NL 743 HANDLEIDING INSTALLATEUR VERSIE C3
Copyright Bewaar deze handleiding altijd bij uw computer Alle rechten zijn voorbehouden. Niets uit deze handleiding mag worden gekopieerd, gedistribueerd of vertaald in andere talen, geheel of gedeeltelijk, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Fancom. Fancom houdt zich het recht voor wijzigingen in de handleiding aan te brengen. Fancom kan echter geen garantie geven, impliciet noch expliciet, voor deze handleiding. Het risico hiervan ligt volledig bij de gebruiker. Copyright 2010 Fancom B.V. Panningen, Nederland ArtNr. A5911214 NL100203 WIJZIGINGEN VOORBEHOUDEN
Inhoudsopgave Inhoudsopgave Over deze handleiding 1. Inleiding... 1 2. Technische gegevens... 2 3. Veiligheidsinstructies en waarschuwingen... 3 3.1 Algemeen... 3 3.2 Tijdens installeren... 3 3.3 Tijdens reparatie... 3 3.4 Onafhankelijke alarminstallatie... 3 4. Montage en installatie... 4 5. Systeeminstellingen... 5 5.1 Algemeen... 5 5.2 Configuratie... 6 5.2.1 Algemeen... 6 5.2.2 Communicatie... 7 5.3 Installatie... 8 5.3.1 Algemeen... 8 5.3.2 Silo... 9 5.3.3 Additief... 9 5.3.4 Weger... 10 5.3.5 Circuit... 12 5.3.6 Bunker... 13 5.3.7 Voerklok... 15 5.3.8 Waterklok... 16 5.3.9 Lichtklok... 16 5.3.10 Schakelklok... 17 5.4 Interne RAM... 17 BIJLAGE 1: Systeemalarmen BIJLAGE 2: Installatierapport BIJLAGE 3: Mogelijke uitdoseersituaties BIJLAGE 4: Aansluitschema's
Over deze handleiding Over deze handleiding Deze handleiding bevat informatie over de installatie van en service aan de computer. Leest u de handleiding zorgvuldig en neemt u de veiligheidsvoorschriften in acht. Daarna kunt u de installateursinstellingen maken en de computer klaar maken voor verder gebruik. Fancom heeft deze handleiding geschreven voor de installateur. Naast de installateurhandleiding bestaat er een gebruikershandleiding. In de gebruikershandleiding vindt u alle informatie over het dagelijks gebruik van de computer. Voor vragen staat Fancom gaarne tot uw dienst. De onderwerpen die in deze handleiding aan de orde komen vindt u in de inhoudsopgave. In deze handleiding maakt Fancom gebruik van de volgende symbolen: Suggesties, adviezen en opmerkingen met aanvullende informatie. Voorzichtig Deze waarschuwing duidt op schade aan het product, als u de procedures niet zorgvuldig uitvoert. Voorzichtig Deze waarschuwing duidt op een levensbedreigende situatie, als u de procedures niet zorgvuldig uitvoert.
INSTALLATEUR: 1. Inleiding 1. Inleiding De Fancom 743 is een mengvoercomputer voor de pluimveesector, geschikt voor het volledig automatisch besturen van een mengvoerinstallatie. Maximale waarden installatie 12 voorraadsilo's 12 componenten 1 weger, eventueel met menger 1 opvangbak, inclusief prox. 16 bunkers (incl. prox-terugmelding) 4 additieven 2 circuit vijzelsturingen 16 bunker-selectie-kleppen 16 bunkervijzels 16 voerklokken 16 waterklokken 16 pulsingangen voor waterteller 16 lichtklokken, regelbaar of aan/uit 16 extra schakelklokken 16 pulsrelais Communicatie De computer kan opgenomen worden in een netwerk of seriële communicatielus (door middel van een communicatie-opsteekprint). U kunt de 743 computer dan met behulp van een Personal Computer op afstand bedienen. 1
INSTALLATEUR: 2. Technische gegevens 2. Technische gegevens Netvoeding Netspanning 230Vac (-10% +6%) Netfrequentie 50-60Hz Maximum opgenomen vermogen 50VA Beschikbare voeding voor sensoren en randapparatuur 24Vdc (gezekerd) 12Vdc, kortsluitvast 13 Relaisuitgangen Relais 1-12, potentiaalvrij* Relais 13 (alarmrelais, potentiaalvrij) 10 Analoge uitgangen (8 bits) Spanningsbereik Maximale belasting Uitgangsweerstand 8 Contactingangen Open contact spanning (hoog niveau) Laag niveau Toepassing: telleringang, min. pulsbreedte 2.5mSec frequentie-ingang max. 500mA max. 150mA max. 2A 60Vdc/30Vac of max. 2A 250Vac max. 2A 60Vdc/30Vac 0-10Vdc 1mA 570Ω 12Vdc <1.5Vdc max. frequentie 200Hz max. frequentie 5kHz 1 Weegingang, oplossend vermogen 12 bits (niet voor handelsdoeleinden) Excitatiespanning