Veiligheidsinformatie Aarding, potentiaalvereffening en bliksembeveiliging op tankinstallaties Nut en noodzaak Bescherming van mensen en installaties. Verbetering van de veiligheid van de tankinstallaties. Uniforme toepassing van beveiligingsmaatregelen. Aanbevelingen voor inspectietermijnen en intervallen. 1. Aarding Aarding omvat alle maatregelen omtrent het aarden: Aardingsinstallaties bestaan uit de aardelektrode en de aardingsleiding. Aardelektrodes zijn geleiders die in de grond zijn geslagen en ermee in geleidende verbinding staan. De aardingsleiding verbindt de onderdelen van de installatie die geaard moetenworden met de aardelektrode. De aardweerstand bestaat uit de weerstand van de aardingsleiding en de aarduitbreidingsweerstand. Aardingsinstallaties voorkomen gevaarlijke aanraakspanningen (-stromen) tussen de geaarde installatie en de grond. 1.1 Bescherming tegen elektrische schokken Als bescherming tegen gevaarlijke elektrische schokken is aarding niet noodzakelijk: in systemen zonder elektrische apparatuur. in systemen waarin alle elektrische apparatuur met de beschermingsmaatregelen voor lage veiligheidsspanning met veilige isolatie gebruikt wordt. in systemen waarin alle elektrische apparaten voldoen aan beschermingsklasse II (dubbele isolatie). Belangrijk! De apparatuur moet geïsoleerd zijn, dat wil zeggen dat de pijpleidingen niet met andere leidingen verbonden mogen zijn die aan een potentiaalvereffeningsysteem zijn aangesloten. Bescherming tegen gevaarlijke elektrische schokken is aarding noodzakelijk: Als zich binnen het bereik van de pijpleiding andere geleidende delen bevinden, die zijn aangesloten op de potentiaalvereffening, Als een van buiten komende pijpleiding een gebouw binnenkomt, dan moet deze worden aangesloten op de potentiaalvereffening. Er elektrische apparaten volgens de normen NEN-1010 voor elektrische installaties & NEN-EN-IEC 62305, voor bliksembeveiliging, aanwezig zijn. De delen van de elektrische apparatuur moeten worden aangesloten op de aardleiding van het voedingsnetwerk. Blad 1 van 6
1.2 Bescherming tegen elektrostatische lading Aarding van tankinstallaties voor niet brandbare gassen is niet noodzakelijk als de lekweerstand <10 6 Ω is (bijv. beton). Aarding van tankinstallaties voor brandbare gassen is in alle gevallen noodzakelijk. 1.3 Verschillende aardingsinstallaties afgesloten gebouwen c.q. installaties met elektrische aansluiting of een gelijkwaardige voorziening worden uitgevoerd. In TN-netwerksystemen wordt een verbinding met de PEN-geleider en in TT-netwerksystemen en in IT-systemen met de PE-geleider aangelegd. De dwarsdoorsnede van de hoofdpotentiaalvereffening moet overeenkomen met de halve dwarsdoorsnede van de Uitvoering van de aardingsinstallatie Reden van de aarding Geïsoleerde randaarde Fundamentaarding Diepteaarding Bestaande aardingsinstallaties gebruiken Opstellen op geleidende grond (<10 6 Ω) 1 Bescherming tegen stroomschokken onvoldoende 2 Statische lading 3 Onderdeel van een bliksembeveiligingssysteem onvoldoende onvoldoende 2. Potentiaalvereffening Potentiaalvereffening elimineert potentiaalverschillen tussen delen en externe geleidende installatieonderdelen of tussen verschillende geleidende installatieonderdelen, of is een elektrische verbinding die de delen van elektrische apparatuur en externe geleidende componenten op (ongeveer) hetzelfde potentiaal brengt. Men onderscheidt de hoofdpotentiaalvereffening en de extra plaatselijke potentiaalvereffening. De hoofdpotentiaalvereffening moet in alle belangrijkste randaarde, maar minstens 6 mm² koper bedragen. De draadkleur voor potentiaalvereffeningsleidingen is groen-geel. 2.1 Een potentiaalvereffening is niet noodzakelijk: in installaties voor niet-brandbare gassen. tussen de tankwagen en de tankinstallatie voor niet-brandbare gassen. Blad 2 van 6
