ADVIES 1410 Programmadecreten BA 2014 en BO 2015 Datum: 5 november 2014 Waarnemend Voorzitter: Didier Verachtert Aanwezigen: Baetens Jo, Coenen Lotta, Chanson Yves, De Ceulaer Niels, De Grez Nore, De Smet Dries, Dube Nozizwe, Roelen Martijn, Stevens Freek, Van der Elst Derkje, Van Dinter Finn, Wattiez Marie, Wolf Alexandra De Vlaamse Jeugdraad, in vergadering op 5 november 2014, onder waarnemend voorzitterschap van Didier Verachtert, en met bovenvermelde aanwezigen, adviseert unaniem het volgende: Inhoud 1. Erken de rol van De Vlaamse Jeugdraad en vraag advies op de programmadecreten die impact hebben op jeugdbeleid in Vlaanderen. 2 2. Behoud de middelen voorzien voor de uitvoering van het decreet lokaal jeugdbeleid van 6 juli 2012, door ze blijvend te oormerken voor jeugd. Monitor de middelen die lokaal voor kinderen, jongeren en hun organisaties lokaal verdeeld worden, en doe dit door gebruik te maken van de huidige beleidsplanningsinstrumenten. 2 3. Draag de middelen van de GESCO-projecten bij de lokale jeugdwerkingen over te dragen naar het beleidsdomein jeugd naar analogie met de middelen van de vroegere DAC-projecten bij de lokale jeugdwerkingen. 4 4. Zorg voor zo snel mogelijk duidelijkheid over de plannen met de provinciale taken, projecten, doelstellingen en infrastructuur. Betrek de jeugdsector bij een overheveling van de taken en middelen, en zorg dat dit geen besparingsmaatregel wordt. 4 5. Waak over de kwaliteit en de toegankelijkheid van ons Vlaams onderwijs. Erken de waarde van ons onderwijssysteem als waardevolle investering en ontkracht het huidige discours dat onderwijs bestempelt als een kost. 5 Advies 1410: Programmadecreten BA 2014 en BO 2015 5 november 2014 pagina 1 > 5
1 Situering Op 3 oktober keurde de Vlaamse Regering het voorontwerp van decreet met bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2014 en het voorontwerp van decreet met bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 principieel goed. De Vlaamse Jeugdraad wordt hierop niet om advies gevraagd. Toch hebben beide programmadecreten impact op het jeugdbeleid. Net daarom vinden we het jammer dat de Vlaamse Regering hierover ons advies niet vraagt. In het verleden gebeurde dat telkens wel. We mogen uiteraard op eigen initiatief advies uitbrengen en daar kiezen we dan ook bewust voor. 2 Advies Erken de rol van De Vlaamse Jeugdraad en vraag advies op de programmadecreten die impact hebben op jeugdbeleid in Vlaanderen. Volgens het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid is de Vlaamse Regering verplicht de Vlaamse Jeugdraad om advies te vragen over de ontwerpen van decreet en reglementaire ontwerpen van besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het Vlaams jeugdbeleidsplan. Het staat de Vlaamse Jeugdraad daarnaast vrij om op eigen initiatief advies te geven. Toch betreuren we het dat de huidige regering onze rol als adviesraad en spreekbuis van kinderen, jongeren en hun organisaties niet erkent. Jeugdbeleid is een categoriaal beleidsthema, het is beleid gericht op een categorie van de bevolking: kinderen en jongeren. Het gaat ruimer dan een vrijetijdsbeleid voor kinderen en jongeren. Het doorkruist sectorale beleidsdomeinen zoals sportbeleid, cultuurbeleid, sociaal beleid, ruimtelijke planning... Net daarom is het belangrijk dat ook op programmadecreten met impact op jeugdbeleid de jeugdraad om advies gevraagd wordt. Alleen op die manier kunnen we samen bouwen aan een jeugdvriendelijker Vlaanderen. 