MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST nr. MHHC/M/1516/0042 van 14 januari 2016 in de zaak 14/MHHC/79-M In zake : de heer [ ] wonende te [ ] verzoekende partij tegen: het VLAAMSE GEWEST vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse Minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw vertegenwoordigd, bij delegatie, door : de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 8 waar woonplaats wordt gekozen verwerende partij I. VOORWERP VAN DE VORDERING De vordering, ingesteld met een aangetekende brief van 9 september 2014, strekt tot de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit AMMC van 23 mei 2014 met kenmerk 12/AMMC/650-M/DW/TVL. De bestreden beslissing legt aan verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 1408 euro, hetzij 256 euro vermeerderd met de opdeciemen, wegens het wijzigen van een klein landschapselement en van de vegetatie ervan. Het betreft met name het rooien van 15 knotwilgen rond een poel in agrarisch gebied, en het opvullen van deze poel met de stammen van de wilgen. II. VERLOOP VAN DE RECHTSPLEGING Verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en het administratief dossier neergelegd. Verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. MHHC - 1
2. Bij beschikking 14/MHHC/79-M/B1 van 5 maart 2015 stelt de kamervoorzitter, in toepassing van artikel 14, 1, lid 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 2011 houdende vaststelling van de rechtspleging voor het Milieuhandhavingscollege (hierna Procedurebesluit), dat het beroep zal worden behandeld op de zitting van de zesde kamer van 9 april 2015. De partijen zijn opgeroepen voor de zitting van 9 april 2015, waarop het beroep werd behandeld, de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. 3. Bij beschikking van 9 november 2015 wordt de zaak door de voorzitter van het Milieuhandhavingscollege toegewezen aan de vierde kamer. Bij tussenarrest MHHC/M/1516/0009 van 9 november 2015 worden de debatten heropend en zijn de partijen opgeroepen voor de zitting van 24 november 2015. Bestuursrechter Pascal LOUAGE heeft verslag uitgebracht. Verzoekende partij en mevrouw Julie CORNELIS, beleidsmedewerker van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid, die verschijnt voor verwerende partij, zijn gehoord. De vordering tot vernietiging wordt ab initio behandeld en de debatten worden gesloten. III. FEITEN Op 29 september 2011 stelt een toezichthouder van de politiezone VLAS, bijgestaan door een Commissaris van Politie, ambtshalve vast dat de vegetatie rond een klein landschapselement (poel), gelegen op de landbouwpercelen langs de [ ] te [ ], verwijderd werd, zonder dat hiervoor een natuurvergunning voorligt. Er wordt vastgesteld dat de poel in agrarisch gebied, die werd omgeven door een 15-tal knotwilgen die in april 2008 nog in goede staat verkeerden, zo goed als droog staat, terwijl de knotwilgen allen zijn verdwenen, en de resten van enkele knotwilgen in de poel liggen. Deze vaststellingen worden opgenomen in een aanvankelijk proces-verbaal nr. KO.63.L018281/2011 van 29 september 2011, dat aan het Parket wordt verzonden op 7 oktober 2011 en door het Parket wordt ontvangen op 11 oktober 201 In het licht hiervan wordt door de betrokken toezichthouder aan de heer [ ] een bestuurlijke maatregel opgelegd, die op 4 oktober 2011 ter kennis wordt gebracht. De maatregel strekt tot het herstel van de poel in de oorspronkelijke staat middels het aanplanten van nieuwe knotwilgen tegen uiterlijk 31 maart 2012 en het terug gezond maken en houden van de poel. Hiertegen wordt geen beroep ingesteld. 2. Voormelde vaststellingen van de politiezone VLAS worden op 1 december 2011 bevestigd door een gewestelijk toezichthouder voor het Agentschap Natuur en Bos, die het volgende vaststelt: MHHC - 2