2.2 Een potentiaalvereffening is noodzakelijk: in installaties voor brandbare gassen. tussen de tankwagen en een vaste installatie c.q. meerdere vaste installaties voor brandbare gassen. De potentiaalvereffeningsaansluiting voor de tankwagen moet zich op een veilige locatie (dat wil zeggen buiten Zone 0 of 1 vlg. ATEX 153) bevinden. 2.3 Controle van de potentiaalvereffening De controle van de potentiaalvereffening wordt uitgevoerd bij de eerste en herhaalde inspecties (inspectieperiode ten minste om de vier jaar). Controlestappen potentiaalvereffening: 1. Visuele inspectie 2. Testen Handmatige controle van de bevestiging van de geleider bij de aansluitpunten en de aansluiting bij de externe geleidende delen. 3. Meten Bepalen van de correcte werking van de potentiaalvereffening door een meting van de weerstand tussen de externe geleidende delen en de potentiaalvereffeningsysteem en de door een potentiaalvereffeningsleiding verbonden delen met een daarvoor geschikt testapparaat conform NEN-1010. 3. Bliksembeveiligingsinstallaties Een bliksembeveiligingsinstallatie bestaat uit opvangleidingen op het hoogste punt van de installatie, die via de zogenaamde afleiders verbonden zijn met de aarde. De bliksem treft de geleider op het dak en de stroom van de blikseminslag wordt via de afleiders direct naar de aarde geleid zonder daarbij schade aan het gebouw aan te richten. Een bliksembeveiliging voorkomt dus niet een blikseminslag in een installatie, maar het leidt de bliksem via een vooraf bepaalde route naar de aarde. Een dergelijke externe bliksembeveiligingsinstallatie voorkomt niet dat bij een directe inslag schade aan gevoelige elektrische apparatuur optreedt. Ter bescherming van de elektrische apparaten moeten extra overspanningsbeveiligingen worden ingebouwd. Onder bliksembeveiligingsinstallaties met betrekking op de gastoevoer vallen de volgende bij elkaar horende systeemcomponenten: Aardingssystemen Afleiding Potentiaalvereffeningssystemen Externe bliksembeveiliging Interne bliksembeveiliging (overspanningsbeveiliging) De norm NEN-EN 62305 beschrijft in delen 1 t/m 4 alle vereisten voor het ontwerp en aanleg van bliksembeveiligingsinstallaties. Daarbij wordt onderscheid gemaakt op basis van de veiligheidsdoelstellingen. Blad 3 van 6
NEN-EN 62305 Deel 3 gaat over de bliksembeveiliging van gebouwen en installaties tegen elektrische schokken bij levende wezens en tegen fysieke schade en houdt alleen rekening met directe blikseminslagen. α Schutzwinkel Beschermingshoek 3.1 Een externe bliksembeveiligingsinstallatie bestaat uit: Bliksemopvangers (bijvoorbeeld opvangstaven en punten). N.B.: Deze kunnen conform NEN-EN 62305-3 bij tanks voor licht ontvlambare of explosieve stoffen achterwege gelaten worden wanneer de wanddikte 4 mm (of 5 mm in zone 0 in de tank) bedraagt! Echter de toegestane temperatuur aan de binnenzijde wel in acht nemen! Afleiders (geleidende verbinding met de aarde). Aarding (bijvoorbeeld fundamentaarding en diepte-aarding). 3.2 Bliksembeveiligingsklassen De bliksembeveiliging wordt gerealiseerd door gestandaardiseerde bliksembeveiligings-installaties van bliksembeveiligingsklasse I tot en met IV. Daarbij biedt bliksem-beveiligingsklasse I de hoogste graad van bescherming. Bliksembeveiligingssystemen voor explosiegevaarlijke installaties moeten minimaal in bliksembeveiligingsklasse II worden ingedeeld (NEN EN 62305-3). NEN-EN 62305 Deel 4 behandelt daarnaast de bliksembeveiliging van gebouwen en installaties tegen schade aan elektrische en elektronische systemen door de effecten van elektromagnetische impulsen (EMP). Dit deel wordt hier niet nader besproken. 