2.1 Hoofdstuk 11: Jeugdbeleid Behoud de middelen voorzien voor de uitvoering van het decreet lokaal jeugdbeleid van 6 juli 2012, door ze blijvend te oormerken voor jeugd. Monitor de middelen die lokaal voor kinderen, jongeren en hun organisaties lokaal verdeeld worden, en doe dit door gebruik te maken van de huidige beleidsplanningsinstrumenten. We lezen in het programmadecreet BA 2014 (Hoofdst.11 artikel 30) dat het artikel 4, 4, eerste lid, van het decreet betreffende het lokaal en provinciaal jeugdbeleid wijzigt. De zinsnede ten minste 21.760.000 wordt vervangen door ten minste 21.298.000 euro. Het bedrag voor de uitvoering van het decreet lokaal jeugdbeleid verminderd dus met 462.000 euro. Deze aanpassing zorgt voor overeenstemming met het bedrag voorzien in de tweede begrotingsaanpassing. In de initiële begroting was het bedrag reeds lager dan oorspronkelijk voorzien omdat het indexcijfer lager was dan verwacht. Omwille van een desindexering wordt dit bedrag bij de begrotingsaanpassing 2014 nu verlaagd tot 21.298.000 euro. Dat deze middelen de reeds geplande desindexatie ondergaan, en daar zwaar op reageren, is eigenlijk de recente discussie voorbijgaan. We betreuren het verminderen van de beloofde middelen. De toekomst van lokaal jeugdbeleid wordt echter door andere beleidskeuzes bedreigd. We doen daarom een oproep om het lokaal jeugdbeleid vanuit Vlaanderen blijvend te stimuleren. Nu de middelen zullen worden toegevoegd aan het gemeentefonds is een behoud van het budget en een oormerking ervan des te noodzakelijker. De Vlaamse Jeugdraad wil een behoud van de middelen voorzien door Vlaanderen voor het lokaal jeugdbeleid. De lineaire besparing van 10% op de middelen van het lokaal jeugdbeleid het gevolg van een beleidskeuze, niet van Advies 1410: Programmadecreten BA 2014 en BO 2015 5 november 2014 pagina 2 > 5
desindexatie kan niet op onze goedkeuring rekenen. We pleiten er wel voor om deze overgebleven middelen blijvend te oormerken. De overheveling van deze middelen naar het Gemeentefonds, zonder deze belangrijke voorwaarde, heeft een verarming van het lokaal jeugdbeleid tot gevolg. De hele sector ziet deze middelen, gekoppeld aan prioriteiten, als belangrijke hefbomen en impulsen om lokaal mee aan de slag te gaan. We verwachten daarnaast van onze beleidsmakers een goede monitoring van deze middelen, en bij uitbreiding een monitoring van alle middelen besteed aan jeugd. Alleen op die manier kan gegarandeerd worden dat een toevoeging van deze sectorale middelen aan het gemeentefonds geen besparing en verarming van het lokaal jeugdbeleid met zich meebrengt. Garandeer daarom minimum volgende zaken: 1. Het ondersteunen van lokaal jeugdwerk Dit geld is bestemd om lokaal jeugdwerk te ondersteunen. Het dient om jeugdwerkingen te subsidiëren en projecten op te starten. Deze bestaande middelen (eerste prioriteit) uit het huidige decreet lokaal jeugdbeleid worden vandaag al geïnvesteerd in de ondersteuning van het jeugdwerk. Meer zelfs, een gemiddelde gemeente investeert een pak meer dan deze middelen in haar lokale jeugdwerk. Onderzoek leert ons dat deze middelen als hefboom gezien worden voor lokaal jeugdbeleid 1. Als er middelen van de Vlaamse Overheid komen, leggen gemeenten er vaak middelen bovenop. Dat principe dient een subsidiërende overheid te koesteren. 2. Een ambtelijk aanspreekpunt (een jeugdconsulent) Lokale jeugdverenigingen hebben veel aan hun jeugdconsulent. Vrijwel in alle gemeenten zijn er mensen die met de middelen voorzien voor jeugd een beleid (op maat van de gemeenten) uittekenen. Meestal in samenwerking met kinderen, jongeren en hun organisaties zelf. Er is momenteel al een daling van het aantal jeugdconsulenten. Deze trend een halt toeroepen doen we door een minimum te eisen: Er blijft een ambtelijk aanspreekpunt voor jeugd. 3. Een jeugdraad als garantie voor inspraak We geven het recht op beleidsparticipatie van kinderen en jongeren niet op. Recht op participatie is een basisrecht 2. En verwachten duidelijke ambities van onze Vlaamse Regering. We lezen in het regeerakkoord de wil om te investeren in lokale participatie. Elke gemeente heeft vandaag een jeugdraad. En in elke gemeente werkt de jeugddienst hier structureel mee samen. Het is dan ook de minimumvoorwaarde, om de overdracht van de middelen lokaal jeugdbeleid aan het gemeentefonds toe te voegen. Uiteraard is méér participatie wenselijk en uiteraard beperken