De overbodigheid van artikel 6

Vergelijkbare documenten
Bijlage VWO. Nederlands. tijdvak 2. Tekstboekje a-VW-2-b

Correctievoorschrift VWO

HAVO / Nederlands / 2010 / tijdvak 1

Eindexamen vwo Nederlands II

Eindexamen vwo Nederlands i

Examen VWO. Nederlands. tijdvak 2 dinsdag 23 juni uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl) en Nederlands (nieuwe stijl)

Eindexamen vwo Nederlands 2013-I

Eindexamen Nederlands vwo II

Eindexamen Nederlands havo II

Eindexamen Nederlands vwo I

Eindexamen Nederlands havo I

Correctievoorschrift HAVO

Eindexamen Nederlands havo II

Correctievoorschrift HAVO. Nederlands

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Correctievoorschrift VWO

Correctievoorschrift HAVO

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Eindexamen Nederlands vwo II

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Correctievoorschrift HAVO en VHBO. Nederlands tekstverklaring oude en nieuwe stijl

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift VBO-MAVO-D. Nederlands leesvaardigheid

Correctievoorschrift VWO

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Correctievoorschrift VWO

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend.

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift VBO-MAVO-C. Nederlands leesvaardigheid

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift examen VMBO-GL en TL 2003

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2004

Correctievoorschrift VWO

Correctievoorschrift VBO-MAVO-D. Nederlands leesvaardigheid

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl) en Nederlands (nieuwe stijl)

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift examen VMBO-GL en TL 2003

Correctievoorschrift VBO-MAVO-D. Nederlands, leesvaardigheid

Correctievoorschrift HAVO

Correctievoorschrift VBO-MAVO-D. Nederlands, leesvaardigheid

Correctievoorschrift HAVO 2012

Correctievoorschrift examen VBO-MAVO-C 2003

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2004

Correctievoorschrift VWO. Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Waarom vrijheid van godsdienst uit de grondwet kan

Correctievoorschrift HAVO. Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Correctievoorschrift VWO 2013

Correctievoorschrift VBO-MAVO-D. Nederlands, leesvaardigheid

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Correctievoorschrift HAVO. Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Correctievoorschrift VWO. Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Correctievoorschrift VWO

Eindexamen filosofie vwo I

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Correctievoorschrift HAVO 2013

Correctievoorschrift VBO-MAVO-C 2004

Correctievoorschrift HAVO en VHBO. Nederlands tekstverklaring oude en nieuwe stijl

Correctievoorschrift VWO

Examen HAVO. Nederlands. tijdvak 2 dinsdag 21 juni uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2006

Correctievoorschrift HAVO 2012

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL

Correctievoorschrift HAVO 2013

LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN

De vloek van het feminisme

Protocol. Kledingvoorschriften

Correctievoorschrift VWO

Correctievoorschrift VMBO-KB 2006

Correctievoorschrift VWO 2012

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2012

Correctievoorschrift VWO

Correctievoorschrift HAVO. Nederlands

Correctievoorschrift VWO 2012

Correctievoorschrift VWO 2013

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL

Correctievoorschrift VWO

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2016

Correctievoorschrift HAVO 2014

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2006

Toelichting nieuwe scoringsregels CSE Nederlands havo en vwo

Correctievoorschrift VMBO-KB 2004

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL

Correctievoorschrift VMBO-KB 2006

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2005

b98809f0f

Correctievoorschrift VMBO-BB 2013

Transcriptie:

Tekst 2 De overbodigheid van artikel 6 (1) Dit voorjaar zette de gemeente Diemen voor drie maanden de bijstandsuitkering van een werkloze vrouw stop. Omdat zij een boerka droeg, was zij voor twee banen afgewezen. De rechtbank stelde de gemeente Diemen in het ongelijk aangezien het kledingstuk voor de bijstandontvanger een rechtstreekse uitdrukking is van haar godsdienstige overtuiging. (2) Volgens artikel 6 van de Grondwet heeft ieder het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden. Jarenlang leidde dit grondwetsartikel, een overblijfsel van de vroegere godsdienststrijd tussen katholieken en protestanten, een sluimerend bestaan. Christenen van elke signatuur kunnen zich in ons land inmiddels al een eeuw lang zo vrij uiten en bewegen dat ze nog maar zelden een beroep op de grondwettelijke vrijheid van godsdienst hoeven te doen. (3) Nu in Nederland steeds vaker nieuwe geloofsgemeenschappen van zich laten horen, blijkt artikel 6 van de Grondwet echter een onvermoede betekenis te krijgen. Steeds vaker wordt er een beroep op dit artikel gedaan om uitlatingen en gedragingen te rechtvaardigen die strijdig zijn met andere wetten en regels. Hoewel het artikel mede bedoeld is om de scheiding tussen kerk en staat te garanderen, dwingt het de overheid juist keer op keer zich nadrukkelijk met godsdiensten en levensovertuigingen bezig te houden. (4) Om van de controverse rond dit artikel af te komen zou de overheid om te beginnen kunnen proberen in haar wetgeving nauwkeuriger te bepalen wat een godsdienst is en wat tot toelaatbare godsdienstige uitingen gerekend mag worden. Maar zo gemakkelijk is dat niet. (5) De overheid kan natuurlijk afgaan op wat een meerderheid in de samenleving meent. Weinigen zullen in twijfel trekken dat christendom, jodendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme religies zijn, terwijl bijna niemand dit vindt van astrologie en het geloof in kabouters. Afgaan op wat een meerderheid vindt, zou echter tot gevolg hebben dat een geloof met weinig aanhangers veel minder kans heeft om door de overheid erkend te worden dan een wijdverbreid geloof. En dat staat op gespannen voet met het uitgangspunt dat de overheid alle godsdiensten gelijkelijk moet behandelen. (6) Niet afgaan op een meerderheidsoordeel, maar afgaan op het oordeel van de gelovige zelf zou een optie kunnen zijn. Iedereen zou dan zelf mogen bepalen of een bepaald kledingstuk of versiersel wordt voorgeschreven door zijn of haar religie of levensovertuiging, of het nu om een hoofddoekje, een boerka, een keppeltje, een roze pij, een stip op het voorhoofd of iets anders gaat. Iedereen zou dan zelf mogen bepalen of een bepaalde uitspraak of opvatting is ingegeven door een godsdienstige overweging. In de praktijk leidt dit, zoals ook het voorbeeld waarmee dit artikel begon laat zien, tot situaties die verwarrend, misschien zelfs onwerkbaar zijn. Staat de overheid het dragen van een boerka voor docenten op openbare scholen toe vanwege de godsdienstvrijheid, dan kiest zij partij vóór degenen die stellen 949-0011-a-VW-2-b 5 lees verder