Max. ingangsspanning Max. belasting Max. kabellengte Behuizing Kunststof behuizing met schroefsluiting Afmetingen (l b h) Gewicht (onverpakt) 10Vdc 20 mvdc 2 350Ω weegstaaf 40m IP54 300 360 140mm 3.9kg Omgevingsklimaat Bereik bedrijfstemperatuur 0 C tot +40 C Bereik opslagtemperatuur -10 C tot 50 C Relatieve vochtigheid < 95%, niet condenserend Communicatie FNet, Fancom netwerk, voor onderlinge communicatie van regelcomputers en koppeling met PC*. Optie: Fancom seriële lus voor onderlinge communicatie van regelcomputers en koppeling met PC* I/O-Net voor extra in- en uitgangen met behulp van I/O-modules; max. 30 IDM en/of IRM-modules, elk met 16 in-/uitgangen*. - max pulsfrequentie IDM-ingang: - max. pulsfrequentie IRM-uitgang: * Voor elektrische aansluiting en/of kabelgegevens, zie aansluitschema. 25/sec. 0.5/sec. 2
INSTALLATEUR: 3. Veiligheidsinstructies en waarschuwingen 3. Veiligheidsinstructies en waarschuwingen 3.1 Algemeen Lees aandachtig de veiligheidsinstructies, bepalingen en voorwaarden, voordat u de computer installeert en in gebruik neemt. De installatie van de computer en het verhelpen van eventuele storingen dient te worden verzorgd door een erkend elektro-installateur, volgens de geldende normen. Fancom kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade als gevolg van verkeerde instellingen en/of het niet of gedeeltelijk functioneren van de gehele installatie. 3.2 Tijdens installeren 1. Werk altijd dusdanig, dat elektrostatische ontlading (ESD) voorkomen wordt. 2. Zorg voor een schone en droge werkplek. Schakel vóór het installeren de spanning uit. 3. Gebruik de op de aansluitschema s (bijlage) vermelde kabels, en volg alle aangegeven instructies. 4. Schakel de spanning pas in, nadat u alle kabels correct hebt aangesloten. Onjuiste aansluitingen kunnen blijvende schade veroorzaken. 3.3 Tijdens reparatie Werk nóóit aan een computer die onder spanning staat. Voorzichtig Voor het plaatsen van een nieuwe zekering dient een erkend installateur de oorzaak van het euvel te verhelpen. Vervang een defecte zekering alleen door een nieuwe zekering van hetzelfde type (zie aansluitschema). 3.4 Onafhankelijke alarminstallatie Een computer is een elektronisch apparaat en u moet rekening houden met een eventuele technische storing. Voorzichtig Fancom adviseert u om een extra onafhankelijke alarminstallatie te installeren. Dit wordt met name aanbevolen voor systemen waar een technische storing tot grote schade kan leiden. In de bijlage vindt u een alarm-aansluitschema. 3
INSTALLATEUR: 4. Montage en installatie 4. Montage en installatie Voorzichtig! Het is noodzakelijk om de alarmuitgang van iedere computer in een apart alarmcircuit op te nemen. Wanneer u de computer gaat ophangen, moet u op het volgende letten: 1. Hang de computer nooit in de nabijheid van waterleidingen, regenafvoeren, en dergelijke. 2. Hang de computer op een plaats waar het weer geen directe invloed kan uitoefenen (niet in de felle zon, niet op plaatsen waar de temperatuur hoog op kan lopen, enz.). 3. Hang de computer niet in een vochtige en/of stoffige ruimte en zeker niet in de ruimte waarin de dieren zich bevinden. Er mag nóóit condensatie optreden in of op de computer. 4. Gebruik de gaten achter de dekselschroeven in de hoeken van de kast om de computer te monteren. 5. Monteer de computer op ooghoogte (of iets hoger), op een vlakke ondergrond. Zorg ervoor dat de wartels zich altijd aan de onderkant van de computer bevinden. 6. Gebruik bij het aansluiten van de computer altijd de kabelwartels. Gebruik de bijgeleverde afdichtplaatjes om de niet gebruikte wartels goed af te dichten. Kit alle wartels, na het aansluiten van de computer, goed af om binnendringen van vocht, stof en/of agressieve gassen te voorkomen. 7. Controleer of de netspanning en frequentie, waarvoor deze computer geschikt is, overeenkomen met de aanwezige netspanning en frequentie. 8. In bliksemgevoelige gebouwen raadt Fancom u aan om een overspanningsbeveiliging in de voeding van de computer aan te brengen. 9. Sluit de computers op een groep aan, vanaf de hoofdverdeelinrichting. 10. U moet het apparaat met behulp van een dubbelpolige netschakelaar kunnen uitschakelen. Wees er zeker van dat de computer goed geaard is. 11. Zorg voor een scheiding van de zwak- en sterkstroomleidingen, door montage in aparte kabelgoten. 12. Bij gebruik van metalen kabelgoten raadt Fancom u aan om de goot op één punt te aarden. Houdt u zich verder aan de regels van het energiebedrijf Advies Beperk de lengte van de signaalkabels zoveel mogelijk; vermijd kruisingen met sterk- /zwakstroom-kabels. 4