De vegetatie rond de poel is volledig verdwenen. Wij zien de stobben van een 15-tal afgezaagde knotwilgen. De stammen zijn in de poel gedumpt. Deze vegetatie is zonder twijfel te beschouwen als klein landschapselement. Door het dumpen van de wilgen in de poel, is het natuurlijk evenwicht verstoord waardoor het water vol algen zit. Verdachte brengt ons in kennis dat de bomen voor het verwijderen reeds dood waren ten gevolge van een grote fabrieksbrand in de omgeving. Wij kunnen dit niet bevestigen aan de hand van de vaststellingen. Verdachte bevestigt dat hij komende winter en voor eind maart 2012 nieuwe wilgen zal voorzien en na de oogst van het graangewas (augustus 2012), rond de poel, een kraan zal laten komen om de oude stammen uit de poel te halen en de poel te ruimen. Deze vaststellingen worden opgenomen in het navolgend proces-verbaal nr. KO.63.L018281/2011-01 van 1 december 2011, dat wordt afgesloten op 8 december 2011, aan het Parket wordt verzonden op 17 januari 2012 en door het Parket wordt ontvangen op 20 januari 2012. In het licht hiervan wordt door de betrokken toezichthouder aan de heer [ ] op 5 december 2011 eveneens een bestuurlijke maatregel opgelegd. De maatregel strekt tot het herstel van de poel in de oorspronkelijke staat middels het aanplanten van 15 nieuwe knotwilgen tegen uiterlijk 15 augustus 2012 en het ruimen van de poel. Hiertegen wordt geen beroep ingesteld. 3. Op 3 mei 2012 verklaart verzoekende partij in het kader van zijn verhoor door een Hoofdinspecteur van Politie, bijgestaan door een toezichthouder van de politiezone VLAS, het volgende : Ik heb de nog rechtstaande en dode knotwilgen verwijderd. De poel werd niet gedeeltelijk opgevuld. Ik heb niets gewijzigd aan de toestand van de poel. Ik beweer dat de gevelde knotwilgen door waren als gevolg van een brand op 24 mei 2006. Ik heb de knotwilgen gerooid in de periode september 2011 met de bedoeling nadien nieuwe bomen aan te planten. Inzake de gebeurlijke impact van de betreffende fabrieksbrand op de knotwilgen wordt door de verbalisanten overwogen dat er in de nabije omgeving hier en daar een aantal elementen (o.a. knotwilgen) staan die nog in perfecte staat zijn. Voorts wordt op 8 mei 2012 vastgesteld dat er 15 jonge knotwilgen werden aangeplant, en dat de poel niet is gedempt, zodat de bestuurlijke maatregel door verzoekende partij correct werd uitgevoerd. Hiervan wordt een navolgend proces-verbaal nr. 007189/12 van 12 april 2012 opgemaakt, dat aan het Parket wordt verzonden op 11 mei 2012 en door het Parket wordt ontvangen op 14 mei 2012. 4. Na eerder middels schrijven van 15 maart 2012 een verlenging van de beslissingstermijn te hebben aangekondigd, meldt de procureur des Konings te Kortrijk middels schrijven aan de gewestelijke entiteit AMMC van 23 mei 2012, ontvangen op 31 mei 2012, dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld. MHHC - 3
5. Middels schrijven van 3 juli 2012 stelt de gewestelijke entiteit verzoekende partij in kennis van haar voornemen om desgevallend een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. Verzoekende partij wordt daarbij tevens uitgenodigd om haar schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag om dit verweer mondeling toe te lichten. Verzoekende partij dient geen schriftelijke repliek in, noch verzoekt zij om te worden gehoord. 6. Op 23 mei 2014 legt de gewestelijke entiteit aan verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 1408 euro, hetzij 256 euro vermeerderd met de opdeciemen die op het ogenblik van de feiten van toepassing waren voor de strafrechtelijke geldboeten. Verzoekende partij wordt hiervan in kennis gesteld middels aangetekend schrijven met ontvangstbewijs van 30 juli 2014. De gewestelijke entiteit motiveert haar beslissing onder meer als volgt: 3. Beoordeling 3. Het milieumisdrijf en de toerekenbaarheid aan de overtreder Overwegende dat werd vastgesteld dat op het perceel de vegetatie rond de daar aanwezige poel volledig verdwenen was en de stobben van een 15-tal afgezaagde knotwilgen zichtbaar waren; dat de stammen van deze knotwilgen in de poel waren gedumpt, waardoor het natuurlijk evenwicht van de poel was verstoord en het water vol algen zat. Overwegende dat de poel, alsook de daarrond aanwezige vegetatie -met name de 15 knotwilgen- beschouwd moeten worden als klein landschapselement conform artikel 2, 6 van het Natuurdecreet : lijn -of puntvormige elementen met inbegrip van de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resultaat zijn van menselijk handelen, en die deel uitmaken van de natuur zoals ; bermen, bomen, bronnen, dijken, graften, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen, veedrinkputten en waterlopen. Overwegende dat betreffende perceel volgens het gewestplan Kortrijk gelegen is in agrarisch gebied. Overwegende dat artikel 14 1 van het Natuurdecreet aan éénieder een zorgplicht oplegt ten aanzien van kleine landschapselementen. Overwegende dat artikel 13 5 van het Natuurdecreet stelt dat het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, in agrarisch gebied, ofwel verboden is ofwel vergunningsplichtige handelingen zijn. Overwegende dat volgens artikel 8 2, 1 van het Natuurbesluit het rooien of verwijderen van bomenrijen een vergunningsplichtige wijziging van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan betreft indien het gelegen is in agrarisch gebied; dat conform artikel 8 2, 2 van het Natuurbesluit hetzelfde geldt voor het wijzigen van de vegetatie horende bij de kleine landschapselementen en conform artikel 8 2, 3 van het Natuurbesluit voor het dichten van stilstaande waters, poelen of waterlopen. Overwegende dat conform hoger geciteerd artikel 2, 6 van het Natuurdecreet de poel, alsook de daarrond aanwezige vegetatie -met name de 15 knotwilgen- kleine landschapselementen zijn; dat vermoedelijke overtreder voor het rooien van de MHHC - 4
knotwilgen en het dumpen van de knotwilgen in de poel niet over de vereiste vergunning beschikte. Overwegende dat vermoedelijke overtreder tijdens zijn verhoor dd. 3 mei 2012 verklaarde dat hij de grond alleen bewerkte en de nog rechtstaande en dode knotwilgen heeft verwijderd; dat vermoedelijke overtreder het misdrijf erkent; Overwegende dat het niet geloofwaardig overkomt dat de knotwilgen dood waren als gevolg van een brand Overwegende dat zelfs indien de knotwilgen reeds dood waren, alsnog een vergunning vereist was voor het rooien hiervan Overwegende dat bovenvermelde feiten een schending uitmaken van volgende regelgeving : - artikelen 13 5 en 14 1 van het Natuurdecreet - artikel 8 2, 1-3 van het Natuurbesluit Overwegende dat bovenvermelde feiten vallen onder de definitie van milieumisdrijf conform artikel 16.2., 2 DABM waarvoor een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Overwegende dat het milieumisdrijf niet wordt betwist en vaststaat in hoofde van de overtreder. 3.2. De hoogte van de geldboete Overwegende dat bij de bepaling van de hoogte van de geldboete rekening wordt gehouden met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de omstandigheden waarin het milieumisdrijf is gepleegd of beëindigd. - 3.2.1 De ernst van de feiten Overwegende dat kleine landschapselementen erg belangrijk zijn voor de migratie van dieren en planten; dat er een beleid gevoerd wordt, gericht op het bewaren en verbeteren van deze verbindingsfunctie; dat dit de biodiversiteit bevordert. Overwegende dat bovenvermelde feiten derhalve voldoende ernstig zijn om gesanctioneerd te worden met een alternatieve bestuurlijke geldboete. - 3.2.3 De omstandigheden Overwegende dat bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening wordt gehouden met de bereidheid van de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen; dat concreet door overtreder, zoals bleek uit een controle van 8 mei 2012, het herstel werd gerealiseerd door de aanplant van 15 jonge knotwilgen en het ruimen van de poel; dat dit als verzachtende omstandigheid wordt meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de boete, wat leidt tot een lagere geldboete. ' Dit is de bestreden beslissing. IV. REGELMATIGHEID VAN DE RECHTSPLEGING Standpunt van de partijen MHHC - 5
De memorie van wederantwoord van verzoekende partij van 9 december 2014, ontvangen op 12 december 2014, werd ingediend door de heer [ ], wonende te [ ].Deze persoon stelt voorafgaandelijk dat Aan ons wordt gevraagd bijstand te verlenen in voormeld dossier, en ondertekent Voor Familie [ ]. Voor het overige wordt geen nadere verduidelijking gegeven omtrent de hoedanigheid van de heer [ ], noch wordt een volmacht voorgelegd. 