PROTOCOL HUISBEZOEK 1. Inleiding Het huisbezoek kan een effectief middel zijn om de woon- en leefsituatie van iemand te bezien. Een voorwaarde is wel dat het huisbezoek op een juiste wijze wordt uitgevoerd. Het huisbezoek is toepasbaar in het kader van de aanvraagprocedure en bij onderzoeken naar de woon- en leefsituatie van belanghebbenden met een lopende uitkering. In bepaalde situaties kan het huisbezoek ook gebruikt worden om de dienstverlening aan de belanghebbende te vergroten. Dit protocol is bedoeld om duidelijkheid te geven omtrent de regels, die relevant zijn bij het afleggen van een huisbezoek. 2. Wettelijke basis WWB Op grond van artikel 17 lid 2 WWB is de belanghebbende verplicht de medewerking te verlenen, die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Deze verplichting geldt zowel ten aanzien van de arbeidsinschakeling als de verlening van bijstand. Daarnaast bepaalt artikel 53a WWB, dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid hebben om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van gegevens. Deze artikelen vormen de wettelijke basis voor huisbezoeken. Van de belanghebbende kan via deze weg worden gevergd, dat hij medewerking verleent aan een huisbezoek. Het afleggen van een huisbezoek is echter wel een verstrekkend (controle)middel, dat danig kan ingrijpen op de privacy. Alvorens een huisbezoek af te leggen wordt daarom altijd gewogen: staat de inbreuk op de privacy in redelijke verhouding tot het beoogde doel, hetgeen onder meer betekent, dat niet meer gevraagd mag worden dan nodig is voor het te bereiken doel (proportionaliteitsbeginsel); kan het beoogde doel (controle en verificatie van gegevens) op een voor de belanghebbende minder ingrijpende wijze worden bereikt (subsidiariteitsbeginsel). 3. Reden De reden van een huisbezoek is om na te gaan of de informatie, die door de belanghebbende is verstrekt, correct is dan wel om anderszins verkregen informatie te controleren. Het huisbezoek moet een beter beeld opleveren over met name de woon- en leefsituatie van belanghebbende in relatie tot de uitkering. Een huisbezoek is een behoorlijke inbreuk op de privacy van de belanghebbende en is daarom alleen toegestaan in bijzondere omstandigheden. Er mag niet zomaar een huisbezoek worden afgelegd. De volgende situaties kunnen een reden zijn voor het afleggen van een huisbezoek: 1. Een huisbezoek is een vorm van dienstverlening, dan wel als maatwerk ter beoordeling van een aanvraag bijzondere bijstand. Dit huisbezoek wordt over het algemeen vooraf aangekondigd en wordt afgelegd door één of twee medewerkers. 2. Een huisbezoek wordt afgelegd ter controle en verificatie van de woon- en leefsituatie, zoals: a. verificatie of belanghebbende ook werkelijk op het opgegeven adres woont; b. verificatie of, en zo ja met wie, de woning wordt gedeeld; c. verificatie of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Als sprake is van meerdere bewoners op hetzelfde adres wordt een huisbezoek afgelegd. Ook kunnen verificaties via een huisbezoek plaatsvinden als er gerede twijfels zijn (ontstaan) omtrent de juistheid van de verstrekte informatie of met betrekking tot het recht en/of de hoogte van de uitkering. Deze huisbezoeken vinden over het algemeen onaangekondigd plaats en worden altijd afgelegd door (minimaal) twee medewerkers. Onaangekondigd wil zeggen, dat zonder voorafgaande afspraak de belanghebbende thuis wordt bezocht. Hieronder wordt ook verstaan de mededeling in een spreekkamer, dat medewerkers van Sociale Zaken samen met belanghebbende naar zijn huis willen gaan.