een aantal jeugdraden zich vandaag tot jeugdwerkraden, maar we zijn ervan overtuigd dat vanuit dit minimum steeds een groei mogelijk kan zijn. Daarnaast mogen we niet vergeten dat vele kinderen en jongeren niet dezelfde democratische rechten hebben als volwassenen, ze mogen immers niet deelnemen aan de stembusgang. Het borgen van een minimale decretaal vastgelegde ingangspoort lijkt ons dus een logische evidentie. We staan achter de piste van een benchmarking of monitor-systeem voor lokale besturen. Bekijk of dit systeem niet ingepast kan worden in de huidige meerjarenplanning (BBC-rapportage) om geen extra planlast te creëren. Bekijk welke rol het nieuwe cijferboek lokaal jeugdbeleid hierin kan spelen. Zorg ervoor dat door dit systeem het jeugdbeleid en de kwaliteit van lokaal jeugdbeleid op peil wordt gehouden, en betrek jeugddiensten en jeugdorganisaties bij de ontplooiing hiervan. Wij denken aan: de initiatieven m.b.t. kadervorming en opleiding van jeugdwerkers, (brand)veiligheid van jeugdlokalen 1 We verwijzen heir naar het onderzoek: Nulmeting Lokaal Jeugdbeleid 2 Artikel 12 en 13 van het IVRK stellen: Staten verzekeren dat het kind het recht heeft zijn/haar mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen. Stelt het recht op vrijheid van meningsuiting voorop. Dit recht omvat de vrijheid tot het formuleren van inlichtingen en denkbeelden. Advies 1410: Programmadecreten BA 2014 en BO 2015 5 november 2014 pagina 3 > 5
2.2 Hoofdstuk 8. Gesubsidieerde contractuelen Draag de middelen van de GESCO-projecten bij de lokale jeugdwerkingen over te dragen naar het beleidsdomein jeugd naar analogie met de middelen van de vroegere DAC-projecten bij de lokale jeugdwerkingen. We lezen in het programmadecreet BO 2015 De Vlaamse Regering wordt, bij goedkeuring van het Programmadecreet, gemachtigd om voor de gesubsidieerde contractuelen, een regeling vast te leggen om de bestaande arbeidsplaatsen te regulariseren of uit te doven. De organisaties binnen het decreet op het lokaal jeugdbeleid van 6 juli 2012 en het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid stellen samen 215,94 VTE tewerk binnen GESCO-projecten. Het gaat om 47,98 VTE bij lokale jeugdwerkingen, autonome verenigingen zonder winstoogmerk, om 145,96 VTE bij landelijke jeugdwerkingen, en om 24 VTE bij andere jeugdwerkingen. Het gaat dus om een belangrijke tewerkstelling binnen het jeugdwerk. Het verloren gaan ervan zou een grote impact hebben op de werking en het aanbod van deze organisaties met kinderen en jongeren. We vragen de Vlaamse Regering dan ook om de middelen van de GESCO-projecten bij de jeugdwerkingen in elk geval over te dragen naar het beleidsdomein jeugd. We vragen de minister van Jeugd om de middelen toe te voegen aan de beheersovereenkomsten van de huidige werkgevers. Zo kan de continuïteit van de tewerkstelling en van de dienstverlening gegarandeerd worden. De werking en het aanbod van deze lokale organisaties met kinderen en jongeren staat al onder druk door de toevoeging van de middelen van het decreet op het lokaal jeugdbeleid aan het gemeentefonds. We herinneren aan de klemtoon binnen het regeerakkoord om in te zetten op het stedelijk jeugdwerk. We vragen de minister van Jeugd om een subsidielijn te ontwikkelen in overleg met de jeugdsector en de betrokken werkgevers. 2.3 Hoofdstuk 19: Vlaams Provinciefonds Zorg voor zo snel mogelijk duidelijkheid over de plannen met de provinciale taken, projecten, doelstellingen en infrastructuur. Betrek de jeugdsector bij een overheveling van de taken en middelen, en zorg dat dit geen besparingsmaatregel wordt. Het Regeerakkoord 2014-2019 van de Vlaamse Regering voorziet een vereenvoudiging van de subsidiestromen van Vlaanderen naar de lokale besturen. Ze behouden en versterken het gemeentefonds (inclusief stedenfonds en voorzien een investeringsfonds. Het Provinciefonds wordt geleidelijk afgeschaft vanaf 2015 3. In de memorie van toelichting en de