Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Hygiëne en infectiepreventie 26 Infectiepreventie perifere veneuze katheters 1 Toepassingen Perifere katheters worden zeer frequent gebruikt voor het toedienen van infusievloeistof waaraan geneesmiddelen, voeding, bloed of bloedproducten kunnen zijn toegevoegd. Een perifere katheter kan ook als een waakinfuus gebruikt worden, de canule als waaknaald. Type katheter Katheters worden van divers materiaal gemaakt. De aard van het materiaal is van invloed op de kans dat een flebitis ontstaat of dat een naald of katheter gekoloniseerd raakt met bacteriën. Katheters die gemaakt zijn van Teflon worden het meest gebruikt. Klinisch onderzoek met alternatieve materialen toont aan dat bij katheters die gemaakt zijn van poly-urethaan of siliconen de kans op flebitis kleiner is dan bij Teflon katheters. Naast de aard van het materiaal is de diameter van de naald of canule van belang. Geadviseerd wordt om een katheter met zo klein mogelijke bruikbare diameter in te brengen. Geadviseerd wordt katheters met bijspuitpoortje alleen korte tijd te gebruiken, bijvoorbeeld tijdens een operatie. In een aantal studies is aangetoond dat bij gebruik van een bijspuitpoortje een verhoogd risico op infectie bestaat. Andere studies konden dit echter niet bevestigen. Plaats en wijze van inbrengen katheter Een perifere veneuze katheter wordt meestal in de arm ingebracht, daarbij wordt een armvene percutaan aangeprikt en een katheter in het vat gebracht. Een perifeer infuus in een beenvene geeft een grotere kans op complicaties, evenals een infuus in handrug of pols. Het inbrengen van een katheter door middel van venasectie dient om dezelfde reden vermeden te worden. Voorafgaand aan het inbrengen van een perifere veneuze katheter worden de handen gedesinfecteerd met handalcohol. Bij het inbrengen van de katheter worden niet-steriele handschoenen gedragen ter bescherming tegen contact met bloed van de patiënt. Handschoenen kunnen bloedcontact ten gevolge van prikaccidenten niet voorkomen, maar vormen wel een barrière waardoor het inoculum verkleind kan worden. Bij sterke haargroei wordt de huid eerst onthaard. Aangezien bij het inbrengen van katheters altijd de huidbarriëre wordt doorbroken, dient de huid van te voren zorgvuldig te worden gedesinfecteerd met inachtneming van de inwerktijd van het desinfectans. Het meest geschikt hiervoor zijn 0,5% chloorhexidine in 70% alcohol of 1% jodium in 70% alcohol. Bij het toepassen van folieverband verdient desinfectie met 0,5% chloorhexidine in 70% alcohol de voorkeur. De residuwerking van chloorhexidine beperkt de uitgroei van bacteriën onder de folie. 1 Werkgroep Infectiepreventie. Ziekenhuizen. Intravasale therapie. december 2003. revisie februari 2006 Infectiepreventie perifere katheter: 1 (van 5)
Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Hygiëne en infectiepreventie 27 De katheter wordt pas ingebracht als het desinfectans is opgedroogd.bij het palperen van reeds gedesinfecteerd gebied ook de vingers desinfecteren. Wanneer herhaalde pogingen nodig zijn om de naald in te brengen, wordt steeds een nieuwe naald gebruikt. Er dient vanuit te worden gegaan dat de naald, ondanks desinfectie van de huid, bij het aanprikken besmet wordt met ondermeer huidflora. De aangebrachte katheter wordt gefixeerd. De insteekplaats wordt afgedekt. Als afdekmateriaal kan steriel gaas of doorzichtig folieverband gebruikt worden. Door het gebruik van folie kan het aantal risicovolle verbandwisselingen worden beperkt. Er is geen relatie aangetoond tussen de aard van het afdekmateriaal en de frequentie van flebitis bij perifere katheters. Duur verblijf katheter De incidentie van mechanische of chemische flebitis neemt toe met de tijd dat de katheter in situ wordt gelaten. Door een mechanische of chemische flebitis neemt de kans op infectieuze complicaties toe. Er zijn geen parameters bekend op grond waarvan het ontstaan van flebitis voorspeld kan worden. In de praktijk wordt een flebitis soms pas in een ver gevorderd stadium herkend. Dit verhoogt de kans op complicaties. Omdat het in de praktijk soms nodig zal zijn een katheter voor langere tijd in situ te laten, wordt hier een gedifferentieerd advies gegeven betreffende de verblijfsduur ter preventie van flebitis. Geadviseerd wordt alle perifere infuuskatheters, bestemd voor het toedienen van medicatie, voeding, bloed of bloedprodukten, elke 72-96 uur te