4. Plaats van het huisbezoek Een huisbezoek kan niet alleen worden afgelegd op het adres, waar de belanghebbende woonachtig is, maar ook op een adres, waarvan een vermoeden aanwezig is, dat belanghebbende aldaar vaak verblijft. 5. Andere wettelijke bepalingen Het afleggen van een huisbezoek heeft gevolgen voor de privacy van de belanghebbende. Daarom heeft de wetgever in verschillende wetten bepalingen opgenomen ter bescherming van deze privacy. Dit betreft onder andere: 1. het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) In artikel 8 van dit verdrag is bepaald, dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Inmenging hierin is alleen toegestaan voor zover hierin bij wet is voorzien. 2. Grondwet Een huisbezoek (binnentreden in een woning) mag niet plaatsvinden tegen de wil van de belanghebbende/bewoner. Dat zou namelijk schending van het huisrecht betekenen zoals dat is neergelegd in artikel 10 Grondwet. Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden mogelijk in het kader van strafrechtelijke onderzoeken (artikel 12 Grondwet). 3. Algemene wet op het Binnentreden (Awbi) Bij het afleggen van huisbezoeken in het kader van de WWB is ook een aantal regels van toepassing uit de Algemene wet op het binnentreden van woningen. Concreet gaat het om de volgende verplichtingen voor degene, die een huisbezoek uitvoert: a. het zich voorafgaand legitimeren. b. het mededelen van de reden van het huisbezoek. c. het voorafgaand aan het binnentreden daarvoor toestemming vragen aan de bewoner. Bij het binnentreden van een woning vormt dit recht op privacy van de bewoner altijd en voor een ieder het uitgangspunt. Voor de volledige tekst van deze artikelen wordt verwezen naar de bijlage. 6. Begrippen. Woning Een woning wordt omschreven als: Een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden, alsmede alle ter beschikking en ten gebruike van de bewoner staande besloten ruimten die binnenshuis gemeenschap hebben met de woning, zonder dat daarvoor andermans gebied behoeft te worden betreden. Als woning worden ook aangemerkt woonwagens, caravans, kajuiten op binnenvaartschepen, hotelkamers of kamers in pensions. Het is wel een vereiste dat deze ruimten als woning in gebruik zijn. Staat een woning leeg en deze is ook niet ingericht als woning, dan geeft de wet deze ruimte niet de extra bescherming, omdat ze dan aangemerkt wordt als een besloten lokaal. Bewoner Elk lid van het gezin, ongeacht zijn leeftijd, wordt als bewoner aangemerkt en kan de medewerker al dan niet toestemming verlenen om de woning te betreden. Het is wel van belang dat het gezinslid kan inzien wat de gevolgen zijn van zijn toestemming of weigering. Uitgangspunt is daarom, dat alleen toestemming kan worden verkregen van een persoon van 18 jaar en ouder. Ook iemand, die de indruk wekt bewoner te zijn, kan al dan niet toestemming verlenen om de woning te betreden. Kamerbewoning In een woning kunnen ook meerdere woningen zijn. Deze situatie doet zich voor als de hoofdbewoner één of meerdere kamers verhuurt aan bijvoorbeeld een student. De kamer die de student huurt, is zijn woning en de hoofdbewoner kan daar niet meer over beschikken. Hij kan daarom ook geen toestemming verlenen aan anderen om die woning(kamer) te betreden. De definitie van een kamerbewoner is hetzelfde als die van de bewoner.