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5. Systeeminstellingen 5.1 Algemeen De systeeminstellingen zijn bedoeld voor de installateur. Normaalgesproken hoeft de gebruiker hier nooit iets te wijzigen met uitzondering van het wachtwoord. De systeeminstellingen zijn niet voor dagelijks gebruik. De installateur maakt deze instellingen bij het installeren van de weegcomputer. De systeeminstellingen zijn door middel van een wachtwoord beveiligd. Het wachtwoord is een combinatie van maximaal vijf keuzetoetsen. Zolang u het wachtwoord niet gewijzigd hebt, is dit keuzetoets. In hoofdstuk 7 van de gebruikershandleiding leest u hoe u het wachtwoord kunt veranderen. De systeeminstellingen zijn onderverdeeld in drie groepen: 1 Configuratie 2 Installatie 3 Interne RAM 5
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.2 Configuratie 5.2.1 Algemeen >>Configuratie 1 Algemeen 2 Communicatie 2 >>Algemeen Nieuw wachtwoord Tijd 14:52 Datum Zo 14-03-99 Synchr.tijd NIET Eenh. temp. C Eenh. windsn. m/s Versie 743 C3.0 Nieuw wachtwoord Zie hoofdstuk 7 van de gebruikershandleiding. Tijd De actuele tijd in uren en minuten. U kunt de tijd wijzigen, bijvoorbeeld bij de overgang van zomer- naar wintertijd. Datum De actuele datum. Synchr. tijd Als u wilt dat de master de tijd naar de andere computers stuurt, dan kunt u hier ingeven of dit iedere 16 minuten of één maal per dag moet gebeuren. Dit moet u ook doen voor de slaves. Deze zullen dan de tijd van de master overnemen. Eenheid temp. Geef de eenheid van temperatuur in: C = graden Celsius F = graden Fahrenheit Eenheid windsn. Geef de eenheid van windsnelheid in: m/s = meters per seconde Mph = miles per hour (1 m/s ~ 2.24 Mph). Versie: Het versienummer van de 743-software. 6
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.2.2 Communicatie >>Communicatie Computernummer 1 Type: L SLAVE Baudrate 2400 Bd Comm R: 0 T: 0 Netstatus 0 Computernummer Als u de computer in een lus of netwerk hebt opgenomen, moet iedere computer zijn eigen uniek nummer hebben. Laat in de praktijk bij voorkeur het computernummer met het nummer van de bunker overeenkomen. Type Geef in of de computer als master fungeert of als slave. De master is de computer die de communicatie regelt. Alle andere computers in de lus (L) of in het netwerk (N) moeten als slave ingesteld zijn. Baudrate Alle in een lus aangesloten computers moeten dezelfde Baudrate-instelling hebben. De luscommunicatie werkt normaal op 2400Bd. Gebruikt u bijvoorbeeld een modem van 1200Bd, dan moet u ook alle aangesloten computers op 1200Bd instellen. Comm. R...,T... Communicatietellers voor ontvangst (Receive) en verzending (Transmit). Deze tellers kunt u gebruiken om slechte communicatieverbindingen op te sporen. In dat geval zet u de communicatietellers bij alle aangesloten computers op 0. Normaal lopen deze tellers vrijwel gelijk op. Tussen de laatste computer, waar de tellers nog goed zijn, en de eerste computer, waar de tellers sterk achterlopen, is sprake van een slechte communicatie. Netstatus Als meerdere computers via het netwerk met elkaar verbonden zijn, dan kunt u de status van het netwerk controleren. De netwerkstatus is een waarde tussen de 0 en 5. Is de waarde 5, dan is de verbinding in orde. Elke andere waarde (0, 1, 2, 3 of 4) geeft aan dat de netwerkverbinding (nog) niet in orde is. 127 betekent, dat dit de enige computer in het netwerk is. 7