3.3 Een bliksembeveiligingsinstallatie is niet noodzakelijk bij: Installaties voor brandbare en nietbrandbare gassen in gesloten ruimtes. Installaties voor niet-brandbare gassen buiten. N.B. Een bliksembeveiligingsinstallatie kan vereist worden door een bouwverordening of door de exploitant van de installatie. Bliksembeveiligingsklassen Beveiligingsklasse I Effectiviteit 0,98 Beschermingshoek 23 Beveiligingsklasse II Effectiviteit 0,95 Beschermingshoek 37 Beveiligingsklasse II Effectiviteit 0,90 Beschermingshoek 48 Beveiligingsklasse IV Effectiviteit 0,85 Beschermingshoek 54 Blad 4 van 6
3.4 Een bliksembeveiligingsinstallatie is noodzakelijk bij: Installaties voor brandbare gassen die buiten staan. De uitvoering van de bliksembeveiligingsinstallatie moet minimaal voldoen aan beveiligingsklasse II. Tankinstallaties moeten, afhankelijk van de horizontale afmeting, volgens de norm NEN-EN 62305-3 als volgt geaard worden 20 m een keer > 20 m twee keer. In een tankenpark wordt elke tank ongeacht de afmeting slechts eenmaal geaard. De tankinstallaties moeten onderling worden verbonden. Tankinstallaties voor brandbare gassen moet altijd worden geaard op twee plaatsen, zodat een controle of reparatie zonder gevaar kan worden uitgevoerd. De bliksembeveiligingsinstallatie moet worden gebouwd en onderhouden door een gespecialiseerd bedrijf. Beveiligingsklasse I Interval tussen de volledige controles: 2 jaar Interval tussen de visuele controles: 1 jaar Beveiligingsklasse II Interval tussen de volledige controles: 4 jaar Interval tussen de visuele controles: 2 jaar Beveiligingsklasse III en IV Interval tussen de volledige controles: 6 jaar Interval tussen de visuele controles: 3 jaar (Bliksemafleiders, opvanginrichting, potentiaalvereffeningsleidingaansluitingen van kabels en pijpleidingen, enzovoorts) door een gespecialiseerd bedrijf voor bliksembeveiliging. 3.5 Bliksembeveiligingsinstallaties controletermijnen voor periodieke controles Overeenkomstig de vastgelegde (bliksem) beveiligingsklasse I, II, III of IV moeten bliksembeveiligingsinstallaties met regelmatige intervallen worden gecontroleerd. Deze controles dienen elke twee tot vier jaar te worden uitgevoerd, conform NEN EN 62305-3. Bescherming van installaties en personen. Referenties: NEN-EN-IEC 61439-1: 2011 NEN-EN-IEC 62305-1: 2011 NEN-EN-IEC 62305-2: 2011 NEN-EN-IEC 62305-3: 2011 NEN-EN-IEC 62305-4: 2011 NEN-EN-IEC 62561-1: 2012 NEN-EN-IEC 62561-5: 2011 NEN-1010: 2015 NPR-1014: 2014 DNV.GL / Document No.: 15-0548 Rev. 3.0: 2015 Blad 5 van 6
Toelichting Aardingssystemen (België/Nederland) TT-aardingssysteem: rechtstreekse verbinding van een punt (sterpunt) met de aarde (T = terre), door middel van aardelektrode (T = Terre). Veel toegespast in huishoudelijke netwerken. TN-aardingssysteem : rechtstreekse verbinding van een punt (sterpunt) met de aarde (T = terre), via de geaarde beschermingsgeleider van het verdeelnet (N = Neutre) Veel toegepast in industriële netwerken IT-aardingssysteem: isolatie van alle actieve delen ten opzichte van de aarde (I = isoler). Toegepast in scheepvaart en specifieke zones in ziekenhuizen PE-geleider : beschermingsgeleider (= groen gele aardkabel) PEN-geleider: gecombineerde nul- en beschermingsgeleider VFIG Postbus 443 2260 AK Leidschendam 070-337 87 53 info@vfig.nl www.vfig.nl Blad 6 van 6 Deze folder is uitgegeven door de Vereniging van Fabrikanten van Industriële Gassen (VFIG). Bij de samenstelling van deze folder werd de uiterste zorgvuldigheid in acht genomen. De VFIG aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van eventuele fouten en/of onvolkomenheden. De VFIG is lid van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI), VEMW en van de European Industrial Gases Association (EIGA). Bron: IGV. EIGA.