). Het gebruik van ongebluste kalk brengt echter specifieke veiligheidsproblemen met zich mee. Het is een stof die hevig reageert met water en daarbij komt veel warmte, waterdamp en stof vrij. Ongebluste kalk kan ook ernstige huidirritaties veroorzaken. Zweet in combinatie met kalk vergroot de kans op irritatie nog. Bescherm de ogen beschermen door een stofdichte veiligheidsbril te dragen. Draag een wegwerpstofmasker (P2 voor fijn stof) en bescherm de huid door een overall te dragen die goed aansluit ter hoogte van de polsen en de halsstreek. Draag ook handschoenen. 1.6.14 Blootstelling aan kwartsstof Bij het aanvatten van frezen, slijpen, boren of andere activiteiten in kwartshoudende materialen moet rekening gehouden worden met mogelijke blootstelling aan kristallijn silica (kwartsstof). Met volgende punten moet rekening gehouden worden: de werknemer moet op de hoogte zijn van de risico s van kwartsstof; Veilige werkmethodes gebruiken; Dragen van PBM s; Hinder naar andere personen en de omgeving beperken dit kan door het werkstuk te bevochtigen of gebruik te maken van slijp, frees, boormachines etc. met waterbevochtiging of stofafzuiging. Maak niet schoon met keerborstel of perslucht (natschoonmaken of gebruik van een stofzuiger wordt aanbevolen). 1.6.15 Signalisatie voor wegeniswerken en werken nabij of op de openbare weg Voor wegeniswerken en werken op of nabij de openbare weg wordt voldaan aan de eisen van het ministerieel besluit betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg (MB07/05/1999). Een signalisatieverantwoordelijke met de nodige kwalificaties moet aangesteld worden wanneer een gedeelte van de rijweg in beslag wordt genomen (volgens CAO 2003 in de bouwsector).

1.6.16 Werken nabij spoorwegen De uitvoering van werken langs de sporen in dienst vraagt bijzondere aandacht en de naleving van de veiligheidsconsignes die door Infrabel worden uitgevaardigd, met name het feit dat, behoudens een speciale toestemming: geen enkele activiteit mag worden uitgevoerd binnen het vrijeruimteprofiel van een spoor in dienst; het verboden is om de sporen met een voertuig over te steken; op elk ogenblik een afstand van 1,50 m van de buitenste rand van de dichtstbijzijnde spoorstaaf in acht moet worden genomen. Een oranje net wordt zo nodig aangebracht op die afstand; een veiligheidsafstand van 3,00 m in acht wordt genomen ten opzichte van de vaste installaties van elektrische tractie (bovenleiding 3.000 V of 25.000V, ). het strikt verboden is om, zonder redenen voor het werk, de sporen in dienst over te steken of erop te rijden wegens het gevaar dat de doorrit van treinen inhoudt (normaal spoor, tegenspoor, parallel rijden, ). Het oversteken van sporen in dienst is altijd onderworpen aan een risicoanalyse en aan de voorschriften opgenomen in het algemeen of specifiek veiligheidsplan. Dit houdt rekening met de kennis van de aannemer van de risico s in de betrokken zone. De personen die zich voor het werk aan de overkant van de sporen moeten begeven, moeten verplicht de volgende regels naleven, in volgorde van prioriteit: o hetzij oversteken via een speciaal daarvoor gebouwde brug, onderdoorgang, overweg of dienstpad; o hetzij oversteken tijdens een periode van buitendienststelling van de sporen; o hetzij oversteken onder toezicht van een schildwacht die toeziet op hun veiligheid (de schildwacht kan een lid zijn van de ploeg van de werknemers bij goede zichtbaarheid en in een eenvoudig geval), terwijl de volgende voorschriften worden nageleefd: Kijk steeds aandachtig aan beide kanten alvorens de sporen over te steken; Een trein die u ziet kan een andere verbergen; Een trein die u hoort kan het lawaai van een andere trein afzwakken; Kijk goed naar eventuele naar eventuele hindernissen in het spoor; Steek de sporen over zonder te treuzelen en zonder u te laten afleiden; Plaats uw voeten niet op de dwarsliggers of de spoorstaven, ze kunnen glad zijn; Plaats nooit een voet tussen een wisseltong en de aanslagrail; Loop slechts tussen twee stilstaande voertuigen door als ze zich ten minste 20 m van elkaar bevinden en houd een afstand van minimum 5 m van de stootbokken van elk voertuig; Draag geen last die uw zicht kan belemmeren; Indien u ondanks alles toch wordt verrast door een trein, werp uzelf op de grond naast het spoor; Het is verboden om oorluidsprekers te dragen.

Alle personen die op spoorlijnen of in de onmiddellijke nabijheid van de sporen werkzaam zijn, moeten gele fluorescerende signalisatiekledij of overkledij (> of = klasse 2) dragen; het gebruik van rode uitrustingen (werkkledij, helm, gereedschap, ) is verboden. 1.6.17 Wat te doen bij asbest Er dient een firma aangesteld te worden, erkend volgens het K.B. 28 maart 2007. Veiligheidsmaatregelen: in het algemeen: stofvorming voorkomen. de nodige PBM's dienen gedragen te worden. (maskers met P3 filter, wegwerpoverall,...) de materialen zo veel mogelijk intact houden. de materialen één voor één losmaken. ze zeker niet van op een hoogte op de grond gooien. de materialen bevochtigen ( het gebruik van een fixatieproduct kan in sommige gevallen nuttig zijn). geschikte werktuigen gebruiken bij verwijdering van nagels, haken, bouten en schroeven. indien verzagingen nodig zijn, enkel gebruik maken van handgereedschap en/of mechanische werktuigen met lage snelheden. het afval dagelijks verzamelen en apart op te slaan ( een aparte container voorzien met couveusezakmethode).