2. Verwerende partij betwist in haar laatste memorie de ontvankelijkheid van de memorie van wederantwoord, en meent dat dit stuk uit de debatten moet worden geweerd. Zij stelt dat de memorie niet rechtsgeldig door of namens verzoekende partij werd ingediend, gezien de heer [ ] geen advocaat is en gezien er geen volmacht voorligt overeenkomstig artikel 4, lid 3 Procedurebesluit. Beoordeling door het College De vertegenwoordiging of bijstand van partijen in het kader van een procedure voor het Milieuhandhavingscollege werd bepaald in artikel 4 Procedurebesluit, dat op het ogenblik van het inleiden van de vordering luidde als volgt : De partijen kunnen zich in een procedure voor het college laten vertegenwoordigen of bijstaan, hetzij door een advocaat, hetzij door een raadsman die geen advocaat is. Voor het college treedt een advocaat op als gevolmachtigde van een partij, zonder dat hij van enige volm acht moet doen blijken. Een raadsman die geen advocaat is, kan slechts voor het college optreden als gevolmachtigde van een partij, mits hij van een volmacht doet blijken. 2. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de heer [ ] optreedt als advocaat van verzoekende partij. De heer [ ] kan slechts als gevolmachtigde van verzoekende partij optreden, mits er een volmacht voorligt. Gezien geen dergelijke volmacht voorligt, kon de heer [ ] overeenkomstig geciteerd artikel 4, lid 3 Procedurebesluit niet rechtsgeldig voor het Milieuhandhavingscollege optreden. De memorie van wederantwoord van de heer [ ] wordt uit de debatten geweerd. V. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING TOT VERNIETIGING Ontvankelijkheid wat betreft de tijdigheid van het beroep Standpunt van de partijen Verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift dat zij bezwaar wenst aan te tekenen tegen de boete beslissing volgens mogelijkheid blz 8/9 waarvan kopie hierbij. Verzoekende partij verwijst derhalve expliciet naar de belangrijke mededelingen die op pp. 8 en 9 als bijlage zijn gehecht aan de bestreden beslissing. Daarin wordt -onder meer- de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld verduidelijkt, middels verwijzing naar de relevante artikelen van het MHHC - 6
Procedurebesluit -zoals dit gold op het ogenblik van de inleiding van de vordering-, inzonderheid artikel 6. 2. Verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het beroep onontvankelijk is wegens laattijdigheid. Zij verwijst hierbij naar de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing enerzijds en de datum van verzending van het verzoekschrift anderzijds. In haar laatste memorie volhardt zij in deze exceptie, waaromtrent door verzoekende partij geen verweer werd gevoerd. Beoordeling door het College Het beroep van verzoekende partij betreft een vordering overeenkomstig artikel 16.4.39 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM), dat op het ogenblik van het inleiden van de vordering luidde als volgt: Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt, in voorkomend geval met voordeelontneming, kan degene aan wie de boete werd opgelegd beroep indienen bij het Milieuhandhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing. 2. De termijn waarbinnen dergelijk beroep moest worden ingesteld werd bepaald in artikel 6 Procedurebesluit, dat op het ogenblik van het inleiden van de vordering luidde als volgt: Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep bij verzoekschrift en binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing ingesteld. 2. Het begrip de kennisgeving in geciteerd artikel 6 werd nader gedefinieerd in artikel 1, 11 Procedurebesluit, dat op het ogenblik van het inleiden van de vordering luidde als volgt: Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 11 de kennisgeving : de kennisgeving, vermeld in artikel 16.2, 3, van het decreet; Artikel 16.2., 3 DABM luidt als volgt: 2.2. Tenzij het uitdrukkelijk anders bepaald is, wordt, voor de toepassing van deze titel, verstaan onder : 3 kennisgeving : een schriftelijke mededeling die gedaan kan worden ofwel door middel van een aangetekende brief met ontvangstbewijs ofwel door middel van afgifte tegen ontvangstbewijs; Het aanvangspunt van de kennisgeving wordt nader omschreven in artikel 16.3., 1 t.e.m. 3 DABM, dat luidt als volgt: Bij de berekening van termijnen is de dies a quo, de dag waarop het feit plaatsvindt dat het uitgangspunt is voor de berekening van de termijn, niet inbegrepen in de termijn, MHHC - 7
