Spel- en gedragsregels voor MINI-HOCKEY E-jeugd (6:6) NB: De onderstaande tekst en afbeeldingen is een compilatie van publicaties van de KNHB. Voorwoord Hockey is een teamsport In het hockey sta je er niet alleen voor. Vanaf nu speel je in een team met 5 andere teamleden. Teamsport betekent: je samen inzetten, samen plezier maken, samen trainen, samen wedstrijden spelen, samen winnen en ook verliezen. Je gaat nu uit- en thuiswedstrijden spelen. De regels die je daarvoor moet kennen zijn hier beschreven. Heel veel plezier op het hockeyveld. Wat hebben we nodig Stick De goeie lengte van je stick meet je zo. Ga rechtop staan op lage schoenen. Laat je armen naar beneden hangen en buig je onderarm naar voren. De afstand van de onderkant van de elleboog tot aan de grond is de juiste maat van jouw stick. De stick is aan de linkerzijde plat. Met de bolle kant mag je de bal niet spelen. Clubtenue Iedere vereniging heeft een clubtenue. De kleuren van onze hockeyclub zijn een lichtgrijs shirt met rode mouwen en kraag gecombineerd met een rode broek of rok. Dit tenue draag je tijdens de wedstrijden. Zorg ervoor dat het shirt goed in de broek of rok zit en dat je kousen zijn opgetrokken. Draag een gebitsbeschermer en onder de kousen scheenbeschermers. Goede (kunstgras)schoenen met nopjes zorgen ervoor dat je niet uitglijdt. 1
Trainingspak Voor en vaak ook tijdens de trainingen draag je een trainingspak. Dit voorkomt dat je ziek wordt. Vlak voordat de wedstrijd begint doe je het trainingspak uit. Gevaarlijk Draag bij trainingen en wedstrijden geen kettinkjes, ringen, oorbellen, horloges en armbanden. Dat is gevaarlijk. Je kunt er iemand of jezelf mee bezeren. Keeper Bij hockey moet iedereen wel eens in het doel staan. Als keeper kan je de bal stoppen met je stick, je legguards (dat zijn de beenbeschermers van de keeper), je klompen en je handschoen. Met de hand(schoen) stoppen mag ook, maar je mag de bal niet wegwerken met de hand. Een body-beschermer en helm draag je als keeper ook. Goed beschermd kun je zo alle ballen tegenhouden. Om goed op te vallen draag je een ander kleur shirt dan je teamgenoten en de tegenpartij. 2
Trainen In de wedstrijd doe je altijd goed je best. Om goed te leren hockeyen ga je naar de training. Het is belangrijk dat je altijd aanwezig bent. Als je echt niet kunt, geef je dit door aan je teamgenoten en de trainer. Door te trainen leer je steeds beter hockeyen. Voor de wedstrijd Zorg ervoor dat al je hockeyspullen in orde zijn. Samen met je teamgenoten verzamel je bij het clubhuis. Dit doe je ruim voor het begin van de wedstrijd. Als je bij elkaar zit vertelt de coach waar je speelt en waar je op moet letten. Samen probeer je doelpunten te maken en tegendoelpunten te voorkomen. De doelen Een "echt" minidoel heeft een achterplank en zijschotten, maar het kan ook met paaltjes of pilonnen. Als de afstand maar 366 centimeter is. De hoogte van de planken is 45 centimeter. 3
6-talhockey Een team bestaat uit 1 keeper en 5 veldspelers. Vaak zijn er ook 1 of meer wisselspelers. De wedstrijd duurt 2 x 25 minuten met een pauze van ongeveer 5 minuten. Er wordt gespeeld op een kwart hockeyveld. In plaats van een doelcirkels zijn er de zogenoemde 10-meter gebieden of doelgebieden (dit is hetzelfde). Dat wil zeggen dat vanaf de achterlijn van het veld en dan 10 meter naar voren het 10- meter gebied of doelgebied begint. Dit gebied is natuurlijk aan beide zijden van het veld. De aanvoerder Ieder team heeft een aanvoerder. Deze geeft voor het begin van de wedstrijd de spelleider en de aanvoerder van de tegenpartij een hand. Je wenst elkaar een prettige wedstrijd. De spelleider en de aanvoerders van de beide teams tossen. De winnaar van de toss kiest de speelrichting of de beginslag. Bij het begin van de tweede helft, mag het andere team de beginslag nemen. 4
