ORDE VAN DIENST voor de herdenkingsdienst voorafgaande aan de begrafenis van ADRIAAN VAN DER WELLE 31 maart 1930-14 december 2016 Op woensdag 21 december 2016 om 13.30 uur In de Thomaskerk te Zierikzee Voorganger: Ds. Aarnoud Jobsen Organist: Mar van der Veer 1
2
ORGELSPEL INLEIDENDE WOORDEN ZINGEN: Psalm 121 STIL GEBED Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan? Mijn hulp is van mijn HERE, die dit alles heeft geschapen. Mijn herder zal niet slapen. Uw wankle voeten zet Hij vast, als gij geen uitkomst ziet: uw wachter sluimert niet! Zijn oog wordt door geen slaap verrast, Hij wil als steeds na dezen, Israëls wachter wezen. De HEER brengt al uw heil tot stand, des daags en in de nacht houdt Hij voor u de wacht. Uw schaduw aan uw rechterhand: de zon zal u niet schaden, de maan doet niets ten kwade. De HEER zal u steeds gadeslaan, Hij maakt het kwade goed, Hij is het die u hoedt. Hij zal uw komen en uw gaan, wat u mag wedervaren, in eeuwigheid bewaren. BEMOEDIGING EN GROET WOORDEN TER HERINNERING door Henny van Os-Koevoets 3
GEBED SCHRIFTLEZING: Psalm 139:1-18 1 Voor de koorleider. Van David, een psalm. HEER, u kent mij, u doorgrondt mij, 2 u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten, 3 ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd. 4 Geen woord ligt op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle. 5 U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij. 6 Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven. 7 Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? 8 Klom ik op naar de hemel u tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk u bent daar. 9 Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, 10 ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden. 11 Al zei ik: Laat het duister mij opslokken, het licht om mij heen veranderen in nacht, 12 ook dan zou het duister voor u niet donker zijn de nacht zou oplichten als de dag, het duister helder zijn als het licht. 13 U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. 14 Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel. 15 Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim. 4
16 Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één. 17 Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal, 18 ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn. Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u. ZINGEN: Als g in nood gezeten (J.d.H. 7) VERKONDIGING Als g' in nood gezeten, geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten, God verlaat u niet. Vrees toch geen nood, 's Heren trouw is groot, en op 't nacht'lijk duister, volgt het morgenrood. Schoon stormen woeden, ducht toch geen kwaad; God zal u behoeden, uw toeverlaat. God blijft voor u zorgen, goed is de Heer, en met elke morgen, keert zijn goedheid weer. Schoon g' in 't verdriet, nergens uitkomst ziet, groter dan de helper, is de nood toch niet. Wat ons ontviele, Redder in nood, red slechts onze ziele, uit zond' en dood. 5
ZINGEN: Lied 753:1,2,3 en 6 Er is een land van louter licht waar heilgen heersers zijn. Nooit gaat de gouden dag daar dicht in duisternis of pijn. Daar is het altijd lentetijd, in bloei staat elke plant. Alleen de smalle doodszee scheidt ons van dat zalig land. Men ziet het veld aan de_overkant in groene luister staan, als Israël 't beloofde land zag over de Jordaan. God, laat ons staan als Mozes hier hoog in uw zonneschijn, en geen Jordaan, geen doodsrivier zal scheiding voor ons zijn. WAND VAN GEDACHTENIS Het kruisje met zijn naam wordt door ouderling Els Geschiere bevestigd bij de woorden Geborgen in het Licht. GEBED ZINGEN: Lied 247: 1, 2 en 3 Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt. De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt. Andere helpers, Heer, ontvallen mij. Der hulpelozen hulp, wees mij nabij. 6
Wees bij mij, nu de dag ten einde spoedt. Alles verdoft wat glans bezat en gloed. Alles vervalt in 't wisselend getij, maar Gij die eeuwig zijt, blijf mij nabij. U heb ik nodig, uw genade is mijn enig licht in nacht en duisternis. Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij? In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij. ZEGEN ORGELSPEL 7