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3 Installatie 5.3.1 Algemeen Met betrekking tot de installatie maakt u een aantal instellingen en toewijzingen. Fancom verdeelt de installatie-instellingen in tien groepen: >>Installatie 1 Algemeen 2 Silo 3 Additief 4 Weger 5 Circuit 6 Bunker 7 Voersysteemklok 8 Waterklok 9 Lichtklok 10 Schakelklok 2 >>Algemeen Extern alarm 0. 0 Etmaalwissel 0:00 Extern alarm Etmaalwissel Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u het extern alarm hebt aangesloten. Geef in hoe laat de dagperiode eindigt. 8
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3.2 Silo >>Silo_1 Relais uitgang 0. 0 UIT Wachttijd toe. 0:00 Min.toe./30sec 0.0 Naval 0.0 Wacht na indos 0:00 volgende silo (max. 12 silo's) vorige silo Relais uitgang Wachttijd toe. Min.toe./30sec Naval Wacht na indos Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de silo vijzel hebt aangesloten. De status van de silovijzel: UIT (silovijzel niet actief) of AAN (silovijzel actief). Geef in binnen hoeveel minuten en seconden na het starten van het indoseren, de wegerinhoud moet toenemen. Geef het aantal kg in dat de wegerinhoud gedurende het indoseren van componenten minimaal iedere 30 seconden moet toenemen. De maximale indoseertijd per component is 10 minuten (600 seconden). Staat de wegercapaciteit op een waarde groter dan 600 kg ingesteld, dan wordt de maximale indoseertijd per component gelijk aan de wegercapaciteit in seconden. Voorbeeld: een wegercapaciteit van 1200 kg betekent een maximale indoseertijd van 1200 seconden per component. Zodra het indoseren gestopt is, kan er nog wat component in de weger (na)vallen. Deze naval is een door de computer berekende waarde. Bij het opstarten van de 743 staat de naval op 0.0kg. U zou deze eerste keer zelf een (geschatte) naval in kunnen geven. Hier kunt u ingeven hoelang (minuten en seconden) de computer moet wachten alvorens hij, na het indoseren van een component, een stabiel gewicht mag bepalen. 5.3.3 Additief 2 >>Additief_1 Relais uitgang 0. 0 UIT Pulsingang 0. 0 volgend additief (max. 4 additieven) vorig additief Relais uitgang Pulsingang Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de indoseermechanisme van dit additief hebt aangesloten. Hier ziet u of op dit moment additief toegevoegd (AAN) wordt of niet (UIT). Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de pulsgever (bij indoseren op basis van pulsen) voor dit additief hebt aangesloten. 9
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3.4 Weger 3 >>Weger Wegerinhoud 0. 0 Klepstatus DICHT Motorsturing 0.0 Type weger WBAK-SPL Wegertarra 0.000 Capaciteit 0.0 Adres ILM 0 Counts 0 Zero/offset 0 Span 0 Filter 0 Stabiel 0.000 Opvangbak NEE Max.sensor 0. 0 Min.sensor 0. 0 Opvangb. legen 0:00 Menger relais 0. 0 UIT Wachttijd afn. 0:00 Min.afn./30sec 0.000 Weger legen 0:00 Blok tijdens Tr NEE Simulatie NEE Toename 0.000 Afname 0.000 AFNAME Wegerinhoud Klepstatus Motorsturing Type weger De actuele wegerinhoud (in grammen nauwkeurig). De actuele status van de losklep onder in de weegbak: OPEN of DICHT. Geef de tijd (in tienden van seconden nauwkeurig) in, die de motor nodig heeft om de losklep helemaal te openen of te sluiten. Deze tijd is afhankelijk van het type weger (weegdrum ~ 4 sec.; stalen weegbak ~ 0.8 sec.). Geef het type weger in: WBAK-MOT WEEGDRUM WBAK-SPL UIT-VIJZ Staande stalen weger, waarbij de klepmotor in één richting aangestuurd wordt (motorsturing). Polyester, hangende weger waarbij de klepmotor in twee richtingen aangestuurd wordt. Staande stalen weger, waarbij de klep via een solenoïde aangestuurd wordt (spoelsturing). Uitdoseervijzel rechtstreeks vanuit weger. Wegertarra Capaciteit Adres ILM Het gewicht (in grammen nauwkeurig) van de lege weger. Geef de portiegrootte (kg) in. Geef het adres van de ILM module in (0-31). De waarde 0 betekent dat de weegstaven direct op de 743 aangesloten zijn. 10