Regels Doelpunt Samen met je teamgenoten probeer je zo goed mogelijk te spelen. De bedoeling van het spel is dat je doelpunten maakt. Er is een doelpunt gemaakt zodra een aanvaller in het 10 meter-gebied de bal heeft aangeraakt, die vervolgens het doel ingaat. De bal moet over de lijn zijn en mag niet boven de plank komen. Winnen is leuk, maar verliezen moet je ook leren. Tijdens de wedstrijd toon je respekt voor je teamgenoten, je tegenstander en de spelleid(st)er. Accepteer ook beslissingen van de spelleid(st)er. Iedereen maakt wel eens een fout, maar iedereen probeert ook zijn best te doen. Beginslag Het spel start met de beginslag vanaf het midden van het veld. Het team dat de toss heeft gewonnen en kiest voor de beginslag neemt de bal uit. Na rust start de tegenstander. Na ieder doelpunt wordt het spel hervat met een beginslag door de partij die een doelpunt tegen heeft gekregen. Ieder moet 5 meter afstand houden. De bal mag naar alle richtingen worden gespeeld. In balbezit probeer je door aan te vallen een doelpunt te maken. Heeft de tegenstander de bal, dan probeer je de bal te veroveren. 5
Vrije slag In het spel komen ook overtredingen voor. Bijvoorbeeld: iemand krijgt de bal op z'n voet of er is gevaarlijk spel. Het team dat de overtreding niet heeft gemaakt, neemt de vrije slag. Je neemt de bal buiten de 10-meter-gebieden op de plaats van de overtreding en speelt de bal over de grond naar een medespeler. Iedereen moet 5 meter afstand houden. Bal over de zijlijn Een inslag mag je nemen wanneer de tegenstander de bal over de zijlijn heeft gespeeld. Iedereen moet 5 meter afstand houden. Bal over de achterlijn Recht tegenover het punt waar de bal door de tegenstander over de achterlijn werd gespeeld, mag je de bal op de 10-meter-lijn leggen en uitnemen. 6
Als de verdedigende partij de bal over de achterlijn heeft gespeeld, mag je een lange corner nemen. De bal wordt op de zijlijn van het veld gelegd, aan die kant van het doel waar de bal over de achterlijn ging. Leg de bal op 5 meter van de hoekvlag. Overtredingen Shoot Als veldspeler mag je de bal niet expres met de voet, het been of het lichaam spelen. Bij onopzettelijk 'shoot' wordt afgefloten wanneer het gevaar oplevert, en wanneer er gevaar ontstaat. Voordeel Soms kun je er niets aan doen. Dan wordt de bal tegen je voet of je been gespeeld, zonder dat je die kunt ontwijken. De spelleider fluit daar ook meestal niet voor. Dit noemen we 'voordeel'. In dat geval wordt er doorgespeeld omdat niemand nadeel ondervindt van de overtreding. Hij fluit wel als er uit dat 'shoot' voordeel voor jouw team komt. Afhouden Je mag niet tussen een tegenstander en de bal lopen of gaan staan. Ook mag je de stick niet hinderlijk voor een speler plaatsen. Dit komt veel voor. Twee spelers rennen naar de bal. Speler B is eerder bij de bal..., maar omdat hij naar rechts wil slaan... loopt hij tussen speler A en de bal door. Speler A kan nu dus niet bij de bal, omdat speler B tussen hem en de bal staat. Speler B houdt dus af. 7
Indirect afhouden Je mag niet tussen een teamgenoot en een tegenstander doorlopen. Wat mag niet Hockey moet voor iedereen leuk blijven. Zorg ervoor dat de spelleider niet hoeft te fluiten voor gevaarlijk of ruw spel. Je voorkomt zo blessures. Gevaarlijk spel is altijd verboden!!! Dit mag niet: Je stick gevaarlijk hoog uithalen. Hoog uitzwaaien mag ook niet. Dit noemen we "STICKS". Wanneer maak je sticks? Dat gebeurt zo gauw er een deel van je stick boven de schouder uitkomt bij het SPELEN VAN DE BAL. Een hoge bal spelen mag niet (snijden). Dat is gevaarlijk. Soms ligt de bal wel op de grond, maar de speler houdt zijn stick zó schuin dat de bal vanzelf omhoog gaat (snijbal). Slaan op de stick van de tegenstander is verboden. 8