dat de islam de boerka dwingend voorschrijft. Tegelijkertijd kiest zij dan partij tégen degenen die menen dat het dragen ervan geen religieuze plicht is, of die menen dat daardoor deze functie niet naar behoren kan worden uitgeoefend, omdat het voor een dergelijk beroep nu eenmaal van belang is dat het gezicht getoond wordt. Iets soortgelijks geldt voor het dragen van een hoofddoekje in openbare functies als politieagent of advocaat, functies waarbij velen het van belang vinden dat de beoefenaars herkenbaar zijn aan een volstrekt neutraal uniform. (7) In de huidige praktijk ontloopt de overheid het probleem. Zij laat het bepalen van wat tot godsdienst en godsdienstige uitingen behoort aan de rechter over. Een voorbeeld hiervan is het rechterlijke geding over de voor velen uiterst kwetsende uitlatingen van een Rotterdamse imam, die stelde dat homoseksualiteit een ziekte is die schadelijk is voor de samenleving. De rechter sprak de imam vrij van discriminatie op grond van de vrijheid van godsdienst. In zijn overweging stelde het hof dat de uitlatingen zijn aan te merken als een weergave van een in de islamitische godsdienst verankerde geloofsopvatting van verdachte. Gezien de in de Grondwet en internationale verdragen verankerde vrijheid van godsdienst stond het verdachte vrij zijn op zijn geloofsovertuiging stoelende opvattingen omtrent homoseksualiteit uit te dragen. Maar op grond waarvan kon de rechter eigenlijk bepalen wat de opvatting van de islam omtrent homoseksualiteit is? Die lijkt me namelijk even moeilijk vast te stellen als vaststellen dat de afwijzing van homoseksualiteit is verankerd in het christendom. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat deze rechterlijke uitspraak grote maatschappelijke onrust veroorzaakte. De overheid dient te beseffen dat zij zich maar beter niet kan inlaten met het definiëren van wat godsdienst is en wat tot godsdienstige uitingen behoort, maar dat zij, door een en ander aan de rechter over te laten, zoals ze nu doet, de problemen ook niet oplost. (8) De enige logische conclusie is dat de overheid er in haar beleid, maar ook in haar wetgeving, beter aan doet zich niet bezig te houden met interpretaties inzake godsdienst en godsdienstige uitingen. Aan de hand van een aantal actuele vraagstukken wil ik laten zien wat dit concreet kan betekenen. (9) Als de overheid zich niet meer zou inlaten met het interpreteren van wat tot godsdienst gerekend moet worden en wat godsdienstige uitingen zijn, hoeft zij zich ook niet meer te buigen over het toestaan of verbieden van het dragen van een hoofddoek in een publieke functie, puur omdat het om een religieus symbool zou gaan. Een verbod op het dragen van een hoofddoekje is dan alleen nog maar mogelijk met een beroep op algemeen geldende kledingvoorschriften voor ambtenaren in een publieksfunctie. Die voorschriften zouden dan evengoed betrekking hebben op het dragen van een keppeltje, een naveltruitje, een kruisbeeldje of een piercing. Als de overheid het dragen van een hoofddoek wel toestaat, zou dit niet vanwege de vrijheid van godsdienst moeten zijn, maar omdat zij algemene kledingvoorschriften voor ambtenaren niet nodig of wenselijk acht. Een begrijpelijke keuze zou dan kunnen zijn om in die functies waarin ambtenaren nu een uniform dragen om zich duidelijk te onderscheiden als vertegenwoordigers van het wettig gezag (denk aan politieagenten) een hoofddoek of enig ander afwijkend kledingstuk niet toe te staan, maar in andere functies wel. (10) Als het om discriminerende uitlatingen gaat, zoals die van een streng christelijk kamerlid dat in 1998 949-0011-a-VW-2-b 6 lees verder

homo s met dieven vergeleek en zich daarbij beriep op de bijbel, is er geen reden deze met een ander criterium te beoordelen dan de vrijheid van meningsuiting. Het onbevredigende van de rechterlijke uitspraak in de zaak van de Rotterdamse imam was niet dat deze werd vrijgesproken, maar dat dit gebeurde op grond van de vrijheid van godsdienst in plaats van de vrijheid van meningsuiting. Dat suggereert immers dat in zijn algemeenheid niet-gelovigen veroordeeld kunnen worden voor discriminerende uitspraken terwijl gelovigen, wanneer ze soortgelijke uitspraken doen, vrijuit gaan. (11) Een ander vraagstuk is of de overheid steun moet verlenen aan de universitaire opleiding tot geestelijk leider, of dit nu de bestaande mastersopleiding tot predikant of een nieuw te ontwikkelen imamopleiding betreft. Als godsdienst voor de overheid irrelevant is, dient deze vraag beantwoord te worden op basis van dezelfde criteria die voor andere hogere opleidingen gelden, zoals het wetenschappelijke karakter van de opleiding. (12) Als de overheid er werkelijk van afziet om zich uit te spreken over godsdienst, is de uiterste consequentie dat artikel 6 van de Grondwet over de vrijheid van godsdienst geschrapt kan worden. Die vrijheid wordt immers al gewaarborgd door drie andere grondwetsartikelen, namelijk die van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vergadering. Als artikel 6 hieraan nog iets toevoegt, zouden burgers op grond van hun godsdienst bepaalde rechten hebben die niet-gelovigen niet hebben. Artikel 6 lijkt strijdig met artikel 1 van de Grondwet dat bepaalt dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat discriminatie onder andere op grond van godsdienst niet is toegestaan. De overheid moet in zaken van het geloof geen positie kiezen, maar en dat zou een andere noodzakelijke beleidslijn zijn pas van zich laten horen wanneer grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting of het non-discriminatiebeginsel zoals geformuleerd in artikel 1 van de Grondwet, in het geding komen. naar: Paul de Beer, bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen te Amsterdam uit: NRC Handelsblad van 27 en 28 oktober 2007 De teksten die voor dit examen gebruikt zijn, zijn bewerkt om ze geschikt te maken voor het examen. Dit is gebeurd met respect voor de opvattingen van de auteur(s). Wie kennis wil nemen van de oorspronkelijke tekst(en), raadplege de vermelde bronnen. De Cevo is verantwoordelijk voor vorm en inhoud van dit examen. 949-0011-a-VW-2-b* 7 lees verder einde

