Erfrechtjournaal Oktober 2015
Items Proefschrift Boelens De tweetrapsmaking Procederen en executele Ontslag executeur Stiefkinderen en inkortingsvolgorde
Proefschrift Boelens Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht'
Procederen en executele Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2015 ECLI:NL:GHARL:2015:6654 3.11 Naar het oordeel van het hof bevat het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 april 2015 een kennelijke feitelijke misslag, nu vaststaat dat [appellanten] [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van executeur hebben gedagvaard, terwijl de voorzieningenrechter [geïntimeerde] in het bestreden vonnis in privé heeft aangemerkt. Het verzoek van [geïntimeerde] aan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 31 Rv over te gaan tot herstel van deze kennelijke fout, is bij vonnis ex artikel 31 en 32 Rv van 22 juli 2015 afgewezen. De voorzieningenrechter heeft hiertoe overwogen dat de fout niet eenvoudig kan worden hersteld door enkel het woord " [geïntimeerde] " te vervangen door " [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [vader appellanten] ", maar dat dit een nieuwe beoordeling van de vorderingen vergt, namelijk een beoordeling die ziet op de hoedanigheid van [geïntimeerde] als executeur. Zie ook Rechtbank Rotterdam 09-09-2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6755
De tweetrapsmaking Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7099 Ik legateer, vrij van rechten en kosten, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden en zonder bijberekening van rente, aan mijn hulp in de huishouding, te weten mevrouw [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], [adres], mijn woning en een bedrag in contanten ter grootte van twaalfduizend vijfhonderd euro ( 12.500,00).
De tweetrapsmaking Of uit de uiterste wil van [broer van X] kan worden afgeleid dat hij ondanks dat de onroerende zaak bij het openvallen van zijn nalatenschap ten dele daartoe niet behoort, ook voor die situatie beoogde om de zaak voor het geheel aan [geïntimeerde] te legateren, is een kwestie van uitlegging van de uiterste wil (art. 4:46 leden 1 en 2 BW).
Ontslag executeur Gerechtshof Den Haag, 12 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2523 6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:149, tweede lid, BW kan een executeur door de kantonrechter ontslag worden verleend om gewichtige redenen. Het hof stelt voorop dat een executeur bij de uitoefening van zijn taken niet alleen bevoegdheden heeft, maar ook verplichtingen, in het bijzonder de in artikel 4:146, tweede lid, BW neergelegde plicht om met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te stellen. Deze verplichting is door erflater in het testament herhaald in de bepaling op pagina 2 dat op de executeur de verplichting rust binnen drie maanden na het overlijden van erflater derhalve niet later dan [datum] 2008 een boedelbeschrijving op te maken. Het hof is van oordeel dat verweerster deze verplichting ernstig veronachtzaamd heeft. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er thans ruim zeven jaar na het overlijden van erflater nog immer geen definitieve boedelbeschrijving is opgemaakt. Gelet op de uitvoering die verweerster tot op heden aan de executele heeft gegeven, is het naar het oordeel van het hof niet ondenkbaar dat, in het geval de executeur als zodanig aanblijft, de verdere afwikkeling van de nalatenschap nog steeds niet voortvarend ter hand wordt genomen en nog geruime tijd in beslag zal gaan nemen. Het hof is op grond daarvan van oordeel dat er gewichtige redenen bestaan op grond waarvan de executeur ontslag verleend dient te worden. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat een executeur een uitgebreide informatieplicht jegens de erfgenamen heeft, omdat hij uit hoofde van artikel 4:148 BW gehouden is een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak te geven. Deze verplichting is door erflater in het testament gespecificeerd door de bepaling op pagina 3 dat de executeur verplicht is jaarlijks en bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. Ook aan deze verplichting heeft verweerster naar het oordeel van het hof in ruime mate niet voldaan. Het hof overweegt daartoe dat het niet alleen te lang heeft geduurd voordat verweerster eerst in het kader van de door verzoekers aanhangig gemaakte procedures enige informatie aan de andere erfgenamen heeft verstrekt, maar ook dat de door verweerster verstrekte informatie nog altijd niet volledig is. Door het handelen en met name het nalaten van verweerster in haar hoedanigheid als executeur is aan de zijde van verzoekers een dermate diep, langdurig en niet aanstonds van enige grond ontbloot wantrouwen jegens verweerster ontstaan, dat het hof moet concluderen dat de persoonlijke vertrouwensrelatie die nodig is voor een goede uitvoering van de executele, is weggevallen. Ook deze omstandigheid levert in samenhang met het verzaken van de verplichting tot opmaken van een boedelbeschrijving een gewichtige reden op die het ontslag van verweerster als executeur rechtvaardigt.
Stiefkinderen en inkorting Rechtbank Midden Nederland, 2 september 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:6265 4.5.Vervolgens is de vraag ten laste waarvan de legitimaire aanspraak van eiseres moet worden voldaan, met andere woorden waar ingekort dient te worden. Artikel 4:87 BW geeft de volgorde van inkorting aan. Aangezien er in dit geval sprake is van een testament worden eerst de makingen ingekort (lid 2). Dit betekent dat in beginsel de makingen aan de overige vier erfgenamen (van elk 13.541,48 of 13.241,48) in beginsel gelijkelijk voor inkorting in aanmerking komen. Echter, voor drie van de vier overige erfgenamen staat artikel 4:91 BW hieraan in de weg. Deze drie overige erfgenamen (die geen partij in deze procedure zijn) zijn allen stiefkinderen van erflaatster in de zin van art. 4:8 lid 3 BW. Gedaagde voldoet niet aan deze definitie.
Bedankt voor uw aandacht.