Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergelijkbare documenten
Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Voorstel van wet. Artikel I. De Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1, onderdeel a, komt te luiden:

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Transcriptie:

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1985-1986 19 308 Wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet met betrekking tot aanspraken van deelgerechtigden die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt Nr. 1 KONINKLIJKE OODSCHAP Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet houdende wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet met betrekking tot aanspraken van deelgerechtigden die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust. En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming. 's-gravenhage, 19 november 1985 eatrix Nr. 2 VOORSTEL VAN WET Wij eatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de invoering van een minimum leeftijdsgrens met het oog op de opbouw van het ouderdomspensioen in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1979, 679) en de Spoorwegpensioenwet (Stb. 1979, 680) in overeenstemming is met hetgeen vrij algemeen gebruikelijk is in aanvullende pensioenregelingen in het bedrijfsleven en leidt tot afneming van de actuariële voorziening en daardoor indirect tot een besparing op de personeelslasten voor ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet en deelgenoten in de zin van de Spoorwegpensioenwet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1979, 679). S-SV S-IR s o z Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19308, nrs. 1-2

A In artikel C3 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Artikel C3, eerste lid, komt te luiden: 1. leder lichaam is pensioenbijdrage verschuldigd voor iedere in zijn dienst zijnde ambtenaar die de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken in de uitbetalingstermijn waarop de bijdragegrondslag bedoeld in het tweede lid betrekking heeft. 2. In artikel C3, tweede lid, wordt het percentage van 21 gewijzigd in 21,5. Artikel C6, eerste lid, komt te luiden: 1. leder lichaam is per uitbetalingstermijn een bijdrage aan het fonds verschuldigd voor degene die de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken in die termijn en gedurende die termijn recht heeft op wachtgeld ten laste van het lichaam en als wachtgelder ambtenaar is (wachtgeldtijdbijdrage). C Aan artikel C7 worden een nieuw vierde en vijfde lid toegevoegd, luidende: 4. Het orgaan houdt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen op de inkomsten van de ambtenaar die de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt een bedrag in ter zake van invaliditeits- en overlijdensrisico. Het eerste tot en met derde lid zijn op deze inhouding van overeenkomstige toepassing. 5. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder verhaal mede begrepen de in het vierde lid bedoelde inhouding, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt. D Aan artikel D1 wordt een derde lid toegevoegd, luidende: 3. In afwijking van het eerste en tweede lid komt niet als diensttijd in aanmerking de tijd gelegen voor de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt. E Aan artikel F9, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: De voorgaande volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar wegens blijvende ongeschiktheid voor zijn betrekking uit hoofde van ziekten of gebreken is ontslagen voor de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt, waarbij een invaliditeitspensioen als bedoeld in de eerste volzin ten bedrage van nihil wordt verondersteld. F In artikel F12, eerste lid, worden de woorden «tijd van het tijdstip van ingang van het ontslag af» gewijzigd in: tijd vanaf het tijdstip van ingang van ontslag dan wel, indien artikel D1, derde lid, van toepassing is, vanaf de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 25 jaar is bereikt. G In artikel H1 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Na het tweede lid wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende: 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de weduwe van een ambtenaar, die is overleden voor de Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 308, nrs. 1-2 2

eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 25 jaar zou hebben bereikt, met dien verstande dat diensttijddoortelling plaatsvindt vanaf dat tijdstip. 2. Het vierde lid komt te luiden: 4. Diensttijddoortelling vindt niet plaats, indien de diensttijd die de ambtenaar op het tijdstip van zijn overlijden vervulde niet medetelt voor de pensioenberekening krachtens artikel F2, eerste, vierde of vijfde lid, dan wel indien de ambtenaar die is overleden voor de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 25 jaar zou hebben bereikt op het tijdstip van overlijden verkeerde in omstandigheden als omschreven in een van genoemde bepalingen. ARTIKEL II A Wijziging van de Spoorwegpensioenwet (Stb. 1979, 680). Artikel C3, eerste lid, komt te luiden: 1. N.S. is pensioenbijdrage verschuldigd voor iedere in zijn dienst zijnde deelgenoot die de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken in de uitbetalingstermijn waarop de bijdragegrondslag bedoeld in het tweede lid betrekking heeft. Artikel C6, eerste lid, komt te luiden: 1. N.S. is jaarlijks een bijdrage aan het fonds verschuldigd voor hem die ten laste van N.S. dat jaar recht heeft op wachtgeld en als wachtgelder deelgenoot is. Geen bijdrage is verschuldigd over tijd voorafgaande aan de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt. C Aan artikel C7 worden een nieuw vijfde en zesde lid toegevoegd, luidende: 5. N.S. houdt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen op de inkomsten van de deelgenoot die de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt een bedrag in ter zake van invaliditeits- en overlijdensrisico. Het eerste tot en met vierde lid zijn op deze inhouding van overeenkomstige toepassing. 6. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder verhaal mede begrepen de in het vijfde lid bedoelde inhouding, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt. D Aan artikel D1 wordt een derde lid toegevoegd, luidende: 3. In afwijking van het eerste en tweede lid komt niet als diensttijd in aanmerking de tijd gelegen voor de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt. E Aan artikel F7, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: De voorgaande volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing, indien de deelgenoot wegens blijvende ongeschiktheid voor zijn betrekking uit hoofde van ziekten of gebreken is ontslagen voor de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt, waarbij een invaliditeitspensioen als bedoeld in de eerste volzin ten bedrage van nihil wordt verondersteld. Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 308, nrs. 1-2 3