Uit de teksten blijkt dat Kinneging en Van Praag ieder een andere oplossing voor ogen hebben voor het vergrijzingsprobleem. 2p 17 Leg uit om welke verschillende oplossingen het gaat. Uit de teksten blijkt dat Kinneging en Van Praag een verschillende opvatting hebben over kinderopvang. 2p 18 Welk standpunt neemt Kinneging in ten opzichte van kinderopvang en welk standpunt neemt Van Praag in ten opzichte van kinderopvang? 1p 19 Citeer de zin uit tekst 1 De vloek van het feminisme waarin Kinneging zijn standpunt ten opzichte van kinderopvang nuanceert. Tekst 2 De overbodigheid van artikel 6 20p 20 Maak een samenvatting in correct Nederlands van maximaal 220 woorden van de tekst De overbodigheid van artikel 6. Zorg ervoor dat deze samenvatting begrijpelijk is voor iemand die de oorspronkelijke tekst niet kent. Uit je samenvatting moet duidelijk worden: wat de problematiek is rond artikel 6 van de Grondwet, en voor welk dilemma de overheid zich daardoor geplaatst ziet; welke oplossingen de overheid zou kunnen kiezen of al gekozen heeft voor dit dilemma, maar welke bezwaren er aan die oplossingen kleven; welke conclusie de overheid aan deze bezwaren zou moeten verbinden en wat daarvan uiteindelijk de consequenties zouden zijn. Bronvermelding Een opsomming van de in dit examen gebruikte bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, is te vinden in het bij dit examen behorende correctievoorschrift, dat na afloop van het examen wordt gepubliceerd. 949-0011-a-VW-2-o* 949-0011-a-VW-2-0 5 lees verder einde

Vraag Antwoord Scores 19 maximumscore 1 Een paar uurtjes per week is zeker niet slecht en in veel gevallen zelfs goed voor de ontwikkeling van een kind. (regels 160-163) Tekst 2 De overbodigheid van artikel 6 In een goede samenvatting (maximumscore 20 punten) moeten de onderstaande informatie-elementen opgenomen zijn. Om de scores van de samenvatting per onderdeel te kunnen verwerken, zijn deze afzonderlijke informatie-elementen doorgenummerd. 20.1 maximumscore 2 (problematiek) Er wordt steeds vaker een beroep op artikel 6 van de Grondwet / het (grondwets)artikel dat de vrijheid van godsdienst waarborgt gedaan, om uitlatingen en gedragingen te rechtvaardigen die strijdig zijn met andere wetten en regels 2 20.2 maximumscore 4 (dilemma) De overheid ziet zich daardoor/steeds vaker gedwongen zich met godsdiensten en levensovertuigingen bezig te houden 2 terwijl artikel 6 (dat bedoeld is om de scheiding tussen kerk en staat te garanderen) juist bemoeienis van de overheid met godsdiensten en levensovertuigingen tegengaat 2 20.3 maximumscore 5 (oplossingen en bezwaren tegen oplossingen) De overheid zou (om uit dit dilemma te geraken) (in haar wetgeving) kunnen proberen nauwkeuriger te bepalen wat godsdienst is en wat tot godsdienstige uitingen gerekend mag worden 2 Het bezwaar daartegen is / Maar: 1 (daarbij) afgaan op wat de meerderheid vindt, zou in strijd zijn met het beginsel dat alle godsdiensten gelijkelijk behandeld moeten worden / zou kunnen betekenen dat kleine godsdiensten weinig kans hebben erkend te worden 2 20.4 maximumscore 1 (vervolg oplossingen en bezwaren tegen oplossingen) (maar) (daarbij) afgaan op het oordeel van individuele gelovigen leidt tot verwarring/onwerkbaarheid / tot partijdigheid 1 949-0011-a-VW-2-c 8 lees verder