behalve in het geval van een uitdrukkelijk afwijkende bepaling. De dies ad quem, de vervaldag van de termijn, is altijd inbegrepen in de termijn, behalve in het geval van een uitdrukkelijk afwijkende bepaling. Als de vervaldag een zaterdag, zondag of feestdag is, verschuift de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag. De termijnen worden berekend in kalenderdagen, behalve in het geval van een uitdrukkelijk afwijkende bepaling. 2. Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is door middel van een aangetekende brief met ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen de derde werkdag na de dag waarop de verzending heeft plaatsgevonden. ( ) 3. Als een schriftelijke mededeling de handeling is die gedaan moet worden binnen een bepaalde termijn, geldt de termijn voor de verzending of afgifte, behoudens andersluidende bepaling. 2.3. De termijn waarbinnen het beroep moest worden ingediend werd mede bepaald door artikel 3, 1 Procedurebesluit, dat op het ogenblik van het inleiden van de vordering luidde als volgt: De partijen bezorgen aan het college alle stukken per aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs op de griffie. De datum van de poststempel of de datum van het ontvangstbewijs geldt als bewijs van het tijdstip waarop het stuk is ingediend. 3. De kennisgeving van de bestreden boetebeslissing middels aangetekend schrijven met ontvangstbewijs gebeurde volgens de datum van de poststempel op 30 juli 2014. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat deze kennisgeving onregelmatig was. Verzoekende partij werd overeenkomstig artikel 16.4.37., lid 2 DABM expliciet gewezen op de mogelijkheid om hiertegen beroep aan te tekenen bij het Milieuhandhavingscollege, conform de informatie in bijlage bij de beslissing. In de betreffende bijlage wordt artikel 6 Procedurebesluit geciteerd onder de titel belangrijke mededelingen inzake de mogelijkheid tot beroep tegen de boetebeslissing, bij de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld. De vervaltermijn van dertig dagen in artikel 6 Procedurebesluit nam derhalve een aanvang op 4 augustus 2014, hetzij de derde werkdag na de verzending van het aangetekend schrijven met ontvangstbewijs op 30 juli 2014. Voormelde vaststellingen worden door partijen niet betwist. Verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift overigens letterlijk naar de uitleg in de bijlage van de bestreden beslissing omtrent de mogelijkheid tot beroep en de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld. 4. Er moet worden vastgesteld dat het beroep van verzoekende partij niet werd ingesteld binnen de vervaltermijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing. Deze termijn nam zoals hoger overwogen op 4 augustus 2014 een aanvang, zodat het verzoekschrift dat ter kennis werd gebracht met een aangetekende brief van 9 september 2014 laattijdig was. De vaststelling dat het verzoekschrift blijkens de daarop vermelde datum werd opgesteld op 27 augustus 2014, hetzij binnen de vervaltermijn van dertig dagen, doet hieraan geen afbreuk. Het is MHHC - 8
de datum van de poststempel die geldt als bewijs van het tijdstip waarop het stuk is ingediend, met name 9 september 2014. 5. Er liggen geen andere stukken voor die voormelde vaststelling tegenspreken. Verzoekende partij repliceerde evenmin op de door verwerende partij opgeworpen exceptie van laattijdigheid. Er moet dan ook noodzakelijk worden besloten dat het beroep laattijdig is ingediend. Het beroep is onontvankelijk. OM DEZE REDENEN BESLIST HET MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE Het beroep is onontvankelijk. 2. De behandeling van het beroep heeft geen kosten met zich gebracht, zodat een beslissing over de kosten van het geding zonder voorwerp is. Dit arrest is uitgesproken in Brussel op de openbare zitting van 14 januari 2016 door het Milieuhandhavingscollege, vierde kamer, samengesteld uit: Marc VAN ASCH Geert DE WOLF Pascal LOUAGE voorzitter van de vierde kamer bestuursrechter bestuursrechter met bijstand van Xavier VERCAEMER hoofdgriffier De hoofdgriffier, De voorzitter van de vierde kamer, Xavier VERCAEMER Marc VAN ASCH MHHC - 9