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen Counts Zero/Offset Span (IJk.) Het signaal van de weegstaaf (ruwe meetwaarde). Een rekenwaarde die hoort bij de op nul gestelde ILM.x/wegercombinatie. Een rekenwaarde die hoort bij de geijkte ILM.x/wegercombinatie. Met de rekenwaardes Span en Zero/Offset en het ruwe weegstaafsignaal Counts berekent de computer het werkelijk gewicht in de weger (Gewicht). Wordt het lege wegergewicht veranderd, bijvoorbeeld door montage van een deksel, dan moet u het nulpunt opnieuw afstellen. Verwisselt u weegstaven en/of ILM.x, dan moet u opnieuw nulstellen en ijken. Filter Stabiel Opvangbak Max. sensor Min. sensor Dit is het aantal metingen (maximaal 25), waaruit de computer een gemiddeld stabiel gewicht bepaalt. De afwijking (in grammen nauwkeurig) tussen de hoogste en laagste meting, waaruit de computer een stabiel gewicht moet bepalen. Geef in of een opvangbak aanwezig is. Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de maximum sensor hebt aangesloten. Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de minimum sensor hebt aangesloten. Opvangb. legen Geef in binnen hoeveel tijd (minuten en seconden) de opvangbak leeg moet zijn (min. sensor vrij). Mengerrelais Wachttijd afn. Min.afn./30sec Weger legen Blok tijdens Tr Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de menger hebt aangesloten. Uitlezing of de menger actief (AAN) is of niet (UIT). Geef in binnen hoeveel minuten en seconden na het starten van het uitdoseren, de wegerinhoud moet afnemen. Geef het aantal kg in dat de wegerinhoud gedurende het uitdoseren van het mengsel minimaal iedere 30 seconden moet afnemen. Geef in binnen hoeveel tijd (minuten en seconden) de weger, na het openen van de losklep, leeg moet zijn. Geef aan of er voer aangemaakt mag worden wanneer er voer wordt getransporteerd. Simulatie JA Simulatiemodus NEE Normale modus De volgende instellingen zijn van belang, wanneer u Simulatie op JA hebt ingesteld. Toename Afname Geef de gewichtstoename voor de simulatiemodus in. Geef de gewichtsafname voor de simulatiemodus in. Tendens van de wegerinhoud in de simulatiemodus: TOENAME of AFNAME. 11
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3.5 Circuit 4 >>Circuit_1 Relais uitgang 0. 0 UIT Extra afstand 0:00 % slip 0 volgend circuit (max. 2 circuits) vorig circuit Relais uitgang Extra afstand Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de sturing van het circuitinlaatventiel hebt aangesloten. De actuele status van de circuitinlaat De afstand (minuten en seconden) tussen twee voerkolommen*. Kies deze afstand zodanig dat er geen vermenging van de twee voerkolommen op kan treden. % slip De voerkolom zal, naarmate de druk van het voer in de weger vermindert, meer over de vijzel uitgesmeerd worden. De voerkolom wordt daardoor langer, hetgeen betekent een langere transporttijd tot de bunker. Geef hier het percentage in dat u verwacht dat het transport langer gaat duren. Een voerkolom bestaat uit één of meerdere porties achter elkaar voor de zelfde bunker slip slip slip slip slip Voerkolom voor bunker 2 Extra afstand Voerkolom voor bunker 1 Figuur 1: Voerkolommen schematisch 12
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3.6 Bunker 5 >>Bunker 1 Circuitnummer 0 Port.tot max.sens 0 Port.tot afv.sens 0 Positie klep 0:00 Omschakelklep Omschakel.klep 0:00 Vijzel nalopen 0:00 Bunkervraag Max.senser VRAAG 0. 0 Max.sensor Afvulsensor 0. 0 Afvulsensor Min.sensor 0. 0 Min.sensor Relais vijzel 0. 0 Relais vijzel 0. UIT 0 Relais klep 0. UIT 0 Relais klep 0. UIT 0 Relais puls 0. UIT 0 Relais puls 0. UIT 0 Hvh. / voerpuls UIT 0.0 Hvh. / voerpuls 0.0 %Tolerantie 50 BatchHvh. 250 Max. Batch 2000 Min. Batch 250 Vrijgave stal 0. 0 UIT Circuitnummer Geef in van welk circuit deze bunker deel uitmaakt: 0 = géén circuit; 1 = circuit 1; 2 = circuit 2. Port.tot max. sens Port.tot afv. sens Positie klep Omschakelklep Vijzel nalopen Geef in hoeveel porties nog in deze bunker kunnen, wanneer de maximum sensor niet bedekt is (Bunkervraag = VRAAG). Geef in hoeveel porties nog in deze bunker kunnen, wanneer de afvulsensor niet bedekt is (Bunkervraag = AFVUL). Geef in hoelang het duurt (minuten en seconden) voordat het voer na het starten van uitdoseren de omschakelklep bereikt. Geef in hoeveel tijd (minuten en seconden) de omschakelklep nodig heeft om zich te openen of te sluiten. Geef in hoelang (minuten en seconden) de bunkervijzel moet nadraaien, nadat het voer de omschakelklep gepasseerd is. 13