Toestemming Over de vraag of de bewoner al dan niet toestemming verleent, mag geen twijfel bestaan. De bewoner zal op duidelijke wijze kenbaar moeten maken dat hij geen bezwaar heeft tegen het betreden van zijn woning door de medewerker. De bewoner kan dat zeggen maar kan de toestemming ook geven door het maken van gebaren. Als het voor de medewerker niet duidelijk is of de bewoner de toestemming verleent, neem hij aan dat de bewoner de toestemming weigert. Elke bewoner kan de medewerker de toestemming geven of weigeren. Als de ene bewoner de toestemming weigert terwijl een andere bewoner geen bezwaar heeft tegen het binnentreden, moet de weigering prevaleren boven de toestemming. Als de bewoner zijn eenmaal gegeven toestemming intrekt, wordt de medewerker geacht vanaf dat moment zich zonder toestemming van de bewoner in de woning te bevinden en zal dan ook de woning moeten verlaten. Legitimatie en doel huisbezoek Artikel 1, lid 1 Awbi schrijft voor dat de medewerker zich legitimeert en de bewoner mededeelt met welk doel hij wil binnentreden. Deze verplichtingen heeft de medewerker altijd en het maakt daarbij niet uit of de bewoner de toestemming verleent of weigert. Als twee of meer personen voor hetzelfde doel willen binnentreden hoeft, wettelijk gezien, degene die de leiding heeft aan deze verplichtingen voldoen. Als er meerdere bewoners aanwezig zijn hoeft de medewerker zich slechts aan één van hen te legitimeren en te vertellen wat het doel van het binnentreden is. 7. Algemene richtlijnen huisbezoek 1. Het tijdstip van een onaangekondigd huisbezoek wordt mede bepaald door de achterliggende reden van het huisbezoek en kan daarom ook plaatsvinden buiten kantooruren. 2. Een onaangekondigd huisbezoek ter verificatie en controle vindt in het algemeen plaats met twee medewerkers. 3. Uitgangspunt voor de gemeente is, dat beide medewerkers zich legitimeren voorafgaand aan het binnentreden van de woning. 4. Er wordt mededeling gedaan van de reden van het huisbezoek. 5. Voor het binnentreden wordt de uitdrukkelijke toestemming gevraagd van de daartoe bevoegde bewoner (belanghebbende). Er moet duidelijk sprake zijn van wilsovereenstemming bij de bewoner (belanghebbende). Zonder toestemming van de bewoner (belanghebbende) is het niet toegestaan de woning te betreden. 6. Als een huisbezoek door de belanghebbende wordt geweigerd, wijst de medewerker de belanghebbende op de mogelijke consequenties ten aanzien van het vaststellen van de rechtmatigheid van de (aangevraagde) uitkering. 7. Als tijdens het huisbezoek door één van de bewoners wordt aangegeven, dat de toegang alsnog wordt ontzegd, wordt de woning onmiddellijk verlaten (verbod gaat boven toestemming). 8. De medewerker stelt zich tegenover de belanghebbende correct, zakelijk en zorgvuldig op. 9. Een rondleiding door de woning van de belanghebbende is alleen toegestaan met de uitdrukkelijke toestemming van de belanghebbende en in diens aanwezigheid en beperkt zich tot de voor het onderzoek relevante ruimten. 10. De medewerker mag zonder voorafgaande toestemming van de belanghebbende nooit zelf deuren en kasten openen of papieren doorbladeren. 11. Er worden alleen vragen gesteld, die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering. 12. De medewerker kan de bevindingen van het huisbezoek direct met de belanghebbende bespreken.
Bijlage De wettelijke basis voor het afleggen van een huisbezoek Artikel 17 WWB: Inlichtingenplicht 1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 2. De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3. Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 4. Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs dat is afgegeven op grond van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 53a WWB: Verstrekking en onderzoek gegevens 1. Onverminderd artikel 28, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. 2. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de bijstand. De wettelijke basis van de bescherming van de privacy en het huisrecht Artikel 8 EVRM, eerbiediging privé leven, correspondentie enz. 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 10 Grondwet, eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer 1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. 2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. 3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens. Artikel 12 Grondwet, binnentreden woning 1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen. 2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen. 3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.
Artikel 1 Algemene Wet op het Binnentreden 1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft. 2. Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd. 3. Een persoon in dienst van een bestuursorgaan die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of in opdracht van dat bestuursorgaan. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld. 4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden. Artikel 138 Wetboek van Strafrecht 1. Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. 2. Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen. 3. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 4. De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen. Artikel 370 Wetboek van Strafrecht 1. De ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 2. Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die ter gelegenheid van een huiszoeking met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt of in beslag neemt.