verwijderen en indien geïndiceerd een nieuwe katheter op een andere plaats weer in te brengen, omdat genoemde stoffen snel aanleiding geven tot flebitis. Voor katheters bestemd voor het toedienen van heparine, weeënremmers, waakinfusen en bijzondere perifere infusen, zoals bij neonaten of kleine kinderen, kunnen uitzonderingen worden gemaakt. Voor infusen bij patiënten die moeilijk te prikken zijn en bij eerstgenoemde uitzonderingen, wordt geadviseerd om ook na de eerste 72-96 uur dagelijks, op grond van klinisch beeld en inspectie van de insteekplaats, te beoordelen of de katheter in situ kan blijven. Op het moment dat zich tekenen van flebitis voordoen dient de katheter direct verwijderd te worden. Aard van de infusievloeistof en infusiesnelheid Naast verblijftijd, punctieplaats en diameter van de katheter wordt het ontstaan van een flebitis beïnvloed door de samenstelling van de infusievloeistof en door een hoge stroomsnelheid in het infuus (zie Tabel 1). Bij de samenstelling van de infusievloeistof zijn ph, osmolariteit en het vóórkomen van 1-10 µm grote deeltjes van belang. Zo kunnen cytostatica, glucose 5%, een hoog gehalte aan kaliumchloride en bepaalde antibiotica de kans op flebitis verhogen. Vervanging van glucose 5% oplossing voor continue infusie door NaCl 0,9% oplossing reduceert de kans op flebitis. Medicatie dient zo veel mogelijk verdund te worden toegediend. Infectiepreventie perifere katheter: 2 (van 5)
Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Hygiëne en infectiepreventie 28 Gezien de diversiteit van de te infunderen vloeistoffen is het van belang dat voor elke uit de handel betrokken infusievloeistof het door de fabrikant geadviseerde infusieschema wordt gevolgd. Tabel 1: oorzaken die leiden tot flebitis irriterende infuusvloeistof (partikels, afwijkende ph, afwijkende osmotische waarde mechanisch chemisch microbieel lange verblijftijd canule x x x ongunstige punctieplaats x x hoge stroomsnelheid x x grote diameter canule x x slechte fixatie x x slechte hygiënische verzorging Perifere intraveneuze voeding kan, gezien de samenstelling, alleen voor korte duur worden toegepast. Men dient extra alert te zijn op tekenen van flebitis. Er bestaat een toenemende tendens intraveneuze voeding via een perifeer infuus toe te dienen. Vooral door de hoge osmolariteit van de toe te dienen vloeistof bestaat hierbij een grotere kans op het ontstaan van een flebitis. x x Bereiding infusievloeistof en toediening van geneesmiddelen De bereiding van infusievloeistoffen wordt in principe door de (ziekenhuis)apotheek gedaan. Sepsis ten gevolge van besmetting van infusievloeistoffen of toegevoegde componenten komt weinig voor. Handelingen bij het aansluiten van het infuussysteem, het toevoegen van geneesmiddelen e.d. zijn belangrijker oorzaken van besmetting van het infuussysteem. Manipulaties aan het infuussysteem moeten tot een minimum beperkt blijven en dienen altijd voorafgegaan te worden door desinfectie van de koppeling ("hub") met alcohol 70%. Het systeem dient als een gesloten systeem te worden behandeld, dat wil zeggen dat zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van kraantjes en dat geen bloed wordt afgenomen via het toedieningssysteem. Bij handelingen aan het infuussysteem dienen de handen van te voren te worden gedesinfecteerd met handalcohol. Vóór het aansluiten van het infuussysteem aan infuusfles of -zak wordt het aanprikpunt, indien niet steriel, gedesinfecteerd. Dit geldt ook bij het gebruik van rubber toegangspoorten De infuusflessen of -zakken mogen pas worden aangeprikt op het moment dat ze gebruikt gaan worden en mogen vervolgens gedurende maximaal 24 uur worden gebruikt. Geadviseerd wordt datum en tijdstip van aanprikken op de fles/zak te vermelden. Een reeds bij een patiënt aangesloten fles/zak mag onder geen enkele voorwaarde voor een andere patiënt worden gebruikt. Bij gebruik van (drieweg)kraantjes is het van belang zeer zorgvuldig te handelen omdat ze snel besmet raken. Ze dienen met het infuussysteem te worden vervangen. Infectiepreventie perifere katheter: 3 (van 5)
Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Hygiëne en infectiepreventie 29 Wanneer het aantal toegangen tot het systeem verhoogd moet worden heeft het gebruik van een kranenblok, geplaatst op een standaard naast het bed, de voorkeur boven het aaneenschakelen van losse kraantjes. Het aantal manipulaties aan het systeem en de kans op loslaten van een kraantje verminderen hierdoor. Indien kraantjes toegepast worden dient na gebruik een nieuw steriel dopje te worden geplaatst. Toediening door aanprikken van een rubber stop, na desinfectie van de stop, geniet echter de voorkeur. Vervanging infuussystemen Systemen die gebruikt zijn voor toediening van bloed, bloedproducten en lipiden (voeding), dienen iedere 24 uur te worden vervangen door nieuwe systemen. Bloed, bloedproducten en lipiden kunnen door hun samenstelling een rijke voedingsbodem voor micro-organismen vormen. Worden andere vloeistoffen toegediend, die een aanzienlijk geringere kans op groei van micro-organismen bieden, dan kunnen de hiervoor gebruikte toedieningssystemen 72-96 uur in situ blijven. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een rollerpomp dient erop te worden gelet of het systeem gedurende de gehele toedieningsperiode bestand blijft tegen de invloed van de werking van de pomp en niet poreus wordt. Voorafgaand aan het loskoppelen van het infuussysteem dient de koppeling ("hub") te worden gedesinfecteerd met alcohol 70%. Recent zijn op de Nederlandse markt een aantal zogenoemde naaldloze infuussystemen/- koppelingen geïntroduceerd. Men stelt dat met deze systemen het aantal prikaccidenten en kathetergerelateerde infecties vermindert. Ter voorkoming van prikaccidenten zijn deze systemen echter niet veiliger dan de conventioneel in Nederland gebruikte infuussystemen met Luerlockverbindigen. Op dit moment is niet aangetoond dat dergelijke systemen het aantal kathetergerelateerde infecties reduceert. Met betrekking tot de preventie van infecties hebben naaldloze infuussystemen/-koppelingen geen aangetoonde voordelen. Indien ze desalniettemin worden gebruikt, is het advies ze tenminste elke 72-96 uur te vervangen. Een éénmaal afgekoppeld infuus-en/of toedieningssysteem mag niet meer opnieuw worden aangesloten. Inspectie en verzorging van de insteekplaats Dagelijkse inspectie van de insteekplaats is noodzakelijk. Een steriel gaas wordt iedere 24 uur vervangen, teneinde de insteekplaats te inspecteren. Indien doorzichtig folieverband wordt gebruikt is directe inspectie mogelijk. Zodra het folieverband los laat, dient het direct te worden vervangen. Infectiepreventie perifere katheter: 4 (van 5)
Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Hygiëne en infectiepreventie 30 Heparineslotjes Om verzekerd te zijn van een constante intraveneuze toegangsroute kan de katheter worden gespoeld met een heparine-oplossing (heparineslot). Er bestaat geen consensus over de te gebruiken concentratie heparine of de frequentie van doorspuiten. Een eensluidend advies over het gebruik van heparine-oplossingen voor het doorgankelijk houden van een perifeer infuus is dan ook niet te geven. Een mogelijkheid is het dagelijks doorspoelen van de katheter met een 100 E/ml heparine-oplossing.een alternatief voor het heparineslot is het spoelen van de katheter met fysiologisch zout. Op dit moment is niet aangetoond dat het effect van heparine beter is dan dat van fysiologisch zout. Een tweede alternatief voor een heparineslot is de z.g. obturator (mandrin). Deze sluit het katheterlumen geheel af. Een obturator is zinvol wanneer de perifere katheter langer dan 24 uur in situ gelaten wordt en de katheter gedurende die tijd niet gebruikt wordt. Het routinematig doorspoelen met heparine is dan overbodig. De obturator mag slechts éénmalig worden gebruikt en dient minimaal wekelijks te worden vervangen. Infuusfilters Infuusfilters kunnen van belang zijn ter preventie van chemische flebitis. Daar antibiotica relatief slecht oplossen, is een 0,22 µ m filter te overwegen bij patiënten die langdurig antibiotica per infuus krijgen toegediend. Het nut ter preventie van bacteriële complicaties is niet aangetoond. Andere methoden ter reductie van het aantal flebitiden Toevoegen van heparine aan de infusievloeistof, al dan niet in combinatie met hydrocortison, verlaagt de kans op een flebitis. Het routinematig toedienen van heparine en hydrocortison kan bij sommige patiënten echter op bezwaren stuiten en wordt derhalve niet geadviseerd. Ook het gebruik van nitroglycerine pleisters en het bufferen van de oplossingen zouden mogelijk bij kunnen dragen aan reductie van het aantal flebitiden; hierover bestaat echter geen consensus. Over de kosteneffectiviteit van dergelijke maatregelen zijn geen gegevens bekend. Infectiepreventie perifere katheter: 5 (van 5)