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen Bunkervraag VOL De bunker is vol. VRAAG De bunker vraagt om mengselaanmaak. AFVUL Afvulsensor bedekt VOL Max. sensor VOL Max. sensor VOL Max. sensor VRAAG Afvulsensor VRAAG Min. sensor AFVUL Min. sensor VRAAG Min./Afvulsensor AFVUL ZONDER afvulsensor MET afvulsensor Combinatie AFVUL/MIN sensor Figuur 2: Bunkervraag schematisch Max. sensor Afvulsensor Min. sensor Relais vijzel Relais klep Relais puls Hvh./voerpuls Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de maximum sensor hebt aangesloten. Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de afvulsensor hebt aangesloten. Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de minimum sensor hebt aangesloten. Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de sturing van de bunkervijzel hebt aangesloten. De huidige status van de bunkervijzel: AAN (bunkervijzel loopt) of UIT (bunkervijzel staat stil). Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de sturing van de omschakelklep hebt aangesloten. De huidige status van de pulsgever: AAN (stuurt puls) of UIT (stuurt geen puls). Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de sturing van de pulsteller hebt aangesloten. De huidige status van de pulsteller: AAN (pulsteller telt pulsen) of UIT (pulsteller telt geen pulsen). Eventueel geschikt voor voerregistratie door een externe procescomputer. Geef in hoeveel kg voer overeenkomt met één voerpuls. 14
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen In de registratiemode zijn de volgende instellingen belangrijk. %Tolerantie BatchHvh. Max. batch Min. batch Dit is een fabrieksinstelling. De computer gebruikt deze instelling bij de bepaling van de batchhoeveelheid. De te voeren voerhoeveelheid volgens de dagnorm het tolerantiepercentage. De minimum batch en de maximum batch begrenzen deze hoeveelheid. De maximale hoeveelheid aan te maken voer in de weger. De minimale hoeveelheid aan te maken voer in de weger. Hebt u groeiende dieren en gebruikt u een weger met een grote capaciteit, dan kan er bij jonge dieren veel voer in de bunker terechtkomen. Soms blijft het voer dan dagenlang in de bunker opgeslagen. Om dit te voorkomen, kunt u gebruik maken van de zelfbepalende BatchHvh. U moet dan de normtabel invullen, ook als u met de registratiemode werkt. In dat geval is er geen beperking van de daghoeveelheid, maar is de batchgrootte variabel (kleinere batches voor jonge dieren). Voorbeeld: Wegercapaciteit = 2000kg Voerhoeveelheid volgens norm: 20.000 kuikens 25gr. = 500kg 50% tolerantie = 250kg. De batchgrootte is dus 250kg. Vrijgave stal Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de sturing van de vrijgave stal hebt aangesloten. De huidige status van de Vrijgave stal: AAN of UIT. = AAN: - bij registreren, wanneer een voeraanmaaktijd actief is. - bij doseren/verdelen, zolang de voeraanmaaktijd actief is en de voerhoeveelheid voor deze aanmaakbeurt nog niet volledig ingedoseerd en getransporteerd is. 5.3.7 Voerklok 6 >>Voerklok 1 Relais uitgang 0. 0 UIT Relais uitgang Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de sturing van de voerklok hebt aangesloten. De huidige status van de voerklok: AAN (voersysteem actief) of UIT (voersysteem niet actief). 15