F In artikel F10, eerste lid, worden de woorden «tijd van het tijdstip van ingang van het ontslag af» gewijzigd in: tijd vanaf het tijdstip van ingang van ontslag dan wel, indien artikel D1, derde lid, van toepassing is, vanaf de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 25 jaar is bereikt. G In artikel H1 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Na het tweede lid wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende: 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de weduwe van een deelgenoot, die is overleden voor de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 25 jaar zou hebben bereikt, met dien verstande dat diensttijddoortelling plaatsvindt vanaf dat tijdstip. 2. Het vierde lid komt te luiden: 4. Diensttijddoortelling vindt niet plaats, indien de diensttijd die de deelgenoot op het tijdstip van zijn overlijden vervulde niet meetelt voor de pensioenberekening krachtens artikel F2, eerste, derde of vierde lid, dan wel indien de deelgenoot die is overleden voor de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 25 jaar zou hebben bereikt op het tijdstip van overlijden verkeerde in omstandigheden als omschreven in een van genoemde bepalingen. ARTIKEL III Overgangsbepalingen A In afwijking van de artikelen C3, eerste lid, en C6, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk de Spoorwegpensioenwet, zoals die artikelen ingevolge deze wet zijn komen te luiden, blijven genoemde bepalingen zoals die luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht ten aanzien van degene die: a. ambtenaar, onderscheidenlijk deelgenoot, was voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, voor zover betreffend tijd doorgebracht voor dat tijdstip; b. ambtenaar, onderscheidenlijk deelgenoot, is op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, voor zover betreffend tijd die zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld onder a en die vervolgens zonder onderbreking is voortgezet. Een onderbreking van niet meer dan een jaar wordt geacht geen onderbreking te vormen. De artikelen D1, derde lid, F9, eerste lid, laatste volzin, en H1, derde en vierde lid, laatste zinsnede, van de Algemene burgelijke pensioenwet, onderscheidenlijk de artikelen Dl, derde lid, F7, eerste lid, laatste volzin, en H1, derde en vierde lid, laatste zinsnede, van de Spoorwegpensioenwet, zoals die artikelen ingevolge deze wet zijn komen te luiden, zijn niet van toepassing ten aanzien van degene die: a. ambtenaar, onderscheidenlijk deelgenoot, was voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, voor zover betreffend tijd doorgebracht voor dat tijdstip; b. ambtenaar, onderscheidenlijk deelgenoot, is op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, voor zover betreffend tijd die zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld onder a en die vervolgens zonder onderbreking is voortgezet. Een onderbreking van niet meer dan een jaar wordt geacht geen onderbreking te vormen. Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 308, nrs. 1-2 4

ARTIKEL IV Slotbepalingen Voor de toepassing van andere dan de bij of krachtens de Algemene burgelijke pensioenwet, onderscheidenlijk de Spoorwegpensioenwet, vastgestelde regelen wordt onder het daarin gebruikte begrip «voor pensioen geldige (tellende) diensttijd» medebegrepen de tijd die voor het bereiken van de leeftijd van 25 jaar is doorgebracht als ambtenaar, onderscheidenlijk deelgenoot, tenzij in de desbetreffende regeling het tegendeel afzonderlijk is bepaald. ARTIKEL V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven De Minister van innenlandse Zaken, De Minister van Financiën, Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 308, nrs. 1-2 5