ANDREASKERK - THEMADIENST 22 mei 2016-19.00 uur VIERING AVONDMAAL Voorganger: Ds. Werner Gugler Ouderling: Jannie Torsius Lector: Stoffel Bos Organist: W.J. Schaap Koster: E van den Heuvel Bord-/beamerbeheerder: G. Mulder
Intocht: Psalm 100 Votum & groet Gezang 330 2. Roept uit met blijdschap: God is Hij. Hij schiep ons, Hem behoren wij, zijn volk, de schapen die Hij hoedt en als beminden weidt en voedt. 3. Treedt statig binnen door de poort. Hier staat zijn troon, hier woont zijn Woord. Heft hier voor God uw lofzang aan: Gebenedijd zijn grote naam. 1. Heb dank, o God van alle leven, die zijt alleen Uzelf bekend, dat Gij uw woord ons hebt gegeven, uw licht en liefd ons toegewend. Nu rijst uit elke nacht uw morgen, nu wijkt uw troost niet meer van d aard, en wat voor wijzen bleef verborgen werd kinderen geopenbaard. 3. Gemeente, aan wier aardse handen dit hemels woord is toevertrouwd, o draag het voort naar alle landen, vermenigvuldigd duizendvoud. Een stem zegt: roep! Wat zoudt gij roemen op mensengunst of -heerlijkheid? t Verwaait als gras en weidebloemen. Gods woord bestaat in eeuwigheid! 2
Gebed Lezing: Hebr. 1: 1-4 1 Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, 2 maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen. 3 In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld, hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, 4 ver verheven boven de engelen omdat hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij. Gezang 231: 1,2 1. Wij knielen voor uw zetel neer, wij, Heer, en al uw leden, en eren U als onze Heer met liedren en gebeden. Dat alle macht, hoe hoog, hoe groot, voor U, o Godsgetuige, o Eerstgeboren uit de dood zich diep eerbiedig buige! 2. Die ons, gereinigd door uw bloed, tot priesters hebt verheven, en ons de hoge rang, de moed van koningen gegeven, U zij de roem, U zij de lof, U de eerkroon opgedragen! Geheel de aard en t hemelhof moet van uw eer gewagen. Lezing: Hebr. 4: 12-16 Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden. 13 Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen. 14 Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. 15 Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. 16 Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden. 3
Overdenking OTH 150 (als credo) 1. Heer, U bent mijn leven, de grond waarop ik sta. Heer, U bent mijn weg, de waarheid die mij leidt. Uw woord is het pad, de weg waarop ik ga, zolang U mij adem geeft, zolang als ik besta. Ik zal niet meer vrezen want U bent bij mij. Heer, ik bid U, blijf mij nabij. 3. Heer, U bent mijn kracht, de Rots waarop ik bouw. Heer, U bent mijn waarheid, de vrede van mijn hart. En niets in dit leven zal ons scheiden Heer; zo weet ik mij veilig, want uw hand laat mij nooit los. Van wat ik misdaan heb, heeft U mij bevrijd en in uw vergeving leef ik nu. 2. k Geloof in U, Heer Jezus, geboren uit de maagd, eeuw ge Zoon van God, die mens werd zoals wij. U die stierf uit liefde, leeft nu onder ons: één met God de Vader en verenigt met uw volk; tot de dag gekomen is van uw wederkomst, dan brengt U ons thuis in Gods rijk. 4. Vader van het leven, ik geloof in U. Jezus, de Verlosser, wij hopen steeds op U. Kom hier in ons midden, Geest van liefd en kracht. U die via duizend wegen ons hier samen bracht; en op duizend wegen zendt U ons weer uit, om het zaad te zijn van Gods rijk. Collectes 4
ZINGEN TIJDENS DE RONDGANG Gezang 360: 1,2,3 2. Sterk ons wankelend vertrouwen, geef ons zelf wat Gij geboodt: dat wij met oprecht berouwen enkel rusten in uw dood; ja, vervul ons met uw krachten, opdat wij uw wet betrachten, zegen zo uw sacrament, dat ons hart U steeds meer kent. 1. Heer, wij komen vol verlangen, op uw roepstem naar uw dis, want door schuld met schrik bevangen zoekt ons hart vergiffenis: slechts in U bestaat ons leven, die uw bloed voor ons woudt geven; laat ons dan in brood en wijn met Uzelf gespijzigd zijn. 3. Leer ons, Heer, vrijmoedig spreken over uw verlossend werk; geef dat niet die woorden breken op de daden van uw kerk, maar dat wij geheiligd leven op de plaats door U gegeven, en U volgen onder t kruis op de smalle weg naar huis. Opw. 297: 1,2 (= OTH 297) 1. Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan, schouder aan schouder in uw wijngaard te staan, samen te dienen, te zien wie U bent, want uw woord maakt uw wegen bekend. 2. Samen te strijden in woord en in werk. Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk. Delen in vreugde, in zorgen, in pijn, als uw kerk, die waarachtig wil zijn. Samen op weg gaan, dat is ons gebed, als een volk, dat juist daarvoor door U apart is gezet. Vol van uw liefde, genade en kracht, als een lamp, die nog schijnt in de nacht. Samen op weg gaan, dat is ons gebed, als een volk, dat juist daarvoor door U apart is gezet. Vol van uw liefde, genade en kracht, als een lamp, die nog schijnt in de nacht. 5
Gezang 445 1. God heeft mij zijn Zoon gegeven, door t geloof nam ik Hem aan; ja, ik weet het, ik zal leven, en door Hem ten hemel gaan. Zelfs eer ik nog was geboren, heeft mij God in Hem verkoren, eer zijn woord met scheppersmacht dit heelal tot aanzijn bracht. 3. Ruwe stormen mogen woeden, alles om mij heen zij nacht, God, mijn God zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht. Moet ik lang zijn hulp verbeiden, zijne liefde blijft mij leiden: door een nacht, hoe zwart, hoe dicht, voert Hij mij in t eeuwig licht. 2. Jezus Christus is gestorven, is verrezen, ook voor mij, heeft de zegepraal verworven en het leven, ook voor mij. Aan Gods rechterhand gezeten, zal Hij nimmer mij vergeten, maar, uit deernis met mijn lot, treedt Hij voor mij in bij God. Psalm 103: 1,3 1 Zegen, mijn ziel, de grote naam des Heren, laat al wat binnen in mij is Hem eren, vergeet niet hoe zijn liefd u heeft geleid, gedenk zijn goedheid, die u wil vergeven, die u geneest, die uit het graf uw leven verlost en kroont met goedertierenheid. 3 Hij is een God van liefde en genade, barmhartigheid en goedheid zijn de daden van Hem die niet voor altijd met ons twist, die ons niet doet naar alles wat wij deden, ons niet naar onze ongerechtigheden vergeldt, maar onze schuld heeft uitgewist. Dankgebed 6
OTH 282: 2,3 (= Opwekking 407) 2. Als ik bedenk, hoe Jezus zonder klagen tot in de dood gegaan is als een Lam, sta ik verbaasd, dat Hij mijn schuld wou dragen en aan het kruis mijn zonde op zich nam. Dan zingt mijn ziel ) tot U, o Heer mijn God: ) 2 hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij! ) 3. Als Christus komt met majesteit en luister, brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn. Dan zal ik vol aanbidding voor Hem buigen en zingt mijn ziel: o Heer, hoe groot zijt Gij! Dan zingt mijn ziel ) tot U, o Heer mijn God: ) 2 hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij! ) Zegen 7