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3.8 Waterklok 7 >>Waterklok 1 Pulsingang 0. 0 Relais uitgang 0. 0 UIT Eenheid/puls 0.0 Pulsingang Relais uitgang Eenheid/puls Geef het adres (vóór de punt) en het nummer van de digitale ingang (áchter de punt) in, waarop u de waterpulsteller hebt aangesloten. Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de waterkloksturing hebt aangesloten. De huidige status van de waterklok: AAN (waterklok actief) of UIT (waterklok niet actief). Geef in hoeveel liter water overeenkomt met één waterpuls. 5.3.9 Lichtklok 8 >>Lichtklok 1 Relais uitgang 0. 0 UIT Analoge uitgang 0 Type 0-10V Relais uitgang Analoge uitgang Type Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de lichtkloksturing hebt aangesloten. De huidige status van de lichtklok: AAN (lichtklok actief) of UIT (lichtklok niet actief). Geef het nummer van de analoge uitgang in waarop u de analoge sturing van de lichtklok hebt aangesloten. Geef het type analoge sturing in: 0-10V of 10-0V. 16
INSTALLATEUR: 5. Systeeminstellingen 5.3.10 Schakelklok 9 >>Schakelklok 1 Relais uitgang 0. 0 UIT Relais uitgang Geef het adres (vóór de punt) en het relaisnummer (áchter de punt) in, waarop u de schakelkloksturing hebt aangesloten. De huidige status van de schakelklok: AAN (schakelklok actief) of UIT (schakelklok niet actief). 5.4 Interne RAM Uitsluitend voor fabrieksdoeleinden. 17
BIJLAGE 1: Systeemalarmen BIJLAGE 1: Systeemalarmen De volgende alarmen zijn systeemalarmen. De computer voert geregeld een aantal testprocedures uit waarbij het eigen programma en het computergeheugen worden gecontroleerd. Als de computer een fout waarneemt, geeft hij een alarm en grijpt eventueel in. Deze alarmen zullen normaalgesproken niet voorkomen. Mochten ze toch optreden, dan dient de installateur deze altijd te verhelpen. Tabel 1: Systeemalarmen Cd. Oorzaak Actie 100 Backup alarm Toen de computer uitgeschakeld was, is er iets mis gegaan met het geheugen. Instellingen en metingen zijn verdwenen. De computer regelt automatisch op basis van de fabrieksinstellingen verder. Gedurende deze alarmsituatie is geen communicatie mogelijk. Alarm uitschakelen, computernummers en ijkwaarden controleren en verloren instellingen opnieuw maken. Als u een PC in het netwerk hebt opgenomen, dan kunt u de instellingen veiligstellen. 101 Watchdog alarm Programmastoring. De computer uit en aan zetten en deze op een juiste werking controleren. 102 Communicatie-alarm De communicatie tussen de master en de slave(s) is langdurig verstoord. Bekabeling en communicatie-instellingen controleren. 103 Instelling gewijzigd Tijdens de automatische geheugentest heeft de computer een fout waargenomen. 104 Stack Overflow Programmastoring. Alarm uitschakelen en op 0 zetten. Instellingen en ijkwaarden controleren. De computer uit en aan zetten en deze op een juiste werking controleren. 105 Communicatietoewijzing Bij luscommunicatie: er zitten meerdere Masters in de lus. Bij netwerkcommunicatie: er zijn minstens twee computers met hetzelfde computernummer in het netwerk. 106 EPROM Bij opstarten heeft de computer tijdens het testen van de EPROM een fout geconstateerd. 108 I/O - Alarm De communicatie met een I/O-module is langdurig verstoord. Bij luscommunicatie: een Master-computer kiezen en de rest van de computer op Slave instellen. Bij netwerkcommunicatie: zorgen dat alle computers een uniek nummer hebben. De computer uit en aan zetten en deze op een juiste werking controleren. De computer uit en aan zetten en deze op een juiste werking controleren. 1-1
BIJLAGE 2: Installatierapport BIJLAGE 2: Installatierapport Gebruiker Installateur Naam: Naam: Adres: Adres: Woonplaats: Woonplaats: Installatie Gegevens Datum: Type computer: 743 Programmaversie: Systeem 1. Configuratie 2. Installatie 3. Interne RAM 1. Configuratie 1. Algemeen Instelling Par. Nieuw wachtwoord 5.2.1 Tijd..:.. 5.2.1 Datum....-..-.. 5.2.1 Synchr.tijd... 5.2.1 Eenh. temp.... 5.2.1 Eenh. windsn.... 5.2.1 Versie: 743... 5.2.1 1. Configuratie 2. Communicatie Instelling Par. Computernummer... 5.2.2 Type.... 5.2.2 Baudrate...Bd 5.2.2 Comm R:... T:... 5.2.2 Netstatus. 5.2.2 2. Installatie 1. Algemeen Instelling Par. Extern alarm... 5.3.1 Etmaalwissel..:.. 5.3.1 2-1