Vraag Antwoord Scores 20.5 maximumscore 1 (vervolg oplossingen en bezwaren tegen oplossingen) (maar) (daarbij) afgaan op het oordeel van de rechter lost de problemen niet op / leidt tot maatschappelijke onrust / leidt tot betwistbare rechterlijke uitspraken / rechtsongelijkheid 1 20.6 maximumscore 3 (conclusie) Daarom / Conclusie: 1 de overheid doet er beter aan zich in haar beleid en wetgeving niet bezig te houden met interpretaties inzake godsdienst en godsdienstige uitingen 2 20.7 maximumscore 4 (uiteindelijke consequenties) (Uiteindelijke) consequenties: 1 artikel 6 van de Grondwet kan worden afgeschaft 1 de overheid zou pas van zich moeten laten horen als de grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en het non-discriminatiebeginsel in het geding zijn 2 20.8 Regeling met betrekking tot incorrecte formuleringen en onjuist taalgebruik in de samenvatting 1) Voor fouten met betrekking tot incorrecte formuleringen en onjuist taalgebruik kunnen in totaal maximaal 4 hele scorepunten worden afgetrokken. De toepassing van deze aftrekregeling kan overigens nooit leiden tot een negatieve score bij deze samenvattingsopgave. De minimumscore voor de opdracht is 0 punten. Zie de Vakspecifieke regel 2 voor exacte aanwijzingen omtrent aftrek. 20.9 Regeling met betrekking tot woordgrensoverschrijding van de samenvatting 1) Voor de eerste overschrijding met 22 woorden dienen geen scorepunten te worden afgetrokken. Voor elke volgende overschrijding dienen per 5 woorden steeds 2 scorepunten te worden afgetrokken tot een maximum van 16 scorepunten. De toepassing van de aftrekregeling kan overigens nooit leiden tot een negatieve score bij deze samenvattingsopgave. De minimumscore voor de opdracht is 0 punten. noot 1 Bij positie 20.8 en 20.9 van het score-invoerformulier in het programma WOLF dienen de eventuele aftrekpunten aangegeven te worden als een positief getal. Heeft een kandidaat bijvoorbeeld 3 aftrekpunten vanwege incorrect taalgebruik, dan noteert u bij positie 20.8 een 3. Indien er geen sprake is van aftrek, dient een 0 te worden ingevuld. 949-0011-a-VW-2-c 9 lees verder

Schematisch: 221-242: 0 scorepunten aftrek; 243-247: 2 scorepunten aftrek; 248-252: 4 scorepunten aftrek; 253-257: 6 scorepunten aftrek; 258-262: 8 scorepunten aftrek; et cetera, tot een maximale aftrek van 16 punten. 5 Inzenden scores Verwerk de scores van alle kandidaten per school in het programma WOLF. Zend de gegevens uiterlijk op 26 juni naar Cito. 6 Bronvermeldingen tekst 1 naar Andreas Kinneging, Opinio van 7-13 maart 2008 (jaargang 2, nummer 10) tekst 2 naar Paul de Beer, NRC Handelsblad van 27 en 28 oktober 2007 tekstfragment naar een artikel van prof. dr. B.M.S. van Praag, NRC Handelsblad, mei 2008 949-0011-a-VW-2-c* 10 lees verder einde