septemberverklaring lezen we dat de afschaffing van het provinciefonds opgenomen wordt als een recurrente besparing. Hoe de taken, projecten, doelstellingen en infrastructuur die deels gefinancierd worden met dit geld worden verdergezet, is niet duidelijk. Ook de discussie over de toekomst van de persoonsgebonden bevoegdheden van de provincies, zorgt voor veel onduidelijkheid. De Vlaamse Jeugdraad hecht enorm veel belang aan een provinciaal jeugdbeleid. Onze adviezen 4 en acties m.b.t. tot de interne staatshervorming kunnen hiervan getuigen. Als het provinciefonds geschrapt wordt, en die middelen dus ook niet gebruikt kunnen worden voor het overhevelen van bevoegdheden van de provincies naar Vlaanderen/lokaal/sectororganisaties, dan blijven er zeer weinig middelen 3 Maatregel opgenomen in septemberverklaring 2014 4 Adviezen 1101, 1118 en 1203 Advies 1410: Programmadecreten BA 2014 en BO 2015 5 november 2014 pagina 4 > 5
over om nog provinciale werking te vrijwaren. We willen dat de huidige situatie (juni 14) als uitgangspunt genomen wordt en niet de situatie na het schrappen van het Provinciefonds. Alleen zo kunnen we ervoor zorgen dat de overheveling van de provinciale initiatieven mbt jeugd naar andere overheden, geen besparingsoperatie wordt. We willen onze sector als partner in deze discussie opwerpen, niet alleen de Vlaamse of lokale overheid kunnen taken en bijhorende middelen en doelstellingen overnemen, ook organisaties kunnen dit. De Vlaamse Jeugdraad vraagt daarom om de middelen van het provinciefonds, gekoppeld aan de oorspronkelijke taakstelling van de provincies, te herverdelen. Dit in overleg met de betrokken actoren binnen de jeugdsector. 2.4 Hoofdstuk 2: onderwijs Waak over de kwaliteit en de toegankelijkheid van ons Vlaams onderwijs. Erken de waarde van ons onderwijssysteem als waardevolle investering en ontkracht het huidige discours dat onderwijs bestempelt als een kost. De Vlaamse Jeugdraad betreurt de geplande besparingen in de onderwijssector. Besparingen op onderwijs, opleiding en vorming zijn onwenselijk. Zeker omdat we nog steeds verwikkeld zijn in de strijd met de ongekwalificeerde uitstroom en de jeugdwerkloosheid. We lezen in de memorie van toelichting bij het programmadecreet BO15 (Hoofdst. 2, Afdeling 1, Artikel 2 t.e.m. 4) dat de werkingsmiddelen van de scholen voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs verminderd worden voor het begrotingsjaar 2015. Bovenop deze afname van de werkingsmiddelen, komt een besparing van 10% op het subsidiebedrag (BO15, Hoofdst. 2, Afdeling 2, Artikel 5). Deze subsidie-enveloppes zijn middelen voor de ondersteuning van de personeels- en werkingskosten die de diensten dragen voor het verstrekken van onderwijs. De Vlaamse Jeugdraad vreest dat een besparing op deze middelen dus een extra rechtstreekse besparing is op de kwaliteit van de onderwijsverstrekking in Vlaanderen. Het is goed de Vlaamse Regering niet enkel zoekt naar besparingen, maar probeert om met verschuivingen van middelen bepaalde aspecten te bekostigen. Het laten opgaan van het Aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten in de werkingsuitkeringen van de hoger onderwijsinstellingen (BO15, Hoofdst. 2, Afdeling 11, Artikel 82) is hier een voorbeeld van. Toch vraagt de Vlaamse Jeugdraad blijvende inspanningen ten aanzien van de speerpunten, waarvoor destijds het Aanmoedigingsfonds werd opgericht. Gelijke kansen voor verschillende doelgroepen en het bevorderen van diversiteit binnen het onderwijs is nog steeds een actueel issue. Hierbij willen we ook extra aandacht vragen voor de studenten met een functiebeperking. Door het opheffen van het besluit betreffende de registratie van studenten met een functiebeperking is er een risico dat voor deze doelgroep ondergesneeuwd geraakt. Blijvende aandacht en monitoring is volgens de Vlaamse Jeugdraad absoluut essentieel. Advies 1410: Programmadecreten BA 2014 en BO 2015 5 november 2014 pagina 5 > 5