BIJLAGE 2: Installatierapport 2. Installatie 2. Silo_1...12 _1 _2 _3 _4 _5 _6 Relais uitgang...... Wachttijd toe...:.. Min.toe./30sec..,. Naval..,. Wacht na indos..:.. _7 _8 _9 _10 _11 _12 Par. 5.3.2 5.3.2 5.3.2 5.3.2 5.3.2 5.3.2 2. Installatie 3. Additief_1...4 _1 _2 _3 _4 Par. Relais uitgang... 5.3.3... 5.3.3 Pulsingang... 5.3.3 2. Installatie 4. Weger Instelling Par. Wegerinhoud... 5.3.4 Klepstatus... 5.3.4 Motorsturing..,. 5.3.4 Type weger... 5.3.4 Wegertarra..,... 5.3.4 Capaciteit...,. 5.3.4 Adres ILM.. 5.3.4 Counts... 5.3.4 Zero/offset... 5.3.4 Span... 5.3.4 Filter... 5.3.4 Stabiel..,... 5.3.4 Opvangbak... 5.3.4 Max.sensor... 5.3.4 Min.sensor... 5.3.4 Opvangb. legen..:.. 5.3.4 Menger relais... 5.3.4... 5.3.4 Wachttijd afn...:.. 5.3.4 Min.afn./30sec.,... 5.3.4 Weger legen..:.. 5.3.4 Blok tijdens Tr... 5.3.4 Simulatie... 5.3.4 Toename..,... 5.3.4 Afname..,... 5.3.4... 5.3.4 2. Installatie 5. Circuit_1...2 _1 _2 Par. Relais uitgang... 5.3.5... 5.3.5 Extra afstand..:.. 5.3.5 % slip... 5.3.5 2-3
BIJLAGE 2: Installatierapport 2. Installatie 6. Bunker 1 2 3 4 5 6 7 8 Par. Circuitnummer. 5.3.6 Port.tot max.sens.. 5.3.6 Port.tot afv.sens.. 5.3.6 Positie klep..:.. 5.3.6 Omschakelklep..:.. 5.3.6 Vijzel nalopen..:.. 5.3.6 Bunkervraag... 5.3.6 Max.sensor... 5.3.6 Afvulsensor... 5.3.6 Min.sensor... 5.3.6 Relais vijzel... 5.3.6... 5.3.6 Relais klep... 5.3.6... 5.3.6 Relais puls... 5.3.6... 5.3.6 Hvh. / puls..,. 5.3.6 %Tolerantie... 5.3.6 BatchHvh....,. 5.3.6 Max. Batch...,. 5.3.6 Min. Batch...,. 5.3.6 Vrijgave stal.,.. 5.3.6... 5.3.6 2. Installatie 6. Bunker (vervolg) 9 10 11 12 13 14 15 16 Par. Circuitnummer. 5.3.6 Port.tot max.sens.. 5.3.6 Port.tot afv.sens.. 5.3.6 Positie klep..:.. 5.3.6 Omschakelklep..:.. 5.3.6 Vijzel nalopen..:.. 5.3.6 Bunkervraag... 5.3.6 Max.sensor... 5.3.6 Afvulsensor... 5.3.6 Min.sensor... 5.3.6 Relais vijzel... 5.3.6... 5.3.6 Relais klep... 5.3.6... 5.3.6 Relais puls... 5.3.6... 5.3.6 Hvh. / puls..,. 5.3.6 %Tolerantie... 5.3.6 BatchHvh....,. 5.3.6 Max. Batch...,. 5.3.6 Min. Batch...,. 5.3.6 Vrijgave stal.,.. 5.3.6... 5.3.6 2-3
BIJLAGE 2: Installatierapport 2. Installatie 7. Voerklok 1 2 3 4 5 6 7 8 Par. Relais uitgang... 5.3.7... 5.3.7 2. Installatie 7. Voerklok 9 10 11 12 13 14 15 16 Par. Relais uitgang... 5.3.7... 5.3.7 2. Installatie 8. Waterklok 1 2 3 4 5 6 7 8 Par. Pulsingang... 5.3.8 Relais uitgang... 5.3.8... 5.3.8 Eenheid/puls..,. 5.3.8 2. Installatie 8. Waterklok 9 10 11 12 13 14 15 16 Par. Pulsingang... 5.3.8 Relais uitgang... 5.3.8... 5.3.8 Eenheid/puls..,. 5.3.8 2. Installatie 9. Lichtklok 1 2 3 4 5 6 7 8 Par. Relais uitgang... 5.3.9... 5.3.9 Analoge uitgang.. 5.3.9 Type... 5.3.9 2. Installatie 9. Lichtklok 9 10 11 12 13 14 15 16 Par. Relais uitgang... 5.3.9... 5.3.9 Analoge uitgang.. 5.3.9 Type... 5.3.9 2. Installatie 10. Schakelklok 1 2 3 4 5 6 7 8 Par. Relais uitgang... 5.3.10... 5.3.10 2. Installatie 10. Schakelklok 9 10 11 12 13 14 15 16 Par. Relais uitgang... 5.3.10... 5.3.10 Systeem 3. Interne RAM Uitsluitend voor fabrieksdoeleinden. 2-4
BIJLAGE 3: Mogelijke uitdoseersituaties BIJLAGE 3: Mogelijke uitdoseersituaties I Direct in bunker; selectie via wisselklep boven bunker. Is de te vullen bunker gelijk aan de laatst gevulde bunker, dan klep niet omschakelen. Belangrijke instelling Systeem 2. Installatie 6. Bunker Omschakelklep max. 16 II Separate vijzels De nalooptijd gaat in, zodra begin van transportpunt voor vijzel "leeg" meldt. In dit geval zal dit een weger of opvangbak zijn. Belangrijke instelling Systeem 2. Installatie 6. Bunker Vijzel nalopen max. 16 III Circuit met bunker-selectie-kleppen Belangrijke instellingen Systeem 2. Installatie 5. Circuit Extra afstand + % slip Systeem 2. Installatie 6. Bunker Omschakelklep + Positie klep IV Circuit met omschakelklep en bunkervijzels De omschakelklep kan uitgevoerd worden als carrousel, maar ook als meerdere selectiekleppen op een rij. Belangrijke instellingen Systeem 2. Installatie 5. Circuit Extra afstand + % slip Systeem 2. Installatie 6. Bunker Omschakelklep + Positie klep +Vijzel nalopen 3-1
BIJLAGE 4: Aansluitschema s
BIJLAGE 4: Aansluitschema s
BIJLAGE 4: Aansluitschema s
BIJLAGE 4: Aansluitschema s
BIJLAGE 4: Aansluitschema s