Van heel dichtbij links aanvallen mag je niet. Daar de bal meestal aan de rechterzijde van een speler ligt, wordt het moeilijk om de bal af te pakken als je van links komt. Je mag namelijk nooit eerst de speler of diens stick raken en dan pas de bal. Vasthouden, duwen of laten struikelen van je tegenstander mag niet. Overtredingen in het doelgebied Overtreding in 10-metergebied door verdediger Als aanvallende partij mag je de bal op de 10 meterlijn leggen. Zo dicht mogelijk bij de plaats van de overtreding. Overtreding in doelgebied door aanvaller Als verdedigende partij mag je de bal op de 10 meter-lijn leggen. Zo dicht mogelijk bij de plek van de overtreding. 9
Algemeen Wisselen Vaak heeft een team 1 of meer wisselspelers. Iedereen moet wel eens een keertje wisselen. Dit gebeurt bij de middellijn. Time out Bij een time-out kan je coach een extra aanwijzing geven. Hij zorgt ervoor dat jullie allemaal plezier in het hockey hebben. Je coach vertelt je ook wat je op een bepaalde plaats moet doen. Spelleider De spelleider zorgt ervoor dat het voor iedereen veilig is om te spelen. Als er een overtreding wordt gemaakt legt de spelleider het spel even stil. Hij kan je vragen waarom het spel is stilgelegd. Samen met de coaches zal hij ervoor zorgen dat je een leuke wedstrijd speelt. Publiek Een wedstrijd voor veel publiek is hartstikke leuk. Vraag of je ouders, je vriendjes of vriendinnetjes komen kijken naar de wedstrijden. Laat iedereen je team aanmoedigen. In de rust Tijdens de pauze kun je even uitrusten. Zorg ervoor dat er bijvoorbeeld een kopje thee voor je tegenstander en je eigen team aanwezig is, stukjes appel of sinaasappel kan ook. Vergeet de spelleider niet. 10
Einde wedstrijd Na afloop van de wedstrijd geeft de aanvoerder de spelleider en de aanvoerder van de tegenstander een hand: 'Bedankt voor de leiding' en 'Bedankt voor de wedstrijd. Samen met de tegenstander drink je in het clubhuis limonade en praat je over de wedstrijd die je hebt gespeeld. 11
Tekens scheidsrechter Tekens die door de scheidsrechter worden gebruikt Algemeen: Doelpunt Een doelpunt is gemaakt als de bal, nadat hij in het 10- meter gebied door een aanvaller is aangeraakt, de doellijn geheel is gepasseerd, echter niet hoger dan 45 centimeter (=plankhoogte!!). Als binnen het doelgebied de bal door een stick van een aanvaller is gespeeld en daarna via de stick of het lichaam van een verdediger de doellijn passeert, is er ook een doelpunt gemaakt. Time-out, oftewel Tijd onderbreking Wat niet mag: Bolle kant De bal spelen met de 'bolle' kant van de stick. Sticks Je maakt sticks, zo gauw er een deel van je stick boven je schouder komt bij het SPELEN VAN DE BAL. Shoot, bal op het lichaam De bal met je lichaam (been, voet, arm, hand, lijf) stoppen of voortbewegen. 12
Afhouden Je mag niet tussen een tegenstander en de bal lopen of gaan staan Indirect afhouden Hakken Gevaarlijk spel Praten tegen scheidsrechter 13
Bal buiten het veld: Inslaan Op het punt waar de bal over de zijlijn ging, moet zo snel mogelijk de bal weer worden ingeslagen of gepushed. De afstand van alle spelers moet minimaal 4m50 zijn. Als de inslag binnen het 10-meter gebied door een aanvaller wordt genomen, dan moet eerst nog door een andere aanvaller gespeeld worden om een geldig doelpunt te kunnen maken. Uitslaan De bal gaat over de achterlijn en is het laatst aangeraakt door een aanvaller. De plaats waar de uitslag moet worden genomen is op de 10 meterlijn en recht tegenover het punt waar de bal over de achterlijn ging. Straftoekenningen: Vrije slag Een speler maakt een fout buiten het doelgebied. De andere partij krijgt dan een vrije slag op de plaats van de overtreding. Als een aanvaller een fout maakt binnen het doelgebied, krijgen de verdedigers een vrije slag. Deze moet dan op de 10-meterlijn genomen worden, zo dicht mogelijk bij de plaats van de overtreding. 14